Index 
Aangenomen teksten
Woensdag 22 november 2023 - Straatsburg
Ontwerp van gewijzigde begroting nr. 4/2023 – Verlaging van de betalingskredieten, andere aanpassingen en technische actualiseringen
 Begrotingsprocedure 2024: gemeenschappelijk ontwerp
 Beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering – aanvraag EGF/2023/002 BE/Makro – België
 Publicatieblad van de Europese Unie: elektronische publicatie
 Overeenkomst tussen de Europese Unie en Montenegro: operationele activiteiten van het Europees Grens- en kustwachtagentschap in Montenegro
 Vrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Unie en Nieuw-Zeeland
 Vrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Unie en Nieuw-Zeeland
 Benoeming van een lid van de Rekenkamer – Petri Sarvamaa
 Benoeming van een lid van de Rekenkamer – Annemie Turtelboom
 Btw: regels voor het digitale tijdperk
 Btw: de voor het digitale tijdperk noodzakelijke regelingen voor administratieve samenwerking
 Btw: belastingplichtigen, bijzondere regeling en de bijzondere regeling voor de aangifte en de betaling in verband met afstandsverkopen van ingevoerde goederen
 Duurzaam gebruik van gewasbeschermingsmiddelen
 Verpakkingen en verpakkingsafval
 Digitalisering en bestuursrecht
 Ontwerpen van het Europees Parlement tot herziening van de Verdragen
 Onderhandelingen over een statusovereenkomst inzake operationele activiteiten van Frontex in Mauritanië

Ontwerp van gewijzigde begroting nr. 4/2023 – Verlaging van de betalingskredieten, andere aanpassingen en technische actualiseringen
PDF 128kWORD 45k
Resolutie van het Europees Parlement van 22 november 2023 over het standpunt van de Raad inzake het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 4/2023 van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2023 - Verlaging van de betalingskredieten, andere aanpassingen en technische actualiseringen (14622/2023 – C9-0410/2023 – 2023/0367(BUD))
P9_TA(2023)0412A9-0363/2023

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 314 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012(1), en met name artikel 44,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2023, definitief vastgesteld op 23 november 2022(2),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) 2020/2093 van de Raad van 17 december 2020 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2021-2027(3),

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 16 december 2020 tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie betreffende begrotingsdiscipline, samenwerking in begrotingszaken en goed financieel beheer, alsmede betreffende nieuwe eigen middelen, met inbegrip van een routekaart voor de invoering van nieuwe eigen middelen(4),

–  gezien Besluit (EU, Euratom) 2020/2053 van de Raad van 14 december 2020 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie, en tot intrekking van Besluit 2014/335/EU, Euratom(5),

–  gezien het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 4/2023, vastgesteld door de Commissie op 11 oktober 2023 (COM(2023)0530),

–  gezien het standpunt inzake het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 4/2023, vastgesteld door de Raad op 9 november 2023 en toegezonden aan het Europees Parlement op 13 november 2023 (14622/2023 – C9-0410/2023),

–  gezien de artikelen 94 en 96 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A9‑0363/2023),

A.  overwegende dat het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 4/2023 voornamelijk tot doel heeft de uitgavenzijde van de begroting te actualiseren, onder meer om de kredieten voor het project voor de internationale thermonucleaire experimentele reactor (ITER) met 280 miljoen EUR aan vastleggingskredieten en 264 miljoen EUR aan betalingskredieten te verlagen als gevolg van de vertragingen bij de uitvoering van het project, en om het niveau van de betalingskredieten voor het programma Digitaal Europa, het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds Plus, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Fonds voor asiel, migratie en integratie met een totaalbedrag van 3 miljard EUR te verlagen;

B.  overwegende dat het totale netto-effect van het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 4/2023 op de uitgaven neerkomt op een daling van de vastleggingskredieten met 247,5 miljoen EUR en van de betalingskredieten met 3 254,8 miljoen EUR;

1.  neemt kennis van het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 4/2023 zoals ingediend door de Commissie;

2.  wijst op de voorgestelde bezuiniging met betrekking tot het ITER-project, bovenop de bezuinigingen die ten tijde van de onderhandelingen over de begroting 2023 zijn doorgevoerd en de door de Commissie in de ontwerpbegroting 2024 voorgestelde bezuiniging; geeft uiting aan zijn grote bezorgdheid over de vooruitgang bij de uitvoering van ITER en verzoekt de Commissie om het Parlement volledig op de hoogte te houden van de ontwikkelingen en de gevolgen daarvan voor de financiële bijdrage van de Unie en om meer gedetailleerde uitleg te geven over de redenen voor de aanzienlijke vertragingen wat betreft het programma;

3.  spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over de vertragingen bij de uitvoering van programma’s in het huidige meerjarig financieel kader (MFK) en de daaruit voortvloeiende verlaging van de betalingskredieten; verzoekt de lidstaten om, met steun van de Commissie, vaart te zetten achter de uitvoering, zodat de volledige absorptie van beschikbare kredieten gewaarborgd is; benadrukt dat het noodzakelijk is een betalingscrisis aan het einde van het huidige MFK te voorkomen; herinnert in dit verband aan zijn voorstel tot wijziging van het enkelvoudig marge-instrument met het oog op de schrapping van de jaarlijkse bovengrens voor betalingskredieten voor gebruikmaking van dat instrument in het kader van de herziening van het MFK, en verzoekt de Raad en de Commissie het voorstel van het Parlement te steunen;

4.  wijst in het bijzonder op de door de Commissie voorgestelde bezuiniging op de betalingskredieten voor het Fonds voor asiel, migratie en integratie (AMIF) vanwege het feit dat een aantal grote facturen nog in behandeling is en dat voor bepaalde projecten nog niet aan sommige betalingsvoorwaarden is voldaan; beschouwt dergelijke vertragingen als zeer problematisch, aangezien het AMIF flexibel moet zijn en onmiddellijk moet kunnen reageren bij migratiestromen; verzoekt de Commissie het proces te versnellen zodat de lidstaten volledig kunnen worden ondersteund wanneer zij te maken krijgen met grote migratiestromen;

5.  is verheugd over het voorstel om de kredieten voor de beveiliging van het gebouw en de IT-systemen van het Europees Openbaar Ministerie te verhogen en om acht extra tijdelijke functionarissen toe te wijzen; herhaalt zijn reeds lang ingenomen standpunt dat agentschappen waarvan het mandaat is uitgebreid een evenredige uitbreiding van personeel en begroting moeten krijgen;

6.  neemt nota van de door de Commissie voorgestelde aanpassingen met betrekking tot rubriek 7; benadrukt dat de instellingen van de Unie de nodige middelen ter beschikking moeten hebben om aan hun wettelijke en contractuele verplichtingen te kunnen voldoen en hun mandaat te kunnen vervullen; is ingenomen met de inspanningen van de instellingen om bijna alle bedragen die nodig zijn als gevolg van het hogere actualiseringspercentage van de salarissen, te dekken door herschikkingen en uitstel van niet-verplichte investeringen; neemt nota van de kleine verhoging die nodig is voor de pensioenuitgaven en van het bedrag dat de Europese scholen vragen om de kosten van de hoge energieprijzen te dekken;

7.  is van mening dat de Unie krachtig moet reageren op de snel toenemende behoeften, met name op het gebied van humanitaire hulp, ook in het Midden-Oosten en de Kaukasus; verzoekt de Commissie de begrotingsmogelijkheden te bestuderen om reeds in 2023 steun te kunnen verlenen, hetzij via een ander ontwerp van gewijzigde begroting, hetzij via een overdracht;

8.  keurt het standpunt van de Raad inzake het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 4/2023 goed;

9.  verzoekt zijn Voorzitter te constateren dat de gewijzigde begroting nr. 4/2023 definitief is vastgesteld en zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

10.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de nationale parlementen.

(1) PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1.
(2) PB L 58 van 23.2.2023, blz. 1.
(3) PB L 433 I van 22.12.2020, blz. 11.
(4)PB L 433 I van 22.12.2020, blz. 28.
(5)PB L 424 van 15.12.2020, blz. 1.


Begrotingsprocedure 2024: gemeenschappelijk ontwerp
PDF 214kWORD 86k
Resolutie
Bijlage
Bijlage
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 22 november 2023 over het gemeenschappelijk ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2024, goedgekeurd door het bemiddelingscomité in het kader van de begrotingsprocedure (11565/2023 – C9-0336/2023 – 2023/0264(BUD))
P9_TA(2023)0413A9-0362/2023

Het Europees Parlement,

–  gezien het door het bemiddelingscomité goedgekeurde gemeenschappelijke ontwerp en de daarop betrekking hebbende verklaringen van het Parlement, de Raad en de Commissie (11565/2023 – C9‑0336/2023),

–  gezien het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2024, goedgekeurd door de Commissie op 5 juli 2023 (COM(2023)0300),

–  gezien het standpunt inzake het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2024, vastgesteld door de Raad op 5 september 2023 en toegezonden aan het Europees Parlement op 8 september 2023 (11565/2023 – C9‑0336/2023),

–  gezien nota van wijzigingen nr. 1/2024 bij het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2024, ingediend door de Commissie op 9 oktober 2023 (COM(2023)0531),

–  gezien zijn resolutie van 18 oktober 2023 over het standpunt van de Raad inzake het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2024(1) en de daarin opgenomen begrotingsamendementen,

–  gezien artikel 314 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien Besluit (EU, Euratom) 2020/2053 van de Raad van 14 december 2020 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie en tot intrekking van Besluit 2014/335/EU, Euratom(2),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012(3),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) 2020/2093 van de Raad van 17 december 2020 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2021-2027(4),

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 16 december 2020 tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie betreffende begrotingsdiscipline, samenwerking in begrotingszaken en goed financieel beheer, alsmede betreffende nieuwe eigen middelen, met inbegrip van een routekaart voor de invoering van nieuwe eigen middelen(5),

–  gezien de artikelen 95 en 96 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van zijn delegatie in het bemiddelingscomité (A9-0362/2023),

1.  keurt het gemeenschappelijk ontwerp goed;

2.  bevestigt zijn verklaring en de gezamenlijke verklaringen die als bijlage bij deze resolutie zijn gevoegd;

3.  neemt kennis van de aan deze resolutie gehechte verklaring van de Commissie;

4.  verzoekt zijn Voorzitter te constateren dat de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2024 definitief is vastgesteld en zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

5.  verzoekt zijn Voorzitter deze wetgevingsresolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de overige instellingen en de betrokken organen, alsmede aan de nationale parlementen.

BIJLAGE

DEFINITIEVE VERSIE

Begroting 2024 – Elementen voor gezamenlijke conclusies

Deze gezamenlijke conclusies hebben betrekking op de volgende afdelingen:

1.  Begroting 2024

2.  Begroting 2023 – Ontwerp van gewijzigde begroting nr. 4/2023

3.  Verklaringen

Samenvatting

A.  Begroting 2024

De elementen voor gezamenlijke conclusies behelzen het volgende:

—  De totale hoogte van de vastleggingskredieten in de begroting 2024 bedraagt 189 385,4 miljoen EUR. Daardoor resteert onder de MFK-plafonds voor 2024 een marge van in totaal 360, 1 miljoen EUR aan vastleggingskredieten.

—  De totale hoogte van de betalingskredieten in de begroting 2024 bedraagt 142 630,3 miljoen EUR. Per saldo blijft er daardoor een marge onder de MFK-maxima voor 2024 over van 31 018,5 miljoen EUR aan betalingskredieten.

—  Uit het flexibiliteitsinstrument voor 2024 wordt een bedrag van 1 635,5 miljoen EUR aan vastleggingskredieten beschikbaar gesteld, waarvan 1 289,5 miljoen EUR voor subrubriek 2b Veerkracht en waarden, 317,2 miljoen EUR voor rubriek 5 Veiligheid en defensie en 28,9 miljoen EUR voor rubriek 6 Nabuurschap en internationaal beleid.

—  Overeenkomstig artikel 11, lid 1, punt a), van de MFK-verordening wordt uit het enkelvoudig marge-instrument een bedrag van 586,1 miljoen EUR aan vastleggingskredieten beschikbaar gesteld, waarvan 371,1 miljoen EUR voor rubriek 6 Nabuurschap en internationaal beleid en 215,0 miljoen EUR voor rubriek 7 Europees openbaar bestuur.

De betalingskredieten voor 2024 in verband met de beschikbaarstelling van middelen uit het flexibiliteitsinstrument in de jaren 2021-2024 worden door de Commissie geraamd op 1 734,4 miljoen EUR. Het geraamde betalingsschema van de desbetreffende uitstaande bedragen voor deze jaren wordt in de volgende tabel gespecificeerd:

Flexibiliteitsinstrument — betalingsprofiel (in miljoen EUR)

Jaar van beschikbaarstelling

2024

2025

2026

2027

Totaal

2021

7,6

0,0

0,0

0,0

7,6

2022

49,8

36,7

0,0

0,0

86,5

2023

279,0

120,6

83,2

0,0

482,8

2024

1 398,0

107,6

83,7

46,3

1 635,5

Totaal

1 734,4

265,0

166,9

46,3

2 212,5

B.  Begroting 2023

Ontwerp van gewijzigde begroting (OGB) 4/2023 wordt goedgekeurd als voorgesteld door de Commissie.

1.  Begroting 2024

1.1.  “Afgesloten” lijnen

Tenzij verder in deze conclusies anders is vermeld, worden alle begrotingslijnen bevestigd zoals voorgesteld door de Commissie in de ontwerpbegroting voor 2024, als gewijzigd bij nota van wijzigingen nr. 1/2024.

Bovendien worden alle begrotingslijnen die door de Raad zijn geamendeerd en waar het Parlement in zijn lezing mee is ingestemd, tenzij anders vermeld, bevestigd als gewijzigd door de Raad.

Voor de overige begrotingslijnen heeft het bemiddelingscomité de conclusies vastgesteld die zijn opgenomen in de afdelingen 1.2 tot en met 1.7.

1.2.  Horizontale kwesties

Gedecentraliseerde agentschappen

De bijdrage van de EU (in vastleggings- en betalingskredieten) en het aantal posten in de personeelsformatie voor alle gedecentraliseerde agentschappen worden vastgesteld op het door de Commissie in de ontwerpbegroting voor 2024 voorgestelde niveau, als gewijzigd bij nota van wijzigingen nr. 1/2024, met de volgende uitzonderingen:

—  In subrubriek 2b:

—  Het Europees Openbaar Ministerie (EOM, begrotingsartikel 07 10 08), waarvoor 13 posten aan de personeelsformatie worden toegevoegd en de vastleggings- en betalingskredieten met 4 miljoen EUR worden verhoogd.

—  In rubriek 4:

—  Het Asielagentschap van de Europese Unie (EUAA, begrotingsartikel 10 10 01), waarvoor de vastleggings- en betalingskredieten met 1 miljoen EUR worden verhoogd ter dekking van de kosten van tien extra posten voor arbeidscontractanten.

—  Het Europees Grens- en kustwachtagentschap (Frontex, begrotingsartikel 11 10 01), waarvan de vastleggings- en betalingskredieten met 15 miljoen EUR worden verlaagd.

Uitvoerende agentschappen

De EU-bijdrage (in vastleggings- en betalingskredieten) en het aantal posten in de personeelsformatie voor de uitvoerende agentschappen worden vastgesteld op het niveau dat door de Commissie in de ontwerpbegroting is voorgesteld.

Proefprojecten/Voorbereidende acties

Er is overeenstemming bereikt over een omvattend pakket van 46 proefprojecten/voorbereidende acties (PP/VA), waarvan er 36 nieuw zijn, voor een totaalbedrag van 107,4 miljoen EUR aan vastleggingskredieten, zoals voorgesteld door het Parlement.

Dit pakket is in overeenstemming met de maxima voor proefprojecten en voorbereidende acties zoals vastgelegd in het Financieel Reglement.

1.3.  Uitgavenrubrieken van het financieel kader – vastleggingskredieten

Met inachtneming van de bovenstaande conclusies over de agentschappen en de proefprojecten en voorbereidende acties heeft het bemiddelingscomité overeenstemming bereikt over de volgende punten:

Rubriek 1 – Eengemaakte markt, innovatie en digitaal beleid

De vastleggingskredieten worden vastgesteld op het niveau dat de Commissie heeft voorgesteld in de ontwerpbegroting, als gewijzigd bij nota van wijzigingen nr. 1/2024, maar met de volgende aanpassingen waarover het bemiddelingscomité overeenstemming heeft bereikt, zoals weergegeven in onderstaande tabel:

Begrotingsonderdeel / programma

Benaming

Variatie in vastleggingskredieten (in EUR)

OB 2024 (incl. NvW 1)

Begroting 2024

Verschil

1.0.11

Horizon Europa

12 812 088 532

12 897 088 532

85 000 000

01 02 01 01

Europese Onderzoeksraad

2 164 231 124

2 176 231 124

12 000 000

01 02 01 02

Marie Skłodowska-Curie-acties

891 754 891

899 754 891

8 000 000

01 02 02 10

Cluster “Gezondheid”

650 549 025

675 549 025

25 000 000

01 02 02 20

Cluster “Cultuur, creativiteit en inclusieve samenleving”

298 612 665

306 612 665

8 000 000

01 02 02 50

Cluster “Klimaat, energie en mobiliteit”

1 288 842 641

1 309 842 641

21 000 000

01 02 02 60

Cluster “Levensmiddelen, bio-economie, natuurlijke hulpbronnen, landbouw en milieu”

1 050 696 938

1 061 696 938

11 000 000

1.0.13

Internationale thermonucleaire experimentele reactor (ITER)

556 299 898

436 299 898

-120 000 000

01 04 01

Bouw, inbedrijfstelling en exploitatie van de ITER-faciliteiten — Europese gemeenschappelijke onderneming voor ITER — en de ontwikkeling van fusie-energie

548 002 426

428 002 426

-120 000 000

1.0.221

CEF – Vervoer

1 727 250 201

1 757 250 201

30 000 000

02 03 01

Connecting Europe Facility (CEF) – Vervoer

1 717 181 785

1 747 181 785

30 000 000

PPVA

Proefprojecten en voorbereidende acties

 

 

67 020 000

 

Totaal

 

 

62 020 000

Als gevolg hiervan wordt het overeengekomen niveau van de vastleggingskredieten vastgesteld op 21 493,4 miljoen EUR, waardoor er een marge van 104,6 miljoen EUR overblijft onder het uitgavenmaximum van rubriek 1.

Subrubriek 2a – Economische, sociale en territoriale samenhang

De vastleggingskredieten worden zonder wijzigingen vastgesteld op het niveau dat de Commissie heeft voorgesteld in de ontwerpbegroting. Bijgevolg zijn de vastleggingskredieten vastgesteld op 64 665,2 miljoen EUR, waardoor er een marge van 17,8 miljoen EUR onder het uitgavenplafond van subrubriek 2a overblijft.

Subrubriek 2b – Veerkracht en waarden

De vastleggingskredieten worden vastgesteld op het niveau dat de Commissie heeft voorgesteld in de ontwerpbegroting, als gewijzigd bij nota van wijzigingen nr. 1/2024, maar met de volgende aanpassingen waarover het bemiddelingscomité overeenstemming heeft bereikt, zoals weergegeven in onderstaande tabel:

Begrotingsonderdeel / programma

Benaming

Variatie in vastleggingskredieten (in EUR)

OB 2024 (incl. NvW 1)

Begroting 2024

Verschil

2.2.23

Financieringskosten van het herstelinstrument voor de Europese Unie (EURI)

3 796 000 000

3 340 000 000

-456 000 000

06 04 01

Herstelinstrument voor de Europese Unie (EURI) — Periodieke couponbetaling en aflossing op de vervaldatum

3 790 000 000

3 334 000 000

-456 000 000

2.2.24

Uniemechanisme voor civiele bescherming (rescEU)

230 311 354

240 311 354

10 000 000

06 05 01

Uniemechanisme voor civiele bescherming

230 311 354

240 311 354

10 000 000

2.2.32

Erasmus+

3 736 131 530

3 796 131 530

60 000 000

07 03 01 01

Bevordering van de leermobiliteit van particulieren en groepen, en van samenwerking, inclusie en kansengelijkheid, excellentie, creativiteit en innovatie op het niveau van organisaties en beleid op het gebied van onderwijs en opleiding — Indirect beheer

2 566 731 926

2 617 731 926

51 000 000

07 03 02

Bevordering van de mobiliteit voor niet-formeel en informeel leren en de actieve participatie van jongeren, en van samenwerking, inclusie, creativiteit en innovatie op het niveau van organisaties en beleid op jeugdgebied

384 913 639

393 913 639

9 000 000

2.2.34

Creatief Europa

331 788 132

334 788 132

3 000 000

07 05 01

Onderdeel Cultuur

101 802 039

103 802 039

2 000 000

07 05 03

Sectoroverschrijdend onderdeel

27 603 081

28 603 081

1 000 000

2.2.352

Burgers, gelijkheid, rechten en waarden

214 962 993

219 462 993

4 500 000

07 06 01

Gelijkheid en rechten

36 019 970

37 519 970

1 500 000

07 06 02

Betrokkenheid van de burgers bij en hun participatie in het democratisch bestel van de Unie

55 671 418

57 671 418

2 000 000

07 06 03

Daphne

25 146 868

26 146 868

1 000 000

2.2.3DAG

Gedecentraliseerde agentschappen

290 845 169

294 845 169

4 000 000

07 10 08

Europees Openbaar Ministerie (EOM)

66 307 729

70 307 729

4 000 000

2.2.3SPEC

Prerogatieven

181 077 079

183 077 079

2 000 000

07 20 04 06

Specifieke bevoegdheden op het gebied van sociaal beleid, met inbegrip van de sociale dialoog

22 221 446

23 221 446

1 000 000

07 20 04 09

Voorlichtings- en opleidingsmaatregelen ten behoeve van werknemersorganisaties

22 728 699

23 728 699

1 000 000

PPVA

Proefprojecten en voorbereidende acties

 

 

25 827 500

 

Totaal

 

 

-346 672 500

In een context van hogere kosten van levensonderhoud wordt Erasmus+ met 60 miljoen EUR verhoogd, met name om het programma toegankelijker te maken voor kansarme personen.

Bijgevolg is het overeengekomen niveau van de vastleggingskredieten vastgesteld op 9 895,5 miljoen EUR, waarbij er geen marge onder het uitgavenplafond van subrubriek 2b overblijft en er uit het flexibiliteitsinstrument een bedrag van 1 289,5 miljoen EUR beschikbaar wordt gesteld overeenkomstig artikel 12 van het MFK.

Rubriek 3 – Natuurlijke hulpbronnen en milieu

De vastleggingskredieten worden vastgesteld op het niveau dat de Commissie heeft voorgesteld in de ontwerpbegroting, als gewijzigd bij nota van wijzigingen nr. 1/2024, maar met de volgende aanpassingen waarover het bemiddelingscomité overeenstemming heeft bereikt, zoals weergegeven in onderstaande tabel:

Begrotingsonderdeel / programma

Benaming

Variatie in vastleggingskredieten (in EUR)

OB 2024 (incl. NvW 1)

Begroting 2024

Verschil

3.1.11

Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF)

40 602 078 000

40 517 278 000

-84 800 000

08 02 01

Landbouwreserve

530 000 000

516 500 000

-13 500 000

08 02 04 01

Basisinkomenssteun voor duurzaamheid

18 373 500 000

18 282 200 000

-91 300 000

08 02 04 03

Aanvullende inkomenssteun voor jonge landbouwers

650 000 000

670 000 000

20 000 000

3.2.21

Programma voor het milieu en klimaatactie (LIFE)

744 949 659

764 949 659

20 000 000

09 02 01

Natuur en biodiversiteit

285 202 126

300 202 126

15 000 000

09 02 02

Circulaire economie en levenskwaliteit

177 796 220

178 796 220

1 000 000

09 02 03

Klimaatmitigatie en -adaptatie

122 679 608

125 679 608

3 000 000

09 02 04

Transitie naar schone energie

133 496 971

134 496 971

1 000 000

PPVA

Proefprojecten en voorbereidende acties

 

 

14 540 000

 

Totaal

 

 

-50 260 000

Als gevolg hiervan wordt het overeengekomen niveau van de vastleggingskredieten vastgesteld op 57 338,6 miljoen EUR, waardoor er een marge van 110,4 miljoen EUR overblijft onder het uitgavenmaximum van rubriek 3.

Rubriek 4 – Migratie en grensbeheer

De vastleggingskredieten worden vastgesteld op het niveau dat de Commissie heeft voorgesteld in de ontwerpbegroting, maar met de volgende aanpassingen waarover het bemiddelingscomité overeenstemming heeft bereikt, zoals weergegeven in onderstaande tabel:

Begrotingsonderdeel / programma

Benaming

Variatie in vastleggingskredieten (in EUR)

OB 2024 (incl. NvW 1)

Begroting 2024

Verschil

4.0.11

Fonds voor asiel, migratie en integratie

1 500 715 253

1 508 215 253

7 500 000

10 02 01

Fonds voor asiel, migratie en integratie (AMIF)

1 496 055 626

1 503 555 626

7 500 000

4.0.1DAG

Gedecentraliseerde agentschappen

168 101 176

169 101 176

1 000 000

10 10 01

Asielagentschap van de Europese Unie (EUAA)

168 101 176

169 101 176

1 000 000

4.0.211

Fonds voor geïntegreerd grensbeheer (IBMF) – Instrument voor grensbeheer en visa (BMVI)

1 020 632 303

1 023 132 303

2 500 000

11 02 01

Instrument voor financiële steun voor grensbeheer en visa

1 017 832 303

1 020 332 303

2 500 000

4.0.2DAG

Gedecentraliseerde agentschappen

1 063 483 939

1 048 483 939

-15 000 000

11 10 01

Europees Grens- en kustwachtagentschap (Frontex)

824 329 442

809 329 442

-15 000 000

 

Totaal

 

 

-4 000 000

Als gevolg hiervan wordt het overeengekomen niveau van de vastleggingskredieten vastgesteld op 3 892,7 miljoen EUR, waardoor er een marge van 127,3 miljoen EUR overblijft onder het uitgavenmaximum van rubriek 4.

Rubriek 5 – Veiligheid en defensie

De vastleggingskredieten worden vastgesteld op het niveau dat de Commissie heeft voorgesteld in de ontwerpbegroting, maar met de volgende aanpassingen waarover het bemiddelingscomité overeenstemming heeft bereikt, zoals weergegeven in onderstaande tabel:

Begrotingsonderdeel / programma

Benaming

Variatie in vastleggingskredieten (in EUR)

OB 2024 (incl. NvW 1)

Begroting 2024

Verschil

5.0.11

Fonds voor interne veiligheid (ISF)

314 885 754

321 885 754

7 000 000

12 02 01

Fonds voor interne veiligheid (ISF)

312 435 754

319 435 754

7 000 000

5.0.22

Militaire mobiliteit

241 367 376

251 367 376

10 000 000

13 04 01

Militaire mobiliteit

239 640 880

249 640 880

10 000 000

 

Totaal

 

 

17 000 000

Als gevolg hiervan wordt het overeengekomen niveau van de vastleggingskredieten vastgesteld op 2 321,2 miljoen EUR, waarbij er geen marge onder het uitgavenplafond van rubriek 5 overblijft, en er uit het flexibiliteitsinstrument een bedrag van 317,2 miljoen EUR beschikbaar wordt gesteld overeenkomstig artikel 12 van de MFK-verordening.

Rubriek 6 – Nabuurschap en internationaal beleid

De vastleggingskredieten worden vastgesteld op het niveau dat de Commissie heeft voorgesteld in de ontwerpbegroting, als gewijzigd bij nota van wijzigingen nr. 1/2024, maar met de volgende aanpassingen waarover het bemiddelingscomité overeenstemming heeft bereikt, zoals weergegeven in onderstaande tabel:

Begrotingsonderdeel / programma

Benaming

Variatie in vastleggingskredieten (in EUR)

OB 2024 (incl. NvW 1)

Begroting 2024

Verschil

6.0.111

Instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking – Europa in de wereld (NDICI – Europa in de wereld)

11 373 889 314

11 523 889 314

150 000 000

14 02 01 10

Zuidelijk nabuurschap

1 630 931 763

1 730 931 763

100 000 000

14 02 01 11

Oostelijk nabuurschap

622 537 696

672 537 696

50 000 000

6.0.12

Humanitaire hulp (HUMA)

1 660 704 480

1 910 704 480

250 000 000

14 03 01

Humanitaire hulp

1 569 106 062

1 819 106 062

250 000 000

 

Totaal

 

 

400 000 000

Bijgevolg is het overeengekomen niveau van de vastleggingskredieten vastgesteld op 16 230,0 miljoen EUR, waarbij er geen marge onder het uitgavenplafond van rubriek 6 overblijft en er uit het flexibiliteitsinstrument een bedrag van 28,9 miljoen EUR beschikbaar wordt gesteld overeenkomstig artikel 12 van de MFK-verordening en er uit het enkelvoudig marge-instrument een bedrag van 371,1 miljoen EUR beschikbaar wordt gesteld overeenkomstig artikel 11, lid 1, punt a), van de MFK-verordening.

Rubriek 7 – Europees openbaar bestuur

Het aantal posten in de personeelsformatie van de instellingen en de kredieten die de Commissie heeft voorgesteld in de ontwerpbegroting, als gewijzigd bij nota van wijzigingen nr. 1/2024, worden goedgekeurd door het bemiddelingscomité, maar met de volgende uitzonderingen: de afdelingen met betrekking tot het Europees Parlement, de Europese Raad, de Commissie, het Hof van Justitie, de Europese Rekenkamer en de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming worden aangepast om rekening te houden met het feit dat de uitgaven in verband met leden die salarissen ontvangen uit de EU-begroting, die worden geïndexeerd, moeten worden geclassificeerd als salarisuitgaven en moeten derhalve worden uitgesloten van de richtsnoeren van de Commissie om de stijging voor niet-salarisgerelateerde uitgaven te beperken tot 2 %.

De totale aanpassing resulteert in een stijging van 33,8 miljoen EUR van rubriek 7.

Amendementen die het Europees Parlement in zijn eigen afdeling heeft aangebracht, worden zonder wijzigingen opnieuw opgenomen. Per saldo resulteert dit in een totaal niveau van kredieten van 2 383,1 miljoen EUR, wat neerkomt op een stijging van 27 707 693 miljoen EUR ten opzichte van de ontwerpbegroting, zoals gewijzigd bij nota van wijzigingen nr. 1/2024.

Voor de andere betrokken afdelingen worden, rekening houdend met de oorspronkelijk gevraagde bedragen voor de niet-salarisgerelateerde begrotingsonderdelen, de details per begrotingsonderdeel hieronder weergegeven, met inachtneming van de richtsnoeren om de stijging te beperken tot 2 %:

Afdeling 2 – Europese Raad en Raad

Begrotingsonderdeel / programma

Benaming

Variatie in vastleggingskredieten (in EUR)

OB 2024 (incl. NvW 1)

Begroting 2024

Verschil

2 0 1 1

Water, gas, elektriciteit en verwarming

6 302 000

6 340 180

38 180

 

Totaal

 

 

38 180

Afdeling 3 – Europese Commissie

Begrotingsonderdeel / programma

Benaming

Variatie in vastleggingskredieten (in EUR)

OB 2024 (incl. NvW 1)

Begroting 2024

Verschil

20 03 01 02

Uitgaven voor gebouwen

88 593 000

90 535 400

1 942 400

20 03 02 02

Uitgaven voor gebouwen

24 636 000

25 466 000

830 000

20 03 13 01

Uitgaven voor vertalingen

13 000 000

14 000 000

1 000 000

 

Totaal

 

 

3 772 400

Afdeling 4 – Hof van Justitie

Begrotingsonderdeel / programma

Benaming

Variatie in vastleggingskredieten (in EUR)

OB 2024 (incl. NvW 1)

Begroting 2024

Verschil

1 0 0 0

Salarissen en vergoedingen

36 403 711

37 675 000

1 271 289

2 0 2 4

Energieverbruik

3 163 000

3 230 531

67 531

 

Totaal

 

 

1 338 820

Afdeling 5 – Europese Rekenkamer

Begrotingsonderdeel / programma

Benaming

Variatie in vastleggingskredieten (in EUR)

OB 2024 (incl. NvW 1)

Begroting 2024

Verschil

2 0 2 4

Energieverbruik

1 197 070

1 719 530

522 460

 

Totaal

 

 

522 460

Afdeling 9 – Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming

Begrotingsonderdeel / programma

Benaming

Variatie in vastleggingskredieten (in EUR)

OB 2024 (incl. NvW 1)

Begroting 2024

Verschil

2 0 0

Huur, lasten en uitgaven voor gebouwen

1 650 000

1 751 494

101 494

3 0 4 5

Externe consultancy en studies

150 000

456 000

306 000

 

Totaal

 

 

407 494

De tabel voor de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming bevat ook een technische correctie om rekening te houden met eerdere aanpassingen die in de gewijzigde begrotingen nr. 1/2023 en nr. 3/2023 zijn overeengekomen en die gevolgen hebben voor het referentiebedrag dat wordt gebruikt voor de berekening van de behoeften voor 2024, overeenkomstig de toegepaste methode.

Als gevolg hiervan wordt het overeengekomen niveau van de vastleggingskredieten vastgesteld op 11 988,0 miljoen EUR, waarbij er geen marge onder het uitgavenplafond van rubriek 7 overblijft, en er uit het enkelvoudig marge-instrument een bedrag van 215,0 miljoen EUR beschikbaar wordt gesteld overeenkomstig artikel 11, lid 1, punt a), van de MFK-verordening.

Thematische speciale instrumenten: EFG, SEAR en BAR

De vastleggingskredieten voor het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (EFG), de reserve voor solidariteit en noodhulp (SEAR) en de reserve voor aanpassing aan de Brexit (BAR) worden vastgesteld op het niveau dat door de Commissie is voorgesteld in de ontwerpbegroting.

1.4.  Betalingskredieten

De totale hoogte van de betalingskredieten in de begroting 2024 wordt vastgesteld op het niveau van de ontwerpbegroting, als gewijzigd bij nota van wijzigingen nr. 1/2024, met de volgende aanpassingen als overeengekomen door het bemiddelingscomité:

1.  Er wordt rekening gehouden met het overeengekomen niveau van vastleggingskredieten voor niet-gesplitste uitgaven (rubrieken 1 t/m 6), waarvoor het niveau van de betalingskredieten gelijk is aan de hoogte van de vastleggingskredieten. Dit geldt voor de verlaging van de financieringskosten van het herstelinstrument voor de Europese Unie (EURI) met 456,0 miljoen EUR en de totale verlaging voor het ELGF met 84,8 miljoen EUR. Daarbij ook rekening houdend met de aanpassing van de bijdrage van de Unie aan gedecentraliseerde agentschappen is het gecombineerde gevolg een daling van 550,8 miljoen EUR.

2.  De aanpassing in rubriek 7 resulteert in een stijging van 33,8 miljoen EUR.

3.  De betalingskredieten voor alle nieuwe door het Parlement voorgestelde proefprojecten en voorbereidende acties worden vastgesteld op 25 % van de overeenkomstige vastleggingskredieten of op het door het Parlement voorgestelde niveau indien dit lager is. In het geval van verlenging van bestaande proefprojecten en voorbereidende acties is het niveau van de betalingskredieten het niveau dat in de ontwerpbegroting, als gewijzigd bij nota van wijzigingen nr. 1/2024, is vastgesteld plus 25 % van de overeenkomstige nieuwe vastleggingskredieten, of het door het Parlement voorgestelde niveau, indien dit lager is. Het gezamenlijk gevolg is een verhoging van 26,8 miljoen EUR.

4.  Het gecombineerde gevolg van de aanpassingen aan de begrotingsonderdelen voor gesplitste uitgaven is een stijging van 134,5 miljoen EUR.

De aanpassingen, die resulteren in een totale daling van 355,7 miljoen EUR, zijn nader beschreven in de volgende tabel:

Begrotingsonderdeel / programma

Benaming

Variatie in betalingskredieten (in EUR)

OB 2024 (incl. NvW 1)

Begroting 2024

Verschil

Titel 1

1.0.13

Internationale thermonucleaire experimentele reactor (ITER)

614 170 726

509 170 726

-105 000 000

01 04 01

Bouw, inbedrijfstelling en exploitatie van de ITER-faciliteiten — Europese gemeenschappelijke onderneming voor ITER — en de ontwikkeling van fusie-energie

459 482 428

354 482 428

-105 000 000

PPVA

Proefprojecten en voorbereidende acties

 

 

16 755 000

 

Totaal rubriek 1

 

 

-88 245 000

Subrubriek 2b

2.2.23

Financieringskosten van het herstelinstrument voor de Europese Unie (EURI)

3 796 000 000

3 340 000 000

-456 000 000

06 04 01

Herstelinstrument voor de Europese Unie (EURI) — Periodieke couponbetaling en aflossing op de vervaldatum

3 790 000 000

3 334 000 000

-456 000 000

2.2.24

Uniemechanisme voor civiele bescherming (rescEU)

249 908 000

259 908 000

10 000 000

06 05 01

Uniemechanisme voor civiele bescherming

211 000 000

221 000 000

10 000 000

2.2.32

Erasmus+

3 491 138 893

3 522 138 893

31 000 000

07 03 01 01

Bevordering van de leermobiliteit van particulieren en groepen, en van samenwerking, inclusie en kansengelijkheid, excellentie, creativiteit en innovatie op het niveau van organisaties en beleid op het gebied van onderwijs en opleiding — Indirect beheer

2 498 750 000

2 524 750 000

26 000 000

07 03 02

Bevordering van de mobiliteit voor niet-formeel en informeel leren en de actieve participatie van jongeren, en van samenwerking, inclusie, creativiteit en innovatie op het niveau van organisaties en beleid op jeugdgebied

369 700 000

374 700 000

5 000 000

2.2.34

Creatief Europa

364 763 754

365 763 754

1 000 000

07 05 03

Sectoroverschrijdend onderdeel

25 430 875

26 430 875

1 000 000

2.2.352

Burgers, gelijkheid, rechten en waarden

221 064 096

225 564 096

4 500 000

07 06 01

Gelijkheid en rechten

51 815 746

53 315 746

1 500 000

07 06 02

Betrokkenheid van de burgers bij en hun participatie in het democratisch bestel van de Unie

46 911 774

48 911 774

2 000 000

07 06 03

Daphne

23 877 030

24 877 030

1 000 000

2.2.3DAG

Gedecentraliseerde agentschappen

282 083 169

286 083 169

4 000 000

07 10 08

Europees Openbaar Ministerie (EOM)

66 307 729

70 307 729

4 000 000

2.2.3SPEC

Prerogatieven

165 953 586

166 953 586

1 000 000

07 20 04 06

Specifieke bevoegdheden op het gebied van sociaal beleid, met inbegrip van de sociale dialoog

19 500 000

20 000 000

500 000

07 20 04 09

Voorlichtings- en opleidingsmaatregelen ten behoeve van werknemersorganisaties

21 000 000

21 500 000

500 000

PPVA

Proefprojecten en voorbereidende acties

 

 

6 456 875

 

Totaal subrubriek 2b

 

 

-398 043 125

Rubriek 3

3.1.11

Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF)

40 590 282 213

40 505 482 213

-84 800 000

08 02 01

Landbouwreserve

530 000 000

516 500 000

-13 500 000

08 02 04 01

Basisinkomenssteun voor duurzaamheid

18 373 500 000

18 282 200 000

-91 300 000

08 02 04 03

Aanvullende inkomenssteun voor jonge landbouwers

650 000 000

670 000 000

20 000 000

PPVA

Proefprojecten en voorbereidende acties

 

 

3 635 000

 

Totaal rubriek 3

 

 

-81 165 000

Rubriek 4

4.0.11

Fonds voor asiel, migratie en integratie

1 354 073 000

1 359 073 000

5 000 000

10 02 01

Fonds voor asiel, migratie en integratie (AMIF)

1 035 023 000

1 040 023 000

5 000 000

4.0.1DAG

Gedecentraliseerde agentschappen

168 101 176

169 101 176

1 000 000

10 10 01

Asielagentschap van de Europese Unie (EUAA)

168 101 176

169 101 176

1 000 000

4.0.2DAG

Gedecentraliseerde agentschappen

1 055 455 267

1 040 455 267

-15 000 000

11 10 01

Europees Grens- en kustwachtagentschap (Frontex)

824 329 442

809 329 442

-15 000 000

 

Totaal rubriek 4

 

 

-9 000 000

Rubriek 5

5.0.11

Fonds voor interne veiligheid (ISF)

230 580 000

237 580 000

7 000 000

12 02 01

Fonds voor interne veiligheid (ISF)

175 130 000

182 130 000

7 000 000

 

Totaal rubriek 5

 

 

7 000 000

Rubriek 6

6.0.111

Instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking – Europa in de wereld (NDICI – Europa in de wereld)

10 743 801 966

10 763 801 966

20 000 000

14 02 01 10

Zuidelijk nabuurschap

761 962 895

776 962 895

15 000 000

14 02 01 11

Oostelijk nabuurschap

416 206 581

421 206 581

5 000 000

6.0.12

Humanitaire hulp (HUMA)

1 737 373 786

1 897 373 786

160 000 000

14 03 01

Humanitaire hulp

1 649 312 168

1 809 312 168

160 000 000

 

Totaal rubriek 6

 

 

180 000 000

Rubriek 7

7.2

Administratieve uitgaven van de instellingen

9 141 588 794

9 175 375 841

33 787 047

7.1.21

Europees Parlement

2 354 555 881

2 382 263 574

27 707 693

7.1.22

Europese Raad en Raad

676 842 943

676 881 123

38 180

7.2

Commissie

4 218 068 825

4 221 841 225

3 772 400

7.1.24

Hof van Justitie van de Europese Unie

502 443 711

503 782 531

1 338 820

7.1.25

Europese Rekenkamer

185 133 430

185 655 890

522 460

7.1.29

Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming

23 921 966

24 329 460

407 494

 

Totaal rubriek 7

 

 

33 787 047

TOTAAL

-355 666 078

Per saldo resulteert dit in een totaal niveau van betalingskredieten van 142 630,3 miljoen EUR, wat neerkomt op een daling van 355,7 miljoen EUR ten opzichte van de ontwerpbegroting, zoals gewijzigd bij nota van wijzigingen nr. 1/2024.

1.5.  Reserves

Er zijn geen andere reserves boven op die van de ontwerpbegroting, zoals gewijzigd bij nota van wijzigingen nr. 1/2024.

1.6.  Begrotingstoelichtingen

De tekst van de begrotingstoelichting stemt overeen met de ontwerpbegroting, zoals gewijzigd bij nota van wijzigingen nr. 1/2024, met de volgende aanpassingen die in de uitvoerbaarheidsnota zijn voorgesteld en door het bemiddelingscomité zijn goedgekeurd:

—  De volgende begrotingsonderdelen waarvoor het Europees Parlement amendementen in zijn eigen afdeling heeft aangebracht, worden zonder wijzigingen goedgekeurd:

—  Post 1 4 0 0 — Andere personeelsleden — Secretariaat-generaal en fracties

Tekst als volgt wijzigen:

Dit krediet omvat een bedrag van 362 040 167 040  EUR voor het personeel van de Autoriteit voor Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen.

—  Artikel 2 3 8 — Overige huishoudelijke uitgaven

Tekst als volgt wijzigen:

–  diverse aankopen in verband met maatschappelijk verantwoord ondernemerschap van het Parlement (met inbegrip van EMAS),EMAS).

–  diverse diensten in verband met het financieel en inventarisbeheer van het Parlement.

—  Artikel 2 3 9 — EMAS-activiteiten, met inbegrip van voorlichting, en de compensatieregeling voor CO2-emissies van het Europees Parlement

Tekst als volgt wijzigen:

EMAS- en duurzaamheidsactiviteiten, met inbegrip van voorlichting, en de compensatieregeling voor CO2-emissies van het Europees Parlement

Tekst als volgt wijzigen:

Dit krediet dient ter dekking van de kosten in verband met EMAS-activiteiten ter bevordering van duurzaamheidsactiviteiten in het Europees Parlement en EMAS-activiteiten gericht op het verbeteren van de milieuprestaties van het Europees Parlement, met inbegrip van de voorlichting over deze activiteiten, en met de compensatieregeling voor de CO2-emissies van het Europees Parlement.

Dit met dien verstande dat de door het Europees Parlement of de Raad aangebrachte wijzigingen het toepassingsgebied van een bestaande rechtsgrondslag niet kunnen wijzigen of uitbreiden, noch afbreuk kunnen doen aan de administratieve autonomie van de instellingen, en dat het optreden met de beschikbare middelen kan worden gedekt.

1.7.  Begrotingsnomenclatuur

Er wordt overeenstemming bereikt over de door de Commissie in de ontwerpbegroting voorgestelde begrotingsnomenclatuur, zoals gewijzigd bij nota van wijzigingen nr. 1/2024, met de opname van de nieuwe proefprojecten en voorbereidende acties. Het bemiddelingscomité onderschrijft ook de schrapping van één begrotingslijn in de afdeling van het Europees Parlement (artikel 5 0 2 – Autoriteit voor Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen – Salaris en toelagen).

2.  Begroting 2023

Ontwerp van gewijzigde begroting (OGB) 4/2023 wordt goedgekeurd als voorgesteld door de Commissie.

3.  Verklaringen

3.1.  Gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement en de Raad over betalingskredieten

Het Europees Parlement en de Raad roepen de Commissie op om gedurende het jaar 2024 nauwlettend en actief te blijven toezien op de uitvoering van de programma’s van het huidige en het voorgaande MFK (met name subrubriek 2a en plattelandsontwikkeling). Daartoe verzoeken het Europees Parlement en de Raad de Commissie tijdig geactualiseerde cijfers over de stand van zaken en de ramingen voor de betalingskredieten voor 2024 voor te leggen (in voorkomend geval rekening houdend met de verbeterde nauwkeurigheid van de ramingen van de lidstaten). Indien uit de cijfers blijkt dat de kredieten in de begroting voor 2024 ontoereikend zijn om in de behoeften te voorzien, verzoeken het Europees Parlement en de Raad de Commissie zo spoedig mogelijk een passende oplossing te presenteren, onder andere een ontwerp van gewijzigde begroting, om het Europees Parlement en de Raad in staat te stellen zo spoedig mogelijk en zonder onnodige vertraging in te spelen op gerechtvaardigde behoeften. Het Europees Parlement en de Raad zullen in voorkomend geval rekening houden met de urgentie van de kwestie, en de periode van acht weken voor de besluitvorming inkorten indien zij dat nodig achten. Hetzelfde geldt mutatis mutandis indien uit de cijfers blijkt dat de kredieten in de begroting voor 2024 hoger zijn dan nodig.

3.2.  Gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie over de integratie van de resultaten van de tussentijdse herziening van het MFK in de begroting 2024

Het Europees Parlement, de Raad en de Commissie nemen nota van de lopende besprekingen over de voorgestelde herziening van het meerjarig financieel kader 2021-2027. De Europese Raad heeft de Raad verzocht de werkzaamheden voort te zetten, zodat tegen het einde van het jaar een algemeen akkoord over het voorgestelde herziene MFK kan worden bereikt, waardoor dit snel kan worden aangenomen, met inachtneming van de rol van het Europees Parlement, overeenkomstig de in de Verdragen vastgelegde procedures. Een dergelijke overeenkomst kan daarom alleen via een ontwerp van gewijzigde begroting invloed hebben op het begrotingsjaar 2024.

Het Europees Parlement en de Raad verzoeken de Commissie derhalve een ontwerp van gewijzigde begroting voor te stellen zodra overeenstemming is bereikt over de herziening van de MFK-verordening, teneinde de begroting 2024 af te stemmen op een herziene MFK-verordening.

Het Europees Parlement en de Raad verbinden zich ertoe het voorstel van de Commissie onverwijld in overweging te nemen, rekening houdend met de urgentie van de zaak.

3.3.   Unilaterale verklaring van de Commissie over de MFB+-rentesubsidie voor het begrotingsjaar 2024

De Commissie verbindt zich ertoe passende begrotingsmaatregelen voor te stellen voor het vrijmaken van de middelen die zijn toegewezen aan de MFB+-rentesubsidie (begrotingsartikel 14 07 01) voor het begrotingsjaar 2024, indien tijdig een alternatieve financieringsoplossing wordt gevonden.

3.4.   Unilaterale verklaring van het Europees Parlement over de MFB+-rentesubsidie

Het Europees Parlement neemt nota van de verklaring van de Commissie. Het Europees Parlement herinnert eraan dat de rentesubsidie met betrekking tot MFB+ voor Oekraïne op grond van Verordening (EU) 2022/2463 moet worden gefinancierd met vrijwillige bijdragen van de lidstaten en dat de EU-begroting kan bijdragen onder voorbehoud van de beschikbare middelen. In dit verband benadrukt het Europees Parlement dat de voorlopige opname van kredieten op begrotingslijn 14 07 01 een eenmalige uitzondering is en geen precedent vormt voor toekomstige begrotingsprocedures.

BIJLAGE: LIJST VAN ENTITEITEN OF PERSONEN

VAN WIE DE RAPPORTEURS INPUT HEBBEN ONTVANGEN

De hiernavolgende lijst is onder de exclusieve verantwoordelijkheid van de rapporteurs opgesteld. De rapporteurs hebben bij de voorbereiding van het verslag informatie ontvangen van de volgende entiteiten of personen:

Entiteit en/of persoon

Spanish Secretary of State, President-in-Office, Council of the European Union

Permanent Representative of Spain to the European Union

Permanent Representative of the Federal Republic of Germany to the European Union

Permanent Representative of France to the European Union

Permanent Representative of the Netherlands to the European Union

Permanent Representative of Belgium to the European Union

Commissioner for Budget and Administration

Commissioner for Promoting our European Way of Life

Commissioner for Justice

Commissioner for Crisis Management

Director-General for Budget, European Commission

Director-General for Communication, European Commission

Federal Ministry of Finance, Federal Government of Germany

Registrar of the Court of Justice of the European Union

President of the European Court of Auditors

Vice-President of the European Economic and Social Committee

Secretary-General of the European Committee of the Regions

EU High Representative for Foreign Affairs

Secretary-General of the European External Action Service

Executive Director, European Union Agency for Fundamental Rights

Executive Director, European Union Asylum Agency

Executive Director, Frontex

European Chief Prosecutor, European Public Prosecutor's Office

Executive Director, World Food Programme Global Office to the EU

Representative Office for Europe, United Nations Relief and Works Agency for Palestine Refugees in the Near East (UNRWA)

(1)Aangenomen teksten, P9_TA(2023)0367.
(2)PB L 424 van 15.12.2020, blz. 1.
(3)PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1.
(4)PB L 433 I van 22.12.2020, blz. 11.
(5)PB L 433 I van 22.12.2020, blz. 28.


Beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering – aanvraag EGF/2023/002 BE/Makro – België
PDF 142kWORD 47k
Resolutie
Bijlage
Resolutie van het Europees Parlement van 22 november 2023 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (aanvraag van België – EGF/2023/002 BE/Makro) (COM(2023)0470 – C9-0369/2023 – (2023/0352(BUD))
P9_TA(2023)0414A9-0351/2023

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2023)0470 – C9‑0369/2023),

–  gezien Verordening (EU) 2021/691(1) van het Europees Parlement en de Raad van 28 april 2021 betreffende het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering voor ontslagen werknemers (EFG) en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1309/2013 (de “EFG-verordening”),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) 2020/2093 van de Raad van 17 december 2020 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2021-2027(2), en met name artikel 8,

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 16 december 2020 tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie betreffende begrotingsdiscipline, samenwerking in begrotingszaken en goed financieel beheer, alsmede betreffende nieuwe eigen middelen, met inbegrip van een routekaart voor de invoering van nieuwe eigen middelen(3), en met name punt 9,

–  gezien de brief van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A9‑0351/2023),

A.  overwegende dat de Unie wetgevings- en begrotingsinstrumenten in het leven heeft geroepen om extra steun te verlenen aan werknemers die de gevolgen van grote structurele veranderingen in de wereldhandelsstromen of de wereldwijde financiële en economische crisis ondervinden, en hen te helpen om op de arbeidsmarkt terug te keren; overwegende dat deze bijstand wordt verleend in de vorm van financiële steun aan de werknemers en aan de ondernemingen waarvoor zij hebben gewerkt;

B.  overwegende dat België aanvraag EGF/2023/002 BE/Makro heeft ingediend voor een financiële bijdrage uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (EFG) naar aanleiding van het ontslag van 1 431 werknemers(4) in de economische sector die is ingedeeld in NACE Rev. 2, afdeling 47 (Detailhandel, met uitzondering van de handel in auto’s en motorfietsen) in de provincies Antwerpen, Oost-Vlaanderen, Vlaams-Brabant, Henegouwen en Luik, met als referentieperiode voor de aanvraag de periode van 10 januari 2023 tot 10 mei 2023;

C.  overwegende dat de aanvraag het ontslag van 1 431 werknemers bij het bedrijf Makro Cash & Carry Belgium NV (Makro NV) betreft;

D.  overwegende dat de aanvraag is ingediend op grond van de criteria voor steunverlening van artikel 4, lid 2, punt a), van de EFG-verordening, die vereisen dat binnen een referentieperiode van vier maanden in een onderneming in een lidstaat ten minste 200 werknemers gedwongen zijn ontslagen, met inbegrip van werknemers die gedwongen zijn ontslagen bij leveranciers en downstreamproducenten en/of zelfstandigen die hun werkzaamheden hebben beëindigd;

E.  overwegende dat de COVID-19-pandemie en de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne het economisch concurrentievermogen hebben verminderd en negatieve gevolgen hebben voor de economische groei in België;

F.  overwegende dat Makro NV elf winkels voor levensmiddelen en non-foodproducten uitbaatte die openstonden voor professionals in de levensmiddelen- en drankensector (merk “Metro”) en zes winkels die openstonden voor algemene klanten (merk “Makro”); overwegende dat Makro NV in 2022 een gerechtelijke reorganisatie heeft aangevraagd, na jaren van financiële moeilijkheden en dalende verkoop; overwegende dat de ontslagen voortvloeiden uit het feit dat er geen goed aanbod was gekomen voor de overname van het merk Makro en uit het daaropvolgende faillissement;

G.  overwegende dat de Belgische wet inzake het actieve beheer van herstructureringen, op grond waarvan voor ontslagen werknemers in outplacementdiensten moet worden voorzien, niet van toepassing is in geval van faillissement;

H.  overwegende dat financiële bijdragen uit het EFG in de eerste plaats gericht moeten zijn op actieve arbeidsmarktbeleidsmaatregelen en op gepersonaliseerde diensten die tot doel hebben de begunstigden snel aan een fatsoenlijke en duurzame betrekking te helpen binnen of buiten de sector waar zij oorspronkelijk werkzaam waren, en hen voor te bereiden op een groenere en meer digitale Europese economie;

I.  overwegende dat het EFG het jaarlijkse maximumbedrag van 186 miljoen EUR (in prijzen van 2018) niet mag overschrijden, zoals vastgelegd in artikel 8 van Verordening (EU, Euratom) 2020/2093 van de Raad;

1.  is het met de Commissie eens dat is voldaan aan de voorwaarden die zijn vastgelegd in artikel 4, lid 2, punt a), van de EFG-verordening en dat België recht heeft op een financiële bijdrage van 2 828 223 EUR uit hoofde van die verordening, wat overeenkomt met 85 % van de totale kosten van 3 327 322 EUR die bestaan uit uitgaven voor een bedrag van 3 233 822 EUR voor gepersonaliseerde steunmaatregelen en uitgaven voor een bedrag van 93 500 EUR voor activiteiten op het vlak van voorbereiding, beheer, voorlichting en publiciteit, en controle en rapportage;

2.  neemt er nota van dat de Belgische autoriteiten de aanvraag op 3 juli 2023 hebben ingediend en dat de Commissie, nadat België aanvullende gegevens had verstrekt, haar beoordeling op 12 oktober 2023 heeft afgerond en het Parlement hiervan diezelfde dag nog in kennis heeft gesteld;

3.  merkt op dat de aanvraag het ontslag van 1 431 werknemers bij het bedrijf Makro Cash & Carry Belgium NV betreft; merkt voorts op dat in totaal 421 werknemers beoogde begunstigden zijn, wat overeenstemt met het aantal voormalige werknemers van Makro in Wallonië, maar dat de Vlaamse gewestelijke autoriteiten van mening zijn dat, gezien de situatie op de regionale arbeidsmarkt, de steun voor voormalige werknemers van Makro in Vlaanderen niet hoeft te worden aangevuld met medefinanciering uit het EFG;

4.  neemt kennis van het feit dat de ontslagen in Makro met name werknemers ouder dan 50 jaar en/of laaggeschoolden treffen; wijst erop dat het werkloosheidspercentage in Wallonië 8,8 % bedraagt en dat meer dan de helft (55,1 %) van de mensen in dit gewest die in het eerste kwartaal van 2022 werkloos waren, een jaar later nog steeds werkloos is; benadrukt dat 65 % van de voormalige werknemers van Makro ouder is dan 50 jaar en dat het personeelsbestand in Makro merendeels bestond uit kassiers en magazijnarbeiders; benadrukt dat het voor deze werknemers moeilijk kan zijn om een nieuwe baan te vinden;

5.  is ingenomen met het feit dat het gecoördineerde pakket van gepersonaliseerde steunmaatregelen door België werd opgesteld in overleg met de beoogde begunstigden, hun vertegenwoordigers en de sociale partners overeenkomstig artikel 7, lid 4, van Verordening (EU) 2021/691;

6.  wijst erop dat de gepersonaliseerde steunmaatregelen ten behoeve van de werknemers en zelfstandigen bestaan uit: voorlichting en loopbaan- en outplacementbegeleiding, opleiding, omscholing en beroepsopleiding, ondersteuning bij en een bijdrage voor het opzetten van een bedrijf, alsook stimulansen en toelagen; juicht het toe dat er bijzondere aandacht zal worden besteed aan kwetsbare personen met psychische problemen, schulden of een handicap via professionals die gespecialiseerd zijn in hulpverlening aan deze groepen;

7.  juicht het toe dat er een module is opgenomen over de circulaire economie en het efficiënt gebruik van hulpbronnen, die als onderdeel van het standaardopleidingsaanbod van de regionale openbare dienst voor arbeidsvoorziening en beroepsopleiding (Forem) is ontwikkeld voor voormalige werknemers van Swissport (EGF/2020/005 BE) en die zal worden medegefinancierd door het ESF+; wijst in dit verband nogmaals op de belangrijke rol die de Unie moet spelen bij het bieden van de kwalificaties die nodig zijn voor een rechtvaardige transitie die aansluit bij de Europese Green Deal; is er sterk voorstander van dat het EFG tijdens de periode 2021-2027 van het meerjarig financieel kader gebruikt blijft worden om solidariteit te betonen met de getroffen personen, maar dat tegelijkertijd de nadruk verschuift van de oorzaak van herstructureringen naar de impact ervan, en dringt erop aan dat bij toekomstige aanvragen zoveel mogelijk wordt gelet op beleidscoherentie;

8.  stelt vast dat België met ingang van 1 februari 2023 is begonnen met het verlenen van gepersonaliseerde steunmaatregelen aan de beoogde begunstigden, wat betekent dat de periode om in aanmerking te komen voor een financiële bijdrage uit het EFG zal lopen van 1 februari 2023 tot 24 maanden na de datum van inwerkingtreding van het financieringsbesluit;

9.  stelt vast dat België op 1 januari 2023 de eerste administratieve uitgaven heeft gedaan met het oog op de uitvoering van het EFG, en dat de uitgaven voor activiteiten op het vlak van voorbereiding, beheer, voorlichting en publiciteit, en controle en rapportage derhalve van 10 januari 2023 tot 31 maanden na de datum van inwerkingtreding van het financieringsbesluit voor een financiële bijdrage uit het EFG in aanmerking komen;

10.  benadrukt dat de Belgische autoriteiten hebben bevestigd dat de in aanmerking komende maatregelen geen steun ontvangen uit andere fondsen of financiële instrumenten van de Unie, en dat bij de toegang tot de voorgestelde maatregelen en de uitvoering ervan de beginselen van gelijke behandeling en niet-discriminatie zullen worden gerespecteerd;

11.  wijst er nogmaals op dat steun uit het EFG geen vervanging mag zijn voor maatregelen die op grond van nationale wetgeving of collectieve arbeidsovereenkomsten onder de verantwoordelijkheid van bedrijven vallen, of voor welke vergoedingen of rechten ten behoeve van de ontslagen werknemers dan ook, en dat de toewijzing dus geheel en al aanvullend moet zijn;

12.  hecht zijn goedkeuring aan het bij deze resolutie gevoegde besluit;

13.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit samen met de voorzitter van de Raad te ondertekenen en zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

14.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie, met inbegrip van de bijlage, te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

BIJLAGE

BESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering voor ontslagen werknemers naar aanleiding van aanvraag EGF/2023/002 BE/Makro van België

(De tekst van de bijlage wordt hier niet weergegeven, aangezien deze overeenkomt met de definitieve handeling: Besluit (EU) 2023/2748.)

(1)PB L 153 van 3.5.2021, blz. 48.
(2)PB L 433 I van 22.12.2020, blz. 11.
(3)PB L 433 I van 22.12.2020, blz. 28.
(4) In de zin van artikel 3 van de EFG‑verordening.


Publicatieblad van de Europese Unie: elektronische publicatie
PDF 124kWORD 43k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 22 november 2023 over het ontwerp van verordening van de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 216/2013 betreffende de elektronische publicatie van het Publicatieblad van de Europese Unie (06551/2023 – C9-0142/2023 – 2020/0126(APP))
P9_TA(2023)0415A9-0352/2023

(Bijzondere wetgevingsprocedure – goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van verordening van de Raad (06551/2023),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 352 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C9‑0142/2023),

–  gezien artikel 105, leden 1 en 4, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie juridische zaken (A9-0352/2023),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het ontwerp van verordening van de Raad;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de nationale parlementen.


Overeenkomst tussen de Europese Unie en Montenegro: operationele activiteiten van het Europees Grens- en kustwachtagentschap in Montenegro
PDF 114kWORD 42k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 22 november 2023 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting van de overeenkomst tussen de Europese Unie en Montenegro inzake operationele activiteiten die het Europees Grens- en kustwachtagentschap in Montenegro uitvoert (08353/2023 – C9-0177/2023 – 2023/0102(NLE))
P9_TA(2023)0416A9-0369/2023

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (08353/2023),

–  gezien de overeenkomst tussen de Europese Unie en Montenegro inzake operationele activiteiten van het Europees Grens- en kustwachtagentschap in Montenegro (08354/2023),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 77, lid 2, punten b) en d), artikel 79, lid 2, punt c), en artikel 218, lid 6, tweede alinea, punt a), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C9‑0177/2023),

–  gezien artikel 105, leden 1 en 4, en artikel 114, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A9‑0369/2023),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en Montenegro.


Vrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Unie en Nieuw-Zeeland
PDF 113kWORD 42k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement aan de Raad van 22 november 2023 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting, namens de Unie, van de vrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Unie en Nieuw-Zeeland (06600/2023 – C9-0247/2023 – 2023/0038(NLE))
P9_TA(2023)0417A9-0305/2023

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (06600/2023),

–  gezien het ontwerp van vrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Unie en Nieuw-Zeeland (06601/2023),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 91, lid 1, artikel 100, lid 2, artikel 207, lid 4, eerste alinea, artikel 218, lid 6, tweede alinea, punt a), v), en artikel 218, lid 7, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C9-0247/2023),

–  gezien zijn niet-wetgevingsresolutie van 22 november 2023(1) over het ontwerp van besluit van de Raad,

–  gezien artikel 105, leden 1 en 4, en artikel 114, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie internationale handel (A9-0305/2023),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en Nieuw-Zeeland.

(1)Aangenomen teksten, P9_TA(2023)0418.


Vrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Unie en Nieuw-Zeeland
PDF 144kWORD 49k
Niet-wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 22 november 2023 over het ontwerp van besluit van de Raad, namens de Unie, betreffende de sluiting van de vrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Unie en Nieuw-Zeeland (06600/2023 – C9-0247/2023 – 2023/0038M(NLE))
P9_TA(2023)0418A9-0314/2023

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (06600/2023),

–  gezien de vrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Unie en Nieuw-Zeeland, die op 9 juli 2023 is ondertekend,

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 91, lid 1, artikel 100, lid 2, artikel 207, lid 4, eerste alinea, artikel 218, lid 6, tweede alinea, punt a), v), en artikel 218, lid 7, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) (C9-0247/2023),

–  gezien de gemeenschappelijke verklaring van 21 september 2007 betreffende de betrekkingen en samenwerking tussen de Europese Unie en Nieuw-Zeeland(1),

–  gezien de partnerschapsovereenkomst op het gebied van betrekkingen en samenwerking tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en Nieuw-Zeeland, anderzijds(2), die op 5 oktober 2016 is ondertekend,

–  gezien Besluit (EU) 2022/1007 van de Raad van 20 juni 2022 betreffende de sluiting namens de Unie van de partnerschapsovereenkomst op het gebied van betrekkingen en samenwerking tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en Nieuw-Zeeland, anderzijds(3),

–  gezien de onderhandelingsrichtsnoeren van de Raad van 8 mei 2018 voor een vrijhandelsovereenkomst met Nieuw-Zeeland,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie van 13 september 2017 voor een besluit van de Raad houdende machtiging tot het openen van onderhandelingen over een vrijhandelsovereenkomst met Nieuw-Zeeland (COM(2017)0469), en de bijbehorende effectbeoordeling van de Commissie (SWD(2017)0289),

–  gezien zijn resolutie van 6 oktober 2022 over het resultaat van de herziening door de Commissie van het actieplan van 15 punten inzake handel en duurzame ontwikkeling(4),

–  gezien zijn resolutie van 5 juli 2022 over de Indo-Pacifische strategie op het gebied van handel en investeringen(5),

–  gezien zijn resolutie van 26 oktober 2017 met de aanbeveling van het Parlement aan de Raad over het voorgestelde onderhandelingsmandaat voor handelsonderhandelingen met Nieuw-Zeeland(6),

–  gezien zijn resolutie van 25 februari 2016 over de opening van onderhandelingen over vrijhandelsovereenkomsten met Australië en Nieuw-Zeeland(7),

–  gezien het eindverslag van 13 maart 2020, getiteld “Trade Sustainability Impact Assessment in support of FTA negotiations between the European Union and New Zealand” (Duurzaamheidseffectbeoordeling van handel ter ondersteuning van de onderhandelingen over een vrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Unie en Nieuw-Zeeland), gepubliceerd door het directoraat-generaal Handel van de Commissie(8),

–  gezien de andere bilaterale overeenkomsten tussen de EU en Nieuw-Zeeland, met name de overeenkomsten inzake sanitaire maatregelen voor de handel in levende dieren en dierlijke producten(9) en inzake wederzijdse erkenning van overeenstemmingsbeoordeling(10),

–   gezien de gezamenlijke mededeling van de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van 20 juni 2023 betreffende een “strategie voor economische veiligheid van de EU” (JOIN(2023)0020),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 22 juni 2022, getiteld “De kracht van handelspartnerschappen: samen voor groene en rechtvaardige groei” (COM(2022)0409),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 18 februari 2021, getiteld “Evaluatie van het handelsbeleid – Een open, duurzaam en assertief handelsbeleid” (COM(2021)0066),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 11 december 2019, getiteld “De Europese Green Deal” (COM(2019)0640),

–  gezien het advies van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 16 mei 2017 in procedure 2/15(11), waarom de Commissie op 10 juli 2015 had verzocht, overeenkomstig artikel 218, lid 11, VWEU,

–  gezien de kernverdragen van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO),

–  gezien het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering, met inbegrip van de Overeenkomst van Parijs van 2015,

–  gezien het advies van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling,

–  gezien zijn wetgevingsresolutie van 22 november 2023(12) over het ontwerp van besluit,

–  gezien het VWEU en met name de artikelen 91, 100, 168 en 207, juncto artikel 218, lid 6, punt a), v),

–  gezien artikel 105, lid 2, van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie internationale handel (A9-0314/2023),

A.  overwegende dat de EU en Nieuw-Zeeland gelijkgestemde partners zijn die fundamentele waarden delen, zoals de eerbiediging van de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat, en beide een op regels gebaseerd handelsstelsel steunen, waarbij de Wereldhandelsorganisatie (WTO) een centrale plaats inneemt; overwegende dat beide partijen zich inzetten voor de strijd tegen de klimaatverandering en de bescherming van sociale rechten en zijn gebonden door de Overeenkomst van Parijs en de IAO-verdragen;

B.  overwegende dat Nieuw-Zeeland gelegen is in de dynamische en strategisch belangrijke Indo-Pacifische regio; overwegende dat Nieuw-Zeeland deel uitmaakt van het alomvattend en vooruitstrevend trans-Pacifisch partnerschap, het regionaal alomvattend economisch partnerschap, de economische samenwerking Azië-Stille Oceaan en het Indo-Pacifisch economisch kader voor welvaart;

C.  overwegende dat de bilaterale handel in goederen tussen de EU en Nieuw-Zeeland in 2022 een waarde had van 9 miljard EUR en de handel in diensten in 2021 goed was voor 3,5 miljard EUR;

D.  overwegende dat Nieuw-Zeeland de op 52 na grootste handelspartner van de EU op het gebied van goederen is; overwegende dat de EU de op twee na grootste handelspartner van Nieuw-Zeeland op het gebied van goederen is; overwegende dat de uitvoer van landbouwproducten naar Nieuw-Zeeland in 2022 goed was voor 11,5 % (722 miljoen EUR) van de totale EU-uitvoer naar Nieuw-Zeeland; overwegende dat de uitvoer van landbouwproducten van Nieuw-Zeeland naar de EU in 2022 goed was voor 64,9 % (1 822 miljoen EUR) van de totale uitvoer van Nieuw-Zeeland naar de EU;

E.  overwegende dat de buitenlandse directe investeringen van de EU in Nieuw-Zeeland in 2020 8,5 miljard EUR bedroegen, waarmee de EU de op een na grootste investeerder in Nieuw-Zeeland was;

F.  overwegende dat uit de economische-effectbeoordeling van de Commissie is gebleken dat de investeringsstromen van de EU naar Nieuw-Zeeland dankzij de vrijhandelsovereenkomst met 80 % zouden kunnen toenemen en dat de bilaterale handel met 30 % zou kunnen stijgen; overwegende dat een toename van de handel economische kansen en economische groei zal opleveren voor bedrijven en consumenten aan beide zijden;

G.  overwegende dat Nieuw-Zeeland een van de maar zes WTO-leden is die geen regeling met de EU hebben voor preferentiële markttoegang; overwegende dat Nieuw-Zeeland handelsovereenkomsten heeft gesloten die preferentiële toegang bieden aan acht van zijn tien belangrijkste handelspartners die onder preferentiële handelsregelingen vallen;

H.  overwegende dat dit de eerste EU-handelsovereenkomst is in lijn met de nieuwe EU-aanpak voor handel en duurzame ontwikkeling, die is gebaseerd op het beginsel van samenwerking en voorziet in afdwingbare bepalingen met sancties als laatste redmiddel in gevallen van schending van de Overeenkomst van Parijs en de kernverdragen van de IAO;

I.  overwegende dat open en eerlijke handel een van de vier pijlers van het industriële plan voor de Europese Green Deal is; overwegende dat handelsovereenkomsten moeten overeenkomen met de doelstellingen en streefcijfers van de Europese Green Deal, en dat deze overeenstemming nauwlettend moet worden gecontroleerd;

1.  is van mening dat deze overeenkomst van groot belang is voor de bilaterale betrekkingen tussen de EU en Nieuw-Zeeland en voor de bevordering van op regels en waarden gebaseerde handel, in overeenstemming met de Europese Green Deal; is voorts van mening dat deze overeenkomst voordelen zal opleveren die verder gaan dan louter economisch gewin;

2.  benadrukt het strategische belang van de overeenkomst in de huidige geopolitieke context en beschouwt deze overeenkomst als een belangrijke stap vooruit in het kader van de ambitie van de EU om haar betrekkingen met de regio te verdiepen, zoals uiteengezet in de resolutie van het Parlement van 5 juli 2022 over de Indo-Pacifische strategie op het gebied van handel en investeringen;

3.  is verheugd dat de overeenkomst alomvattend en economisch evenwichtig is en dat deze wat betreft het hoofdstuk over handel en duurzame ontwikkeling de meest ambitieuze en progressieve EU-handelsovereenkomst tot dusver is; benadrukt dat de overeenkomst bijdraagt aan de prioriteiten die het Parlement heeft uiteengezet in zijn resoluties van 25 februari 2016 en 26 oktober 2017; merkt op dat de overeenkomst voorziet in een geschillenbeslechtingsmechanisme om te waarborgen dat de rechten en verplichtingen krachtens de overeenkomst worden nageleefd, zodat bedrijven, werknemers en consumenten kunnen profiteren van de voordelen ervan;

4.  is zeer verheugd over het feit dat dit de eerste overeenkomst is die is afgestemd op de nieuwe EU-aanpak voor handel en duurzame ontwikkeling, en dat deze ongeziene milieu- en arbeidsverbintenissen bevat om de door de partijen geratificeerde kernverdragen van de IAO en de Overeenkomst van Parijs daadwerkelijk uit te voeren; verwelkomt de mogelijkheid van handelssancties als laatste redmiddel, in geval van ernstige schendingen van de Overeenkomst van Parijs en de fundamentele IAO-normen; verzoekt beide partijen een reeks leidende beginselen vast te stellen die als essentieel moeten worden beschouwd voor de verwezenlijking van de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs; dringt erop aan specifieke doelstellingen en tijdschema’s vast te stellen in aanvulling op de in de eerste plaats coöperatieve activiteiten om tot duurzame praktijken te komen; verwacht van Nieuw-Zeeland dat het binnen een redelijke termijn concrete vooruitgang boekt met het oog op de ratificering en daadwerkelijke uitvoering van twee kernverdragen van de IAO (nr. 87 betreffende de vrijheid tot het oprichten van vakverenigingen en het vakverenigingsrecht en nr. 138 betreffende de minimumleeftijd), in overeenstemming met de in de overeenkomst vastgelegde verbintenissen; is verheugd over het feit dat de EU en Nieuw-Zeeland zijn overeengekomen rekening te houden met het recente besluit van de IAO om gezondheid en veiligheid op het werk waar nodig aan de fundamentele arbeidsnormen toe te voegen; is ingenomen met het feit dat in de overeenkomst een artikel over handel en gendergelijkheid is opgenomen in het hoofdstuk over handel en duurzame ontwikkeling; merkt op dat van de partijen wordt verwacht dat zij hun verplichtingen inzake gendergelijkheid uit hoofde van zowel de IAO- als de VN-verdragen nakomen in de strijd tegen discriminatie van vrouwen in het economische leven en op de werkvloer; verheugt zich over de specifieke bepaling over de hervorming van de handel en van subsidies voor fossiele brandstoffen en de geleidelijke afbouw ervan; roept de partijen op hun betrokkenheid op dit vlak bij de WTO te vergroten en een routekaart voor uitvoering te ontwikkelen om hun bilaterale ambitie en gezamenlijke inspanningen in relevante internationale fora te verduidelijken; verheugt zich over het feit dat de overeenkomst bij de inwerkingtreding groene goederen en diensten liberaliseert en een lijst bevat van deze goederen en diensten; dringt aan op een regelmatige en systematische herziening van deze lijst; wijst op de toekomstige samenwerking tussen de EU en Nieuw-Zeeland op het gebied van circulaire economie, ontbossingsvrije toeleveringsketens en koolstofbeprijzing; benadrukt dat de overeenkomst een non-regressieclausule bevat waardoor het voor de partijen verboden is ter bevordering van de handel arbeids- en milieunormen af te zwakken, uit te hollen of niet te handhaven; beschouwt deze vrijhandelsovereenkomst als een referentiekader voor duurzame handel en is van mening dat deze als een gouden standaard moet worden beschouwd in huidige en toekomstige onderhandelingen en herzieningen met betrekking tot vrijhandelsovereenkomsten;

5.  verheugt zich dat de overeenkomst een hoofdstuk bevat over de handel en economische samenwerking met de Maori, en dat er op verschillende andere plaatsen in de overeenkomst specifieke bepalingen over de Maori aan bod komen, en benadrukt hoe belangrijk het is dat alle burgers en bedrijven in de EU en Nieuw-Zeeland kunnen profiteren van de handels- en investeringsmogelijkheden die de overeenkomst biedt;

6.  verwacht dat de overeenkomst zal zorgen voor een gelijk speelveld met andere handelspartners die reeds vrijhandelsovereenkomsten met Nieuw-Zeeland hebben; wijst op de sterke tariefliberalisering in het kader van de overeenkomst, waardoor de Nieuw-Zeelandse tarieven die gelden voor de EU-uitvoer bij de inwerkingtreding van de overeenkomst volledig worden afgeschaft en 98,5 % van de EU-tarieven op de Nieuw-Zeelandse handel na zeven jaar wordt opgeheven; wijst op de tegenstelling in de landbouwproductie van de EU en Nieuw-Zeeland op het vlak van seizoenen; stelt vast dat er voldoende rekening is gehouden met bepaalde gevoelige Europese landbouwsectoren door middel van tariefcontingenten en langere overgangsperioden; is ingenomen met het feit dat deze overeenkomst de invoer van rundvlees beperkt tot de hoogste kwaliteitsnorm voor met gras gevoederde runderen; verzoekt de Commissie nauwlettend toe te zien op het beheer van tariefcontingenten voor landbouwproducten en verslag uit te brengen aan het Parlement; waardeert het dat er aparte hoofdstukken worden gewijd aan sanitaire en fytosanitaire aangelegenheden, duurzame voedselsystemen en dierenwelzijn en roept beide partijen op verder informatie uit te wisselen over resultaten op het vlak van duurzame landbouwpraktijken; herinnert eraan dat Nieuw-Zeeland het vervoer van levende dieren over zee heeft verboden en dat de uitwisseling van informatie hierover van bijzonder belang is voor toekomstige inspanningen van de EU om haar praktijken op het gebied van dierenwelzijn te verbeteren;

7.  is ingenomen met de bescherming die de overeenkomst biedt voor de namen van 163 geografische aanduidingen (GA’s) voor Europese levensmiddelen en de volledige lijst van GA-wijnen en -gedistilleerde dranken in de EU (bijna 2 000 namen); benadrukt dat de overeenkomst voorziet in de mogelijkheid om in de toekomst bijkomende geografische aanduidingen toe te voegen; merkt op dat de overeenkomst ook uitgebreide bepalingen op het vlak van intellectuele eigendom bevat, met inbegrip van auteursrechten, handelsmerken en tekeningen en modellen van nijverheid; is ingenomen met de geboekte vooruitgang en herinnert eraan dat een doeltreffende bescherming en handhaving aan beide zijden het uiteindelijke doel blijft;

8.  is van mening dat de bilaterale handel aanzienlijk kan toenemen door de verbintenissen inzake markttoegang voor goederen, gezien de afschaffing van relatief hoge heffingen op industriële producten zoals auto’s en textiel, en ook door de verbintenissen inzake diensten, met inbegrip van bezorgdiensten, telecommunicatie, financiële diensten en internationale zeevervoersdiensten; meent dat de overeenkomst transparantie en het gebruik van internationale normen bevordert om de markttoegang te vergemakkelijken en tegelijkertijd de beschermingsniveaus te waarborgen die de partijen passend achten; stelt vast dat in de overeenkomst opnieuw wordt bevestigd dat elke partij het recht heeft regels vast te stellen om legitieme beleidsdoelstellingen na te streven; waardeert dat Nieuw-Zeeland de EU-typegoedkeuringscertificaten en de bepalingen van de bijlage inzake wijn en gedistilleerde dranken aanvaardt, die de handel in voertuigen en in wijn en gedistilleerde dranken zullen vergemakkelijken;

9.  juicht toe dat de EU en Nieuw-Zeeland hun markten voor overheidsopdrachten nog verder zullen openstellen dan reeds het geval was onder de WTO-overeenkomst inzake overheidsopdrachten; benadrukt dat EU-bedrijven op voet van gelijkheid met lokale bedrijven kunnen inschrijven voor openbare aanbestedingen van centrale en lagere overheden in Nieuw-Zeeland; verzoekt beide partijen duurzaamheidscriteria voor markten voor overheidsopdrachten vast te stellen overeenkomstig de bepalingen van de vrijhandelsovereenkomst;

10.  merkt op dat de overeenkomst een specifiek hoofdstuk over digitale handel bevat, dat zal zorgen voor voorspelbaarheid en rechtszekerheid bij digitale handelstransacties, en grensoverschrijdende gegevensstromen zal vergemakkelijken, met inachtneming van het EU-acquis inzake gegevensbescherming; is verheugd over het feit dat de overeenkomst ertoe zal bijdragen een veilige onlineomgeving voor consumenten te waarborgen en een hoog niveau van bescherming van persoonsgegevens en privacy in de EU te handhaven; is ingenomen met het feit dat in de overeenkomst ambitieuze artikelen zijn opgenomen over de bescherming van broncodes en papierloze handel;

11.  benadrukt dat de overgrote meerderheid van de bedrijven in de EU en Nieuw-Zeeland kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s) zijn; waardeert het dat er in de vrijhandelsovereenkomst een specifiek hoofdstuk wordt gewijd aan kmo’s, waarmee tegemoet wordt gekomen aan de specifieke behoeften van kmo’s waardoor ze optimaal van de overeenkomst zullen kunnen profiteren, met name door wederzijdse verbintenissen tot transparantie op het vlak van markttoegang en de uitwisseling van relevante informatie; roept alle partijen op om snel contactpunten voor kmo’s en een digitaal medium (zoals een kmo-specifieke website) op te richten om relevante informatie over markttoegang gemakkelijk toegankelijk te maken voor kmo’s;

12.  verzoekt de partijen meteen na de inwerkingtreding van de overeenkomst hun respectieve interne adviesgroepen op te richten en ervoor te zorgen dat deze naar behoren kunnen functioneren en actief bijdragen aan de uitvoering van de overeenkomst, vooral wat betreft de duurzaamheidseffecten;

13.  is ingenomen met het specifieke hoofdstuk over kmo’s; vindt echter dat er nog meer kan worden gedaan om tegemoet te komen aan de behoeften van kmo’s zodat zij ten volle van de overeenkomst kunnen profiteren, aangezien deze vrijhandelsovereenkomst als een referentiekader voor toekomstige handelsovereenkomsten wordt beschouwd; verzoekt de Commissie de doeltreffendheid van alle hoofdstukken over kmo’s in EU-handelsovereenkomsten te beoordelen en na te gaan of deze voldoen aan de behoeften van kmo’s, om kmo’s de mogelijkheid te bieden ten volle van de overeenkomsten te profiteren en om een basisformulering op te stellen voor toekomstige kmo-hoofdstukken in handelsovereenkomsten;

14.  is van mening dat deze overeenkomst volledig in overeenstemming is met de recente strategie voor economische veiligheid van de EU, aangezien de overeenkomst een kader biedt voor betrouwbare partners om bij het vaststellen van gemeenschappelijke hoge normen en bij het voorzien in diversificatie gemeenschappelijke veiligheidsproblemen aan te pakken, dat is gericht op duurzame ontwikkeling en als model dient voor andere betrouwbare partners;

15.  is ingenomen met de overeenkomst, die nieuwe mogelijkheden zal creëren voor duurzamere vrije en eerlijke handel tussen de EU en Nieuw-Zeeland; roept het Europees Parlement op zijn goedkeuring te hechten aan de overeenkomst;

16.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen en parlementen van de lidstaten en van Nieuw-Zeeland.

(1)PB C 32 van 6.2.2008, blz. 1.
(2)PB L 321 van 29.11.2016, blz. 3.
(3)PB L 171 van 28.6.2022, blz. 1.
(4)PB C 132 van 14.4.2023, blz. 99.
(5)PB C 47 van 7.2.2023, blz. 15.
(6)PB C 346 van 27.9.2018, blz. 219.
(7)PB C 35 van 31.1.2018, blz. 136.
(8)Eindverslag – “Trade Sustainability Impact Assessment in support of FTA negotiations between the European Union and New Zealand”, Europese Commissie, directoraat-generaal Handel, directoraat C – Azië en Latijns-Amerika, eenheid C2 – Zuid- en Zuidoost-Azië, Australië, Nieuw-Zeeland, 13 maart 2020.
(9)Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en Nieuw-Zeeland inzake sanitaire maatregelen voor de handel in levende dieren en dierlijke producten (PB L 57 van 26.2.1997, blz. 5).
(10)Overeenkomst inzake wederzijdse erkenning van overeenstemmingsbeoordeling tussen de Europese Gemeenschap en Nieuw-Zeeland (PB L 229 van 17.8.1998, blz. 62).
(11)Advies van het Hof van Justitie van 16 mei 2017, 2/15, ECLI:EU:C:2017:376.
(12)Aangenomen teksten, P9_TA(2023)0417.


Benoeming van een lid van de Rekenkamer – Petri Sarvamaa
PDF 113kWORD 43k
Besluit van het Europees Parlement van 22 november 2023 over de voordracht van Petri Sarvamaa voor de benoeming tot lid van de Rekenkamer (C9-0345/2023 – 2023/0811(NLE))
P9_TA(2023)0419A9-0349/2023

(Raadpleging)

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 286, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C9‑0345/2023),

–  gezien artikel 129 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A9‑0349/2023),

A.  overwegende dat de Raad bij schrijven van 22 september 2023 het Europees Parlement heeft geraadpleegd over de benoeming van Petri Sarvamaa tot lid van de Rekenkamer;

B.  overwegende dat zijn Commissie begrotingscontrole de kwalificaties van de voorgedragen kandidaat heeft onderzocht, met name gelet op de in artikel 286, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie vermelde voorwaarden; overwegende dat de commissie in het kader van dit onderzoek een curriculum vitae van de kandidaat heeft ontvangen alsmede de antwoorden op de hem toegezonden schriftelijke vragenlijst;

C.  overwegende dat deze commissie Petri Sarvamaa vervolgens op 7 november 2023 heeft gehoord, waarbij hij een inleidende verklaring heeft afgelegd en daarna de door de leden van de commissie gestelde vragen heeft beantwoord;

1.  brengt positief advies uit over de voordracht van de Raad voor de benoeming van Petri Sarvamaa tot lid van de Rekenkamer;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Raad en, ter informatie, aan de Rekenkamer, alsmеde aan de overige instellingen van de Europese Unie en de controle-instellingen van de lidstaten.


Benoeming van een lid van de Rekenkamer – Annemie Turtelboom
PDF 111kWORD 42k
Besluit van het Europees Parlement van 22 november 2023 over de voordracht van Annemie Turtelboom voor de benoeming tot lid van de Rekenkamer (C9-0355/2023 – 2023/0812(NLE))
P9_TA(2023)0420A9-0350/2023

(Raadpleging)

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 286, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C9‑0355/2023),

–  gezien artikel 129 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A9-0350/2023),

A.  overwegende dat de Raad bij schrijven van 3 oktober 2023 het Europees Parlement heeft geraadpleegd over de benoeming van Annemie Turtelboom tot lid van de Rekenkamer;

B.  overwegende dat zijn Commissie begrotingscontrole de kwalificaties van Annemie Turtelboom heeft onderzocht, met name gelet op de in artikel 286, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie vermelde voorwaarden; overwegende dat de commissie in het kader van dit onderzoek een curriculum vitae van Annemie Turtelboom heeft ontvangen, alsmede de antwoorden op de haar toegezonden schriftelijke vragenlijst;

C.  overwegende dat deze commissie Annemie Turtelboom vervolgens op 7 november 2023 heeft gehoord, waarbij zij een inleidende verklaring heeft afgelegd en daarna de door de leden van de commissie gestelde vragen heeft beantwoord;

1.  brengt positief advies uit over de voordracht van de Raad voor de benoeming van Annemie Turtelboom tot lid van de Rekenkamer;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Raad en, ter informatie, aan de Rekenkamer, alsmede aan de overige instellingen van de Europese Unie en de controle-instellingen van de lidstaten.


Btw: regels voor het digitale tijdperk
PDF 258kWORD 77k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 22 november 2023 over het voorstel voor een richtlijn van de Raad tot wijziging van Richtlijn 2006/112/EG wat betreft de btw-regels voor het digitale tijdperk (COM(2022)0701 – C9-0021/2023 – 2022/0407(CNS))
P9_TA(2023)0421A9-0327/2023

(Bijzondere wetgevingsprocedure – raadpleging)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan de Raad (COM(2022)0701),

–  gezien artikel 113 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C9‑0021/2023),

–  gezien artikel 82 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A9-0327/2023),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het voorstel van de Commissie, zoals geamendeerd door het Parlement;

2.  verzoekt de Commissie haar voorstel krachtens artikel 293, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie dienovereenkomstig te wijzigen;

3.  verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

4.  wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in het voorstel van de Commissie;

5.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendement
Amendement 1
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 1 bis (nieuw)
(1 bis)  Het pakket “Btw in het digitale tijdperk”, waarvan deze richtlijn deel uitmaakt, heeft tot doel het evenredigheidsbeginsel te eerbiedigen wat betreft enerzijds de doelstelling van fraudebestrijding en anderzijds de moeilijkheden voor ondernemingen, met name voor kmo’s en micro-ondernemingen, die zich bij de toepassing van de voorgestelde regels kunnen voordoen bij de dagelijkse bedrijfsvoering, alsook voor nationale autoriteiten. De nieuwe btw-verplichtingen die uit de hervorming voortvloeien, moeten eenvoudig, duidelijk, doeltreffend en evenwichtig zijn voor alle betrokken partijen, zodat het bedrijfsleven en de administratieve autoriteiten de regels in praktijk kunnen brengen.
Amendement 2
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 1 ter (nieuw)
(1 ter)  Het pakket “Btw in het digitale tijdperk” heeft tot doel de volledige eerbiediging van de grondrechten op privacy en bescherming van persoonsgegevens te waarborgen, alsmede de toepasselijkheid van Verordeningen (EU) 2016/6791bis en (EU) 2018/17251ter van het Europees Parlement en de Raad op de verwerking van persoonsgegevens. De verzamelde informatie mag alleen worden verwerkt met het oog op fraudebestrijding door de bevoegde belastingautoriteiten.
________
1bis Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen, organen en instanties van de Unie en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1).
1ter Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen, organen en instanties van de Unie en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 45/2001 en Besluit nr. 1247/2002/EG (PB L 295 van 21.11.2018, blz. 39).
Amendement 3
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 1 quater (nieuw)
(1 quater)  De Commissie moet ervoor zorgen dat de rechten van belastingbetalers worden geëerbiedigd, aangezien de belastingautoriteiten toegang zullen hebben tot grote hoeveelheden gegevens, onder meer uit systemen voor algoritmische gegevensanalyse. Bij het gebruik van nieuwe technologieën moeten de waarden van de Unie, de mensenrechten en het primaire recht worden geëerbiedigd.
Amendement 4
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 1 quinquies (nieuw)
(1 quinquies)   Het verzamelen van persoonsgegevens van individuen mag in geen geval inbreuk maken op hun recht op privacy. Anders zou het worden beschouwd als gelijkwaardig aan onwettig toezicht. Informatie op facturen kan gevoelige informatie onthullen over specifieke natuurlijke personen, zoals informatie over gekochte goederen (met inbegrip van producten van persoonlijke aard), reisarrangementen of juridische diensten.
Amendement 5
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 2
(2)  De btw-rapportageverplichtingen moeten worden aangepast om de uitdagingen van de platformeconomie aan te pakken en de noodzaak van meerdere btw-registraties in de Unie te verminderen.
(2)  De btw-rapportageverplichtingen moeten worden aangepast om de uitdagingen van de platformeconomie aan te pakken, de noodzaak van meerdere btw-registraties in de Unie te verminderen en de nalevingskosten voor belastingbetalers, met name kmo’s, aanzienlijk te verlagen, om een gelijk speelveld en de goede werking van de interne markt te waarborgen.
Amendement 6
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 3
(3)  Het verlies aan btw-inkomsten, bekend als de “btw-kloof”, werd in 2020 in de Unie geraamd op 93 miljard EUR61, waarvan een aanzienlijk deel is toe te schrijven aan fraude, met name intracommunautaire ploffraude62, die op 40-60 miljard EUR63 wordt geraamd. In het eindverslag van de Conferentie over de toekomst van Europa roepen de burgers op tot “het harmoniseren en coördineren van het belastingbeleid in de EU-lidstaten om belastingontduiking en -ontwijking te voorkomen” en “het bevorderen van de samenwerking tussen de EU-lidstaten om ervoor te zorgen dat alle bedrijven in de EU billijke belastingen betalen”. Het initiatief inzake btw in het digitale tijdperk is in overeenstemming met deze doelstellingen.
(3)  Het verlies aan btw-inkomsten, bekend als de “btw-kloof”, werd in 2020 in de Unie geraamd op 93 miljard EUR61, waarvan een aanzienlijk deel is toe te schrijven aan fraude, met name intracommunautaire ploffraude62, die op 40-60 miljard EUR63 wordt geraamd. De huidige btw-kloof toont aan dat grensoverschrijdende btw-fraude en carrouselfraude moeten worden aangepakt door middel van doeltreffende mechanismen voor informatie-uitwisseling en passende middelen voor een dergelijke uitwisseling, waaronder menselijke, financiële, technische en technologische middelen. Bovendien verschilt de omvang van de btw-kloof aanzienlijk tussen de lidstaten en daarom is het belangrijk om de samenwerking en coördinatie op Unieniveau te verbeteren.
_________________
_________________
61 De btw-kloof is het totale verschil tussen de btw-inkomsten die op basis van de btw-wetgeving en aanvullende regelgeving kunnen worden verwacht, en het bedrag dat daadwerkelijk wordt geïnd: https://ec.europa.eu/taxation_customs/business/vat/vat-gap_en
61 De btw-kloof is het totale verschil tussen de btw-inkomsten die op basis van de btw-wetgeving en aanvullende regelgeving kunnen worden verwacht, en het bedrag dat daadwerkelijk wordt geïnd: https://ec.europa.eu/taxation_customs/business/vat/vat-gap_en
62 Europol: https://www.europol.europa.eu/crime-areas-and-statistics/crime-areas/economic-crime/mtic-missing-trader-intra-community-fraud
62 Europol: https://www.europol.europa.eu/crime-areas-and-statistics/crime-areas/economic-crime/mtic-missing-trader-intra-community-fraud
63 Europese Rekenkamer: https://www.eca.europa.eu/Lists/ECADocuments/SR15_24/SR_VAT_FRAUD_EN.pdf
63 Europese Rekenkamer: https://www.eca.europa.eu/Lists/ECADocuments/SR15_24/SR_VAT_FRAUD_EN.pdf
Amendement 7
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 3 bis (nieuw)
(3 bis)  De btw-kloof voedt het gebrek aan vertrouwen tussen de belastingautoriteiten van de Unie en heeft betrekking op veel meer dan alleen intracommunautaire ploffraude (MTIC-fraude). De beste manier om MTIC-fraude, met inbegrip van carrouselfraude, te bestrijden, zou zijn om de btw-vrijstelling op intracommunautaire leveringen van goederen en diensten af ​te schaffen, aangezien dit soort fraude vooral te wijten is aan de versnipperde inning van de btw. Teneinde de strijd tegen btw-fraude beter af te bakenen, moet de Commissie verder analyseren hoe de uitvoering van deze richtlijn de basis zou kunnen vormen voor de afschaffing van de btw-vrijstelling op intracommunautaire leveringen van goederen en diensten (d.w.z. het “definitieve btw-stelsel”).
Amendement 8
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 3 ter (nieuw)
(3 ter)  Het verzamelen van gegevens voor internationale handelsstatistieken (Intrastat) in het kader van intracommunautaire transacties is een essentieel instrument voor de belastingdiensten van de lidstaten in de strijd tegen btw-fraude en moet worden gehandhaafd.
Amendement 9
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 3 quater (nieuw)
(3 quater)  De btw-vrijstelling op de intracommunautaire levering van goederen en diensten zou de kans op fraude kunnen vergroten, met name op het niveau van de detailhandel.
Amendement 10
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 4
(4)  Om de belastinginning bij grensoverschrijdende transacties te verbeteren en een einde te maken aan de bestaande versnippering als gevolg van de toepassing van uiteenlopende rapportagesystemen door de lidstaten, moeten regels voor digitale rapportagevereisten van de Unie worden vastgesteld. Dergelijke regels moeten de belastingdiensten informatie op transactiebasis verstrekken om kruiscontroles van gegevens mogelijk te maken, de controlecapaciteit van de belastingdiensten te vergroten en een afschrikkend effect in geval van niet-naleving te creëren, alsook om de nalevingskosten voor bedrijven die in verschillende lidstaten actief zijn, te verlagen en belemmeringen op de interne markt weg te nemen.
(4)  Om de belastinginning bij grensoverschrijdende transacties te verbeteren en een einde te maken aan de bestaande versnippering als gevolg van de toepassing van uiteenlopende rapportagesystemen door de lidstaten, die leiden tot een aanzienlijke last voor bedrijven en ineffectieve grensoverschrijdende controles, moeten regels voor digitale rapportagevereisten van de Unie worden vastgesteld. Dergelijke regels moeten de belastingdiensten informatie op transactiebasis verstrekken om kruiscontroles van gegevens mogelijk te maken, de controlecapaciteit van de belastingdiensten te vergroten en een afschrikkend effect in geval van niet-naleving te creëren, alsook om de nalevingskosten voor bedrijven die in verschillende lidstaten actief zijn, te verlagen en belemmeringen op de interne markt weg te nemen.
Amendement 11
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 4 bis (nieuw)
(4 bis)   Btw-fraude is vaak gekoppeld aan georganiseerde misdaad en een zeer klein aantal van die georganiseerde netwerken kan verantwoordelijk zijn voor miljarden euro’s aan grensoverschrijdende btw-fraude, hetgeen niet alleen gevolgen heeft voor de inning van opbrengsten in de lidstaten maar ook een negatieve impact heeft op de eigen middelen van de Unie. De lidstaten hebben derhalve een gedeelde verantwoordelijkheid om de btw-opbrengsten van alle lidstaten te beschermen.
Amendement 12
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 4 ter (nieuw)
(4 ter)   De Europese Commissie zal ervoor zorgen dat in de digitale rapportagevereisten rekening wordt gehouden met de opgedane ervaring in bepaalde lidstaten die al hebben geïnvesteerd in digitale facturering en rapportage, zodanig dat bestaande investeringen in deze lidstaten niet verloren gaan en alle belanghebbenden er baat bij kunnen hebben.
Amendement 13
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 4 quater (nieuw)
(4 quater)  Vereisten voor digitale rapportage die gericht zijn op het verstrekken van informatie aan belastingautoriteiten op transactiebasis moeten eerlijk, haalbaar en evenwichtig zijn, in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel. De betrouwbaarheid van technologische oplossingen voor het opsporen van fraude moet leiden tot meer rechtszekerheid voor belastingplichtigen.
Amendement 14
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 5
(5)  Om de automatisering van het rapportageproces voor de belastingplichtigen en de belastingdiensten te vergemakkelijken, moeten de aan de belastingdiensten te rapporteren transacties elektronisch worden gedocumenteerd. Elektronische facturering moet de standaard voor de uitreiking van facturen worden. Het moet de lidstaten evenwel worden toegestaan voor binnenlandse prestaties andere middelen te aanvaarden. De uitreiking van elektronische facturen door de leverancier of dienstverlener en de toezending ervan aan de afnemer mogen niet afhankelijk worden gesteld van voorafgaande toestemming of controle door de belastingdienst.
(5)  Om de automatisering van het rapportageproces voor de belastingplichtigen en de belastingdiensten te vergemakkelijken, moeten de aan de belastingdiensten te rapporteren transacties elektronisch worden gedocumenteerd. Elektronische facturering zou de standaard voor de uitreiking van facturen kunnen worden. Het moet de lidstaten evenwel worden toegestaan voor binnenlandse prestaties andere middelen te aanvaarden. Met ingang van 1 januari 2028 mogen de uitreiking van elektronische facturen door de leverancier of dienstverlener en de toezending ervan aan de afnemer niet afhankelijk worden gesteld van voorafgaande toestemming of controle door de belastingdienst.
Amendement 15
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 6
(6)  De definitie van een elektronische factuur moet worden afgestemd op die van Richtlijn 2014/55/EU van het Europees Parlement en de Raad64 om tot standaardisering te komen op het gebied van btw-rapportage.
(6)  Aan het einde van de overgangsperiode moet de definitie van een elektronische factuur worden afgestemd op die van Richtlijn 2014/55/EU van het Europees Parlement en de Raad64 om tot standaardisering te komen op het gebied van btw-rapportage. Bedrijven, met name micro- en kleine ondernemingen als gedefinieerd in Richtlijn 2013/34/EU64bis en organisaties zonder winstoogmerk, moet het echter vrij blijven staan om andere normen vast te stellen in overeenstemming met artikel 217 van Richtlijn 2006/112/EG.
__________________
__________________
64 Richtlijn 2014/55/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 inzake elektronische facturering bij overheidsopdrachten (PB L 133 van 6.5.2014, blz. 1).
64 Richtlijn 2014/55/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 inzake elektronische facturering bij overheidsopdrachten (PB L 133 van 6.5.2014, blz. 1).
64bis Richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en van de Raad van 26 juni 2013 betreffende de jaarlijkse financiële overzichten, geconsolideerde financiële overzichten en aanverwante verslagen van bepaalde ondernemingsvormen, tot wijziging van Richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad (PB L 182 van 29.6.2013, blz. 19).
Amendement 16
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 6 bis (nieuw)
(6 bis)  Om bedrijven en belastingdiensten te helpen, moet de inhoud van de Europese norm voor elektronische facturering toegankelijk, eenvoudig en duidelijk worden gemaakt, met name door op de website van de Commissie alle relevante informatie met betrekking tot die norm te publiceren. Aangezien echter de Europese norm voor elektronische facturering waarnaar in Richtlijn 2014/55/EU wordt verwezen is aangepast aan een “business to government” (b2g)-context, moet bij de ontwikkeling ervan rekening worden gehouden met “business to business” (b2b)-behoeften.
Amendement 17
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 7
(7)  Met het oog op een efficiënte uitvoering van het btw-rapportagesysteem is het noodzakelijk dat de belastingdienst de informatie onverwijld ontvangt. Daarom moet de termijn voor de uitreiking van facturen bij grensoverschrijdende transacties worden vastgesteld op twee werkdagen nadat het belastbare feit heeft plaatsgevonden.
(7)  Met het oog op een efficiënte uitvoering van het btw-rapportagesysteem is het noodzakelijk dat de belastingdienst de informatie onverwijld ontvangt. Daarom moet de termijn voor de uitreiking van facturen bij grensoverschrijdende transacties worden vastgesteld op acht werkdagen nadat het belastbare feit heeft plaatsgevonden. De verjaringstermijnen voor de vervolging van btw-fraude moeten dienovereenkomstig worden aangepast.
Amendement 18
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 9
(9)  Elektronische facturering kan niet worden geïmplementeerd als standaardmethode voor het documenteren van transacties voor btw-doeleinden als het gebruik van elektronische facturen afhankelijk blijft van aanvaarding door de afnemer. Daarom mag een dergelijke aanvaarding niet langer vereist zijn voor de uitreiking van elektronische facturen.
(9)  Elektronische facturering kan niet worden geïmplementeerd als standaardmethode voor het documenteren van transacties voor btw-doeleinden als het gebruik van elektronische facturen afhankelijk blijft van aanvaarding door de afnemer. Daarom mag de aanvaarding door de ontvanger met ingang van 1 januari 2028 niet langer vereist zijn.
Amendement 19
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 10 bis (nieuw)
(10 bis)   Periodieke facturen besparen tijd en kosten en verminderen de administratieve lasten met betrekking tot factureren. Bovendien verminderen ze de kans op fouten en vereenvoudigen ze het werk voor leveranciers en klanten dankzij vereenvoudigde administratie. Ze kunnen echter ook worden misbruikt voor fraude. Daarom moeten periodieke facturen slechts voor b2b-transacties blijven bestaan en slechts een beperkte periode bestrijken.
Amendement 20
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 12
(12)  Om het voor belastingplichtigen gemakkelijker te maken de factuurgegevens door te zenden, moeten de lidstaten hen daarvoor de nodige middelen ter beschikking stellen, zodat de gegevens door de belastingplichtige zelf of door een derde voor zijn rekening kunnen worden verzonden.
(12)  De groeiende stroom van informatie die dagelijks wordt uitgewisseld, vereist krachtige computersoftware die in staat is om de informatie continu en op een veilige manier door te geven aan de nationale overheidsdiensten. Om het voor belastingplichtigen, en met name micro- en kleine ondernemingen als gedefinieerd in Richtlijn 2013/34/EU en organisaties zonder winstoogmerk, gemakkelijker te maken de factuurgegevens door te zenden, moeten de lidstaten hen daarvoor de nodige middelen ter beschikking stellen, zodat de gegevens door de belastingplichtige zelf of door een derde voor zijn rekening kunnen worden verzonden.
Amendement 21
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 13
(13)  Hoewel de informatie die op grond van de digitale rapportagevereisten voor intracommunautaire transacties moet worden doorgegeven, vergelijkbaar moet zijn met die welke via de lijsten werd doorgegeven, moet de belastingplichtigen worden verzocht aanvullende gegevens te verstrekken, waaronder bankgegevens en betalingsbedragen, zodat de belastingdiensten niet alleen de goederen, maar ook de geldstromen kunnen volgen.
(13)  Hoewel de informatie die op grond van de digitale rapportagevereisten voor intracommunautaire transacties moet worden doorgegeven, vergelijkbaar moet zijn met die welke via de lijsten werd doorgegeven, moet de belastingplichtigen worden verzocht aanvullende gegevens te verstrekken, waaronder bankgegevens en betalingsbedragen, zodat de belastingdiensten niet alleen de goederen, maar ook de geldstromen kunnen volgen en de juiste informatie kunnen verkrijgen over die stromen.
Amendement 22
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 14
(14)  Onnodige administratieve lasten voor belastingplichtigen die in verschillende lidstaten actief zijn, moeten worden vermeden. Daarom moeten dergelijke belastingplichtigen de mogelijkheid hebben om hun belastingdienst de vereiste gegevens te verstrekken volgens de in Uitvoeringsbesluit (EU) 2017/187065 van de Commissie vastgestelde Europese norm, die voldoet aan het in artikel 3, lid 1, van Richtlijn 2014/55/EU vastgestelde verzoek om een Europese norm voor het semantische gegevensmodel van de kernelementen van een elektronische factuur vast te stellen. Het moet de lidstaten worden toegestaan aanvullende methoden voor de rapportage van de gegevens vast te stellen, die bepaalde belastingplichtigen eventueel gemakkelijker in acht kunnen nemen.
(14)  Onnodige administratieve lasten voor belastingplichtigen die in verschillende lidstaten actief zijn, moeten worden vermeden. Daarom moeten dergelijke belastingplichtigen de mogelijkheid hebben om hun belastingdienst de nodige gegevens te verstrekken volgens de in Uitvoeringsbesluit (EU) 2017/187065 van de Commissie vastgestelde Europese norm, die voldoet aan het in artikel 3, lid 1, van Richtlijn 2014/55/EU vastgestelde verzoek om een Europese norm voor het semantische gegevensmodel van de kernelementen van een elektronische factuur vast te stellen. Het moet de lidstaten worden toegestaan andere methoden voor de rapportage van de gegevens vast te stellen, die bepaalde belastingplichtigen eventueel gemakkelijker in acht kunnen nemen en die kunnen leiden tot een vermindering van onnodige lasten.
_________________
_________________
65 Uitvoeringsbesluit (EU) 2017/1870 van de Commissie van 16 oktober 2017 betreffende de bekendmaking van de referentie van de Europese norm voor elektronische facturering en de lijst van syntaxen overeenkomstig Richtlijn 2014/55/EU van het Europees Parlement en de Raad (PB L 266 van 17.10.2017, blz. 19).
65 Uitvoeringsbesluit (EU) 2017/1870 van de Commissie van 16 oktober 2017 betreffende de bekendmaking van de referentie van de Europese norm voor elektronische facturering en de lijst van syntaxen overeenkomstig Richtlijn 2014/55/EU van het Europees Parlement en de Raad (PB L 266 van 17.10.2017, blz. 19).
Amendement 23
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 15
(15)  Met het oog op de noodzakelijke harmonisatie van de rapportage van gegevens over intracommunautaire transacties moeten de te verstrekken gegevens in alle lidstaten dezelfde zijn, zonder dat de lidstaten om aanvullende gegevens kunnen verzoeken.
(15)  Met het oog op de noodzakelijke harmonisatie van de rapportage van gegevens over intracommunautaire transacties moeten de te verstrekken gegevens in alle lidstaten dezelfde zijn, zonder dat de lidstaten om aanvullende gegevens kunnen verzoeken. Door het verzamelen van deze gegevens moeten ook betere statistieken over de omvang van de btw-fraude kunnen worden opgesteld om deze fraude terug te dringen.
Amendement 24
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 16 bis (nieuw)
(16 bis)  Digitalisering maakt ondernemingen steeds kwetsbaarder voor cybercriminaliteit en aanvallen van hackers. De Commissie en de lidstaten moeten ieder voor zover mogelijk tijdens de verzending van gegevens, per transactie en tijdens opslag ervan door de belastingautoriteiten zorgen voor bescherming tegen cyberaanvallen en aanvallen door hackers of zappers.
Amendement 25
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 16 ter (nieuw)
(16 ter)  De regels voor elektronische facturering en digitale rapportage zijn niet van toepassing op defensiegerelateerde aankopen die zijn vrijgesteld op grond van de artikelen 143 en 151 van Richtlijn 2006/112/EG.
Amendement 26
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 16 quater (nieuw)
(16 quater)  Met het oog op de beveiliging van de toegezonden gegevens moet een uitputtende lijst worden opgesteld van de autoriteiten die bevoegd zijn om de gegevens te onderzoeken, en moet een procedure worden vastgesteld voor de verwerking van de gegevens. EPPO, OLAF en Europol moeten op die lijst staan.
Amendement 27
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 17
(17)  Verschillende lidstaten hebben uiteenlopende rapportagevereisten voor transacties op hun grondgebied ingevoerd, wat heeft geleid tot aanzienlijke administratieve lasten voor belastingplichtigen die in verschillende lidstaten actief zijn, aangezien zij hun boekhoudsystemen moeten aanpassen om aan die vereisten te voldoen. Om de kosten als gevolg van dergelijke verschillen te vermijden, moeten de in de lidstaten geïmplementeerde systemen voor de rapportage van leveringen van goederen en diensten onder bezwarende titel tussen belastingplichtigen op hun grondgebied dezelfde kenmerken hebben als het voor intracommunautaire transacties geïmplementeerde systeem. De lidstaten moeten voorzien in de elektronische middelen voor de doorzending van de informatie en belastingplichtigen moeten, zoals het geval is voor intracommunautaire transacties, de gegevens kunnen indienen overeenkomstig de bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2017/1870 vastgestelde Europese norm, ook al kan de betrokken lidstaat voorzien in aanvullende middelen voor de doorzending van de gegevens. De gegevens moeten door de belastingplichtige zelf of door een derde voor zijn rekening kunnen worden doorgezonden.
(17)  Verschillende lidstaten hebben overeenkomstig artikel 273 van Richtlijn 2006/112/EG uiteenlopende rapportagevereisten voor transacties op hun grondgebied ingevoerd. Die uiteenlopende rapportagevereisten schaden de werking van de interne markt. Om de kosten als gevolg van de versnippering van het regelgevend kader te vermijden, zouden de in de lidstaten geïmplementeerde systemen voor de rapportage van leveringen van goederen en diensten onder bezwarende titel tussen belastingplichtigen op hun grondgebied dezelfde kenmerken kunnen hebben als het voor intracommunautaire transacties geïmplementeerde systeem. De lidstaten moeten voorzien in de elektronische middelen voor de doorzending van de informatie en belastingplichtigen moeten, zoals het geval is voor intracommunautaire transacties, de gegevens kunnen indienen overeenkomstig de bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2017/1870 vastgestelde Europese norm, tenzij de betrokken lidstaat kan voorzien in andere, even doeltreffende middelen voor de doorzending van de gegevens. De gegevens moeten door de belastingplichtige zelf of door een derde voor zijn rekening kunnen worden doorgezonden.
Amendement 28
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 18
(18)  De lidstaten mogen niet worden verplicht een digitale rapportagevereiste in te voeren voor leveringen van goederen en diensten onder bezwarende titel tussen belastingplichtigen op hun grondgebied. Als zij evenwel een dergelijke vereiste in de toekomst zouden invoeren, moeten zij deze afstemmen op de digitale rapportagevereisten voor intracommunautaire transacties. Lidstaten die reeds over een rapportagesysteem voor die transacties beschikken, moeten dat aanpassen om ervoor te zorgen dat de gegevens worden gerapporteerd overeenkomstig de digitale rapportagevereisten voor intracommunautaire transacties.
(18)  De lidstaten mogen niet worden verplicht een digitale rapportagevereiste in te voeren voor leveringen van goederen en diensten onder bezwarende titel tussen belastingplichtigen op hun grondgebied. Aan het einde van de overgangsperiode kunnen de lidstaten nog andere normen invoeren, waarbij zij echter wel elektronische facturen op basis van de Europese norm moeten accepteren.
Amendement 29
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 18 bis (nieuw)
(18 bis)  Het verzamelen van persoonsgegevens van individuen mag in geen geval inbreuk maken op hun recht op privacy.
Amendement 30
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 19
(19)  Om de doeltreffendheid van de digitale rapportagevereisten te beoordelen, moet de Commissie een evaluatieverslag opstellen waarin het effect van de digitale rapportagevereisten op de verkleining van de btw-kloof en op de uitvoerings- en nalevingskosten voor belastingplichtigen en belastingdiensten wordt beoordeeld, teneinde na te gaan of het systeem zijn doel heeft bereikt dan wel verdere aanpassingen vereist.
(19)  Om de doeltreffendheid van de intracommunautaire digitale rapportagevereisten te beoordelen, moet de Commissie een evaluatieverslag opstellen waarin het effect van de intracommunautaire digitale rapportagevereisten op de verkleining van de btw-kloof en op de uitvoerings- en nalevingskosten voor belastingplichtigen en belastingdiensten wordt beoordeeld, teneinde na te gaan of het systeem zijn doel heeft bereikt dan wel verdere aanpassingen of uitbreiding van binnenlandse transacties vereist. Daarnaast moet de Commissie opdracht geven tot een onafhankelijk onderzoek in het kader waarvan een alomvattende analyse van ploffraude, een bijzondere categorie van btw-fraude, wordt opgesteld, en met name van de doeltreffendheid van de digitale rapportagevereiste bij de bestrijding van dergelijke fraude. De Commissie moet ook opdracht geven tot een onafhankelijk onderzoek om een grondige beoordeling uit te voeren van de voor- en nadelen van het verplicht stellen van het éénloketsysteem voor invoer (IOSS).
Amendement 31
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 20
(20)  De lidstaten moeten andere maatregelen kunnen blijven toepassen om de correcte inning van de btw te waarborgen en ontduiking te voorkomen. Zij mogen echter niet de mogelijkheid hebben om aanvullende rapportageverplichtingen op te leggen voor de transacties die onder de digitale rapportagevereisten vallen.
(20)  De lidstaten moeten andere maatregelen kunnen blijven toepassen om de correcte inning van de btw te waarborgen en ontduiking te voorkomen.
Amendement 32
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 20 bis (nieuw)
(20 bis)  Om het juridische risico te verminderen waaraan bedrijven, met name kmo’s en micro-ondernemingen, worden blootgesteld als gevolg van de complexiteit van btw-tarieven binnen de Unie, moeten de databanken van de Commissie worden uitgebreid tot een actueel instrument dat gemakkelijk toegankelijk is voor bedrijven, met bijna-real time informatie over btw-tarieven in de Unie en antwoorden op belastingvragen.
Amendement 33
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 22
(22)  De platformeconomie heeft geleid tot een ongerechtvaardigde verstoring van de concurrentie tussen prestaties die via onlineplatforms worden verricht en aan btw-heffing ontsnappen, en prestaties die in de traditionele economie worden verricht en aan de btw zijn onderworpen. De verstoring was zeer sterk in de twee grootste sectoren van de platformeconomie na de e-commerce, namelijk de kortetermijnverhuur van accommodatie en het personenvervoer.
(22)   Er bestaat een risico op verstoring van de concurrentie tussen prestaties die via onlineplatforms worden verricht en aan btw-heffing ontsnappen, en prestaties die in de traditionele economie worden verricht en aan de btw zijn onderworpen.
Amendement 34
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 23
(23)  Daarom moeten regels worden vastgesteld om de concurrentieverstoringen in de kortetermijnverhuur van accommodatie en het personenvervoer aan te pakken door platforms bij de inning van de btw een andere rol (namelijk die van “gelijkgestelde dienstverlener”) te geven. Volgens dit concept moeten platforms worden verplicht btw in rekening te brengen wanneer btw verschuldigd is, maar de onderliggende dienstverlener deze niet in rekening brengt omdat hij bijvoorbeeld een natuurlijke persoon is of een belastingplichtige die gebruikmaakt van de bijzondere regeling voor kleine ondernemingen.
(23)  Daarom moeten er duidelijke, evenwichtige en evenredige regels worden vastgesteld om potentiële concurrentieverstoringen in de kortetermijnverhuur van accommodatie en het personenvervoer aan te pakken door de invoering van de fictie van de gelijkgestelde dienstverlener. Volgens dit concept zijn platforms verplicht de btw op de onderliggende prestatie in rekening te brengen en te verantwoorden wanneer de leverancier geen btw in rekening brengt, en kunnen zij aan rapportageverplichtingen worden onderworpen. Hoewel het beginsel van btw-neutraliteit essentieel is voor het btw-stelsel en zoveel mogelijk in acht moet worden genomen, vereisen de kenmerken van de sectoren kortetermijnverhuur van accommodatie en personenvervoer een specifieke aanpak via de fictie van de gelijkgestelde dienstverlener.
Amendement 35
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 23 bis (nieuw)
(23 bis)  Aangezien de invoering van de fictie van de gelijkgestelde dienstverlener extra kosten met zich meebrengt voor kleine platforms, moeten er stimulansen worden gegeven om hen aan te moedigen hieraan zo snel mogelijk te voldoen, teneinde een gelijk speelveld en gelijke voorwaarden voor een eerlijke concurrentie op die markten te waarborgen.
Amendement 36
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 23 ter (nieuw)
(23 ter)  De regeling gelijkgestelde dienstverleners mag niet van toepassing zijn op platforms die kleine en middelgrote ondernemingen zijn als gedefinieerd in Richtlijn 2013/34/EU, dat wil zeggen kleine aanbieders van accommodatie voor kortetermijnverhuur (STR) (verhuurders of van btw vrijgestelde bedrijven) die bijdragen aan duurzaam toerisme in de Unie en reizen naar minder bezochte plaatsen. Bovendien moet de regeling gelijkgestelde dienstverleners en gelijk speelveld waarborgen en mag deze geen concurrentievoordeel opleveren voor grote platforms, die meerkosten beter kunnen dragen.
Amendement 37
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 24
(24)  In het geval van faciliteringsdiensten die door platforms aan niet-belastingplichtigen worden verleend, wordt de regel inzake de plaats van dienst door de lidstaten verschillend geïnterpreteerd. Daarom moet deze regel worden verduidelijkt.
(24)  In het geval van faciliteringsdiensten die door platforms aan niet-belastingplichtigen worden verleend, wordt de regel inzake de plaats van dienst door de lidstaten verschillend geïnterpreteerd. Deze regel moet worden verduidelijkt, zodat het gebruik van een faciliteringsplatform op geen enkele manier een concurrentievoordeel voor een aanbieder creëert. Ter wille van de duidelijkheid en de rechtszekerheid is het ook noodzakelijk om een uniforme definitie van het begrip “platformtussenpersoon” vast te stellen.
Amendement 38
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 31 bis (nieuw)
(31 bis)  De uitvoering van verschillende éénloketsysteemregelingen van de Unie (Unie-OSS) in de lidstaten vereist dat ondernemingen voldoende technische specificaties krijgen om ervoor te zorgen dat de éénloketsysteem (OSS)-verklaringen niet van land tot land verschillen en tevens dat ondernemingen de optie wordt geboden om een bestand te downloaden om een éénloketsysteem (OSS)-aangifte in te dienen.
Amendement 39
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 31 ter (nieuw)
(31 ter)  Om de dagelijkse bedrijfsvoering te vereenvoudigen, zou de Commissie kunnen overwegen de huidige drie registraties (het éénloketsysteem voor invoer (IOSS), het éénloketsysteem van de Unie (Unie-OSS) en het éénloketsysteem voor buiten de Unie (niet-Unie-OSS)) te consolideren, zodat alle leveringen (namelijk geïmporteerde goederen, diensten en binnenlandse verkopen) via één portaal kunnen worden aangegeven.
Amendement 40
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 32
(32)  Bij Richtlijn (EU) 2017/2455 is onder meer het toepassingsgebied van het mini-éénloketsysteem uitgebreid tot een breder éénloketsysteem (OSS) dat alle grensoverschrijdende diensten aan niet-belastingplichtigen in de Unie en alle intracommunautaire afstandsverkopen van goederen omvat. Bij wijze van uitzondering kunnen elektronische interfaces, zoals marktplaatsen en platforms, die voor bepaalde leveringen van goederen binnen de Unie als gelijkgestelde leverancier worden aangemerkt, ook bepaalde binnenlandse leveringen van goederen aangeven in het kader van het Unie-OSS. Om de doelstelling van één btw-registratie in de Unie te ondersteunen, moet het toepassingsgebied van het Unie-OSS verder worden uitgebreid tot andere leveringen van goederen, waaronder binnenlandse b2c-leveringen van goederen in de Unie door belastingplichtigen die niet voor btw-doeleinden in de lidstaat van verbruik zijn geïdentificeerd, zodat bedrijven zich niet voor btw-doeleinden hoeven te registreren in elke lidstaat waar zij dergelijke goederen aan consumenten leveren. Daarnaast moet het toepassingsgebied van het Unie-OSS ook worden uitgebreid tot binnenlandse leveringen van onder de winstmargeregeling vallende goederen aan alle soorten personen, wanneer die goederen worden geleverd door een belastingplichtige (belastingplichtige wederverkoper) die niet in de lidstaat is geïdentificeerd waar hij dergelijke goederen levert. Door deze wijziging kunnen belastingplichtige wederverkopers gebruikmaken van de OSS-vereenvoudigingen en kan de over die leveringen verschuldigde btw in één lidstaat van identificatie worden aangegeven en betaald via het uitgebreide Unie-OSS.
(32)  Bij Richtlijn (EU) 2017/2455 is onder meer het toepassingsgebied van het mini-éénloketsysteem uitgebreid tot een breder éénloketsysteem (OSS) dat alle grensoverschrijdende diensten aan niet-belastingplichtigen in de Unie en alle intracommunautaire afstandsverkopen van goederen omvat. Bij wijze van uitzondering kunnen elektronische interfaces, zoals marktplaatsen en platforms, die voor bepaalde leveringen van goederen binnen de Unie als gelijkgestelde leverancier worden aangemerkt, ook bepaalde binnenlandse leveringen van goederen aangeven in het kader van het Unie-OSS. Om de doelstelling van één btw-registratie in de Unie te ondersteunen, moet het toepassingsgebied van het Unie-OSS verder worden uitgebreid tot andere leveringen van goederen, waaronder binnenlandse b2c-leveringen van goederen in de Unie door belastingplichtigen die niet voor btw-doeleinden in de lidstaat van verbruik zijn geïdentificeerd, zodat bedrijven zich niet voor btw-doeleinden hoeven te registreren in elke lidstaat waar zij dergelijke goederen aan consumenten leveren. Daarnaast moet het toepassingsgebied van het Unie-OSS ook worden uitgebreid tot binnenlandse leveringen van onder de winstmargeregeling vallende goederen aan alle soorten personen, wanneer die goederen worden geleverd door een belastingplichtige (belastingplichtige wederverkoper) die niet in de lidstaat is geïdentificeerd waar hij dergelijke goederen levert. Door deze wijziging kunnen belastingplichtige wederverkopers gebruikmaken van de OSS-vereenvoudigingen en kan de over die leveringen verschuldigde btw in één lidstaat van identificatie worden aangegeven en betaald via het uitgebreide Unie-OSS. Elke uitbreiding van het Unie-OSS tot leveringen van goederen en diensten door een belastingplichtige aan een andere belastingplichtige moet echter worden vermeden. De vrijheid voor belastingplichtigen met vaste inrichtingen in verschillende lidstaten om de lidstaat van identificatie voor OSS-doeleinden te kiezen, draagt bij aan een groeivriendelijke interne markt.
Amendement 41
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 33
(33)  In de regel wordt de btw in rekening gebracht en voldaan door de leverancier van de goederen of de dienstverlener. In bepaalde omstandigheden kunnen de lidstaten echter bepalen dat in het kader van de verleggingsregeling de afnemer en niet de leverancier of dienstverlener de verschuldigde btw moet voldoen. Om de doelstelling van één btw-registratie in de Unie verder te ondersteunen, moeten regels worden vastgesteld voor de verplichte toepassing van de verleggingsregeling door de lidstaten in situaties waarin een leverancier of dienstverlener niet voor btw-doeleinden is gevestigd in de lidstaat waar de btw verschuldigd is. Een leverancier die goederen levert of een dienstverlener die diensten verleent aan een persoon die voor btw-doeleinden is geïdentificeerd in de lidstaat waar de goederenlevering of dienst belastbaar is, moet het recht hebben de verleggingsregeling toe te passen. Voor controledoeleinden moeten dergelijke goederenleveringen en diensten in de lijst worden opgegeven.
(33)  In de regel wordt de btw in rekening gebracht en voldaan door de leverancier van de goederen of de dienstverlener. In bepaalde omstandigheden kunnen de lidstaten echter bepalen dat in het kader van de verleggingsregeling de afnemer en niet de leverancier of dienstverlener de verschuldigde btw moet voldoen. Om de doelstelling van één btw-registratie in de Unie verder te ondersteunen, moeten regels worden vastgesteld voor de verplichte toepassing van de verleggingsregeling door de lidstaten in situaties waarin een leverancier of dienstverlener niet voor btw-doeleinden is gevestigd in de lidstaat waar de btw verschuldigd is. Voor controledoeleinden moeten dergelijke goederenleveringen en diensten in de lijst worden opgegeven.
Amendement 42
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 35 bis (nieuw)
(35 bis)  IOSS’en moeten transparant en veilig werken. Een uniforme aanpak tussen het IOSS enerzijds en de douanewetgeving en ‑praktijk anderzijds zou bijdragen aan het verhelpen van inconsistenties, fouten en dubbele belasting.
Amendement 43
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 36
(36)  Om eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van Richtlijn 2006/112/EG te waarborgen, moeten aan de Commissie bevoegdheden worden toegekend om sterkere garanties te bieden voor het correcte gebruik en voor het controleproces van IOSS-btw-identificatienummers in het kader van de vrijstelling waarin die richtlijn voorziet. Dit moet de Commissie in staat stellen een uitvoeringshandeling vast te stellen om bijzondere maatregelen in te voeren om bepaalde vormen van belastingontduiking of -ontwijking te voorkomen. Onder dergelijke bijzondere maatregelen valt onder andere de koppeling van het unieke verzendingsnummer aan het IOSS-btw-identificatienummer. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend overeenkomstig de in artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad71 bedoelde onderzoeksprocedure en het comité te dien einde is het bij artikel 58 van Verordening (EU) nr. 904/2010 van het Europees Parlement en de Raad72 ingestelde comité.
(36)  Om eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van Richtlijn 2006/112/EG te waarborgen, moeten aan de Commissie bevoegdheden worden toegekend om sterkere garanties te bieden voor het correcte gebruik en voor het controleproces van IOSS-btw-identificatienummers in het kader van de vrijstelling waarin die richtlijn voorziet. Dit moet de Commissie in staat stellen een uitvoeringshandeling vast te stellen om bijzondere maatregelen in te voeren om bepaalde vormen van belastingontduiking of -ontwijking te voorkomen. Onder dergelijke bijzondere maatregelen valt onder andere de koppeling van het unieke verzendingsnummer aan het IOSS-btw-identificatienummer. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend overeenkomstig de in artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad71 bedoelde onderzoeksprocedure en het comité te dien einde is het bij artikel 58 van Verordening (EU) nr. 904/2010 van het Europees Parlement en de Raad72 ingestelde comité. Wat de bevoegdheden van de Commissie betreft, moet rekening worden gehouden met het recht van de belastingbetaler op vertrouwelijkheid. Elk ontwerp van uitvoeringshandeling moet ter informatie aan het Europees Parlement worden toegezonden, zodat het zijn rechten kan uitoefenen.
__________________
__________________
71 Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).
71 Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).
72 Verordening (EU) nr. 904/2010 van de Raad van 7 oktober 2010 betreffende de administratieve samenwerking en de bestrijding van fraude op het gebied van de belasting over de toegevoegde waarde (PB L 268 van 12.10.2010, blz. 1).
72 Verordening (EU) nr. 904/2010 van de Raad van 7 oktober 2010 betreffende de administratieve samenwerking en de bestrijding van fraude op het gebied van de belasting over de toegevoegde waarde (PB L 268 van 12.10.2010, blz. 1).
Amendement 44
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 38
(38)  Richtlijn 2006/112/EG voorziet in een vereenvoudigde btw-behandeling van goederen die in het kader van de regeling inzake voorraad op afroep worden overgebracht, indien aan bepaalde voorwaarden is voldaan. Aangezien de OSS-vereenvoudigingsregeling voor overbrengingen van eigen goederen alomvattend is en ook grensoverschrijdende goederenbewegingen omvat die momenteel onder de regeling inzake voorraad op afroep vallen uit hoofde van artikel 17 bis van die richtlijn, is het noodzakelijk laatstgenoemde regeling geleidelijk af te schaffen door een einddatum ervoor vast te stellen, voordat de bepalingen inzake voorraad op afroep in Richtlijn 2006/112/EG volledig worden geschrapt. Als einddatum wordt daarom 31 december 2024 vastgesteld, waarna het niet langer mogelijk zal zijn een nieuwe regeling inzake voorraad op afroep op te zetten. Voor regelingen inzake voorraad op afroep die op of vóór 31 december 2024 van start gaan, moeten de desbetreffende voorwaarden, waaronder de termijn van twaalf maanden voor de overdracht van de eigendom van die goederen aan de beoogde koper, blijven gelden. Samen met de vaststelling van deze nieuwe einddatum moet in de bepalingen betreffende de regeling inzake voorraad op afroep een nieuw lid worden ingevoegd dat de toepassing van die regeling op 31 december 2025 beëindigt, aangezien zij na die datum overbodig zal zijn.
(38)  Richtlijn 2006/112/EG voorziet in een vereenvoudigde btw-behandeling van goederen die in het kader van de regeling inzake voorraad op afroep worden overgebracht, indien aan bepaalde voorwaarden is voldaan. Aangezien de OSS-vereenvoudigingsregeling voor overbrengingen van eigen goederen alomvattend is en ook grensoverschrijdende goederenbewegingen omvat die momenteel onder de regeling inzake voorraad op afroep vallen uit hoofde van artikel 17 bis van die richtlijn, is het noodzakelijk laatstgenoemde regeling geleidelijk af te schaffen door een einddatum ervoor vast te stellen, voordat de bepalingen inzake voorraad op afroep in Richtlijn 2006/112/EG volledig worden geschrapt. Als einddatum wordt daarom 31 december 2025 vastgesteld, waarna het niet langer mogelijk zal zijn een nieuwe regeling inzake voorraad op afroep op te zetten. Voor regelingen inzake voorraad op afroep die op of vóór 31 december 2025 van start gaan, moeten de desbetreffende voorwaarden, waaronder de termijn van twaalf maanden voor de overdracht van de eigendom van die goederen aan de beoogde koper, blijven gelden. Samen met de vaststelling van deze nieuwe einddatum moet in de bepalingen betreffende de regeling inzake voorraad op afroep een nieuw lid worden ingevoegd dat de toepassing van die regeling op 31 december 2026 beëindigt, aangezien zij na die datum overbodig zal zijn.
Amendement 45
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 39
(39)  Onder de winstmargeregeling kunnen belastingplichtige wederverkopers btw betalen over het verschil tussen de aankoop- en verkoopprijs van onder de regeling vallende goederen, namelijk gebruikte goederen, kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen en antiquiteiten. Om ervoor te zorgen dat die specifieke leveringen worden belast in de lidstaat waar de afnemer is gevestigd dan wel zijn woonplaats of gebruikelijke verblijfplaats heeft, moet Richtlijn 2006/112/EG worden gewijzigd om een nieuwe regel inzake de plaats van levering in te voeren. Voorts moet Richtlijn 2006/112/EG worden gewijzigd om leveringen van onder de winstmargeregeling vallende goederen specifiek uit te sluiten van de verplichte toepassing van de verleggingsregeling. Om de doelstelling van één btw-registratie in de Unie te ondersteunen en de nalevingslasten tot een minimum te beperken, kunnen belastingplichtige wederverkopers die de winstmargeregeling toepassen, ervoor kiezen zich te registreren om gebruik te maken van het Unie-OSS voor het aangeven en betalen van de btw die verschuldigd is voor bepaalde leveringen van onder de winstmargeregeling vallende goederen via die regeling, zonder dat zij zich in meerdere lidstaten hoeven te registreren.
(39)  Onder de winstmargeregeling kunnen belastingplichtige wederverkopers btw betalen over het verschil tussen de aankoop- en verkoopprijs van onder de regeling vallende goederen, namelijk gebruikte goederen, met inbegrip van kapitaalgoederen zoals gebouwen, machines, gereedschap en uitrusting, kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen en antiquiteiten. Om ervoor te zorgen dat die specifieke leveringen worden belast in de lidstaat waar de afnemer is gevestigd dan wel zijn woonplaats of gebruikelijke verblijfplaats heeft, moet Richtlijn 2006/112/EG worden gewijzigd om een nieuwe regel inzake de plaats van levering in te voeren. Voorts moet Richtlijn 2006/112/EG worden gewijzigd om leveringen van onder de winstmargeregeling vallende goederen specifiek uit te sluiten van de verplichte toepassing van de verleggingsregeling. Om de doelstelling van één btw-registratie in de Unie te ondersteunen en de nalevingslasten tot een minimum te beperken, kunnen belastingplichtige wederverkopers die de winstmargeregeling toepassen, ervoor kiezen zich te registreren om gebruik te maken van het Unie-OSS voor het aangeven en betalen van de btw die verschuldigd is voor bepaalde leveringen van onder de winstmargeregeling vallende goederen via die regeling, zonder dat zij zich in meerdere lidstaten hoeven te registreren.
Amendement 46
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 39 bis (nieuw)
(39 bis)  Gezien het belang van duurzame praktijken is het belangrijk ervoor te zorgen dat de methode voor de berekening van de btw op de winstmarge voor de verkoop van gebruikte en verzamelgoederen eenvoudig en duidelijk is. De Unie moet overwegen of er andere berekeningsmethoden (bijvoorbeeld een gemiddeld marginaal btw-tarief verstrekt door de verkoper en per categorie objecten) nodig zijn om de toepassing en werking van de btw-margeregeling voor gebruikte goederen te verbeteren.
Amendement 47
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 39 ter (nieuw)
(39 ter)   Sommige lidstaten stellen schenkingen in natura niet vrij van btw, hoewel een dergelijke vrijstelling mogelijk is op grond van de bestaande btw-richtlijn, wat ertoe leidt dat bedrijven consumptiegoederen vernietigen, met name retourzendingen, in plaats van ze aan liefdadigheidsdoelen te doneren. De Commissie moet richtsnoeren verstrekken aan de lidstaten, waarin wordt verduidelijkt dat btw-vrijstellingen voor donaties in natura verenigbaar zijn met de bestaande btw-wetgeving van de Unie.
Amendement 48
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 41 bis (nieuw)
(41 bis)  De gelijktijdige invoering van de digitale rapportagevereisten op de markten van alle lidstaten in 2028 is een enorme uitdaging. Een geleidelijke invoering van de digitale rapportagevereisten zou waarborgen dat er voldoende gekwalificeerd personeel inzetbaar is voor de aanpassing van alle zakelijke software. Vóór de uitvoering van deze richtlijn moet de Commissie aan bedrijven praktische oplossingen voorstellen om de uitvoeringskosten te beperken.
Amendement 49
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 41 ter (nieuw)
(41 ter)  Het pakket “Btw in het digitale tijdperk” moet vanaf 1 januari 2025 geleidelijk worden ingevoerd.
Amendement 50
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 41 quater (nieuw)
(41 quater)  Overeenkomstig artikel 42, lid 1, van Verordening (EU) 2018/17251bis is de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming geraadpleegd, en op 3 maart 2023 heeft hij een advies uitgebracht1ter.
________________
1bis Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen, organen en instanties van de Unie en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 45/2001 en Besluit nr. 1247/2002/EG (PB L 295 van 21.11.2018, blz. 39).
1ter PB C 113 van 28.3.2023, blz. 26.
Amendement 51
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 41 quinquies (nieuw)
(41 quinquies)  De uitbreiding, als gevolg van digitale rapportagevereisten, van clouddiensten kan leiden tot een toename van de uitstoot van broeikasgassen. De Commissie moet maatregelen nemen en prikkels geven om de “vergroening” van de digitale sector te waarborgen, bijvoorbeeld door datacentra te centraliseren om hun werking te optimaliseren, door bedrijven te helpen hernieuwbare energie in plaats van fossiele brandstoffen te gebruiken voor de energievoorziening van hun datacentra en door artificiële intelligentie te gebruiken om hun vervuiling te verminderen.
Amendement 52
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 41 sexies (nieuw)
(41 sexies)   Deze richtlijn omvat verschillende wijzigingen in de manier waarop de btw-inkomsten moeten worden aangegeven. Dit kan aanzienlijke gevolgen hebben voor de aard van het werk van werknemers die bij de belastingdiensten werkzaam zijn. De belastingdiensten moeten er daarom voor zorgen dat hun werknemers vóór de inwerkingtreding van deze richtlijn de nodige opleiding hebben kunnen volgen.
Amendement 53
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – titel
Wijzigingen van Richtlijn 2006/112/EG met ingang van 1 januari 2024
Wijzigingen van Richtlijn 2006/112/EG met ingang van 1 januari 2025
Amendement 54
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 6
Richtlijn 2006/112/EG
Artikel 217
Artikel 217
Artikel 217
In deze richtlijn wordt verstaan onder “elektronische factuur” een factuur die de bij deze richtlijn voorgeschreven gegevens bevat en die is uitgereikt, doorgezonden en ontvangen in een gestructureerd elektronisch formaat dat de automatische en elektronische verwerking ervan mogelijk maakt.
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder “elektronische factuur” een factuur die de bij deze richtlijn voorgeschreven gegevens bevat en die is uitgereikt, doorgezonden en ontvangen in een elektronisch formaat.
Voor de toepassing van Titel XI, Hoofdstuk 6, Afdelingen 1 en 2, wordt verstaan onder “elektronische factuur” een factuur die de bij deze richtlijn voorgeschreven gegevens bevat en die is uitgereikt, doorgezonden en ontvangen in een gestructureerd elektronisch formaat dat de automatische en elektronische verwerking ervan mogelijk maakt.
Amendement 55
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 7
Richtlijn 2006/112/EG
Artikel 218 – lid 1
1.  Voor de toepassing van deze richtlijn aanvaarden de lidstaten als factuur ieder document of bericht op papier of in elektronisch formaat dat aan de in dit hoofdstuk vastgestelde voorwaarden voldoet.
1.  Voor de toepassing van deze richtlijn aanvaarden de lidstaten als factuur ieder document of bericht op papier of digitaal of in elektronisch formaat dat aan de in dit hoofdstuk vastgestelde voorwaarden voldoet.
Amendement 56
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 7
Richtlijn 2006/112/EG
Artikel 218 – lid 2
2.  De lidstaten kunnen de uitreiking van elektronische facturen verplichten. De lidstaten die dit verplichten, staan toe dat elektronische facturen worden uitgereikt die voldoen aan de Europese norm voor elektronische facturering en de lijst van syntaxen overeenkomstig Richtlijn 2014/55/EU van het Europees Parlement en de Raad*. Voor de uitreiking van elektronische facturen door belastingplichtigen en de doorzending ervan is geen voorafgaande verplichte toestemming of controle door de belastingautoriteiten vereist, onverminderd de bijzondere maatregelen waarvoor krachtens artikel 395 machtiging is verleend en die bij de inwerkingtreding van deze richtlijn al ten uitvoer zijn gelegd.
2.  De lidstaten kunnen de uitreiking van elektronische facturen verplichten. De lidstaten die dit verplichten, staan toe dat elektronische facturen worden uitgereikt die voldoen aan de Europese norm voor elektronische facturering en de lijst van syntaxen overeenkomstig Richtlijn 2014/55/EU van het Europees Parlement en de Raad*. De lidstaten kunnen ook toestaan dat elektronische facturen in een ander formaat worden uitgereikt, overeenkomstig artikel 217 van deze richtlijn, mits zij ook het gebruik van de Europese norm toestaan. Voor binnenlandse transacties kunnen de lidstaten de uitreiking van elektronische facturen aan op hun grondgebied gevestigde belastingplichtigen verplichten voor de leveringen van goederen en diensten op hun grondgebied.
__________________
__________________
* Richtlijn 2014/55/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 inzake elektronische facturering bij overheidsopdrachten (PB L 133 van 6.5.2014, blz. 1).”;
* Richtlijn 2014/55/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 inzake elektronische facturering bij overheidsopdrachten (PB L 133 van 6.5.2014, blz. 1).”;
Amendement 57
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 7
Richtlijn 2006/112/EG
Artikel 218 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.  De in lid 2 van dit artikel bedoelde Europese norm inzake elektronische facturering wordt bekendgemaakt op de website van de Commissie.
Amendement 58
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 7
Richtlijn 2006/112/EG
Artikel 218 – lid 2 ter (nieuw)
2 ter.  Het staat micro- en kleine ondernemingen als gedefinieerd in Richtlijn 2013/34/EU en organisaties zonder winstoogmerk, vrij gebruik te maken van andere in de lidstaat erkende en geldende normen dan die waarin Richtlijn 2014/55/EU voorziet, mits die normen voldoen aan artikel 217 van deze richtlijn.
Amendement 59
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 9
Richtlijn 2006/112/EG
Artikel 232
9)  Artikel 232 wordt geschrapt.
9)  Artikel 232 wordt vervangen door:
Amendement 60
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 9
Richtlijn 2006/112/EG
Artikel 232
Artikel 232
Artikel 232
Elektronische facturering wordt toegepast behoudens aanvaarding door de afnemer.
1.  Tot en met 31 december 2027 wordt elektronische facturering toegepast behoudens de aanvaarding door de afnemer, voor de verwerving van goederen overeenkomstig artikel 20 en voor diensten die belastbaar zijn in een andere lidstaat dan de lidstaat waar de leverancier of dienstverrichter is gevestigd.
Met ingang van 1 januari 2028 is elektronische facturering niet afhankelijk van aanvaarding door de afnemer voor de verwerving van goederen overeenkomstig artikel 20 en voor diensten die belastbaar zijn in een andere lidstaat dan de lidstaat waar de leverancier of dienstverrichter is gevestigd.
2.  Voor overige verwervingen en leveringen van goederen die niet worden genoemd in lid 1 kunnen de lidstaten bepalen dat elektronische facturering door op hun grondgebied gevestigde belastingplichtigen niet afhankelijk wordt gesteld van de aanvaarding van de op hun grondgebied gevestigde ontvanger.
Amendement 61
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – titel
Wijzigingen van Richtlijn 2006/112/EG met ingang van 1 januari 2025
Wijzigingen van Richtlijn 2006/112/EG met ingang van 1 januari 2026
Amendement 62
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 1 – punt 2 – a
Richtlijn 2006/112/EG
Artikel 14 bis – lid 2
2.  Indien een belastingplichtige via het gebruik van een elektronische interface, zoals een marktplaats, platform, portaal of soortgelijk middel, de levering van goederen binnen de Gemeenschap door een belastingplichtige faciliteert, wordt de belastingplichtige die de levering faciliteert, geacht die goederen te hebben ontvangen en geleverd.
2.  Indien een belastingplichtige via het gebruik van een elektronische interface, zoals een marktplaats, platform, portaal of soortgelijk middel, de levering van goederen binnen de Gemeenschap door een belastingplichtige faciliteert, wordt de belastingplichtige die de levering faciliteert, geacht die goederen te hebben ontvangen en geleverd. De gelijkgestelde dienstverlener kan zich beroepen op goede trouw en is niet aansprakelijk indien een onderliggende verstrekker opzettelijk nalaat te verklaren dat hij of zij geen belastingplichtige is.
Amendement 63
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 1 – punt 2 – b
Richtlijn 2006/112/EG
Artikel 14 bis – lid 3
3.  Indien een belastingplichtige via het gebruik van een elektronische interface, zoals een marktplaats, platform, portaal of soortgelijk middel, de overbrenging van goederen naar een andere lidstaat overeenkomstig artikel 17, lid 1, door een belastingplichtige faciliteert, met uitzondering van investeringsgoederen zoals omschreven door de lidstaat waarnaar de goederen worden verzonden of vervoerd overeenkomstig artikel 189, punt a), of goederen waarvoor in die lidstaat geen volledig recht op aftrek bestaat, wordt de belastingplichtige die de overbrenging faciliteert, geacht die goederen te hebben ontvangen en geleverd.
3.  Indien een belastingplichtige via het gebruik van een elektronische interface, zoals een marktplaats, platform, portaal of soortgelijk middel, de overbrenging van goederen naar een andere lidstaat overeenkomstig artikel 17, lid 1, door een belastingplichtige faciliteert, wordt de belastingplichtige die de overbrenging faciliteert, geacht die goederen te hebben ontvangen en geleverd. De gelijkgestelde dienstverlener kan zich beroepen op goede trouw en is niet aansprakelijk indien een onderliggende verstrekker opzettelijk nalaat te verklaren dat hij of zij geen belastingplichtige is.
Amendement 64
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 1 – punt 2 – b
Richtlijn 2006/112/EG
Artikel 14 bis – lid 4 bis (nieuw)
4 bis.  De lidstaten stellen specifieke richtsnoeren op voor de in artikel 28 bis van deze richtlijn genoemde personen die ervoor kiezen zich als belastingplichtige te registreren, na de invoering van de regeling gelijkgestelde leverancier in de sectoren accommodatie en personenvervoer in de platformeconomie, en stellen deze ter beschikking.
Amendement 65
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 1 – punt 2 – b
Richtlijn 2006/112/EG
Artikel 14 bis – lid 4 ter (nieuw)
4 ter.  Na 31 december 2027 geeft de Commissie opdracht tot een onafhankelijke studie om te beoordelen of de regels inzake gelijkgestelde leveranciers succesvol zijn geweest en zo ja, om nieuwe sectoren in een soortgelijke situatie vast te stellen, alsmede om de voor- en nadelen van het verplicht stellen van het IOSS te beoordelen. Zij dient deze studie in bij het Europees Parlement en de Raad.
Amendement 66
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 1 – punt 3
Richtlijn 2006/112/EG
Artikel 28 bis – alinea 1 – inleidende formule
Niettegenstaande artikel 28 wordt een belastingplichtige die via het gebruik van een elektronische interface, zoals een platform, portaal of soortgelijk middel, kortetermijnverhuur van accommodatie als bedoeld in artikel 135, lid 3, of personenvervoer faciliteert, geacht die diensten zelf te hebben ontvangen en verricht, indien de aanbieder van de diensten een van de volgende personen is:
Niettegenstaande artikel 28 wordt een belastingplichtige die via het gebruik van een elektronische interface, zoals een platform, portaal of soortgelijk middel, kortetermijnverhuur van accommodatie als bedoeld in artikel 135, lid 3, of personenvervoer over de weg binnen de Unie faciliteert, geacht die diensten zelf te hebben ontvangen en verricht, indien de aanbieder van de diensten een van de volgende personen is:
Amendement 67
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 1 – punt 3
Richtlijn 2006/112/EG
Artikel 28 bis – alinea 1 – punt f
f)   een belastingplichtige die onder de bijzondere regeling voor kleine ondernemingen valt.
Schrappen
Amendement 68
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 1 – punt 3
Richtlijn 2006/112/EG
Artikel 28 bis – alinea 1 bis (nieuw)
De regeling gelijkgestelde leveranciers als bedoeld in de eerste alinea is niet van toepassing op platforms die kleine ondernemingen zijn in de zin van Richtlijn 2013/34/EU1bis.
Daarnaast is de eerste alinea niet van toepassing op personenvervoersdiensten of diensten voor de kortetermijnverhuur van accommodatie die worden gefaciliteerd door het gebruik van een elektronische interface, wanneer een personenvervoersdienst of de kortetermijnverhuur van accommodatie die wordt aangeboden door een persoon als bedoeld in de eerste alinea, en die niet wordt gefaciliteerd door het gebruik van een elektronische interface, niet aan btw zou worden onderworpen.
______________________________
1bis Richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en van de Raad van 26 juni 2013 betreffende de jaarlijkse financiële overzichten, geconsolideerde financiële overzichten en aanverwante verslagen van bepaalde ondernemingsvormen, tot wijziging van Richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad (PB L 182 van 29.6.2013, blz. 19).
Amendement 69
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 1 – punt 4
Richtlijn 2006/112/EG
Artikel 35
4)  Artikel 35 wordt geschrapt.
4)  Artikel 35 wordt vervangen door:
Amendement 70
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 1 – punt 4
Richtlijn 2006/112/EG
Artikel 35
Artikel 35
Artikel 35
Artikel 33 is niet van toepassing op leveringen van gebruikte goederen, kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen of antiquiteiten zoals omschreven in artikel 311, lid 1, punten 1) tot en met 4), noch op leveringen van gebruikte vervoermiddelen als omschreven in artikel 327, lid 3, die aan de btw zijn onderworpen overeenkomstig de toepasselijke bijzondere regeling.
Artikel 33 is niet van toepassing op leveringen van gebruikte goederen, zoals omschreven in artikel 311, lid 1, punt 1), noch op leveringen van gebruikte vervoermiddelen als omschreven in artikel 327, lid 3, die aan de btw zijn onderworpen overeenkomstig de toepasselijke bijzondere regeling.
Amendement 71
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 1 – punt 6
Richtlijn 2006/112/EG
Artikel 46 bis
6)   Het volgende artikel 46 bis wordt ingevoegd:
Schrappen
“Artikel 46 bis
De plaats van de faciliteringsdienst die voor niet-belastingplichtigen wordt verricht door een platform, portaal of soortgelijk middel, is de plaats waar de onderliggende transactie overeenkomstig de bepalingen van deze richtlijn wordt verricht.”
Amendement 72
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 1 – punt 7
Richtlijn 2006/112/EG
Artikel 135 – lid 3
3.  De ononderbroken verhuur van accommodatie gedurende maximaal 45 dagen, al dan niet met andere daarmee samenhangende diensten, wordt geacht een soortgelijke functie te hebben als het hotelbedrijf.
3.  Het volgende wordt geacht een soortgelijke functie te hebben als het hotelbedrijf:
a)  de ononderbroken verhuur van accommodatie gedurende maximaal 31 dagen, al dan niet met andere daarmee samenhangende diensten;
b)  de verstrekking van drie of meer belangrijke samenhangende diensten tijdens de verhuur van de accommodatie.
Amendement 73
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 1 – punt 10
Richtlijn 2006/112/EG
Artikel 143 – lid 1 bis – alinea 1
Voor de toepassing van de in lid 1, punt c bis), bedoelde vrijstelling stelt de Commissie een uitvoeringshandeling vast om bijzondere maatregelen in te voeren om bepaalde vormen van belastingontduiking of -ontwijking te voorkomen, onder meer door het unieke verzendingsnummer te koppelen aan het overeenkomstige btw-identificatienummer als bedoeld in artikel 369 octodecies.
Voor de toepassing van de in lid 1, punt c bis), bedoelde vrijstelling stelt de Commissie een uitvoeringshandeling vast om bijzondere maatregelen in te voeren om bepaalde vormen van belastingontduiking of -ontwijking te voorkomen, onder meer door het unieke verzendingsnummer te koppelen aan het overeenkomstige btw-identificatienummer als bedoeld in artikel 369 octodecies. Zij stelt het Europees Parlement, het EOM, OLAF en Europol daarvan in kennis.
Amendement 74
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 1 – punt 12
Richtlijn 2006/112/EG
Artikel 194 – lid 1
1.  Onverminderd de artikelen 195 en 196 staan de lidstaten toe dat, wanneer de belastbare goederenlevering of de belastbare dienst wordt verricht door een belastingplichtige die niet gevestigd is in de lidstaat waar de btw verschuldigd is, de tot voldoening van de belasting gehouden belastingplichtige degene is voor wie de goederenlevering of de dienst wordt verricht indien die persoon al in die lidstaat geïdentificeerd is.
1.  Onverminderd de artikelen 195 en 196, wanneer de belastbare goederenlevering of de belastbare dienst wordt verricht door een belastingplichtige die niet voor btw-doeleinden geïdentificeerd is in de lidstaat waar de btw verschuldigd is, is de tot voldoening van de belasting gehouden belastingplichtige degene voor wie de goederenlevering of de dienst wordt verricht indien die persoon al voor btw-doeleinden in die lidstaat geïdentificeerd is.
Amendement 75
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 1 – punt 12
Richtlijn 2006/112/EG
Artikel 194 – lid 1 bis (nieuw)
1 bis.  Niettegenstaande lid 1, kunnen niet-gevestigde bedrijven zich desgewenst nog steeds registreren en de plaatselijke btw afdragen.
Amendement 76
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 1 – punt 12
Richtlijn 2006/112/EG
Artikel 194 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.   Uiterlijk op 31 december 2028 beoordeelt de Commissie de doeltreffendheid van dit artikel en de toegevoegde waarde ervan voor de bestrijding van btw-fraude, met name “ploffraude”, waarbij zij de Raad en het Parlement naar behoren in kennis stelt van de resultaten van deze beoordeling.
Amendement 77
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 1 – punt 14 – a
Richtlijn 2006/112/EG
Artikel 242 bis – lid 1 bis
1 bis.  Indien een belastingplichtige via het gebruik van een elektronische interface, zoals een platform, portaal of soortgelijk middel, de kortetermijnverhuur van accommodatie of personenvervoersdiensten faciliteert, en die persoon niet geacht wordt die diensten zelf te hebben ontvangen en verricht overeenkomstig artikel 28 bis, wordt de belastingplichtige die de dienst faciliteert, verplicht een boekhouding van die diensten bij te houden.
1 bis.  Indien een belastingplichtige via het gebruik van een elektronische interface, zoals een platform, portaal of soortgelijk middel, de kortetermijnverhuur van accommodatie of personenvervoersdiensten over de weg in de Unie faciliteert, en die persoon niet geacht wordt die diensten zelf te hebben ontvangen en verricht overeenkomstig artikel 28 bis, wordt de belastingplichtige die de dienst faciliteert, verplicht een boekhouding van die diensten bij te houden.
Amendement 78
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 1 – punt 14 – b
Richtlijn 2006/112/EG
Artikel 242 bis – lid 2 – alinea 2
De boekhouding wordt bewaard gedurende tien jaar na afloop van het jaar waarin de transactie is verricht.
De boekhouding wordt door de betrokken belastingplichtige bewaard gedurende zeven jaar na afloop van het jaar waarin de transactie is verricht.
Amendement 79
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 1 – punt 27
Richtlijn 2006/112/EG
Artikel 369 quinvicies bis – alinea 1 – punt 1
1)  “overbrenging van eigen goederen”: de overbrenging van goederen naar een andere lidstaat overeenkomstig artikel 17, lid 1, met inbegrip van overbrengingen overeenkomstig artikel 14 bis, lid 3, en met uitzondering van overbrengingen van investeringsgoederen zoals omschreven door de lidstaat waarnaar de goederen worden verzonden of vervoerd overeenkomstig artikel 189, punt a), of goederen waarvoor in die lidstaat geen volledig recht op aftrek bestaat;
1)  “overbrenging van eigen goederen”: de overbrenging van goederen naar een andere lidstaat overeenkomstig artikel 17, lid 1, met inbegrip van overbrengingen overeenkomstig artikel 14 bis, lid 3;
Amendement 80
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 1 – punt 27
Richtlijn 2006/112/EG
Artikel 369 quinvicies sexies – alinea 1 – punt b
b)   er kan anderszins worden aangenomen dat de belastbare activiteiten van de onder deze bijzondere regeling vallende belastingplichtige beëindigd zijn;
Schrappen
Amendement 81
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 1 – punt 27
Richtlijn 2006/112/EG
Artikel 369 quinvicies nonies – lid 1 – alinea 1
De btw-aangifte wordt in euro’s verricht.
De btw-aangifte wordt in euro verricht of, voor lidstaten die de euro niet hebben ingevoerd, in hun nationale munteenheid.
Amendement 82
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 3 – titel
Wijzigingen van Richtlijn 2006/112/EG met ingang van 1 januari 2026
Wijzigingen van Richtlijn 2006/112/EG met ingang van 1 januari 2027
Amendement 83
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – alinea 1 – punt 2
Richtlijn 2006/112/EG
Artikel 138 – lid 1 bis
2)  In artikel 138 wordt lid 1 bis vervangen door:
Schrappen
1 bis.  De vrijstelling waarin lid 1 van dit artikel voorziet, geldt niet indien de leverancier niet aan de in de artikelen 262 en 263 neergelegde verplichting voldoet om de gegevens over intracommunautaire transacties te verstrekken, of indien de verstrekte gegevens niet de krachtens artikel 264 vereiste correcte informatie over de levering bevatten, tenzij de leverancier eventuele tekortkomingen ten genoegen van de bevoegde autoriteiten kan verantwoorden.;
Amendement 84
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – alinea 1 – punt 3
Richtlijn 2006/112/EG
Artikel 218
Artikel 218
Artikel 218
Voor de toepassing van deze richtlijn worden facturen in een gestructureerd elektronisch formaat uitgereikt. De lidstaten kunnen evenwel documenten op papier of in andere formaten aanvaarden als factuur voor transacties waarop de rapportageverplichtingen van titel XI, hoofdstuk 6, niet van toepassing zijn. De lidstaten staan toe dat elektronische facturen worden uitgereikt die voldoen aan de Europese norm voor elektronische facturering en de lijst van syntaxen overeenkomstig Richtlijn 2014/55/EU van het Europees Parlement en de Raad. Voor de uitreiking van elektronische facturen door belastingplichtigen en de doorzending ervan is geen voorafgaande verplichte toestemming of controle door de belastingautoriteiten vereist.;
Voor de toepassing van deze richtlijn worden facturen in een gestructureerd elektronisch formaat uitgereikt. Voor transacties waarop de rapportageverplichtingen van titel XI, hoofdstuk 6, niet van toepassing zijn, kunnen de lidstaten de afgifte van papieren documenten of andere formaten als facturen vanaf 1 januari 2028 weigeren. De lidstaten staan toe dat elektronische facturen worden uitgereikt die voldoen aan de Europese norm voor elektronische facturering en de lijst van syntaxen overeenkomstig Richtlijn 2014/55/EU van het Europees Parlement en de Raad. De lidstaten kunnen ook toestaan dat elektronische facturen in een ander formaat worden uitgereikt, overeenkomstig artikel 217 van deze richtlijn.
Amendement 85
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – alinea 1 – punt 4
Richtlijn 2006/112/EG
Artikel 222 – alinea 1
Voor goederenleveringen die onder de in artikel 138 gestelde voorwaarden worden verricht of voor goederenleveringen of diensten ter zake waarvan de btw overeenkomstig de artikelen 194 en 196 door de afnemer verschuldigd is, wordt een factuur uitgereikt uiterlijk twee werkdagen na het belastbare feit.
Voor goederenleveringen die onder de in artikel 138 gestelde voorwaarden worden verricht of voor goederenleveringen of diensten ter zake waarvan de btw overeenkomstig de artikelen 194 en 196 door de afnemer verschuldigd is, wordt een factuur uitgereikt uiterlijk acht werkdagen na het belastbare feit.
Amendement 86
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – alinea 1 – punt 4
Richtlijn 2006/112/EG
Artikel 222 – alinea 1 bis (nieuw)
Vóór... [de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] stelt de Commissie aan bedrijven praktische oplossingen voor om de uitvoeringskosten te beperken.
Amendement 87
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – alinea 1 – punt 4
Richtlijn 2006/112/EG
Artikel 222 – alinea 1 ter (nieuw)
Dit artikel is niet van toepassing op defensiegerelateerde aankopen die zijn vrijgesteld op grond van de artikelen 143 en 151.
Amendement 88
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – alinea 1 – punt 5
Richtlijn 2006/112/EG
Artikel 223
5)  Artikel 223 wordt geschrapt;
Schrappen
Amendement 89
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – alinea 1 – punt 6
Richtlijn 2006/112/EG
Artikel 226 – alinea 1 – punt 16
16)  in geval van een corrigerende factuur, het in punt 2) bedoelde volgnummer waardoor de gecorrigeerde factuur wordt geïdentificeerd;
16)  in geval van een corrigerende factuur, het in punt 2) bedoelde volgnummer waardoor de gecorrigeerde factuur wordt geïdentificeerd, of het serienummer van de gecorrigeerde factuur, of het nummer of een ander soortgelijk identificatiemiddel van de overeenkomst waaruit de correctie voortvloeit, als bedoeld in lid 2);
Amendement 90
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – alinea 1 – punt 6
Richtlijn 2006/112/EG
Artikel 226 – alinea 1 – punt 17
17)   het IBAN-nummer van de bankrekening van de leverancier of dienstverlener waarop de betaling van de factuur zal worden gecrediteerd. Indien het IBAN-nummer niet beschikbaar is, een andere identificatiecode waardoor de bankrekening waarop de factuur zal worden gecrediteerd, ondubbelzinnig wordt geïdentificeerd;
Schrappen
Amendement 91
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – alinea 1 – punt 6
Richtlijn 2006/112/EG
Artikel 226 – alinea 1 – punt 18
18)  De datum waarop de betaling van de goederenlevering of de dienst verschuldigd is of, indien gedeeltelijke betalingen zijn overeengekomen, de datum en het bedrag van elke betaling.
Schrappen
Amendement 92
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – alinea 1 – punt 6
Richtlijn 2006/112/EG
Artikel 226 – alinea 1 – punt 18 bis (nieuw)
18 bis)  de kernelementen van een elektronische factuur als bedoeld in artikel 6 van Richtlijn 2014/55/EU, met uitzondering van de punten a), b), i) en k), die niet noodzakelijk zijn voor de btw-logica;
Amendement 93
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – alinea 1 – punt 9 – a
Richtlijn 2006/112/EG
Artikel 262 – lid 1 – inleidende formule
Elke voor btw-doeleinden geïdentificeerde belastingplichtige verstrekt de lidstaat waar hij is gevestigd of voor btw-doeleinden is geïdentificeerd, de volgende gegevens over elke levering en overbrenging van goederen overeenkomstig artikel 138, over elke intracommunautaire verwerving van goederen overeenkomstig artikel 20 en over elke dienst die belastbaar is in een andere lidstaat dan die waar de leverancier of dienstverlener is gevestigd:;
Elke voor btw-doeleinden geïdentificeerde belastingplichtige verstrekt de lidstaat waar hij is gevestigd of voor btw-doeleinden is geïdentificeerd, onverwijld de volgende gegevens over elke levering en overbrenging van goederen overeenkomstig artikel 138, over elke intracommunautaire verwerving van goederen overeenkomstig artikel 20 en over elke dienst die belastbaar is in een andere lidstaat dan die waar de leverancier of dienstverlener is gevestigd:;
Amendement 94
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – alinea 1 – punt 10
Richtlijn 2006/112/EG
Artikel 263 – lid 1 – alinea 1
De in artikel 262, lid 1, bedoelde gegevens worden doorgezonden voor elke afzonderlijke transactie die de belastingplichtige heeft verricht, uiterlijk twee werkdagen na de uitreiking van de factuur of na de datum waarop de factuur moest worden uitgereikt, indien de belastingplichtige niet voldoet aan de verplichting om een factuur uit te reiken. De gegevens worden door de belastingplichtige zelf of door een derde voor zijn rekening doorgegeven. De lidstaten voorzien in de elektronische middelen voor de indiening van die gegevens.
De in artikel 262, lid 1, bedoelde gegevens worden doorgezonden voor elke afzonderlijke transactie die de belastingplichtige heeft verricht, uiterlijk drie werkdagen na de datum van inschrijving in de boekhouding van de belastingplichtige of na de datum waarop de factuur moest worden uitgereikt, indien de belastingplichtige niet voldoet aan de verplichting om een factuur uit te reiken. De gegevens worden door de belastingplichtige zelf of door een derde voor zijn rekening doorgegeven. De lidstaten voorzien in de elektronische middelen voor de indiening van die gegevens.
Amendement 95
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – alinea 1 – punt 10
Richtlijn 2006/112/EG
Artikel 263 – lid 1 – alinea 3
De lidstaten kunnen toestaan dat de gegevens van elektronische facturen worden doorgezonden in andere gegevensformaten die de interoperabiliteit met de Europese norm voor elektronische facturering waarborgen.
De lidstaten kunnen toestaan dat de gegevens van elektronische facturen kosteloos worden doorgezonden in andere gegevensformaten die de interoperabiliteit met de Europese norm voor elektronische facturering waarborgen.
Amendement 96
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – alinea 1 – punt 10
Richtlijn 2006/112/EG
Artikel 263 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.  De leden 1 en 2 zijn niet van toepassing op defensiegerelateerde aankopen, die zijn vrijgesteld op grond van de artikelen 143 en 151.
Amendement 97
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – alinea 1 – punt 17
Richtlijn 2006/112/EG
Artikel 271 bis – lid 1
1.  De lidstaten kunnen verlangen dat belastingplichtigen die op hun grondgebied voor btw-doeleinden zijn geïdentificeerd, hun belastingautoriteiten langs elektronische weg gegevens toezenden over de leveringen van goederen en diensten die zij onder bezwarende titel aan andere belastingplichtigen op hun grondgebied verrichten.
1.  De lidstaten kunnen verlangen dat belastingplichtigen die op hun grondgebied voor btw-doeleinden zijn geïdentificeerd, hun belastingautoriteiten langs elektronische weg gegevens toezenden over de leveringen van goederen en diensten die zij onder bezwarende titel aan andere belastingplichtigen op hun grondgebied verrichten en gegevens over de leveringen aan hen van goederen en diensten onder bezwarende titel verricht door andere belastingplichtigen.
Amendement 98
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – alinea 1 – punt 17
Richtlijn 2006/112/EG
Artikel 271 bis – lid 2
2.   De lidstaten kunnen verlangen dat belastingplichtigen die op hun grondgebied voor btw-doeleinden zijn geïdentificeerd, hun belastingautoriteiten langs elektronische weg gegevens toezenden over andere belastbare transacties dan die welke in lid 1 van dit artikel en in artikel 262 zijn bedoeld.
Schrappen
Amendement 99
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – alinea 1 – punt 17
Richtlijn 2006/112/EG
Artikel 271 ter – alinea 1
Wanneer een lidstaat de toezending van gegevens overeenkomstig artikel 271 bis verlangt, zendt de belastingplichtige, of een derde voor rekening van de belastingplichtige, die gegevens op transactiebasis toe uiterlijk twee werkdagen na uitreiking van de factuur of na de datum waarop de factuur moest worden uitgereikt, indien de belastingplichtige niet voldoet aan de verplichting om een factuur uit te reiken. De lidstaten staan toe dat de gegevens van elektronische facturen worden doorgezonden in een formaat dat voldoet aan de Europese norm voor elektronische facturering en de lijst van syntaxen overeenkomstig Richtlijn 2014/55/EU.
Wanneer een lidstaat de toezending van gegevens overeenkomstig artikel 271 bis verlangt, zendt de belastingplichtige, of een derde voor rekening van de belastingplichtige, die gegevens op transactiebasis toe uiterlijk vijf werkdagen na de datum van inschrijving in de boekhouding van de belastingplichtige of na de datum waarop de factuur moest worden uitgereikt, indien de belastingplichtige niet voldoet aan de verplichting om een factuur uit te reiken. De lidstaten staan toe dat de gegevens van elektronische facturen worden doorgezonden in een formaat dat voldoet aan de Europese norm voor elektronische facturering zoals bedoeld in Richtlijn 2014/55/EU, die betrekking heeft op semantische en syntactische normen, maar niet op de wijze van toezending.
Amendement 100
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – alinea 1 – punt 17
Richtlijn 2006/112/EG
Artikel 271 ter – alinea 2 bis (nieuw)
Voor b2c-transacties en transacties met marktdeelnemers van buiten de Unie kunnen de lidstaten toestaan dat de gegevens, die niet noodzakelijkerwijs afkomstig hoeven te zijn van elektronische facturen, worden doorgezonden in andere gegevensformaten.
Amendement 101
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – alinea 1 – punt 17
Richtlijn 2006/112/EG
Artikel 271 quater – alinea 1
Uiterlijk 31 maart 2033 legt de Commissie de Raad, op basis van de door de lidstaten verstrekte informatie, een verslag voor over de werking van de in deze afdeling vastgestelde binnenlandse rapportagevereisten. In dat verslag beoordeelt de Commissie de noodzaak van verdere harmonisatiemaatregelen en doet zij, indien nodig, een passend voorstel voor dergelijke maatregelen.
Uiterlijk 31 maart 2034 legt de Commissie de Raad, op basis van de door de lidstaten verstrekte informatie, een verslag voor over de werking van de in deze afdeling vastgestelde binnenlandse rapportagevereisten.
Amendement 102
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – alinea 1 – punt 18
Richtlijn 2006/112/EG
Artikel 273 – alinea 1
De lidstaten kunnen, onder voorbehoud van gelijke behandeling van door belastingplichtigen verrichte binnenlandse transacties en transacties tussen de lidstaten, andere verplichtingen voorschrijven die zij noodzakelijk achten ter waarborging van de correcte inning van de btw en ter voorkoming van ontduiking, mits deze verplichtingen in het handelsverkeer tussen de lidstaten geen aanleiding geven tot formaliteiten in verband met een grensoverschrijding.
De lidstaten kunnen, onder voorbehoud van de beginselen van evenredigheid en van gelijke behandeling van door belastingplichtigen verrichte binnenlandse transacties en transacties tussen de lidstaten, andere verplichtingen voorschrijven die zij noodzakelijk achten ter waarborging van de correcte inning van de btw en ter voorkoming van ontduiking, mits deze verplichtingen in het handelsverkeer tussen de lidstaten geen aanleiding geven tot formaliteiten in verband met een grensoverschrijding.
Amendement 103
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 5 – lid 1 – alinea 1
De lidstaten dienen uiterlijk 31 december 2023 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en bekend te maken om aan artikel 1 van deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onmiddellijk in kennis.
De lidstaten dienen uiterlijk 31 december 2024 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en bekend te maken om aan artikel 1 van deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onmiddellijk in kennis.
Amendement 104
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 5 – lid 1 – alinea 2
Zij passen die bepalingen toe met ingang van 1 januari 2024.
Zij passen die bepalingen toe met ingang van 1 januari 2025 voor ondernemingen met meer dan 250 werknemers en vanaf 1 januari 2026 voor alle andere ondernemingen.
Amendement 105
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 5 – lid 2 – alinea 1
De lidstaten dienen uiterlijk 31 december 2024 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en bekend te maken om aan artikel 2 van deze richtlijn te voldoen.
De lidstaten dienen uiterlijk 31 december 2025 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en bekend te maken om aan artikel 2 van deze richtlijn te voldoen.
Amendement 106
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 5 – lid 2 – alinea 2
Zij passen die bepalingen toe met ingang van 1 januari 2025.
Zij passen die bepalingen toe met ingang van 1 januari 2026.
Amendement 107
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 5 – lid 3 – alinea 1
De lidstaten dienen uiterlijk 31 december 2025 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en bekend te maken om aan artikel 3 van deze richtlijn te voldoen.
De lidstaten dienen uiterlijk 31 december 2026 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en bekend te maken om aan artikel 3 van deze richtlijn te voldoen.
Amendement 108
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 5 – lid 3 – alinea 2
Zij passen die bepalingen toe met ingang van 1 januari 2026.
Zij passen die bepalingen toe met ingang van 1 januari 2027.
Amendement 109
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 5 bis (nieuw)
Artikel 5 bis
Evaluatie
1.  Uiterlijk op 31 december 2024 dient de Commissie een verslag over het éénloketsysteem voor btw in bij het Europees Parlement en de Raad. In het verslag wordt met name:
a)  de doeltreffendheid van het éénloketsysteem voor de btw geanalyseerd en een overzicht gegeven van de resterende tekortkomingen;
b)  nagegaan of het éénloketsysteem voor btw verder moet worden uitgebreid naar de resterende gebieden van nog niet onder deze regeling vallende transacties tussen ondernemingen en consumenten;
c)  nagegaan of het toepassingsgebied van het éénloketsysteem kan worden uitgebreid tot transacties tussen ondernemingen;
d)  gekeken naar mogelijkheden om de procedures voor kleine en middelgrote ondernemingen verder te vereenvoudigen en zo de integratie van de eengemaakte markt te bevorderen.
Indien nodig gaat dit verslag vergezeld van een wetgevingsvoorstel.

Btw: de voor het digitale tijdperk noodzakelijke regelingen voor administratieve samenwerking
PDF 213kWORD 73k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 22 november 2023 over het voorstel voor een verordening van de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 904/2010 wat betreft de voor het digitale tijdperk noodzakelijke regelingen voor administratieve samenwerking op het gebied van de btw (COM(2022)0703 – C9-0023/2023 – 2022/0409(CNS))
P9_TA(2023)0422A9-0324/2023

(Bijzondere wetgevingsprocedure – raadpleging)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan de Raad (COM(2022)0703),

–  gezien artikel 113 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C9‑0023/2023),

–  gezien artikel 82 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A9-0324/2023),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel, als geamendeerd door het Parlement;

2.  verzoekt de Commissie haar voorstel krachtens artikel 293, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie dienovereenkomstig te wijzigen;

3.  verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

4.  wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in het voorstel van de Commissie;

5.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de nationale parlementen.

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendement
Amendement 1
Voorstel voor een verordening
Overweging -1 (nieuw)
(-1)   Het huidige btw-stelsel van de Unie, dat in 1993 werd ingevoerd, is vergelijkbaar met het Europese douanestelsel. Het ontbreekt echter aan gelijkwaardige controles, waardoor het btw-stelsel een doelwit is voor grensoverschrijdende fraude.
Amendement 2
Voorstel voor een verordening
Overweging 1 bis (nieuw)
(1 bis)   Het huidige btw-stelsel zou beter presteren als intracommunautaire leveringen van goederen en diensten zouden worden belast alsof het binnenlandse transacties betrof. In 2018 werd een voorstel voor een Richtlijn van de Raad tot wijziging van Richtlijn 2006/112/EG wat betreft de invoering van de nadere technische maatregelen voor de werking van het definitieve btw-stelsel voor de belastingheffing in het handelsverkeer tussen de lidstaten ingediend. Dit voorstel is nog in behandeling. De bepalingen in de gewijzigde Verordening (EU) nr. 904/2010 van de Raad versterken zowel het huidige stelsel als een definitief btw-stelsel.
Amendement 3
Voorstel voor een verordening
Overweging 2
(2)  Bij Richtlijn (EU) XX/XXX15 van de Raad [PB gelieve nummer en jaar in te voegen van de richtlijn van de Raad tot wijziging van Richtlijn 2006/112/EG wat betreft de btw-regels voor het digitale tijdperk die op dezelfde dag als deze verordening is vastgesteld] zijn in Richtlijn 2006/112/EG16 van de Raad digitale rapportagevereisten (“DRR’s”) opgenomen. Krachtens deze vereisten moeten voor btw-doeleinden geïdentificeerde belastingplichtigen de lidstaten inlichtingen verstrekken over elke intracommunautaire levering van goederen, elke intracommunautaire verwerving van goederen en elke dienst die belastbaar is in een andere lidstaat dan die waar de leverancier of dienstverlener is gevestigd. De lidstaten moeten die inlichtingen over intracommunautaire transacties uitwisselen en verwerken om toe te zien op de juiste toepassing van de btw en om fraude op te sporen.
(2)  Bij Richtlijn (EU) XX/XXX15 van de Raad [PB gelieve nummer en jaar in te voegen van de richtlijn van de Raad tot wijziging van Richtlijn 2006/112/EG wat betreft de btw-regels voor het digitale tijdperk die op dezelfde dag als deze verordening is vastgesteld] zijn in Richtlijn 2006/112/EG van de Raad16 digitale rapportagevereisten (“DRR’s”) opgenomen. Krachtens deze vereisten moeten voor btw-doeleinden geïdentificeerde belastingplichtigen de lidstaten inlichtingen verstrekken over elke intracommunautaire levering van goederen, elke intracommunautaire verwerving van goederen en elke dienst die belastbaar is in een andere lidstaat dan die waar de leverancier of dienstverlener is gevestigd. De lidstaten moeten die inlichtingen over intracommunautaire transacties uitwisselen en verwerken om toe te zien op de juiste toepassing van de btw en om fraude op te sporen. Deze vereisten zijn niet van toepassing op defensiegerelateerde aankopen, die zijn vrijgesteld uit hoofde van de artikelen 143 en 151 van Richtlijn 2006/112/EG.
__________________
__________________
15 Richtlijn (EU) XXX/XXXX van de Raad van... (PB L ... van dd/mm/jj, blz. X). [PB Gelieve volledige referentie in te voegen.]
15 Richtlijn (EU) XXX/XXXX van de Raad van... (PB L ... van dd/mm/jj, blz. X). [PB Gelieve volledige referentie in te voegen.]
16 Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB L 347 van 11.12.2006, blz. 1).
16 Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB L 347 van 11.12.2006, blz. 1).
Amendement 4
Voorstel voor een verordening
Overweging 3
(3)  De bestaande samenwerking tussen de belastingautoriteiten van de lidstaten is gebaseerd op de uitwisseling van geaggregeerde informatie tussen nationale elektronische systemen. Met de invoering van de DRR’s wordt beoogd de belastingdiensten tijdig gegevens op transactiebasis te verstrekken ten behoeve van een betere inning van de belasting. Om die gegevens op efficiënte wijze ter beschikking te stellen van andere belastingdiensten en om een gemeenschappelijke uitvoering van analyses en kruiscontroles en een gemeenschappelijke interpretatie van die analyses en kruiscontroles te vergemakkelijken, is een centraal systeem nodig waarin btw-informatie wordt gedeeld.
(3)  De bestaande samenwerking tussen de belastingautoriteiten van de lidstaten is gebaseerd op de uitwisseling van geaggregeerde informatie tussen nationale elektronische systemen. Met de invoering van de DRR’s wordt beoogd de belastingdiensten tijdig gegevens op transactiebasis te verstrekken ten behoeve van doeltreffender procedures voor de inning van de belasting. Om die gegevens op efficiënte wijze ter beschikking te stellen van andere belastingdiensten en om een gemeenschappelijke uitvoering van analyses en kruiscontroles en een gemeenschappelijke interpretatie van die analyses en kruiscontroles te vergemakkelijken, is een beveiligd en up-to-date centraal systeem nodig waarin relevante btw-informatie wordt gedeeld.
Amendement 5
Voorstel voor een verordening
Overweging 4
(4)  Om de lidstaten in staat te stellen btw-fraude doeltreffender te bestrijden, moet een centraal elektronisch systeem voor de uitwisseling van btw-informatie (hierna het “centrale VIES” genoemd) worden opgezet om dergelijke informatie te delen. Dat systeem moet van de nationale elektronische systemen van de lidstaten informatie ontvangen over intracommunautaire transacties die zijn gemeld door de desbetreffende leveranciers of dienstverleners en afnemers in verschillende lidstaten. Dat systeem moet ook de btw-identificatiegegevens van belastingplichtigen die intracommunautaire transacties verrichten, van de lidstaten ontvangen. Voorts moeten, telkens wanneer gegevens worden gewijzigd, ook de metagegevens in het centrale VIES worden geüpload om het tijdstip van wijziging te traceren.
(4)  Om de lidstaten, het Europees Openbaar Ministerie (EOM), het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF), Eurofisc en het Agentschap van de Europese Unie voor samenwerking op het gebied van rechtshandhaving (Europol) in staat te stellen btw-fraude doeltreffender te bestrijden, moet een centraal elektronisch systeem voor de uitwisseling van btw-informatie (hierna het “centrale VIES” genoemd) worden opgezet om dergelijke informatie te delen. Dat systeem moet van de nationale elektronische systemen van de lidstaten informatie ontvangen over intracommunautaire transacties die zijn gemeld door de desbetreffende leveranciers of dienstverleners en afnemers in verschillende lidstaten. Dat systeem moet ook de btw-identificatiegegevens van belastingplichtigen die intracommunautaire transacties verrichten, van de lidstaten ontvangen. Voorts moeten, telkens wanneer gegevens worden gewijzigd, ook de metagegevens in het centrale VIES worden geüpload om het tijdstip van wijziging te traceren.
Amendement 6
Voorstel voor een verordening
Overweging 5
(5)  De btw-identificatiegegevens van belastingplichtigen die intracommunautaire transacties verrichten, moeten onverwijld automatisch in het centrale VIES worden bijgewerkt telkens wanneer identificatiegegevens wijzigen, tenzij de lidstaten overeenkomen dat een dergelijke bijwerking niet relevant, essentieel of nuttig is. Dergelijke bijwerkingen zijn noodzakelijk omdat de geldigheid van de btw-identificatienummers van belastingplichtigen moet worden gecontroleerd om de vrijstelling voor intracommunautaire leveringen van goederen waarin artikel 138 van Richtlijn 2006/112/EG voorziet, te kunnen verlenen. Om de belastingdiensten een redelijke mate van zekerheid over de kwaliteit en de betrouwbaarheid van deze gegevens te bieden, moet informatie over intracommunautaire transacties automatisch in het centrale VIES worden bijgewerkt uiterlijk één dag nadat de lidstaat die informatie van de belastingplichtige heeft ontvangen.
(5)  De btw-identificatiegegevens van belastingplichtigen die intracommunautaire transacties verrichten, moeten zonder onnodige vertraging automatisch in het centrale VIES worden bijgewerkt telkens wanneer identificatiegegevens wijzigen, tenzij de lidstaten overeenkomen dat een dergelijke bijwerking niet relevant, essentieel of nuttig is. Dergelijke bijwerkingen zijn noodzakelijk omdat de geldigheid van de btw-identificatienummers van belastingplichtigen moet worden gecontroleerd om de vrijstelling voor intracommunautaire leveringen van goederen waarin artikel 138 van Richtlijn 2006/112/EG voorziet, te kunnen verlenen. Om de belastingdiensten een redelijke mate van zekerheid over de kwaliteit en de betrouwbaarheid van deze gegevens te bieden, moet informatie over intracommunautaire transacties automatisch in het centrale VIES worden bijgewerkt uiterlijk drie dagen nadat de lidstaat die informatie van de belastingplichtige heeft ontvangen.
Amendement 7
Voorstel voor een verordening
Overweging 8
(8)  Om de lidstaten bij te staan in hun strijd tegen btw-fraude en om fraudeurs op te sporen, moeten de btw-identificatiegegevens en de btw-informatie over intracommunautaire transacties gedurende vijf jaar worden bewaard. Dat is de termijn die de lidstaten minimaal nodig hebben om doeltreffende controles te kunnen uitvoeren en vermoedelijke gevallen van btw-fraude te onderzoeken of dergelijke fraude op te sporen. Die termijn is ook evenredig gezien de enorme hoeveelheid aan gegevens over intracommunautaire transacties en de gevoeligheid ervan als commerciële en persoonsgegevens.
(8)  Om de lidstaten bij te staan in hun strijd tegen btw-fraude en om fraudeurs op te sporen, moeten de btw-identificatiegegevens en de btw-informatie over intracommunautaire transacties gedurende vijf jaar worden bewaard. Dat is de termijn die de lidstaten en, in voorkomend geval, het EOM minimaal nodig hebben om doeltreffende controles te kunnen uitvoeren en vermoedelijke gevallen van btw-fraude te onderzoeken of dergelijke fraude op te sporen. Die termijn is ook evenredig gezien de enorme hoeveelheid aan gegevens over intracommunautaire transacties en de gevoeligheid ervan als commerciële en persoonsgegevens.
Amendement 8
Voorstel voor een verordening
Overweging 8 bis (nieuw)
(8 bis)  Gegevens over het bedrijfsleven in de Unie die worden verzameld via e-facturering en e-aangifte moeten om veiligheidsredenen en met het oog op economische soevereiniteit fysiek binnen de Unie worden opgeslagen.
Amendement 9
Voorstel voor een verordening
Overweging 9
(9)  Om mismatches tijdig op te sporen en zo btw-fraude beter te kunnen bestrijden, moet het centrale VIES automatisch kruiscontroles kunnen verrichten van de informatie die zowel van leveranciers of dienstverleners als van afnemers wordt verzameld krachtens de DRR’s die zijn ingevoerd bij Richtlijn (EU) XX/XXX17 [PB gelieve nummer en jaar in te voegen van de richtlijn van de Raad tot wijziging van Richtlijn 2006/112/EG wat betreft de btw-regels voor het digitale tijdperk die op dezelfde dag als deze verordening is vastgesteld]. De lidstaten moeten de resultaten van deze kruiscontroles krijgen om er een passende follow-up aan te geven.
(9)  Om mismatches tijdig op te sporen en zo btw-fraude beter te kunnen bestrijden, moet het centrale VIES automatisch kruiscontroles kunnen verrichten van de informatie die zowel van leveranciers of dienstverleners als van afnemers wordt verzameld krachtens de DRR’s die zijn ingevoerd bij Richtlijn (EU) XX/XXX17 [PB gelieve nummer en jaar in te voegen van de richtlijn van de Raad tot wijziging van Richtlijn 2006/112/EG wat betreft de btw-regels voor het digitale tijdperk die op dezelfde dag als deze verordening is vastgesteld]. De lidstaten moeten de resultaten van deze kruiscontroles krijgen om er een passende follow-up aan te geven. Uit veiligheidsoverwegingen zijn de DRR’s niet van toepassing op overeenkomsten inzake defensie en nationale veiligheid.
__________________
__________________
17 Richtlijn (EU) XXX/XXXX van de Raad van... (PB L ... van dd/mm/jj, blz. X).
17 Richtlijn (EU) XXX/XXXX van de Raad van... (PB L ... van dd/mm/jj, blz. X).
Amendement 10
Voorstel voor een verordening
Overweging 10 bis (nieuw)
(10 bis)  Om een gestroomlijnd proces te waarborgen, is het noodzakelijk dat het centrale VIES in real time statusupdates weergeeft met het oog op de verificatie van de geldigheid van grote aantallen btw-nummers en btw-nummers van bedrijven ten behoeve van hun handelspartners. Dergelijke statusupdates moeten betrouwbaar zijn wat betreft de kwaliteit van de gegevens en de stabiliteit van het systeem.
Amendement 11
Voorstel voor een verordening
Overweging 10 ter (nieuw)
(10 ter)  Sinds 2002 stelt de Commissie op haar website een functie beschikbaar (VIES VAT number validation) om de geldigheid van een btw-nummer online te kunnen verifiëren. Aangezien er inmiddels veel meer gebruik wordt gemaakt van die functie dan toen deze werd ingevoerd, zijn er aanzienlijke upgrades nodig om ervoor te zorgen dat het systeem grote hoeveelheden verzoeken om verificatie van btw-nummers kan verwerken, om de kwaliteit van de gegevens in het systeem te verbeteren, om updates in real time mogelijk te maken en om uitval van het systeem te voorkomen. Om betrouwbare verificatie van btw-nummers in real time mogelijk te maken en te waarborgen dat het centrale VIES optimaal functioneert, is het dus belangrijk dat de Commissie de functie “VIES VAT number validation” verbetert.
Amendement 12
Voorstel voor een verordening
Overweging 10 quater (nieuw)
(10 quater)  Met het oog op vereenvoudiging en om de nalevingskosten voor zowel bedrijven, met name kmo’s, als belastingdiensten te beperken, moet de Commissie beveiligde en betrouwbare software ontwikkelen voor de verbinding van bedrijven en nationale overheden met het centrale VIES.
Amendement 13
Voorstel voor een verordening
Overweging 11 bis (nieuw)
(11 bis)  De waarborgen van hoofdstuk XV van Verordening (EU) nr. 904/2010, en name de waarborgen van artikel 55 daarvan, moeten van toepassing blijven op de verwerking van persoonsgegevens.
Amendement 14
Voorstel voor een verordening
Overweging 12
(12)  De toegang tot de informatie in het centrale VIES moet op “need-to-know”-basis worden verleend. Deze informatie mag niet worden gebruikt voor andere doeleinden dan het toezicht op de juiste toepassing van de btw en de bestrijding van btw-fraude. De in deze verordening vastgestelde geheimhoudingsregels moeten bindend zijn voor alle gebruikers.
(12)  De toegang tot de informatie in het centrale VIES moet op “need-to-know”-basis worden verleend. Deze informatie mag niet worden gebruikt voor andere doeleinden dan het toezicht op de juiste toepassing van de btw en de bestrijding van btw-fraude. De in deze verordening vastgestelde geheimhoudingsregels moeten bindend zijn voor alle gebruikers. In verband met de procedures voor de uitwisseling van inlichtingen en de toegang tot gegevens moeten de Verordeningen (EU) 2016/6791bis en (EU) 2018/17251ter van het Europees Parlement en de Raad worden nageleefd en moet het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie worden geëerbiedigd.
__________________
1bis Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen, organen en instanties van de Unie en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1).
1ter Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen, organen en instanties van de Unie en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 45/2001 en Besluit nr. 1247/2002/EG (PB L 295 van 21.11.2018, blz. 39).
Amendement 15
Voorstel voor een verordening
Overweging 13
(13)  Om btw-fraude te bestrijden, moeten de Eurofisc-verbindingsambtenaren van de lidstaten als bedoeld in artikel 36 van Verordening (EU) nr. 904/2010 toegang hebben tot en analyses kunnen verrichten van btw-informatie over intracommunautaire transacties. Om toe te zien op de juiste toepassing van de btw-wetgeving, moeten de ambtenaren van de lidstaten die nagaan of de btw-vrijstelling voor bepaalde ingevoerde goederen, zoals bepaald in artikel 143, lid 1, punt d), van Richtlijn 2006/112/EG, van toepassing is, ook toegang hebben tot de btw-identificatiegegevens die in het centrale VIES zijn opgeslagen. Voorts moeten de bevoegde autoriteiten van de lidstaten om dezelfde redenen andere ambtenaren selecteren die rechtstreeks toegang moeten hebben tot het centrale VIES, en hen indien nodig die toegang verlenen. Ten slotte moeten naar behoren gemachtigde personen van de Commissie toegang hebben tot de informatie in het centrale VIES, maar alleen voor zover die toegang noodzakelijk is voor de ontwikkeling en het onderhoud van dat systeem.
(13)  Om btw-fraude te bestrijden, moeten de Eurofisc-verbindingsambtenaren van de lidstaten als bedoeld in artikel 36 van Verordening (EU) nr. 904/2010 en het EOM, OLAF en Europol toegang hebben tot en analyses kunnen verrichten van btw-informatie over intracommunautaire transacties. Om toe te zien op de juiste toepassing van de btw-wetgeving, moeten de ambtenaren van de lidstaten die nagaan of de btw-vrijstelling voor bepaalde ingevoerde goederen, zoals bepaald in artikel 143, lid 1, punt d), van Richtlijn 2006/112/EG, van toepassing is, ook toegang hebben tot de btw-identificatiegegevens die in het centrale VIES zijn opgeslagen. Voorts moeten de bevoegde autoriteiten van de lidstaten om dezelfde redenen andere ambtenaren selecteren die rechtstreeks toegang moeten hebben tot het centrale VIES, en hen indien nodig die toegang verlenen. Ten slotte moeten naar behoren gemachtigde personen van de Commissie toegang hebben tot de informatie in het centrale VIES, maar alleen voor zover die toegang noodzakelijk is voor de ontwikkeling en het onderhoud van dat systeem. Gemachtigde personen van de Commissie mogen in geen geval inbreuk maken op het recht van belastingplichtigen op vertrouwelijkheid. Volgens het jaarverslag van het EOM over 2022 bleek uit de actieve onderzoeken die door het EOM naar fraudegevallen werden verricht, dat 47 % van het totale geraamde bedrag aan schade ten gevolge van fraude het gevolg was van btw-fraude. Om die reden is het essentieel dat gemachtigde personeelsleden van het EOM rechtstreeks toegang krijgen tot het centrale VIES-systeem. Om dezelfde redenen moet voor gemachtigde ambtenaren van OLAF hetzelfde gelden.
Amendement 16
Voorstel voor een verordening
Overweging 14
(14)  Om vermoedelijke btw-fraude te onderzoeken en dergelijke fraude op te sporen, moeten de informatiesystemen die het Eurofisc-netwerk ondersteunen in de strijd tegen btw-fraude, met inbegrip van het systeem voor transactienetwerkanalyse en het centrale elektronische systeem van betalingsinlichtingen (“CESOP”), rechtstreeks toegang hebben tot het centrale VIES.
(14)  Om vermoedelijke btw-fraude te onderzoeken en dergelijke fraude op te sporen, moeten de informatiesystemen die het Eurofisc-netwerk ondersteunen in de strijd tegen btw-fraude, met inbegrip van het systeem voor transactienetwerkanalyse en het centrale elektronische systeem van betalingsinlichtingen (“CESOP”), het EOM, OLAF en Europol rechtstreeks toegang hebben tot het centrale VIES.
Amendement 17
Voorstel voor een verordening
Overweging 14 bis (nieuw)
(14 bis)  Het EOM moet ook rechtstreeks toegang hebben tot het centrale VIES voor zover noodzakelijk voor de uitvoering van zijn taken als bedoeld in artikel 4 van Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad1bis, en in overeenstemming met artikel 43 van die verordening.
__________________
1bis Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie (“EOM”) (PB L 283 van 31.10.2017, blz. 1).
Amendement 18
Voorstel voor een verordening
Overweging 16
(16)  Om eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van Verordening (EU) nr. 904/2010 te waarborgen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend met betrekking tot de door de Commissie uit te voeren taken voor het technische beheer van het centrale VIES, de technische details betreffende de identificatie en toegang van ambtenaren en elektronische systemen tot het centrale VIES, de technische details en het formaat van de informatie die naar het centrale VIES wordt doorgezonden, en de rollen en verantwoordelijkheden van de lidstaten en de Commissie wanneer zij optreden als verwerkingsverantwoordelijke en verwerker krachtens Verordeningen (EU) 2016/67918 en (EU) 2018/172519 van het Europees Parlement en de Raad. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/201120 van het Europees Parlement en de Raad.
(16)  Om eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van Verordening (EU) nr. 904/2010 te waarborgen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend met betrekking tot de door de Commissie uit te voeren taken voor het technische beheer van het centrale VIES, de technische details betreffende de identificatie en toegang van ambtenaren en elektronische systemen tot het centrale VIES, de technische details en het formaat van de informatie die naar het centrale VIES wordt doorgezonden, en de rollen en verantwoordelijkheden van de lidstaten en de Commissie wanneer zij optreden als verwerkingsverantwoordelijke en verwerker krachtens Verordeningen (EU) 2016/67918 en (EU) 2018/172519 van het Europees Parlement en de Raad. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/201120 van het Europees Parlement en de Raad. Elke ontwerpuitvoeringshandeling moet ter informatie worden doorgezonden aan het Europees Parlement, zodat het zijn rechten kan uitoefenen.
__________________
__________________
18 Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1).
18 Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1).
19 Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen, organen en instanties van de Unie en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 45/2001 en Besluit nr. 1247/2002/EG (PB L 295 van 21.11.2018, blz. 39).
19 Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen, organen en instanties van de Unie en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 45/2001 en Besluit nr. 1247/2002/EG (PB L 295 van 21.11.2018, blz. 39).
20 Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).
20 Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).
Amendement 19
Voorstel voor een verordening
Overweging 17
(17)  Btw-fraude is een gemeenschappelijk probleem voor alle lidstaten. De lidstaten alleen beschikken niet over de nodige informatie om de juiste toepassing van de btw-regels te garanderen en btw-fraude aan te pakken. Daar de doelstelling van Verordening (EU) nr. 904/2010 - de bestrijding van btw-fraude - niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt vanwege het grensoverschrijdende karakter van de interne markt, maar beter op het niveau van de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken.
(17)  Btw-fraude is een gemeenschappelijk probleem voor alle lidstaten. De lidstaten alleen beschikken niet over de nodige informatie om de juiste toepassing van de btw-regels te garanderen en btw-fraude aan te pakken. Daar de doelstelling van Verordening (EU) nr. 904/2010 - de bestrijding van btw-fraude - niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt vanwege het grensoverschrijdende karakter van de interne markt, maar beter op het niveau van de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken. Met het oog op het niveau van de verzameling, centralisatie en automatische verwerking van gegevens over intracommunautaire transacties dat nodig is om de belastingdiensten van de lidstaten in staat te stellen de stromen tussen bedrijven in de Unie volledig in kaart te brengen, is invoering van een controleproces op Unieniveau nodig waarmee de goede werking van het systeem gewaarborgd wordt en afwijkingen bij het gebruik van deze gegevens vermeden worden.
Amendement 20
Voorstel voor een verordening
Overweging 17 bis (nieuw)
(17 bis)   In haar verslag van 16 april 2004 aan de Raad en het Europees Parlement over de toepassing van regelingen betreffende administratieve samenwerking op het gebied van bestrijding van btw-fraude licht de Commissie op heldere wijze toe hoe carrouselfraude wordt gepleegd.
Amendement 21
Voorstel voor een verordening
Overweging 21
(21)  Het misbruik van btw-identificatienummers in het éénloketsysteem voor invoer (IOSS) is door belanghebbenden als een potentieel risico aangemerkt. Om het correcte gebruik en het controleproces van IOSS-btw-identificatienummers beter te waarborgen, moet artikel 47 nonies van Verordening (EU) nr. 904/2010 worden uitgebreid om de douaneautoriteiten toegang te verlenen tot informatie over marktdeelnemers die voor het IOSS geregistreerd zijn, waardoor zij de risico’s beter zullen kunnen beheren en beheersen.
(21)  Misbruik, opzettelijk dan wel uit nalatigheid, van btw-identificatienummers in het éénloketsysteem voor invoer (IOSS) is door belanghebbenden als een potentieel risico aangemerkt. Om het correcte gebruik en het controleproces van IOSS-btw-identificatienummers beter te waarborgen, moet artikel 47 nonies van Verordening (EU) nr. 904/2010 worden uitgebreid om de douaneautoriteiten toegang te verlenen tot informatie over marktdeelnemers die voor het IOSS geregistreerd zijn, waardoor zij de risico’s beter zullen kunnen beheren en beheersen.
Amendement 22
Voorstel voor een verordening
Overweging 22 bis (nieuw)
(22 bis)  Voor de wijzigingen in verband met de IOSS-regeling moet een realistisch uitvoeringsschema worden vastgesteld. Om een versnipperde naleving en tenuitvoerlegging te voorkomen, waardoor de administratieve lasten voor bedrijven, met name kmo’s, en platforms, met name kleine platforms, die de verkoop van ondernemingen aan klanten (B2C) faciliteren, zouden kunnen toenemen, moet het toepassingsgebied van de IOSS-regeling dus met ingang van 1 januari 2026 worden uitgebreid.
Amendement 23
Voorstel voor een verordening
Overweging 24
(24)  Deze verordening eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die zijn erkend in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Met name wordt met deze verordening beoogd het in artikel 8 van het Handvest vastgelegde recht op bescherming van persoonsgegevens ten volle te respecteren. In dat verband wordt de hoeveelheid persoonsgegevens die aan de belastingautoriteiten beschikbaar zullen worden gesteld, door deze verordening sterk beperkt. De verwerking van inlichtingen over intracommunautaire transacties overeenkomstig deze verordening mag alleen plaatsvinden voor de toepassing van deze verordening.
(24)  Deze verordening eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die zijn erkend in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Met name wordt met deze verordening beoogd het in artikel 8 van het Handvest vastgelegde recht op bescherming van persoonsgegevens ten volle te respecteren. In dat verband wordt de hoeveelheid persoonsgegevens die aan de belastingautoriteiten beschikbaar zullen worden gesteld, door deze verordening sterk beperkt omdat toegang van belastingdiensten tot informatie over persoonlijke aankopen van personen een ernstig risico voor de persoonlijke levenssfeer vormt. De verwerking van inlichtingen over intracommunautaire transacties overeenkomstig deze verordening mag derhalve alleen plaatsvinden voor de toepassing van deze verordening.
Amendement 24
Voorstel voor een verordening
Overweging 24 bis (nieuw)
(24 bis)  Het gebruik van door bedrijven doorgegeven gegevens is alleen toegestaan in het kader van de bestrijding van btw-fraude, waarbij de beginselen van evenredigheid en bescherming van de grondrechten moeten worden geëerbiedigd. De betrokken autoriteiten moeten overeenkomstig Richtlijn (EU) 2016/943 van het Europees Parlement en de Raad1bisbedrijfsgeheimen, meer bepaald de knowhow en deskundigheid in verband met producten en diensten van bedrijven in de Unie, eerbiedigen, teneinde het concurrentievermogen van deze bedrijven niet in gevaar te brengen.
__________________
1bis Richtlijn (EU) 2016/943 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende de bescherming van niet-openbaar gemaakte knowhow en bedrijfsinformatie (bedrijfsgeheimen) tegen het onrechtmatig verkrijgen, gebruiken en openbaar maken daarvan (PB L 157 van 15.6.2016, blz. 1).
Amendement 25
Voorstel voor een verordening
Overweging 25
(25)  De Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming is geraadpleegd overeenkomstig artikel 42, lid 1, van Verordening (EU) 2018/1725 en heeft op […] een advies uitgebracht.
(25)  De Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming is geraadpleegd overeenkomstig artikel 42, lid 1, van Verordening (EU) 2018/1725 en heeft op 3 maart 2023 een advies uitgebracht.
Amendement 26
Voorstel voor een verordening
Overweging 25 bis (nieuw)
(25 bis)  In lijn met het algemeen belang en de financiële belangen van de Unie genieten klokkenluiders een doeltreffende rechtsbescherming uit hoofde van Richtlijn (EU) 2019/1937 van het Europees Parlement en de Raad1bis.
__________________
1bis Richtlijn (EU) 2019/1937 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2019 inzake de bescherming van personen die inbreuken op het Unierecht melden (PB L 305 van 26.11.2019, blz. 17).
Amendement 27
Voorstel voor een verordening
Overweging 27 bis (nieuw)
(27 bis)  Artikel 36 van Verordening (EU) nr. 904/2010 werd gewijzigd om rekening te houden met de rol van Europol en OLAF. Ook de rol van het EOM moet hierin worden opgenomen. Zoals bepaald in artikel 13, lid 1, van Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad treden de gedelegeerd Europese aanklagers van het EOM namens het EOM op in hun respectieve lidstaten en hebben zij dezelfde bevoegdheden als nationale aanklagers met betrekking tot onderzoeken, strafvervolgingen en het voor de rechter brengen van zaken. In deze hoedanigheid kunnen zij de Eurofisc-verbindingsambtenaar in hun respectieve lidstaat benaderen. Zij moeten over dezelfde bevoegdheid beschikken in hun hoedanigheid van gedelegeerd Europese aanklager, in overeenstemming met artikel 43 van Verordening (EU) 2017/1939. Voor zover dit nodig is voor de uitoefening van de taken van het EOM, moet rechtstreekse verslaglegging van Eurofisc aan het EOM worden toegestaan. Ook moet een selectie van personeelsleden van het EOM Eurofisc om informatie kunnen verzoeken.
Amendement 28
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – titel
Wijzigingen van Verordening (EU) nr. 904/2010 die van toepassing zijn vanaf 1 januari 2025
Wijzigingen van Verordening (EU) nr. 904/2010 die van toepassing zijn vanaf 1 januari 2026
Amendement 29
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 bis (nieuw)
Verordening (EU) nr. 904/2010
Artikel 2 – lid 1 – punten v bis (nieuw), v ter (nieuw) en v quater (nieuw)
1 bis)  Aan artikel 2, lid 1, worden de volgende punten toegevoegd:
“v bis) “gedelegeerd Europese aanklagers”: gedelegeerd Europese aanklagers als bedoeld in artikel 13, lid 1, van Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad*;
v ter)  “personeel van het EOM”: personeel van het EOM in de zin van artikel 2, punt 4, van Verordening (EU) 2017/1939;
v quater)  “ambtenaren van OLAF”: ambtenaren in dienst van het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) zoals opgericht bij Besluit van de Commissie 1999/352/EG, EGKS, Euratom**, aan wie de directeur-generaal onderzoeksbevoegdheden heeft verleend.
__________________
*Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie (“EOM”) (PB L 283 van 31.10.2017).
** Besluit 1999/352/EG, EGKS, Euratom van de Commissie van 28 april 1999 houdende oprichting van het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) (PB L 136 van 31.5.1999, blz. 20).”;
Amendement 30
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 3 bis (nieuw)
Verordening (EU) nr. 904/2010
Artikel 17 – lid 1 bis (nieuw)
3 bis)  In artikel 17 wordt het volgende lid ingevoegd:
“1 bis. De in lid 1 bedoelde inlichtingen die worden verzameld door middel van e-facturering en e-aangifte worden niet buiten het grondgebied van de Unie opgeslagen.”;
Amendement 31
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 3 ter (nieuw)
Verordening (EU) nr. 904/2010
Artikel 33 – lid 1
3 ter)  In artikel 33 wordt lid 1 vervangen door:
1.  Om de multilaterale samenwerking bij de bestrijding van btw-fraude te bevorderen en te vergemakkelijken, wordt bij dit hoofdstuk een netwerk ingesteld voor de snelle uitwisseling, verwerking en analyse van doelgerichte inlichtingen over grensoverschrijdende fraude tussen de lidstaten en voor de coördinatie van eventuele vervolgacties, hierna “Eurofisc” genoemd.
“1. Om de multilaterale samenwerking bij de bestrijding van btw-fraude en de samenwerking tussen de lidstaten en het EOM, Europol en OLAF te bevorderen en te vergemakkelijken, wordt bij dit hoofdstuk een netwerk ingesteld voor de snelle uitwisseling, verwerking en analyse van doelgerichte inlichtingen over grensoverschrijdende fraude tussen de lidstaten en voor de coördinatie van eventuele vervolgacties, hierna “Eurofisc” genoemd.”;
Amendement 32
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 3 quater (nieuw)
Verordening (EU) nr. 904/2010
Artikel 33 – lid 2 – punt d bis (nieuw)
3 quater)   In artikel 33, lid 2, wordt het volgende punt ingevoegd:
“d bis) werken de lidstaten samen met het EOM, Europol en OLAF, overeenkomstig hun respectieve mandaten en bevoegdheden, en met name in overeenstemming met Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad*.
__________________
* Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 september 2013 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (Euratom) nr. 1074/1999 van de Raad (PB L 248 van 18.9.2013, blz. 1).”;
Amendement 33
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 3 quinquies (nieuw)
Verordening (EU) nr. 904/2010
Artikel 36 – lid 5 bis (nieuw)
3 quinquies)  In artikel 36 wordt het volgende lid ingevoegd:
“5 bis. Voor zover dit nodig is voor de uitoefening van hun taken, kunnen de gedelegeerd Europese aanklagers relevante inlichtingen opvragen bij een Eurofisc-werkterreincoördinator die in dezelfde lidstaat is gevestigd. Voor zover dit nodig is voor de uitvoering van hun taken, kunnen de relevante personeelsleden van het EOM inlichtingen opvragen bij een Eurofisc-werkterreincoördinator die gevestigd is in een lidstaat die deelneemt aan de nauwere samenwerking bij de instelling van het EOM als bedoeld in artikel 120 van Verordening (EU) 2017/1939. Eurofisc kan daartoe een werkafspraak maken met het EOM om te verduidelijken hoe de samenwerking tussen Eurofisc en het EOM zal verlopen.”;
Amendement 34
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 4
Verordening (EU) nr. 904/2010
Artikel 47 ter – lid 3
3.  Indien een belastingplichtige die gebruikmaakt van een van de bijzondere regelingen van titel XII, hoofdstuk 6, afdelingen 2, 3 en 5, van Richtlijn 2006/112/EG, van die bijzondere regeling wordt uitgesloten, stelt de lidstaat van identificatie de bevoegde autoriteiten van de andere lidstaten daarvan onverwijld en langs elektronische weg in kennis.”.
3.  Indien een belastingplichtige die gebruikmaakt van een van de bijzondere regelingen van titel XII, hoofdstuk 6, afdelingen 2, 3 en 5, van Richtlijn 2006/112/EG, van die bijzondere regeling wordt uitgesloten, stelt de lidstaat van identificatie de bevoegde autoriteiten van de andere lidstaten daarvan zo snel mogelijk en in ieder geval vóór de tiende dag van de daaropvolgende maand langs elektronische weg in kennis.”.
Amendement 35
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 5
Verordening (EU) nr. 904/2010
Artikel 47 quinquies – lid 2
2.  De lidstaat van identificatie zendt de in lid 1 bedoelde gegevens uiterlijk 20 dagen na het einde van de maand waarin de aangifte moest zijn ingediend, langs elektronische weg toe aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van verbruik of de lidstaten waaruit en waarnaar de goederen zijn verzonden of vervoerd.”.
2.  De lidstaat van identificatie zendt de in lid 1 bedoelde gegevens uiterlijk tien dagen na het einde van de maand waarin de aangifte moest zijn ingediend, langs elektronische weg toe aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van verbruik of de lidstaten waaruit en waarnaar de goederen zijn verzonden of vervoerd.”;
Amendement 36
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 7 – b
Verordening (EU) nr. 904/2010
Artikel 47 decies – lid 5
5.  Wanneer de verzoekende lidstaat van verbruik of lidstaat waaruit of waarnaar de goederen zijn verzonden of vervoerd, de boekhouding niet binnen 30 dagen na de datum van het verzoek ontvangt, kan die lidstaat in overeenstemming met zijn nationale wetgeving maatregelen nemen om die boekhouding te verkrijgen.”.
5.  Wanneer de verzoekende lidstaat van verbruik of lidstaat waaruit of waarnaar de goederen zijn verzonden of vervoerd, de boekhouding niet binnen 30 dagen na de datum van het verzoek ontvangt, kan die lidstaat in overeenstemming met zijn nationale wetgeving de redelijke administratieve maatregelen nemen die nodig zijn om die boekhouding te verkrijgen.”.
Amendement 37
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 8
Verordening (EU) nr. 904/2010
Artikel 47 undecies – lid 2
“2. Onverminderd artikel 7, lid 4, raadpleegt de lidstaat van verbruik of de lidstaat waaruit of waarnaar de goederen zijn verzonden of vervoerd, indien hij besluit dat een administratief onderzoek nodig is, eerst de lidstaat van identificatie over de noodzaak van een dergelijk onderzoek.”.
“2. Onverminderd artikel 7, lid 4, raadpleegt de lidstaat van verbruik of de lidstaat waaruit of waarnaar de goederen zijn verzonden of vervoerd, indien hij besluit dat een administratief onderzoek nodig is, eerst de lidstaat van identificatie over de noodzaak van een dergelijk onderzoek, waarna hij dit onderzoek uitvoert met inachtneming van het rechtskader van de betrokken lidstaten.”.
Amendement 38
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 10
Verordening (EU) nr. 904/2010
Artikel 47 terdecies bis – lid 3
3.  De lidstaten bepalen dat een belastingplichtige, indien hij daarom wordt verzocht, de gevraagde boekhouding langs elektronische weg indient bij de lidstaat waar de belastingplichtige voor btw-doeleinden is geïdentificeerd. De lidstaten aanvaarden dat de boekhouding door middel van een standaardformulier kan worden ingediend.
3.  De lidstaten bepalen dat een belastingplichtige, indien hij daarom wordt verzocht, de gevraagde boekhouding langs elektronische weg indient bij de lidstaat waar de belastingplichtige voor btw-doeleinden is geïdentificeerd. De lidstaten aanvaarden uitsluitend de indiening van de boekhouding door middel van een verplicht te gebruiken standaardformulier.
Amendement 39
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 10
Verordening (EU) nr. 904/2010
Artikel 47 terdecies bis – lid 5
5.  Wanneer de verzoekende lidstaat waar die prestaties belastbaar zijn, de boekhouding niet binnen 30 dagen na de datum van het verzoek ontvangt, kan die lidstaat in overeenstemming met zijn nationale wetgeving maatregelen nemen om die boekhouding te verkrijgen.
5.  Wanneer de verzoekende lidstaat waar die prestaties belastbaar zijn, de boekhouding niet binnen 30 dagen na de datum van het verzoek ontvangt, kan die lidstaat in overeenstemming met zijn nationale wetgeving de redelijke administratieve maatregelen nemen die nodig zijn om die boekhouding te verkrijgen.
Amendement 40
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 10
Verordening (EU) nr. 904/2010
Artikel 47 terdecies ter – alinea 2
Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 58, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.”.
Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 58, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld. De ontwerpuitvoeringshandelingen worden ter informatie doorgezonden aan het Europees Parlement, zodat het zijn rechten kan uitoefenen.”.
Amendement 41
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – titel
Wijzigingen van Verordening (EU) nr. 904/2010 die van toepassing zijn vanaf 1 januari 2026
Wijzigingen van Verordening (EU) nr. 904/2010 die van toepassing zijn vanaf 1 januari 2027
Amendement 42
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 3
Verordening (EU) nr. 904/2010
Artikel 24 octies – lid 1
1.  De Commissie verzorgt de ontwikkeling, het onderhoud, de hosting en het technische beheer van een centraal elektronisch systeem voor de uitwisseling van btw-informatie (“centraal VIES”) voor de in artikel 1 bedoelde doeleinden.
1.  De Commissie verzorgt de ontwikkeling, het onderhoud, de hosting en het technische beheer van een centraal elektronisch systeem voor de uitwisseling van btw-informatie (“centraal VIES”) voor de in artikel 1 bedoelde doeleinden. De Commissie heeft geen toegang tot de gegevens van individuele belastingplichtigen. De Commissie verleent technische ondersteuning voor het waarborgen van een beveiligde verbinding met het centrale VIES ten behoeve van de ambtenaren aan wie overeenkomstig artikel 24 duodecies, lid 1, geautomatiseerde toegang tot het centrale VIES is verleend.
Amendement 43
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 3
Verordening (EU) nr. 904/2010
Artikel 24 octies – lid 1 bis (nieuw)
1 bis.   Bij de installatie van het centrale VIES wordt een beroep gedaan op de beschikbare technologie die het meest geschikt is om de rechten van burgers als belastingplichtigen te waarborgen, met name het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, het recht op gegevensbescherming en het recht op bescherming van bedrijfsgeheimen, in overeenstemming met Richtlijn (EU) 2016/943 van het Europees Parlement en de Raad*. De Commissie beoordeelt regelmatig de doeltreffendheid van het centrale VIES en evalueert de toegevoegde waarde van het gebruik van nieuwe technologieën, waarbij zij ten volle samenwerkt met de nationale belastingautoriteiten.
__________________
* Richtlijn (EU) 2016/943 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende de bescherming van niet-openbaar gemaakte knowhow en bedrijfsinformatie (bedrijfsgeheimen) tegen het onrechtmatig verkrijgen, gebruiken en openbaar maken daarvan (PB L 157 van 15.6.2016, blz. 1).
Amendement 44
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 3
Verordening (EU) nr. 904/2010
Artikel 24 octies – lid 2 – alinea 1 – inleidende formule
Elke lidstaat verzorgt de ontwikkeling, het onderhoud, de hosting en het technische beheer van een nationaal elektronisch systeem om de volgende informatie automatisch door te zenden naar het centrale VIES:
Elke lidstaat verzorgt, met technische ondersteuning door de Commissie, de ontwikkeling, het onderhoud, de hosting en het technische beheer van een nationaal elektronisch systeem om de volgende informatie automatisch door te zenden naar het centrale VIES:
Amendement 45
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 3
Verordening (EU) nr. 904/2010
Artikel 24 octies – lid 2 – alinea 3
De Commissie bepaalt door middel van een uitvoeringshandeling de details en het formaat van de in dit lid genoemde informatie. Die uitvoeringshandeling wordt volgens de in artikel 58, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
De Commissie bepaalt door middel van een uitvoeringshandeling de details en het formaat van de in dit lid genoemde informatie. Die uitvoeringshandeling wordt volgens de in artikel 58, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld. De ontwerpuitvoeringshandeling wordt ter informatie doorgezonden aan het Europees Parlement, zodat het zijn rechten kan uitoefenen.
Amendement 46
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 3
Verordening (EU) nr. 904/2010
Artikel 24 octies – lid 3 bis (nieuw)
3 bis.  Met het oog op de samenwerking en uitwisseling als bedoeld in lid 2 ontwikkelt de Commissie beveiligde en betrouwbare software voor de verbinding van bedrijven en nationale overheden met het centrale VIES.
Amendement 47
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 3
Verordening (EU) nr. 904/2010
Artikel 24 octies – lid 3 ter (nieuw)
3 ter.   De Commissie ondersteunt de nationale belastingautoriteiten met financiële en personele middelen en technisch advies om te waarborgen dat de nationale elektronische systemen uiterlijk op 1 januari 2030 volledig operationeel zijn. Tijdens een overgangsperiode tot en met 1 januari 2030 beoordeelt de Commissie de doeltreffendheid van het centrale VIES en van de procedures voor de uitwisseling van inlichtingen.
Amendement 48
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 3
Verordening (EU) nr. 904/2010
Artikel 24 octies – lid 1 – alinea 2
De Commissie stelt door middel van een uitvoeringshandeling de criteria vast om te bepalen welke wijzigingen niet relevant, essentieel of nuttig genoeg zijn om te worden doorgezonden naar het centrale VIES. Die uitvoeringshandeling wordt volgens de in artikel 58, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
De Commissie stelt door middel van een uitvoeringshandeling de criteria vast om te bepalen welke wijzigingen niet relevant, essentieel of nuttig genoeg zijn om te worden doorgezonden naar het centrale VIES. Die uitvoeringshandeling wordt volgens de in artikel 58, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld. De ontwerpuitvoeringshandeling wordt ter informatie doorgezonden aan het Europees Parlement, zodat het zijn rechten kan uitoefenen.
Amendement 49
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 3
Verordening (EU) nr. 904/2010
Artikel 24 octies – lid 5
5.  In afwijking van lid 4 van dit artikel worden de in artikel 24 octies, lid 2, punt a), bedoelde inlichtingen in het centrale VIES opgenomen uiterlijk één dag nadat de door de belastingplichtige aan de bevoegde autoriteiten verstrekte inlichtingen zijn verzameld.
5.  De in artikel 24 octies, lid 2, punt a), bedoelde inlichtingen worden uiterlijk drie dagen nadat de door de belastingplichtige aan de bevoegde autoriteiten verstrekte inlichtingen zijn verzameld, in het centrale VIES opgenomen. Indien de inlichtingen later in het centrale VIES worden opgenomen, verstrekt de lidstaat de Commissie de redenen voor het overschrijden van deze termijn.
Amendement 50
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 3
Verordening (EU) nr. 904/2010
Artikel 24 undecies – alinea 1 – punt a
a)  het bewaren van de in de punten b), c) en d) van dit artikel en artikel 24 octies, lid 2, van deze verordening bedoelde informatie;
a)  het bewaren van de in de punten b), c) en d) van dit artikel en artikel 24 octies, lid 2, van deze verordening bedoelde informatie in een beveiligde, veerkrachtige en betrouwbare infrastructuur;
Amendement 51
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 3
Verordening (EU) nr. 904/2010
Artikel 24 undecies – alinea 1 – punt c – inleidende formule
c)  het aggregeren van overeenkomstig artikel 213 van Richtlijn 2006/112/EG verzamelde informatie over personen aan wie een btw-identificatienummer is toegekend, en het toegankelijk maken van de volgende gegevens voor de in artikel 24 duodecies bedoelde ambtenaren of elektronische systemen:
c)  het aggregeren van overeenkomstig artikel 213 van Richtlijn 2006/112/EG verzamelde informatie over personen aan wie een btw-identificatienummer is toegekend, en het toegankelijk maken van de volgende gegevens voor de in artikel 24 duodecies bedoelde ambtenaren of elektronische systemen in een beveiligd systeem dat de vertrouwelijkheid waarborgt:
Amendement 52
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 3
Verordening (EU) nr. 904/2010
Artikel 24 undecies – alinea 1 – punt e
e)  het toegankelijk maken van de in artikel 24 octies, lid 2, en in de punten b), c) en d) van dit artikel bedoelde informatie voor de in artikel 24 duodecies bedoelde ambtenaren of elektronische systemen.
e)  het toegankelijk maken van de in artikel 24 octies, lid 2, en in de punten b), c) en d) van dit artikel bedoelde informatie voor de in artikel 24 duodecies bedoelde ambtenaren of elektronische systemen, in een beveiligd systeem dat de vertrouwelijkheid waarborgt.
Amendement 53
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 3
Verordening (EU) nr. 904/2010
Artikel 24 duodecies – lid 1 – inleidende formule
1.  Elke lidstaat verleent geautomatiseerde toegang tot het centrale VIES aan:
1.  Elke lidstaat verleent, via een beveiligde centrale interface die de vertrouwelijkheid waarborgt, geautomatiseerde toegang tot het centrale VIES aan:
Amendement 54
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 3
Verordening (EU) nr. 904/2010
Artikel 24 duodecies – lid 1 – punt b bis (nieuw)
b bis)   gedelegeerd Europese aanklagers en relevante personeelsleden van het EOM die beschikken over een persoonlijke gebruikersidentificatie voor het centrale VIES, wanneer die toegang verband houdt met een onderzoek naar vermoedelijke btw-fraude of het opsporen van btw-fraude;
Amendement 55
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 3
Verordening (EU) nr. 904/2010
Artikel 24 duodecies – lid 1 – punt b ter (nieuw)
b ter)   de relevante ambtenaren van OLAF, wanneer die toegang verband houdt met een onderzoek naar een vermoeden van btw-fraude of tot doel heeft btw-fraude op te sporen;
Amendement 56
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 3
Verordening (EU) nr. 904/2010
Artikel 24 duodecies – lid 1 – punt b quater (nieuw)
b quater)  personeelsleden van Europol die samenwerken met het EOM in het kader van de op 19 januari 2021 in werking getreden werkregeling waarin afspraken voor samenwerking tussen het EOM en Europol zijn vastgelegd, wanneer het onderzoek erop gericht is enige vorm van zware georganiseerde of internationale criminaliteit of cybercriminaliteit die de financiële belangen van de Unie schaadt, te voorkomen en te bestrijden;
Amendement 57
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 3
Verordening (EU) nr. 904/2010
Artikel 24 duodecies – lid 2 – inleidende formule
2.  Elke lidstaat verleent geautomatiseerde toegang tot het centrale VIES aan:
2.  Elke lidstaat verleent, via een beveiligde centrale interface die de vertrouwelijkheid waarborgt, geautomatiseerde toegang tot het centrale VIES aan:
Amendement 58
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 3
Verordening (EU) nr. 904/2010
Artikel 24 duodecies – lid 2 – punt d
d)  de elektronische systemen voor de snelle uitwisseling, verwerking en analyse van doelgerichte inlichtingen over grensoverschrijdende fraude door Eurofisc.
d)  de elektronische systemen voor de snelle uitwisseling, verwerking en analyse van doelgerichte inlichtingen over grensoverschrijdende fraude door Eurofisc en het EOM.
Amendement 59
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 3
Verordening (EU) nr. 904/2010
Artikel 24 duodecies – lid 3 – alinea 2
Die uitvoeringshandeling wordt volgens de in artikel 58, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
Die uitvoeringshandeling wordt volgens de in artikel 58, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld. De ontwerpuitvoeringshandeling wordt ter informatie doorgezonden aan het Europees Parlement, zodat het zijn rechten kan uitoefenen.
Amendement 60
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 3
Verordening (EU) nr. 904/2010
Artikel 24 terdecies – alinea 2
Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 58, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 58, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld. De ontwerpuitvoeringshandelingen worden ter informatie doorgezonden aan het Europees Parlement, zodat het zijn rechten kan uitoefenen.
Amendement 61
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – alinea 1 – punt 3 – a
Verordening (EU) nr. 904/2010
Artikel 21 – lid 3
3.  De Commissie legt door middel van uitvoeringshandelingen de praktische details vast met betrekking tot de in lid 2 bis, punt d), van dit artikel bedoelde voorwaarden, zodat de lidstaat die de inlichtingen verschaft, kan bepalen welke Eurofisc-verbindingsambtenaar toegang heeft tot de inlichtingen. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 58, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
3.  De Commissie legt door middel van uitvoeringshandelingen de praktische details vast met betrekking tot de in lid 2 bis, punt d), van dit artikel bedoelde voorwaarden, zodat de lidstaat die de inlichtingen verschaft, kan bepalen welke Eurofisc-verbindingsambtenaar toegang heeft tot de inlichtingen. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 58, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld. De ontwerpuitvoeringshandelingen worden ter informatie doorgezonden aan het Europees Parlement, zodat het zijn rechten kan uitoefenen.
Amendement 62
Voorstel voor een verordening
Artikel 5 – alinea 2
Artikel 1 is van toepassing met ingang van 1 januari 2025.
Artikel 1 is van toepassing met ingang van 1 januari 2026.
Amendement 63
Voorstel voor een verordening
Artikel 5 – alinea 3
Artikel 2 is van toepassing met ingang van 1 januari 2026.
Artikel 2 is van toepassing met ingang van 1 januari 2027.

Btw: belastingplichtigen, bijzondere regeling en de bijzondere regeling voor de aangifte en de betaling in verband met afstandsverkopen van ingevoerde goederen
PDF 115kWORD 42k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 22 november 2023 over het voorstel voor een richtlijn van de Raad tot wijziging van Richtlijn 2006/112/EG wat betreft de btw-regels voor belastingplichtigen die afstandsverkopen van ingevoerde goederen faciliteren en de toepassing van de bijzondere regeling voor afstandsverkopen van uit derdelandsgebieden of derde landen ingevoerde goederen en van de bijzondere regeling voor de aangifte en de betaling van btw bij invoer (COM(2023)0262 – C9-0174/2023 – 2023/0158(CNS))
P9_TA(2023)0423A9-0320/2023

(Bijzondere wetgevingsprocedure – raadpleging)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan de Raad (COM(2023)0262),

–  gezien artikel 113 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C9‑0174/2023),

–  gezien artikel 82 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A9-0320/2023),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel;

2.  verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

3.  wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in de door het Parlement goedgekeurde tekst;

4.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de nationale parlementen.


Duurzaam gebruik van gewasbeschermingsmiddelen
PDF 119kWORD 46k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 22 november 2023 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake het duurzaam gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en tot wijziging van Verordening (EU) 2021/2115 (COM(2022)0305 – C9-0207/2022 – 2022/0196(COD))
P9_TA(2023)0424A9-0339/2023

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2022)0305),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 192, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C9‑0207/2022),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het gemotiveerde advies dat in het kader van protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid is uitgebracht door de Zweedse Rijksdag, en waarin wordt gesteld dat het ontwerp van wetgevingshandeling niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 14 december 2022(1),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio’s van 15 maart 2023(2),

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien de adviezen van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling en de Commissie ontwikkelingssamenwerking,

–  gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A9‑0339/2023),

1.  verwerpt het voorstel van de Commissie;

2.  verzoekt de Commissie haar voorstel in te trekken;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de nationale parlementen.

(1)PB C 100 van 16.3.2023, blz. 137
(2)PB C 188 van 30.5.2023, blz. 43.


Verpakkingen en verpakkingsafval
PDF 491kWORD 200k
Amendementen(1) van het Europees Parlement aangenomen op 22 november 2023 op het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende verpakkingen en verpakkingsafval, tot wijziging van Verordening (EU) 2019/1020 en Richtlijn (EU) 2019/904, en tot intrekking van Richtlijn 94/62/EG (COM(2022)0677 – C9-0400/2022 – 2022/0396(COD))(2)
P9_TA(2023)0425A9-0319/2023

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendement
Amendement 1
Voorstel voor een verordening
Overweging 1
(1)  Producten moeten worden verpakt zodat zij beschermd zijn en gemakkelijk kunnen worden vervoerd van de plaats waar zij worden gemaakt naar de plaats waar zij worden gebruikt of geconsumeerd. Voor de interne markt voor producten is het essentieel dat belemmeringen op de interne markt voor verpakkingen worden voorkomen. Versnipperde regelgeving en onduidelijke eisen leiden tot extra kosten voor de marktdeelnemers.
(1)  Producten moeten op de juiste manier worden verpakt zodat zij beschermd zijn en gemakkelijk kunnen worden vervoerd van de plaats waar zij worden gemaakt naar de plaats waar zij worden gebruikt of geconsumeerd. Voor de interne markt voor producten is het essentieel dat belemmeringen op de interne markt voor verpakkingen worden voorkomen. Versnipperde regelgeving en onduidelijke eisen leiden tot onzekerheid en extra kosten voor de marktdeelnemers.
Amendement 2
Voorstel voor een verordening
Overweging 2
(2)  Daarnaast worden veel nieuwe materialen in verpakkingen gebruikt (40 % van de in de Unie gebruikte kunststoffen en 50 % van het papier is bestemd voor verpakkingen) en zorgen verpakkingen voor 36 % van het vaste stedelijk afval30. Het feit dat veel verpakkingen worden geproduceerd en dat die productie doorlopend toeneemt, vormt, samen met het feit dat deze verpakkingen weinig worden hergebruikt en onvoldoende worden gerecycled, een grote belemmering voor de totstandkoming van een koolstofarme circulaire economie. Daarom moeten in deze verordening regels worden vastgesteld voor de gehele levenscyclus van verpakkingen, waarmee wordt bijgedragen tot een efficiënte werking van de interne markt door nationale maatregelen te harmoniseren en tegelijkertijd de negatieve effecten van verpakkingen en verpakkingsafval op het milieu en de gezondheid van de mens te voorkomen en te beperken. Door maatregelen af te stemmen op de afvalhiërarchie moet deze verordening bijdragen tot de transitie naar een circulaire economie.
(2)  Daarnaast worden veel nieuwe materialen in verpakkingen gebruikt (40 % van de in de Unie gebruikte kunststoffen en 50 % van het papier is bestemd voor verpakkingen) en zorgen verpakkingen voor 36 % van het vaste stedelijk afval30. Het feit dat veel verpakkingen worden geproduceerd en dat die productie doorlopend toeneemt, vormt, samen met het feit dat deze verpakkingen weinig worden hergebruikt en ingezameld en onvoldoende worden gerecycled, een grote belemmering voor de totstandkoming van een koolstofarme circulaire economie. Daarom moeten in deze verordening regels worden vastgesteld voor de gehele levenscyclus van verpakkingen, waarmee wordt bijgedragen tot een efficiënte werking van de interne markt door nationale maatregelen te harmoniseren en tegelijkertijd de negatieve effecten van verpakkingen en verpakkingsafval op het milieu en de gezondheid van de mens te voorkomen en te beperken. Door maatregelen af te stemmen op de afvalhiërarchie moet deze verordening bijdragen tot de transitie naar een circulaire economie.
__________________
__________________
30 Statistieken over verpakkingsafval van Eurostat: https://ec.europa.eu/eurostat/statistics-explained/index.php?title=Packaging_waste_statistics
30 Statistieken over verpakkingsafval van Eurostat: https://ec.europa.eu/eurostat/statistics-explained/index.php?title=Packaging_waste_statistics
Amendement 3
Voorstel voor een verordening
Overweging 5
(5)  Overeenkomstig de Green Deal33 wordt in het nieuwe actieplan voor de circulaire economie34 toegezegd de essentiële eisen voor verpakking te versterken om tegen 2030 alle verpakkingen herbruikbaar of recyclebaar te maken, en andere maatregelen te overwegen om (overtollige) verpakkingen en verpakkingsafval te verminderen, het ontwerp voor hergebruik en recyclebaarheid van verpakkingen te stimuleren, de complexiteit van verpakkingsmaterialen te verminderen en eisen in te voeren voor het gehalte aan gerecycled materiaal in kunststofverpakkingen. Ook moet de Commissie de haalbaarheid beoordelen van Uniebrede etikettering die de correcte scheiding van verpakkingsafval aan de bron vergemakkelijkt.
(5)  Overeenkomstig de Green Deal33 wordt in het nieuwe actieplan voor de circulaire economie34 toegezegd de essentiële eisen voor verpakking te versterken om tegen 2030 alle verpakkingen herbruikbaar of recyclebaar te maken, en andere maatregelen te overwegen om (overtollige) verpakkingen en verpakkingsafval te verminderen, het ontwerp voor hergebruik en recyclebaarheid van verpakkingen te stimuleren, de complexiteit van verpakkingsmaterialen te verminderen, eisen in te voeren voor het gehalte aan gerecycled materiaal in kunststofverpakkingen en te evalueren of eisen inzake het gehalte aan gerecycled materiaal nodig zijn voor verpakkingen van andere materialen dan kunststof. In het nieuwe actieplan staat dat voedselverspilling moet worden teruggedrongen en wordt aangedrongen op circulaire benaderingen van het gebruik van water, en staat dat de Commissie de haalbaarheid moet beoordelen van Uniebrede etikettering die de correcte scheiding van verpakkingsafval aan de bron vergemakkelijkt.
__________________
__________________
33 https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=COM%3A2019%3A640%3AFIN
33 https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=COM%3A2019%3A640%3AFIN
34 https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=COM:2020:98:FIN&WT.mc_id=Twitter
34 https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=COM:2020:98:FIN&WT.mc_id=Twitter
Amendement 4
Voorstel voor een verordening
Overweging 9 bis (nieuw)
(9 bis)  Deze verordening sluit aan bij de doelstellingen van ... [de voorgestelde richtlijn betreffende groene claims (2023/0085(COD))], en ... [de voorgestelde richtlijn ter versterking van de positie van de consument voor de groene transitie (2022/0092(COD))]. Zij beoogt duurzamere verpakkingsoplossingen te bevorderen en te ondersteunen die een bewezen alternatief vormen.
Amendement 5
Voorstel voor een verordening
Overweging 11
(11)  Een artikel dat integraal deel uitmaakt van een product en nodig is om dat product tijdens zijn levensduur te bevatten, te ondersteunen of te bewaren en waarvan alle elementen bedoeld zijn om samen gebruikt, verbruikt of verwijderd te worden, mag niet als verpakking worden beschouwd, aangezien de functie ervan intrinsiek verbonden is met het feit dat het deel uitmaakt van het product. Aangezien consumenten zakjes, pads en capsules voor koffie en thee doorgaans samen met de productresten verwijderen, waardoor de stromen van composteerbaar en recyclebaar afval verontreinigd raken, moeten die specifieke producten echter wel als verpakkingen worden behandeld. Dit is in overeenstemming met de doelstelling om de gescheiden inzameling van bioafval te bevorderen, zoals krachtens artikel 22 van Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad41 is vereist. Om de samenhang met de financiële en operationele verplichtingen aan het einde van de levensduur van producten te waarborgen, moeten alle zakjes, pads en capsules die nodig zijn om koffie of thee te bevatten als verpakking worden behandeld.
(11)  Een artikel dat integraal deel uitmaakt van een product en nodig is om dat product tijdens zijn levensduur te bevatten, te ondersteunen of te bewaren en waarvan alle elementen bedoeld zijn om samen gebruikt, verbruikt of verwijderd te worden, mag niet als verpakking worden beschouwd, aangezien de functie ervan intrinsiek verbonden is met het feit dat het deel uitmaakt van het product. Aangezien consumenten zakjes en “soft after-use”-systemen voor koffie en thee doorgaans samen met de productresten verwijderen, waardoor de stromen van composteerbaar en recyclebaar afval verontreinigd raken, moeten die specifieke producten echter wel als verpakkingen worden behandeld. Dit is in overeenstemming met de doelstelling om de gescheiden inzameling van bioafval te bevorderen, zoals krachtens artikel 22 van Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad41 is vereist. Om de samenhang met de financiële en operationele verplichtingen aan het einde van de levensduur van producten te waarborgen, moeten alle zakjes, pads en capsules die nodig zijn om koffie of thee te bevatten als verpakking worden behandeld.
__________________
__________________
41 Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen (PB L 312 van 22.11.2008, blz. 3).
41 Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen (PB L 312 van 22.11.2008, blz. 3).
Amendement 6
Voorstel voor een verordening
Overweging 12
(12)  Overeenkomstig de afvalhiërarchie van artikel 4, lid 2, van Richtlijn 2008/98/EG en de levenscyclusbenadering om over het geheel genomen het beste milieuresultaat op te leveren, wordt met de maatregelen van deze verordening beoogd om — zowel qua volume als qua gewicht — minder verpakkingen in de handel te brengen en de productie van verpakkingsafval te voorkomen, vooral door minimalisering van verpakkingen, het gebruik van verpakking te voorkomen waar dat niet nodig is en meer verpakkingen opnieuw te gebruiken. Daarnaast zijn de maatregelen erop gericht meer gerecycled materiaal in verpakkingen te gebruiken, vooral in kunststofverpakkingen, waarin tot dusverre erg weinig gerecycled materiaal wordt gebruikt, een groter aandeel van verpakkingen te recyclen en de kwaliteit van de daaruit voortvloeiende secundaire grondstoffen te verhogen, en tegelijkertijd andere vormen van terugwinning en definitieve verwijdering te beperken.
(12)  Overeenkomstig de afvalhiërarchie van artikel 4, lid 2, van Richtlijn 2008/98/EG en de levenscyclusbenadering om over het geheel genomen het beste milieuresultaat op te leveren, wordt met de maatregelen van deze verordening beoogd om — zowel qua volume als qua gewicht — minder verpakkingen in de handel te brengen en de productie van verpakkingsafval te voorkomen, vooral door minimalisering van verpakkingen, het gebruik van verpakking te voorkomen waar dat niet nodig is en meer verpakkingen opnieuw te gebruiken. Daarnaast zijn de maatregelen erop gericht meer gerecycled materiaal in verpakkingen te gebruiken, met name in kunststofverpakkingen, waarin tot dusverre erg weinig gerecycled materiaal wordt gebruikt, door hoogwaardige recyclingsystemen te versterken en zo een groter aandeel van verpakkingen te recyclen en de kwaliteit van de daaruit voortvloeiende secundaire grondstoffen te verbeteren, en tegelijkertijd andere vormen van terugwinning en definitieve verwijdering te beperken.
Amendement 7
Voorstel voor een verordening
Overweging 12 bis (nieuw)
(12 bis)  In overeenstemming met de afvalhiërarchie, waarbinnen het storten van afval als minst wenselijke optie wordt aangemerkt, moeten de maatregelen uit hoofde van de Verordening worden aangevuld met een herziening van Richtlijn 1999/31/EG van de Raad1bis om de praktijk van het storten van verpakkingsafval versneld af te schaffen.
___________________________
1bis Richtlijn 1999/31/EG van de Raad van 26 april 1999 betreffende het storten van afvalstoffen (PB L 182 van 16.7.1999, blz. 1).
Amendement 8
Voorstel voor een verordening
Overweging 13
(13)  Verpakkingen moeten zodanig worden ontworpen, geproduceerd en aangeboden dat zij kunnen worden hergebruikt of gerecycled en dat de milieueffecten gedurende de gehele levenscyclus van de verpakking en het product waarvoor de verpakking is ontworpen, tot een minimum worden beperkt.
(13)  Verpakkingen moeten zodanig worden ontworpen, geproduceerd en aangeboden dat zij zo vaak mogelijk kunnen worden hergebruikt of gerecycled en dat de milieueffecten gedurende de gehele levenscyclus van de verpakking en het product waarvoor de verpakking is ontworpen, tot een minimum worden beperkt. De Commissie moet de bevoegdheid hebben overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen om deze verordening aan te vullen middels de vaststelling van een minimumaantal omlopen voor hergebruik van verpakkingen voor specifieke verpakkingscategorieën.
Amendement 9
Voorstel voor een verordening
Overweging 15 bis (nieuw)
(15 bis)  Poly- en perfluoralkylstoffen (PFAS) vormen volgens de definities van de OESO uit 2018 een grote familie van meer dan 4 700 door de mens gemaakte chemische stoffen1bis. Sinds de opkomst ervan in de jaren veertig worden PFAS gebruikt in een steeds breder scala van consumentenproducten en industriële toepassingen, van levensmiddelenverpakkingen en kleding tot elektronica, luchtvaart en brandblusschuim. Ze staan bekend om hun vermogen om vet en water af te stoten en om hun hoge stabiliteit en sterke weerstand tegen hoge temperaturen, die te danken zijn aan fluorkoolstofverbindingen. Deze verbindingen zijn ook verantwoordelijk voor hun extreem trage afbreekbaarheid in het milieu. De PFAS waarnaar het meeste onderzoek is gedaan, worden in verband gebracht met allerlei negatieve effecten voor de gezondheid1ter, waaronder schildklieraandoeningen, schade aan de lever, een laag geboortegewicht, zwaarlijvigheid, diabetes, hypercholesterolemie en een verminderde reactie op routinevaccinaties, en ook met een verhoogde kans op borst-, nier- en teelbalkanker.
Amendement 10
Voorstel voor een verordening
Overweging 15 ter (nieuw)
(15 ter)  Op 27 mei 2020 publiceerde Denemarken in zijn officiële staatsblad (Lovtidende A) Decreet nr. 681 van 25 mei 2020 betreffende materiaal dat in contact komt met levensmiddelen en een strafwetboek voor de schending van daarmee verband houdende EU-handelingen, op grond waarvan het gebruik van PFAS-chemicaliën in materialen en artikelen van papier en karton die in aanraking komen met levensmiddelen wordt verboden. In navolging van dit voorbeeld, met het oog op de schadelijke effecten van PFAS op de volksgezondheid en het milieu en in afwachting van het advies van het ECHA inzake een breder verbod op PFAS voor alle verpakkingen en voor andere sectoren, moeten er geen levensmiddelenverpakkingen van papier en karton die opzettelijke toegevoegde PFAS bevatten meer in de handel worden gebracht in de Unie.
Amendement 11
Voorstel voor een verordening
Overweging 15 quater (nieuw)
(15 quater)  Bisfenol A (BPA) is een chemische verbinding die gebruikt wordt bij de productie van materialen die in contact komen met levensmiddelen, zoals herbruikbaar plastic tafelgerei en bekledingen van blikjes, voornamelijk als beschermingslaag. BPA-residuen kunnen naar levensmiddelen en dranken migreren en door consumenten worden ingeslikt. BPA van andere bronnen dan levensmiddelen, waaronder thermisch kopieerpapier, cosmetica en stof, kunnen via de huid en door inademing worden geabsorbeerd.
Amendement 12
Voorstel voor een verordening
Overweging 15 quinquies (nieuw)
(15 quinquies)  In een in januari 2015 gepubliceerd wetenschappelijk advies1bis en in het licht van de beschikbaarheid van nieuwe gegevens hebben deskundigengroepen van de EFSA aangegeven dat blootstelling aan bisfenol A waarschijnlijk negatieve gevolgen heeft voor de nieren en de lever. De bevindingen hebben de deskundigen van de EFSA ertoe gebracht het veilige niveau van BPA te reduceren van 50 microgram per kilogram lichaamsgewicht per dag (mg/kg lichaamsgewicht/dag) naar 4 mg/kg lichaamsgewicht/dag.
__________________
1bis https://www.efsa.europa.eu/en/efsajournal/pub/3978
Amendement 13
Voorstel voor een verordening
Overweging 15 sexies (nieuw)
(15 sexies)  Gezien het gevaar naar aanleiding van de aanwezigheid van bisfenol A en het risico van migratie naar levensmiddelen moet de aanwezigheid van opzettelijke toegevoegd BPA in verpakkingen die in contact komen met levensmiddelen, worden verboden.
Amendement 14
Voorstel voor een verordening
Overweging 19
(19)  Behalve de beperkingen voor lood, cadmium, kwik en zeswaardig chroom die reeds waren vastgesteld uit hoofde van Richtlijn 94/62/EG en moeten worden gehandhaafd in het kader van deze verordening, mag de beperking van stoffen omwille van de chemische veiligheid of de voedselveiligheid niet krachtens deze verordening mogelijk worden gemaakt, aangezien dergelijke beperkingen in het kader van andere Uniewetgeving worden aangepakt. Deze verordening moet echter voorzien in de mogelijkheid om, met name vanwege andere redenen dan de chemische of voedselveiligheid, stoffen te beperken die in verpakkingen en verpakkingsonderdelen of de productieprocessen daarvan worden gebruikt en die negatieve gevolgen hebben voor de duurzaamheid van verpakkingen, vooral wat betreft de circulariteit, en met name het hergebruik of de recycling, van die verpakkingen.
(19)  Onverminderd de beperking van PFAS en bisfenol A mag de beperking van stoffen omwille van de chemische veiligheid of de voedselveiligheid krachtens deze verordening alleen mogelijk worden gemaakt als sprake is van een onaanvaardbaar risico voor de volksgezondheid of het milieu, zoals onder meer, maar niet uitsluitend, de beperkingen voor lood, cadmium, kwik en zeswaardig chroom, waarvoor reeds beperkingen zijn vastgesteld uit hoofde van Richtlijn 94/62/EG die moeten worden gehandhaafd in het kader van deze verordening, aangezien dergelijke beperkingen in het kader van andere Uniewetgeving worden aangepakt. Deze verordening moet ook voorzien in de mogelijkheid om stoffen te beperken die in verpakkingen en verpakkingsonderdelen of de productieprocessen daarvan worden gebruikt en die negatieve gevolgen hebben voor de duurzaamheid van verpakkingen, vooral wat betreft de circulariteit, en met name hergebruik- of recyclingprocessen, van die verpakkingen.
Amendement 15
Voorstel voor een verordening
Overweging 23
(23)  Om innovatie op het gebied van verpakkingen te stimuleren, moet het toegestaan zijn dat voor verpakkingen met innovatieve kenmerken die leiden tot een aanzienlijke verbetering van de kernfunctie van verpakkingen en aantoonbare milieuvoordelen opleveren een beperkte extra periode van vijf jaar wordt geboden om aan de eisen inzake recyclebaarheid te voldoen. Die innovatieve kenmerken moeten worden toegelicht in de technische documentatie bij de verpakking.
(23)  Om innovatie op het gebied van verpakkingen te stimuleren, moet het toegestaan zijn dat voor verpakkingen met innovatieve kenmerken die leiden tot een aanzienlijke verbetering van de kernfunctie van verpakkingen en aantoonbare milieuvoordelen opleveren een beperkte extra periode van vijf jaar wordt geboden om aan de eisen inzake recyclebaarheid te voldoen. Die innovatieve kenmerken moeten worden gemotiveerd, met name op grond van het gebruik van nieuwe of innovatieve materialen, en worden toegelicht in de technische documentatie bij de verpakking.
Amendement 16
Voorstel voor een verordening
Overweging 24
(24)  Om de gezondheid en veiligheid van mens en dier te beschermen en vanwege de aard van de verpakte producten en de daaruit voortvloeiende eisen, mogen de eisen inzake recyclebaarheid niet gelden voor primaire verpakkingen als gedefinieerd in artikel 1 van Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad50 en artikel 4, punt 25, van Verordening (EU) 2019/6 van het Europees Parlement en de Raad51 die rechtstreeks met het geneesmiddel in contact staan, voor contactgevoelige kunststofverpakkingen van medische hulpmiddelen die onder Verordening (EU) 2017/745 van het Europees Parlement en de Raad52 vallen, of voor medische hulpmiddelen voor in-vitrodiagnostiek die onder Verordening (EU) 2017/746 van het Europees Parlement en de Raad53 vallen. Deze vrijstellingen moeten tot en met 1 januari 2035 van toepassing zijn.
(24)  Om de gezondheid en veiligheid van mens en dier te beschermen en vanwege de aard van de verpakte producten en de daaruit voortvloeiende eisen, mogen de eisen inzake recyclebaarheid niet gelden voor primaire verpakkingen als gedefinieerd in artikel 1 van Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad50 en artikel 4, punt 25, van Verordening (EU) 2019/6 van het Europees Parlement en de Raad51 die rechtstreeks met het geneesmiddel in contact staan, voor contactgevoelige kunststofverpakkingen van medische hulpmiddelen die onder Verordening (EU) 2017/745 van het Europees Parlement en de Raad52 vallen, of voor medische hulpmiddelen voor in-vitrodiagnostiek die onder Verordening (EU) 2017/746 van het Europees Parlement en de Raad53 vallen, voor contactgevoelige kunststofverpakkingen voor levensmiddelen die zijn bedoeld voor zuigelingen en peuters en voeding voor speciale medische doeleinden die onder Verordening (EU) nr. 609/2013 van het Europees Parlement en de Raad53bis vallen, en voor verpakkingen van benodigdheden, bestanddelen, en onmiddellijke verpakkingsonderdelen voor de vervaardiging van geneesmiddelen krachtens Richtlijn 2001/83/EG en diergeneesmiddelen krachtens Verordening (EU) 2019/6, wanneer dergelijke verpakkingen nodig zijn om te voldoen aan de kwaliteitsnormen van het geneesmiddel. Deze vrijstellingen moeten tot en met 1 januari 2035 van toepassing zijn.
__________________
__________________
50 Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik (PB L 311 van 28.11.2001, blz. 67).
50 Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik (PB L 311 van 28.11.2001, blz. 67).
51 Verordening (EU) 2019/6 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 betreffende diergeneesmiddelen en tot intrekking van Richtlijn 2001/82/EG (PB L 4 van 7.1.2019, blz. 43).
51 Verordening (EU) 2019/6 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 betreffende diergeneesmiddelen en tot intrekking van Richtlijn 2001/82/EG (PB L 4 van 7.1.2019, blz. 43).
52 Verordening (EU) 2017/745 van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2017 betreffende medische hulpmiddelen, tot wijziging van Richtlijn 2001/83/EG, Verordening (EG) nr. 178/2002 en Verordening (EG) nr. 1223/2009, en tot intrekking van Richtlijnen 90/385/EEG en 93/42/EEG van de Raad (PB L 117 van 5.5.2017, blz. 1).
52 Verordening (EU) 2017/745 van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2017 betreffende medische hulpmiddelen, tot wijziging van Richtlijn 2001/83/EG, Verordening (EG) nr. 178/2002 en Verordening (EG) nr. 1223/2009, en tot intrekking van Richtlijnen 90/385/EEG en 93/42/EEG van de Raad (PB L 117 van 5.5.2017, blz. 1).
53 Verordening (EU) 2017/746 van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2017 betreffende medische hulpmiddelen voor in-vitrodiagnostiek en tot intrekking van Richtlijn 98/79/EG en Besluit 2010/227/EU van de Commissie (PB L 117 van 5.5.2017, blz. 176).
53 Verordening (EU) 2017/746 van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2017 betreffende medische hulpmiddelen voor in-vitrodiagnostiek en tot intrekking van Richtlijn 98/79/EG en Besluit 2010/227/EU van de Commissie (PB L 117 van 5.5.2017, blz. 176).
53bis Verordening (EU) nr. 609/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 12 juni 2013 inzake voor zuigelingen en peuters bedoelde levensmiddelen, voeding voor medisch gebruik en de dagelijkse voeding volledig vervangende producten voor gewichtsbeheersing, en tot intrekking van Richtlijn 92/52/EEG van de Raad, Richtlijnen 96/8/EG, 1999/21/EG, 2006/125/EG en 2006/141/EG van de Commissie, Richtlijn 2009/39/EG van het Europees Parlement en de Raad en de Verordeningen (EG) nr. 41/2009 en (EG) nr. 953/2009 van de Commissie (PB L 181 van 29.6.2013, blz. 35).
Amendement 17
Voorstel voor een verordening
Overweging 25
(25)  Sommige lidstaten ondernemen actie om de recyclebaarheid van verpakkingen aan te moedigen door afstemming van de vergoedingen voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid; dergelijke initiatieven op nationaal niveau kunnen voor onzekerheid onder marktdeelnemers zorgen over de regelgeving, met name wanneer zij verpakkingen in verschillende lidstaten leveren. Tegelijkertijd is de afstemming van vergoedingen voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid een doeltreffend economisch instrument om een duurzamer ontwerp van verpakkingen te stimuleren, hetgeen leidt tot verpakkingen die beter te recyclen zijn en een betere werking van de interne markt. Daarom moeten de criteria voor afstemming van vergoedingen voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid op basis van de door de beoordeling van de recyclebaarheid verkregen prestatieklasse voor recyclebaarheid worden geharmoniseerd, zonder de exacte bedragen voor die vergoedingen vast te stellen. Aangezien die criteria verband moeten houden met de criteria inzake recyclebaarheid, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om dergelijke geharmoniseerde criteria vast te stellen samen met de gedetailleerde ontwerpcriteria voor recyclebaarheid per verpakkingscategorie.
(25)  Sommige lidstaten ondernemen actie om de recyclebaarheid van verpakkingen aan te moedigen door afstemming van de vergoedingen voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid; dergelijke initiatieven op nationaal niveau kunnen voor onzekerheid onder marktdeelnemers zorgen over de regelgeving, met name wanneer zij verpakkingen in verschillende lidstaten leveren. Tegelijkertijd is de afstemming van vergoedingen voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid een doeltreffend economisch instrument om een duurzamer ontwerp van verpakkingen te stimuleren, hetgeen leidt tot verpakkingen die beter te recyclen zijn en een betere werking van de interne markt. Daarom moeten de criteria voor afstemming van vergoedingen voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid op basis van de door de beoordeling van de recyclebaarheid verkregen prestatieklasse voor recyclebaarheid worden geharmoniseerd, zonder de exacte bedragen voor die vergoedingen vast te stellen. Verder moet gewaarborgd worden dat die vergoedingen worden bestemd voor de financiering van de nettokosten van de inzameling, sortering en recycling van verpakkingen. Aangezien die criteria verband moeten houden met de criteria inzake recyclebaarheid, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om dergelijke geharmoniseerde criteria vast te stellen samen met de gedetailleerde ontwerpcriteria voor recyclebaarheid per verpakkingscategorie.
Amendement 18
Voorstel voor een verordening
Overweging 28
(28)  Om overeenkomstig de voorschriften van de Uniewetgeving een hoog niveau van bescherming van de gezondheid van mens en dier te waarborgen en om risico’s voor de voorzieningszekerheid en de veiligheid van geneesmiddelen en medische hulpmiddelen te voorkomen, moeten primaire verpakkingen als gedefinieerd in artikel 1, punt 23, van Richtlijn 2001/83/EG en artikel 4, punt 25, van Verordening (EU) 2019/6, contactgevoelige kunststofverpakkingen van medische hulpmiddelen die onder Verordening (EU) 2017/745 vallen en contactgevoelige verpakkingen van medische hulpmiddelen voor in-vitrodiagnostiek die onder Verordening (EU) 2017/746 vallen, worden vrijgesteld van de verplichting inzake een minimumgehalte aan gerecycled materiaal in kunststofverpakkingen. Deze vrijstelling moet ook gelden voor de buitenverpakking van geneesmiddelen voor menselijk en diergeneeskundig gebruik als gedefinieerd in artikel 1, punt 24, van Richtlijn 2001/83/EG en in artikel 4, punt 26, van Verordening (EU) 2019/6, in gevallen waarin die verpakking moet voldoen aan specifieke eisen om de kwaliteit van het geneesmiddel te behouden.
(28)  Om overeenkomstig de voorschriften van de Uniewetgeving een hoog niveau van bescherming van de gezondheid van mens en dier te waarborgen en om risico’s voor de voorzieningszekerheid en de veiligheid van geneesmiddelen en medische hulpmiddelen te voorkomen, moeten primaire verpakkingen als gedefinieerd in artikel 1, punt 23, van Richtlijn 2001/83/EG en artikel 4, punt 25, van Verordening (EU) 2019/6, contactgevoelige kunststofverpakkingen van medische hulpmiddelen die onder Verordening (EU) 2017/745 vallen, contactgevoelige verpakkingen van medische hulpmiddelen voor in-vitrodiagnostiek die onder Verordening (EU) 2017/746 vallen en contactgevoelige kunststofverpakkingen voor levensmiddelen die zijn bedoeld voor zuigelingen en peuters en voeding voor bijzondere medische doeleinden die onder Verordening (EU) nr. 609/2013 vallen, worden vrijgesteld van de verplichting inzake een minimumgehalte aan gerecycled materiaal in kunststofverpakkingen. Deze vrijstelling moet ook gelden voor de buitenverpakking van geneesmiddelen voor menselijk en diergeneeskundig gebruik als gedefinieerd in artikel 1, punt 24, van Richtlijn 2001/83/EG en in artikel 4, punt 26, van Verordening (EU) 2019/6, in gevallen waarin die verpakking moet voldoen aan specifieke eisen om de kwaliteit van het geneesmiddel te behouden. Tot slot moet die vrijstelling gelden voor inkt, kleefstoffen, verf, vernis en lak die op verpakkingen worden gebruikt, en voor elk kunststof deel dat minder dan 5 % van het totale gewicht van de volledige verpakkingseenheid uitmaakt.
Amendement 19
Voorstel voor een verordening
Overweging 28 bis (nieuw)
(28 bis)  Om de in deze verordening vermelde streefcijfers voor het gebruik van gerecycled materiaal te verwezenlijken, moet de Commissie uiterlijk op 31 december 2025 een verslag publiceren met een beoordeling van de mogelijkheid om streefcijfers vast te stellen voor het gebruik van biogebaseerde grondstoffen voor plastic in verpakkingen, teneinde het streefcijfer te verwezenlijken tot maximaal 50 %, op basis van duurzaamheidsvereisten.
Amendement 20
Voorstel voor een verordening
Overweging 29
(29)  Om belemmeringen voor de interne markt te voorkomen en de doeltreffende uitvoering van de verplichtingen te waarborgen, moeten marktdeelnemers ervoor zorgen dat het kunststofdeel van elke verpakkingseenheid een bepaald percentage gerecycled materiaal bevat dat na consumptie is teruggewonnen uit kunststofafval.
(29)  Om belemmeringen voor de interne markt te voorkomen en de doeltreffende uitvoering van de verplichtingen te waarborgen, moeten marktdeelnemers ervoor zorgen dat kunststofverpakkingen, gemiddeld per formaat, per fabriek, en per jaar, een bepaald percentage gerecycled materiaal bevatten dat na consumptie is teruggewonnen uit kunststofafval.
Amendement 21
Voorstel voor een verordening
Overweging 31
(31)  Om te waarborgen dat de voorwaarden voor de uitvoering van de regels voor de berekening en beoordeling van kunststofafval na consumptie per verpakkingseenheid, voor het aanwezige gehalte aan gerecycled materiaal uit kunststofafval na consumptie en voor het vaststellen van het formaat van de technische documentatie uniform zijn, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad55 uitvoeringsbepalingen vast te stellen.
(31)  Om te waarborgen dat de voorwaarden voor de uitvoering van de regels voor de berekening en beoordeling van kunststofafval na consumptie in het verpakkingsformaat, per fabriek, en per jaar, voor het aanwezige gehalte aan gerecycled materiaal uit kunststofafval na consumptie, met inachtneming van de milieueffecten van het recyclingproces, en voor het vaststellen van het formaat van de technische documentatie uniform zijn, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad55 uitvoeringsbepalingen vast te stellen.
__________________
__________________
55 Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).
55 Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).
Amendement 22
Voorstel voor een verordening
Overweging 33
(33)  Om rekening te houden met de risico’s in verband met een mogelijk ontoereikend aanbod van een specifieke soort kunststofafval voor recycling, dat zou kunnen leiden tot buitensporige prijzen of negatieve gevolgen voor de gezondheid, de veiligheid en het milieu, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om uit hoofde van artikel 290 van het Verdrag handelingen vast te stellen om de streefcijfers voor het verplichte gehalte aan gerecycled materiaal in kunststofverpakkingen tijdelijk te wijzigen. Wanneer de Commissie beoordeelt of een dergelijke gedelegeerde handeling gerechtvaardigd is, moet zij naar behoren gemotiveerde verzoeken van natuurlijke en rechtspersonen beoordelen.
(33)  Aan de Commissie moet de bevoegdheid worden overgedragen om uit hoofde van artikel 290 van het Verdrag handelingen vast te stellen om de streefcijfers voor het verplichte gehalte aan gerecycled materiaal in kunststofverpakkingen te wijzigen. Wanneer de Commissie beoordeelt of een dergelijke gedelegeerde handeling gerechtvaardigd is, moet zij naar behoren gemotiveerde verzoeken van natuurlijke en rechtspersonen beoordelen.
Amendement 23
Voorstel voor een verordening
Overweging 33 bis (nieuw)
(33 bis)  De Uniemarkt voor verpakkingsrecycling moet worden versterkt teneinde het recyclingpercentage te verhogen, te voorkomen dat afval op stortplaatsen terechtkomt en de export van afval naar derde landen tot een minimum te beperken. De ontwikkeling van recyclingcapaciteiten in de Unie moet plaatsvinden in samenwerking met alle marktdeelnemers en segmenten van de sector, en zijn gebaseerd op een gereguleerde waardeketen die kwaliteitscontroles, kwaliteitsborging, certificering, logistiek en prijsstelling mogelijk maakt.
Amendement 24
Voorstel voor een verordening
Overweging 35
(35)  De bioafvalstroom is vaak verontreinigd met conventionele kunststoffen en de materiaalrecyclingstromen zijn vaak verontreinigd met composteerbare kunststoffen. Deze kruisverontreiniging leidt tot verspilling van hulpbronnen en tot een lagere kwaliteit van secundaire grondstoffen, en moet daarom bij de bron worden voorkomen. Aangezien het voor consumenten steeds onduidelijker wordt waar zij afval moeten verwijderen, is het gerechtvaardigd en noodzakelijk duidelijke en gemeenschappelijke voorschriften voor het gebruik van composteerbare kunststofverpakkingen vast te stellen, en deze alleen verplicht te stellen wanneer het gebruik ervan duidelijke voordelen voor het milieu en de gezondheid van de mens oplevert. Dit is met name het geval wanneer het gebruik van composteerbare verpakkingen bijdraagt tot het inzamelen of verwijderen van bioafval.
(35)  De bioafvalstroom is vaak verontreinigd met conventionele kunststoffen en de materiaalrecyclingstromen zijn vaak verontreinigd met composteerbare kunststoffen. Deze kruisverontreiniging leidt tot verspilling van hulpbronnen en tot een lagere kwaliteit van secundaire grondstoffen, en moet daarom bij de bron worden voorkomen. Aangezien het voor consumenten steeds onduidelijker wordt waar zij afval moeten verwijderen, is het gerechtvaardigd en noodzakelijk duidelijke en gemeenschappelijke voorschriften voor het gebruik van composteerbare kunststofverpakkingen vast te stellen, en deze alleen verplicht te stellen wanneer het gebruik ervan duidelijke voordelen voor het milieu en de gezondheid van de mens oplevert. Dit is met name het geval wanneer het gebruik van composteerbare verpakkingen bijdraagt tot het inzamelen of verwijderen van bioafval, bijvoorbeeld bij producten waarvoor het scheiden van de inhoud en de verpakking bijzonder complex is, zoals theezakjes.
Amendement 25
Voorstel voor een verordening
Overweging 36
(36)  Voor een beperkt aantal verpakkingstoepassingen van biologisch afbreekbare kunststofpolymeren levert het gebruik van composteerbare verpakkingen aantoonbaar milieuvoordelen op als die verpakkingen onder gecontroleerde omstandigheden composteerinstallaties, waaronder installaties voor anaerobe vergisting, binnenkomen. Indien in een lidstaat passende afvalinzamelingsregelingen en afvalverwerkingsinfrastructuur beschikbaar zijn, moet er bovendien beperkte flexibiliteit zijn om te beslissen of het gebruik van composteerbare kunststoffen voor lichte plastic draagtassen op het grondgebied van die lidstaat al dan niet verplicht wordt gesteld. Om verwarring onder consumenten over de juiste verwijdering te voorkomen en rekening te houden met de milieuvoordelen van circulariteit van koolstof, moet het materiaal van alle andere kunststofverpakkingen worden gerecycled en moet er met het ontwerp daarvan voor worden gezorgd dat dit geen afbreuk doet aan de recyclebaarheid van ander afvalstromen.
(36)  Voor een beperkt aantal verpakkingstoepassingen van biologisch afbreekbare kunststofpolymeren levert het gebruik van composteerbare verpakkingen aantoonbaar milieuvoordelen op als die verpakkingen onder gecontroleerde omstandigheden composteerinstallaties, waaronder installaties voor anaerobe vergisting, binnenkomen. Daarnaast moet biologisch afbreekbaar afval niet leiden tot de aanwezigheid van verontreinigingen in de compost. Ter bevordering van het gebruik van composteerbare verpakkingen dat bijdraagt tot het inzamelen of verwijderen van bioafval moeten de eisen van EN 13432 “Verpakking – Eisen voor verpakking terugwinbaar door compostering en biodegradatie – Beproevingsschema en evaluatiecriteria voor de eindacceptatie van verpakking” worden herzien met betrekking tot de composteertijden, de toegestane niveaus van verontreiniging en de beperkingen van de hoeveelheden microplastics die vrijkomen om deze materialen op passende wijze te kunnen verwerken in installaties voor de verwerking van bioafval. Daarnaast moet er in de Unie een vergelijkbare norm worden vastgesteld voor thuiscompostering.
Amendement 26
Voorstel voor een verordening
Overweging 40
(40)  Verpakkingen moeten worden ontworpen op een manier waarmee het volume en gewicht ervan tot een minimum worden beperkt zonder dat dit afdoet aan de verpakkingsfunctie ervan. De fabrikant van de verpakking moet de verpakking beoordelen aan de hand van de in bijlage IV bij deze verordening opgenomen prestatiecriteria. Gezien de doelstelling van deze verordening om de productie van verpakkingen en verpakkingsafval te verminderen en de circulariteit van verpakkingen op de hele interne markt te verbeteren, moeten de bestaande criteria nader worden gespecificeerd en strikter worden gemaakt. De lijst van prestatiecriteria voor verpakkingen als opgenomen in de bestaande geharmoniseerde norm EN 13428:200057 moet daarom worden gewijzigd. Hoewel marketing en aanvaarding door de consument relevant blijven voor het ontwerp van verpakkingen, mogen zij geen prestatiecriteria zijn waarmee zwaardere en grotere verpakkingen zouden worden gerechtvaardigd. Dit mag echter geen afbreuk doen aan productspecificaties voor ambachtelijke en industriële producten en levensmiddelen en landbouwproducten die zijn geregistreerd en beschermd in het kader van de EU-regeling voor de bescherming van geografische aanduidingen als onderdeel van de doelstelling van de Unie om cultureel erfgoed en traditionele kennis te beschermen. Recyclebaarheid, het gebruik van gerecycled materiaal en hergebruik kunnen echter het gebruik van zwaardere of grotere verpakkingen rechtvaardigen, en moeten daarom aan de prestatiecriteria worden toegevoegd. Verpakkingen met een dubbele laag, valse bodems of andere kenmerken die uitsluitend zijn bedoeld de indruk van een groter productvolume te wekken, mogen niet in de handel worden gebracht, aangezien zij niet voldoen aan de eis om de verpakking tot een minimum te beperken. Voor overbodige verpakkingen die niet noodzakelijk zijn om de verpakkingsfunctie te waarborgen, moet hetzelfde gelden.
(40)  Verpakkingen moeten worden ontworpen op een manier waarmee het volume en gewicht ervan tot een minimum worden beperkt zonder dat dit afdoet aan de verpakkingsfunctie ervan. De fabrikant van de verpakking moet de verpakking beoordelen aan de hand van de in bijlage IV bij deze verordening opgenomen prestatiecriteria. Gezien de doelstelling van deze verordening om de productie van verpakkingen en verpakkingsafval te verminderen en de circulariteit van verpakkingen op de hele interne markt te verbeteren, moeten de bestaande criteria nader worden gespecificeerd en strikter worden gemaakt. De lijst van prestatiecriteria voor verpakkingen als opgenomen in de bestaande geharmoniseerde norm EN 13428:200057 moet daarom worden gewijzigd. Hoewel marketing en aanvaarding door de consument relevant blijven voor het ontwerp van verpakkingen, mogen zij geen prestatiecriteria zijn waarmee zwaardere en grotere verpakkingen zouden worden gerechtvaardigd. Dit mag echter geen afbreuk doen aan productspecificaties voor ambachtelijke en industriële producten en levensmiddelen en landbouwproducten die zijn geregistreerd en beschermd in het kader van de EU-regeling voor de bescherming van geografische aanduidingen als onderdeel van de doelstelling van de Unie om cultureel erfgoed en traditionele kennis te beschermen, of aan verpakkingsmodellen die wettelijk worden beschermd uit hoofde van Verordening (EG) nr. 6/2002 van de Raad57bis. Recyclebaarheid, het gebruik van gerecycled materiaal en hergebruik kunnen echter het gebruik van zwaardere of grotere verpakkingen rechtvaardigen, en moeten daarom aan de prestatiecriteria worden toegevoegd. Verpakkingen met een dubbele laag, valse bodems of andere kenmerken die uitsluitend zijn bedoeld de indruk van een groter productvolume te wekken, mogen niet in de handel worden gebracht, aangezien zij niet voldoen aan de eis om de verpakking tot een minimum te beperken. Voor overbodige verpakkingen die niet noodzakelijk zijn om de verpakkingsfunctie te waarborgen, moet hetzelfde gelden.
__________________
__________________
57 Verpakking — Specifieke eisen voor fabricage en samenstelling — Preventie door reductie aan de bron.
57 Verpakking — Specifieke eisen voor fabricage en samenstelling — Preventie door reductie aan de bron.
57bis Verordening (EG) nr. 6/2002 van de Raad van 12 december 2001 betreffende Gemeenschapsmodellen (PB L 3 van 5.1.2002, blz. 1).
Amendement 27
Voorstel voor een verordening
Overweging 44
(44)  Consumenten moeten worden geïnformeerd en in staat worden gesteld om verpakkingsafval, waaronder composteerbare, lichte en zeer lichte plastic draagtassen, op correcte wijze te verwijderen. De meest geschikte manier daarvoor is het vaststellen van een geharmoniseerd etiketteringsysteem voor het scheiden van afval op basis van de materialen waaruit de verpakking is samengesteld, in combinatie met overeenkomstige etiketten op afvalbakken.
(44)  Consumenten moeten worden geïnformeerd en in staat worden gesteld om alle verpakkingsafval op correcte wijze te verwijderen. De meest geschikte manier daarvoor is het vaststellen van een geharmoniseerd etiketteringsysteem voor het scheiden van afval op basis van de materialen waaruit de verpakking is samengesteld, in combinatie met overeenkomstige etiketten op afvalbakken. Het feit dat een dergelijk geharmoniseerd etiketteringsysteem door alle burgers moet kunnen worden herkend, ongeacht hun omstandigheden, zoals leeftijd en talenkennis, moet een bepalende factor zijn bij het ontwerp ervan. Dit kan worden bereikt door pictogrammen te gebruiken, en zo min mogelijk woorden. Dit helpt ook om de eventuele kosten van de vertaling ervan te drukken.
Amendement 28
Voorstel voor een verordening
Overweging 44 bis (nieuw)
(44 bis)  Sortering is een essentiële stap om een grotere circulariteit van verpakkingen te waarborgen. Het verbeteren van de sorteercapaciteiten, in het bijzonder door middel van technologische innovaties, moet worden aangemoedigd om de kwaliteit van de sortering, en dus van de grondstoffen voor recycling, te verhogen.
Amendement 29
Voorstel voor een verordening
Overweging 49
(49)  Om bij te dragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van deze verordening, moeten consumenten worden beschermd tegen misleidende en verwarrende informatie over de eigenschappen van verpakkingen en de correcte verwerking ervan aan het einde van de levensduur, waarvoor in deze verordening geharmoniseerde etiketten zijn vastgesteld. Het moet mogelijk zijn om verpakkingen die onder de regeling voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid vallen door middel van een accreditatiesymbool te identificeren in het hele grondgebied dat door dat systeem wordt bestreken. Dat symbool moet voor consumenten of gebruikers duidelijk en ondubbelzinnig zijn wat betreft de recyclebaarheid van verpakkingen. In dat verband kan worden gesteld dat het symbool met de groene stip (Green Dot), dat in sommige lidstaten wordt gebruikt om aan te geven dat een producent een financiële bijdrage heeft geleverd aan een nationaal systeem voor de terugwinning van verpakkingen58, consumenten ten onrechte het idee zou kunnen geven dat verpakkingen met een dergelijk symbool altijd recyclebaar zijn.
(49)  Om bij te dragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van deze verordening, moeten consumenten worden beschermd tegen misleidende en verwarrende informatie over de eigenschappen van verpakkingen en de correcte verwerking ervan aan het einde van de levensduur, waarvoor in deze verordening geharmoniseerde etiketten zijn vastgesteld.
__________________
58 https://www.pro-e.org/the-green-dot-trademark
Amendement 30
Voorstel voor een verordening
Overweging 50 bis (nieuw)
(50 bis)  Er moet een deskundigengroep worden opgezet met een evenwichtige deelname van vertegenwoordigers van de lidstaten en alle bij verpakkingen betrokken partijen. Deze groep moet het “verpakkingsforum” worden genoemd en met name bijdragen aan de formulering, ontwikkeling en verduidelijking van duurzaamheidseisen, de evaluatie van de doeltreffendheid van gevestigde mechanismen voor markttoezicht en de beoordeling van zelfreguleringsmaatregelen.
Amendement 31
Voorstel voor een verordening
Overweging 60
(60)  Het probleem van de overmatige productie van verpakkingsafval kan niet volledig worden aangepakt door verplichtingen voor het ontwerp van verpakkingen vast te stellen. Voor bepaalde soorten verpakkingen moeten verplichtingen aan marktdeelnemers worden opgelegd om bij het gebruik van dergelijke verpakkingen de lege ruimte te verminderen. Voor verzamel- en verzendverpakkingen en verpakkingen voor de elektronische handel die worden gebruikt voor het leveren van producten aan einddistributeurs of eindgebruikers, mag er niet meer dan 40 % lege ruimte zijn. In overeenstemming met de afvalhiërarchie moeten marktdeelnemers die verkoopverpakkingen als verpakkingen voor elektronische handel gebruiken van deze verplichting kunnen worden vrijgesteld.
(60)  Het probleem van de overmatige productie van verpakkingsafval kan niet volledig worden aangepakt door verplichtingen voor het ontwerp van verpakkingen vast te stellen. Voor bepaalde soorten verpakkingen moeten verplichtingen aan marktdeelnemers worden opgelegd om bij het gebruik van dergelijke verpakkingen de lege ruimte te verminderen. Voor verzamel- en verzendverpakkingen en verpakkingen voor de elektronische handel die worden gebruikt voor het leveren van producten aan einddistributeurs of eindgebruikers, mag er niet meer dan 40 % lege ruimte zijn. In overeenstemming met de afvalhiërarchie moeten marktdeelnemers die verkoopverpakkingen als verpakkingen voor elektronische handel gebruiken van deze verplichting kunnen worden vrijgesteld. Die verplichting geldt niet voor herbruikbare verpakkingen.
Amendement 32
Voorstel voor een verordening
Overweging 65
(65)  Om afvalpreventie te stimuleren, moet een nieuw begrip van “navulling” worden ingevoerd. Navulling moet worden beschouwd als een specifieke afvalpreventiemaatregel die bijdraagt tot en nodig is voor het halen van de streefcijfers voor hergebruik en navulling. Houders die eigendom zijn van de consument en die een verpakkingsfunctie vervullen in het kader van navulling, zoals herbruikbare bekers, mokken, flessen of dozen, zijn echter geen verpakking in de zin van deze verordening.
(65)  Om afvalpreventie te stimuleren, moet een nieuw begrip van “navulling” worden ingevoerd. Navulling moet worden beschouwd als een specifieke afvalpreventiemaatregel die bijdraagt tot en nodig is voor het halen van de in deze verordening opgenomen streefcijfers voor preventie.
Amendement 33
Voorstel voor een verordening
Overweging 66
(66)  Indien marktdeelnemers producten via navulling te koop aanbieden, moeten zij ervoor zorgen dat hun navulstations aan bepaalde eisen voldoen om de gezondheid en veiligheid van de consument te waarborgen. Als consumenten hun eigen houders gebruiken, moeten de marktdeelnemers hen in dit verband informeren over de voorwaarden voor het veilig navullen en gebruiken van die houders. Om navulling aan te moedigen, mogen marktdeelnemers op de navulstations geen verpakkingen aanbieden die gratis zijn of die niet onder een statiegeldregeling vallen.
(66)  Indien marktdeelnemers producten via navulling te koop aanbieden, moeten zij ervoor zorgen dat hun navulstations aan bepaalde eisen voldoen om de gezondheid en veiligheid van de consument te waarborgen. Als consumenten hun eigen houders gebruiken, moeten de marktdeelnemers hen in dit verband informeren over de voorwaarden voor het veilig navullen en gebruiken van die houders. Om navulling aan te moedigen, mogen marktdeelnemers op de navulstations geen verpakkingen aanbieden die gratis zijn of die niet onder een statiegeldregeling vallen. Marktdeelnemers moeten worden ontheven van aansprakelijkheid voor voedselveiligheidsproblemen die kunnen voortvloeien uit het gebruik van door consumenten meegenomen houders.
Amendement 34
Voorstel voor een verordening
Overweging 67
(67)  Om het toenemende aandeel van wegwerpverpakkingen en de toenemende hoeveelheid geproduceerd verpakkingsafval terug te dringen, moeten streefcijfers voor hergebruik en navulling van verpakkingen worden vastgesteld in sectoren waarvan is vastgesteld dat zij het grootste potentieel hebben voor de vermindering van verpakkingsafval, namelijk afhaalmaaltijden en -dranken, grote witgoedproducten en verzendverpakkingen. Die streefcijfers zijn gebaseerd op factoren zoals bestaande systemen voor hergebruik, de noodzaak van verpakkingen en de mogelijkheden om aan de functionele eisen voor insluiting, netheid, gezondheid, hygiëne en veiligheid te voldoen. Ook is rekening gehouden met de verschillen tussen de producten en de distributiesystemen van die producten. Met het vaststellen van de streefcijfers wordt naar verwachting de innovatie ondersteund en het aandeel van hergebruik- en navuloplossingen verhoogd. In de horecasector moet het gebruik van wegwerpverpakkingen voor het vullen en consumeren van eten en drinken ter plaatse verboden zijn.
(67)  Om het toenemende aandeel van wegwerpverpakkingen en de toenemende hoeveelheid geproduceerd verpakkingsafval terug te dringen, moeten streefcijfers voor hergebruik van verpakkingen worden vastgesteld in sectoren waarvan is vastgesteld dat zij het grootste potentieel hebben voor de vermindering van verpakkingsafval, namelijk afhaalmaaltijden en -dranken, grote witgoedproducten en verzendverpakkingen. Die streefcijfers zijn gebaseerd op factoren zoals bestaande systemen voor hergebruik, de noodzaak van verpakkingen en de mogelijkheden om aan de functionele eisen voor insluiting, netheid, gezondheid, hygiëne en veiligheid te voldoen. Ook is rekening gehouden met de verschillen tussen de producten en de distributiesystemen van die producten. Met het vaststellen van de streefcijfers wordt naar verwachting de innovatie ondersteund en het aandeel van hergebruik- en navuloplossingen verhoogd. In de horecasector moet het gebruik van wegwerpverpakkingen voor het vullen en consumeren van eten en drinken ter plaatse verboden zijn. Consumenten moeten te allen tijde de mogelijkheid hebben afhaalmaaltijden en -dranken in herbruikbare of hun eigen houders te kopen tegen voorwaarden die niet minder gunstig zijn dan de voorwaarden voor de aankoop van eten en drinken dat in wegwerpverpakkingen wordt aangeboden. Marktdeelnemers die afhaalmaaltijden of -dranken verkopen, moeten consumenten de mogelijkheid bieden om de etenswaren of dranken in hun eigen houders te kopen en om dranken in herbruikbare verpakkingen te kopen.
Amendement 35
Voorstel voor een verordening
Overweging 68
(68)  Om de doeltreffendheid van de streefcijfers voor hergebruik en navulling te vergroten en de gelijke behandeling van marktdeelnemers te waarborgen, moeten de streefcijfers aan de marktdeelnemers worden opgelegd. Streefcijfers voor dranken moeten daarnaast ook aan fabrikanten worden opgelegd, aangezien zij kunnen bepalen welke verpakkingsformaten worden gebruikt voor de producten die zij aanbieden. De streefcijfers moeten worden berekend als een percentage van de verkoop van herbruikbare verpakkingen binnen een systeem voor hergebruik of navulling of, in het geval van verzendverpakkingen, als een percentage van het gebruik. De streefcijfers gelden ongeacht het gebruikte materiaal. Om voor uniforme voorwaarden voor de uitvoering van de streefcijfers voor hergebruik en navulling te zorgen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om uit hoofde van artikel 291 van het Verdrag een uitvoeringshandeling vast te stellen met betrekking tot de methode voor de berekening van de streefcijfers.
(68)  Om de doeltreffendheid van de streefcijfers voor hergebruik te vergroten en de gelijke behandeling van marktdeelnemers te waarborgen, moeten de streefcijfers aan de einddistributeurs worden opgelegd. De streefcijfers moeten worden berekend als een percentage van de verkoop van herbruikbare verpakkingen binnen een systeem voor hergebruik of, in het geval van verzendverpakkingen, als een percentage van het gebruik. De streefcijfers gelden ongeacht het gebruikte materiaal. Om voor uniforme voorwaarden voor de uitvoering van de streefcijfers voor hergebruik en navulling te zorgen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden verleend om uit hoofde van artikel 291 van het Verdrag een uitvoeringshandeling vast te stellen met betrekking tot de methode voor de berekening van de streefcijfers.
Amendement 36
Voorstel voor een verordening
Overweging 71
(71)  Om de naleving van de streefcijfers voor hergebruik en navulling te kunnen controleren, moeten de desbetreffende marktdeelnemers verslag uitbrengen aan de bevoegde autoriteiten. Marktdeelnemers moeten de relevante gegevens voor elk kalenderjaar met ingang van 1 januari 2030 rapporteren. De lidstaten moeten die gegevens openbaar maken.
(71)  Om de naleving van de streefcijfers voor hergebruik te kunnen controleren, moeten de desbetreffende marktdeelnemers verslag uitbrengen aan de bevoegde autoriteiten. Marktdeelnemers moeten de relevante gegevens voor elk kalenderjaar met ingang van 1 januari 2030 rapporteren. De lidstaten moeten die gegevens openbaar maken.
Amendement 37
Voorstel voor een verordening
Overweging 73 bis (nieuw)
(73 bis)  Aangezien het aannemelijk is dat zeer lichte plastic draagtassen, met een dikte van minder dan 15 micron, afval worden en bijdragen tot mariene verontreiniging, moeten maatregelen worden genomen om te garanderen dat zij alleen voor strikt noodzakelijke toepassingen in de handel worden gebracht. Deze plastic tassen mogen niet in de handel worden gebracht als verpakking voor levensmiddelen in bulk, behalve omwille van de hygiëne of voor verpakking van natte levensmiddelen in bulk, zoals rauw vlees, rauwe vis of zuivelproducten.
Amendement 38
Voorstel voor een verordening
Overweging 74 bis (nieuw)
(74 bis)  Een vermindering van het gebruik van plastic draagtassen mag niet leiden tot de vervanging daarvan door papieren draagtassen. De Commissie moet het gebruik van papieren draagtassen monitoren en een streefcijfer en, in voorkomend geval, maatregelen voor vermindering van het verbruik van papieren draagtassen voorstellen.
Amendement 39
Voorstel voor een verordening
Overweging 91
(91)  Om tot een ambitieuze en duurzame vermindering van de totale productie van verpakkingsafval te komen, moeten streefcijfers voor de vermindering van de hoeveelheid verpakkingsafval per hoofd van de bevolking worden vastgesteld, die tegen 2030 moeten zijn gehaald. Als het streefcijfer van 5 % vermindering in 2030 ten opzichte van 2018 wordt gehaald, betekent dat een absolute vermindering in 2030 van gemiddeld ongeveer 19 % in de hele Unie ten opzichte van het referentiescenario voor 2030. De lidstaten moeten de productie van verpakkingsafval tegen 2035 met 10 % verminderen ten opzichte van 2018; hiermee wordt de hoeveelheid verpakkingsafval met 29 % verminderd ten opzichte van het referentiescenario voor 2030. Om ervoor te zorgen dat de reductie-inspanningen na 2030 worden voortgezet, moet voor 2035 een reductiestreefcijfer van 10 % ten opzichte van 2018 worden vastgesteld, hetgeen een reductie van 29 % ten opzichte van het referentiescenario zou betekenen, en moet voor 2040 een reductiestreefcijfer van 15 % ten opzichte van 2018 worden vastgesteld – een reductie van 37 % ten opzichte van het referentiescenario.
(91)  Om tot een ambitieuze en duurzame vermindering van de totale productie van verpakkingsafval te komen, moeten streefcijfers voor de vermindering van de hoeveelheid verpakkingsafval per hoofd van de bevolking worden vastgesteld, die tegen 2030 moeten zijn gehaald. Als het streefcijfer van 5 % vermindering in 2030 ten opzichte van 2018 wordt gehaald, betekent dat een absolute vermindering in 2030 van gemiddeld ongeveer 19 % in de hele Unie ten opzichte van het referentiescenario voor 2030. De lidstaten moeten de productie van verpakkingsafval tegen 2035 met 10 % verminderen ten opzichte van 2018; hiermee wordt de hoeveelheid verpakkingsafval met 29 % verminderd ten opzichte van het referentiescenario voor 2030. Om ervoor te zorgen dat de reductie-inspanningen na 2030 worden voortgezet, moet voor 2035 een reductiestreefcijfer van 10 % ten opzichte van 2018 worden vastgesteld, hetgeen een reductie van 29 % ten opzichte van het referentiescenario zou betekenen, en moet voor 2040 een reductiestreefcijfer van 15 % ten opzichte van 2018 worden vastgesteld – een reductie van 37 % ten opzichte van het referentiescenario. De lidstaten die afzonderlijke systemen hebben opgezet voor het beheer van huishoudelijk verpakkingsafval enerzijds en van industrieel en commercieel verpakkingsafval anderzijds, moeten de mogelijkheid krijgen deze specifieke systemen te blijven gebruiken.
Amendement 40
Voorstel voor een verordening
Overweging 91 bis (nieuw)
(91 bis)  In het kader van haar actieplan voor de circulaire economie heeft de Commissie op 16 januari 2018 een mededeling vastgesteld over een Europese strategie voor kunststoffen in een circulaire economie, waarmee wordt beoogd de mariene verontreiniging, broeikasgasemissies en Europese afhankelijkheid van fossiele brandstoffen te verminderen. Tegen een achtergrond van een toenemend verbruik van kunststof wordt in deze strategie opgeroepen tot een betere circulariteit van kunststoffen en doeltreffende preventiemaatregelen. In overeenstemming met de strategie moet deze verordening een instrument zijn om de strijd aan te gaan met oppervlakkige, onnodige kunststoffen, teneinde de stijgende trend in de productie en het verbruik van kunststoffen, in het bijzonder kunststoffen voor eenmalig gebruik, te kenteren.
Amendement 41
Voorstel voor een verordening
Overweging 92
(92)  De lidstaten kunnen deze streefcijfers halen door middel van economische instrumenten en andere maatregelen om te voorzien in stimulansen voor de toepassing van de afvalhiërarchie, waaronder maatregelen die moeten worden uitgevoerd door middel van regelingen voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid, en door het opzetten en doeltreffend functioneren van systemen voor hergebruik te bevorderen en marktdeelnemers aan te moedigen eindgebruikers meer mogelijkheden voor navulling aan te bieden. Dergelijke maatregelen moeten worden getroffen parallel aan en in aanvulling op andere maatregelen in het kader van deze verordening die gericht zijn op de vermindering van verpakkingsafval, zoals eisen inzake de minimalisering van verpakkingen, streefcijfers voor hergebruik en navulling, volumegrenswaarden en maatregelen om het verbruik van lichte plastic draagtassen blijvend te verminderen. Een lidstaat kan, met inachtneming van de algemene regels van het Verdrag en de bepalingen van deze verordening, bepalingen vaststellen die verder gaan dan de in deze verordening vastgestelde minimumdoelstellingen.
(92)  De lidstaten kunnen deze streefcijfers halen door middel van economische instrumenten en andere maatregelen om te voorzien in stimulansen voor de toepassing van de afvalhiërarchie, waaronder maatregelen die moeten worden uitgevoerd door middel van regelingen voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid, en door het opzetten en doeltreffend functioneren van systemen voor hergebruik te bevorderen en marktdeelnemers aan te moedigen eindgebruikers meer mogelijkheden voor navulling aan te bieden. Dergelijke maatregelen moeten worden getroffen parallel aan en in aanvulling op andere maatregelen in het kader van deze verordening die gericht zijn op de vermindering van verpakkingsafval, zoals eisen inzake de minimalisering van verpakkingen, streefcijfers voor hergebruik en navullingsverplichtingen, volumegrenswaarden en maatregelen om het verbruik van lichte plastic draagtassen blijvend te verminderen. Een lidstaat kan, met inachtneming van de algemene regels van het Verdrag en de bepalingen van deze verordening, bepalingen vaststellen die verder gaan dan de in deze verordening vastgestelde minimumdoelstellingen.
Amendement 42
Voorstel voor een verordening
Overweging 96
(96)  In overeenstemming met het beginsel dat de vervuiler betaalt als neergelegd in artikel 191, lid 2, van het Verdrag, is het van essentieel belang dat producenten die verpakkingen en verpakte producten in de Unie in de handel brengen de verantwoordelijkheid voor het beheer ervan aan het einde van de levensduur op zich nemen. Er moet aan worden herinnerd dat uiterlijk op 31 december 2024 regelingen voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid als bedoeld in Richtlijn 94/62/EG moeten zijn vastgesteld, aangezien zij het meest geschikte middel zijn om dit te verwezenlijken en zij een positief milieueffect kunnen hebben door de productie van verpakkingsafval te verminderen en de inzameling en recycling ervan te verhogen. De manier waarop die regelingen zijn opgezet, hoe efficiënt zij zijn en hoe ver de verantwoordelijkheid van de producenten reikt, loopt sterk uiteen. Daarom moeten de voorschriften van Richtlijn 2008/98/EG met betrekking tot de uitoefening van uitgebreide producentenverantwoordelijkheid algemeen van toepassing zijn op regelingen voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid voor producenten van verpakkingen, en moeten deze waar nodig en passend worden aangevuld met aanvullende specifieke bepalingen.
(96)  In overeenstemming met het beginsel dat de vervuiler betaalt als neergelegd in artikel 191, lid 2, van het Verdrag, is het van essentieel belang dat producenten, met inbegrip van marktspelers op het gebied van elektronische handel, die verpakkingen en verpakte producten in de Unie in de handel brengen de verantwoordelijkheid voor het beheer ervan aan het einde van de levensduur op zich nemen. Er moet aan worden herinnerd dat uiterlijk op 31 december 2024 regelingen voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid als bedoeld in Richtlijn 94/62/EG moeten zijn vastgesteld, aangezien zij het meest geschikte middel zijn om dit te verwezenlijken en zij een positief milieueffect kunnen hebben door de productie van verpakkingsafval te verminderen en de inzameling en recycling ervan te verhogen. De manier waarop die regelingen zijn opgezet, hoe efficiënt zij zijn en hoe ver de verantwoordelijkheid van de producenten reikt, loopt sterk uiteen. Daarom moeten de voorschriften van Richtlijn 2008/98/EG met betrekking tot de uitoefening van uitgebreide producentenverantwoordelijkheid algemeen van toepassing zijn op regelingen voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid voor producenten van verpakkingen, en moeten deze waar nodig en passend worden aangevuld met aanvullende specifieke bepalingen.
Amendement 43
Voorstel voor een verordening
Overweging 98
(98)  Verordening (EU) 2022/2065 van het Europees Parlement en de Raad66 bevat regels inzake de traceerbaarheid van handelaren, meer bepaald verplichtingen voor aanbieders van onlineplatforms waarop consumenten overeenkomsten op afstand kunnen sluiten met producenten die verpakkingen aanbieden aan consumenten in de Unie. Om te voorkomen dat dergelijke aanbieders van onlineplatforms meeliften op de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid, moet worden gespecificeerd hoe zij aan die verplichtingen moeten voldoen met betrekking tot de registers van verpakkingsproducenten die bij deze verordening worden ingesteld. Aanbieders van onlineplatforms die onder het toepassingsgebied van hoofdstuk III, afdeling 4, van Verordening (EU) 2022/2065 vallen en consumenten in staat stellen overeenkomsten op afstand met producenten te sluiten, moeten in dat verband informatie van die producenten verkrijgen over hun naleving van de regels inzake uitgebreide producentenverantwoordelijkheid van deze verordening. Voor de regels inzake de traceerbaarheid van handelaren die verpakkingen online verkopen, gelden de handhavingsregels van Verordening (EU) 2022/2065.
(98)  Verordening (EU) 2022/2065 van het Europees Parlement en de Raad66 bevat regels inzake de traceerbaarheid van handelaren, meer bepaald verplichtingen voor aanbieders van onlineplatforms waarop consumenten overeenkomsten op afstand kunnen sluiten met producenten die verpakkingen aanbieden aan consumenten in de Unie. Om te voorkomen dat dergelijke aanbieders van onlineplatforms meeliften op de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid, moet worden gespecificeerd hoe zij aan die verplichtingen moeten voldoen met betrekking tot de registers van verpakkingsproducenten die bij deze verordening worden ingesteld. Aanbieders van onlineplatforms die onder het toepassingsgebied van hoofdstuk III, afdeling 4, van Verordening (EU) 2022/2065 vallen en consumenten in staat stellen overeenkomsten op afstand met producenten te sluiten, moeten zijn gebonden aan bepaalde verplichtingen die gelden voor producenten, tenzij zij kunnen aantonen dat de derde partij waarvoor zij de verkoop op afstand of bezorging regelen al aan deze verplichtingen voldoet. Voorts moeten zij in dat verband informatie van die producenten verkrijgen over hun naleving van de regels inzake uitgebreide producentenverantwoordelijkheid van deze verordening. Voor de regels inzake de traceerbaarheid van handelaren die verpakkingen online verkopen, gelden de handhavingsregels van Verordening (EU) 2022/2065.
__________________
__________________
66 Verordening (EU) 2022/2065 van het Europees Parlement en de Raad van 19 oktober 2022 betreffende een interne markt voor digitale diensten en tot wijziging van Richtlijn 2000/31/EG (digitaledienstenverordening) (PB L 277 van 27.10.2022, blz. 1).
66 Verordening (EU) 2022/2065 van het Europees Parlement en de Raad van 19 oktober 2022 betreffende een interne markt voor digitale diensten en tot wijziging van Richtlijn 2000/31/EG (digitaledienstenverordening) (PB L 277 van 27.10.2022, blz. 1).
Amendement 44
Voorstel voor een verordening
Overweging 101 bis (nieuw)
(101 bis)  De gescheiden inzameling van verpakkingen is een cruciale stap om de circulariteit van verpakkingen te waarborgen en een meer solide markt voor secundaire grondstoffen te garanderen. De vaststelling van een bindend inzamelingspercentage is een maatregel om de ontwikkeling van efficiënte en gerichte inzamelingssystemen op nationaal niveau te stimuleren, zodat er meer afval wordt gesorteerd en mogelijk gerecycled.
Amendement 45
Voorstel voor een verordening
Overweging 103 bis (nieuw)
(103 bis)  In deze verordening moet rekening worden gehouden met de diversiteit van statiegeldregelingen in de Unie en moet ervoor worden gezorgd dat technologische ontwikkelingen in deze regelingen niet worden belemmerd wanneer zij voldoen aan de voorwaarden en criteria voor het verhogen van de inzamelingspercentages en het waarborgen van meer hoogwaardige recycling. Zo kunnen consumenten in digitale statiegeldregelingen bijvoorbeeld gebruikmaken van een systeem met QR-codes, waarin het statiegeld wordt terugbetaald wanneer de verpakking wordt ingeleverd bij een van de inzamelpunten, thuis of elders.
Amendement 46
Voorstel voor een verordening
Overweging 107
(107)  Lidstaten die zonder statiegeldregeling twee opeenvolgende kalenderjaren voordat de deze verplichting begint te gelden 90 % van de beoogde soorten verpakkingen inzamelen, kunnen verzoeken geen statiegeldregeling in te voeren.
(107)  Lidstaten die zonder statiegeldregeling twee opeenvolgende kalenderjaren voordat de deze verplichting begint te gelden minstens 85 % van de beoogde soorten verpakkingen inzamelen, kunnen verzoeken geen statiegeldregeling in te voeren.
Amendement 47
Voorstel voor een verordening
Overweging 108
(108)  De lidstaten moeten oplossingen voor hergebruik en navulling actief aanmoedigen als specifieke maatregelen voor afvalpreventie. Zij moeten de invoering van statiegeldregelingen ondersteunen en toezicht houden op de werking ervan en op de naleving van de hygiënenormen. De lidstaten worden aangemoedigd aanvullende maatregelen te treffen, bijvoorbeeld het opzetten van statiegeldregelingen voor herbruikbare verpakkingsformaten, het gebruikmaken van economische stimulansen of van einddistributeurs eisen dat zij een bepaald percentage van producten die niet onder de streefcijfers voor hergebruik en navulling vallen in herbruikbare verpakkingen of via navulling beschikbaar maken, mits dergelijke eisen niet leiden tot versnippering van de eengemaakte markt of tot handelsbelemmeringen.
(108)  De lidstaten moeten oplossingen voor hergebruik en navulling actief aanmoedigen als specifieke maatregelen voor afvalpreventie. Zij moeten de invoering van statiegeldregelingen ondersteunen en toezicht houden op de werking ervan en op de naleving van de hygiënenormen. De lidstaten worden aangemoedigd aanvullende maatregelen te treffen, bijvoorbeeld het opzetten van statiegeldregelingen voor herbruikbare verpakkingsformaten, het gebruikmaken van economische stimulansen of van einddistributeurs eisen dat zij een bepaald percentage van producten die niet onder de streefcijfers voor hergebruik en navullingsverplichtingen vallen in herbruikbare verpakkingen of via navulling beschikbaar maken, mits dergelijke eisen niet leiden tot versnippering van de eengemaakte markt of tot handelsbelemmeringen.
Amendement 48
Voorstel voor een verordening
Overweging 113 bis (nieuw)
(113 bis)  Het is belangrijk dat de Commissie rekening houdt met alle verwerkingstechnologieën wanneer zij de gedelegeerde handelingen tot vaststelling van de criteria voor recyclebaarheid en voor recyclebaarheid op schaal opstelt, maar het is ook cruciaal dat zij de toegevoegde waarde van chemische recycling verder beoordeelt voor fracties die niet kunnen worden verwerkt met mechanische recyclingtechnologieën. In het kader van de doelstellingen uit hoofde van Verordening (EU) 2021/1119 van het Europees Parlement en de Raad1 bis moet de Commissie rekening houden met het energieverbruik van nieuwe technologieën, het waterverbruik en de materiële verliezen en, in het kader van de herziening van het wetgevingskader van de Unie inzake milieuclaims, misleidende milieuclaims voorkomen door ervoor te zorgen dat dergelijke claims alleen mogen worden gedaan voor daadwerkelijk circulaire methoden en bijvoorbeeld niet voor methoden waarbij materialen in brandstof worden omgezet.
_______________________
1 bis Verordening (EU) 2021/1119 van het Europees Parlement en de Raad van 30 juni 2021 tot vaststelling van een kader voor de verwezenlijking van klimaatneutraliteit, en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 401/2009 en Verordening (EU) 2018/1999 (“Europese klimaatwet”) (PB L 243 van 9.7.2021, blz. 1).
Amendement 49
Voorstel voor een verordening
Overweging 113 ter (nieuw)
(113 ter)  Een marktdeelnemer moet op verpakkingen die in de handel worden gebracht alleen milieuclaims kunnen doen indien deze zijn onderbouwd in overeenstemming met de richtlijn groene claims. Wat de recyclebaarheid, het gehalte aan gerecycled materiaal en de herbruikbaarheid betreft, moeten die claims alleen mogelijk zijn voor verpakkingseigenschappen die verder gaan dan de toepasselijke minimumeisen van deze verordening.
Amendement 50
Voorstel voor een verordening
Overweging 117 bis (nieuw)
(117 bis)  Gescheiden inzameling buitenshuis is een belangrijk element om de inzamelingspercentages voor verpakkingen te kunnen verhogen en de circulariteit daarvan te kunnen verbeteren. Lidstaten en marktdeelnemers moeten specifieke maatregelen kunnen nemen voor gescheiden inzameling buitenshuis, afgestemd op de locatie en gewoonten van consumenten.
Amendement 51
Voorstel voor een verordening
Overweging 123
(123)  Om eerlijke mededinging te waarborgen, is het essentieel om de duurzaamheidseisen doeltreffend te handhaven, teneinde ervoor te zorgen dat de verwachte voordelen en bijdrage aan de verwezenlijking van de klimaat-, energie- en circulariteitsdoelstellingen van de Unie met deze verordening worden gerealiseerd. Verordening (EU) 2019/1020 van het Europees Parlement en de Raad73, waarin een horizontaal kader wordt vastgesteld voor markttoezicht en controle op producten die de markt van de Unie binnenkomen, moet daarom van toepassing zijn op verpakkingen waarvoor in deze verordening duurzaamheidseisen zijn vastgesteld.
(123)  Om eerlijke mededinging te waarborgen, is het essentieel om de duurzaamheidseisen doeltreffend te handhaven, teneinde ervoor te zorgen dat de verwachte voordelen en bijdrage aan de verwezenlijking van de klimaat-, energie- en circulariteitsdoelstellingen van de Unie met deze verordening worden gerealiseerd. Daartoe moet een minimumaantal controles worden vastgesteld op marktdeelnemers die verpakkingen in de Unie in de handel brengen, en moet Verordening (EU) 2019/1020 van het Europees Parlement en de Raad73, waarin een horizontaal kader wordt vastgesteld voor markttoezicht en controle op producten die de markt van de Unie binnenkomen, van toepassing zijn op verpakkingen waarvoor in deze verordening duurzaamheidseisen zijn vastgesteld.
__________________
__________________
73 Verordening (EU) 2019/1020 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende markttoezicht en conformiteit van producten en tot wijziging van Richtlijn 2004/42/EG en de Verordeningen (EG) nr. 765/2008 en (EU) nr. 305/2011 (PB L 169 van 25.6.2019, blz. 1).
73 Verordening (EU) 2019/1020 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende markttoezicht en conformiteit van producten en tot wijziging van Richtlijn 2004/42/EG en de Verordeningen (EG) nr. 765/2008 en (EU) nr. 305/2011 (PB L 169 van 25.6.2019, blz. 1).
Amendement 52
Voorstel voor een verordening
Overweging 130
(130)  Voor verpakkingen die de markt van de Unie binnenkomen moet de voorkeur worden gegeven aan samenwerking op de markt tussen markttoezichtautoriteiten en marktdeelnemers. Hoewel zij betrekking kunnen hebben op alle verpakkingen die de markt van de Unie binnenkomen, moeten de interventies van de overeenkomstig artikel 25, lid 1, van Verordening (EU) 2019/1020 aangewezen autoriteiten daarom in de eerste plaats gericht zijn op verpakkingen waarvoor de markttoezichtautoriteiten verbodsmaatregelen hebben getroffen. Om een risicogebaseerde aanpak voor producten die de markt van de Unie binnenkomen mogelijk te maken, moeten marktdeelnemers, indien zij dergelijke verbodsmaatregelen treffen en die maatregelen niet beperkt zijn tot het nationale grondgebied, de gegevens die nodig zijn om dergelijke niet-conforme verpakkingen aan de grenzen te identificeren, met inbegrip van informatie over de verpakte producten en de marktdeelnemers, meedelen aan de autoriteiten die zijn aangewezen voor de controles van verpakkingen die de markt van de Unie binnenkomen. In dergelijke gevallen moet de douane ernaar streven deze verpakkingen aan de grenzen te identificeren en tegen te houden.
(130)  Om de werking van de Europese interne markt te waarborgen, en een gelijk speelveld te creëren, moet worden gegarandeerd dat verpakkingen uit derde landen die de markt van de Unie binnenkomen aan deze verordening voldoen, ongeacht of ze worden ingevoerd als afzonderlijke verpakking of als deel van een verpakt product. Er moet in het bijzonder worden gewaarborgd dat fabrikanten de juiste conformiteitsbeoordelingsprocedures hebben uitgevoerd voor die verpakkingen. De voorkeur moet worden gegeven aan samenwerking op de markt tussen markttoezichtautoriteiten en marktdeelnemers. Hoewel zij betrekking kunnen hebben op alle verpakkingen die de markt van de Unie binnenkomen, moeten de interventies van de overeenkomstig artikel 25, lid 1, van Verordening (EU) 2019/1020 aangewezen autoriteiten daarom in de eerste plaats gericht zijn op verpakkingen waarvoor de markttoezichtautoriteiten verbodsmaatregelen hebben getroffen. Om een risicogebaseerde aanpak voor producten die de markt van de Unie binnenkomen mogelijk te maken, moeten marktdeelnemers, indien zij dergelijke verbodsmaatregelen treffen en die maatregelen niet beperkt zijn tot het nationale grondgebied, de gegevens die nodig zijn om dergelijke niet-conforme verpakkingen aan de grenzen te identificeren, met inbegrip van informatie over de verpakte producten en de marktdeelnemers, meedelen aan de autoriteiten die zijn aangewezen voor de controles van verpakkingen die de markt van de Unie binnenkomen. In dergelijke gevallen moet de douane ernaar streven deze verpakkingen aan de grenzen te identificeren en tegen te houden.
Amendement 53
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – lid 1
1.  Bij deze verordening worden voor de gehele levenscyclus van verpakkingen eisen vastgesteld voor de milieuduurzaamheid en de etikettering, ten behoeve van het in de handel brengen ervan, en voor de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid met betrekking tot en de inzameling, verwerking en recycling van verpakkingsafval.
1.  Bij deze verordening worden voor de gehele levenscyclus van verpakkingen eisen vastgesteld voor de milieuduurzaamheid en de etikettering, ten behoeve van het in de handel brengen ervan, en voor de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid met betrekking tot verpakkingsafval, preventie, vermindering van onnodige verpakkingen, hergebruik of navulling van verpakkingen, inzameling, verwerking en recycling van verpakkingsafval.
Amendement 54
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – lid 3
3.  Daarnaast wordt met deze verordening bijgedragen tot de transitie naar een circulaire economie, door maatregelen te treffen die in overeenstemming zijn met de afvalhiërarchie overeenkomstig artikel 4 van Richtlijn 2008/98/EG.
3.  Daarnaast wordt met deze verordening bijgedragen tot de transitie naar een circulaire economie en het bereiken van klimaatneutraliteit uiterlijk in 2050, zoals voorzien in Verordening (EU) 2021/1119, door maatregelen te treffen die in overeenstemming zijn met de afvalhiërarchie overeenkomstig artikel 4 van Richtlijn 2008/98/EG, en te voorzien in een ondersteunend juridisch kader dat de Europese industrie rechtszekerheid biedt bij hun investeringen in de circulariteit van verpakkingen.
Amendement 421
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – lid 1
1.  Deze verordening is van toepassing op alle verpakkingen, ongeacht het gebruikte materiaal, en op alle verpakkingsafval, ongeacht of dit afval wordt gebruikt in of afkomstig is van industrie, andere productie, detailhandel of distributie, kantoren, diensten of huishoudens.
1.  Deze verordening is van toepassing op alle verpakkingen, met uitzondering van verpakkingen die zijn goedgekeurd voor het vervoer van gevaarlijke goederen, ongeacht het gebruikte materiaal, en op alle verpakkingsafval, ongeacht of dit afval wordt gebruikt in of afkomstig is van industrie, andere productie, detailhandel of distributie, kantoren, diensten of huishoudens.
Amendement 56
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 1 – f
f)  thee- of koffiezakjes die nodig zijn om een thee- of koffieproduct in te sluiten en die bestemd zijn om samen met het product te worden gebruikt en verwijderd;
f)  permeabele thee- of koffiezakjes of zakjes die zacht worden na gebruik en pads en capsules die een thee- of koffieproduct insluiten en die bestemd zijn om samen met het product te worden gebruikt en verwijderd;
Amendement 57
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 1 – g
g)  zakjes, pads en capsules voor koffie en thee die nodig zijn om een koffie- of theeproduct in te sluiten en die bestemd zijn om samen met het product te worden gebruikt en verwijderd;
g)  niet-permeabele zakjes, pads en capsules voor koffie en thee die nodig zijn om een koffie- of theeproduct in te sluiten en die bestemd zijn om samen met het product te worden gebruikt en verwijderd;
Amendement 58
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 4
4)  “verzendverpakking”: verpakking die zodanig is ontworpen dat het hanteren en vervoeren van een aantal verkoopeenheden of verzamelverpakkingen, met inbegrip van verpakkingen voor elektronische handel, maar uitgezonderd weg-, spoor-, scheeps- en luchtvrachttcontainers, wordt vergemakkelijkt om fysieke schade door hantering of transport te voorkomen;
4)  “verzendverpakking”: verpakking die zodanig is ontworpen dat het hanteren en vervoeren van ongeacht welk aantal verkoopeenheden of verzamelverpakkingen, met inbegrip van verpakkingen voor elektronische handel, maar uitgezonderd weg-, spoor-, scheeps- en luchtvrachtcontainers, wordt vergemakkelijkt om fysieke schade door hantering of transport van het product te voorkomen;
Amendement 59
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 16
16)  “einddistributeur”: de distributeur die verpakte producten aan de eindgebruiker levert die via navulling kunnen worden gekocht;
16)  “einddistributeur”: de distributeur die verpakte producten aan de eindgebruiker levert die via navulling of hergebruik kunnen worden gekocht;
Amendement 472
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – lid 1 – punt 19
19)  “samengestelde verpakking”: een verpakkingseenheid van twee of meer verschillende materialen, uitgezonderd de materialen die worden gebruikt voor etiketten, sluitingen en verzegeling, die niet handmatig van elkaar kunnen worden gescheiden en daarom één geheel vormen;
19)  “samengestelde verpakking”: een verpakkingseenheid van twee of meer verschillende materialen, uitgezonderd de materialen die worden gebruikt voor etiketten, coatings, bekleding, vernissen, verfstoffen, inkten, kleefstoffen, lakken, sluitingen en verzegeling die een onderdeel zijn van het gewicht van het hoofdmateriaal van de verpakking en die niet handmatig van elkaar kunnen worden gescheiden en daarom één geheel vormen, tenzij een bepaald materiaal een onbeduidend deel van de verpakkingseenheid en in geen geval meer dan 10 % van de totale massa van de verpakkingseenheid uitmaakt;
Amendement 61
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 22
22)  “hergebruik”: elke handeling waarbij herbruikbare verpakking opnieuw wordt gebruikt voor hetzelfde doel als dat waarvoor het was bedoeld;
22)  “hergebruik”: elke handeling waarbij herbruikbare verpakking meerdere malen opnieuw wordt gebruikt voor hetzelfde doel als dat waarvoor het was bedoeld, dankzij een adequate logistiek en passende stimuleringsregelingen, die in de meeste gevallen een statiegeldregeling zal zijn;
Amendement 62
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 26
26)  “systemen voor hergebruik”: organisatorische, technische of financiële regelingen waarmee hergebruik in een open of gesloten kringloop mogelijk wordt gemaakt. Statiegeldregelingen worden als onderdeel van een systeem voor hergebruik beschouwd als daarmee wordt gewaarborgd dat verpakkingen worden ingezameld voor hergebruik;
26)  “systemen voor hergebruik”: organisatorische, technische en/of financiële regelingen, gecombineerd met stimuleringsmaatregelen, die hergebruik in een open of gesloten kringloop mogelijk maken. Statiegeldregelingen worden als onderdeel van een systeem voor hergebruik beschouwd als daarmee wordt gewaarborgd dat verpakkingen worden ingezameld voor hergebruik;
Amendement 63
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 28
28)  “navulling”: een handeling waarmee een eindgebruiker een eigen houder, die de verpakkingsfunctie vervult, vult met een of meerdere producten die door de einddistributeur in het kader van een handelstransactie worden aangeboden;
28)  “navulling”: een handeling waarmee een eindgebruiker een eigen houder of een door de einddistributeur op het verkooppunt verstrekte houder, die de verpakkingsfunctie vervult, vult met een of meerdere via een einddistributeur gekochte producten;
Amendement 64
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 31
31)  “ontwerp voor recycling”: ontwerp van verpakkingen, met inbegrip van de afzonderlijke onderdelen van verpakkingen, om ervoor te zorgen dat deze met geavanceerde processen voor inzameling, afvalscheiding en recycling kunnen worden gerecycled;
31)  “ontwerp voor recycling”: ontwerp van verpakkingen, met inbegrip van de afzonderlijke onderdelen van verpakkingen, om ervoor te zorgen dat deze met geavanceerde processen voor inzameling, afvalscheiding en recycling kunnen worden gerecycled, waarbij prioriteit wordt gegeven aan mechanische recycling;
Amendement 65
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 31 bis (nieuw)
31 bis)  “recyclebaarheid”: de beoordeling van de inherente compatibiliteit van verpakkingen met een beheer en verwerking van afval op basis van gescheiden inzameling, sortering in gescheiden stromen, recycling op grote schaal en het gebruik van gerecyclede materialen om primaire grondstoffen in nieuwe verpakkingen te vervangen;
Amendement 66
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 32
32)  “op grote schaal gerecycled”: ingezameld, gescheiden en gerecycled door middel van geïnstalleerde geavanceerde infrastructuur en processen die ten minste 75 % van de bevolking van Unie bestrijken, ook voor uit de Unie uitgevoerd verpakkingsafval dat voldoet aan de eisen van artikel 47, lid 5;
32)  “op grote schaal gerecycled”: het voorhanden zijn van voldoende capaciteit om het ingezamelde verpakkingsafval door middel van gevestigde industriële processen voor herverwerking naar gedefinieerde en erkende afvalstromen te leiden in bestaande systemen die zich hebben bewezen in een operationele omgeving, ook voor uit de Unie uitgevoerd verpakkingsafval dat voldoet aan de eisen van artikel 47, lid 5;
Amendement 414
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – lid 1 – punt 32 bis (nieuw)
32 bis)   “hoogwaardige recycling”: elke nuttige toepassing, zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 17, van Richtlijn 2008/98/EG, die ervoor zorgt dat de onderscheidende eigenschappen van het ingezamelde en gesorteerde afval in die nuttige toepassing worden behouden of teruggewonnen, zodat de daaruit resulterende gerecyclede materialen van voldoende kwaliteit zijn om primaire grondstoffen te vervangen;
Amendement 68
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 34
34)  “geïntegreerd onderdeel”: een verpakkingsonderdeel dat kan worden onderscheiden van het hoofddeel van de verpakkingseenheid en van een ander materiaal kan zijn, maar dat integraal deel uitmaakt van de verpakkingseenheid en onontbeerlijk is voor het functioneren daarvan, niet hoeft worden losgemaakt van het hoofddeel van de verpakkingseenheid om het product te consumeren, en doorgaans tegelijkertijd, maar niet noodzakelijkerwijs samen, met de verpakkingseenheid wordt verwijderd;
34)  “geïntegreerd onderdeel”: een verpakkingsonderdeel dat kan worden onderscheiden van het hoofddeel van de verpakkingseenheid en van een ander materiaal kan zijn, maar dat integraal deel uitmaakt van de verpakkingseenheid en onontbeerlijk is voor het functioneren daarvan, niet hoeft worden losgemaakt van het hoofddeel van de verpakkingseenheid, en doorgaans tegelijkertijd, maar niet noodzakelijkerwijs samen, met de verpakkingseenheid wordt verwijderd;
Amendement 69
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 35
35)  “afzonderlijk onderdeel”: een ander verpakkingsonderdeel dan het hoofddeel van de verpakkingseenheid, dat van een ander materiaal kan zijn, volledig en permanent van het hoofddeel van de verpakkingseenheid moet worden losgemaakt om toegang te krijgen tot het product, en dat doorgaans eerst en afzonderlijk van de verpakkingseenheid wordt verwijderd;
35)  “afzonderlijk onderdeel”: een ander verpakkingsonderdeel dan het hoofddeel van de verpakkingseenheid, dat van een ander materiaal kan zijn, volledig en permanent van het hoofddeel van de verpakkingseenheid moet worden losgemaakt, en dat doorgaans eerst en afzonderlijk van de verpakkingseenheid wordt verwijderd;
Amendement 70
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 37
37)  “innovatieve verpakking”: een vorm van verpakking die wordt geproduceerd met nieuwe materialen, nieuwe ontwerpen of nieuwe productieprocessen die leiden tot een aanzienlijke verbetering van de functies van de verpakking, zoals insluiting, bescherming, hantering, levering of presentatie van producten, en tot aantoonbare milieuvoordelen, met uitzondering van verpakking die het resultaat is van aanpassing van bestaande verpakkingen met als enig doel de presentatie en marketing van producten te verbeteren;
37)  “innovatieve verpakking”: een vorm van verpakking die wordt geproduceerd met nieuwe en innovatieve materialen, nieuwe ontwerpen of nieuwe productieprocessen die leiden tot een aanzienlijke verbetering van de functies van de verpakking, zoals insluiting, bescherming, hantering, levering van producten, en in het algemeen tot aantoonbare milieuvoordelen, met uitzondering van verpakking die het resultaat is van aanpassing van bestaande verpakkingen met als voornaamste doel de presentatie en marketing van producten te verbeteren;
Amendement 71
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 38
38)  “secundaire grondstoffen”: materialen die zijn verkregen door middel van recyclingprocessen en die primaire grondstoffen kunnen vervangen;
38)  “secundaire grondstoffen”: materialen die zijn verkregen door middel van recyclingprocessen, die alle noodzakelijke controles hebben ondergaan en voldoende zijn gesorteerd en die primaire grondstoffen kunnen vervangen;
Amendement 72
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 40
40)  “contactgevoelige verpakking”: verpakking die bestemd is om te worden gebruikt in verpakkingstoepassingen die onder Verordening (EG) nr. 1831/2003, Verordening (EG) nr. 1935/2004, Verordening (EG) nr. 767/2009, Verordening (EG) nr. 2009/1223, Verordening (EU) 2017/745, Verordening (EU) 2017/746, Verordening (EU) 2019/4, Verordening (EU) 2019/6, Richtlijn 2001/83/EG of Richtlijn 2008/68/EG vallen;
40)  “contactgevoelige verpakking”: verpakking die bestemd is om te worden gebruikt in verpakkingstoepassingen die onder Verordening (EG) nr. 1831/2003, Verordening (EG) nr. 1935/2004, Verordening (EG) nr. 767/2009, Verordening (EG) nr. 2009/1223, Verordening (EU) 2017/745, Verordening (EU) 2017/746, Verordening (EU) 2019/4, Verordening (EU) 2019/6, Richtlijn 2001/83/EG, Richtlijn 2002/46/EG van het Europees Parlement en de Raad1 bis, of Richtlijn 2008/68/EG vallen;
______________________
1 bis Richtlijn 2002/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 10 juni 2002 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake voedingssupplementen (PB L 183 van 12.7.2002, blz. 51).
Amendement 73
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 41
41)  “composteerbare verpakking”: verpakking die zodanig fysisch, chemisch, thermisch of biologisch kan worden afgebroken dat het grootste deel van de resulterende compost uiteindelijk afbreekt tot koolstofdioxide, minerale zouten, biomassa en water, overeenkomstig artikel 47, lid 4, en geen belemmering vormt voor de gescheiden afvalinzameling en het composteerproces of de composteringsactiviteit waarin het onder industrieel gecontroleerde omstandigheden wordt geïntroduceerd;
41)  “composteerbare verpakking”: verpakking die zodanig fysisch, chemisch, thermisch of biologisch kan worden afgebroken dat het grootste deel van de resulterende compost uiteindelijk afbreekt tot koolstofdioxide, minerale zouten, biomassa en water, overeenkomstig artikel 47, lid 8, en geen belemmering vormt voor de gescheiden afvalinzameling en het composteer- of anaerobevergistingsproces of de composteringsactiviteit waarin het onder industrieel gecontroleerde omstandigheden wordt geïntroduceerd, overeenkomstig de toepasselijke eisen van de geharmoniseerde Europese norm EN 13432;
Amendement 74
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 41 bis (nieuw)
41 bis)  “voor thuiscompostering geschikte verpakking”: verpakking die ook biologisch afbreekbaar is in een niet-gecontroleerde omgeving, in vergelijking met industriële composteerinstallaties, en waarvan het composteerproces door particulieren wordt uitgevoerd met als doel compost voor eigen gebruik te produceren;
Amendement 75
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 41 ter (nieuw)
41 ter)  “biogebaseerde kunststof”: een kunststof waarvan de grondstoffen zijn gemaakt van biomassa1 bis;
__________________
1 bis Mededeling van 30 november 2022 over een EU-beleidskader inzake biogebaseerde, biologisch afbreekbare en composteerbare kunststoffen (COM(2022)0682).
Amendement 76
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 50
50)  “statiegeld”: een vast geldbedrag dat geen deel uitmaakt van de prijs van een verpakt of gevuld product en dat van de eindgebruiker wordt geïnd bij de aankoop van een dergelijk verpakt of gevuld product dat onder een statiegeldregeling in een bepaalde lidstaat valt, en dat wordt terugbetaald wanneer de eindgebruiker de statiegeldverpakking terugbrengt naar een daartoe bestemd inzamelpunt;
50)  “statiegeld”: een bepaald geldbedrag dat geen deel uitmaakt van de prijs van een verpakt of gevuld product en dat van de eindgebruiker wordt geïnd bij de aankoop van een dergelijk verpakt of gevuld product dat onder een statiegeldregeling in een bepaalde lidstaat valt, en dat wordt terugbetaald wanneer de eindgebruiker of een andere persoon de statiegeldverpakking terugbrengt naar een daartoe bestemd inzamelpunt;
Amendement 77
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 51
51)  “statiegeldregeling”: een systeem waarbij de eindgebruiker statiegeld wordt aangerekend bij de aankoop van een verpakt of gevuld product dat onder deze regeling valt en waarbij dit statiegeld wordt terugbetaald wanneer de eindgebruiker de statiegeldverpakking terugbrengt naar een daartoe bestemd inzamelpunt;
51)  “statiegeldregeling”: een systeem waarbij de eindgebruiker statiegeld wordt aangerekend bij de aankoop van een verpakt of gevuld product dat onder deze regeling valt en waarbij dit statiegeld wordt terugbetaald wanneer de eindgebruiker de statiegeldverpakking terugbrengt naar een daartoe bestemd inzamelpunt of achterlaat in een daartoe bestemde afvalbak, thuis of in een openbare ruimte;
Amendement 78
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 57
57)  “verpakking die een risico inhoudt”: een verpakking die, door niet te voldoen aan een in of uit hoofde van deze verordening vastgestelde eis die niet in artikel 56, lid 1, is vermeld, negatieve gevolgen kan hebben voor het milieu of andere maatschappelijke belangen die door middel van de desbetreffende eis worden beschermd;
57)  “verpakking die een risico inhoudt”: een verpakking die, door niet te voldoen aan een in of uit hoofde van deze verordening vastgestelde eis die niet in artikel 56, lid 1, is vermeld, negatieve gevolgen kan hebben voor het milieu, de gezondheid of andere maatschappelijke belangen die door middel van de desbetreffende eis worden beschermd;
Amendement 79
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 5
5.  Naast de in artikel 11 vastgestelde etiketteringseisen kunnen lidstaten voorzien in nadere etiketteringseisen om de regeling voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid of een andere statiegeldregeling dan de regelingen als omschreven in artikel 44, lid 1, vast te stellen.
Schrappen
Amendement 80
Voorstel voor een verordening
Artikel 5 – lid 1
1.  Verpakkingen worden zodanig vervaardigd dat de aanwezigheid en concentratie van zorgwekkende stoffen als bestanddelen van het verpakkingsmateriaal of verpakkingsonderdelen tot een minimum wordt beperkt, ook met betrekking tot de aanwezigheid daarvan in emissies en andere resultaten van afvalbeheer, zoals secundaire grondstoffen, as of ander materiaal voor definitieve verwijdering.
1.  Verpakkingen worden zodanig vervaardigd dat de aanwezigheid en concentratie van zorgwekkende stoffen als bestanddelen van het verpakkingsmateriaal of verpakkingsonderdelen tot een minimum wordt beperkt, ook met betrekking tot de aanwezigheid daarvan in emissies en andere resultaten van afvalbeheer, zoals secundaire grondstoffen, as of ander materiaal voor definitieve verwijdering, en de negatieve gevolgen voor het milieu vanwege microplastics.
Amendement 81
Voorstel voor een verordening
Artikel 5 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.  Verpakkingen die met levensmiddelen in contact komen en opzettelijk toegevoegde per- en polyfluoralkylstoffen (PFAS) bevatten, mogen niet meer in de handel worden gebracht met ingang van ... [PB: gelieve datum in te voegen = 18 maanden vanaf de datum van inwerkingtreding van deze verordening].
Amendement 82
Voorstel voor een verordening
Artikel 5 – lid 2 ter (nieuw)
2 ter.  Verpakkingen die met levensmiddelen in contact komen en opzettelijk toegevoegd bisfenol A (BPA, CAS 80-05-7) bevatten, mogen niet meer in de handel worden gebracht met ingang van ... [PB: gelieve datum in te voegen = 18 maanden vanaf de datum van inwerkingtreding van deze verordening].
Amendement 83
Voorstel voor een verordening
Artikel 5 – lid 3
3.  In de technische documentatie die wordt opgesteld overeenkomstig bijlage VII moet worden aangetoond dat aan de eisen van lid 2 wordt voldaan.
3.  In de technische documentatie die wordt opgesteld overeenkomstig bijlage VII moet worden aangetoond dat aan de eisen van de leden 1, 2, 2 bis en 2 ter wordt voldaan.
Amendement 84
Voorstel voor een verordening
Artikel 5 – lid 4
4.  Eisen inzake recyclebaarheid in de uit hoofde van artikel 6, lid 5, vastgestelde gedelegeerde handelingen mogen de aanwezigheid van stoffen in verpakkingen of verpakkingsonderdelen niet beperken om redenen die hoofdzakelijk verband houden met de chemische veiligheid. Met dergelijke eisen worden, naargelang het geval, zorgwekkende stoffen aangepakt die een negatieve invloed hebben op het hergebruik en de recycling van materialen in verpakkingen waarin zij aanwezig zijn, en worden de specifieke betrokken stoffen en de bijbehorende criteria en beperkingen vastgesteld.
4.  Onverminderd de leden 2 bis en 2 ter beperken de eisen inzake recyclebaarheid in de uit hoofde van artikel 6, lid 5, vastgestelde gedelegeerde handelingen de aanwezigheid van stoffen in verpakkingen of verpakkingsonderdelen niet om redenen die hoofdzakelijk verband houden met de chemische veiligheid, tenzij sprake is van een onaanvaardbaar risico voor de gezondheid van de mens of het milieu dat voortvloeit uit het gebruik van een stof in de verpakking in enig stadium van de levenscyclus ervan. Met dergelijke eisen worden ook zorgwekkende stoffen aangepakt die een negatieve invloed hebben op het hergebruik, de sortering en de recycling van materialen in verpakkingen waarin zij aanwezig zijn, en worden de specifieke betrokken stoffen en de bijbehorende criteria en beperkingen vastgesteld.
Amendement 85
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – lid 1
Alle verpakkingen moeten recyclebaar zijn.
Alle verpakkingen die in de handel worden gebracht, zijn recyclebaar in overeenstemming met lid 2.
Amendement 86
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – lid 2 – alinea 1 – punt a
a)  zijn ontwerpen met het oog op recycling;
a)  zijn ontworpen met het oog op recycling, in overeenstemming met de gedelegeerde handelingen die door de Commissie uit hoofde van lid 4 zijn vastgesteld;
Amendement 415
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – lid 2 – alinea 1 – punt d
d)  zodanig kunnen worden gerecycled dat de resulterende secundaire grondstoffen van voldoende kwaliteit zijn om de primaire grondstoffen te vervangen;
d)  zodanig kunnen worden gerecycled dat de resulterende secundaire grondstoffen van voldoende kwaliteit zijn om primaire grondstoffen te vervangen;
Amendement 87
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – lid 2 – alinea 1 – punt e
e)  op grote schaal kunnen worden gerecycled.
e)  op grote schaal recyclebaar zijn volgens de methode die is vastgesteld in de gedelegeerde handelingen die door de Commissie uit hoofde van lid 6 zijn vastgesteld.
Amendement 88
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – lid 2 – alinea 2
Punt a) is van toepassing met ingang van 1 januari 2030 en punt e) is van toepassing met ingang van 1 januari 2035.
De punten a) tot en met d) zijn van toepassing met ingang van 36 maanden vanaf de datum van bekendmaking van de in lid 4 bedoelde gedelegeerde handelingen en punt e) is van toepassing met ingang van 36 maanden vanaf de datum van bekendmaking van de in lid 6 bedoelde gedelegeerde handelingen.
Amendement 89
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – lid 3
3.  Vanaf 1 januari 2030 moeten recyclebare verpakkingen voldoen aan de ontwerpcriteria voor recycling van de uit hoofde van lid 4 vastgestelde gedelegeerde handelingen, en vanaf 1 januari 2035 moeten zij ook voldoen aan de criteria voor recycling op grote schaal van de uit hoofde van lid 6 vastgestelde gedelegeerde handelingen. Indien die verpakkingen in overeenstemming zijn met die gedelegeerde handelingen, worden zij ook geacht in overeenstemming te zijn met lid 2, punten a) en e).
3.  Recyclebare verpakkingen:
a)   voldoen, uiterlijk 36 maanden na de datum van bekendmaking van de in lid 4 bedoelde gedelegeerde handelingen, aan de ontwerpcriteria voor recycling van de uit hoofde van lid 4 vastgestelde gedelegeerde handelingen; en
b)   voldoen aan de criteria voor recycling op grote schaal van de uit hoofde van lid 6 vastgestelde gedelegeerde handelingen, uiterlijk 36 maanden na de datum van bekendmaking van de in lid 6 bedoelde gedelegeerde handelingen, naast punt a) van dit lid.
Indien die verpakkingen in overeenstemming zijn met die gedelegeerde handelingen, worden zij ook geacht in overeenstemming te zijn met lid 2, punten a) en e).
Amendement 90
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – lid 3 bis (nieuw)
3 bis.  Met de in lid 3 bedoelde criteria en eisen moet het volgende worden vastgesteld:
a)   hoe het resultaat van de beoordeling van de recyclebaarheid in prestatieklassen voor recycling van A tot en met E moet worden uitgedrukt, overeenkomstig tabel 3 van bijlage II, op basis van het gewichtspercentage van de verpakkingseenheid dat overeenkomstig lid 1 recyclebaar is;
b)   gedetailleerde ontwerpcriteria voor recycling, met inbegrip van, in voorkomend geval, specifieke eisen voor hoogwaardige recycling, voor elk verpakkingsmateriaal en elke verpakkingscategorie als vermeld in tabel 1 van bijlage II;
c)   een beschrijving van de voorwaarden voor de naleving van de respectieve prestatieklassen voor elke in tabel 1 van bijlage II vermelde verpakkingscategorie;
d)   de afstemming van de financiële bijdragen die producenten moeten betalen om aan hun verplichtingen inzake uitgebreide producentenverantwoordelijkheid te voldoen, als bedoeld in artikel 40 en gebaseerd op de prestatieklasse van de verpakkingen;
e)   de manier waarop de recyclebaarheid op grote schaal voor elke in tabel 1 van bijlage II vermelde verpakkingscategorie moet worden beoordeeld om bijgewerkte prestatieklassen voor recyclebaarheid vast te stellen.
Amendement 91
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – lid 4 – alinea 1
De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 58 gedelegeerde handelingen vast te stellen om deze verordening aan te vullen met ontwerpcriteria voor recycling en prestatieklassen voor recycling van verpakkingen op basis van de criteria en parameters in tabel 2 van bijlage II voor in tabel 1 van die bijlage vermelde verpakkingscategorieën, en met regels voor afstemming van financiële bijdragen die producenten moeten betalen om aan de verplichtingen inzake uitgebreide producentenverantwoordelijkheid van artikel 40, lid 1, te voldoen, die zijn gebaseerd op de prestatieklasse voor recycling van de verpakking en voor kunststofverpakkingen op het gehalte aan gerecycled materiaal. In de ontwerpcriteria voor recycling, die voor alle verpakkingscomponenten gelden, wordt rekening gehouden met de meest geavanceerde inzamelings-, sorteer- en recyclingprocessen.
Uiterlijk op 1 januari 2027 stelt de Commissie, na raadpleging van het krachtens artikel 12 bis opgerichte verpakkingsforum en rekening houdend met de door de Europese normalisatieorganisaties ontwikkelde normen, overeenkomstig artikel 58 gedelegeerde handelingen vast om deze verordening aan te vullen, teneinde:
a)   ontwerpcriteria voor recycling en prestatieklassen voor recyclebaarheid op te stellen op basis van de criteria en parameters in de tabellen 2 en 2 bis van bijlage II voor in tabel 1 van die bijlage vermelde verpakkingscategorieën. In de ontwerpcriteria voor recycling, die voor alle verpakkingscomponenten gelden, wordt rekening gehouden met de meest geavanceerde inzamelings-, sorteer- en recyclingprocessen;
b)   regels vast te stellen voor de afstemming van financiële bijdragen die producenten moeten betalen om aan de verplichtingen inzake uitgebreide producentenverantwoordelijkheid van artikel 40, lid 1, te voldoen, die zijn gebaseerd op de prestatieklasse voor recycling van de verpakking en, indien van toepassing, het gehalte aan gerecycled materiaal.
Amendement 92
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – lid 4 – alinea 2
De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 58 gedelegeerde handelingen vast te stellen om tabel 1 van de bijlage te wijzigen teneinde deze aan te passen aan de wetenschappelijke en technische ontwikkelingen op het gebied van het ontwerp van materialen en producten, en de infrastructuur voor inzameling, sortering en recycling.
De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 58 gedelegeerde handelingen vast te stellen om tabel 1 van bijlage II te wijzigen teneinde deze aan te passen aan de wetenschappelijke en technische ontwikkelingen op het gebied van het ontwerp van materialen en producten, en de infrastructuur voor inzameling, sortering en recycling.
Amendement 93
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – lid 5 – alinea 1
Vanaf 1 januari 2030 worden verpakkingen niet als recyclebaar beschouwd als zij niet van prestatieklasse E zijn, overeenkomstig de ontwerpcriteria voor recycling voor de verpakkingscategorie waartoe zij behoren als vastgesteld in de uit hoofde van lid 4 vastgestelde gedelegeerde handeling.
Vanaf 36 maanden na de datum van bekendmaking van de in lid 4 bedoelde gedelegeerde handelingen worden verpakkingen niet als recyclebaar beschouwd als zij van prestatieklasse E zijn, overeenkomstig de ontwerpcriteria voor recycling voor de verpakkingscategorie waartoe zij behoren als vastgesteld in de uit hoofde van lid 4 vastgestelde gedelegeerde handeling.
Amendement 94
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – lid 5 – alinea 1 bis (nieuw)
Vanaf 96 maanden na de datum van bekendmaking van de in lid 4 bedoelde gedelegeerde handelingen worden verpakkingen niet als recyclebaar beschouwd als zij van prestatieklasse D of lager zijn, overeenkomstig de ontwerpcriteria voor recycling voor de verpakkingscategorie waartoe zij behoren als vastgesteld in de uit hoofde van lid 4 vastgestelde gedelegeerde handeling.
Amendement 95
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – lid 5 – alinea 1 ter (nieuw)
Vanaf 36 maanden na de datum van bekendmaking van de in lid 6 bedoelde gedelegeerde handelingen worden verpakkingen niet als recyclebaar beschouwd als deze niet voldoen aan de criteria voor recyclebaarheid op grote schaal van de uit hoofde van lid 6 vastgestelde gedelegeerde handelingen.
Amendement 96
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – lid 5 – alinea 2
Die criteria zijn ten minste gebaseerd op de in tabel 2 van bijlage II vermelde parameters.
Schrappen
Amendement 97
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – lid 6 – inleidende formule
6.  De Commissie stelt voor elke in tabel 1 van bijlage II vermelde soort verpakkingen de methode vast om te beoordelen of verpakkingen op grote schaal kunnen worden gerecycled. Die methode wordt gebaseerd op ten minste de volgende elementen:
6.  De Commissie stelt uiterlijk 60 maanden na de datum van bekendmaking van de in lid 4 bedoelde gedelegeerde handelingen overeenkomstig artikel 58 gedelegeerde handelingen vast ter aanvulling van deze verordening, voor elke in tabel 1 van bijlage II vermelde soort verpakkingen teneinde de methode vast te stellen om te beoordelen of verpakkingen op grote schaal kunnen worden gerecycled. Die methode wordt gebaseerd op ten minste de volgende elementen:
Amendement 98
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – lid 6 – punt b
b)  de hoeveelheid gescheiden ingezameld verpakkingsafval, per in tabel 1 van bijlage II vermeld verpakkingsmateriaal, in de hele Unie en in elke lidstaat;
b)  de hoeveelheid gescheiden ingezameld verpakkingsafval, per in tabel 1 van bijlage II vermeld verpakkingsmateriaal, in de hele Unie en in elke lidstaat, met inachtneming van de verplichtingen van de lidstaten uit hoofde van artikel 43 van deze verordening;
Amendement 99
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – lid 6 – punt d
d)  geïnstalleerd vermogen in de hele Unie van de infrastructuur voor het sorteren en recyclen van elke in tabel 1 van bijlage II vermelde soort verpakking.
d)  geïnstalleerd vermogen in de hele Unie van de infrastructuur voor het sorteren en recyclen van elke in tabel 1 van bijlage II vermelde soort verpakking, met inachtneming van de verplichtingen van de lidstaten uit hoofde van artikel 43 van deze verordening.
Amendement 100
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – lid 6 – alinea 1 bis (nieuw)
De in de punten a) tot en met d) bedoelde gegevens zijn beschikbaar en gemakkelijk toegankelijk voor het publiek.
Amendement 101
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – lid 7
7.  Met de in lid 3 bedoelde criteria en eisen moet het volgende worden vastgesteld:
Schrappen
a)  hoe het resultaat van de beoordeling van de recyclebaarheid in prestatieklassen voor recycling van A tot en met E moet worden uitgedrukt, zoals beschreven in tabel 3 van bijlage II, op basis van het gewichtspercentage van de verpakkingseenheid dat overeenkomstig lid 1 recyclebaar is;
b)  gedetailleerde ontwerpcriteria voor recycling voor elk verpakkingsmateriaal en elke verpakkingscategorie als vermeld in tabel 1 van bijlage II;
c)  een beschrijving van de voorwaarden voor de naleving van de respectieve prestatieklassen voor elke in tabel 1 van bijlage II vermelde verpakkingscategorie;
d)  de afstemming van de financiële bijdragen die producenten moeten betalen om aan hun verplichtingen inzake uitgebreide producentenverantwoordelijkheid te voldoen, als bedoeld in artikel 40 en gebaseerd op de prestatieklasse van de verpakkingen;
e)  de manier waarop de recyclebaarheid op grote schaal voor elke in tabel 1 van bijlage II vermelde verpakkingscategorie moet worden beoordeeld om vanaf 2035 bijgewerkte prestatieklassen voor recyclebaarheid vast te stellen.
Amendement 102
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – lid 7 bis (nieuw)
7 bis.  Wanneer dat een aantoonbaar milieuvoordeel oplevert en technisch haalbaar is, kunnen de lidstaten, met name door middel van overeenkomstig de artikel 44 opgezette regelingen, voorrang geven aan recycling van verpakkingen, zodat deze vervolgens op dezelfde manier of voor een soortgelijke toepassing kunnen worden gerecycled en gebruikt, met een minimaal verlies aan kwantiteit, kwaliteit of functie, waarbij producenten die verplicht zijn streefcijfers voor gerecycled materiaal te halen, eerlijke toegang hebben tot het materiaal dat van de gerecyclede verpakking afkomstig is.
Amendement 103
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – lid 8 – alinea 1
In de technische documentatie met betrekking tot verpakking in bijlage VII moet worden aangetoond dat aan de eisen van de leden 2 en 3 is voldaan.
In de technische documentatie met betrekking tot verpakking in bijlage VII moet worden aangetoond dat aan de eisen van de leden 2 en 3 is voldaan en moet rekening worden gehouden met de volgende elementen:
Amendement 104
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – lid 8 – alinea 2
Wanneer een verpakkingseenheid geïntegreerde onderdelen bevat, omvat de beoordeling van de conformiteit met de ontwerpcriteria voor recycling en met de eisen voor recyclebaarheid op grote schaal alle geïntegreerde componenten.
a)   wanneer een verpakkingseenheid geïntegreerde onderdelen bevat, omvat de beoordeling van de conformiteit met de ontwerpcriteria voor recycling en met de eisen voor recyclebaarheid op grote schaal alle geïntegreerde componenten;
Amendement 105
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – lid 8 – alinea 3
Wanneer een verpakkingseenheid afzonderlijke onderdelen bevat, wordt de beoordeling van de conformiteit met de ontwerpcriteria voor recycling en met de eisen voor recyclebaarheid op grote schaal afzonderlijk voor elk afzonderlijk onderdeel uitgevoerd.
b)   wanneer een verpakkingseenheid afzonderlijke onderdelen bevat, wordt de beoordeling van de conformiteit met de ontwerpcriteria voor recycling en met de eisen voor recyclebaarheid op grote schaal afzonderlijk voor elk afzonderlijk onderdeel uitgevoerd. Indien geïntegreerde onderdelen van de verpakkingseenheid eenvoudig handmatig kunnen worden gescheiden en er duidelijke instructies zijn voor de consument, is de algehele recyclebaarheid een combinatie van de beoordelingen voor elk afzonderlijk onderdeel;
Amendement 106
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – lid 8 – alinea 4
Alle onderdelen van een verpakkingseenheid moeten compatibel zijn met de meest geavanceerde inzamelings-, sorteer- en recyclingprocessen en mogen geen afbreuk doen aan de recyclebaarheid van het hoofddeel van de verpakkingseenheid.
c)   alle onderdelen van een verpakkingseenheid moeten compatibel zijn met de meest geavanceerde inzamelings-, sorteer- en recyclingprocessen en mogen geen afbreuk doen aan de recyclebaarheid van het hoofddeel van de verpakkingseenheid.
Amendement 107
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – lid 9 – alinea 1
Vanaf 1 januari 2030 mogen, in afwijking van de leden 2 en 3, innovatieve verpakkingen in de handel worden gebracht tot maximaal vijf jaar na het einde van het kalenderjaar waarin zij in de handel zijn gebracht.
Vanaf 36 maanden na de datum van bekendmaking van de in lid 4 bedoelde gedelegeerde handelingen en in afwijking van de eisen uit hoofde van dit artikel, mogen innovatieve verpakkingen in de handel worden gebracht tot maximaal vijf jaar na het einde van het kalenderjaar waarin zij in de handel zijn gebracht.
Amendement 108
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – lid 9 – alinea 1 bis (nieuw)
De Commissie houdt voortdurend toezicht op de gevolgen van de in de eerste alinea bedoelde afwijking voor de hoeveelheid in de handel gebrachte verpakkingen. De Commissie stelt in voorkomend geval een wetgevingsvoorstel vast met het oog op de wijziging van de eerste alinea.
Amendement 109
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – lid 9 – alinea 2
Wanneer van deze afwijking gebruik wordt gemaakt, gaan innovatieve verpakkingen vergezeld van technische documentatie als bedoeld in bijlage VII waaruit het innovatieve karakter ervan en overeenstemming met de definitie in artikel 3, punt 34, van deze verordening blijkt.
Innovatieve verpakkingen gaan vergezeld van technische documentatie als bedoeld in bijlage VII waaruit het innovatieve karakter ervan, het algemene milieuvoordeel, en overeenstemming met de definitie in artikel 3, punt 37, van deze verordening blijkt.
Amendementen 110 en 369
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – lid 9 – alinea 3
Na afloop van de in de eerste alinea bedoelde periode gaan dergelijke verpakkingen vergezeld van de in lid 8 bedoelde technische documentatie.
Na afloop van de in de eerste alinea bedoelde periode gaan dergelijke verpakkingen vergezeld van de in lid 8 bedoelde technische documentatie en zijn zij derhalve in overeenstemming met de eisen van dit artikel.
De lidstaten streven er voortdurend naar de inzamelings- en sorteerinfrastructuren voor innovatieve verpakkingen te verbeteren met verwachte milieuvoordelen.
Amendement 111
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – lid 10 – inleidende formule
10.  Tot en met 31 december 2034 is dit artikel niet van toepassing op:
10.  Tot 72 maanden na de datum van bekendmaking van de in lid 6 bedoelde gedelegeerde handeling is dit artikel niet van toepassing op:
Amendement 112
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – lid 10 – punt b
b)  contactgevoelige kunststofverpakkingen van medische hulpmiddelen die onder Verordening (EU) 2017/745 vallen;
b)  contactgevoelige verpakkingen van medische hulpmiddelen die onder Verordening (EU) 2017/745 vallen;
Amendement 113
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – lid 10 – punt c
c)  contactgevoelige kunststofverpakkingen van medische hulpmiddelen voor in-vitrodiagnostiek die onder Verordening (EU) 2017/746 vallen.
c)  contactgevoelige verpakkingen van medische hulpmiddelen voor in-vitrodiagnostiek die onder Verordening (EU) 2017/746 vallen.
Amendement 114
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – lid 10 – punt c bis (nieuw)
c bis)  contactgevoelige verpakkingen voor zuigelingenvoeding en opvolgzuigelingenvoeding, verwerkte levensmiddelen op basis van granen en babyvoeding, en voeding voor bijzondere medische doeleinden zoals gedefinieerd in artikel 1, punten a), b) en c), van Verordening (EU) nr. 609/2013.
Amendement 392
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – lid 10 bis (nieuw)
10 bis.   Totdat de Commissie de status ervan overeenkomstig lid 10 ter van dit artikel heeft beoordeeld, is dit artikel niet van toepassing op houten en wassen verpakkingen die onder Verordening (EG) nr. 1935/2004 vallen.
Amendement 115
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – lid 10 ter (nieuw)
10 ter.  De Commissie beoordeelt of het noodzakelijk is de op grond van lid 10 vastgestelde afwijking te verlengen. In die beoordeling wordt rekening gehouden met de beschikbare wetenschappelijke richtsnoeren van relevante regelgevende instanties, de wetenschappelijke en technische vooruitgang en de beschikbaarheid en prijzen van recyclebare materialen. Op basis daarvan en na relevante belanghebbenden te hebben geraadpleegd, presenteert de Commissie in voorkomend geval een wetgevingsvoorstel.
Amendement 116
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – lid 11
11.  De financiële bijdragen die producenten moeten betalen om te voldoen aan hun verplichtingen inzake uitgebreide producentenverantwoordelijkheid als bedoeld in artikel 40 worden afgestemd op de prestatieklasse voor recyclebaarheid als bepaald overeenkomstig de in de leden 4 en 6 van dit artikel bedoelde gedelegeerde handelingen en overeenkomstig artikel 7, lid 6.
11.  De financiële bijdragen die producenten moeten betalen om te voldoen aan hun verplichtingen inzake uitgebreide producentenverantwoordelijkheid als bedoeld in artikel 40 worden afgestemd op de prestatieklasse voor recyclebaarheid als bepaald overeenkomstig de in de leden 4 en 6 van dit artikel bedoelde gedelegeerde handelingen en overeenkomstig artikel 7, lid 6. Financiële bijdragen worden in overeenstemming met artikel 8 bis van Richtlijn 2008/98/EG bestemd voor de financiering van de nettokosten van de inzamelings-, sorteer- en recyclinginfrastructuur voor de soort verpakkingen waarvoor deze bijdragen zijn betaald, waarbij de categorieën uit tabel 1 van bijlage II worden gehanteerd.
Amendementen 117, 427 en 450
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 bis (nieuw)
Artikel 6 bis
Inerte verpakkingen
Uiterlijk op 1 januari 2029 stelt de Commissie overeenkomstig artikel 58 gedelegeerde handelingen vast om deze verordening waar nodig aan te vullen teneinde eventuele problemen bij de toepassing van de bepalingen van deze verordening op te vangen, met name voor verpakkingsmateriaal dat inert is en in zeer kleine hoeveelheden (d.w.z. ongeveer 0,1 gewichtsprocent) in de Unie in de handel wordt gebracht.
De verplichtingen uit hoofde van artikel 6 zijn niet van toepassing op dit soort verpakkingen totdat die gedelegeerde handelingen zijn vastgesteld.
Amendement 118
Voorstel voor een verordening
Artikel 7 – lid 1 – inleidende formule
1.  Vanaf 1 januari 2030 bevat het kunststof gedeelte van elke verpakkingseenheid het volgende minimumpercentage aan gerecycled materiaal dat uit kunststofafval na consumptie is teruggewonnen:
1.  Vanaf 1 januari 2030 bevat het kunststof gedeelte van verpakkingen die in de handel worden gebracht, tenzij dit leidt tot niet-naleving van de op het niveau van de Unie vastgestelde voedselveiligheidsvoorschriften, het volgende minimumpercentage aan gerecycled materiaal dat uit kunststofafval na consumptie is teruggewonnen, per verpakkingsformaat als bedoeld in tabel 1 van bijlage II, berekend als een gemiddelde per productiefaciliteit, per jaar:
Amendement 119
Voorstel voor een verordening
Artikel 7 – lid 1 – punt a
a)  30 % voor contactgevoelige verpakkingen met polyethyleentereftalaat (pet) als belangrijkste bestanddeel;
a)  30 % voor contactgevoelige verpakkingen met polyethyleentereftalaat (pet) als belangrijkste bestanddeel, met uitzondering van drankflessen voor eenmalig gebruik;
Amendement 120
Voorstel voor een verordening
Artikel 7 – lid 1 – punt b
b)  10 % voor contactgevoelige verpakkingen van een ander kunststofmateriaal dan pet, met uitzondering van kunststof drankflessen voor eenmalig gebruik;
b)  7,5 % voor contactgevoelige verpakkingen van een ander kunststofmateriaal dan pet, met uitzondering van kunststof drankflessen voor eenmalig gebruik;
Amendement 121
Voorstel voor een verordening
Artikel 7 – lid 1 – punt d
d)  35 % voor andere verpakkingen dan de in de punten a), b) en c) bedoelde verpakkingen.
d)  35 % voor andere kunststofverpakkingen dan de in de punten a), b) en c) bedoelde verpakkingen.
Amendement 122
Voorstel voor een verordening
Artikel 7 – lid 2 – inleidende formule
2.  Vanaf 1 januari 2040 bevat het kunststof gedeelte van elke verpakkingseenheid het volgende minimumpercentage aan gerecycled materiaal dat uit kunststofafval na consumptie is teruggewonnen:
2.  Vanaf 1 januari 2040 bevat het kunststof gedeelte van verpakkingen het volgende minimumpercentage aan gerecycled materiaal dat uit kunststofafval na consumptie is teruggewonnen per verpakkingsformaat zoals bedoeld in tabel 1 van bijlage II, per productiefaciliteit, per jaar:
Amendement 123
Voorstel voor een verordening
Artikel 7 – lid 2 – punt a bis (nieuw)
a bis)  25 % voor contactgevoelige verpakkingen van een ander kunststofmateriaal dan pet.
Amendement 124
Voorstel voor een verordening
Artikel 7 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.  Marktdeelnemers worden vrijgesteld van de verplichting om de streefcijfers van de leden 1 en 2 te halen indien zij gedurende een kalenderjaar beantwoorden aan de definitie van micro-ondernemingen in overeenstemming met Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie1bis.
__________________
1bis Aanbeveling van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (PB L 124 van 20.5.2003, blz. 36).
Amendement 125
Voorstel voor een verordening
Artikel 7 – lid 3 – punt b
b)  contactgevoelige kunststofverpakkingen van medische hulpmiddelen die onder Verordening (EU) 2017/745 vallen;
b)  contactgevoelige kunststofverpakkingen van medische hulpmiddelen, of hulpmiddelen die uitsluitend bedoeld zijn voor gebruik bij onderzoek en onderzoekshulpmiddelen die onder Verordening (EU) 2017/745 vallen;
Amendement 126
Voorstel voor een verordening
Artikel 7 – lid 3 – punt d bis (nieuw)
d bis)  contactgevoelige kunststofverpakkingen voor levensmiddelen bestemd voor zuigelingen en peuters en levensmiddelen voor speciale medische doeleinden en verpakkingen voor dranken en levensmiddelen die gewoonlijk worden gebruikt voor peuters als gedefinieerd in artikel 1, punten a), b) en c), van Verordening (EU) nr. 609/2013;
Amendement 127
Voorstel voor een verordening
Artikel 7 – lid 3 – punt d ter (nieuw)
d ter)  verpakkingen van benodigdheden, bestanddelen, en onmiddellijke verpakkingsonderdelen voor de vervaardiging van geneesmiddelen krachtens Richtlijn 2001/83/EG en diergeneesmiddelen krachtens Verordening (EU) 2019/6, wanneer dergelijke verpakkingen nodig zijn om te voldoen aan de kwaliteitsnormen van het geneesmiddel.
Amendement 128
Voorstel voor een verordening
Artikel 7 – lid 4
4.  De leden 1 en 2 zijn niet van toepassing op composteerbare verpakkingen.
4.  De leden 1 en 2 zijn niet van toepassing op:
a)   composteerbare verpakkingen;
b)   inkt, kleefstoffen, verf, vernis en lak die op verpakkingen worden gebruikt;
c)   elk kunststof deel dat minder dan 5 % van het totale gewicht van de volledige verpakkingseenheid uitmaakt.
Amendement 502
Voorstel voor een verordening
Artikel 7 – lid 4 bis (nieuw)
4 bis.   De leden 1 en 2 zijn niet van toepassing op kunststofverpakkingen die bestemd zijn om met levensmiddelen in contact te komen, indien de hoeveelheid gerecycled materiaal een bedreiging vormt voor de menselijke gezondheid en de naleving van de voorschriften door de producten in het gedrang dreigt te brengen.
Amendement 129
Voorstel voor een verordening
Artikel 7 – lid 4 ter (nieuw)
4 ter.  De lidstaten zorgen ervoor dat uitgebreide inzamelings- en sorteerinfrastructuur aanwezig is om recycling mogelijk te maken en de beschikbaarheid van kunststof grondstoffen voor recycling te waarborgen.
Amendement 130
Voorstel voor een verordening
Artikel 7 – lid 5
5.  In de technische informatie met betrekking tot verpakking als bedoeld in bijlage VII moet worden aangetoond dat aan de eisen van de leden 1 en 3 is voldaan.
5.  In de technische informatie met betrekking tot verpakking als bedoeld in bijlage VII moet door de marktdeelnemers worden aangetoond dat aan de eisen van de leden 1 en 3 is voldaan.
Amendement 131
Voorstel voor een verordening
Artikel 7 – lid 7
7.  Uiterlijk op 31 december 2026 wordt de Commissie bevoegd om uitvoeringshandelingen vast te stellen tot bepaling van de methode voor de berekening en verificatie van het percentage aan gerecycled materiaal dat na consumptie uit kunststofafval is teruggewonnen per kunststof verpakkingseenheid en tot bepaling van het formaat voor de in bijlage VII bedoelde technische documentatie. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 59, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
7.  Uiterlijk op 31 december 2026 stelt de Commissie in overeenstemming met artikel 58 gedelegeerde handelingen in aanvulling op deze verordening vast tot bepaling van de methode voor de berekening en verificatie van het percentage aan gerecycled materiaal dat na consumptie uit kunststofafval is teruggewonnen en tot bepaling van het formaat voor de in bijlage VII bedoelde technische documentatie. In deze gedelegeerde handelingen wordt rekening gehouden met de milieueffecten van het recyclingproces.
Amendement 132
Voorstel voor een verordening
Artikel 7 – lid 8
8.  Vanaf 1 januari 2029 moet de berekening en verificatie van het percentage gerecycled materiaal in verpakkingen overeenkomstig lid 1 voldoen aan de regels die zijn vastgesteld in de in lid 7 bedoelde uitvoeringshandeling.
8.  Vanaf 1 januari 2029 moet de berekening en verificatie van het percentage gerecycled materiaal in verpakkingen overeenkomstig lid 1 voldoen aan de regels die zijn vastgesteld in de in lid 7 bedoelde gedelegeerde handeling.
Amendement 133
Voorstel voor een verordening
Artikel 7 – lid 9 – alinea 1
Uiterlijk op 1 januari 2028 beoordeelt de Commissie of het nodig is om van het minimumpercentage van lid 1, punten b) en d), af te wijken voor specifieke kunststofverpakkingen, of om de in lid 3 vastgestelde afwijking te herzien voor specifieke kunststofverpakkingen.
Uiterlijk op 1 januari 2032 beoordeelt de Commissie de situatie met betrekking tot het gebruik van gerecyclede verpakkingsmaterialen in kunststoffen, met bijzondere aandacht voor het gebrek aan beschikbaarheid van gerecyclede kunststoffen of de negatieve gevolgen voor de gezondheid van mens of dier, de continuïteit van de voedselvoorziening en het milieu, indien er geen geschikte technologieën voor de recycling van kunststofverpakkingen beschikbaar zijn omdat daarvoor op grond van de Unieregels geen vergunning is verleend of omdat die in de praktijk niet voldoende zijn geïnstalleerd of onvoldoende hulpbronnen- en energie-efficiënt zijn.
Amendement 134
Voorstel voor een verordening
Artikel 7 – lid 9 – alinea 2 – punt a
a)  te voorzien in afwijkingen van het toepassingsgebied, het tijdschema of de hoogte van het in lid 1, punten b) en d), bedoelde percentage voor specifieke kunststofverpakkingen, en in voorkomend geval
a)  te voorzien in afwijkingen van het toepassingsgebied, het tijdschema of de hoogte van het in lid 2 bedoelde percentage
Amendement 135
Voorstel voor een verordening
Artikel 7 – lid 9 – alinea 2 – punt a bis (nieuw)
a bis)  de in de leden 1 en 2 vastgestelde streefcijfers te wijzigen;
Amendement 136
Voorstel voor een verordening
Artikel 7 – lid 9 – alinea 3
indien er geen geschikte technologieën voor de recycling van kunststofverpakkingen beschikbaar zijn omdat daarvoor op grond van de Unieregels geen vergunning voor is verleend of omdat die in de praktijk niet voldoende zijn geïnstalleerd.
Schrappen
Amendement 137
Voorstel voor een verordening
Artikel 7 – lid 10
10.  Indien dit gerechtvaardigd is door ontbrekende of excessief geprijsde specifieke gerecyclede kunststoffen die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de gezondheid van mens of dier, de veiligheid of het milieu, waardoor het uiterst moeilijk wordt om aan de in de leden 1 en 2 vastgestelde minimumpercentages gerecycled materiaal te voldoen, is de Commissie bevoegd overeenkomstig artikel 58 een gedelegeerde handeling vast te stellen om de leden 1 en 2 te wijzigen door de minimumpercentages dienovereenkomstig aan te passen. Wanneer de Commissie evalueert of een dergelijke aanpassing gerechtvaardigd is, beoordeelt zij verzoeken van natuurlijke of rechtspersonen die vergezeld gaan van relevante informatie en gegevens over de marktsituatie voor dit kunststofafval na consumptie en het beste beschikbare bewijsmateriaal met betrekking tot de daaraan verbonden risico’s voor de gezondheid van mens en dier, voor de continuïteit van de voedselvoorziening of voor het milieu.
Schrappen
Amendement 138
Voorstel voor een verordening
Artikel 7 – lid 11 bis (nieuw)
11 bis.  Uiterlijk op 31 december 2025 publiceert de Commissie een verslag waarin wordt beoordeeld of het mogelijk is streefcijfers vast te stellen voor het gebruik van biogebaseerde kunststofgrondstoffen in verpakkingen om de in artikel 7, leden 1 en 2, vastgestelde streefcijfers te halen.
In voorkomend geval en op basis van het in lid 1 bedoelde verslag dient de Commissie een wetgevingsvoorstel in om:
a)  streefcijfers vast te stellen voor het gebruik van biogebaseerde kunststofgrondstoffen in verpakkingen;
b)  duurzaamheidseisen vast te stellen voor biogebaseerde kunststofgrondstoffen om in aanmerking te komen om te worden meegerekend voor de streefcijfers, rekening houdend met de bestaande duurzaamheidscriteria van artikel 29 van Richtlijn (EU) 2018/2001;
c)  de mogelijkheid in te voeren om tot maximaal 50 % van de streefcijfers van artikel 7, leden 1 en 2, te halen door gebruik te maken van biogebaseerde kunststofgrondstoffen.
Amendement 461
Voorstel voor een verordening
Artikel 7 bis (nieuw)
Artikel 7 bis
Biogebaseerde grondstoffen in kunststofverpakkingen
Uiterlijk op 31 december 2025 publiceert de Commissie een verslag waarin wordt beoordeeld of het mogelijk is streefcijfers vast te stellen voor het gebruik van biogebaseerde grondstoffen in kunststofverpakkingen. In voorkomend geval en op basis van dat verslag dient de Commissie een wetgevingsvoorstel in om:
a)  duurzaamheidseisen vast te stellen voor biogebaseerde grondstoffen in kunststofverpakkingen, rekening houdend met de bestaande duurzaamheidscriteria van artikel 29 van Richtlijn (EU) 2018/2001;
b)  streefcijfers vast te stellen voor het gebruik van biogebaseerde grondstoffen in kunststofverpakkingen.
Amendement 139
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – lid 1
1.  Uiterlijk op [PB: gelieve de datum in te voegen = 24 maanden na de inwerkingtreding van deze verordening] moeten in artikel 3, lid 1, punten f) en g), bedoelde verpakkingen, stickers op fruit en groenten en zeer lichte plastic draagtassen composteerbaar zijn onder industrieel gecontroleerde omstandigheden in installaties voor de verwerking van bioafval.
1.  Uiterlijk op [PB: gelieve de datum in te voegen = 36 maanden vanaf de inwerkingtreding van deze verordening] moeten in artikel 3, lid 1, punt f), bedoelde verpakkingen, stickers op fruit en groenten composteerbaar zijn volgens de normen voor thuiscomposteren of onder industrieel gecontroleerde omstandigheden in installaties voor de verwerking van bioafval.
Amendement 140
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – lid 1 bis (nieuw)
1 bis.  Uiterlijk ... [PB: gelieve de datum in te voegen = 36 maanden vanaf de inwerkingtreding van deze verordening] moeten zeer lichte plastic draagtassen die noodzakelijk zijn voor losse levensmiddelen omwille van de hygiëne of die worden verstrekt als primaire verpakking voor losse levensmiddelen wanneer dit bijdraagt tot het voorkomen van voedselverspilling, composteerbaar zijn onder industrieel gecontroleerde omstandigheden in installaties voor de verwerking van bioafval, en derhalve moet worden toegestaan dat zij worden ingezameld in bakken voor biologisch afval.
Amendement 141
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – lid 2
2.  Indien er passende afvalinzamelingsregelingen en afvalverwerkingsinfrastructuur beschikbaar zijn om te waarborgen dat de in lid 1 bedoelde verpakkingen in de beheerstroom voor organisch afval terechtkomen, zijn de lidstaten bevoegd te vereisen dat lichte plastic draagtassen alleen voor het eerst op hun grondgebied in de handel mogen worden gebracht als kan worden aangetoond dat die lichte plastic draagtassen volledig zijn vervaardigd van biologisch afbreekbare kunststofpolymeren die onder industrieel gecontroleerde omstandigheden composteerbaar zijn.
2.  Indien er passende afvalinzamelingsregelingen en afvalverwerkingsinfrastructuur beschikbaar zijn om te waarborgen dat de in lid 1 bedoelde verpakkingen in de beheerstroom voor organisch afval terechtkomen, mogen de lidstaten die artikel 22 van Richtlijn 2008/98/EG ten uitvoer hebben gelegd, vereisen dat lichte plastic draagtassen alleen voor het eerst op hun grondgebied in de handel mogen worden gebracht als kan worden aangetoond dat die lichte plastic draagtassen composteerbaar zijn.
Amendement 142
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – lid 3
3.  Uiterlijk op [PB: gelieve de datum in te voegen = 24 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] moet materiaal van andere verpakkingen dan de in de leden 1 en 2 bedoelde verpakkingen, met inbegrip van verpakkingen die zijn vervaardigd van biologisch afbreekbare kunststofpolymeren, kunnen worden gerecycled zonder afbreuk te doen aan de recyclebaarheid van andere afvalstromen.
3.  Uiterlijk op ... [PB: gelieve de datum in te voegen = 36 maanden vanaf de datum van inwerkingtreding van deze verordening] moet materiaal van andere verpakkingen dan de in de leden 1 en 2 bedoelde verpakkingen, met inbegrip van verpakkingen die zijn vervaardigd van biologisch afbreekbare kunststofpolymeren en andere biologisch afbreekbare materialen, kunnen worden gerecycled in overeenstemming met artikel 6 en zonder afbreuk te doen aan de recyclebaarheid van andere afvalstromen.
Amendement 143
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – lid 3 bis (nieuw)
3 bis.  In afwijking van artikel 8, lid 3, zijn de lidstaten bevoegd te vereisen dat verpakkingen die composteerbaar zijn op hun grondgebied in het kader van de bioafvalstroom mogen worden verwerkt.
Amendement 144
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – lid 5
5.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 58 gedelegeerde handelingen vast te stellen om de leden 1 en 2 van dit artikel te wijzigen door andere soorten verpakking toe te voegen aan de soorten verpakking die onder die leden vallen, indien dit gerechtvaardigd en passend is als gevolg van technologische en regelgevingsontwikkelingen die van invloed zijn op de verwijdering van composteerbare verpakkingen, en onder de in bijlage III vastgestelde voorwaarden.
5.  De Commissie is bevoegd om, na raadpleging van deskundigengroepen, overeenkomstig artikel 58 gedelegeerde handelingen vast te stellen om de leden 1, 1 bis en 2 van dit artikel te wijzigen door andere soorten verpakking toe te voegen aan de soorten verpakking die onder die leden vallen, indien dit gerechtvaardigd en passend is als gevolg van technologische en regelgevingsontwikkelingen, onder meer met betrekking tot de etikettering van composteerbaarheid, die van invloed zijn op de verwijdering van composteerbare verpakkingen, en onder de in bijlage III vastgestelde voorwaarden.
Amendement 145
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – lid 5 bis (nieuw)
5 bis.  Uiterlijk op 31 mei 2025 verzoekt de Commissie de Europese normalisatieorganisaties de geharmoniseerde norm “Eisen voor verpakking terugwinbaar door compostering en biodegradatie – beproevingsschema en evaluatiecriteria” (EN 13432) bij te werken.
Uiterlijk op 31 mei 2025 verzoekt de Commissie de Europese normalisatieorganisaties tevens geharmoniseerde normen op te stellen met de gedetailleerde technische specificaties van de vereisten voor thuiscomposteerbare verpakkingen in dit artikel.
Amendement 416
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 – lid 1
1.  Verpakkingen worden zodanig ontworpen dat het gewicht en volume ervan worden beperkt tot het minimum dat nodig is om de functionaliteit ervan te waarborgen, rekening houdend met het materiaal waaruit de verpakkingen bestaan.
1.  Uiterlijk op 1 januari 2030 worden verpakkingen zodanig ontworpen dat het gewicht en volume ervan worden beperkt tot het minimum dat nodig is om de functies ervan zoals vastgesteld in bijlage IV, deel 1, en het doel van het product te waarborgen, rekening houdend met de vorm van de verpakkingen en het materiaal waaruit de verpakkingen bestaan.
Amendement 147
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 – lid 2
2.  Verpakkingen die niet nodig zijn om aan een van de prestatiecriteria van bijlage IV te voldoen en verpakkingen met kenmerken die uitsluitend zijn bedoeld om de indruk van een groter productvolume te wekken, zoals dubbele wanden, valse bodems en onnodige lagen, mogen niet in de handel worden gebracht, tenzij het verpakkingsontwerp onder krachtens het Unierecht beschermde herkomstaanduidingen valt.
2.  Verpakkingen die niet nodig zijn om aan een van de prestatiecriteria van bijlage IV te voldoen, en verpakkingen met kenmerken die uitsluitend zijn bedoeld om de indruk van een groter productvolume te wekken, zoals dubbele wanden, valse bodems en onnodige lagen, mogen niet in de handel worden gebracht, tenzij het verpakkingsontwerp onder herkomstaanduidingen krachtens het Unierecht valt of krachtens Verordening (EG) nr. 6/2002 wettelijk beschermd is.
Amendement 148
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.  Uiterlijk ... [PB: gelieve de datum in te voegen = 36 maanden vanaf de datum van inwerkingtreding van deze verordening] verzoekt de Commissie de Europese normalisatieorganisaties geharmoniseerde normen op te stellen of bij te werken, waar passend, om een methode vast te stellen om de voorschriften inzake de minimalisering van verpakkingen uit hoofde van deze verordening te berekenen en de naleving van deze voorschriften te verifiëren. Voor de meest gangbare verpakkingstypes en -formaten moeten in dergelijke normen de maximale gewichts- en volumegrenzen en, indien van toepassing, de wanddikte en de maximale lege ruimte worden gespecificeerd.
Amendement 149
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 – lid 4 – alinea 1 – punt c
c)  eventuele testresultaten, studies of andere relevante bronnen die zijn gebruikt om het minimaal noodzakelijke volume of gewicht van de verpakking te beoordelen.
c)  eventuele testresultaten, studies of andere relevante bronnen, zoals modellerings- en simulatiestudies, die zijn gebruikt om het minimaal noodzakelijke volume of gewicht van de verpakking te beoordelen.
Amendement 150
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 – lid 4 – alinea 2 bis (nieuw)
Micro-ondernemingen als bedoeld in artikel 22, lid 3, zijn vrijgesteld van de in dit lid vastgestelde verplichting.
Amendement 151
Voorstel voor een verordening
Artikel 10 – lid 1 – inleidende formule
1.  Verpakkingen worden als herbruikbaar beschouwd indien zij aan de volgende voorwaarden voldoen:
1.  In de handel gebrachte verpakkingen worden als herbruikbaar beschouwd indien zij aan de volgende voorwaarden voldoen:
Amendement 152
Voorstel voor een verordening
Artikel 10 – lid 1 – punt a
a)  zij zijn bedacht, ontworpen en in de handel gebracht met het oog op hergebruik of navulling;
a)  zij zijn bedacht, ontworpen en in de handel gebracht met het oog op meermalig hergebruik;
Amendement 153
Voorstel voor een verordening
Artikel 10 – lid 1 – punt b
b)  zij zijn bedacht en ontworpen om onder normaal voorspelbare gebruiksomstandigheden zo veel mogelijk trajecten of omlopen te doorlopen;
b)  zij zijn bedacht en ontworpen om onder normaal voorspelbare gebruiksomstandigheden zo veel mogelijk omlopen te doorlopen;
Amendement 154
Voorstel voor een verordening
Artikel 10 – lid 1 – punt h bis (nieuw)
h bis)  zij voldoen aan de vereisten in verband met consumentengezondheid, veiligheid en hygiëne.
Amendement 155
Voorstel voor een verordening
Artikel 10 – lid 1 bis (nieuw)
1 bis.  Uiterlijk ... [PB: gelieve datum in te voegen = 24 maanden na de inwerkingtreding van deze verordening] stelt de Commissie een gedelegeerde handeling vast tot vaststelling van een minimaal aantal omlopen, zoals bedoeld in lid 1, punt b), voor herbruikbare verpakkingen van verschillende en relevante materiaal- en verpakkingscategorieën.
Amendement 156
Voorstel voor een verordening
Artikel 10 ter (nieuw)
Artikel 10 ter
Rechtvaardige transitie
Vanaf 2025 voeren de lidstaten om de twee jaar werkgelegenheidseffectbeoordelingen (WEB’s) uit, waarmee de gevolgen worden beoordeeld van de in deze verordening vastgestelde verplichtingen voor het aantal gecreëerde, gewijzigde en geschrapte banen, alsook voor het anticiperen op vaardigheden en competenties, voor de arbeidsomstandigheden, met inbegrip van gezondheid en veiligheid op het werk, en voor de gendergelijkheid, zowel op nationaal als regionaal niveau en in alle sectoren die onder deze verordening vallen, en leggen deze voor aan de Commissie en het Europees Parlement. In de WEB wordt vastgelegd hoe de lidstaat zijn bevindingen wil verwerken in wetgevende en niet-wetgevende maatregelen, met inbegrip van publieke en private investeringen.
Alvorens de WEB’s bij de Commissie en het Europees Parlement in te dienen, informeren en raadplegen de lidstaten de nationale sociale partners die werknemers en werkgevers vertegenwoordigen in de sectoren die onder deze verordening vallen, over de WEB’s.
Amendement 157
Voorstel voor een verordening
Artikel 11 – lid 1 – alinea 1
Vanaf [PB: gelieve datum in te voegen = 42 maanden na de inwerkingtreding van deze verordening] wordt op verpakkingen een etiket aangebracht met informatie over de materiële samenstelling ervan. Deze verplichting geldt niet voor verzendverpakkingen. Deze verplichting geldt echter wel voor verpakkingen voor de elektronische handel.
Vanaf [PB: gelieve datum in te voegen = 24 maanden na de vaststelling van de in de leden 5 en 6 bedoelde uitvoeringshandelingen] wordt op in de handel gebrachte verpakkingen een etiket aangebracht met informatie over de materiële samenstelling ervan, teneinde het sorteren van afval door de consument te vergemakkelijken. Het etiket is uitsluitend gebaseerd op pictogrammen en is eenvoudig te begrijpen, ook voor personen met een handicap. Deze verplichting geldt niet voor verzendverpakkingen. Deze verplichting geldt echter wel voor verpakkingen voor de elektronische handel.
Amendement 158
Voorstel voor een verordening
Artikel 11 – lid 1 – alinea 1 bis (nieuw)
Het etiket mag vergezeld gaan van een QR-code of een ander soort digitale gegevensdrager op de verpakking die informatie bevat over de bestemming van elk afzonderlijk onderdeel van de verpakking om het sorteren door de consument te vergemakkelijken.
Amendement 159
Voorstel voor een verordening
Artikel 11 – lid 1 – alinea 2
Verpakkingen die vallen onder een statiegeldregeling als bedoeld in artikel 44, lid 1, worden naast de in de eerste alinea bedoelde etikettering ook voorzien van een geharmoniseerd etiket dat wordt vastgelegd in de desbetreffende overeenkomstig lid 5 vastgestelde uitvoeringshandeling.
Verpakkingen die vallen onder een statiegeldregeling als bedoeld in artikel 44, lid 1, worden voorzien van een gekleurd geharmoniseerd etiket dat wordt vastgelegd in de desbetreffende overeenkomstig lid 5 vastgestelde uitvoeringshandeling.
Amendement 160
Voorstel voor een verordening
Artikel 11 – lid 1 – alinea 2 bis (nieuw)
Etiketten van statiegeldregelingen die zijn vastgesteld vóór de inwerkingtreding van deze verordening mogen tot 36 maanden na de vaststelling van de overeenkomstig lid 5 vastgestelde uitvoeringshandeling samen met het geharmoniseerde etiket worden gebruikt.
Amendement 161
Voorstel voor een verordening
Artikel 11 – lid 2
2.  Vanaf [PB: gelieve datum in te voegen = 48 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] worden verpakkingen voorzien van een etiket over de herbruikbaarheid van de verpakking en van een QR-code of een ander soort digitale gegevensdrager waarmee nadere informatie wordt verstrekt over de herbruikbaarheid van de verpakking, met inbegrip van de beschikbaarheid van een systeem voor hergebruik en inzamelpunten, en waarmee het traceren van de verpakking en het berekenen van het aantal trajecten en omlopen wordt vergemakkelijkt. Daarnaast worden herbruikbare verkoopverpakkingen duidelijk op het verkooppunt geïdentificeerd en onderscheiden van wegwerpverpakkingen.
2.  Vanaf [PB: gelieve datum in te voegen = 30 maanden na de datum van inwerkingtreding van de in artikel 5 bedoelde uitvoeringshandeling] worden in de handel gebrachte, herbruikbare verpakkingen voorzien van een etiket over de herbruikbaarheid van de verpakking. Nadere informatie over de herbruikbaarheid kan worden verstrekt met een QR-code of een ander soort digitale gegevensdrager waarmee nadere informatie wordt verstrekt over de herbruikbaarheid van de verpakking, met inbegrip van de beschikbaarheid van een systeem voor hergebruik en inzamelpunten, en waarmee het traceren van de verpakking en het berekenen van het aantal trajecten en omlopen wordt vergemakkelijkt. Daarnaast worden herbruikbare verkoopverpakkingen duidelijk op het verkooppunt geïdentificeerd en onderscheiden van wegwerpverpakkingen.
Amendement 162
Voorstel voor een verordening
Artikel 11 – lid 3
3.  Indien een onder artikel 7 vallende verpakkingseenheid voorzien is van een etiket waarop het gehalte aan gerecycled materiaal is aangegeven, moet dat etiket voldoen aan de specificaties in de desbetreffende uitvoeringshandeling die uit hoofde van artikel 11, lid 5, is vastgesteld en worden gebaseerd op de methode van artikel 7, lid 7. Indien een kunststof verpakkingseenheid is voorzien van een etiket met informatie over het gehalte aan biogebaseerde kunststof, moet dat etiket voldoen aan de specificaties in de desbetreffende uitvoeringshandeling die uit hoofde van artikel 11, lid 5, is vastgesteld.
3.  Indien een onder artikel 7 vallende verpakking voorzien is van een etiket waarop het gehalte aan gerecycled materiaal is aangegeven, moet dat etiket, en, in voorkomend geval, de QR-code of andere soort digitale gegevensdrager voldoen aan de specificaties in de desbetreffende uitvoeringshandeling die uit hoofde van artikel 11, lid 5, is vastgesteld en worden gebaseerd op de methode van artikel 7, lid 7. Indien een verpakking is voorzien van een etiket met informatie over het gehalte aan biogebaseerde kunststof, moet dat etiket voldoen aan de specificaties in de desbetreffende uitvoeringshandeling die uit hoofde van artikel 11, lid 5, is vastgesteld.
Amendement 370
Voorstel voor een verordening
Artikel 11 – lid 4 – alinea 1
De in de leden 1 tot en met 3 bedoelde etiketten en de in lid 2 bedoelde QR-code of andere soort digitale gegevensdrager worden zichtbaar, duidelijk leesbaar en onuitwisbaar op de verpakking aangebracht, afgedrukt of gegraveerd. Indien dit vanwege de aard en afmeting van de verpakking niet mogelijk of niet gegrond is, worden deze aangebracht op de verzamelverpakking.
De in de leden 1 tot en met 3 bedoelde etiketten en de in lid 2 bedoelde QR-code of andere soort digitale gegevensdrager worden zichtbaar, duidelijk leesbaar en vast op de verpakking aangebracht, afgedrukt of gegraveerd, zodat ze niet eenvoudig kunnen worden gewist. Indien dit vanwege de aard en afmeting van de verpakking niet mogelijk of niet gegrond is, worden deze aangebracht op de verzamelverpakking.
Indien dit vanwege de aard en afmeting van de verpakking niet mogelijk of niet gegrond is of wanneer het relevant is te voorzien in niet-discriminerende toegang tot informatie voor kwetsbare groepen, met name visueel gehandicapten, worden de in de leden 1 en 3 bedoelde etiketten verstrekt via één elektronisch leesbare code of andere soort gegevensdrager.
Amendement 164
Voorstel voor een verordening
Artikel 11 – lid 4 –alinea 1 bis (nieuw)
Wanneer informatie overeenkomstig de leden 2 en 3 langs elektronische weg wordt verstrekt, zijn de volgende vereisten van toepassing:
a)   passende, relevante persoonsgegevens worden verzameld met het beperkte doel de gebruiker toegang te verlenen tot relevante informatie over de naleving als bedoeld in de leden 2 tot en met 3 van dit artikel met betrekking tot artikel 5, lid 1 van Verordening 2016/679(EU);
b)   de informatie wordt niet samen met andere informatie voor verkoop- of marketingdoeleinden getoond.
Amendement 165
Voorstel voor een verordening
Artikel 11 – lid 5
5.  Uiterlijk op [PB: gelieve datum in te voegen = 18 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] stelt de Commissie uitvoeringshandelingen vast tot vaststelling van een geharmoniseerd etiket en geharmoniseerde specificaties voor de etiketteringseisen en de formaten van de etikettering van verpakkingen als bedoeld in de leden 1 tot en met 3, en van de etikettering van afvalbakken als bedoeld in artikel 12. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 59, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
5.  Uiterlijk op [PB: gelieve datum in te voegen = 18 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] stelt de Commissie uitvoeringshandelingen vast tot vaststelling van een geharmoniseerd etiket en geharmoniseerde specificaties voor de etiketteringseisen en de formaten van de etikettering, ook bij verstrekking langs digitale weg, van verpakkingen als bedoeld in de leden 1 tot en met 3, en van de etikettering van afvalbakken als bedoeld in artikel 12. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 59, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
Amendement 166
Voorstel voor een verordening
Artikel 11 – lid 6
6.  Uiterlijk op [PB: gelieve datum in te voegen = 24 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] stelt de Commissie uitvoeringshandelingen vast om de methode voor het identificeren van de materiële samenstelling van verpakkingen als bedoeld in lid 1 vast te stellen door middel van digitale markeringstechnologieën. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 59, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
6.  Uiterlijk op [PB: gelieve datum in te voegen = 18 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] stelt de Commissie uitvoeringshandelingen vast om de methode voor het identificeren van de materiële samenstelling van verpakkingen als bedoeld in lid 1 vast te stellen door middel van digitale markeringstechnologieën. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 59, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
Amendement 167
Voorstel voor een verordening
Artikel 11 – lid 7
7.  Onverminderd de eisen voor andere geharmoniseerde EU-etiketten, mogen marktdeelnemers geen etiketten, markeringen, symbolen of opschriften verstrekken of tonen waarmee consumenten of andere eindgebruikers waarschijnlijk worden misleid of in verwarring worden gebracht met betrekking tot de duurzaamheidseisen voor verpakkingen, andere eigenschappen van verpakkingen of opties voor het beheer van verpakkingsafval, waarvoor in deze verordening geharmoniseerde etikettering is vastgesteld.
7.  Onverminderd de eisen voor andere geharmoniseerde EU-etiketten, mogen marktdeelnemers geen etiketten, markeringen, symbolen of opschriften verstrekken of tonen waarmee consumenten of andere eindgebruikers waarschijnlijk worden misleid of in verwarring worden gebracht met betrekking tot de duurzaamheidseisen voor verpakkingen, andere eigenschappen van verpakkingen of opties voor het beheer van verpakkingsafval, waarvoor in deze verordening geharmoniseerde etikettering is vastgesteld.
Vanaf [PB: gelieve datum in te voegen = 24 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] stelt de Commissie richtsnoeren vast ter verduidelijking van aspecten die misleidend of verwarrend kunnen zijn voor consumenten of andere eindgebruikers.
Amendement 169
Voorstel voor een verordening
Artikel 11 – lid 8 bis (nieuw)
8 bis.  Verpakkingen als bedoeld in de leden 1, 2 en 3, die vóór de in die leden bedoelde termijnen zijn vervaardigd of ingevoerd, mogen tot 36 maanden na de datum van inwerkingtreding van de in de leden 1, 2 en 3 vastgestelde etiketteringsvoorschriften in de handel worden gebracht.
Amendement 170
Voorstel voor een verordening
Artikel 12 – alinea 1
Uiterlijk op 1 januari 2028 worden op alle bakken voor de inzameling van verpakkingsafval zichtbaar, leesbaar en onuitwisbaar etiketten aangebracht, afgedrukt of gegraveerd waardoor elke materiaalspecifieke fractie van verpakkingsafval dat moet worden verwijderd in afzonderlijke bakken gescheiden kan worden ingezameld.
Uiterlijk op [PB: gelieve datum in te voegen = 30 maanden na de vaststelling van de in de leden 5 en 6 bedoelde uitvoeringshandelingen] worden op alle bakken voor de inzameling van verpakkingsafval zichtbaar, leesbaar en onuitwisbaar etiketten aangebracht, afgedrukt of gegraveerd waardoor elke materiaalspecifieke fractie van verpakkingsafval dat moet worden verwijderd in afzonderlijke bakken gescheiden kan worden ingezameld.
Amendement 171
Voorstel voor een verordening
Artikel 12 bis (nieuw)
Artikel 12 bis
Verpakkingsforum
De Commissie zorgt bij de uitvoering van haar activiteiten voor een evenwichtige deelname van vertegenwoordigers van de lidstaten en alle belanghebbende partijen die betrokken zijn bij de verpakkingsindustrie, met inbegrip van vertegenwoordigers van de afvalverwerkingssector, fabrikanten en leveranciers van verpakkingen, distributeurs, detailhandelaren, kmo’s, milieubeschermingsorganisaties en consumentenorganisaties. Deze partijen worden met name geraadpleegd ter voorbereiding van de gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen waarin deze verordening voorziet om de duurzaamheidseisen verder te ontwikkelen en uit te werken en om de doeltreffendheid van de vastgestelde markttoezichtmechanismen te onderzoeken. Hiertoe richt de Commissie een deskundigengroep op, het “Verpakkingsforum” genoemd, in het kader waarvan die partijen bijeenkomen.
Amendement 172
Voorstel voor een verordening
Artikel 12 ter (nieuw)
Artikel 12 ter
Claims
Milieuclaims zoals gedefinieerd in artikel 2, punt o), van Richtlijn 2005/29/EG mogen alleen worden gedaan in verband met in de handel gebrachte verpakkingen indien zij aan de volgende vereisten voldoen:
a)  zij zijn gestaafd overeenkomstig [artikel 3 van de richtlijn inzake groene claims]; zij specificeren met name of zij betrekking hebben op de verpakkingseenheid, een deel van de verpakkingseenheid of op alle verpakkingen die door de producent in de handel worden gebracht;
b)  zij hebben betrekking op verpakkingseigenschappen die de toepasselijke minimumeisen van deze verordening overtreffen.
In de technische documentatie met betrekking tot verpakking in bijlage VII wordt aangetoond dat aan de eisen van punt b) van dit artikel is voldaan.
Amendement 173
Voorstel voor een verordening
Artikel 13 – lid 1 – punt b bis (nieuw)
b bis)  in overeenstemming zijn met de vereisten op het gebied van levensmiddelenhygiëne en de veiligheid van consumenten.
Amendement 174
Voorstel voor een verordening
Artikel 13 – lid 6 bis (nieuw)
6 bis.  Voor geneesmiddelen als omschreven in Richtlijn 2001/83/EG is de houder van de vergunning voor het in de handel brengen verantwoordelijk voor de verstrekte informatie.
Amendement 175
Voorstel voor een verordening
Artikel 13 – lid 8
8.  Fabrikanten die van oordeel zijn of redenen hebben om aan te nemen dat door hen in de handel gebrachte verpakkingen niet voldoen aan een of meer van de toepasselijke eisen van de artikelen 5 tot en met 11, treffen onmiddellijk de corrigerende maatregelen die nodig zijn om die verpakkingen conform te maken of zo nodig uit de handel te nemen of terug te roepen. Fabrikanten stellen in de lidstaat waar zij de verpakkingen op de markt hebben aangeboden onmiddellijk de markttoezichtautoriteit in kennis van de vermeende niet-naleving en van de eventueel genomen corrigerende maatregelen.
8.  Fabrikanten die van oordeel zijn of redenen hebben om aan te nemen dat door hen na de inwerkingtreding van deze verordening in de handel gebrachte verpakkingen niet voldoen aan een of meer van de toepasselijke eisen van de artikelen 5 tot en met 11, treffen onmiddellijk de corrigerende maatregelen die nodig zijn om die verpakkingen conform te maken of zo nodig uit de handel te nemen of terug te roepen. Fabrikanten stellen in de lidstaat waar zij de verpakkingen op de markt hebben aangeboden onmiddellijk de markttoezichtautoriteit in kennis van de vermeende niet-naleving en van de eventueel genomen corrigerende maatregelen.
Amendement 176
Voorstel voor een verordening
Artikel 13 – lid 8 bis (nieuw)
8 bis.  In afwijking van lid 8, is de verplichting om verpakkingen waarvan wordt aangenomen dat zij niet voldoen aan de toepasselijke vereisten, conform te maken, uit de handel te nemen of terug te roepen, niet van toepassing op herbruikbare verpakkingen die voor de inwerkingtreding van deze verordening in de handel zijn gebracht.
Amendement 177
Voorstel voor een verordening
Artikel 13 – lid 9
9.  Fabrikanten verstrekken op een met redenen omkleed verzoek van een nationale autoriteit alle benodigde informatie en documentatie om de conformiteit van de verpakking aan te tonen, met inbegrip van de technische documentatie, in een taal of talen die deze autoriteit gemakkelijk kan begrijpen. Deze informatie en documentatie worden op papier of elektronisch verstrekt. De relevante documenten worden binnen tien dagen na ontvangst van het verzoek van de bevoegde nationale autoriteit beschikbaar gesteld. Fabrikanten werken samen met de nationale autoriteit aan alle maatregelen die worden getroffen om gevallen van niet-naleving van de eisen van de artikelen 5 tot en met 10 te verhelpen.
9.  Fabrikanten verstrekken op een met redenen omkleed verzoek van een nationale autoriteit alle benodigde informatie en documentatie om de conformiteit van de verpakking aan te tonen, met inbegrip van de technische documentatie, in een taal of talen die deze autoriteit gemakkelijk kan begrijpen. Deze informatie en documentatie worden elektronisch verstrekt. De relevante documenten worden binnen tien dagen na ontvangst van het verzoek van de bevoegde nationale autoriteit beschikbaar gesteld. Fabrikanten werken samen met de nationale autoriteit aan alle maatregelen die worden getroffen om gevallen van niet-naleving van de eisen van de artikelen 5 tot en met 10 te verhelpen.
Amendement 178
Voorstel voor een verordening
Artikel 13 – lid 9 bis (nieuw)
9 bis.  De leden 1 tot en met 6 zijn niet van toepassing op op maat gemaakte verzendverpakkingen voor configureerbare medische hulpmiddelen en medische systemen die zijn bedoeld voor gebruik in industriële en gezondheidszorgomgevingen te worden gebruikt.
Amendement 179
Voorstel voor een verordening
Artikel 16 – lid 10 bis (nieuw)
10 bis.  Om te voldoen aan de in dit artikel vastgestelde verplichtingen kunnen de lidstaten instrumenten ter beschikking stellen om marktdeelnemers die producten invoeren op het grondgebied van de Unie, te ondersteunen.
Amendement 180
Voorstel voor een verordening
Artikel 17 – lid 2 – punt a
a)  de producent op wie de verplichtingen inzake uitgebreide producentenverantwoordelijkheid voor de verpakkingen rust, geregistreerd is in het in artikel 40 bedoelde producentenregister;
a)  de producent op wie de verplichtingen inzake uitgebreide producentenverantwoordelijkheid voor de verpakkingen rust, geregistreerd is in het in artikel 39 bedoelde producentenregister;
Amendement 181
Voorstel voor een verordening
Artikel 17 – lid 3 – alinea 2 bis (nieuw)
De door de producent meegedeelde informatie wordt door de distributeur niet gebruikt voor andere doeleinden dan het verifiëren van de naleving van de toepasselijke eisen. Het is distributeurs verboden dergelijke informatie te misbruiken voor commerciële doeleinden.
Amendement 182
Voorstel voor een verordening
Artikel 18 – alinea 1
Fulfilmentdienstverleners waarborgen dat de omstandigheden bij het opslaan, hanteren en verpakken, adresseren of verzenden van de verpakkingen die zij hanteren de conformiteit van de verpakking met de eisen van de artikelen 5 tot en met 11 niet in gevaar brengen.
Fulfilmentdienstverleners en onlineplatforms waarborgen dat de omstandigheden bij het opslaan, hanteren en verpakken, adresseren of verzenden van de verpakkingen die zij hanteren of aanbieden op hun onlineplatforms de conformiteit van de verpakking met de toepasselijke eisen van de artikelen 5 tot en met 11 niet in gevaar brengen.
Amendement 183
Voorstel voor een verordening
Artikel 18 bis (nieuw)
Artikel 18 bis
Verplichtingen van aanbieders van onlineplatforms
Aanbieders van onlineplatforms voldoen onverwijld aan de desbetreffende eisen van Verordening (EU) 2022/2065 en zorgen ervoor dat zij over interne nalevingsprocedures beschikken.
Amendement 184
Voorstel voor een verordening
Artikel 19 – alinea 1
Een importeur of distributeur wordt beschouwd als fabrikant voor de toepassing van deze verordening en is onderworpen aan de verplichtingen van de fabrikant overeenkomstig artikel 14, wanneer hij/zij verpakkingen onder zijn/haar eigen naam of merknaam in de handel brengt of al in de handel gebrachte verpakkingen zodanig wijzigt dat de naleving van de relevante eisen van deze verordening in het gedrang kan komen.
Een importeur of distributeur wordt beschouwd als fabrikant voor de toepassing van deze verordening en is onderworpen aan de verplichtingen van de fabrikant overeenkomstig artikel 13, wanneer hij/zij verpakkingen onder zijn/haar eigen naam of merknaam in de handel brengt of al in de handel gebrachte verpakkingen zodanig wijzigt dat de naleving van de relevante eisen van deze verordening in het gedrang kan komen.
Amendement 439
Voorstel voor een verordening
Artikel 21 – lid 1
1.  Marktdeelnemers die producten in verzamelverpakkingen, verzendverpakkingen of verpakkingen voor de elektronische handel aan een einddistributeur of eindgebruiker leveren, waarborgen dat het percentage lege ruimte maximaal 40 % bedraagt.
1.  Uiterlijk op 1 januari 2030 waarborgen marktdeelnemers die producten in verzamelverpakkingen, verzendverpakkingen of verpakkingen voor de elektronische handel aan een einddistributeur of eindgebruiker leveren, dat het percentage lege ruimte tot een minimum wordt beperkt overeenkomstig de bepalingen van bijlage IV, deel 1, tenzij dit vereist is om breekbare goederen te beschermen en te vervoeren of zou leiden tot een grotere hoeveelheid verpakkingsmateriaal als gevolg van de specifieke vorm van het product of de verkoopverpakking.
Amendement 186
Voorstel voor een verordening
Artikel 21 – lid 3 bis (nieuw)
3 bis.  Marktdeelnemers die herbruikbare verpakkingen gebruiken binnen een systeem voor hergebruik, zijn vrijgesteld van de in lid 1 vastgestelde verplichting.
Amendementen 437 en 499
Voorstel voor een verordening
Artikel 22 – lid 1
1.  Marktdeelnemers brengen geen verpakkingen in de handel in de formaten en voor de doeleinden die zijn vermeld in bijlage V.
1.  Vanaf 1 januari 2030 brengen marktdeelnemers geen verpakkingen in de handel in de formaten en voor de doeleinden die zijn vermeld in bijlage V, tenzij:
a)  het in de handel brengen van deze verpakkingen in overeenstemming is met artikel 4, lid 2, van Richtlijn 2008/98/EG; en
b)  de marktdeelnemers kunnen aantonen dat deze verpakkingsformaten, op basis van het voornaamste verpakkingsmateriaal, tegen 2028 en daarna jaarlijks voor ten minste 85 gewichtsprocent doeltreffend worden ingezameld met het oog op recycling.
Amendement 440
Voorstel voor een verordening
Artikel 22 – lid 1 bis (nieuw)
1 bis.   Het bepaalde in lid 1 laat artikel 8, lid 3 bis, onverlet.
Amendement 445
Voorstel voor een verordening
Artikel 22 – lid 2
2.  In afwijking van lid 1 brengen marktdeelnemers vanaf 1 januari 2030 geen verpakkingen in de handel in de formaten en voor de doeleinden die zijn vermeld in punt 3 van bijlage V.
2.  In afwijking van lid 1 brengen marktdeelnemers vanaf 1 januari 2030 geen verpakkingen in de handel in de formaten en voor de doeleinden die zijn vermeld in punt 3 van bijlage V, behalve als zij kunnen aantonen dat ten minste 85 gewichtsprocent van het verpakkingsafval dat zij op de markt brengen voor directe consumptie gescheiden wordt ingezameld bij het verkooppunt, uitgaande van het hoofdmateriaal van de verpakking.
Marktdeelnemers waarop de in de eerste alinea bedoelde verplichting van toepassing is, brengen jaarlijks verslag uit aan de lidstaten over het gewicht van het gescheiden ingezamelde verpakkingsafval per materiaal. Elke lidstaat verstrekt de Commissie geaggregeerde gegevens per gescheiden ingezameld verpakkingsmateriaal.
Amendement 188
Voorstel voor een verordening
Artikel 22 – lid 3
3.  De lidstaten kunnen marktdeelnemers van punt 3 van bijlage V vrijstellen indien die marktdeelnemers overeenkomstig de op [PB: gelieve datum in te voegen = datum van inwerkingtreding van deze verordening] geldende regels van Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie voldoen aan de definitie van “micro-onderneming” en indien het technisch niet haalbaar is geen verpakking te gebruiken of toegang te krijgen tot de infrastructuur die nodig is voor de werking van een systeem voor hergebruik.
3.  Marktdeelnemers moeten worden vrijgesteld van de toepassing van punt 3 van bijlage V indien die marktdeelnemers overeenkomstig de op [PB: gelieve datum in te voegen = datum van inwerkingtreding van deze verordening] geldende regels van Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie voldoen aan de definitie van “micro- onderneming”. Daarnaast verlenen de lidstaten vrijstelling wanneer is aangetoond dat het technisch niet haalbaar is geen verpakking te gebruiken of toegang te krijgen tot de infrastructuur die nodig is voor de werking van een systeem voor hergebruik.
Amendement 373
Voorstel voor een verordening
Artikel 22 – lid 4
4.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 58 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van bijlage V, teneinde deze aan te passen aan de technische en wetenschappelijke vooruitgang met het oog op de vermindering van verpakkingsafval. Bij het vaststellen van die gedelegeerde handelingen houdt de Commissie rekening met het potentieel van de beperkingen van het gebruik van specifieke verpakkingsformaten voor het verminderen van de productie van verpakkingsafval terwijl zij waarborgt dat het totale milieueffect positief is, en houdt zij rekening met de beschikbaarheid van alternatieve verpakkingsoplossingen die voldoen aan de eisen van wetgeving die van toepassing is op contactgevoelige verpakkingen, alsook met de vraag of met die alternatieven microbiologische besmetting van het verpakte product kan worden voorkomen.
4.  Uiterlijk op ... [PB: gelieve datum in te voegen = vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] herziet de Commissie de beperkingen van het gebruik van specifieke verpakkingsformaten voor het verminderen van de productie van verpakkingsafval terwijl zij waarborgt dat het totale milieueffect positief is, en houdt zij rekening met de beschikbaarheid van alternatieve verpakkingsoplossingen die voldoen aan de eisen van wetgeving die van toepassing is op contactgevoelige verpakkingen, alsook met de vraag of met die alternatieven microbiologische besmetting van het verpakte product kan worden voorkomen. Hiertoe dient de Commissie een verslag in, indien nodig vergezeld van een wetgevingsvoorstel, bij het Europees Parlement en de Raad.
Amendement 190
Voorstel voor een verordening
Artikel 22 bis (nieuw)
Artikel 22 bis
Beperking van het gebruik van bepaalde zeer lichte plastic draagtassen
1.  Marktdeelnemers brengen geen zeer lichte plastic draagtassen in de handel.
2.  Onverminderd artikel 8, lid 1 bis, is lid 1 van dit artikel niet van toepassing op zeer lichte plastic draagtassen die noodzakelijk zijn om hygiënische redenen of die worden verstrekt als primaire verpakking voor losse levensmiddelen wanneer dit voedselverspilling helpt te voorkomen.
Amendement 191
Voorstel voor een verordening
Artikel 23 – lid 1
1.  Marktdeelnemers die herbruikbare verpakkingen in de handel brengen, waarborgen dat er een systeem voor hergebruik van dergelijke verpakkingen beschikbaar is dat aan de eisen van artikel 24 en bijlage VI voldoet.
1.  Marktdeelnemers die herbruikbare verpakkingen in de handel brengen, waarborgen dat er een systeem voor hergebruik van dergelijke verpakkingen, met inbegrip van een stimulans om inzameling te waarborgen, beschikbaar is dat aan de eisen van artikel 24 en bijlage VI voldoet. Aan dit lid wordt geacht te zijn voldaan indien er in de lidstaten reeds systemen voor hergebruik bestaan.
Amendement 192
Voorstel voor een verordening
Artikel 24 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.  Marktdeelnemers die herbruikbare verpakkingen gebruiken, kunnen derden aanwijzen die verantwoordelijk zijn voor een of meer gemeenschappelijke systemen voor hergebruik. De aangewezen derden zorgen ervoor dat de systemen voor hergebruik waarvan de herbruikbare verpakking deel uitmaakt, voldoen aan de eisen van deel A van bijlage VI.
Wanneer marktdeelnemers een derde als bedoeld in lid 2 bis hebben aangewezen, voldoet de derde namens hen aan de in dit artikel vastgestelde verplichtingen.
Amendement 193
Voorstel voor een verordening
Artikel 25 – lid 3
3.  Marktdeelnemers die navulling aanbieden, waarborgen dat verpakkingen die bij navulstations aan eindgebruikers worden verstrekt alleen tegen betaling worden verstrekt of worden verstrekt in het kader van een statiegeldregeling.
3.  Marktdeelnemers die navulling aanbieden, waarborgen dat, als verpakkingen bij navulstations aan eindgebruikers worden verstrekt, deze alleen tegen betaling worden verstrekt of worden verstrekt in het kader van een statiegeldregeling.
Amendement 194
Voorstel voor een verordening
Artikel 25 – lid 4
4.  Marktdeelnemers mogen weigeren een door de eindgebruiker verstrekte houders na te vullen indien de eindgebruiker niet voldoet aan de door de marktdeelnemer overeenkomstig lid 1 meegedeelde eisen.
4.  Marktdeelnemers mogen weigeren een door de eindgebruiker verstrekte houder na te vullen indien de eindgebruiker niet voldoet aan de door de marktdeelnemer overeenkomstig lid 1 meegedeelde eisen, met name indien zij de houder onhygiënisch vinden of ongeschikt achten voor de levensmiddelen of dranken die worden verkocht.
Marktdeelnemers zijn niet aansprakelijk voor problemen in verband met hygiëne of voedselveiligheid die het gevolg kunnen zijn van het gebruik van houders die door de eindgebruiker worden verstrekt.
Amendement 195
Voorstel voor een verordening
Artikel 25 – lid 4 bis (nieuw)
4 bis.  Vanaf 1 januari 2030 streven einddistributeurs met een oppervlakte van meer dan 400 m², met uitzondering van alle opslag- en verzendingsgebieden, ernaar 10 % van hun verkoopoppervlakte te wijden aan navulstations voor zowel levensmiddelen als niet-voedingsproducten.
Amendement 196
Voorstel voor een verordening
Artikel 26 – titel
Streefcijfers voor hergebruik en navulling
Streefcijfers voor hergebruik
Amendementen 197, 374 en 442
Voorstel voor een verordening
Artikel 26 – lid 1
1.  Vanaf 1 januari 2030 waarborgen marktdeelnemers die in punt 2 van bijlage II bij Richtlijn 2012/19/EU vermelde grote huishoudelijke apparaten voor het eerst op het grondgebied van een lidstaat op de markt aanbieden dat 90 % van die producten worden aangeboden in een herbruikbare verzendverpakking die onder een systeem voor hergebruik valt.
1.  Marktdeelnemers, met inbegrip van onlineplatforms, die in punt 1 van bijlage II bij Richtlijn 2012/19/EU vermelde grote huishoudelijke apparaten voor het eerst op het grondgebied van een lidstaat op de markt aanbieden:
a)  waarborgen dat vanaf 1 januari 2030 50 % van die producten worden aangeboden in een herbruikbare verzendverpakking, met uitzondering van karton, die onder een systeem voor hergebruik valt;
b)  streven ernaar dat vanaf 1 januari 2040 90 % van die producten worden aangeboden in een herbruikbare verzendverpakking, met uitzondering van karton, die onder een systeem voor hergebruik valt.
Beschermende verpakkingen die zijn ontworpen om kwetsbare en/of zware goederen te beschermen en die op maat zijn toegesneden om speciale apparaten te beschermen, zijn vrijgesteld van de verplichting tot hergebruik.
Amendement 198
Voorstel voor een verordening
Artikel 26 – lid 2
2.  Einddistributeurs die op het grondgebied van een lidstaat koude of warme dranken op de markt aanbieden waarmee op het verkooppunt een houder wordt gevuld om deze mee te nemen, waarborgen:
Schrappen
a)  vanaf 1 januari 2030 dat 20 % van die dranken wordt aangeboden in herbruikbare verpakkingen die onder een systeem voor hergebruik vallen of kunnen worden nagevuld;
b)  vanaf 1 januari 2040 dat 80 % van die dranken wordt aangeboden in herbruikbare verpakkingen die onder een systeem voor hergebruik vallen of kunnen worden nagevuld.
Amendement 199
Voorstel voor een verordening
Artikel 26 – lid 3
3.  Einddistributeurs die hun bedrijfsactiviteiten in de horecasector uitoefenen en die bereide afhaalmaaltijden op het grondgebied van een lidstaat op de markt aanbieden die bestemd zijn voor onmiddellijke consumptie zonder dat verdere bereiding nodig is en die doorgaans vanuit het bakje wordt geconsumeerd, waarborgen:
Schrappen
a)  vanaf 1 januari 2030 dat 10 % van die producten wordt aangeboden in herbruikbare verpakkingen die onder een systeem voor hergebruik vallen of kunnen worden nagevuld;
b)  vanaf 1 januari 2040 dat 40 % van die producten wordt aangeboden in herbruikbare verpakkingen die onder een systeem voor hergebruik vallen of kunnen worden nagevuld.
Amendement 394
Voorstel voor een verordening
Artikel 26 – lid 3 bis (nieuw)
3 bis.   Wanneer een einddistributeur alcoholvrije dranken, met uitzondering van melk, in een verkoopverpakking op de markt aanbiedt: a) waarborgt hij dat op het grondgebied van een lidstaat vanaf 1 januari 2030 ten minste 20 % van die producten wordt aangeboden in herbruikbare verpakkingen die onder een systeem voor hergebruik vallen; b) streeft hij ernaar dat vanaf 1 januari 2040 ten minste 35 % van die producten wordt aangeboden in herbruikbare verpakkingen die onder een systeem voor hergebruik vallen.
Amendement 201
Voorstel voor een verordening
Artikel 26 – lid 3 ter (nieuw)
3 ter.  Wanneer een einddistributeur alcoholische dranken, met uitzondering van wijn en mousserende wijn, in een verkoopverpakking op de markt aanbiedt op het grondgebied van een lidstaat:
a)  waarborgt hij dat vanaf 1 januari 2030 ten minste 10 % van die producten wordt aangeboden in herbruikbare verpakkingen die onder een systeem voor hergebruik vallen;
b)  streeft hij ernaar dat vanaf 1 januari 2040 ten minste 25 % van die producten wordt aangeboden in herbruikbare verpakkingen die onder een systeem voor hergebruik vallen;
c)  voldoet hij aan de in de punten a) en b) van dit lid bedoelde streefcijfers op zodanige wijze dat andere categorieën alcoholhoudende dranken, zoals gedefinieerd in Richtlijn 92/83/EEG van de Raad, op billijke wijze bijdragen aan de doelstelling inzake hergebruik;
d)  zorgt hij ervoor dat merken die eigendom zijn van de einddistributeur een billijke bijdrage leveren aan het streefcijfer voor hergebruik;
e)  biedt hij fabrikanten de flexibiliteit om de streefcijfers voor hergebruik in hun hele portefeuille te halen.
Amendement 202
Voorstel voor een verordening
Artikel 26 – lid 4
4.  Fabrikanten en einddistributeurs die alcoholhoudende dranken in de vorm van bier, koolzuurhoudende alcoholhoudende dranken, andere gegiste dranken dan wijn, gearomatiseerde wijnbouwproducten en vruchtenwijn, op gedistilleerde dranken gebaseerde producten, wijn of andere gegiste dranken gemengd met dranken, frisdrank, cider of sap op het grondgebied van een lidstaat op de markt aanbieden in een verkoopverpakking, waarborgen:
Schrappen
a)  vanaf 1 januari 2030 dat 10 % van die producten wordt aangeboden in herbruikbare verpakkingen die onder een systeem voor hergebruik vallen of kunnen worden nagevuld;
b)  vanaf 1 januari 2040 dat 25 % van die producten wordt aangeboden in herbruikbare verpakkingen die onder een systeem voor hergebruik vallen of kunnen worden nagevuld.
Amendement 203
Voorstel voor een verordening
Artikel 26 – lid 5
5.  Fabrikanten en einddistributeurs die alcoholhoudende dranken in de vorm van wijn, met uitzondering van mousserende wijn, op het grondgebied van een lidstaat op de markt aanbieden in een verkoopverpakking, waarborgen:
Schrappen
a)  vanaf 1 januari 2030 dat 5 % van die producten wordt aangeboden in herbruikbare verpakkingen die onder een systeem voor hergebruik vallen of kunnen worden nagevuld;
b)  vanaf 1 januari 2040 dat 15 % van die producten wordt aangeboden in herbruikbare verpakkingen die onder een systeem voor hergebruik vallen of kunnen worden nagevuld.
Amendement 204
Voorstel voor een verordening
Artikel 26 – lid 6
6.  Fabrikanten en einddistributeurs die alcoholvrije dranken in de vorm van water, water met toegevoegde suiker, water met andere zoetstoffen, gearomatiseerd water, frisdranken, koolzuurhoudende frisdranken, ijsthee en vergelijkbare dranken die onmiddellijk klaar zijn om te drinken, puur sap, sap of most van vruchten of groenten en smoothies zonder melk en alcoholvrije dranken die melkvet bevatten op het grondgebied van een lidstaat op de markt aanbieden in een verkoopverpakking, waarborgen:
Schrappen
a)  vanaf 1 januari 2030 dat 10 % van die producten wordt aangeboden in herbruikbare verpakkingen die onder een systeem voor hergebruik vallen of kunnen worden nagevuld;
b)  vanaf 1 januari 2040 dat 25 % van die producten wordt aangeboden in herbruikbare verpakkingen die onder een systeem voor hergebruik vallen of kunnen worden nagevuld.
Amendement 396
Voorstel voor een verordening
Artikel 26 – lid 6 bis (nieuw)
6 bis.   De lidstaten stellen marktdeelnemers vrij van de verplichting uit hoofde van lid 3 bis, punt a), en lid 3 ter, punt a), van dit artikel indien het recyclingpercentage zoals door de lidstaten gerapporteerd aan de Commissie uit hoofde van artikel 50, lid 2, punt c), meer bedraagt dan 85 gewichtsprocent van dergelijk verpakkingsmateriaal dat in die lidstaat in de kalenderjaren 2026 en 2027 in de handel wordt gebracht.
Indien uit die verslaglegging blijkt dat het recyclingpercentage van het respectieve verpakkingsmateriaal minder dan 85 % bedraagt, dient de lidstaat bij de Commissie een uitvoeringsplan in met een strategie met concrete acties, met inbegrip van een tijdschema, om ervoor te zorgen dat het recyclingpercentage van 85 gewichtsprocent van het respectieve verpakkingsmateriaal binnen twee jaar wordt gehaald.
Amendement 205
Voorstel voor een verordening
Artikel 26 – lid 7 – inleidende formule
7.  Marktdeelnemers die verzendverpakkingen gebruiken in de vorm van pallets, kunststofkratten, vouwbare plastic dozen, emmers en vaten voor het vervoer of de verpakking van producten onder andere omstandigheden dan bedoeld in de leden 12 en 13, waarborgen:
7.  Marktdeelnemers die verzendverpakkingen of uitsluitend voor het vervoer binnen het grondgebied van de Unie gebruikte verkoopverpakkingen gebruiken in de vorm van pallets, kunststofkratten, vouwbare plastic dozen, emmers en vaten voor het vervoer of de verpakking van producten onder andere omstandigheden dan bedoeld in de leden 5 en 6:
Amendement 206
Voorstel voor een verordening
Artikel 26 – lid 7 – punt a
a)  vanaf 1 januari 2030 dat 30 % van de gebruikte verpakkingen herbruikbaar is in het kader van een systeem voor hergebruik;
a)  waarborgen dat vanaf 1 januari 2030 ten minste 30 % van de gebruikte verpakkingen herbruikbaar is in het kader van een systeem voor hergebruik;
Amendement 378
Voorstel voor een verordening
Artikel 26 – lid 7 – punt b
b)   vanaf 1 januari 2040 dat 90 % van de gebruikte verpakkingen herbruikbaar is in het kader van een systeem voor hergebruik.
Schrappen
Amendement 208
Voorstel voor een verordening
Artikel 26 – lid 8 – inleidende formule
8.  Marktdeelnemers die verzendverpakkingen gebruiken voor het vervoer en de levering van non-foodartikelen die door middel van elektronische handel voor het eerst op de markt worden aangeboden, waarborgen:
8.  Marktdeelnemers die binnen het grondgebied van de Unie verzendverpakkingen gebruiken voor het vervoer en de levering van non-foodartikelen die door middel van elektronische handel voor het eerst op de markt worden aangeboden:
Amendement 209
Voorstel voor een verordening
Artikel 26 – lid 8 – punt a
a)  vanaf 1 januari 2030 dat 10 % van de gebruikte verpakkingen herbruikbaar is in het kader van een systeem voor hergebruik;
a)  waarborgen dat vanaf 1 januari 2030 ten minste 10 % van de gebruikte verpakkingen herbruikbaar is in het kader van een systeem voor hergebruik;
Amendement 379
Voorstel voor een verordening
Artikel 26 – lid 8 – punt b
b)   vanaf 1 januari 2040 dat 50 % van de gebruikte verpakkingen herbruikbaar is in het kader van een systeem voor hergebruik.
Schrappen
Amendement 211
Voorstel voor een verordening
Artikel 26 – lid 9 – inleidende formule
9.  Marktdeelnemers die verzendverpakkingen gebruiken in de vorm van pallethoesverpakkingen en riemen voor het stabiliseren en beschermen van producten die op pallets worden vervoerd, waarborgen:
9.  Marktdeelnemers die op het grondgebied van de Unie verzendverpakkingen gebruiken voor het stabiliseren en beschermen van producten die op pallets worden vervoerd, met inbegrip van maar niet beperkt tot pallethoesverpakkingen en riemen:
Amendement 212
Voorstel voor een verordening
Artikel 26 – lid 9 – punt a
a)  vanaf 1 januari 2030 dat 10 % van de gebruikte verpakkingen herbruikbaar is in het kader van een systeem voor hergebruik;
a)  waarborgen dat vanaf 1 januari 2030 ten minste 10 % van de gebruikte verpakkingen herbruikbaar is in het kader van een systeem voor hergebruik;
Amendement 380
Voorstel voor een verordening
Artikel 26 – lid 9 – punt b
b)   vanaf 1 januari 2040 dat 30 % van de voor vervoer gebruikte verpakkingen herbruikbaar is in het kader van een systeem voor hergebruik.
Schrappen
Amendement 214
Voorstel voor een verordening
Artikel 26 – lid 10 – inleidende formule
10.  Marktdeelnemers die verzamelverpakkingen gebruiken in de vorm van dozen, met uitzondering van kartonnen dozen, die buiten de verkoopverpakking worden gebruikt om een bepaald aantal producten te groeperen om een inventariseenheid te vormen, waarborgen:
10.  Marktdeelnemers, met inbegrip van onlineplatforms, die op het grondgebied van de Unie verzamelverpakkingen gebruiken in de vorm van dozen, met uitzondering van kartonnen dozen, die buiten de verkoopverpakking worden gebruikt om een bepaald aantal producten te groeperen om een inventaris- of distributie-eenheid te vormen:
Amendement 215
Voorstel voor een verordening
Artikel 26 – lid 10 – punt a
a)  vanaf 1 januari 2030 dat 10 % van de gebruikte verpakkingen herbruikbaar is in het kader van een systeem voor hergebruik;
a)  waarborgen dat vanaf 1 januari 2030 ten minste 10 % van de gebruikte verpakkingen herbruikbaar is in het kader van een systeem voor hergebruik;
Amendement 382
Voorstel voor een verordening
Artikel 26 – lid 10 – punt b
b)   vanaf 1 januari 2040 dat 25 % van de door hen gebruikte verpakkingen herbruikbaar is in het kader van een systeem voor hergebruik.
Schrappen
Amendement 458
Voorstel voor een verordening
Artikel 26 – lid 10 bis (nieuw)
10 bis.   De in de leden 3 bis en 3 ter vastgestelde streefcijfers kunnen ook worden bereikt door navulling mogelijk te maken.
Amendement 217
Voorstel voor een verordening
Artikel 26 – lid 11
11.  De in de leden 1 tot en met 10 vastgestelde streefcijfers worden berekend voor de periode van een kalenderjaar.
11.  De in dit artikel vastgestelde streefcijfers worden berekend voor de periode van een kalenderjaar.
Amendement 218
Voorstel voor een verordening
Artikel 26 – lid 12 – alinea 1 – inleidende formule
Door een marktdeelnemer gebruikte verzendverpakkingen moeten herbruikbaar zijn indien zij worden gebruikt voor het vervoer van producten:
Uiterlijk op 1 januari 2030 is 95 % van de door een marktdeelnemer gebruikte verzendverpakkingen herbruikbaar indien zij worden gebruikt voor het vervoer van producten:
Amendement 219
Voorstel voor een verordening
Artikel 26 – lid 13 – alinea 1
Marktdeelnemers die producten aan andere marktdeelnemers binnen dezelfde lidstaat leveren mogen voor het vervoer van die producten alleen herbruikbare verzendverpakkingen gebruiken.
Vanaf 1 januari 2030 gebruiken marktdeelnemers, met inbegrip van onlineplatforms, die producten aan andere marktdeelnemers binnen dezelfde lidstaat leveren voor het vervoer van die producten alleen herbruikbare verzendverpakkingen.
Amendement 417
Voorstel voor een verordening
Artikel 26 – lid 13 bis (nieuw)
13 bis.   Marktdeelnemers worden vrijgesteld van de verplichting om de streefcijfers van dit artikel te halen, wanneer het recyclingpercentage van het belangrijkste verpakkingsmateriaal zoals door de lidstaten aan de Commissie gerapporteerd overeenkomstig artikel 50, lid 2, punt c), of wanneer het recyclingpercentage van verpakkingsformaten — zoals petflessen of aluminiumblikken — meer dan 85 % van het gewicht bedraagt van dergelijke verpakkingen die in het kalenderjaar 2027 of een daaropvolgend kalenderjaar op het grondgebied van die lidstaat in de handel zijn gebracht.
Amendement 504
Voorstel voor een verordening
Artikel 26 – lid 13 ter (nieuw)
13 ter.   De in dit artikel vastgestelde streefcijfers zijn niet van toepassing op verkoopverpakkingen van zeer bederfelijke dranken zoals gedefinieerd in Verordening (EU) nr. 1169/2011.
Amendement 505/rev1
Voorstel voor een verordening
Artikel 26 – lid 13 quater (nieuw)
13 quater.   De in dit artikel vastgestelde streefcijfers zijn niet van toepassing op verkoopverpakkingen van wijn, mousserende wijn, gearomatiseerde wijnbouwproducten en dranken die gedistilleerde alcohol bevatten zoals gedefinieerd in nomenclatuurcode 2208.
Amendement 220
Voorstel voor een verordening
Artikel 26 – lid 14 – inleidende formule
14.  Marktdeelnemers worden vrijgesteld van de verplichting om de streefcijfers van de leden 2 tot en met 10 te halen indien zij gedurende een kalenderjaar:
14.  Marktdeelnemers worden vrijgesteld van de verplichting om de streefcijfers van dit artikel te halen indien zij gedurende een kalenderjaar:
Amendement 418
Voorstel voor een verordening
Artikel 26 – lid 14 bis (nieuw)
14 bis.   Uiterlijk op ... [PB: gelieve datum in te voegen = twee jaar na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] stelt de Commissie overeenkomstig artikel 58 gedelegeerde handelingen vast met betrekking tot de vereisten voor de opstelling van een levenscyclusanalyse om een vrijstelling uit hoofde van dit artikel te rechtvaardigen. Marktdeelnemers worden vrijgesteld van de verplichting om de streefcijfers van dit artikel te halen indien hergebruik niet de optie is die over het geheel genomen het beste milieuresultaat oplevert op grond van een dergelijke levenscyclusanalyse.
Amendement 385
Voorstel voor een verordening
Artikel 26 – lid 15
15.  Marktdeelnemers worden vrijgesteld van de verplichting om de streefcijfers van de leden 2 tot en met 6 te halen indien zij gedurende een kalenderjaar een verkoopoppervlakte (met inbegrip van alle opslag- en verzendruimten) hebben van maximaal 100 m2.
15.  Marktdeelnemers worden vrijgesteld van de verplichting om de streefcijfers van dit artikel te halen indien:
a)   zij een verkoopoppervlakte (met inbegrip van alle opslag- en verzendruimten) hebben van maximaal 200 m2;
b)  hergebruik niet de optie is die over het geheel genomen het beste milieuresultaat oplevert op grond van een levenscyclusanalyse, in overeenstemming met de afvalhiërarchie zoals gedefinieerd in artikel 4 van Richtlijn 2008/98/EG, en onverminderd de eisen op het gebied van gezondheid, hygiëne en veiligheid.
Amendement 386
Voorstel voor een verordening
Artikel 26 – lid 15 bis (nieuw)
15 bis.   Marktdeelnemers worden vrijgesteld van de verplichtingen die voortvloeien uit dit artikel indien het percentage van het desbetreffende verpakkingsmateriaal dat overeenkomstig artikel 43, leden 3, 4 en 4 ter, gescheiden moet worden ingezameld, volgens de verslaglegging aan de Commissie overeenkomstig artikel 50, lid 1, punt c), meer dan 85 gewichtsprocent bedraagt van dergelijke verpakkingen die op het grondgebied van de lidstaat waarin zij actief zijn, in de kalenderjaren 2026 en 2027 in de handel worden gebracht.
Indien uit die verslaglegging blijkt dat het percentage van het desbetreffende verpakkingsmateriaal dat gescheiden moet worden ingezameld minder dan 85 % bedraagt, dient de lidstaat een uitvoeringsplan in met een strategie met concrete acties, met inbegrip van een tijdschema om ervoor te zorgen dat binnen twee jaar een gescheiden inzameling van 85 gewichtsprocent van het verpakkingsmateriaal in kwestie wordt bereikt.
Amendement 506
Voorstel voor een verordening
Artikel 26 – lid 15 ter (nieuw)
15 ter.   Marktdeelnemers worden vrijgesteld van de verplichting om de in de leden 7, 12 en 13 van dit artikel vastgestelde streefcijfers te halen voor alle verzendverpakkingen die rechtstreeks in contact komen met levensmiddelen zoals gedefinieerd in Verordening (EG) nr. 178/2002 en diervoeders.
Amendement 507
Voorstel voor een verordening
Artikel 26 – lid 15 quater (nieuw)
15 quater.   Marktdeelnemers worden vrijgesteld van de verplichting om de in dit artikel vastgestelde streefcijfers te halen voor alle producten die onder krachtens het Unierecht beschermde herkomstaanduidingen vallen.
Amendement 222
Voorstel voor een verordening
Artikel 26 – lid 16 – inleidende formule
16.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 58 gedelegeerde handelingen vast te stellen om deze verordening aan te vullen, teneinde:
16.  Om rekening te houden met de recentste wetenschappelijke en economische gegevens en ontwikkelingen, en om het algemene milieuresultaat te verbeteren, waarvoor het nodig kan zijn dat voor specifieke afvalstromen wordt afgeweken van de hiërarchie wanneer dit gerechtvaardigd wordt door een onafhankelijke en collegiaal getoetste levenscyclusbeoordeling, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 58 gedelegeerde handelingen vast te stellen om deze verordening aan te vullen, teneinde:
Amendement 387
Voorstel voor een verordening
Artikel 26 – lid 16 – punt a
a)   streefcijfers vast te stellen voor producten die niet onder de leden 1 tot en met 6 van dit artikel vallen en voor andere formaten dan de in de leden 7 tot en met 10 bedoelde formaten, op basis van de positieve ervaringen met door de lidstaten uit hoofde van artikel 45, lid 2, getroffen maatregelen;
Schrappen
Amendement 224
Voorstel voor een verordening
Artikel 26 – lid 16 – punt b
b)  vrijstellingen voor marktdeelnemers vast te stellen in aanvulling op de in lid 14, punten a) tot en met c), van dit artikel genoemde vrijstellingen;
b)  vrijstellingen voor marktdeelnemers naast die welke in dit artikel zijn vermeld, als gevolg van bijzondere economische beperkingen die zich in een specifieke sector voordoen in verband met de naleving van de in dit artikel vastgestelde streefcijfers;
Amendement 225
Voorstel voor een verordening
Artikel 26 – lid 16 – punt c
c)  vrijstellingen vast te stellen voor specifieke verpakkingsformaten waarop de streefcijfers van de leden 2 tot en met 6 van dit artikel van toepassing zijn, indien die streefcijfers niet kunnen worden gehaald omwille van hygiëne-, voedselveiligheids- of milieukwesties,
c)  vrijstellingen vast te stellen voor specifieke verpakkingsformaten waarop de streefcijfers van de leden 2 tot en met 6 van dit artikel van toepassing zijn, indien hygiëne, voedselveiligheid of de gevaarlijke aard van het product hergebruik verhinderen,
Amendement 389
Voorstel voor een verordening
Artikel 26 – lid 16 – punt c bis (nieuw)
c bis)   eisen vast te stellen voor de opstelling van een levenscyclusanalyse om een vrijstelling overeenkomstig lid 15, punt b), te rechtvaardigen.
Amendement 395
Voorstel voor een verordening
Artikel 26 – lid 17
17.  Uiterlijk op [PB: gelieve datum in te voegen = acht jaar na de inwerkingtreding van deze verordening] evalueert de Commissie de situatie met betrekking tot het hergebruik van verpakkingen en beoordeelt op basis daarvan of het passend is maatregelen te treffen, de streefcijfers in dit artikel te herzien en nieuwe streefcijfers voor het hergebruik van verpakkingen vast te stellen, en dient zij indien nodig een wetgevingsvoorstel in.
17.  Uiterlijk op [PB: gelieve datum in te voegen = acht jaar na de inwerkingtreding van deze verordening] evalueert de Commissie de situatie met betrekking tot het hergebruik van verpakkingen. Bij de beoordeling van het effect van de streefcijfers voor hergebruik van verpakkingen evalueert de Commissie ten minste de vermindering van verpakkingsafval die is verkregen door de streefcijfers voor hergebruik voor 2030, de vermindering van CO2-emissies, de vermindering van voedselverspilling, de vermindering van de hoeveelheden gebruikte nieuwe grondstoffen, het water- en energieverbruik, de waterverontreiniging en het gebruik van detergenten en ontsmettingsmiddelen op basis van een onafhankelijke en collegiaal getoetste levenscyclusanalyse. De Commissie beoordeelt ook de ontwikkeling van kartonnen verpakkingsafval en de milieueffecten en materiaalvervangingseffecten daarvan die zouden kunnen optreden als gevolg van materiële vrijstellingen in artikel 22 in combinatie met bijlage V en als gevolg van artikel 26, leden 7, 10, 12 en 13. Op grond van die evaluatie kan de Commissie in voorkomend geval een wetgevingsvoorstel indienen: a) tot wijziging of bevestiging van de in dit artikel vastgestelde streefcijfers voor 2040, en b) tot vaststelling, indien nodig, van nieuwe streefcijfers voor hergebruik in andere sectoren en voor andere verpakkingsformaten en -materialen.
Amendement 227
Voorstel voor een verordening
Artikel 26 – lid 17 bis (nieuw)
17 bis.  Vanaf 1 januari 2030 moeten alle herbruikbare verpakkingsformaten die door distributeurs op het grondgebied van een lidstaat zijn verstrekt, overeenkomstig de leden 3 bis en 3 ter, door die einddistributeur worden teruggenomen.
Amendement 228
Voorstel voor een verordening
Artikel 27 – titel
Regels om te berekenen of de streefcijfers voor hergebruik en navulling zijn gehaald
Regels om te berekenen of de streefcijfers voor hergebruik zijn gehaald
Amendement 229
Voorstel voor een verordening
Artikel 27 – lid 2 – inleidende formule
2.  Om aan te tonen dat de in artikel 26, leden 2 tot en met 6, vastgestelde streefcijfers zijn gehaald, berekent de einddistributeur of de fabrikant, naargelang het geval, die dergelijke producten op het grondgebied van een lidstaat op de markt aanbiedt voor elk streefcijfer afzonderlijk:
2.  Om aan te tonen dat de in artikel 26, leden 3 bis en 3 ter, vastgestelde streefcijfers zijn gehaald, berekent de einddistributeur of de fabrikant, naargelang het geval, die dergelijke producten op het grondgebied van een lidstaat op de markt aanbiedt voor elk streefcijfer afzonderlijk:
Amendement 230
Voorstel voor een verordening
Artikel 27 – lid 2 – punt a
a)  het aantal verkoopeenheden van drank en voedsel in herbruikbare verpakkingen in het kader van een systeem voor hergebruik dat in een kalenderjaar op het grondgebied van een lidstaat op de markt is aangeboden;
a)  het aantal gelijkwaardige verkoopeenheden van drank en voedsel in herbruikbare verpakkingen in het kader van een systeem voor hergebruik dat in een kalenderjaar op het grondgebied van een lidstaat op de markt is aangeboden;
Amendement 231
Voorstel voor een verordening
Artikel 27 – lid 2 – punt b
b)  het aantal verkoopeenheden van drank en voedsel dat in een kalenderjaar op het grondgebied van een lidstaat via navulling op de markt is aangeboden;
Schrappen
Amendement 232
Voorstel voor een verordening
Artikel 27 – lid 2 – punt c
c)  het aantal verkoopeenheden van drank en voedsel dat in een kalenderjaar op het grondgebied van een lidstaat op de markt is aangeboden op een andere manier dan bedoeld in de punten a) en b).
c)  het aantal gelijkwaardige verkoopeenheden van drank en voedsel dat in een kalenderjaar op het grondgebied van een lidstaat op de markt is aangeboden op een andere manier dan bedoeld in punt a).
Amendement 233
Voorstel voor een verordening
Artikel 27 – lid 3 – punt a
a)  het aantal equivalente eenheden van elk van de in artikel 26, leden 7 tot en met 10, bedoelde verpakkingsformaten die herbruikbare verpakkingen in het kader van een systeem voor hergebruik zijn die zij in een kalenderjaar hebben gebruikt;
a)  het aantal equivalente eenheden van elk van de in artikel 26, leden 6 en 7, bedoelde verpakkingsformaten die herbruikbare verpakkingen in het kader van een systeem voor hergebruik zijn die zij in een kalenderjaar hebben gebruikt;
Amendement 234
Voorstel voor een verordening
Artikel 27 – lid 3 – punt b
b)  het aantal equivalente eenheden van elk van de in artikel 26, leden 7 tot en met 10, bedoelde verpakkingsformaten, met uitzondering van de in punt a), bedoelde eenheden, die zij in een kalenderjaar hebben gebruikt.
b)  het aantal equivalente eenheden van elk van de in artikel 26, leden 6 en 7, bedoelde verpakkingsformaten, met uitzondering van de in punt a), bedoelde eenheden, die zij in een kalenderjaar hebben gebruikt.
Amendement 235
Voorstel voor een verordening
Artikel 27 – lid 4 – alinea 1
Uiterlijk op 31 december 2028 stelt de Commissie uitvoeringshandelingen vast waarin gedetailleerde regels en methoden voor de berekening van de streefcijfers van artikel 26 worden vastgesteld.
Uiterlijk op 31 december 2027 stelt de Commissie gedelegeerde handelingen vast waarin gedetailleerde regels en methoden voor de berekening van de streefcijfers van artikel 26 worden vastgesteld.
Amendement 236
Voorstel voor een verordening
Artikel 27 – lid 4 – alinea 2
Die uitvoeringshandeling wordt vastgesteld volgens de in artikel 59, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure.
Schrappen
Amendement 237
Voorstel voor een verordening
Artikel 27 – lid 4 – alinea 2 bis (nieuw)
De verplichting om aan te tonen dat de in artikel 26 vastgestelde doelstellingen zijn bereikt, is van toepassing met ingang van 1 januari 2030 of [18 maanden] na de datum van inwerkingtreding van de in lid 1 bedoelde gedelegeerde handelingen, indien dat later is.
Amendement 238
Voorstel voor een verordening
Artikel 28 - titel
Verslaglegging over streefcijfers voor hergebruik en navulling aan de bevoegde autoriteiten
Verslaglegging over streefcijfers voor hergebruik aan de bevoegde autoriteiten
Amendement 239
Voorstel voor een verordening
Artikel 28 – lid 6 bis (nieuw)
6 bis.  Uiterlijk op [PB: gelieve datum in te voegen = 24 maanden vanaf de inwerkingtreding van deze verordening] richt de Commissie een Europees waarnemingscentrum voor hergebruik op. Het waarnemingscentrum is verantwoordelijk voor de monitoring van de uitvoering van de in deze verordening vastgestelde maatregelen, het verzamelen van gegevens over praktijken voor hergebruik en het bijdragen aan de ontwikkeling van beste praktijken op het gebied van hergebruik.
Amendement 240
Voorstel voor een verordening
Artikel 28 bis (nieuw)
Artikel 28 bis
Verplichte navulling voor de afhaalsector
1.  Uiterlijk op ... [PB: gelieve datum in te voegen = 24 maanden vanaf de datum van inwerkingtreding van deze verordening]:
a)  bieden einddistributeurs die hun bedrijfsactiviteiten in de horecasector uitoefenen en die op het grondgebied van een lidstaat in een verkoopverpakking koude of warme dranken op de markt aanbieden waarmee op het verkooppunt een houder wordt gevuld om deze mee te nemen, consumenten een systeem aan waarin zij een eigen houder kunnen meenemen om te vullen;
b)  bieden einddistributeurs die hun bedrijfsactiviteiten in de horecasector uitoefenen en die op het grondgebied van een lidstaat in een verkoopverpakking bereide afhaalmaaltijden op de markt aanbieden die bestemd zijn voor onmiddellijke consumptie zonder dat verdere bereiding nodig is en die doorgaans vanuit het bakje wordt geconsumeerd, consumenten een systeem aan waarin zij een eigen houder kunnen meenemen om te vullen.
2.  De onder a) en b) bedoelde einddistributeurs bieden de goederen waarmee zij de door de consument binnengebrachte houder vullen aan tegen een lagere prijs en onder minstens even goede voorwaarden dan de verkoopeenheid bestaande uit dezelfde goederen in een wegwerpverpakking.
De einddistributeurs moeten de eindgebruikers op het verkooppunt door middel van duidelijk zichtbare en leesbare informatieborden informeren over de mogelijkheid om de goederen in een navulbare, door de consument verstrekte verpakking te verkrijgen.
Amendement 241
Voorstel voor een verordening
Artikel 28 ter (nieuw)
Artikel 28 ter
Hergebruik in de afhaaldrankensector
1.  Uiterlijk ... [PB: gelieve datum in te voegen: 36 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] bieden einddistributeurs die hun bedrijfsactiviteiten in de horecasector uitoefenen en die op het grondgebied van een lidstaat in een verkoopverpakking koude of warme dranken op de markt aanbieden waarmee op het verkooppunt een houder wordt gevuld om deze mee te nemen, consumenten de optie van verpakkingen die onder een systeem voor hergebruik vallen.
2.  De einddistributeurs moeten de eindverbruikers op het verkooppunt door middel van duidelijk zichtbare en leesbare informatieborden informeren over de mogelijkheid om de goederen in herbruikbare verpakkingen te verkrijgen.
3.  De einddistributeurs mogen de goederen in een herbruikbare verpakking niet tegen een hogere prijs of onder slechtere voorwaarden aanbieden dan de verkoopeenheid bestaande uit dezelfde goederen in een wegwerpverpakking.
4.  De einddistributeurs worden vrijgesteld van de toepassing van dit artikel indien zij onder de definitie van micro-onderneming vallen die is opgenomen in Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie.
Amendement 242
Voorstel voor een verordening
Artikel 29 – lid 2
2.  De door de lidstaten getroffen maatregelen om het streefcijfer van lid 1 te halen, kunnen verschillen naar gelang het milieueffect van lichte plastic draagtassen bij de productie, de recycling of verwijdering ervan en de composteringskenmerken, de duurzaamheid of het specifieke beoogde gebruik ervan. In afwijking van artikel 4 kunnen dergelijke maatregelen handelsbeperkingen omvatten, mits die evenredig en niet-discriminerend zijn.
2.  De door de lidstaten getroffen maatregelen om het streefcijfer van lid 1 te halen, houden rekening met het milieueffect van lichte plastic draagtassen bij de productie, de recycling of verwijdering ervan en de composteringskenmerken, de duurzaamheid of het specifieke beoogde gebruik ervan. In afwijking van artikel 4 kunnen dergelijke maatregelen handelsbeperkingen omvatten, mits die evenredig en niet-discriminerend zijn.
Amendement 243
Voorstel voor een verordening
Artikel 29 – lid 4 bis (nieuw)
4 bis.  Uiterlijk op 31 december 2027 stelt de Commissie een verslag op over de noodzaak en de haalbaarheid van een vermindering van het gebruik van papieren draagtassen, en dient zij indien toepasselijk een wetgevingsvoorstel in met streefcijfers voor de reductie van papieren draagtassen evenals maatregelen om deze streefcijfers te verwezenlijken.
Amendement 435
Voorstel voor een verordening
Artikel 34 – lid 4 bis (nieuw)
4 bis.   Uiterlijk op 31 december 2025 ontwikkelt de Commissie een methode om te certificeren dat materialen die zijn geëtiketteerd en gedocumenteerd als gerecycled materiaal dat in de Unie in de handel wordt gebracht, inderdaad worden geproduceerd uit teruggewonnen en gerecyclede materialen en niet uit nieuwe materialen. De Commissie zorgt ervoor dat deze methode in aanmerking wordt genomen bij de overeenkomstig dit artikel verrichte controles.
Amendement 244
Voorstel voor een verordening
Artikel 34 – lid 4 ter (nieuw)
4 ter.  De bevoegde autoriteiten controleren de nauwkeurigheid van ten minste 10 % van de conformiteitsverklaringen per jaar, die op willekeurige basis worden beoordeeld, en treffen de maatregelen die nodig zijn om niet-naleving aan te pakken, bijvoorbeeld door non-conforme producten uit de handel te nemen.
Onverminderd de krachtens lid 1 op voorhand geplande controles voeren de bevoegde autoriteiten controles uit wanneer zij relevante informatie ontvangen of daarvan op de hoogte worden gebracht, onder meer op basis van door derden verstrekte concrete aanwijzingen met betrekking tot mogelijke niet-naleving van deze verordening.
De controles worden voor de marktdeelnemer onaangekondigd uitgevoerd, behalve in gevallen waarin een voorafgaande kennisgeving van de marktdeelnemer of handelaar noodzakelijk is om de doeltreffendheid van die controles te waarborgen.
De bevoegde autoriteiten houden een register van de controles bij, waarbij met name de aard en de resultaten van de controles en de maatregelen die in geval van niet-naleving zijn getroffen, worden vermeld. De registers van alle controles worden ten minste tien jaar bewaard.
Registers van de in het kader van deze verordening uitgevoerde controles en verslagen over de resultaten daarvan vormen milieu-informatie in de zin van Richtlijn 2003/4/EG van het Europees Parlement en de Raad1bis en worden openbaar gemaakt.
________________
1bis Richtlijn 2003/4/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 inzake de toegang van het publiek tot milieu-informatie en tot intrekking van Richtlijn 90/313/ EEG van de Raad (PB L 41 van 14.2.2003, blz. 26).
Amendement 245
Voorstel voor een verordening
Artikel 38 – lid 1 bis (nieuw)
1 bis.  Elke lidstaat vermindert het geproduceerde kunststof verpakkingsafval per hoofd van de bevolking, in vergelijking met het in 2018 geproduceerde kunststof verpakkingsafval per hoofd van de bevolking als overeenkomstig Besluit 2005/270/EG van de Commissie gerapporteerd aan de Commissie, met:
a)  10 % uiterlijk in 2030;
b)  15 % uiterlijk in 2035;
c)  20 % uiterlijk in 2040.
Amendement 246
Voorstel voor een verordening
Artikel 38 – lid 1 ter (nieuw)
1 ter.  Onverminderd de leden 1 en 1 bis kunnen lidstaten die een tweeledig stelsel hebben ingevoerd voor het beheer van verpakkingsafval, met een systeem voor huishoudelijk verpakkingsafval en een systeem voor industrieel en commercieel verpakkingsafval, deze specifieke systemen blijven gebruiken.
Amendement 247
Voorstel voor een verordening
Artikel 38 – lid 2
2.  De lidstaten treffen maatregelen om de productie van verpakkingsafval te voorkomen en de milieueffecten van verpakking tot een minimum te beperken.
2.  De lidstaten treffen de nodige aanvullende duurzaamheidsmaatregelen en voeren deze uit om een ambitieuze en duurzame vermindering van het geproduceerde verpakkingsafval per hoofd van de bevolking te bereiken, in overeenstemming met de algemene doelstellingen van het afvalbeleid van de Unie, met name afvalpreventie, en om de in dit artikel vastgestelde streefcijfers te verwezenlijken.
Amendement 248
Voorstel voor een verordening
Artikel 38 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.   Voor de toepassing van lid 2 zorgen de lidstaten ervoor dat klanten in restaurants, kantines, bars, cafés en cateringdiensten kunnen verzoeken om gratis of tegen een lage vergoeding leidingwater geserveerd te krijgen.
Amendement 249
Voorstel voor een verordening
Artikel 38 – lid 3
3.  Voor de toepassing van lid 2 kunnen lidstaten economische instrumenten en andere maatregelen gebruiken om stimulansen te bieden voor de toepassing van de afvalhiërarchie, zoals de in de bijlagen IV en IV bis bij Richtlijn 2008/98/EG genoemde maatregelen of andere passende instrumenten en maatregelen, waaronder stimulansen door middel van regelingen voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid en verplichtingen voor producenten of organisaties voor producentenverantwoordelijkheid om afvalpreventieplannen vast te stellen. Dergelijke maatregelen moeten evenredig en niet-discriminerend zijn, en zodanig zijn ontworpen dat, in overeenstemming met het Verdrag, handelsbelemmeringen of verstoringen van de mededinging worden voorkomen.
3.  Voor de toepassing van lid 2 kunnen de lidstaten maatregelen invoeren inzake onder meer het gebruik van economische instrumenten en andere maatregelen om stimulansen te bieden voor de toepassing van de afvalhiërarchie, zoals de in de bijlagen IV en IV bis bij Richtlijn 2008/98/EG genoemde maatregelen of andere passende instrumenten en maatregelen, waaronder stimulansen door middel van regelingen voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid en verplichtingen voor producenten of organisaties voor producentenverantwoordelijkheid om afvalpreventieplannen vast te stellen. Dergelijke maatregelen moeten evenredig en niet-discriminerend zijn, en zodanig zijn ontworpen dat, in overeenstemming met het Verdrag en met artikel 4 van deze verordening, handelsbelemmeringen of verstoringen van de mededinging worden voorkomen.
Amendement 250
Voorstel voor een verordening
Artikel 38 – lid 4
4.  Uiterlijk op [PB: gelieve datum in te voegen = acht jaar na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] herziet de Commissie de in lid 1 vastgestelde streefcijfers. De Commissie dient daartoe een verslag in bij het Europees Parlement en de Raad, dat, indien de Commissie dat passend acht, vergezeld gaat van een wetgevingsvoorstel.
4.  Uiterlijk op [PB: gelieve datum in te voegen = acht jaar na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] herziet de Commissie de in leden 1 en 1 bis vastgestelde streefcijfers en beoordeelt zij of er specifieke streefcijfers moeten worden toegevoegd voor papier, karton, glas, metaal en samengesteld materiaal. De Commissie dient daartoe een verslag in bij het Europees Parlement en de Raad, dat, indien de Commissie dat passend acht, vergezeld gaat van een wetgevingsvoorstel.
Amendement 251
Voorstel voor een verordening
Artikel 39 – lid 1 – alinea 2
Dat register moet verwijzingen naar andere nationale registers van producentenwebsites bevatten om in alle lidstaten de registratie van producenten of aangewezen vertegenwoordigers voor de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid te vergemakkelijken.
Dat register moet verwijzingen naar andere nationale registers van producentenwebsites bevatten om in alle lidstaten de registratie van producenten of gemachtigde vertegenwoordigers voor de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid te vergemakkelijken. De bevolking kan het register gemakkelijk online en kosteloos raadplegen.
Amendement 252
Voorstel voor een verordening
Artikel 39 – lid 2
2.  Producenten zijn verplicht zich in het in lid 1 bedoelde register te registreren. Te dien einde dienen zij in elke lidstaat waar zij verpakkingen voor het eerst op de markt aanbieden een registratieaanvraag in. Indien een producent een organisatie voor producentenverantwoordelijkheid als bedoeld in artikel 41, lid 1, heeft aangewezen, moet die organisatie aan de in dit artikel vastgestelde verplichtingen voldoen, tenzij de lidstaat waarin het register is gevestigd anders bepaalt.
2.  Producenten zijn verplicht zich in het in lid 1 bedoelde register te registreren. Te dien einde dienen zij in elke lidstaat waar zij verpakkingen voor het eerst op de markt aanbieden een registratieaanvraag in. Indien een producent een organisatie voor producentenverantwoordelijkheid als bedoeld in artikel 41, lid 1, heeft aangewezen, moet die organisatie aan de in dit artikel vastgestelde verplichtingen voldoen. Micro-ondernemingen zijn vrijgesteld van de verplichtingen van dit lid, tenzij zij een organisatie voor producentenverantwoordelijkheid hebben aangewezen.
Amendement 253
Voorstel voor een verordening
Artikel 39 – lid 4
4.  Producenten bieden geen verpakkingen op de markt aan indien zij, of in voorkomend geval de door hen aangewezen vertegenwoordigers voor de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid, niet in de desbetreffende lidstaat zijn geregistreerd.
4.  Producenten bieden geen verpakkingen op de markt aan indien zij, of in voorkomend geval, conform artikel 40, hun gemachtigde vertegenwoordigers voor de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid, niet in de desbetreffende lidstaat zijn geregistreerd.
Amendement 254
Voorstel voor een verordening
Artikel 39 – lid 6
6.  Indien een aangewezen vertegenwoordiger voor de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid meer dan één producent vertegenwoordigt, verstrekt deze vertegenwoordiger naast de overeenkomstig lid 5 te verstrekken informatie ook de naam en de contactgegevens van elk van de afzonderlijke vertegenwoordigde producenten.
6.  Indien een gemachtigde vertegenwoordiger voor de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid meer dan één producent vertegenwoordigt, verstrekt deze vertegenwoordiger naast de overeenkomstig lid 5 te verstrekken informatie ook de naam en de contactgegevens van elk van de afzonderlijke vertegenwoordigde producenten.
Amendement 255
Voorstel voor een verordening
Artikel 39 – lid 10
10.  Indien de informatie in het producentenregister niet openbaar toegankelijk is, waarborgen de lidstaten dat aanbieders van onlineplatforms die consumenten in staat stellen overeenkomsten op afstand met producenten te sluiten, gratis toegang tot de informatie in het register krijgen.
10.  De informatie in het producentenregister is openbaar toegankelijk. De lidstaten waarborgen dat fulfilmentdienstverleners en aanbieders van onlineplatforms die consumenten in staat stellen overeenkomsten op afstand met producenten te sluiten, gratis toegang krijgen, inclusief online, tot de informatie in het register krijgen, onder meer door middel van uittreksels uit het digitale register. De vertrouwelijkheid van commercieel gevoelige informatie overeenkomstig het toepasselijke Unierecht en intern recht wordt evenwel gewaarborgd. De lijst van geregistreerde producenten is machineleesbaar, sorteerbaar en doorzoekbaar, waarbij open standaarden voor gebruik door derden in acht worden genomen.
Amendement 256
Voorstel voor een verordening
Artikel 40 – lid 1
1.  De uitgebreide producentenverantwoordelijkheid berust bij producenten van verpakkingen in het kader van de overeenkomstig de artikelen 8 en 8 bis van Richtlijn 2008/98/EG en deze afdeling vastgestelde regelingen voor de verpakkingen die zij voor het eerst op het grondgebied van een lidstaat op de markt aanbieden.
1.  De uitgebreide producentenverantwoordelijkheid berust bij producenten in het kader van de overeenkomstig de artikelen 8 en 8 bis van Richtlijn 2008/98/EG en deze afdeling vastgestelde regelingen voor de verpakkingen die zij voor het eerst op het grondgebied van een lidstaat op de markt aanbieden.
Amendement 257
Voorstel voor een verordening
Artikel 40 – lid 2
2.  Producenten wijzen bij schriftelijk mandaat een aangewezen vertegenwoordiger aan voor de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid in elke lidstaat waar zij verpakkingen voor het eerst aanbieden die niet de lidstaat is waar zij gevestigd zijn.
2.  Producenten wijzen bij schriftelijk mandaat een gemachtigde vertegenwoordiger aan voor de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid in elke lidstaat waar zij verpakkingen voor het eerst aanbieden die niet de lidstaat is waar zij gevestigd zijn.
Amendement 258
Voorstel voor een verordening
Artikel 40 – lid 3 – inleidende formule
3.  Aanbieders van onlineplatforms die onder het toepassingsgebied van hoofdstuk III, afdeling 4, van Verordening (EU) 2022/2065 vallen en consumenten in staat stellen overeenkomsten op afstand met producenten te sluiten, verkrijgen van producenten die verpakkingen aan consumenten in de Unie aanbieden de volgende informatie:
3.  Aanbieders van onlineplatforms die onder het toepassingsgebied van hoofdstuk III, afdeling 4, van Verordening (EU) nr. 2022/2065 vallen en consumenten in staat stellen overeenkomsten op afstand met producenten te sluiten, en fulfilmentdienstverleners moeten voldoen aan de eisen inzake uitgebreide producentenverantwoordelijkheid waarnaar wordt verwezen in de leden 1 en 2 van dit artikel, tenzij zij kunnen aantonen dat producenten die verpakkingen aan consumenten in de Unie aanbieden, aan die eisen voldoen, door de volgende informatie te verkrijgen:
Amendement 259
Voorstel voor een verordening
Artikel 40 – lid 3 – punt b
b)  een zelfcertificering van de producent waarin de producent zich ertoe verbindt alleen verpakkingen aan te bieden waarvoor in de lidstaat waar de consument is gevestigd aan de in de leden 1 en 2 van dit artikel bedoelde eisen inzake uitgebreide producentenverantwoordelijkheid is voldaan.
b)  informatie over de naleving van de in de leden 1 en 2 van dit artikel bedoelde eisen inzake uitgebreide producentenverantwoordelijkheid in de lidstaat waar de consument is gevestigd.
Amendement 260
Voorstel voor een verordening
Artikel 40 – lid 3 – alinea 1 bis (nieuw)
Wanneer producenten hun producten via de elektronische marktplaats verkopen en niet overeenkomstig artikel 39, lid 2, zijn geregistreerd, kan de onlinemarktplaats waar de producten te koop worden aangeboden, voldoen aan de gezamenlijke verplichtingen van die producenten uit hoofde van artikel 39, lid 7.
Amendement 261
Voorstel voor een verordening
Artikel 40 – lid 3 bis (nieuw)
3 bis.  Na de in lid 3 bedoelde informatie te hebben ontvangen en alvorens de betrokken producent toe te staan van zijn diensten gebruik te maken, beoordelen de aanbieder van onlineplatforms en de fulfilmentdienstverleners of de in de punten a) en b) bedoelde informatie betrouwbaar en volledig is.
Amendement 262
Voorstel voor een verordening
Artikel 40 – lid 3 ter (nieuw)
3 ter.  De lidstaten zorgen ervoor dat de producenten de kosten dekken overeenkomstig de bepalingen inzake uitgebreide producentenverantwoordelijkheid van Richtlijnen 2008/98/EG en 94/62/EG en, voor zover zij nog niet onder die bepalingen vallen, ten minste de kosten dekken van de inzameling van afval dat in openbare inzamelingssystemen wordt weggegooid, met inbegrip van de infrastructuur en de exploitatie daarvan, net als het daaropvolgende vervoer en de verwerking van dat afval.
De te dekken kosten worden op transparante en kostenefficiënte wijze vastgesteld. De kosten voor het opruimen van zwerfafval blijven beperkt tot kosten voor werkzaamheden door of namens overheidsinstanties. De berekeningsmethode is zodanig ontwikkeld dat de kosten voor het opruimen van zwerfafval kunnen worden vastgesteld op evenredige wijze en rekening houdend met verpakkingsformaten waarbij een groter risico bestaat dat ze als zwerfafval eindigen en niet afzonderlijk worden ingezameld.
Amendement 263
Voorstel voor een verordening
Artikel 41 – lid 2
2.  Indien op het grondgebied van een lidstaat meerdere organisaties voor producentenverantwoordelijkheid bevoegd zijn om namens producenten verplichtingen inzake uitgebreide producentenverantwoordelijkheid na te leven, waarborgt die lidstaat dat die organisaties voor producentenverantwoordelijkheid samen het gehele grondgebied van de lidstaat bestrijken wat betreft de in artikel 42, lid 3, en de artikelen 43 en 44 bedoelde activiteiten. De lidstaten belasten de bevoegde autoriteit ermee erop toe te zien dat organisaties voor producentenverantwoordelijkheid hun verplichtingen op gecoördineerde wijze nakomen, of wijzen daar een onafhankelijke derde partij voor aan.
2.  Indien op het grondgebied van een lidstaat meerdere organisaties voor producentenverantwoordelijkheid bevoegd zijn om namens producenten verplichtingen inzake uitgebreide producentenverantwoordelijkheid na te leven, waarborgt die lidstaat dat die organisaties voor producentenverantwoordelijkheid en de producenten die geen organisatie voor producentenverantwoordelijkheid hebben aangewezen samen het gehele grondgebied van de lidstaat bestrijken wat betreft de in artikel 42, lid 3, en de artikelen 43 en 44 bedoelde activiteiten. De lidstaten belasten de bevoegde autoriteit ermee erop toe te zien dat organisaties voor producentenverantwoordelijkheid hun verplichtingen op gecoördineerde wijze nakomen, of wijzen daar een onafhankelijke derde partij voor aan.
Amendement 264
Voorstel voor een verordening
Artikel 42 – lid 3 – punt b
b)  de door de organisatie voor producentenverantwoordelijkheid getroffen maatregelen volstaan om het mogelijk te maken dat verpakkingsafval overeenkomstig artikel 43, leden 1 en 2, en artikel 44 gratis en met een frequentie die evenredig is aan het bestreken gebied en volume wordt ingeleverd of ingezameld, gezien de hoeveelheid en de soorten verpakkingen die voor het eerst op het grondgebied van een lidstaat op de markt worden aangeboden door die producent of door producenten namens wie de organisatie voor producentenverantwoordelijkheid optreedt;
b)  de door de producent of de organisatie voor producentenverantwoordelijkheid getroffen maatregelen volstaan om het mogelijk te maken dat al het verpakkingsafval overeenkomstig artikel 43, leden 1 en 2, en artikel 44 gratis en met een frequentie die evenredig is aan het bestreken gebied en volume wordt ingeleverd, ingezameld, vervoerd en verwerkt, gezien de hoeveelheid en de soorten verpakkingen die voor het eerst op het grondgebied van een lidstaat op de markt worden aangeboden door die producent of door producenten namens wie de organisatie voor producentenverantwoordelijkheid optreedt;
Amendement 265
Voorstel voor een verordening
Artikel 43 – lid 1
1.  De lidstaten zorgen ervoor dat systemen worden opgezet voor het inleveren en gescheiden inzamelen van alle verpakkingsafval van eindgebruikers om te waarborgen dat dit afval overeenkomstig de artikelen 4 en 13 van Richtlijn 2008/98/EG wordt verwerkt, en om de voorbereiding voor hergebruik en de hoogwaardige recycling ervan te vergemakkelijken.
1.  De lidstaten zorgen ervoor dat systemen en infrastructuur worden opgezet voor het inleveren en gescheiden inzamelen van alle verpakkingsafval van eindgebruikers om te waarborgen dat dit afval overeenkomstig de artikelen 4, 10 en 13 van Richtlijn 2008/98/EG wordt verwerkt, en om de voorbereiding voor hergebruik en de hoogwaardige recycling ervan te vergemakkelijken.
Amendement 266
Voorstel voor een verordening
Artikel 43 – lid 1 bis (nieuw)
1 bis.  Teneinde hoogwaardige recycling mogelijk te maken, garanderen de lidstaten dat er een systeem bestaat dat een veilige en billijke toegang biedt tot gerecyclede materialen voor gebruik in toepassingen waarbij de unieke kwaliteit van het gerecyclede materiaal behouden blijft of zodanig wordt teruggewonnen dat het verder kan worden gerecycled en op dezelfde manier of voor een vergelijkbare toepassing kan worden gebruikt, met minimale kwantitatieve, kwalitatieve en functionele verliezen.
Amendement 267
Voorstel voor een verordening
Artikel 43 – lid 2
2.  De lidstaten kunnen afwijkingen van lid 1 toestaan, mits het inzamelen van verpakkingen of fracties verpakkingsafval samen of samen met ander afval niet afdoet aan de mogelijkheid om dergelijke verpakkingen of fracties verpakkingsafval voor te bereiden voor hergebruik, te recyclen of anderszins nuttig toe te passen overeenkomstig de artikelen 4 en 13 van Richtlijn 2008/98/EG, en dat die handelingen resulteren in een output van vergelijkbare kwaliteit als de output van gescheiden inzameling.
2.  De lidstaten kunnen afwijkingen toestaan van de in lid 1 genoemde verplichting tot het inleveren en gescheiden inzamelen van bepaalde soorten afval, mits het inzamelen van verpakkingen of fracties van dergelijk verpakkingsafval samen of samen met ander afval niet afdoet aan de mogelijkheid om dergelijke verpakkingen of fracties verpakkingsafval voor te bereiden voor hergebruik, te recyclen of anderszins nuttig toe te passen overeenkomstig de artikelen 4 en 13 van Richtlijn 2008/98/EG, en dat die handelingen resulteren in een output van vergelijkbare kwaliteit als de output van gescheiden inzameling.
Amendement 268
Voorstel voor een verordening
Artikel 43 – lid 3 – punt c bis (nieuw)
c bis)  staan open voor inzage in actuele gegevens, met betrekking tot de verslaglegging over het gewicht en de kosten van het beheer van stromen verpakkingsafval, die wordt verschaft door middel van:
i)  een website of een ander elektronisch communicatiemiddel, in de officiële taal van de betrokken lidstaat;
ii)  openbare verslagen in de officiële taal van de betrokken lidstaat.
Punt c bis) doet geen afbreuk aan commercieel gevoelige informatie of wetgeving inzake gegevensbescherming.
Amendement 269
Voorstel voor een verordening
Artikel 43 – lid 3 bis (nieuw)
3 bis.  Uiterlijk op 1 januari 2029 zorgen de lidstaten ervoor dat in openbare ruimten voldoende systemen voor gescheiden inzameling worden opgezet voor de verschillende afvalfracties van verpakkingsmaterialen.
Amendement 446
Voorstel voor een verordening
Artikel 43 – lid 3 ter (nieuw)
3 ter.   Uiterlijk op 1 januari 2029 zorgen einddistributeurs die voeding en drank in de handel brengen die ter plaatse in de horecasector worden aangeboden en verbruikt ervoor dat systemen voor gescheiden inzameling worden opgezet voor de verschillende afvalfracties van verpakkingsmaterialen om de consument te helpen bij het sorteren van het verpakkingsafval.
Marktdeelnemers waarop de in lid 3 bedoelde verplichting van toepassing is, brengen jaarlijks verslag uit aan de lidstaat over het gewicht van het gescheiden ingezamelde verpakkingsafval per materiaal. Elke lidstaat verstrekt de Commissie geaggregeerde gegevens per gescheiden ingezameld verpakkingsmateriaal.
Amendement 270
Voorstel voor een verordening
Artikel 43 – lid 5
5.  In afwijking van de verplichting tot gescheiden inzameling van lid 3, mogen bepaalde soorten verpakkingsafval samen worden ingezameld indien die inzameling niet afdoet aan de mogelijkheid om dat afval aan recyclinghandelingen te onderwerpen en dat die handelingen resulteren in een output van vergelijkbare kwaliteit als de output van gescheiden inzameling.
Schrappen
Amendement 271
Voorstel voor een verordening
Artikel 43 – lid 5 bis (nieuw)
5 bis.  Met ingang van 1 januari 2030 kunnen de lidstaten ervoor zorgen dat verpakkingsafval dat niet gescheiden wordt ingezameld, voorafgaand aan verwijderings- of energieterugwinningsprocessen wordt gesorteerd om voor recycling ontworpen verpakkingen eruit te halen met het oog op recycling.
Amendement 272
Voorstel voor een verordening
Artikel 43 bis (nieuw)
Artikel 43 bis
Verplichte gescheiden inzameling
1.  Uiterlijk op 1 januari 2029 nemen de lidstaten de maatregelen die noodzakelijk zijn om elk jaar de gescheiden inzameling te waarborgen van 90 gewichtsprocent van de materialen die worden vermeld in artikel 46.
De in de eerste alinea genoemde doelstelling kan worden bereikt aan de hand van alle maatregelen waarnaar in deze verordening wordt verwezen alsmede door middel van maatregelen voor gescheiden inzameling buiten de woning.
2.  Lid 1 vormt een aanvulling op de streefcijfers voor gescheiden inzameling van kunststof flessen voor eenmalig gebruik uit hoofde van artikel 9 van Richtlijn (EU) 2019/904.
Amendement 273
Voorstel voor een verordening
Artikel 44 – lid 1 – punt a
a)  kunststof drankflessen voor eenmalig gebruik met een inhoud van maximaal drie liter, en
a)  kunststof drankflessen voor eenmalig gebruik met een inhoud van 0,1 liter tot drie liter, en
Amendement 274
Voorstel voor een verordening
Artikel 44 – lid 1 – punt b
b)  metalen drankverpakkingen voor eenmalig gebruik met een inhoud van maximaal drie liter.
b)  metalen drankverpakkingen voor eenmalig gebruik met een inhoud van 0,1 liter tot drie liter.
Amendementen 275 en 430
Voorstel voor een verordening
Artikel 44 – lid 3 – inleidende formule
3.  Onverminderd lid 1 van dit artikel wordt een lidstaat onder de volgende voorwaarden vrijgesteld van de verplichting van lid 1:
3.  Onverminderd lid 1 van dit artikel worden lidstaten vrijgesteld van de verplichting van lid 1 als op zijn minst aan een van de volgende voorwaarden wordt voldaan:
Amendement 276
Voorstel voor een verordening
Artikel 44 – lid 3 – punt a
a)  het percentage van het desbetreffende verpakkingsformaat dat overeenkomstig artikel 43, leden 3 en 4, gescheiden moet worden ingezameld, bedraagt, volgens de verslaglegging aan de Commissie overeenkomstig artikel 50, lid 1, punt c), meer dan 90 gewichtsprocent van dergelijke verpakkingen die op het grondgebied van die lidstaat in de kalenderjaren 2026 en 2027 in de handel zijn gebracht. Indien een dergelijk verslag nog niet bij de Commissie is ingediend, verstrekt de lidstaat op basis van gevalideerde nationale gegevens een met redenen omklede rechtvaardiging daarvoor, en een beschrijving van de uitgevoerde maatregelen, waaruit blijkt dat aan de in dit lid vastgestelde voorwaarden voor de vrijstelling is voldaan;
a)  het percentage van het desbetreffende verpakkingsformaat dat overeenkomstig artikel 43, leden 3 en 4, gescheiden moet worden ingezameld, is, volgens de verslaglegging aan de Commissie overeenkomstig artikel 50, lid 1, punt c), gelijk aan of hoger dan 85 gewichtsprocent van dergelijke verpakkingen die op het grondgebied van die lidstaat in de kalenderjaren 2026 en 2027 in de handel zijn gebracht. Indien een dergelijk verslag nog niet bij de Commissie is ingediend, verstrekt de lidstaat op basis van gevalideerde nationale gegevens een met redenen omklede rechtvaardiging daarvoor, en een beschrijving van de uitgevoerde maatregelen, waaruit blijkt dat aan de in dit lid vastgestelde voorwaarden voor de vrijstelling is voldaan;
Amendement 277
Voorstel voor een verordening
Artikel 44 – lid 3 – punt b
b)  de lidstaat stelt de Commissie uiterlijk 24 maanden vóór de in lid 1 van dit artikel vastgestelde termijn in kennis van zijn verzoek om vrijstelling en dient een uitvoeringsplan in met een strategie met concrete acties, met inbegrip van een tijdschema om ervoor te zorgen dat het percentage van 90 gewichtsprocent gescheiden inzameling van de in lid 1 bedoelde verpakkingen wordt bereikt.
b)  de lidstaat stelt de Commissie uiterlijk 24 maanden vóór de in lid 1 van dit artikel vastgestelde termijn in kennis van zijn verzoek om vrijstelling en dient een uitvoeringsplan in met een strategie met concrete acties, met inbegrip van een tijdschema om ervoor te zorgen dat het gewichtspercentage gescheiden inzameling van de in lid 3, punt a), bedoelde verpakkingen wordt bereikt.
Amendement 278
Voorstel voor een verordening
Artikel 44 – lid 7
7.  Een lidstaat kan, met inachtneming van de algemene voorschriften van het Verdrag en de bepalingen van deze verordening, bepalingen vaststellen die verder gaan dan de in dit artikel vastgestelde minimumeisen.
7.  Een lidstaat kan, met inachtneming van de algemene voorschriften van het Verdrag en de bepalingen van deze verordening, bepalingen vaststellen die verder gaan dan de in dit artikel vastgestelde minimumeisen, met de mogelijkheid verpakkingen voor andere producten toe te voegen.
Amendement 279
Voorstel voor een verordening
Artikel 45 – lid 1
1.  De lidstaten treffen maatregelen om te stimuleren dat op milieuvriendelijke wijze systemen voor hergebruik van verpakkingen en systemen voor navulling worden opgezet. Die systemen moeten voldoen aan de eisen van de artikelen 24 en 25 van en bijlage VI bij deze verordening en mogen geen afbreuk doen aan de levensmiddelenhygiëne of de veiligheid van consumenten.
1.  Uiterlijk op 31 december 2028 treffen de lidstaten maatregelen om ervoor te zorgen dat op milieuvriendelijke wijze systemen voor hergebruik van verpakkingen met voldoende stimulansen voor terugname en systemen voor navulling worden opgezet. Die systemen moeten voldoen aan de eisen van de artikelen 24 en 25 van en bijlage VI bij deze verordening en mogen geen afbreuk doen aan de levensmiddelenhandel of de veiligheid van consumenten.
Amendement 280
Voorstel voor een verordening
Artikel 45 – lid 2 – punt c
c)  het opleggen van een verplichting aan einddistributeurs om een bepaald percentage andere producten dan de onder de streefcijfers van artikel 26 vallende producten beschikbaar te stellen in herbruikbare verpakkingen die onder een systeem voor hergebruik of navulling vallen, op voorwaarde dat dit niet leidt tot verstoring van de interne markt of tot handelsbelemmeringen voor producten uit andere lidstaten.
c)  het opleggen van een verplichting aan fabrikanten en einddistributeurs om een bepaald percentage andere producten dan de onder de streefcijfers van artikel 26 vallende producten beschikbaar te stellen in herbruikbare verpakkingen die onder een systeem voor hergebruik of navulling vallen, op voorwaarde dat dit niet leidt tot verstoring van de interne markt of tot handelsbelemmeringen voor producten uit andere lidstaten.
Amendement 281
Voorstel voor een verordening
Artikel 45 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.  De Commissie verzoekt de Europese normalisatie-instellingen vrijwillige normen voor herbruikbare verpakkingen te ontwikkelen, met als doel het gebruik van verpakkingen te bevorderen die eenvoudig herbruikbaar zijn met behulp van deugdelijk ontworpen systemen voor hergebruik. Dergelijke normen hebben onder andere betrekking op het ontwerp, de etikettering, de reiniging en de traceerbaarheid van herbruikbare verpakkingen. De Commissie ondersteunt de ontwikkeling en verspreiding van dergelijke normen.
Amendement 282
Voorstel voor een verordening
Artikel 45 – lid 2 ter (nieuw)
2 ter.  De lidstaten zien erop toe dat er in de begroting van regelingen voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid en statiegeldregelingen een minimumbedrag wordt uitgetrokken voor de financiering van maatregelen voor afvalvermindering en -preventie en het opzetten van infrastructuur voor systemen voor hergebruik.
Amendement 283
Voorstel voor een verordening
Artikel 46 – lid 2 – inleidende formule
2.  Onverminderd lid 1, punt a), kan een lidstaat de in lid 1, punt b), i) tot en met vi), vastgestelde termijnen met maximaal vijf jaar uitstellen, onder de volgende voorwaarden:
2.  Onverminderd lid 1, punt a), en rekening houdend met de verschillende uitgangspositie van elke lidstaat met betrekking tot de specifieke streefcijfers die per materiaal zijn vastgesteld, kan een lidstaat de in lid 1, punt b), i) tot en met vi), vastgestelde termijnen met maximaal vijf jaar uitstellen, onder de volgende voorwaarden:
Amendement 284
Voorstel voor een verordening
Artikel 47 – lid 5
5.  Verpakkingsafval dat uit de Unie wordt uitgevoerd, wordt alleen meegerekend als gerecycled door de lidstaat waarin het is ingezameld indien de exporteur overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1013/2006 kan aantonen dat de overbrenging van afvalstoffen voldoet aan de eisen van deze verordening en dat de recycling van verpakkingsafval buiten de Unie heeft plaatsgevonden onder voorwaarden die in grote lijnen gelijkwaardig zijn aan de voorwaarden van de relevante Uniewetgeving.
Schrappen
Amendement 285
Voorstel voor een verordening
Artikel 47 – lid 9
9.  De hoeveelheid verpakkingsafvalmaterialen die niet langer afval zijn als gevolg van een voorbereidende handeling voorafgaand aan herverwerking, mag als gerecycled worden meegeteld, mits die materialen bestemd zijn voor verdere herverwerking tot producten, materialen of stoffen voor gebruik voor de oorspronkelijke of andere doeleinden. Materialen in de eindeafvalfase voor gebruik als brandstof of andere middelen voor het opwekken van energie, voor verbranding, voor gebruik als opvulling of voor storting, mogen echter niet als gerecycled worden meegeteld.
9.  De hoeveelheid verpakkingsafvalmaterialen die niet langer afval zijn als gevolg van een nuttige toepassing waardoor materialen opnieuw worden bewerkt tot producten, materialen of stoffen voor de oorspronkelijke dan wel andere doeleinden, mag als gerecycled worden meegeteld. Materialen in de eindeafvalfase voor gebruik als brandstof of andere middelen voor het opwekken van energie, voor verbranding, voor gebruik als opvulling of voor storting, mogen echter niet als gerecycled worden meegeteld.
Amendement 286
Voorstel voor een verordening
Artikel 47 – lid 12
12.  Verpakkingsafval dat uit de Unie wordt uitgevoerd, wordt alleen meegeteld als gerecycled door de lidstaat waarin het is ingezameld indien aan de eisen van lid 3 is voldaan en de exporteur overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1013/2006 kan aantonen dat de overbrenging van afvalstoffen voldoet aan de eisen van die verordening, onder meer dat de verwerking van verpakkingsafval buiten de Unie heeft plaatsgevonden onder voorwaarden die in grote lijnen gelijkwaardig zijn aan de eisen van de relevante milieuwetgeving van de Unie.
12.  Verpakkingsafval dat uit de Unie wordt uitgevoerd, wordt alleen meegeteld als gerecycled door de lidstaat waarin het is ingezameld indien aan de eisen van lid 3 is voldaan en de exporteur overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1013/2006 door de bevoegde autoriteit van bestemming goedgekeurde bewijsstukken overlegt waaruit blijkt dat de overbrenging van afvalstoffen voldoet aan de eisen van die verordening, onder meer dat de verwerking van verpakkingsafval buiten de Unie heeft plaatsgevonden onder voorwaarden die gelijkwaardig zijn aan de eisen van de relevante milieuwetgeving van de Unie.
Amendement 287
Voorstel voor een verordening
Artikel 49 – lid 1 – punt f
f)  de composteringskenmerken en de opties voor het correcte afvalbeheer van composteerbare verpakkingen.
f)  de composteringskenmerken en de opties voor het correcte afvalbeheer van composteerbare verpakkingen, met inbegrip van informatie om consumenten op de hoogte te brengen dat composteerbare verpakkingen die onder industrieel gecontroleerde omstandigheden composteerbaar zijn, niet geschikt zijn voor thuiscompostering of in de natuur mogen worden gegooid.
Amendement 288
Voorstel voor een verordening
Artikel 50 – lid 1 – alinea 1 – punt b
b)  het jaarlijkse verbruik van zeer lichte plastic draagtassen, lichte plastic draagtassen en dikke plastic draagtassen per persoon, voor elke categorie afzonderlijk;
b)  het jaarlijkse verbruik van zeer lichte plastic draagtassen, lichte plastic draagtassen, dikke plastic draagtassen, zeer dikke plastic draagtassen en papieren draagtassen per persoon, voor elke categorie afzonderlijk;
Amendement 289
Voorstel voor een verordening
Artikel 50 – lid 2 – inleidende formule
2.  De lidstaten brengen voor elk kalenderjaar voor elk in tabel 1 van bijlage IX genoemd verpakkingsmateriaal en elke in die tabel genoemde soort verpakking verslag uit over:
2.  De lidstaten brengen voor elk kalenderjaar verslag uit over:
Amendement 290
Voorstel voor een verordening
Artikel 50 – lid 2 – punt a
a)  de hoeveelheid in de handel gebrachte verpakkingen voor elke in tabel 1 van bijlage IX genoemde soort verpakking en elk in die tabel genoemd verpakkingsmateriaal;
a)  de hoeveelheid in de handel gebrachte verpakkingen voor elke in tabel 1 van bijlage II genoemde soort verpakking en elk in die tabel genoemd verpakkingsmateriaal;
Amendement 291
Voorstel voor een verordening
Artikel 50 – lid 2 – punt b
b)  de hoeveelheden gescheiden ingezameld verpakkingsafval voor elk in tabel 1 van bijlage IX genoemd verpakkingsmateriaal;
b)  de hoeveelheden gescheiden ingezameld verpakkingsafval voor elk in tabel 3 van bijlage XII genoemd verpakkingsmateriaal;
Amendement 292
Voorstel voor een verordening
Artikel 50 – lid 2 – punt c
c)  de recyclingpercentages;
c)  de recyclingpercentages van verpakkingsafval zoals vermeld in tabel 4 van bijlage XII;
Amendement 293
Voorstel voor een verordening
Artikel 51 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.  De verpakkingsdatabanken zijn toegankelijk voor het bredere publiek in een open formaat dat machinaal leesbaar is en de interoperabiliteit en het hergebruik van gegevens waarborgt.
Amendement 294
Voorstel voor een verordening
Artikel 52 – lid 1 – alinea 1
Onverminderd artikel 19 van Verordening (EU) 2019/1020 voeren markttoezichtautoriteiten van een lidstaat die voldoende redenen hebben om aan te nemen dat onder deze verordening vallende verpakkingen een risico voor het milieu of de gezondheid van de mens inhouden een beoordeling van de desbetreffende verpakkingen uit aan de hand van alle in deze verordening vastgestelde eisen die verband houden met het risico. De betrokken marktdeelnemers werken op elke vereiste wijze met de markttoezichtautoriteiten samen.
Onverminderd artikel 19 van Verordening (EU) 2019/1020 voeren markttoezichtautoriteiten van een lidstaat die voldoende redenen hebben om aan te nemen dat onder deze verordening vallende verpakkingen een risico voor het milieu of de gezondheid van mens en dier inhouden onverwijld een beoordeling van de desbetreffende verpakkingen uit aan de hand van alle in deze verordening vastgestelde eisen die verband houden met het risico. De betrokken marktdeelnemers werken op elke vereiste wijze met de markttoezichtautoriteiten samen.
Amendement 295
Voorstel voor een verordening
Artikel 52 – lid 6 – inleidende formule
6.  De in lid 4 bedoelde informatie voor de Commissie en de andere lidstaten wordt meegedeeld via het in artikel 34 van Verordening (EU) 2019/1020 bedoelde informatie- en communicatiesysteem en omvat alle bekende bijzonderheden, met name de gegevens die nodig zijn om non-conforme verpakkingen te identificeren en om de oorsprong van die verpakkingen, de aard van de veronderstelde niet-naleving en van het daarmee samenhangende risico, de aard en de duur van de getroffen nationale maatregelen, alsmede de door de betrokken marktdeelnemer aangevoerde argumenten, en in voorkomend geval de in artikel 54, lid 1, bedoelde informatie in kaart te brengen. De markttoezichtautoriteiten vermelden ook of de non-conformiteit een van de volgende oorzaken heeft:
6.  De in lid 5 bedoelde informatie voor de Commissie en de andere lidstaten wordt meegedeeld via het in artikel 34 van Verordening (EU) 2019/1020 bedoelde informatie- en communicatiesysteem en omvat alle bekende bijzonderheden, met name de gegevens die nodig zijn om non-conforme verpakkingen te identificeren en om de oorsprong van die verpakkingen, de aard van de veronderstelde niet-naleving en van het daarmee samenhangende risico, de aard en de duur van de getroffen nationale maatregelen, alsmede de door de betrokken marktdeelnemer aangevoerde argumenten, en in voorkomend geval de in artikel 55, lid 1, bedoelde informatie in kaart te brengen. De markttoezichtautoriteiten vermelden ook of de non-conformiteit een van de volgende oorzaken heeft:
Amendement 296
Voorstel voor een verordening
Artikel 53 – lid 1 – alinea 1
Wanneer na voltooiing van de procedure van artikel 52, leden 3 en 4, bezwaren tegen een door een lidstaat getroffen maatregel worden ingebracht of de Commissie van oordeel is dat de nationale maatregel in strijd is met de wetgeving van de Unie, treedt de Commissie onverwijld in overleg met de lidstaten en de betrokken marktdeelnemer(s) en voert zij een evaluatie van de nationale maatregel uit. Op grond van de resultaten van die evaluatie besluit de Commissie door middel van een uitvoeringshandeling of de nationale maatregel al dan niet gerechtvaardigd is.
Wanneer na voltooiing van de procedure van artikel 52, leden 5 en 6, bezwaren tegen een door een lidstaat getroffen maatregel worden ingebracht of de Commissie van oordeel is dat de nationale maatregel in strijd is met de wetgeving van de Unie, treedt de Commissie onverwijld in overleg met de lidstaten en de betrokken marktdeelnemer(s) en voert zij een evaluatie van de nationale maatregel uit. Op grond van de resultaten van die evaluatie besluit de Commissie door middel van een uitvoeringshandeling of de nationale maatregel al dan niet gerechtvaardigd is.
Amendement 297
Voorstel voor een verordening
Artikel 54 – lid 1
1.  Indien een lidstaat na uitvoering van een beoordeling overeenkomstig artikel 52, vaststelt dat verpakkingen weliswaar aan de toepasselijke eisen van artikel 5 tot en met 11 voldoen maar toch een risico inhouden voor het milieu of de gezondheid van de mens, eist deze lidstaat onverwijld dat de betrokken marktdeelnemer binnen een door de markttoezichtautoriteiten voorgeschreven redelijke termijn die evenredig is met de aard en in voorkomend geval de ernst van het risico, alle passende maatregelen treft om ervoor te zorgen dat de desbetreffende verpakkingen wanneer zij op de markt worden aangeboden dat risico niet meer inhouden, of dat die marktdeelnemer de verpakkingen uit de handel neemt of terugroept.
1.  Indien een lidstaat na uitvoering van een beoordeling overeenkomstig artikel 52, vaststelt dat verpakkingen weliswaar aan de toepasselijke eisen van artikel 5 tot en met 11 voldoen maar toch een risico inhouden voor het milieu of de gezondheid van mens en dier, eist deze lidstaat onverwijld dat de betrokken marktdeelnemer binnen een door de markttoezichtautoriteiten voorgeschreven redelijke termijn die evenredig is met de aard en in voorkomend geval de ernst van het risico, alle passende maatregelen treft om ervoor te zorgen dat de desbetreffende verpakkingen wanneer zij op de markt worden aangeboden dat risico niet meer inhouden, of dat die marktdeelnemer de verpakkingen uit de handel neemt of terugroept.
Amendement 298
Voorstel voor een verordening
Artikel 55 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.  De autoriteiten die uit hoofde van artikel 25, lid 1, van Verordening (EU) 2019/1020 worden aangewezen, gebruiken de op grond van lid 1 van dit artikel doorgegeven informatie om de risicoanalyse uit hoofde van artikel 25, lid 3, van Verordening (EU) 2019/1020 uit te voeren.
Amendement 299
Voorstel voor een verordening
Artikel 56 – lid 1 – punt k bis (nieuw)
k bis)  er is niet voldaan aan de eisen voor recyclebare verpakkingen;
Amendement 300
Voorstel voor een verordening
Artikel 56 – lid 1 – punt k ter (nieuw)
k ter)  er is niet voldaan aan de eisen voor het minimumgehalte aan gerecycled materiaal voor verpakkingen.
Amendement 301
Voorstel voor een verordening
Artikel 58 – lid 2
2.  De in artikel 5, lid 5, artikel 6, leden 4 en 6, artikel 7, leden 9, 10 en 11, artikel 8, lid 5, artikel 22, lid 4, artikel 26, lid 16, en artikel 57, lid 3, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie overgedragen voor een periode van tien jaar vanaf de datum van inwerkingtreding van deze verordening. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.
2.  De in artikel 5, lid 5, artikel 6, leden 4 en 6, artikel 7, leden 7 en 9, artikel 8, lid 5, artikel 22, lid 4, artikel 26, lid 16, artikel 27, lid 4, en artikel 57, lid 3, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie overgedragen voor een periode van vijf jaar vanaf de datum van inwerkingtreding van deze verordening. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.
Amendement 302
Voorstel voor een verordening
Artikel 58 – lid 3
3.  Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 5, lid 5, artikel 6, leden 4 en 6, artikel 7, leden 9, 10 en 11, artikel 8, lid 5, artikel 22, lid 4, artikel 26, lid 16, en artikel 57, lid 3, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.
3.  Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 5, lid 5, artikel 6, leden 4 en 6, artikel 7, leden 7 en 9, artikel 8, lid 5, artikel 22, lid 4, artikel 26, lid 16, artikel 27, lid 4, en artikel 57, lid 3, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.
Amendement 303
Voorstel voor een verordening
Artikel 58 – lid 4
4.  Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.
4.  Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie het verpakkingsforum en de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.
Amendement 304
Voorstel voor een verordening
Artikel 58 – lid 6
6.  Een uit hoofde van artikel 5, lid 5, artikel 6, leden 4 en 6, artikel 7, leden 9, 10 en 11, artikel 8, lid 5, artikel 22, lid 4, artikel 26, lid 16, en artikel 57, lid 3, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de bekendmaking van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van deze termijn de Commissie hebben meegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Op initiatief van het Europees Parlement of de Raad wordt deze termijn met twee maanden verlengd.
6.  Een uit hoofde van artikel 5, lid 5, artikel 6, leden 4 en 6, artikel 7, leden 7 en 9, artikel 8, lid 5, artikel 22, lid 4, artikel 26, lid 16, artikel 27, lid 4, en artikel 57, lid 3, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de bekendmaking van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van deze termijn de Commissie hebben meegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Op initiatief van het Europees Parlement of de Raad wordt deze termijn met twee maanden verlengd.
Amendement 305
Voorstel voor een verordening
Artikel 62 – lid 1
1.  Uiterlijk op [PB: gelieve datum in te voegen = 24 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] leggen de lidstaten de regels vast inzake de sancties voor inbreuken op deze verordening en treffen zij alle maatregelen die nodig zijn om ervoor te zorgen dat die regels worden toegepast. Die sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. Niet-naleving van de eisen van de artikelen 21 tot en met 26 wordt bestraft met een administratieve boete die aan de betrokken marktdeelnemer wordt opgelegd.
1.  Uiterlijk op [PB: gelieve datum in te voegen = 24 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] leggen de lidstaten de regels vast inzake de sancties voor inbreuken op deze verordening en treffen zij alle maatregelen die nodig zijn om ervoor te zorgen dat die regels worden toegepast. Overeenkomstig Richtlijn (EU) 2015/1535 van het Europees Parlement en de Raad 1 bis stellen de lidstaten de Commissie in kennis van die regels en maatregelen en, onverwijld, van eventuele latere wijzigingen daarvan. Die sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.
Deze sancties kunnen onder meer de vorm aannemen van:
a)  boeten die evenredig zijn aan de milieuschade en aan de waarde van de desbetreffende producten, en waarvan de hoogte zo wordt berekend dat wordt gewaarborgd dat aan de verantwoordelijke personen de economische voordelen die zij aan hun inbreuken te danken hebben, daadwerkelijk worden ontnomen en die geleidelijk worden verhoogd bij herhaling van een ernstige inbreuk;
b)  inbeslagneming van inkomsten die de fabrikant, producent, leverancier, distributeur, importeur, gemachtigde of aangewezen vertegenwoordiger voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid heeft verworven uit een transactie in verband met de desbetreffende producten;
c)  tijdelijke uitsluiting gedurende maximaal 12 maanden van aanbestedingsprocedures en van toegang tot publieke financiering, met inbegrip van aanbestedingsprocedures, subsidies en concessies;
d)  een tijdelijk verbod op het in de handel brengen of op de markt aanbieden, of het uitvoeren van de desbetreffende producten, in het geval van een ernstige inbreuk of van herhaalde inbreuken.
_______________
1 bis Richtlijn (EU) 2015/1535 van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 betreffende een informatieprocedure op het gebied van technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (PB L 241 van 17.9.2015, blz. 1).
Amendement 306
Voorstel voor een verordening
Artikel 62 bis (nieuw)
Artikel 62 bis
Toegang tot de rechter
1.  Iedere natuurlijke of rechtspersoon die voldoende belang heeft, zoals bepaald overeenkomstig de bestaande nationale rechtsmiddelenstelsels, met inbegrip van personen die voldoen aan de eventuele criteria die zijn vastgesteld in het nationale recht, onder wie personen die overeenkomstig artikel 62 bis gegronde zorg kenbaar hebben gemaakt, heeft toegang tot administratieve of rechterlijke procedures ter toetsing van de besluiten, het handelen of het verzuim van de krachtens deze verordening bevoegde autoriteiten.
2.  Deze verordening laat alle nationale wettelijke bepalingen tot regeling van de toegang tot de rechter en die volgens welke alle administratieve beroepsprocedures moeten zijn gevolgd alvorens er een gerechtelijke procedure kan worden ingeleid, onverlet.
Amendement 307
Voorstel voor een verordening
Artikel 62 ter (nieuw)
Artikel 62 ter
Verzoek om maatregelen
1.  Natuurlijke of rechtspersonen die worden benadeeld of dreigen te worden benadeeld door een inbreuk op deze verordening of die voldoende belang hebben bij milieubesluitvorming met betrekking tot een inbreuk op deze verordening, zijn gerechtigd met betrekking tot gevallen van een dergelijke inbreuk of een onmiddellijk gevaar op een dergelijke inbreuk de bevoegde autoriteiten te verzoeken maatregelen te treffen uit hoofde van deze verordening.
Niet-gouvernementele organisaties die opkomen voor milieubescherming en voldoen aan de eisen van artikel 11 van Verordening (EG) nr. 1367/2006 van het Europees Parlement en de Raad worden geacht een voldoende belang te hebben voor de toepassing van de eerste alinea.
2.  Het verzoek tot maatregelen gaat vergezeld van de relevante informatie en gegevens die dat verzoek ondersteunen.
3.  Indien het verzoek om maatregelen en de bijbehorende informatie en gegevens aannemelijk maken dat er sprake is van een inbreuk op deze verordening of dat er een onmiddellijk gevaar op een dergelijke inbreuk is, nemen de bevoegde autoriteiten deze verzoeken om maatregelen en de informatie en gegevens in overweging. In die gevallen bieden de bevoegde autoriteiten de betrokken marktdeelnemer de gelegenheid zijn standpunt met betrekking tot het verzoek om maatregelen en de bijbehorende opmerkingen kenbaar te maken.
4.  De bevoegde autoriteiten stellen onverwijld en overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van het Unierecht, de personen die een dergelijk verzoek op grond van lid 1 hebben ingediend in kennis van hun besluit inzake het al dan niet treffen van maatregelen, en motiveren dat besluit.
5.  Ingeval de bevoegde autoriteit het verzoek om maatregelen inwilligt, stelt zij de Commissie daarvan in kennis. De Commissie beoordeelt of er ook buiten de bewuste lidstaat sprake is van een inbreuk op de verordening. Als zij vaststelt dat er ook buiten de bewuste lidstaat sprake is van een inbreuk, treft zij passende maatregelen om naleving van de verordening te waarborgen.
Amendement 509
Voorstel voor een verordening
Artikel 63 – alinea 1
Uiterlijk op [PB: PB: gelieve datum in te voegen = acht jaar na de datum van toepassing van deze verordening] voert de Commissie een evaluatie uit van deze verordening en van de bijdrage ervan aan de werking van de interne markt en de verbetering van de milieuduurzaamheid van verpakkingen. De Commissie brengt verslag uit aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s over de belangrijkste bevindingen van die evaluatie. De lidstaten verstrekken de Commissie de nodige informatie voor het opstellen van dit verslag.
Uiterlijk op [PB: PB: gelieve datum in te voegen = acht jaar na de datum van toepassing van deze verordening] voert de Commissie een evaluatie uit van deze verordening en van de bijdrage ervan aan de werking van de interne markt en de verbetering van de milieuduurzaamheid van verpakkingen. Die evaluatie heeft onder meer betrekking op het effect van deze verordening op het agrovoedingssysteem en op voedselverspilling. De Commissie brengt verslag uit aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s over de belangrijkste bevindingen van die evaluatie. De lidstaten verstrekken de Commissie de nodige informatie voor het opstellen van dit verslag.
Amendement 308
Voorstel voor een verordening
Artikel 64 – alinea 2 – punt a
a)  artikel 8, lid 2, van Richtlijn 94/62/EG blijft van toepassing tot en met [PB: gelieve datum in te voegen = 42 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening];
a)  artikel 8, lid 2, van Richtlijn 94/62/EG blijft van toepassing tot en met [PB: gelieve datum in te voegen = 30 maanden na de inwerkingtreding van de in artikel 11, lid 5, bedoelde uitvoeringshandeling];
Amendement 309
Voorstel voor een verordening
Artikel 64 – alinea 2 – punt a bis (nieuw)
a bis)  Artikel 9, leden 1 en 2, van Richtlijn 94/62/EG blijven van toepassing met betrekking tot de essentiële eisen van bijlage II, punt 1, eerste streepje, tot en met 31 december 2029;
Amendement 510/rev1
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – alinea 6
Bloempotten die alleen worden gebruikt voor de verkoop en het vervoer van planten en niet bedoeld zijn voor de hele levensduur van de plant
Transporttrays en draagverpakkingen voor bloem- en plantenpotten die alleen worden gebruikt voor de verkoop en het vervoer
Amendement 310
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – alinea 12
Capsules voor dranksystemen (bv. koffie, cacao, melk)
Zakjes of pads voor koffie en thee, capsules voor dranksystemen (bv. capsules voor koffie of thee)
Amendement 311
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – alinea 14 bis (nieuw)
Doosjes die worden gebruikt voor tandpastatubes
Amendement 511/rev1
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – alinea 15
Bloempotten die voor de hele levensduur van de plant zijn bedoeld
Bloem- en plantenpotten, met inbegrip van direct vulbare packs voor perkgoed, die in verschillende productiestadia worden gebruikt of bestemd zijn om samen met de plant te worden verkocht
Amendement 312
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – alinea 44 bis (nieuw)
Bandenetiketten in de vorm van een sticker (Verordening (EU) 2020/740)
Amendement 313
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – tabel 1 – regel 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

2

Glas

Samengestelde verpakking die hoofdzakelijk uit glas bestaat

Flessen, potten, flacons, (cosmetica)potjes

 

Amendement

2

Glas

Samengestelde verpakking die hoofdzakelijk uit glas bestaat

Flessen, potten, flacons, (cosmetica)potjes, spuitbussen

 

Amendement 314
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – tabel 1 – regel 4

Door de Commissie voorgestelde tekst

4

Papier/karton

Samengestelde verpakking die hoofdzakelijk uit papier/karton bestaat

Onder meer drinkpakken, borden en bekers, d.w.z. gemetalliseerd of met kunststof gelamineerd papier/karton, karton voor vloeistoffen, papier/karton met kunststof voering/vensters

 

Amendement

4

Papier/karton

Samengestelde verpakking die hoofdzakelijk uit papier/karton bestaat

Onder meer drinkpakken en niet-drinkpakken, borden en bekers, d.w.z. gemetalliseerd of met kunststof gelamineerd papier/karton, karton voor vloeistoffen, papier/karton met kunststof voering/vensters

 

Amendement 315
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – tabel 1 – regel 5

Door de Commissie voorgestelde tekst

5

Metaal

Staal

Harde verpakkingsformaten (spuitbussen, blikken, verfblikken, dozen enz.) van staal, met inbegrip van blik

 

Amendement

5

Metaal

Staal

Harde verpakkingsformaten (spuitbussen, blikken, verfblikken, dozen enz.) van staal, met inbegrip van blik

 

Amendement 316
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – tabel 1 – regel 11 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

11 bis

Kunststof

Harde pet

Flessen en flacons

Ondoorzichtig wit

Amendement 317
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – tabel 1 – regel 12

Door de Commissie voorgestelde tekst

12

Kunststof

Harde pet

Harde verpakkingen met uitzondering van flessen en flacons (onder meer potten en bakken)

Transparant

Amendement

12

Kunststof

Harde pet

Harde verpakkingen met uitzondering van flessen en flacons (onder meer potten en bakken), spuitbussen

Transparant

Amendement 397
Voorstel voor een verordening
Bijlage II

Door de Commissie voorgestelde tekst

Bijlage II

Tabel 1

26

Kunststof

Andere harde kunststoffen, met inbegrip van harde pvc en polycarbonaat

Hard

27

Kunststof

Andere flexibele kunststoffen, met inbegrip van meerlagige plasticfolie en materialen van gemende samenstelling

Zakjes

Amendement

Bijlage II

Tabel 1

26

Kunststof

Andere harde kunststoffen, met inbegrip van harde pvc, polycarbonaat en biologisch afbreekbare polymeren

Hard

27

Kunststof

Andere flexibele kunststoffen, met inbegrip van meerlagige plasticfolie, materialen van gemende samenstelling en biologisch afbreekbare materialen

Zakjes

Amendement 318
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – tabel 1 – regel 26 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

26 bis

Kunststof

Harde kunststoffen die voor industriële verpakkingen worden gebruikt

IBC’s, vaten

 

Amendement 319
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – tabel 1 – regel 27 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

27 bis

Kunststof

Flexibele kunststoffen die voor industriële verpakkingen worden gebruikt

FIBC’s, zakken

 

Amendement 320
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – tabel 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Prestatieklasse voor recyclebaarheid

Beoordeling van de recyclebaarheid per exemplaar, in gewichtspercent

Klasse A

95 gewichtspercent of meer

Klasse B

90 gewichtspercent of meer

Klasse C

80 gewichtspercent of meer

Klasse D

70 gewichtspercent of meer

Klasse E

minder dan 70 gewichtspercent

Amendement

Prestatieklasse voor recyclebaarheid

Beoordeling van de recyclebaarheid per exemplaar, in gewichtspercent

Klasse A

hoger dan of gelijk aan 95 % – hoge compatibiliteit met ontwerp voor recycling

De verpakking moet meerdere malen kunnen worden gerecycled en voldoet volledig aan de ontwerpcriteria voor recycling. De gegenereerde secundaire grondstof is van een kwaliteit die hoog genoeg in om als input voor een gesloten materiaalkringloop te dienen.

Klasse B

hoger dan of gelijk aan 90 % – hoge tot middelhoge compatibiliteit met ontwerp voor recycling

De verpakking kan enkele kleine problemen met betrekking tot de recyclebaarheid vertonen die enige afbreuk doen aan de kwaliteit van de gegenereerde secundaire grondstof. Het merendeel van de uit deze verpakking gegenereerde secundaire grondstof zou echter nog steeds als input kunnen dienen voor een gesloten materiaalkringloop.

Klasse C

hoger dan of gelijk aan 80 % – middelhoge compatibiliteit met ontwerp voor recycling

De verpakking vertoont enkele problemen met betrekking tot de recyclebaarheid die afbreuk kunnen doen aan de kwaliteit van de gegenereerde secundaire grondstof en mogelijk zullen leiden tot het verlies van materiaal tijdens de recycling.

Klasse D

hoger dan of gelijk aan 70 % – middelhoge tot lage compatibiliteit met ontwerp voor recycling

De verpakking heeft aanzienlijke ontwerpproblemen die sterk afbreuk doen aan de recyclebaarheid ervan of grote verliezen van materiaal veroorzaken tijdens de recycling.

Klasse E

lager dan 70 % – lage compatibiliteit met ontwerp voor recycling

De verpakking is niet recyclebaar wegens ontwerpproblemen en mag niet in de handel worden gebracht.

Amendement 321
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – tabel 2 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Indicatieve parameters waarmee rekening moet worden gehouden bij de vaststelling van ontwerpcriteria voor recycling uit hoofde van artikel 6

1.  Additieven

2.  Etiketten/wikkels

3.  Sluitsysteem en kleine onderdelen

4.  Kleefstoffen

5.  Inkten/bedrukking

6.  Kleuren

7.  Materiële samenstelling

8.  Barrières/coatings

9.  Productresten/leeggemak

10.  Eenvoudige ontmanteling (ontwerpkenmerken van de verpakking)

Amendement 322
Voorstel voor een verordening
Bijlage III – alinea 1 – inleidende formule
Mogelijke voorwaarden om het gebruik van composteerbare verpakkingsformaten verplicht te stellen:
Mogelijke voorwaarden om het gebruik van composteerbare verpakkingsformaten verplicht te stellen of in te voeren:
Amendement 323
Voorstel voor een verordening
Bijlage III – alinea 1 – punt c
c)  de verpakking is biologisch afbreekbaar van aard en kan daardoor fysisch, chemisch, thermisch of biologisch worden afgebroken, onder meer door middel van anaerobe vergisting, en wordt uiteindelijk omgezet in koolstofdioxide of methaan, in afwezigheid van zuurstof, minerale zouten, biomassa en water;
c)  de verpakking is dusdanig biologisch afbreekbaar dat zij fysisch, chemisch, thermisch of biologisch kan worden afgebroken, onder meer door middel van anaerobe vergisting, en wordt uiteindelijk omgezet in koolstofdioxide en water, nieuwe microbiële biomassa, minerale zouten en, in afwezigheid van zuurstof, methaan;
Amendement 324
Voorstel voor een verordening
Bijlage III – alinea 1 – punt e
e)  het gebruik van de verpakking leidt tot aanzienlijk minder verontreiniging van compost met niet-composteerbare verpakkingen; en
e)  het gebruik van de verpakking leidt tot aanzienlijk minder verontreiniging van compost met niet-composteerbare verpakkingen en veroorzaakt geen problemen bij de verwerking van bioafval;
Amendement 325
Voorstel voor een verordening
Bijlage IV – deel I – punt 1
1.  Bescherming van het product: met het verpakkingsontwerp wordt gewaarborgd dat het product wordt beschermd van het punt van verpakking of vulling tot aan het eindgebruik ervan, teneinde aanzienlijke schade aan of verlies, beschadiging of verspilling van het product te voorkomen. De eisen kunnen onder meer betrekking hebben op bescherming tegen mechanische of chemische schade, trillingen, compressie, vocht, licht, zuurstof, microbiologische besmetting, plaagorganismen en achteruitgang van de organoleptische eigenschappen, en kunnen verwijzingen naar specifieke wetgeving met eisen over productkwaliteit bevatten.
1.  Bescherming van het product: met het verpakkingsontwerp wordt gewaarborgd dat het product wordt beschermd van het punt van verpakking of vulling tot aan het eindgebruik ervan, teneinde aanzienlijke schade aan of verlies, beschadiging of verspilling van het product te voorkomen. De eisen kunnen onder meer betrekking hebben op bescherming tegen mechanische of chemische schade, trillingen, compressie, vocht, licht, zuurstof, microbiologische besmetting, plaagorganismen en achteruitgang van de organoleptische eigenschappen, en kunnen verwijzingen naar specifieke wetgeving met eisen over productkwaliteit bevatten. De beschermingsmaatregelen kunnen de nodige voorzieningen ter preventie van manipulatie, diefstal en namaak omvatten.
Amendement 419
Voorstel voor een verordening
Bijlage IV – deel I – punt 3 bis (nieuw)
3 bis.   Verpakkingsfunctionaliteit: het verpakkingsontwerp waarborgt de functionaliteit ervan, met inbegrip van criteria voor de aanvaarding van producten door consumenten. Ontwerpelementen die vereist zijn voor het herkennen van onderscheidende producterkenning, intellectuele-eigendomsrechten of herkomstaanduidingen uit hoofde van de wetgeving van de Unie, worden in acht genomen.
Amendement 441
Voorstel voor een verordening
Bijlage IV – deel I – punt 6
6.  Wettelijke eisen: met het verpakkingsontwerp moet worden gewaarborgd dat de verpakking en het verpakte product aan de toepasselijke wetgeving kunnen voldoen.
6.  Wettelijke eisen: met het verpakkingsontwerp moet worden gewaarborgd dat de verpakking en het verpakte product aan de toepasselijke wetgeving kunnen voldoen, met inbegrip van de bescherming van geografische aanduidingen uit hoofde van de Uniewetgeving of de wettelijke bescherming uit hoofde van intellectuele-eigendomsrechten.
Amendement 327
Voorstel voor een verordening
Bijlage IV – deel II – alinea 1 – punt a
a)  voor elk van de in deel I vermelde prestatiecriteria, een lijst van ontwerpeisen waardoor een verdere vermindering van het gewicht of volume van een verpakking onmogelijk wordt zonder de functionaliteit van de verpakking, met inbegrip van de veiligheid en hygiëne van het verpakte product, de verpakking en de gebruiker, in gevaar te brengen. De methode voor de identificatie van deze ontwerpeisen wordt beschreven en de redenen waarom een verdere vermindering van het gewicht of volume van de verpakking onmogelijk is, moeten worden toegelicht. Alle mogelijkheden voor vermindering die een bepaald verpakkingsmateriaal biedt, moeten worden onderzocht. Het volstaat niet het ene verpakkingsmateriaal door een ander te vervangen;
a)  voor elk van de in deel I vermelde prestatiecriteria, een lijst van ontwerpeisen waardoor een verdere vermindering van het gewicht of volume van een verpakking onmogelijk wordt zonder de functionaliteit van de verpakking, met inbegrip van de veiligheid en hygiëne van het verpakte product, de verpakking en de gebruiker, in gevaar te brengen. De methode voor de identificatie van deze ontwerpeisen wordt beschreven en de redenen waarom een verdere vermindering van het gewicht of volume van de verpakking onmogelijk is, moeten worden toegelicht. Alle mogelijkheden voor vermindering die een bepaald verpakkingsmateriaal biedt, moeten worden onderzocht, zoals de vermindering van elke overbodige laag die geen verpakkingsfunctie vervult. Vervanging van het ene verpakkingsmateriaal door een ander wordt niet voldoende geacht;
Amendement 328
Voorstel voor een verordening
Bijlage V – regel 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

1.

Kunststof verzamelverpakkingen voor eenmalig gebruik

Kunststof verpakkingen die in de detailhandel worden gebruikt om goederen te verkopen in blikken, potten en pakketten die zijn ontworpen voor het gemak om eindgebruikers in staat te stellen of aan te moedigen om meer dan één product te kopen. Verzamelverpakkingen die nodig zijn om de hantering tijdens de distributie te vergemakkelijken, vallen hier niet onder.

Wikkelfolie, krimpfolie

Amendement

1.

Kunststof verzamelverpakkingen voor eenmalig gebruik

Kunststof verpakkingen die op het verkooppunt worden gebruikt om goederen te verkopen in flessen, blikken, potten en pakketten die zijn ontworpen voor het gemak om consumenten in staat te stellen of aan te moedigen om meer dan één product te kopen. Verzamelverpakkingen die nodig zijn om de hantering tijdens business-to-businessdistributie te vergemakkelijken, vallen hier niet onder.

Wikkelfolie, krimpfolie

Amendementen 391cp1 en 512
Voorstel voor een verordening
Bijlage V – regel 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

2.

Kunststof wegwerpverpakkingen, samengestelde wegwerpverpakkingen of andere wegwerpverpakkingen voor verse groenten en fruit

Wegwerpverpakkingen voor minder dan 1,5 kg verse groenten en fruit, tenzij is aangetoond dat waterverlies of turgescentieverlies, microbiologische gevaren of fysieke schokken moeten worden voorkomen

Netten, zakken, bakjes, potten

Amendement

Schrappen

Schrappen

Schrappen

Schrappen

Amendementen 391 cp2 en 513
Voorstel voor een verordening
Bijlage V – regel 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

3.

Kunststof wegwerpverpakkingen, samengestelde wegwerpverpakkingen of andere wegwerpverpakkingen

Wegwerpverpakkingen voor voedsel en dranken die worden gevuld en geconsumeerd op locaties in de horecasector, met inbegrip van alle eetruimten binnen en buiten een bedrijfsruimte die is voorzien van tafels en zitplekken of staanplaatsen, en van eetruimten die door verschillende marktdeelnemers of derden samen worden aangeboden voor de consumptie van voedsel en dranken

Bakjes, borden en bekers voor eenmalig gebruik, zakken, folie, dozen

Amendement

Schrappen

Schrappen

Schrappen

Schrappen

Amendement 391cp3
Voorstel voor een verordening
Bijlage V – regel 4

Door de Commissie voorgestelde tekst

4.

Wegwerpverpakkingen voor smaakstoffen, conserven, sauzen, koffiemelk, suiker en kruiderijen in de horecasector

Wegwerpverpakkingen in de horecasector die afzonderlijke porties of maaltijden bevatten of gebruikt worden voor smaakstoffen, conserven, sauzen, koffiemelk, suiker en kruiderijen, met uitzondering van verpakkingen die samen worden verstrekt met kant-en-klare afhaalmaaltijden die bestemd zijn voor onmiddellijke consumptie zonder dat verdere bereiding nodig is

Zakjes, potten, bakjes, dozen

Amendement

Schrappen

Schrappen

Schrappen

Schrappen

Amendement 332
Voorstel voor een verordening
Bijlage V – regel 5

Door de Commissie voorgestelde tekst

5.

Miniatuurverpakkingen in hotels voor eenmalig gebruik

Voor cosmetica, producten voor persoonlijke verzorging en toiletartikelen met een inhoud van minder dan 50 ml voor vloeibare producten of minder dan 100 g voor vaste producten

Shampooflessen, flessen voor hand- of bodylotion, zakjes voor miniatuurstukken zeep

Amendement

5.

Kunststof miniatuurverpakkingen in hotels voor eenmalig gebruik

Voor cosmetica zoals gedefinieerd in artikel 2 van Verordening (EG) nr. 1223/2009, producten voor persoonlijke verzorging en toiletartikelen met een inhoud van minder dan 100 ml voor vloeibare producten of minder dan 100 g voor vaste producten

Shampooflessen, flessen voor hand- of bodylotion, zakjes voor miniatuurstukken zeep

Amendement 333
Voorstel voor een verordening
Bijlage V – regel 5 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

5 bis.

Kunststof wegwerpverpakkingen op luchthavens

Voor koffers en tassen

Krimpfolie

Amendement 334
Voorstel voor een verordening
Bijlage V – regel 5 ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

5 ter.

Secundaire verpakking die niet nodig is om te voldoen aan de prestatiecriteria in bijlage IV

Voor cosmetica, met uitzondering van parfums, producten voor persoonlijke verzorging en toiletartikelen

Dozen voor tandpasta en crèmes

Amendement 436
Voorstel voor een verordening
Bijlage V – regel 5 quater (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

5 quater.

Kunststofverpakkingen voor eenmalig gebruik die als vulmateriaal worden gebruikt

Kunststofverpakkingen die worden gebruikt om bepaald materiaal tijdens het hanteren te beschermen

Chips van polystyreen

Amendement 335
Voorstel voor een verordening
Bijlage VI – deel A – punt 3 bis (nieuw)
Systemen met een open kringloop die vóór de inwerkingtreding van deze verordening zijn ingesteld, zijn vrijgesteld van de eisen van deel A, punt 1, a), b), c), d), f) en g).
Amendement 336
Voorstel voor een verordening
Bijlage VI – deel B – punt 1
1.   Het herstelproces mag geen risico opleveren voor de gezondheid en veiligheid van degenen die daarvoor verantwoordelijk zijn, en er moet worden gestreefd naar vermindering van de milieueffecten van dat proces. Dat proces moet worden uitgevoerd in overeenstemming met de toepasselijke wetgeving inzake contactgevoelige materialen.
1.   Het herstelproces mag geen risico opleveren voor de gezondheid en veiligheid van degenen die daarvoor verantwoordelijk zijn, en de milieueffecten van dat proces moeten worden verminderd. Dat proces moet worden uitgevoerd in overeenstemming met de toepasselijke wetgeving inzake contactgevoelige materialen, afval en industriële emissies.
Amendement 337
Voorstel voor een verordening
Annex VI – deel C – punt b
b)   zij moeten voorzien zijn van een weegschaal waarmee de houder van de eindgebruiker kan worden afgewogen;
b)   zij moet voorzien zijn van een meetapparaat dat de eindgebruiker precies laat zien hoeveel wordt gekocht;
Amendement 338
Voorstel voor een verordening
Bijlage X – alinea 2 – punt j
j)  ten minste 1 % van de jaaromzet van de systeembeheerder (exclusief het statiegeld) wordt gebruikt voor voorlichtingscampagnes over het beheer van verpakkingsafval;
j)  een deel van de jaaromzet van de systeembeheerder wordt gebruikt voor voorlichtingscampagnes over het beheer van verpakkingsafval;
Amendement 339
Voorstel voor een verordening
Bijlage X – alinea 2 – punt l bis (nieuw)
l bis)  wanneer een digitale statiegeldregeling wordt ingevoerd die niet op het niveau van de einddistributeurs wordt georganiseerd, houden de lidstaten houden rekening met de in de punten l) tot en met v) bedoelde factoren;
Amendement 340
Voorstel voor een verordening
Bijlage X – alinea 2 – punt o
o)  alle statiegeldverpakkingen zijn duidelijk geëtiketteerd, zodat eindgebruikers gemakkelijk kunnen vaststellen dat die verpakkingen moeten worden ingeleverd;
o)  alle statiegeldverpakkingen die in het kader van een statiegeldregeling moeten worden verzameld, zijn duidelijk geëtiketteerd, zodat eindgebruikers gemakkelijk kunnen vaststellen dat die verpakkingen moeten worden ingeleverd;
Amendement 341
Voorstel voor een verordening
Bijlage X – alinea 3
Naast de minimumeisen kunnen de lidstaten waar nodig aanvullende eisen vaststellen om ervoor te zorgen dat de doelstellingen van deze verordening worden verwezenlijkt, met name wat betreft het verbeteren van de zuiverheid van ingezameld verpakkingsafval, het terugdringen van zwerfvuil of het verwezenlijken van andere doelstellingen van de circulaire economie.
Naast de minimumeisen kunnen de lidstaten waar nodig aanvullende eisen vaststellen om ervoor te zorgen dat de doelstellingen van deze verordening worden verwezenlijkt, met name wat betreft het verbeteren van de zuiverheid van ingezameld verpakkingsafval, het terugdringen van zwerfvuil of het verwezenlijken van andere doelstellingen van de circulaire economie, zoals het waarborgen van veilige en billijke toegang tot gerecyclede grondstoffen voor gebruik in toepassingen die verdere recyclebaarheid mogelijk maken en die kunnen worden gebruikt op dezelfde manier of voor dezelfde of een vergelijkbare productcategorie als die waaruit ze afkomstig zijn.

(1)* Verwijzingen naar 'cp' in de kopjes van goedgekeurde amendementen worden opgevat als het overeenkomstige deel van deze amendementen.
(2)De zaak werd voor interinstitutionele onderhandelingen terugverwezen naar de bevoegde commissie op grond van artikel 59, lid 4, vierde alinea, van het Reglement (A9-0319/2023).


Digitalisering en bestuursrecht
PDF 180kWORD 66k
Resolutie
Bijlage
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 22 november 2023 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende digitalisering en bestuursrecht (2021/2161(INL))
P9_TA(2023)0426A9-0309/2023

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 225 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 298 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, waarin het recht op behoorlijk bestuur als een grondrecht wordt erkend,

–  gezien de gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie over de Europese verklaring over digitale rechten en beginselen voor het digitale decennium van 15 december 2022,

–  gezien Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door instellingen, organen en instanties van de Unie en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 45/2001 en Besluit nr. 1247/2002/EG(1),

–  gezien Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie(2),

–  gezien het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende informatiebeveiliging in de instellingen, organen en instanties van de Unie (2022/0084(COD)),

–  gezien het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende maatregelen voor een hoog gezamenlijk niveau van cyberbeveiliging in de instellingen, organen en instanties van de Unie (2022/0085(COD)),

–  gezien Richtlijn (EU) 2022/2555 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2022 betreffende maatregelen voor een hoog gezamenlijk niveau van cyberbeveiliging in de Unie(3),

–  gezien de uitgebreide rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, waarin een aantal algemene bestuursrechtelijke beginselen wordt erkend die steun vinden in de grondwettelijke tradities van de lidstaten,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 26 januari 2022 getiteld “Opstelling van een Europese verklaring over digitale rechten en beginselen voor het digitale decennium” (COM(2022)0027) en het begeleidende werkdocument van de diensten van de Commissie met een verslag over de activiteiten voor raadpleging en inspraak van belanghebbenden (SWD(2022)0014),

–  gezien de digitale strategie van de Commissie: “Next generation digital Commission” (Digitale Commissie van de volgende generatie) van 30 juni 2022 (C(2022)4388),

–  gezien zijn resolutie van 6 september 2001 over het speciaal verslag van de Europese Ombudsman aan het Europees Parlement naar aanleiding van het initiatiefonderzoek naar het bestaan, bij de verschillende instellingen en organen van de Gemeenschappen, van een code van goed administratief gedrag en de toegankelijkheid van die code voor het publiek(4),

–  gezien Besluit 2000/633/EG, ECSC, Euratom van de Commissie van 17 oktober 2000 tot wijziging van haar reglement van orde door toevoeging van een bestuurlijke gedragscode voor het personeel van de Commissie bij de contacten met het publiek(5),

–  gezien het besluit van de secretaris-generaal van de Raad/hoge vertegenwoordiger voor het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid van 25 juni 2001 betreffende een code voor correct bestuurlijk gedrag van het secretariaat-generaal van de Raad van de Europese Unie en zijn personeel in de contacten die zij om professionele redenen met het publiek hebben(6),

–  gezien Aanbeveling CM/Rec(2007)7 van 20 juni 2007 van het Comité van ministers van de Raad van Europa aan de lidstaten over behoorlijk bestuur,

–  gezien de “Beginselen voor de openbare dienst voor EU-ambtenaren”, door de Europese Ombudsman gepubliceerd op 19 juni 2012,

–  gezien de opeenvolgende factsheets over digitaal bestuur in de lidstaten, die online zijn gepubliceerd door de Commissie,

–  gezien het bestaan in de lidstaten van zowel algemene wetten inzake administratieve procedures, waarin de grondbeginselen van het bestuursrecht zijn vastgelegd, als domeinspecifieke of sectorspecifieke wetgeving,

–  gezien het verslag van 2022 van het Europees Rechtsinstituut over modelregels voor effectbeoordelingen van algoritmische besluitvormingssystemen die door de overheid worden gebruikt(7),

–  gezien de voordrachtsnotities voor de Conferentie over Europees bestuursrecht, georganiseerd door de beleidsafdeling van de Commissie juridische zaken van het Parlement en de Universiteit van León (León, 27-28 april 2011)(8),

–  gezien de aanbevelingen in het werkdocument over de stand van zaken en de vooruitzichten voor EU-bestuursrecht dat de Werkgroep voor EU-bestuursrecht op 22 november 2011 aan de Commissie juridische zaken heeft voorgelegd(9),

–  gezien de beoordeling van de Europese meerwaarde van bestuursprocesrecht van de Europese Unie, die op 6 november 2012 door de afdeling Europese Meerwaarde aan de Commissie juridische zaken werd verstrekt(10),

–  gezien de openbare raadpleging over algemene regels voor een open, onafhankelijk en efficiënt Europees bestuur en het samenvattend verslag van juli 2018, dat op 10 juli 2018 door de afdeling Europese Meerwaarde van de Onderzoeksdienst van het Europees Parlement, aan de Commissie juridische zaken is voorgelegd(11),

–  gezien een effectbeoordeling van mogelijke maatregelen op EU-niveau voor een open, efficiënt en onafhankelijk EU-bestuur, die in juli 2018 is afgerond door de afdeling Effectbeoordeling vooraf van de Onderzoeksdienst van het Europees Parlement en op 10 juli 2018 aan de Commissie juridische zaken is verstrekt(12),

–  gezien de beoordeling van de Europese meerwaarde van digitalisering en bestuursrecht van 2022, die op 30 mei 2023 door de afdeling Europese Meerwaarde aan de Commissie juridische zaken is verstrekt(13),

–  gezien zijn resolutie van 15 januari 2013 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende het bestuursprocesrecht van de Europese Unie(14),

–  gezien zijn resolutie van 9 juni 2016 over een open, doeltreffend en onafhankelijk Europees ambtenarenapparaat en het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende een open, efficiënt en onafhankelijk bestuur van de Europese Unie(15),

–  gezien zijn resolutie van 26 oktober 2017 over de controle op de toepassing van het EU‑recht (2015) (2017/2011(INI))(16),

–  gezien zijn resolutie van 7 juli 2022 over betere regelgeving: samen zorgen voor betere regelgeving (2021/2166(INI))(17),

–  gezien zijn resolutie van 20 mei 2021 over de digitale toekomst van Europa vormgeven: belemmeringen voor de werking van de digitale eengemaakte markt wegnemen en het gebruik van AI voor Europese consumenten verbeteren (2020/2216(INI))(18),

–  gezien de follow-up door de Commissie van de resolutie van het Europees Parlement met aanbevelingen aan de Commissie betreffende het bestuursprocesrecht van de Europese Unie, die door de Commissie op 24 april 2013 is aangenomen,

–  gezien de follow-up door de Commissie van de resolutie van het Europees Parlement over een open, doeltreffend en onafhankelijk Europees ambtenarenapparaat, die door de Commissie op 4 oktober 2016 is aangenomen,

–  gezien de follow-up door de Commissie van de resolutie van het Europees Parlement over betere regelgeving: samen zorgen voor betere regelgeving, die door de Commissie op 22 oktober 2022 is aangenomen,

–  gezien de artikelen 47 en 54 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A9-0309/2023),

A.  overwegende dat het Verdrag van Lissabon de Unie een geschikte rechtsgrondslag verschaft voor de vaststelling van een Europese wet bestuursprocesrecht;

B.  overwegende dat het grondrecht op behoorlijk bestuur, vervat in artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, op grond waarvan eenieder er recht op heeft dat zijn zaken onpartijdig, billijk en binnen een redelijke termijn door de instellingen, organen en instanties van de Unie worden behandeld, thans als bepaling van primair recht juridisch bindend is;

C.  overwegende dat in een Unie die de beginselen van de rechtsstaat eerbiedigt, de procedurele rechten en verplichtingen altijd naar behoren gedefinieerd, bijgewerkt en geharmoniseerd moeten zijn en moeten worden nageleefd; overwegende dat burgers het recht hebben om van de instellingen, organen en instanties van de Unie een hoge mate van transparantie, eerlijke behandeling, efficiëntie, reactievermogen en snelle uitvoering te verwachten, en dat zij ook recht hebben op informatie over de mogelijkheden die zij hebben om verdere actie te ondernemen in kwesties die zij aan deze instellingen, organen en instanties voorleggen;

D.  overwegende dat een transparant, efficiënt en onafhankelijk bestuur van de Unie essentieel is voor het algemeen belang, dat een overmaat – maar ook een gebrek – aan regels en procedures kan leiden tot wanbeheer, gebrekkige eerbiediging van de mensenrechten, de toepasselijke wetgeving of de beginselen van behoorlijk bestuur, en dat wanbeheer ook kan voortvloeien uit tegenstrijdige, gebrekkige, onsamenhangende of onduidelijke voorschriften en procedures; overwegende dat dit het vertrouwen van de burgers in openbare instellingen in de weg kan staan; overwegende dat goed gestructureerde en consistente administratieve procedures zowel een transparant, efficiënt en onafhankelijk bestuur als een correcte handhaving van het grondrecht op behoorlijk bestuur ondersteunen en de meerwaarde hebben dat zij transparantie en verantwoordingsplicht bevorderen, waardoor de legitimiteit van de Unie wordt versterkt en het vertrouwen van de burgers in het bestuur van de Unie toeneemt;

E.  overwegende dat het nodig is de omslachtige administratieve regels en procedures van de Unie te vereenvoudigen en prioriteit te geven aan maatregelen om de efficiëntie, transparantie en toegankelijkheid van het bestuur op Europees niveau te verbeteren, teneinde de eerbiediging van het recht van het publiek op behoorlijk bestuur te waarborgen;

F.  overwegende dat het gebrek aan vertrouwen onder de burgers de laatste jaren een dringend probleem is waarmee de Unie wordt geconfronteerd en dat haar legitimiteit kan aantasten; overwegende dat de Unie snelle, duidelijke en zichtbare antwoorden moet geven aan de burgers van de Unie om tegemoet te komen aan hun zorgen;

G.  overwegende dat de Unie bij haar optreden transparant moet zijn en verantwoording aan haar burgers moet afleggen; overwegende dat digitale technologieën kunnen worden gebruikt als instrument om informatie in de Unie op toegankelijkere wijze voor burgers beschikbaar te maken, zoals blijkt uit het gebruik van artificiële intelligentie om antwoorden te geven op vragen van burgers;

H.  overwegende dat, volgens statistieken voor Europa als geheel, burgers vaak problemen ondervinden wat betreft operationele inconsistentie en administratieve lasten met betrekking tot de Europese instellingen(19);

I.  overwegende dat er met betrekking tot de werking van het bestuursapparaat van de Unie bij de Europese burgers in het algemeen het gevoel heerst dat er ruimte is voor verbetering, en dat dit ook uit de evaluatie van hun directe ervaringen blijkt; overwegende dat een aanzienlijk percentage Europeanen van mening is dat langdurige procedures, de moeilijkheid om informatie te vinden en er toegang toe te krijgen en de kwaliteit van de reacties die zij ontvangen in hun interactie met de instellingen knelpunten vormen(20);

J.  overwegende dat de bestaande regels van de Unie inzake behoorlijk bestuur verspreid zijn over tal van verschillende bronnen: in het primaire recht, in de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, in secondaire wetgeving, in zogenaamde “zachte wetgeving” en in verbintenissen die de instellingen van de Unie eenzijdig zijn aangegaan;

K.  overwegende dat de interne gedragscodes die bij de verschillende instellingen bestaan een beperkte werking hebben, van elkaar verschillen en juridisch niet bindend zijn;

L.  overwegende dat een duidelijke, betrouwbare, toegankelijke en bindende regeling voor het bestuur van de Unie, mede gelet op de aanbevelingen van de Groep van Staten van de Raad van Europa tegen corruptie (Greco), een positief signaal zou zijn voor de bestrijding van corruptie binnen verschillende overheden;

M.  overwegende dat het Parlement in zijn resoluties en bijlagen sinds 2001 consequent heeft verzocht om wetgevende maatregelen van de Commissie op dat gebied; overwegende dat het Parlement in 2013 heeft aangedrongen op bestuursprocesrecht van de Europese Unie en in 2016 met name heeft aangedrongen op een voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende een open, efficiënt en onafhankelijk bestuur van de Europese Unie; overwegende dat de oproepen van het Parlement in feite telkens gericht zijn op het goedkeuren van een verordening betreffende het bestuursproces van de Europese Unie waarin algemene procedureregels worden vastgelegd voor de administratieve activiteiten van het bestuursapparaat van de Unie, dat wil zeggen de instellingen, organen en instanties van de Unie (Europese wet bestuursprocesrecht);

N.  overwegende dat die oproepen gebaseerd zijn op gedetailleerde effectbeoordelingen waarin onder meer de kosten van administratieve procedures worden gekwantificeerd; overwegende dat in de effectbeoordeling van 2018 werd vastgesteld dat de versnippering van administratieve procedures tussen instellingen en -organen van de Unie een negatief effect heeft op de openheid, efficiëntie en onafhankelijkheid van de Unie, en dat werd geconcludeerd dat de negatieve effecten waarschijnlijk zullen verergeren met de overgang naar een gedigitaliseerde administratie; overwegende dat de Commissie bij de indiening van het voorstel ook een effectbeoordeling moet voorleggen, rekening houdend met de behoeften van Europese burgers en Europese bedrijven, en met name die van kleine en middelgrote ondernemingen;

O.  overwegende dat het Parlement een openbare raadpleging heeft gehouden over de noodzaak om een Europese wet bestuursprocesrecht vast te stellen, waarbij 76 % van de respondenten voorstander was van aanvullende maatregelen op het niveau van de Unie om de administratieve procedures van de Unie te verbeteren en te vereenvoudigen, verbetering van de efficiëntie en transparantie als een van de belangrijkste redenen voor EU-optreden werd genoemd en het ontbreken van operationele samenhang en de kosten van de administratieve lasten als de meest problematische kwesties werden aangemerkt;

P.  overwegende dat het Parlement de academische wereld, beroepsbeoefenaren en de rechtsgemeenschap heeft geraadpleegd ter voorbereiding van zijn resolutie van 2016 over een open, doeltreffend en onafhankelijk Europees ambtenarenapparaat; overwegende dat de Commissie in haar op 24 april 2013 aangenomen follow-up van de resolutie van het Parlement van 15 januari 2013 heeft verklaard dat zij een gedetailleerde inventaris zou opmaken van het bestaande bestuursrecht van de Unie en van mogelijke tekortkomingen in alle instellingen, dat zij de aanpak van deze kwesties in de lidstaten zou beoordelen en de academische wereld, beroepsbeoefenaren en de rechtsgemeenschap zou raadplegen om een diepgaande analyse van alle aspecten van de kwestie te verrichten; overwegende dat de Commissie tien jaar later het Parlement nog steeds niet heeft geïnformeerd over de resultaten van de aangekondigde inventarisatie en diepgaande analyse;

Q.  overwegende dat de Commissie in dezelfde follow-up van 2013 ook heeft verklaard dat bij elk toekomstig initiatief rekening moet worden gehouden met het bestaande kader van administratieve regels en de complexe relatie tussen horizontale en sectorspecifieke regels, met de vele oorzaken van mogelijk wanbeheer en de vele manieren waarop dit kan worden aangepakt, en met de grenzen aan het gebruik van artikel 298 VWEU; overwegende dat de Commissie tot op heden niet met een dergelijke beoordeling is gekomen;

R.  overwegende dat de Commissie in 2022, voor het eerst handelend op basis van artikel 298 VWEU, twee voorstellen heeft ingediend met betrekking tot enerzijds informatiebeveiliging en anderzijds cyberbeveiliging in het bestuursapparaat van de Unie, dat wil zeggen haar instellingen, organen en instanties, om iets te doen aan het ontbreken van een gemeenschappelijke aanpak op deze gebieden en aan het feit dat elk van hen ofwel haar of zijn eigen regels op deze gebieden heeft, gebaseerd op procedureregels of oprichtingsbesluiten, ofwel helemaal geen regels heeft;

S.  overwegende dat het bestaan van horizontale en sectorspecifieke regels geen excuus kan zijn om geen Europese wet bestuursprocesrecht vast te stellen, noch een belemmering kan vormen voor de vaststelling van een dergelijke wet, die een algemeen basisreferentiekader zou vormen voor bestuursprocesrecht dat door elk bestuursapparaat van de Unie zou moeten worden toegepast, ongeacht de sector waarin deze opereert; overwegende dat dergelijke algemene bepalingen in veel lidstaten van de Unie bestaan, ongeacht hun structuur, domein of sector, naast sectorspecifieke regels;

T.  overwegende dat de versnippering van de relevante rechtskaders tussen de bestuursapparaten van de Unie leidt tot veel dubbel werk voor het opstellen en handhaven van interne regels en tot niet-interoperabele administratieve praktijken; overwegende dat de verschillende regels het risico op misverstanden, verkeerde interpretatie en niet-naleving voor de burgers van de Unie vergroten, en dat zij leiden tot hogere kosten voor mensen, bedrijven en instellingen van de Unie in de vorm van tijdverlies en verlies van middelen; overwegende dat de negatieve gevolgen van de huidige lacunes in de regelgeving in de loop van de tijd waarschijnlijk zullen toenemen als gevolg van de toegenomen digitalisering en het groeiende aantal agentschappen van de Unie; overwegende dat de vaststelling van een algemeen basisreferentiekader van Europees bestuursprocesrecht voor het bestuursapparaat van de Unie een administratieve omgeving zou creëren met uniforme beginselen, gestandaardiseerde regels en toegepaste goede praktijken, waarbij het bestaan van sectorspecifieke regels, zoals ook op nationaal niveau, niet wordt uitgesloten; overwegende dat het vaststellen van Europees bestuursprocesrecht bovendien strookt met het vereiste te handelen met inachtneming van de autonomie of bevoegdheden van elke instelling en elk orgaan van de Unie, die volledig van kracht zullen blijven;

U.  overwegende dat het zorgen voor open, verantwoordingsplichtige Europese bestuursapparaten ten dienste van de burgers zowel kosten als baten met zich meebrengt; overwegende dat de baten opwegen tegen de kosten;

V.  overwegende dat met de vooruitgang van de technologie en de digitaliseringsinspanningen die van de lidstaten worden gevraagd, ook ten aanzien van hun eigen openbaar bestuur en overheidsdiensten, soortgelijke digitaliseringsinspanningen door het bestuursapparaat van de Unie zijn ondernomen; overwegende dat het bestuursapparaat van de Unie in toenemende mate niet als een afzonderlijke entiteit opereert, maar in verbinding staat met nationale overheden om de burgers van dienst te zijn; overwegende dat het gebrek aan interoperabiliteit tussen overheidsdiensten de bureaucratie kan vergroten en extra lasten voor de burgers kan veroorzaken;

W.  overwegende dat verschillende lidstaten nieuwe manieren zoeken om hun overheden te moderniseren; overwegende dat er behoefte is aan een sterkere coördinatie van deze inspanningen, met name door het uitwisselen van goede praktijken en het opschalen op Unieniveau;

X.  overwegende dat in de beoordeling van de Europese meerwaarde van 2022, net als in de effectbeoordeling van 2018, werd benadrukt dat bij digitalisering de behoefte aan centralisatie en harmonisatie groter is en dat de voortdurende digitalisering nieuwe problemen en uitdagingen met zich meebrengt;

Y.  overwegende dat het Hof van Justitie in zijn rechtspraak een aantal inmiddels beproefde procesrechtelijke beginselen heeft uitgewerkt die voor de procedures in de lidstaten in aangelegenheden van de Unie gelden en dus met des te meer reden ook voor het rechtstreekse bestuur door de Unie dienen te gelden; overwegende dat verwacht mag worden dat de jurisprudentie van het Hof van Justitie zich snel verder zal ontwikkelen en ook betrekking zal hebben op verschijnselen die verband houden met de ontwikkeling van digitalisering in administratieve procedures en in gerechtelijke procedures met administratieve gevolgen;

Z.  overwegende dat in de Europese verklaring over digitale rechten en beginselen voor het digitale decennium digitale beginselen worden afgekondigd om alle Europeanen van dienst te zijn en overwegende dat in die verklaring gevolg wordt gegeven aan oproepen van het Parlement om in de aanpak van de Unie van de digitale transformatie de grondrechten volledig te eerbiedigen, met inbegrip van regels inzake gegevensbescherming en gelijke behandeling, alsook beginselen zoals technologische en netwerkneutraliteit en inclusiviteit, maar ook om digitale vaardigheden en competenties te versterken en een goed presterend ecosysteem voor digitaal onderwijs te bevorderen;

AA.  overwegende dat de Commissie in het digitaal kompas 2030 voor de Unie een visie heeft vastgesteld voor een digitaal getransformeerd Europa van 2030 in overeenstemming met de Europese waarden; overwegende dat het beleidsprogramma voor het digitale decennium gericht is op het verder versterken van digitaal leiderschap en het versterken van de positie van burgers en bedrijven, zodat de digitale transformatie de motor wordt van duurzame economische groei en sociaal welzijn in Europa, hetgeen onder meer moet worden bereikt door het ontwikkelen van digitale vaardigheden en competenties van de beroepsbevolking, zodat zij volledig kan deelnemen aan de digitale economie, en door overheidsdiensten te digitaliseren en efficiënter en gebruiksvriendelijker te maken ten behoeve van iedereen in onze samenleving; overwegende dat investeringen op Unie- en nationaal niveau nodig zijn om ervoor te zorgen dat alle burgers over de nodige digitale vaardigheden en geletterdheid beschikken zodat zij gebruik kunnen maken van de beschikbare digitale overheidsdiensten;

AB.  overwegende dat bij alle digitale oplossingen rekening moet worden gehouden met de behoeften van alle burgers, met bijzondere aandacht voor degenen die extra belemmeringen ondervinden bij de toegang tot digitale oplossingen;

AC.  overwegende dat in de digitale strategie van de Commissie: “Next generation digital Commission” van 2022 doelstellingen worden uiteengezet om het bestuursapparaat van de Commissie in staat te stellen de strategische prioriteiten van de Unie te ondersteunen en het goede voorbeeld te geven, en onder andere de volgende elementen worden bevorderd: het personeel meer zeggenschap geven, digitale beleidsvorming mogelijk maken door middel van richtsnoeren en ondersteuning voor de gehele beleidscyclus van de Unie en de voordelen van gegevens en innovatieve technologieën benutten om haar administratieve processen te herontwerpen; overwegende dat de strategie aantoont hoe de digitalisering van administratieve processen en de interactie van het bestuursapparaat van de Unie met burgers zich de komende jaren zal ontwikkelen; overwegende dat deze ontwikkeling gepaard zou moeten gaan met een reeks regels voor administratieve procedures en zou moeten worden geharmoniseerd in het gehele bestuursapparaat van de Unie;

AD.   overwegende dat de ontwikkeling van nieuwe technologieën, zoals artificiële intelligentie en geautomatiseerde besluitvormingssystemen, een belangrijke rol kan spelen bij de modernisering en verbetering van de werking van het openbaar bestuur, mits de gebruikte technologieën mensgericht zijn en een hoge mate van betrouwbaarheid en geloofwaardigheid hebben; overwegende dat de mogelijkheid om gebruik te maken van dergelijke nieuwe technologieën door het openbaar bestuur, met inbegrip van het bestuur van de Unie, echter begrensd moet worden door het legaliteitsbeginsel en de noodzaak om de eerbiediging van de rechten van de burgers te waarborgen; overwegende dat het gebruik van nieuwe technologieën, zoals AI en geautomatiseerde besluitvormingssystemen, het potentieel heeft om de efficiëntie van het openbaar bestuur te verbeteren en bij te dragen tot verbeteringen met betrekking tot de kwaliteit en snelheid van de aan burgers verstrekte diensten, maar dat het, indien onjuist uitgevoerd, specifieke problemen kan opleveren ten aanzien van het beginsel van behoorlijk bestuur en het recht op rechterlijke toetsing en daarom een bijzondere analyse vereist met betrekking tot elementen als transparantie, verantwoordingsplicht, naleving en non-discriminatie, door de aanpak van het risico van algoritmische vertekening;

AE.  overwegende dat de risico’s van het gebruik van artificiële intelligentie en machinaal leren, met name in de context van het bestuursapparaat van de Unie, waarbij sprake kan zijn van een aanzienlijke machtskloof tussen burgers en het bestuursapparaat, moeten worden aangepakt, zodat de toepassing van machinaal leren door het bestuursapparaat van de Unie bijdraagt tot het verbeteren van de efficiëntie van de administratieve diensten en het verlichten van de werklast van het administratief personeel; overwegende dat in de context van het openbaar bestuur van de Unie gebruikte systemen voor machinaal leren onderworpen moeten zijn aan menselijk toezicht en beperkt moeten blijven tot het verzamelen, ordenen, structureren, converteren, combineren en aanpassen van gegevens, zoals optische tekenherkenning, objectherkenning of spraak-naar-tekst;

AF.  overwegende dat het Europees Rechtsinstituut in 2022 een verslag heeft gepresenteerd met modelregels voor effectbeoordelingen van algoritmische besluitvormingssystemen die door het openbaar bestuur worden gebruikt, waarin de modelregels worden voorgesteld wanneer dergelijke algoritmische besluitvormingssystemen een besluit nemen of menselijke besluitvorming ondersteunen – dat wil zeggen een besluit van een door mensen geleide overheidsinstantie (ook op het niveau van de Unie) om al dan niet actie te ondernemen – dat of die waarschijnlijk aanzienlijke gevolgen zal hebben voor de burgers(21);

AG.  overwegende dat in het verleden voor overheidsdoeleinden ontwikkelde software vaak closed source was, wat betekent dat burgers de broncode niet konden controleren of hergebruiken, ook al hadden ze ervoor betaald; overwegende dat het de moeite waard is te erkennen dat de Commissie zich er in haar opensourcestrategie 2014-2017(22) toe heeft verbonden de broncode van de software die zij ontwikkelt te publiceren, een toezegging waaraan zij zich blijft houden, en dat het bestuursapparaat van de Unie opensourcecode voor software ontwikkelt, publiceert en gebruikt, hetgeen bijdraagt tot de naleving van het beginsel “publiek geld – publieke code”; overwegende dat dit beginsel hergebruik en verbetering van bestaande codes bevordert om de kosten van het ontwikkelen van software en daarmee de kosten van digitalisering te verlagen; overwegende dat het gebruik van opensourcesoftware door het bestuursapparaat van de Unie daarom voortdurend moet worden aangemoedigd; overwegende dat de Unie, op basis van haar bevoegdheden, de lidstaten sterk moet aanmoedigen om dit beginsel te volgen, bijvoorbeeld door dit als voorwaarde te stellen voor het gebruik en de toekenning van Uniemiddelen voor de ontwikkeling van digitale oplossingen in de lidstaten, zodat deze oplossingen hergebruikt kunnen worden door alle lidstaten, wat de impact van de financiering vergroot;

AH.  overwegende dat de toegang tot digitale overheidsdiensten voor burgers van de Unie wordt beïnvloed door factoren als handicap, economische situatie, geografische locatie, digitale vaardigheden, gender, geletterdheid, leeftijd, vertrouwen of bereidheid om technologische oplossingen te omarmen, of beschikking over de middelen om er daadwerkelijk toegang toe te hebben; overwegende dat het bestuursapparaat van de Unie hiermee rekening moet houden bij het ontwikkelen van digitale oplossingen voor diensten die het aanbiedt, om het vertrouwen van de burgers niet te verliezen, geen digitale kloof te creëren en burgers te laten wennen aan het bestaan van de digitale dienst; overwegende dat online- en offlinebijstand aan burgers bij het gebruik van digitale overheidsdiensten beschikbaar moet zijn;

AI.  overwegende dat experimenten via proefprojecten moeten worden bevorderd als een manier om innovaties veilig te testen en om te controleren op mogelijke problemen voordat die innovaties worden uitgevoerd, en om geïnteresseerde burgers de mogelijkheid te bieden op een veilige manier te experimenteren met innovatievere digitale oplossingen;

AJ.  overwegende dat de volgende beginselen voor digitale overheidsdiensten en digitaal bestuur reeds zijn vastgesteld: i) mensgerichte en toegankelijke digitale overheidsdiensten op alle niveaus, ii) de mogelijkheid voor elke persoon om deel te nemen aan het creëren en verbeteren van digitale overheidsdiensten die zijn afgestemd op zijn of haar behoeften en voorkeuren, iii) het “eenmaligheidsbeginsel”, dat inhoudt dat elke persoon zijn of haar gegevens of informatie slechts één keer hoeft te verstrekken wanneer hij of zij digitaal in contact staat met bestuursapparaten in de hele Unie, iv) interoperabiliteit van digitale diensten die door de overheidssector worden aangeboden, zoals oplossingen op het gebied van digitale identiteit met overdraagbaarheid van gegevens in de hele Unie, v) brede betrokkenheid van en bij mensen die mogelijk wordt gemaakt door digitale technologieën en oplossingen en stimulering van de ontwikkeling van participatieve initiatieven op alle niveaus en vi) bijdrage van digitale technologieën en oplossingen aan een beter niveau van rechtszekerheid, openbare veiligheid en beveiliging;

AK.  overwegende dat de Europese Commissie haar prioriteiten aan het begin van elke zittingsperiode aankondigt; overwegende dat het Parlement er herhaaldelijk op heeft aangedrongen de kwestie van het bestuursrecht aan te pakken, en dat het daarom verwacht dat deze in de prioriteiten van de komende Europese Commissie voor 2024-2029 wordt opgenomen;

1.  verzoekt de Commissie dringend een wetgevingsvoorstel in te dienen, op basis van artikel 298 VWEU, voor een verordening betreffende een open, doeltreffend en onafhankelijk ambtenarenapparaat van de Europese Unie, zodat deze vóór de tweede helft van de nieuwe zittingsperiode kan worden aangenomen, naar aanleiding van de aanbevelingen in de bijlage, en verzoekt de Commissie het bij haar resolutie van 9 juni 2016 gevoegde voorstel voor een verordening als uitgangspunt te beschouwen of een nieuw voorstel in te dienen dat bindend is voor de instellingen van de Unie; verzoekt de Commissie om rekening te houden met de voortschrijdende digitalisering en de impact ervan op het bestuur en de administratieve procedures van de Unie;

2.  is van mening dat er na zeventig jaar constante ontwikkeling van het openbaar bestuur van de Unie en 13 jaar sinds de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon, waarin de rechtsgrondslag van artikel 298 VWEU is vastgelegd, geen rechtvaardiging is om de beginselen van behoorlijk bestuur niet in bindende wetgeving te verankeren, met name om deze in overeenstemming te brengen met het digitale tijdperk;

3.  is van mening dat de rechten van burgers, zoals het recht op behoorlijk bestuur en het recht op toegang tot documenten, zoals verankerd in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, niet statisch zijn, maar evolueren, en dat technologische vooruitgang zoals digitalisering ook moet leiden tot een betere en doeltreffendere verwezenlijking van deze rechten;

4.  herinnert eraan dat het Parlement in zijn resolutie van 15 januari 2013 en in zijn resolutie van 9 juni 2016 overeenkomstig artikel 225 VWEU heeft verzocht om de vaststelling van een verordening betreffende een open, doeltreffend en onafhankelijk Europees ambtenarenapparaat op grond van artikel 298 VWEU; herinnert eraan dat het Parlement in zijn resolutie van 9 juni 2016 met name de Commissie heeft verzocht een wetgevingsvoorstel in te dienen dat in haar werkprogramma voor 2017 moest worden opgenomen; betreurt het dat er tot nu toe geen gevolg is gegeven aan de verzoeken van het Parlement in de vorm van een voorstel van de Commissie;

5.  merkt op dat de Commissie geen onderbouwde of overtuigende argumenten heeft gegeven voor haar passiviteit en betreurt dat de Commissie tot op heden geen diepgaande analyse of studies over dit onderwerp heeft ingediend;

6.  is van mening dat in het gevraagde voorstel rekening moet worden gehouden met de vooruitgang die is geboekt op het gebied van digitalisering en de gevolgen daarvan voor de administratieve procedures van het bestuursapparaat van de Unie;

7.  is van mening dat het gevraagde voorstel in overeenstemming moet zijn met de aanpak van de Unie ten aanzien van de digitale transformatie, waarbij zowel de grondrechten – met inbegrip van regels inzake gegevensbescherming en gelijke behandeling – als beginselen zoals technologische en netwerkneutraliteit en inclusiviteit volledig moeten worden geëerbiedigd, maar dat het ook digitale vaardigheden en competenties moet versterken en een goed presterend ecosysteem voor digitaal onderwijs moet bevorderen;

8.  is van oordeel dat het gevraagde voorstel weliswaar financiële implicaties heeft, maar dat de voordelen ervan vele malen opwegen tegen de beperkte administratieve kosten die de uitvoering van het voorstel met zich meebrengt, zoals verbeterde efficiëntie en kostenbesparingen voor het bestuursapparaat van de Unie en voor het publiek; verzoekt de Commissie daarom de kosten te evalueren in overleg met andere instellingen van de Unie;

9.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie en bijgaande aanbevelingen te doen toekomen aan de Commissie en de Raad.

BIJLAGE BIJ DE RESOLUTIE

AANBEVELINGEN BETREFFENDE DE INHOUD VAN HET GEVRAAGDE VOORSTEL

Aanbeveling 1 (over de grondslag voor een voorstel van de Commissie voor een verordening betreffende een open, efficiënt en onafhankelijk Europees bestuur)

Het Europees Parlement is van mening dat het voorstel van de Commissie de vorm moet aannemen van een verordening tot vaststelling van een algemene handeling betreffende de administratieve procedure, zoals uiteengezet in de bijlage bij de resolutie van het Parlement van 9 juni 2016 over een open, doeltreffend en onafhankelijk Europees ambtenarenapparaat.

Aanbeveling 2 (over de beginselen die ten grondslag liggen aan de digitalisering van de administratieve procedures van de Unie)

Het Europees Parlement is van mening dat de vooruitgang in de digitalisering en de impact ervan op de administratieve procedures van het bestuursapparaat van de Unie door de Commissie in aanmerking moeten worden genomen bij de indiening van het in deze resolutie gevraagde voorstel. Met name moet hierbij het volgende in aanmerking worden genomen:

1.  Met betrekking tot algemene aspecten:

i)  het “eenmaligheidsbeginsel”, namelijk dat elke persoon zijn gegevens of informatie slechts één keer hoeft in te dienen wanneer hij digitaal in contact staat met het bestuursapparaat van de Unie en de mogelijkheid moet hebben om desgewenst gebruik te maken van de Europese portemonnee voor digitale identiteit om die gegevens te verstrekken;

ii)  de interoperabiliteit van digitale diensten die door het bestuursapparaat van de Unie worden aangeboden, zowel tussen als binnen haar instellingen, organen en instanties, alsmede met relevante diensten van de lidstaten;

iii)  de bijdrage van digitale technologieën en oplossingen aan een hoger niveau van rechtszekerheid, openbare beveiliging en veiligheid en vertrouwen in de instellingen van de Unie;

iv)  de vaststelling van procedures en verduidelijking van het gebruik van digitale technologieën in de externe communicatie van het bestuursapparaat van de Unie, met als doel tegenmaatregelen te nemen om bestaande lacunes op te vullen, de rechtszekerheid te vergroten, ervoor te zorgen dat het aantal gevallen van administratief onrecht in toenemende mate wordt aangepakt, en de cyclus van wantrouwen te doorbreken;

v)  de noodzaak om de uitwisseling van goede praktijken met en tussen de lidstaten inzake het gebruik van digitale technologieën in dit verband te bevorderen;

vi)  de noodzaak om digitale technologieën, met inbegrip van opensourcecode die wordt gebruikt voor de ontwikkeling van software, actief te delen met en tussen de lidstaten;

vii)  de bijdrage van digitale technologieën om het optreden van de Unie, met inbegrip van haar wetgeving, toegankelijker en begrijpelijker te maken voor de burgers;

2.  met betrekking tot toegankelijke, inclusieve digitale overheidsdiensten:

i)  digitale overheidsdiensten moeten mensgericht en toegankelijk zijn op alle niveaus;

ii)  burgers moeten de mogelijkheid hebben om betrokken te worden bij de opzet en verbetering van digitale overheidsdiensten die zijn afgestemd op hun behoeften en voorkeuren, met name door burgers duidelijke mogelijkheden te bieden om feedback te geven over digitale overheidsdiensten;

iii)  analoge alternatieven voor digitale diensten moeten altijd duidelijk aan burgers en bedrijven worden aangeboden en verstrekt en er moet een menselijk contactpunt fysiek en op afstand beschikbaar zijn om burgers te ondersteunen bij het gebruik van deze diensten en om eventuele problemen die zich bij het gebruik van digitale diensten door burgers van de Unie kunnen voordoen, helpen op te lossen;

iv)  onlinetutorials moeten beschikbaar worden gesteld om burgers te helpen begrijpen hoe digitale overheidsdiensten moeten worden gebruikt;

v)  digitale overheidsdiensten moeten toegankelijk zijn voor personen met een handicap; zij moeten met name worden ontwikkeld in overleg met of met behulp van richtsnoeren van organisaties die personen met een handicap vertegenwoordigen, en ze moeten ook toegankelijk zijn voor personen die te maken hebben met de digitale kloof, zowel wat betreft toegang als gebruik, met name voor ouderen of kwetsbare personen;

vi)  digitale overheidsdiensten moeten ook toegankelijk zijn via een breed scala aan apparaten, met ondersteuning van interconnectiviteitsfuncties;

3.  Met betrekking tot beveiliging, verantwoording en gegevensbescherming:

i)  het beginsel “publiek geld – openbare code”, namelijk dat de broncode van alle software die door het bestuursapparaat van de Unie is ontwikkeld met het oog op het openbaar bestuur met gebruikmaking van overheidsgeld, beschikbaar moet worden gesteld aan het publiek in het kader van de openbare licentie van de Europese Unie (EUPL), en dat het ambtenarenapparaat van de Unie bij uitbesteding van de ontwikkeling van software indien mogelijk de broncode in het kader van de EUPL moet publiceren en ondernemingen moet bevoordelen die de publicatie van de broncode van die software aanvaarden;

ii)  de privacy en veiligheid van gebruikers van digitale overheidsdiensten moet worden beschermd, met name met betrekking tot de bescherming van hun persoonsgegevens door middel van systemische privacy door ontwerp;

iii)  het management moet verantwoordelijk zijn voor cyberbeveiliging binnen afdelingen en ervoor zorgen dat al het personeel voldoende opleiding heeft gekregen;

iv)  het recht om fouten te maken, dat wil zeggen het recht om een fout te herstellen zonder daarvoor sancties opgelegd te krijgen, en het recht op rectificatie;

v)  het recht op uitleg, opgevat als het recht om een persoonlijke uitleg te krijgen over de output van het algoritme en over de beslissing die is genomen na een algoritmische beoordeling;

vi)  de digitale overheidsdiensten van de Unie moeten in alle officiële talen van de Unie toegankelijk zijn;

vii)  het beginsel van transparantie ten aanzien van de criteria op basis waarvan geautomatiseerde besluiten worden genomen, wanneer deze besluiten gevolgen hebben voor burgers.

Aanbeveling 3 (over de beginselen voor de ontwikkeling en invoering van digitale oplossingen)

De noodzaak nieuwe digitale oplossingen te ontwikkelen om te voldoen aan de behoeften van het bestuur van de Unie in het digitaliseringsproces moet worden erkend. Om ervoor te zorgen dat dergelijke oplossingen de burgers van de Unie en het personeel van de Unie zo goed mogelijk dienen, moeten de volgende beginselen in overweging worden genomen:

i)  het personeel van de Unie heeft het beste inzicht in administratieve procedures en randgevallen, namelijk problemen of situaties die zich alleen voordoen aan de hoogste of laagste kant van een reeks mogelijke waarden of in extreme situaties; daarom moet het personeel van de Unie worden geraadpleegd bij de ontwikkeling van digitale instrumenten voor de administratie, en moet het naar behoren worden opgeleid om deze instrumenten efficiënt te kunnen gebruiken;

ii)  Er moet met een proactieve aanpak worden gezorgd voor een hoge mate van cyberbeveiliging, en er moeten maatregelen worden genomen om ervoor te zorgen dat het ontwerp en het gebruik van digitale oplossingen de eerbiediging van de rechtsstaat en de rechten van burgers – zoals het recht om te worden vertegenwoordigd en te worden gehoord – ondersteunen en om te verduidelijken dat het beginsel van verantwoordingsplicht een geïntegreerd onderdeel van behoorlijk bestuur is;

iii)  de ontwikkeling van interne digitale oplossingen die essentieel zijn voor de uitrol van de betreffende overheidsdienst moet worden overwogen; in het geval van uitbesteding moet bij voorkeur gebruik worden gemaakt van Europese ondernemingen;

iv)  bij uitbesteding moeten openbare aanbestedingsprocedures voor de digitalisering van projecten en processen worden onderverdeeld in oproepen tot het indienen van voorstellen voor kleinere projecten, om digitaliseringscontracten toegankelijker te maken voor Europese kmo’s; bovendien moet met het oog op privacy en veiligheid bij voorkeur gebruik worden gemaakt van Europese bedrijven;

v)  digitalisering moet niet alleen worden gezien als een kostenbesparend proces: het is belangrijk om te onthouden dat effectieve digitalisering ook investeringen vereist in zowel technologie als personeel, en met name in de opleiding van personeel;

vi)  het personeel van de Unie moet toegang krijgen tot opleidingen over het gebruik van de digitale oplossingen die worden ingezet;

vii)  digitalisering moet zodanig worden uitgevoerd dat personeelsleden meer tijd krijgen voor taken die verband houden met hun deskundigheid, door repetitieve taken te automatiseren en personeel te helpen ervoor te zorgen dat het ambtenarenapparaat van de Unie voldoet aan de in aanbeveling 2 genoemde beginselen en doelstellingen;

viii)  digitalisering mag er niet toe leiden dat gespecialiseerde taken worden afgewenteld op personeel met niet-gespecialiseerde competenties, dat niet de nodige opleiding en middelen krijgt om dergelijke taken uit te voeren;

ix)  experimenten via proefprojecten moeten worden bevorderd als een manier om innovaties veilig te testen en om te controleren op mogelijke problemen voordat ze worden uitgevoerd.

(1)PB L 295 van 21.11.2018, blz. 39.
(2)PB L 145 van 31.5.2001, blz. 43.
(3)PB L 333 van 27.12.2022, blz. 80
(4)PB C 72 E van 21.3.2002, blz. 331.
(5)PB L 267 van 20.10.2000, blz. 63.
(6)PB C 189 van 5.7.2001, blz. 1.
(7)https://www.europeanlawinstitute.eu/fileadmin/user_upload/p_eli/Publications/ELI_Model_Rules_on_Impact_Assessment_of_ADMSs_Used_by_Public_Administration.pdf.
(8)http://www.europarl.europa.eu/committees/en/juri/studiesdownload.html?languageDocument=EN&file=59983.
(9)http://www.europarl.europa.eu/meetdocs/2009_2014/documents/juri/dv/juri_wdadministrativelaw_/juri_wdadministrativelaw_en.pdf.
(10)http://www.europarl.europa.eu/meetdocs/2009_2014/documents/juri/dv/eav_lawofadminprocedure_/EAV_LawofAdminprocedure_EN.pdf.
(11)https://www.europarl.europa.eu/RegData/etudes/STUD/2018/621841/EPRS_STU(2018)621841_EN.pdf.
(12)https://www.europarl.europa.eu/RegData/etudes/STUD/2018/621841/EPRS_STU(2018)621841_EN.pdf.
(13)https://www.europarl.europa.eu/thinktank/en/document/EPRS_STU(2022)730350.
(14)PB C 440 van 30.12.2015, blz. 17.
(15)https://www.europarl.europa.eu/cmsdata/150700/consultation-eu-law-summary-report.pdf.
(16)PB C 346 van 27.9.2018, blz. 226.
(17)PB C 47 van 7.2.2023, blz. 250.
(18)PB C 15 van 12.1.2022, blz. 204.
(19)https://www.europarl.europa.eu/cmsdata/150700/consultation-eu-law-summary-report.pdf.
(20)https://www.europarl.europa.eu/cmsdata/150700/consultation-eu-law-summary-report.pdf.
(21)https://www.europeanlawinstitute.eu/fileadmin/user_upload/p_eli/Publications/ELI_Model_Rules_on_Impact_Assessment_of_ADMSs_Used_by_Public_Administration.pdf
(22)https://commission.europa.eu/about-european-commission/departments-and-executive-agencies/informatics/open-source-software-strategy_en#opensourcesoftwarestrategy


Ontwerpen van het Europees Parlement tot herziening van de Verdragen
PDF 367kWORD 112k
Resolutie
Bijlage
Resolutie van het Europees Parlement van 22 november 2023 over ontwerpen van het Europees Parlement tot herziening van de Verdragen (2022/2051(INL))
P9_TA(2023)0427A9-0337/2023

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 48 van het Verdrag betreffende de Europese Unie,

–  gezien het Manifest van Ventotene(1),

–  gezien de Schumanverklaring van 9 mei 1950(2),

–  gezien zijn resolutie van 9 juni 2022 over de oproep tot een Conventie voor een herziening van de Verdragen(3),

–  gezien de artikelen 46 en 54 en artikel 85, lid 1, van zijn Reglement,

–  gezien de adviezen van de Commissie buitenlandse zaken, de Begrotingscommissie, de Commissie economische en monetaire zaken, de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling, de Commissie cultuur en onderwijs en de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken,

–  gezien het standpunt in de vorm van amendementen van de Commissie vrouwenrechten en gendergelijkheid,

–  gezien de brieven van de Commissie begrotingscontrole, de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en de Commissie industrie, onderzoek en energie,

–  gezien het verslag van de Commissie constitutionele zaken (A9-0337/2023),

A.  overwegende dat de huidige versie van de Verdragen op 1 december 2009 in werking is getreden en dat de Europese Unie sindsdien te maken heeft gekregen met ongekende uitdagingen en diverse crises, met name de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne;

B.  overwegende dat het noodzakelijk is de Verdragen te wijzigen, niet als doel op zich, maar in het belang van alle burgers van de Unie, teneinde de Unie zodanig te hervormen dat haar vermogen om op te treden, alsook haar legitimiteit en verantwoordingsplicht worden versterkt;

C.  overwegende dat een Verdragswijziging de Unie in staat moet stellen geopolitieke uitdagingen op doeltreffender wijze aan te pakken;

D.  overwegende dat het institutionele kader van de Unie, met name het besluitvormingsproces van de Unie, en in het bijzonder dat in de Raad, eigenlijk niet geschikt meer is voor een Unie met 27 lidstaten; overwegende dat een herziening van de Verdragen onvermijdelijk is met het oog op toekomstige uitbreidingen;

E.  overwegende dat de Conferentie over de toekomst van Europa op 9 mei 2022 haar werkzaamheden heeft afgerond en haar conclusies heeft gepresenteerd; overwegende dat die conclusies 49 voorstellen en 326 maatregelen bevatten en dat aan veel daarvan alleen maar uitvoering kan worden gegeven als de Verdragen worden gewijzigd;

1.  dringt nogmaals aan op wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU); verzoekt de Raad om de voorstellen in deze resolutie, zoals opgenomen in de bijlage bij deze resolutie, onverwijld en zonder beraadslaging aan de Europese Raad toe te zenden; verzoekt de Europese Raad zo spoedig mogelijk een Conventie bijeen te roepen volgens de gewone herzieningsprocedure, zoals voorzien in artikel 48, leden 2 tot en met 5, VEU;

2.  wijst erop dat er met diverse landen van de Westelijke Balkan toetredingsonderhandelingen worden gevoerd, die zich in uiteenlopende stadia bevinden; is ingenomen met het feit dat aan Oekraïne en Moldavië op 23 juni 2022 de status van kandidaat-lidstaat is toegekend;

Institutionele hervormingen

3.  wijst op het belang van hervorming van de besluitvorming in de Unie, zodat beter wordt aangesloten bij een tweekamerstelsel, waarbij het Europees Parlement ruimere bevoegdheden worden toegekend;

4.  dringt aan op versterking van het vermogen van de Unie om op te treden, door het aantal gebieden waarop handelingen met gekwalificeerde meerderheid worden vastgesteld en waarop handelingen volgens de gewone wetgevingsprocedure worden vastgesteld, aanzienlijk te verhogen;

5.  pleit ervoor dat het Parlement recht van wetgevend initiatief krijgt, met name het recht om wetgeving van de Unie voor te stellen, te wijzigen of in te trekken, en dat het Parlement medewetgever wordt bij de vaststelling van het meerjarig financieel kader;

6.  dringt erop aan dat de rollen van Raad en Parlement bij de voordracht en goedkeuring van de voorzitter van de Commissie worden omgedraaid, zodat de uitkomsten van de Europese verkiezingen bij dit proces beter weerspiegeld worden; stelt voor om het voor de voorzitter van de Commissie mogelijk te maken de leden van de Commissie te kiezen op basis van politieke voorkeuren, waarbij een geografisch en demografisch evenwicht gewaarborgd zou moeten worden; pleit ervoor dat de Europese Commissie voortaan Europese Uitvoerende Macht wordt genoemd;

7.  stelt voor de omvang van de Uitvoerende Macht te beperken tot maximaal 15 leden, die volgens een toerbeurtsysteem uit de onderdanen van de lidstaten worden gekozen op basis van strikte gelijkheid, zoals reeds bepaald in de huidige Verdragen, en dat ondersecretarissen worden benoemd uit onderdanen van de lidstaten die niet in het college vertegenwoordigd zijn;

8.  stelt voor om de transparantie van de Raad van de Europese Unie te vergroten door hem te verplichten zijn standpunten die deel uitmaken van het normale wetgevingsproces openbaar te maken en een openbaar debat over de standpunten van de Raad te organiseren; stelt voor een rechtsgrondslag in te voeren die de medewetgevers mogelijkheid biedt de transparantie en integriteit van hun besluitvorming te versterken;

9.  verzoekt de Conventie om naast de voorstellen in deze resolutie, zoals opgenomen in de bijlage bij deze resolutie, de verdeling van de onderwerpen tussen het VEU en het VWEU te bespreken met het oog op een vereenvoudiging van het complexe proces van wijziging van het Unierecht; verzoekt de Conventie om na te gaan op welke beleidsterreinen de structuren van de Unie de doeltreffendheid van de Unie kunnen vergroten;

10.  stelt voor dat de samenstelling van het Europees Parlement de bevoegdheid van het Parlement wordt, waarbij de Raad zijn goedkeuring geeft;

11.  stelt voor om de rol van de sociale partners bij de voorbereiding van initiatieven op het gebied van sociaal, werkgelegenheids- en economisch beleid te versterken;

12.  dringt aan op versterking van de instrumenten voor burgerparticipatie in het besluitvormingsproces van de EU in het kader van de representatieve democratie;

Bevoegdheden

13.  stelt voor om aangelegenheden op het gebied van milieu en biodiversiteit, alsook onderhandelingen over klimaatverandering, onder de exclusieve bevoegdheid van de Unie te laten vallen;

14.  stelt voor om gedeelde bevoegdheden in te voeren voor aangelegenheden op het gebied van volksgezondheid en de bescherming en verbetering van de menselijke gezondheid, met name grensoverschrijdende bedreigingen voor de gezondheid, civiele bescherming, industrie en onderwijs, en met name met betrekking tot transnationale kwesties zoals wederzijdse erkenning van diploma’s, graden, vaardigheden en kwalificaties;

15.  stelt voor om de gedeelde bevoegdheden van de Unie op het gebied van energie, buitenlandse zaken, externe veiligheid en defensie, buitengrenzenbeleid in het kader van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, en grensoverschrijdende infrastructuur verder te ontwikkelen;

Subsidiariteit

16.  stelt voor om de subsidiariteitstoetsing door het Hof van Justitie van de Europese Unie te versterken; dringt erop aan dat in de gemotiveerde adviezen van nationale parlementen inzake wetgevingsvoorstellen rekening wordt gehouden met de adviezen van regionale parlementen met wetgevingsbevoegdheden; stelt voor de termijn voor de “gelekaartprocedure” te verlengen tot twaalf weken;

17.  stelt voor om een “groenekaartmechanisme” voor wetgevingsvoorstellen van nationale of regionale parlementen in te voeren, om ervoor te zorgen dat het recht van de Unie beter wordt afgestemd op lokale behoeften;

Rechtsstaat

18.  stelt voor om de procedure van artikel 7 VEU met betrekking tot de bescherming van de rechtsstaat te versterken en te hervormen, door het vereiste van unanimiteit te laten vervallen, een duidelijk tijdschema in te voeren, en te bepalen dat het Hof van Justitie schendingen van de rechtsstaat kan vaststellen;

19.  stelt voor om aan het Hof van Justitie van de Europese Unie de bevoegdheid toe te kennen om te beslissen in interinstitutionele geschillen;

20.  pleit voor een preventieve toetsing van normen door het Hof van Justitie van de Europese Unie (“abstracte toetsing van normen”), waarbij voorzien wordt in een minderheidsrecht voor het Parlement; stelt voorts voor om het Parlement de bevoegdheid te geven gevallen van niet-naleving van de Verdragen voor te leggen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie;

Buitenlands, veiligheids- en defensiebeleid

21.   roept er nogmaals toe op om de regel in te voeren dat besluiten over sancties en tussentijdse stappen in het uitbreidingsproces, alsmede andere besluiten op het gebied van buitenlands beleid, worden genomen met gekwalificeerde meerderheid van stemmen; onderstreept dat de voorstellen voorzien in een uitzondering op dit beginsel voor besluiten waarbij toestemming wordt verleend voor militaire missies of operaties met een uitvoerend mandaat;

22.  pleit voor de oprichting van een defensie-unie met militaire eenheden en voor de ontwikkeling van een permanente snel inzetbare capaciteit, onder operationeel commando van de Unie; stelt voor om gezamenlijke aankopen en de ontwikkeling van bewapening door de Unie te financieren via een speciale begroting, vast te stellen via medebeslissing met en onder controle van het Parlement, en stelt voor om de bevoegdheden van het Europees Defensieagentschap dienovereenkomstig aan te passen; wijst erop dat clausules inzake de neutraliteit van sommige landen en inzake het lidmaatschap van de NAVO (Noord-Atlantische Verdragsorganisatie) door deze wijzigingen onverlet worden gelaten;

23.  stelt voor dat de Conventie onderzoekt hoe kan worden voorkomen dat belastingparadijzen de mededinging op de interne markt verstoren;

Interne markt, economie en begroting

24.  dringt aan op maatregelen om de lidstaten aan te zetten tot het doen van investeringen ten behoeve van de verwezenlijking van de Europese doelstellingen op economisch en sociaal gebied en op het gebied van milieu en veiligheid; stelt voor om artikel 122 VWEU te schrappen en te vervangen door een geherformuleerde noodclausule, op te nemen in artikel 222 VWEU, die voorziet in volledige parlementaire controle;

25.  dringt erop aan dat de vier vrijheden van de interne markt door alle lidstaten en door de instellingen van de Unie uniform worden toegepast;

Sociaal beleid en arbeidsmarkt

26.  herhaalt zijn oproep om een protocol inzake sociale vooruitgang bij de Verdragen te voegen;

Onderwijs

27.  roept de Unie ertoe op om gemeenschappelijke doelstellingen en normen te ontwikkelen voor onderwijs dat democratische waarden, de rechtsstaat en digitale en economische geletterdheid bevordert; roept de Unie er daarnaast toe op de samenwerking en samenhang tussen de onderwijsinstellingen en onderwijssystemen te bevorderen, met behoud van culturele tradities en regionale diversiteit;

28.  roept de Unie ertoe op gemeenschappelijke normen voor beroepsopleiding te ontwikkelen om de mobiliteit van werknemers te vergroten; pleit ervoor dat de Unie zich ten doel stelt de toegang tot vrij en universeel onderwijs, de institutionele en individuele academische vrijheid en de mensenrechten, zoals vastgelegd in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, te beschermen en te bevorderen;

Handel en investeringen

29.  stelt voor om de bevordering van democratische waarden, goed bestuur, mensenrechten en duurzaamheid, alsook buitenlandse investeringen, bescherming van investeringen en economische zekerheid op te nemen in het toepassingsgebied van het gemeenschappelijk handelsbeleid; stelt voor dat bepaald wordt dat het Europees Parlement en de Raad handelsbesprekingen kunnen openen op aanbeveling van de Commissie; stelt voor een permanent mechanisme in te stellen voor de screening van buitenlandse directe investeringen;

Non-discriminatie

30.  stelt voor om de bescherming tegen discriminatie uit te breiden en ook bescherming te waarborgen tegen discriminatie op grond van gender, sociale afkomst, taal, politieke overtuiging en het behoren tot een nationale minderheid, en om wetgeving inzake non-discriminatie vast te stellen volgens de gewone wetgevingsprocedure; stelt voor om in de Verdragen “de gelijkheid van mannen en vrouwen” overal te vervangen door “gendergelijkheid”; benadrukt dat de instellingen van de Unie en hun bestuurs- en adviesorganen op niet-discriminerende wijze moeten worden samengesteld, waarbij gendergelijkheid en de diversiteit van de samenleving moeten worden weerspiegeld;

31.  is er voorstander van dat aanvullende bescherming van nationale minderheden en van regionale en minderheidstalen in de Unie in de Verdragen wordt opgenomen;

Klimaat en milieu

32.  stelt voor om de beperking van de opwarming van de aarde en de bescherming van de biodiversiteit als doelstellingen van de Unie in de Verdragen op te nemen; stelt voor om klimaat en biodiversiteit op te nemen in de duurzame ontwikkelingsdoelstellingen van de Unie; stelt voor het nastreven van duurzaamheid toe te voegen aan de Verdragsbepalingen inzake visserij; dringt erop aan dat de Unie de gezondheid van dieren en van het leven in het algemeen beschermt, overeenkomstig de “One Health”-benadering, en rekening houdt met het risico dat de grenzen van de planeet worden overschreden; dringt erop aan dat de internationale verplichtingen van de Unie om inspanningen te leveren ter beperking van de wereldwijde temperatuurstijging in de Verdragen worden opgenomen;

Energiebeleid

33.  dringt aan op de oprichting van een geïntegreerde Europese energie-unie; is van mening dat gewaarborgd moet worden dat het energiesysteem van de Unie betaalbaar is en gebaseerd is op energie-efficiëntie en hernieuwbare energie, en in overeenstemming is met internationale overeenkomsten ter beperking van de klimaatverandering;

Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht

34.  stelt voor dat Europol aanvullende bevoegdheden krijgt die onderworpen zijn aan parlementaire controle; stelt voor om gendergerelateerd geweld en milieucriminaliteit toe te voegen als vormen van criminaliteit die voldoen aan de criteria van artikel 83, lid 1, VWEU; dringt erop aan dat bepaald wordt dat aangelegenheden die betrekking hebben op de werking van het Europees Openbaar Ministerie onderworpen zijn aan de gewone wetgevingsprocedure;

Migratie

35.  dringt aan op gemeenschappelijke normen voor visa voor verblijf van langere duur en verblijfsvergunningen, om verkoop en misbruik van burgerschap en verblijfstitels te voorkomen;

36.  stelt voor om het gemeenschappelijk immigratiebeleid van de Unie te versterken door middel van passende en noodzakelijke maatregelen die een efficiënte monitoring, beveiliging en doeltreffende controle van de buitengrenzen van de Unie waarborgen, en om ervoor te zorgen dat in het kader van het migratiebeleid van de Unie rekening wordt gehouden met de economische en sociale stabiliteit van de lidstaten, het vermogen om te voldoen aan de arbeidsvraag van de interne markt en het efficiënte beheer van migratie, waarbij een eerlijke behandeling van onderdanen van derde landen gewaarborgd moet worden;

Gezondheid

37.  stelt voor dat de Unie gemeenschappelijke indicatoren voor gezondheidszorgstelsels vaststelt; stelt voor dat de Unie maatregelen neemt voor vroegtijdige melding, monitoring en beheersing van ernstige grensoverschrijdende gezondheidsbedreigingen, met name in verband met pandemieën, waarbij het de lidstaten evenwel niet wordt belet verscherpte beschermingsmaatregelen vast te stellen of te handhaven als daar een noodzaak toe bestaat;

38.  verzoekt de Unie maatregelen te nemen inzake monitoring en coördinatie van de toegang tot gemeenschappelijke diagnostiek en informatie over en behandeling van overdraagbare en niet-overdraagbare ziekten, waaronder zeldzame ziekten;

Wetenschap en technologie

39.  dringt erop aan dat de Unie de academische vrijheid en de vrijheid om wetenschappelijk onderzoek te verrichten en les te geven, eerbiedigt en bevordert;

40.  stelt voor dat de Unie een gemeenschappelijke ruimtestrategie opstelt en werkt aan een gemeenschappelijk kader voor ruimtevaartactiviteiten;

Slotbepalingen

41.  geeft nogmaals aan van mening te zijn dat vertegenwoordigers van de sociale partners van de Unie, het Europees Economisch en Sociaal Comité, het Comité van de Regio’s, de Europese Centrale Bank, het maatschappelijk middenveld van de Unie en kandidaat-lidstaten als waarnemers bij de Conventie moeten worden uitgenodigd;

42.  dringt erop aan dat alle bijgevoegde ontwerpen tot herziening van de Verdragen in de Conventie worden besproken;

43.  neemt bijgevoegde ontwerpen tot herziening van de Verdragen aan en legt deze voor aan de Raad overeenkomstig artikel 48, lid 2, VEU;

44.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie en de daaraan gehechte ontwerpen tot herziening van de Verdragen te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de parlementen en regeringen van de lidstaten.

BIJLAGE BIJ DE RESOLUTIE

ONTWERPEN TOT HERZIENING VAN DE VERDRAGEN

Amendement 1

Verdrag betreffende de Europese Unie

Preambule

Bestaande tekst

Amendement

ZIJNE MAJESTEIT DE KONING DER BELGEN, HARE MAJESTEIT DE KONINGIN VAN DENEMARKEN, DE PRESIDENT VAN DE BONDSREPUBLIEK DUITSLAND, DE PRESIDENT VAN DE HELLEENSE REPUBLIEK, ZIJNE MAJESTEIT DE KONING VAN SPANJE, DE PRESIDENT VAN DE FRANSE REPUBLIEK, DE PRESIDENT VAN IERLAND, DE PRESIDENT VAN DE ITALIAANSE REPUBLIEK, ZIJNE KONINKLIJKE HOOGHEID DE GROOTHERTOG VAN LUXEMBURG, HARE MAJESTEIT DE KONINGIN DER NEDERLANDEN, DE PRESIDENT VAN DE PORTUGESE REPUBLIEK, HARE MAJESTEIT DE KONINGIN VAN HET VERENIGD KONINKRIJK VAN GROOT-BRITTANNIË EN NOORD-IERLAND,

ZIJNE MAJESTEIT DE KONING DER BELGEN, DE PRESIDENT VAN DE REPUBLIEK BULGARIJE, DE PRESIDENT VAN DE TSJECHISCHE REPUBLIEK, HARE MAJESTEIT DE KONINGIN VAN DENEMARKEN, DE PRESIDENT VAN DE BONDSREPUBLIEK DUITSLAND, DE PRESIDENT VAN DE REPUBLIEK ESTLAND, DE PRESIDENT VAN IERLAND, DE PRESIDENT VAN DE HELLEENSE REPUBLIEK, ZIJNE MAJESTEIT DE KONING VAN SPANJE, DE PRESIDENT VAN DE FRANSE REPUBLIEK, DE PRESIDENT VAN DE REPUBLIEK KROATIË, DE PRESIDENT VAN DE ITALIAANSE REPUBLIEK, DE PRESIDENT VAN DE REPUBLIEK CYPRUS, DE PRESIDENT VAN DE REPUBLIEK LETLAND, DE PRESIDENT VAN DE REPUBLIEK LITOUWEN, ZIJNE KONINKLIJKE HOOGHEID DE GROOTHERTOG VAN LUXEMBURG, DE PRESIDENT VAN HONGARIJE, DE PRESIDENT VAN DE REPUBLIEK MALTA, ZIJNE MAJESTEIT DE KONING DER NEDERLANDEN, DE FEDERALE PRESIDENT VAN DE REPUBLIEK OOSTENRIJK, DE PRESIDENT VAN DE REPUBLIEK POLEN, DE PRESIDENT VAN DE PORTUGESE REPUBLIEK, DE PRESIDENT VAN ROEMENIË, DE PRESIDENT VAN DE REPUBLIEK SLOVENIË, DE PRESIDENT VAN DE SLOWAAKSE REPUBLIEK, DE PRESIDENT VAN DE REPUBLIEK FINLAND, ZIJNE MAJESTEIT DE KONING VAN ZWEDEN,

Amendement 2

Verdrag betreffende de Europese Unie

Artikel 2

Bestaande tekst

Amendement

De waarden waarop de Unie berust, zijn eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten, waaronder de rechten van personen die tot minderheden behoren. Deze waarden hebben de lidstaten gemeen in een samenleving die gekenmerkt wordt door pluralisme, non-discriminatie, verdraagzaamheid, rechtvaardigheid, solidariteit en gelijkheid van vrouwen en mannen.

De waarden waarop de Unie berust, zijn eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten, waaronder de rechten van personen die tot minderheden behoren. Deze waarden hebben de lidstaten gemeen in een samenleving die gekenmerkt wordt door pluralisme, non-discriminatie, verdraagzaamheid, rechtvaardigheid, solidariteit en gendergelijkheid.

Amendement 3

Verdrag betreffende de Europese Unie

Artikel 3 – lid 2

Bestaande tekst

Amendement

2.  De Unie biedt haar burgers een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht zonder binnengrenzen, waarin het vrije verkeer van personen gewaarborgd is in combinatie met passende maatregelen met betrekking tot controles aan de buitengrenzen, asiel, immigratie, en voorkoming en bestrijding van criminaliteit.

2.  De Unie biedt haar burgers een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht zonder binnengrenzen, waarin het vrije verkeer van personen gewaarborgd is in combinatie met gemeenschappelijk buitengrenzenbeleid en met passende maatregelen met betrekking tot controles aan de buitengrenzen, asiel, immigratie, en voorkoming en bestrijding van criminaliteit.

Amendement 4

Verdrag betreffende de Europese Unie

Artikel 3 – lid 3 – alinea 1

Bestaande tekst

Amendement

De Unie brengt een interne markt tot stand. Zij zet zich in voor de duurzame ontwikkeling van Europa, op basis van een evenwichtige economische groei en van prijsstabiliteit, een sociale markteconomie met een groot concurrentievermogen die gericht is op volledige werkgelegenheid en sociale vooruitgang, en van een hoog niveau van bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu. De Unie bevordert de wetenschappelijke en technische vooruitgang.

De Unie brengt een interne markt tot stand. Zij zet zich in voor de duurzame ontwikkeling van Europa, gebaseerd op een evenwichtige economische groei en prijsstabiliteit, op een sociale markteconomie met een groot concurrentievermogen die gericht is op volledige werkgelegenheid en sociale vooruitgang, en op een hoog niveau van bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu, alsook op het tegengaan van de opwarming van de aarde en het waarborgen van de biodiversiteit, in overeenstemming met internationale overeenkomsten. De Unie bevordert de wetenschappelijke en technische vooruitgang.

Amendement 5

Verdrag betreffende de Europese Unie

Artikel 3 – lid 3 – alinea 2

Bestaande tekst

Amendement

De Unie bestrijdt sociale uitsluiting en discriminatie, en bevordert sociale rechtvaardigheid en bescherming, de gelijkheid van vrouwen en mannen, de solidariteit tussen generaties en de bescherming van de rechten van het kind.

De Unie bestrijdt sociale uitsluiting en discriminatie, en bevordert sociale rechtvaardigheid en bescherming, gendergelijkheid, de solidariteit tussen generaties en de bescherming van de rechten van het kind.

Amendement 6

Verdrag betreffende de Europese Unie

Artikel 3 – lid 3 – alinea 4

Bestaande tekst

Amendement

De Unie eerbiedigt haar rijke verscheidenheid van cultuur en taal en ziet toe op de instandhouding en de ontwikkeling van het Europese culturele erfgoed.

De Unie eerbiedigt en bevordert haar rijke verscheidenheid van cultuur en taal en ziet toe op de instandhouding en de ontwikkeling van het Europese culturele erfgoed.

Amendement 7

Verdrag betreffende de Europese Unie

Artikel 3 – lid 4

Bestaande tekst

Amendement

4.  De Unie stelt een economische en monetaire unie in die de euro als munt heeft.

4.  De Unie heeft de euro als munt.

Amendement 8

Verdrag betreffende de Europese Unie

Artikel 3 – lid 5 bis (nieuw)

Bestaande tekst

Amendement

 

5 bis.  De Unie beschermt en bevordert de toegang tot vrij en universeel onderwijs, de institutionele en individuele academische vrijheid en de mensenrechten, zoals vastgelegd in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

Amendement 9

Verdrag betreffende de Europese Unie

Artikel 7 – lid 1 – alinea 1

Bestaande tekst

Amendement

Op een met redenen omkleed voorstel van een derde van de lidstaten, het Europees Parlement of de Europese Commissie kan de Raad, na goedkeuring van het Europees Parlement, met een meerderheid van vier vijfden van zijn leden constateren dat er duidelijk gevaar bestaat voor een ernstige schending van in artikel 2, bedoelde waarden door een lidstaat. Alvorens die constatering te doen, hoort de Raad de betrokken lidstaat en kan hij die lidstaat volgens dezelfde procedure aanbevelingen doen.

Binnen zes maanden na ontvangst van een met redenen omkleed voorstel van een derde van de lidstaten, het Europees Parlement of de Europese Commissie constateert de Raad, na goedkeuring door het Europees Parlement, met een gekwalificeerde meerderheid van stemmen of er duidelijk gevaar bestaat voor een ernstige schending van in artikel 2, bedoelde waarden door een lidstaat. Alvorens die constatering te doen, hoort de Raad de betrokken lidstaat en kan hij die lidstaat volgens dezelfde procedure aanbevelingen doen.

Amendement 10

Verdrag betreffende de Europese Unie

Artikel 7 – lid 2

Bestaande tekst

Amendement

2.  De Europese Raad kan met eenparigheid van stemmen, op voorstel van een derde van de lidstaten of van de Europese Commissie, en na goedkeuring van het Europees Parlement, een ernstige en voortdurende schending van de in artikel 2 bedoelde waarden door een lidstaat constateren, na de lidstaat in kwestie om opmerkingen te hebben verzocht.

2.  De Raad, met een gekwalificeerde meerderheid van stemmen binnen zes maanden na ontvangst van een voorstel van een derde van de lidstaten, het Europees Parlement, met een meerderheid van zijn leden, of de Europese Commissie kan het Hof van Justitie verzoeken zich uit te spreken over de vraag of er sprake is van een ernstige en voortdurende schending van de in artikel 2 bedoelde waarden door een lidstaat.

Amendement 11

Verdrag betreffende de Europese Unie

Artikel 7 – lid 2 – alinea 1 bis (nieuw)

Bestaande tekst

Amendement

 

Het Hof van Justitie beslist over het verzoek na de lidstaat in kwestie om opmerkingen te hebben verzocht.

Amendement 12

Verdrag betreffende de Europese Unie

Artikel 7 – lid 3 – alinea 1

Bestaande tekst

Amendement

Wanneer de in lid 2 bedoelde constatering is gedaan, kan de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluiten tot schorsing van bepaalde rechten die uit de toepassing van de Verdragen op de lidstaat in kwestie voortvloeien, met inbegrip van de stemrechten van de vertegenwoordiger van de regering van die lidstaat in de Raad. De Raad houdt daarbij rekening met de mogelijke gevolgen van een dergelijke schorsing voor de rechten en verplichtingen van natuurlijke en rechtspersonen.

Binnen zes maanden nadat de in lid 2 bedoelde constatering is gedaan, neemt de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen een besluit over passende maatregelen. Dergelijke maatregelen kunnen de schorsing van vastleggingen en betalingen van de begroting van de Unie omvatten, of de schorsing van bepaalde rechten die uit de toepassing van de Verdragen op de lidstaat in kwestie voortvloeien, met inbegrip van de stemrechten van de vertegenwoordiger van de regering van die lidstaat in de Raad en het recht van een lidstaat om het voorzitterschap van de Raad te bekleden. De Raad houdt daarbij rekening met de mogelijke gevolgen van een dergelijke schorsing voor de rechten en verplichtingen van natuurlijke en rechtspersonen.

Amendement 13

Verdrag betreffende de Europese Unie

Artikel 10 – lid 3

Bestaande tekst

Amendement

3.  Iedere burger heeft het recht aan het democratisch bestel van de Unie deel te nemen. De besluitvorming vindt plaats op een zo open mogelijke wijze, en zo dicht bij de burgers als mogelijk is.

3.  Iedere burger heeft het recht aan het democratisch bestel van de Unie deel te nemen. De Unie ziet erop toe dat er instrumenten zijn die de burgers in staat stellen dit recht uit te oefenen.

Amendement 14

Verdrag betreffende de Europese Unie

Artikel 10 – lid 3 bis (nieuw)

Bestaande tekst

Amendement

 

3 bis.  De besluitvorming vindt plaats op een zo open mogelijke wijze, en zo dicht bij de burgers als mogelijk is.

Amendement 15

Verdrag betreffende de Europese Unie

Artikel 10 – lid 4

Bestaande tekst

Amendement

4.  De politieke partijen op Europees niveau dragen bij tot de vorming van een Europees politiek bewustzijn en tot de uiting van de wil van de burgers van de Unie.

4.  De politieke partijen op Europees niveau dragen bij tot de vorming van een Europees politiek bewustzijn en tot de uiting van de wil van de burgers van de Unie. Europese politieke partijen kunnen daartoe activiteiten bevorderen, ondersteunen en financieren.

Amendement 16

Verdrag betreffende de Europese Unie

Artikel 10 – lid 4 bis (nieuw)

Bestaande tekst

Amendement

 

4 bis.  Bij de voorbereiding van initiatieven op het gebied van sociaal, werkgelegenheids- en economisch beleid worden de sociale partners geraadpleegd.

Amendement 17

Verdrag betreffende de Europese Unie

Artikel 11 – lid 4 – alinea 1

Bestaande tekst

Amendement

Wanneer ten minste één miljoen burgers van de Unie, afkomstig uit een significant aantal lidstaten, van oordeel zijn dat inzake een aangelegenheid een rechtshandeling van de Unie nodig is ter uitvoering van de Verdragen, kunnen zij het initiatief nemen de Europese Commissie te verzoeken binnen het kader van de haar toegedeelde bevoegdheden een passend voorstel daartoe in te dienen.

Wanneer ten minste één miljoen burgers van de Unie, afkomstig uit een significant aantal lidstaten, van oordeel zijn dat inzake een aangelegenheid een rechtshandeling van de Unie nodig is, kunnen zij het initiatief nemen de Europese Commissie te verzoeken binnen het kader van de haar toegedeelde bevoegdheden een passend voorstel daartoe in te dienen.

Amendement 18

Verdrag betreffende de Europese Unie

Artikel 11 – lid 4 –alinea 1 bis (nieuw)

Bestaande tekst

Amendement

 

De Commissie of het Europees Parlement kan op basis van een geldig burgerinitiatief een rechtshandeling voorstellen.

Amendement 19

Verdrag betreffende de Europese Unie

Artikel 11 – lid 4 bis (nieuw)

Bestaande tekst

Amendement

 

4 bis.  Het Europees Parlement en de Raad kunnen volgens de gewone wetgevingsprocedure bepalingen vaststellen om hun besluitvorming en de naleving van de in de artikelen 10 en 11 bedoelde beginselen te waarborgen.

Amendement 20

Verdrag betreffende de Europese Unie

Artikel 13 – lid 4 bis (nieuw)

Bestaande tekst

Amendement

 

4 bis.  De instellingen van de Unie en de bestuurs- en adviesorganen van de Unie worden op niet-discriminerende wijze samengesteld, waarbij gendergelijkheid wordt gewaarborgd en de diversiteit van de samenleving wordt weerspiegeld.

Amendement 21

Verdrag betreffende de Europese Unie

Artikel 14 – lid 2 – alinea 1

Bestaande tekst

Amendement

Het Europees Parlement bestaat uit vertegenwoordigers van de burgers van de Unie. Hun aantal bedraagt niet meer dan zevenhonderdvijftig, plus de voorzitter. De burgers zijn degressief evenredig vertegenwoordigd, met een minimum van zes leden per lidstaat. Geen enkele lidstaat krijgt meer dan zesennegentig zetels toegewezen.

Het Europees Parlement bestaat uit vertegenwoordigers van de burgers van de Unie. Hun aantal bedraagt niet meer dan zevenhonderdvijftig, plus de voorzitter.

Amendement 22

Verdrag betreffende de Europese Unie

Artikel 14 – lid 2 bis (nieuw)

Bestaande tekst

Amendement

 

2 bis.  De burgers zijn degressief evenredig vertegenwoordigd, met een minimum van zes leden per lidstaat. Geen enkele lidstaat krijgt meer dan zesennegentig zetels toegewezen.

Amendement 23

Verdrag betreffende de Europese Unie

Artikel 14 – lid 2 ter (nieuw)

Bestaande tekst

Amendement

 

2 ter.  Het Europees Parlement bepaalt zijn samenstelling met een meerderheid van zijn leden, met inachtneming van de in de leden 2 en 2 bis bedoelde beginselen, en na goedkeuring door de Raad bij versterkte gekwalificeerde meerderheid van stemmen.

Amendement 24

Verdrag betreffende de Europese Unie

Artikel 15 – lid 2

Bestaande tekst

Amendement

2.  De Europese Raad bestaat uit de staatshoofden en regeringsleiders van de lidstaten, zijn voorzitter en de voorzitter van de Commissie. De hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid neemt deel aan de werkzaamheden van de Europese Raad.

2.  De Europese Raad bestaat uit de staatshoofden en regeringsleiders van de lidstaten en de voorzitter van de Europese Unie. De secretaris van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid neemt deel aan de werkzaamheden van de Europese Raad.

 

(Deze wijziging geldt voor de hele tekst. Indien dit amendement wordt aangenomen, moet deze wijziging in de gehele tekst worden doorgevoerd.)

Amendement 25

Verdrag betreffende de Europese Unie

Artikel 15 – lid 3

Bestaande tekst

Amendement

3.  De Europese Raad wordt twee keer per half jaar door zijn voorzitter in vergadering bijeengeroepen. Indien de agenda zulks vereist, kunnen de leden van de Europese Raad besluiten zich elk te laten bijstaan door een minister en, wat de voorzitter van de Commissie betreft, door een lid van de Commissie. Indien de situatie zulks vereist, roept de voorzitter een buitengewone bijeenkomst van de Europese Raad bijeen.

3.  De Europese Raad wordt twee keer per half jaar door zijn voorzitter in vergadering bijeengeroepen. Indien de agenda zulks vereist, kunnen de leden van de Europese Raad besluiten zich elk te laten bijstaan door een minister en, wat de voorzitter van de Europese Unie betreft, door een lid van de Commissie. Indien de situatie zulks vereist, roept de voorzitter een buitengewone bijeenkomst van de Europese Raad bijeen.

Amendement 26

Verdrag betreffende de Europese Unie

Artikel 15 – lid 5

Bestaande tekst

Amendement

5.  De Europese Raad kiest zijn voorzitter met gekwalificeerde meerderheid van stemmen voor een periode van tweeënhalf jaar. De voorzitter is eenmaal herkiesbaar. Indien de voorzitter verhinderd is of op ernstige wijze tekortschiet, kan de Europese Raad volgens dezelfde procedure zijn mandaat beëindigen.

5.  De Europese Raad kiest zijn voorzitter met gekwalificeerde meerderheid van stemmen.

Amendement 27

Verdrag betreffende de Europese Unie

Artikel 15 – lid 6

Bestaande tekst

Amendement

6.  De voorzitter van de Europese Raad:

Schrappen

a)  leidt en stimuleert de werkzaamheden van de Europese Raad;

 

b)  zorgt, in samenwerking met de voorzitter van de Commissie en op basis van de werkzaamheden van de Raad Algemene Zaken, voor de voorbereiding en de continuïteit van de werkzaamheden van de Europese Raad;

 

c)  bevordert de samenhang en de consensus binnen de Europese Raad;

 

d)  legt na afloop van iedere bijeenkomst van de Europese Raad een verslag voor aan het Europees Parlement.

 

De voorzitter van de Europese Raad zorgt op zijn niveau en in zijn hoedanigheid voor de externe vertegenwoordiging van de Unie in aangelegenheden die onder het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid vallen, onverminderd de aan de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid toegedeelde bevoegdheden.

 

De voorzitter van de Europese Raad kan geen nationaal mandaat uitoefenen.

 

Amendement 28

Verdrag betreffende de Europese Unie

Artikel 16 – lid 2

Bestaande tekst

Amendement

2.  De Raad bestaat uit een vertegenwoordiger van iedere lidstaat op ministerieel niveau, die gemachtigd is om de regering van de lidstaat die hij vertegenwoordigt, te binden en om het stemrecht uit te oefenen.

2.  De Raad bestaat uit vertegenwoordigers van iedere lidstaat, die gemachtigd zijn om de regering van de lidstaat die zij vertegenwoordigen, te binden en om het stemrecht uit te oefenen.

Amendement 29

Verdrag betreffende de Europese Unie

Artikel 16 – lid 3

Bestaande tekst

Amendement

3.  Tenzij in de Verdragen anders is bepaald, besluit de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen.

3.  Tenzij de Verdragen in een gewone of versterkte gekwalificeerde meerderheid van stemmen voorzien, besluit de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen.

Amendement 30

Verdrag betreffende de Europese Unie

Artikel 16 – lid 5

Bestaande tekst

Amendement

5.  De overgangsbepalingen inzake de omschrijving van de gekwalificeerde meerderheid die tot en met 31 oktober 2014, respectievelijk tussen 1 november 2014 en 31 maart 2017 van toepassing zijn, worden vastgesteld in het protocol betreffende de overgangsbepalingen.

Schrappen

Amendement 31

Verdrag betreffende de Europese Unie

Artikel 16 – lid 6 – alinea 1

Bestaande tekst

Amendement

De Raad komt in verschillende formaties bijeen; de lijst ervan wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 236 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

Schrappen

Amendement 32

Verdrag betreffende de Europese Unie

Artikel 16 – lid 6 – alinea 2

Bestaande tekst

Amendement

De Raad Algemene Zaken zorgt voor de samenhang van de werkzaamheden van de verschillende Raadsformaties. De Raad Algemene Zaken bereidt de bijeenkomsten van de Europese Raad voor en volgt deze op, in samenspraak met de voorzitter van de Europese Raad en de Commissie.

Schrappen

Amendement 33

Verdrag betreffende de Europese Unie

Artikel 16 – lid 6 – alinea 3

Bestaande tekst

Amendement

De Raad Buitenlandse Zaken werkt het externe optreden van de Unie uit volgens de door de Europese Raad vastgestelde strategische lijnen en zorgt voor de samenhang in het externe optreden van de Europese Unie.

Schrappen

Amendement 34

Verdrag betreffende de Europese Unie

Artikel 16 – lid 7

Bestaande tekst

Amendement

7.  Een Comité van permanente vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten is belast met de voorbereiding van de werkzaamheden van de Raad.

Schrappen

Amendement 35

Verdrag betreffende de Europese Unie

Artikel 16 – lid 8

Bestaande tekst

Amendement

8.  De Raad beraadslaagt en stemt in openbare zitting over een ontwerp van wetgevingshandeling. Daartoe wordt iedere Raadszitting gesplitst in twee delen, die respectievelijk gewijd worden aan beraadslagingen over de wetgevingshandelingen van de Unie en aan niet-wetgevingswerkzaamheden.

8.  De Raad beraadslaagt en stemt in openbare zitting over een ontwerp van wetgevingshandeling.

Amendement 36

Verdrag betreffende de Europese Unie

Artikel 17 – lid 1

Bestaande tekst

Amendement

1.  De Commissie bevordert het algemeen belang van de Unie en neemt daartoe passende initiatieven. Zij ziet toe op de toepassing van zowel de Verdragen als de maatregelen die de instellingen krachtens deze Verdragen vaststellen. Onder de controle van het Hof van Justitie van de Europese Unie ziet zij toe op de toepassing van het recht van de Unie. Zij voert de begroting uit en beheert de programma’s. Zij oefent onder de bij de Verdragen bepaalde voorwaarden coördinerende, uitvoerende en beheerstaken uit. Zij zorgt voor de externe vertegenwoordiging van de Unie, behalve wat betreft het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid en de andere bij de Verdragen bepaalde gevallen. Zij neemt de initiatieven tot de jaarlijkse en meerjarige programmering van de Unie om interinstitutionele akkoorden tot stand te brengen.

1.   De Uitvoerende Macht bevordert het algemeen belang van de Unie en neemt daartoe passende initiatieven. Zij ziet toe op de toepassing van zowel de Verdragen als de maatregelen die de instellingen krachtens deze Verdragen vaststellen. Onder de controle van het Hof van Justitie van de Europese Unie ziet zij toe op de toepassing van het recht van de Unie. Zij voert de begroting uit en beheert de programma’s. Zij oefent onder de bij de Verdragen bepaalde voorwaarden coördinerende, uitvoerende en beheerstaken uit. Zij zorgt voor de externe vertegenwoordiging van de Unie, behalve wat betreft het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid en de andere bij de Verdragen bepaalde gevallen. Zij neemt de initiatieven tot de jaarlijkse en meerjarige programmering van de Unie om interinstitutionele akkoorden tot stand te brengen.

 

(Deze wijziging geldt voor de hele tekst. Indien dit amendement wordt aangenomen, moet deze wijziging in de gehele tekst worden doorgevoerd.)

Amendement 37

Verdrag betreffende de Europese Unie

Artikel 17 – lid 2

Bestaande tekst

Amendement

2.  Tenzij in de Verdragen anders is bepaald, kunnen wetgevingshandelingen van de Unie alleen op voorstel van de Commissie worden vastgesteld. Andere handelingen worden op voorstel van de Commissie vastgesteld in de gevallen waarin de Verdragen daarin voorzien.

2.  Tenzij in de Verdragen anders is bepaald, kunnen wetgevingshandelingen van de Unie op voorstel van de Uitvoerende Macht worden vastgesteld. Andere handelingen worden op voorstel van de Uitvoerende Macht vastgesteld in de gevallen waarin de Verdragen daarin voorzien.

Amendement 38

Verdrag betreffende de Europese Unie

Artikel 17 – lid 3

Bestaande tekst

Amendement

3.  De ambtstermijn van de Commissie bedraagt vijf jaar.

3.  De ambtstermijn van de Uitvoerende Macht bedraagt vijf jaar.

De leden van de Commissie worden op grond van hun algemene bekwaamheid en Europese inzet gekozen uit personen die alle waarborgen voor onafhankelijkheid bieden.

De leden van de Uitvoerende Macht worden op grond van hun algemene bekwaamheid en Europese inzet gekozen uit personen die alle waarborgen voor onafhankelijkheid bieden.

De Commissie oefent haar verantwoordelijkheden volkomen onafhankelijk uit. Onverminderd artikel 18, lid 2, vragen noch aanvaarden de leden van de Commissie instructies van enige regering, instelling, orgaan of instantie. Zij onthouden zich van iedere handeling die onverenigbaar is met het karakter van hun ambt of met de uitvoering van hun taak.

De Uitvoerende Macht oefent haar verantwoordelijkheden volkomen onafhankelijk uit. Onverminderd artikel 18, lid 2, vragen noch aanvaarden de leden van de Uitvoerende Macht instructies van enige regering, instelling, orgaan of instantie. Zij onthouden zich van iedere handeling die onverenigbaar is met het karakter van hun ambt of met de uitvoering van hun taak.

Amendement 39

Verdrag betreffende de Europese Unie

Artikel 17 – lid 4

Bestaande tekst

Amendement

4.  De Commissie die benoemd is voor de periode tussen de datum van inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon en 31 oktober 2014, bestaat uit één onderdaan van iedere lidstaat, met inbegrip van de voorzitter van de Commissie en van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, die een van de vicevoorzitters van de Commissie is.

Schrappen

Amendement 40

Verdrag betreffende de Europese Unie

Artikel 17 – lid 6

Bestaande tekst

Amendement

6.  De voorzitter van de Commissie:

6.  De voorzitter van de Uitvoerende Macht:

a)  stelt de richtsnoeren vast met inachtneming waarvan de Commissie haar taak vervult;

a)  stelt de richtsnoeren vast met inachtneming waarvan de Uitvoerende Macht haar taak vervult;

b)  beslist over de interne organisatie van de Commissie en waarborgt zodoende de samenhang, de doeltreffendheid en het collegiale karakter van haar optreden;

b)  beslist over de interne organisatie van de Uitvoerende Macht en waarborgt zodoende de samenhang, de doeltreffendheid en het collegiale karakter van haar optreden;

c)  benoemt andere vicevoorzitters dan de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, uit de leden van de Commissie.

c)  benoemt andere vicevoorzitters dan de secretaris van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, alsook de secretaris van de Unie voor economische governance uit de leden van de Uitvoerende Macht.

Een lid van de Commissie neemt ontslag indien de voorzitter hem daarom verzoekt. De hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid neemt ontslag overeenkomstig de procedure van artikel 18, lid 1, indien de voorzitter hem daarom verzoekt.

Een lid van de Uitvoerende Macht neemt ontslag indien de voorzitter hem daarom verzoekt. De secretaris van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de secretaris van de Unie voor economische governance nemen ontslag overeenkomstig de procedure van artikel 18, lid 1, indien de voorzitter daarom verzoekt.

Amendement 41

Verdrag betreffende de Europese Unie

Artikel 17 – lid 7

Bestaande tekst

Amendement

7.  Rekening houdend met de verkiezingen voor het Europees Parlement en na passende raadpleging en, draagt de Europese Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen bij het Europees Parlement een kandidaat voor het ambt van voorzitter van de Commissie voor. Deze kandidaat wordt door het Parlement bij meerderheid van zijn leden gekozen. Indien de kandidaat bij de stemming geen meerderheid behaalt, draagt de Europese Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen binnen een maand een nieuwe kandidaat voor, die volgens dezelfde procedure door het Parlement wordt gekozen.

7.  Na de Europese verkiezingen draagt het Europees Parlement met een meerderheid van zijn leden een kandidaat voor het voorzitterschap van de Europese Unie voor aan de Europese Raad. De Europese Raad hecht hieraan met een gekwalificeerde meerderheid van stemmen zijn goedkeuring. Indien de voorgedragen kandidaat niet de vereiste meerderheid behaalt, draagt het Europees Parlement met een meerderheid van stemmen van zijn leden binnen een maand een kandidaat voor. De Europese Raad hecht hieraan met een gewone meerderheid van stemmen zijn goedkeuring.

De Raad stelt in onderlinge overeenstemming met de verkozen voorzitter de lijst vast van de overige personen die hij voorstelt tot lid van de Commissie te benoemen. Zij worden gekozen op basis van de voordrachten van de lidstaten, overeenkomstig de in lid 3, tweede alinea, en lid 5, tweede alinea, bepaalde criteria.

De verkozen voorzitter stelt een lijst voor met kandidaten voor benoeming tot lid van de Uitvoerende Macht. Zij worden gekozen overeenkomstig de in de leden 3 en 5 bepaalde criteria.

De voorzitter, de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de overige leden van de Commissie worden als college ter goedkeuring onderworpen aan een stemming van het Europees Parlement. Op basis van deze goedkeuring wordt de Commissie met gekwalificeerde meerderheid van stemmen door de Europese Raad benoemd.

De voorzitter, de secretaris van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de overige leden van de Uitvoerende Macht worden als college ter goedkeuring onderworpen aan een stemming van het Europees Parlement. Op basis van deze goedkeuring wordt de Uitvoerende Macht met gewone meerderheid van stemmen door de Europese Raad benoemd.

Amendement 42

Verdrag betreffende de Europese Unie

Artikel 17 – lid 8

Bestaande tekst

Amendement

8.  De Commissie legt als college verantwoording af aan het Europees Parlement. Het Europees Parlement kan overeenkomstig artikel 234 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie een motie van afkeuring tegen de Commissie aannemen. Indien een dergelijke motie wordt aangenomen, moeten de leden van de Commissie collectief ontslag nemen en moet ook de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid zijn functie in de Commissie neerleggen.

8.  De Uitvoerende Macht legt verantwoording af aan het Europees Parlement. Het Europees Parlement kan overeenkomstig artikel 234 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie een collectieve motie van afkeuring tegen de Uitvoerende Macht of een individuele motie van afkeuring tegen een lid van de Uitvoerende Macht aannemen. Indien een collectieve motie van afkeuring wordt aangenomen, moeten de leden van de Uitvoerende Macht collectief ontslag nemen. Indien een individuele motie van afkeuring wordt aangenomen, wordt de voorzitter van de Uitvoerende Macht geacht het desbetreffende lid van de Uitvoerende Macht te verzoeken zijn functie neer te leggen. Indien de voorzitter besluit het lid niet te verzoeken zijn functie neer te leggen, moet de Uitvoerende Macht als orgaan opnieuw worden bevestigd volgens de procedure in lid 7, derde alinea.

Amendement 43

Verdrag betreffende de Europese Unie

Artikel 19 – lid 3 bis (nieuw)

Bestaande tekst

Amendement

 

3 bis.  Het Hof van Justitie van de Europese Unie toetst de naleving van het subsidiariteitsbeginsel en kan bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak doen over de vraag of de Unie ultra vires heeft gehandeld en uitspraak doen inzake krachtens artikel 263 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie ingestelde beroepen wegens schending van het subsidiariteitsbeginsel.

Amendement 44

Verdrag betreffende de Europese Unie

Artikel 21 – lid 2 – punt a

Bestaande tekst

Amendement

a)  bescherming van haar waarden, fundamentele belangen, veiligheid, onafhankelijkheid en integriteit;

a)  bescherming van haar waarden, fundamentele belangen, veiligheid, strategische autonomie, onafhankelijkheid en integriteit;

Amendement 45

Verdrag betreffende de Europese Unie

Artikel 24 – lid 1 – alinea 2

Bestaande tekst

Amendement

Het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid is aan specifieke regels en procedures onderworpen. Het wordt bepaald en uitgevoerd door de Europese Raad en door de Raad, die besluiten met eenparigheid van stemmen, tenzij in de Verdragen anders wordt bepaald. Wetgevingshandelingen kunnen niet worden vastgesteld. Aan het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid wordt uitvoering gegeven door de Hoge Vertegenwoordiger van de Unie voor Buitenlandse Zaken en Veiligheidsbeleid en door de lidstaten, overeenkomstig de Verdragen. De specifieke rol van het Europees Parlement en van de Commissie op dit gebied wordt bepaald in de Verdragen. Het Hof van Justitie van de Europese Unie is niet bevoegd ten aanzien van deze bepalingen, met uitzondering van zijn bevoegdheid toezicht te houden op de naleving van artikel 40 van dit Verdrag en de wettigheid van bepaalde besluiten na te gaan, als bepaald in artikel 275, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

Het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid is aan specifieke regels en procedures onderworpen. Het wordt bepaald en uitgevoerd door de Europese Raad en door de Raad, die besluiten met een gekwalificeerde meerderheid van stemmen, na goedkeuring door het Europees Parlement. Aan het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid wordt uitvoering gegeven door de secretaris van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en door de lidstaten, overeenkomstig de Verdragen. De specifieke rol van het Europees Parlement en van de Commissie op dit gebied wordt bepaald in de Verdragen. Het Hof van Justitie van de Europese Unie is bevoegd ten aanzien van deze bepalingen.

Amendement 46

Verdrag betreffende de Europese Unie

Artikel 29

Bestaande tekst

Amendement

De Raad stelt besluiten vast waarin de aanpak van de Unie wordt bepaald ten aanzien van een bepaalde aangelegenheid van geografische of thematische aard. De lidstaten dragen er zorg voor dat hun nationaal beleid met de standpunten van de Unie overeenstemt.

De Raad stelt besluiten vast waarin de aanpak van de Unie wordt bepaald ten aanzien van een bepaalde aangelegenheid van geografische of thematische aard. Wanneer een besluit voorziet in onderbreking of gehele of gedeeltelijke beperking van de economische en financiële betrekkingen met een of meer derde landen, besluit de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen. De lidstaten dragen er zorg voor dat hun nationaal beleid met de standpunten van de Unie overeenstemt.

Amendement 47

Verdrag betreffende de Europese Unie

Artikel 31 – lid 1

Bestaande tekst

Amendement

1.  In het kader van dit hoofdstuk worden besluiten door de Europese Raad en de Raad met eenparigheid van stemmen genomen. Wetgevingshandelingen kunnen niet worden vastgesteld.

1.   In het kader van dit hoofdstuk worden besluiten door de Europese Raad en de Raad met een gekwalificeerde meerderheid van stemmen genomen. Wetgevingshandelingen kunnen niet worden vastgesteld.

Ingeval een lid van de Raad zich van stemming onthoudt, kan dit lid zijn onthouding toelichten door op grond van onderhavige alinea een formele verklaring af te leggen. In dat geval is het lid niet verplicht het besluit toe te passen, doch aanvaardt het wel dat het besluit de Unie bindt. In een geest van wederzijdse solidariteit onthoudt de betrokken lidstaat zich van ieder optreden dat het optreden van de Unie krachtens genoemd besluit zou kunnen doorkruisen of belemmeren, en eerbiedigen de andere lidstaten dit standpunt. Indien de leden van de Raad die hun onthouding op deze wijze toelichten, ten minste een derde van de lidstaten vertegenwoordigen en de totale bevolking van de door hen vertegenwoordigde lidstaten ten minste een derde van de totale bevolking van de Unie uitmaakt, wordt het besluit niet vastgesteld.

 

Amendement 48

Verdrag betreffende de Europese Unie

Artikel 31 – lid 2

Bestaande tekst

Amendement

2.  In afwijking van lid 1 besluit de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen:

 

–  wanneer hij een besluit vaststelt dat een optreden of een standpunt van de Unie bepaalt op grond van een besluit van de Europese Raad met betrekking tot de strategische belangen en doelstellingen van de Unie in de zin van artikel 22, lid 1;

 

–  wanneer hij een besluit vaststelt dat een optreden of een standpunt van de Unie bepaalt, op voorstel van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, dat wordt voorgelegd naar aanleiding van een specifiek verzoek dat de Europese Raad op eigen initiatief of op initiatief van de hoge vertegenwoordiger tot hem heeft gericht;

 

–  bij de aanneming van een besluit waarmee uitvoering wordt gegeven aan een besluit dat een optreden of een standpunt van de Unie bepaalt;

 

–  bij de benoeming van een speciale vertegenwoordiger overeenkomstig artikel 33.

 

Indien een lid van de Raad verklaart om vitale, nader genoemde, redenen van nationaal beleid voornemens te zijn zich te verzetten tegen de aanneming van een besluit dat met gekwalificeerde meerderheid van stemmen moet worden aangenomen, wordt niet tot stemming overgegaan. De hoge vertegenwoordiger tracht in nauw overleg met de betrokken lidstaat een aanvaardbare oplossing te bereiken. Indien dit niet tot resultaat leidt, kan de Raad bij gekwalificeerde meerderheid van stemmen verlangen dat de aangelegenheid wordt voorgelegd aan de Europese Raad, die met eenparigheid van stemmen een besluit vaststelt.

Een lid van de Raad kan om vitale, nader genoemde, redenen van nationaal beleid verlangen dat de aangelegenheid wordt voorgelegd aan de Europese Raad.

Amendement 49

Verdrag betreffende de Europese Unie

Artikel 31 – lid 3

Bestaande tekst

Amendement

3.  De Europese Raad kan met eenparigheid van stemmen bij besluit bepalen dat de Raad in andere dan de in lid 2 genoemde gevallen met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluit.

Schrappen

Amendement 50

Verdrag betreffende de Europese Unie

Artikel 31 – lid 4

Bestaande tekst

Amendement

4.  De leden 2 en 3 zijn niet van toepassing op besluiten die gevolgen hebben op militair of defensiegebied.

Schrappen

Amendement 51

Verdrag betreffende de Europese Unie

Artikel 42 – lid 1

Bestaande tekst

Amendement

1.  Het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid is een integrerend deel van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid. Het voorziet de Unie van een operationeel vermogen dat op civiele en militaire middelen steunt. De Unie kan daarvan gebruik maken voor missies buiten het grondgebied van de Unie met het oog op vredeshandhaving, conflictpreventie en versterking van de internationale veiligheid overeenkomstig de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties. De uitvoering van deze taken berust op de door de lidstaten beschikbaar gestelde vermogens.

1.   Het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid is een integrerend deel van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid. Het stelt de Unie in staat de lidstaten tegen bedreigingen te verdedigen. Het voorziet de Unie van een operationeel vermogen dat op civiele en militaire middelen steunt. De Unie kan daarvan gebruik maken voor missies buiten het grondgebied van de Unie met het oog op vredeshandhaving, conflictpreventie en versterking van de internationale veiligheid overeenkomstig de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties. Het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid, met inbegrip van de aankoop en ontwikkeling van wapens, wordt door de Unie gefinancierd via een specifieke begroting, waarbij het Europees Parlement medewetgever is en toezicht uitoefent.

Amendement 52

Verdrag betreffende de Europese Unie

Artikel 42 – lid 3

Bestaande tekst

Amendement

3.  De lidstaten stellen civiele en militaire vermogens ter beschikking van de Unie voor de uitvoering van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid, om zodoende bij te dragen aan het bereiken van de door de Raad bepaalde doelstellingen. Lidstaten die onderling multinationale troepenmachten vormen, kunnen deze troepenmachten tevens ter beschikking van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid stellen.

3.  De Unie richt een defensie-unie op met civiele en militaire vermogens voor de uitvoering van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid. Deze defensie-unie omvat militaire eenheden, waaronder een permanente snel inzetbare capaciteit, onder operationeel commando van de Unie. De lidstaten kunnen voorzien in aanvullende capaciteiten. Lidstaten die onderling multinationale troepenmachten vormen, kunnen deze troepenmachten tevens ter beschikking van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid stellen.

De lidstaten verbinden zich ertoe hun militaire vermogens geleidelijk te verbeteren. Er wordt een agentschap op het gebied van de ontwikkeling van defensievermogens, onderzoek, aankopen en bewapening (hierna genoemd: “het Europees Defensieagentschap”) opgericht, dat de operationele behoeften bepaalt, maatregelen bevordert om in die behoeften te voorzien, bijdraagt tot de vaststelling en, in voorkomend geval, tot de uitvoering van alle nuttige maatregelen om de industriële en technologische basis van de defensiesector te versterken, deelneemt aan het bepalen van een Europees beleid inzake vermogens en bewapening, en de Raad bijstaat om de verbetering van de militaire vermogens te evalueren.

De Unie en de lidstaten verbinden zich ertoe hun militaire vermogens geleidelijk te verbeteren. Er wordt een agentschap op het gebied van de ontwikkeling van defensievermogens, onderzoek, aankopen en bewapening (hierna genoemd: “het Europees Defensieagentschap”) opgericht, dat de operationele behoeften bepaalt, maatregelen uitvoert om in die behoeften te voorzien, wapens aankoopt namens de Unie en haar lidstaten, en alle nuttige maatregelen neemt om de industriële en technologische basis van de defensiesector te versterken, deelneemt aan het bepalen van een Europees beleid inzake vermogens en bewapening, en een evaluatie uitvoert van de verbetering van de militaire vermogens.

Amendement 53

Verdrag betreffende de Europese Unie

Artikel 42 – lid 4

Bestaande tekst

Amendement

4.  Besluiten betreffende het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid, waaronder begrepen het opzetten van een missie als bedoeld in dit artikel, worden op voorstel van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid of op initiatief van een lidstaat door de Raad met eenparigheid van stemmen vastgesteld. De hoge vertegenwoordiger kan, in voorkomend geval samen met de Commissie, voorstellen om gebruik te maken van nationale middelen en van instrumenten van de Unie.

4.  Besluiten betreffende het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid worden op voorstel van de secretaris van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid of op initiatief van een lidstaat door de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen vastgesteld, na goedkeuring door het Europees Parlement. De secretaris van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid kan, in voorkomend geval samen met de Commissie, voorstellen om gebruik te maken van nationale middelen en van instrumenten van de Unie.

Amendement 54

Verdrag betreffende de Europese Unie

Artikel 42 - lid 4 bis - alinea 1 (nieuw)

Bestaande tekst

Amendement

 

4 bis.  Besluiten tot het initiëren van een missie worden door de Raad met een gekwalificeerde meerderheid vastgesteld. Het Parlement besluit met een meerderheid van zijn leden.

Amendement 55

Verdrag betreffende de Europese Unie

Artikel 42 – lid 7 – alinea 1

Bestaande tekst

Amendement

Indien een lidstaat op zijn grondgebied gewapenderhand wordt aangevallen, rust op de overige lidstaten de plicht deze lidstaat met alle middelen waarover zij beschikken hulp en bijstand te verlenen overeenkomstig artikel 51 van het Handvest van de Verenigde Naties. Dit laat het specifieke karakter van het veiligheids- en defensiebeleid van bepaalde lidstaten onverlet.

Indien een lidstaat wordt aangevallen, rust op de defensie-unie en alle lidstaten de plicht deze lidstaat met alle middelen waarover zij beschikken hulp en bijstand te verlenen overeenkomstig artikel 51 van het Handvest van de Verenigde Naties. Een gewapende aanval op één lidstaat wordt beschouwd als een aanval op alle lidstaten. Dit laat het specifieke karakter van het veiligheids- en defensiebeleid van bepaalde lidstaten onverlet.

Amendement 56

Verdrag betreffende de Europese Unie

Artikel 43 – lid 1

Bestaande tekst

Amendement

1.  De in artikel 42, lid 1, bedoelde missies, waarbij de Unie civiele en militaire middelen kan inzetten, omvatten gezamenlijke ontwapeningsacties, humanitaire en reddingsmissies, advies en bijstand op militair gebied, conflictpreventie en vredeshandhaving, missies van strijdkrachten met het oog op crisisbeheersing, daaronder begrepen vredestichting, alsmede stabiliseringsoperaties na afloop van conflicten. Al deze taken kunnen bijdragen aan de strijd tegen het terrorisme, ook door middel van steun aan derde landen om het terrorisme op hun grondgebied te bestrijden.

1.  De in artikel 42, lid 1, bedoelde missies, waarbij de Unie civiele en militaire middelen kan inzetten, omvatten de bestrijding van hybride dreigingen en oorlogsvoering, dreiging met het stopzetten van energieleveranties, cyberdreigingen, desinformatiecampagnes en economische dwang door derde landen, gezamenlijke ontwapeningsacties, humanitaire en reddingsmissies, advies en bijstand op militair gebied, conflictpreventie en vredeshandhaving, missies van strijdkrachten met het oog op crisisbeheersing, daaronder begrepen vredestichting, alsmede stabiliseringsoperaties na afloop van conflicten. Al deze taken kunnen bijdragen aan de strijd tegen het terrorisme, ook door middel van steun aan derde landen om het terrorisme op hun grondgebied te bestrijden.

Amendement 57

Verdrag betreffende de Europese Unie

Artikel 45 – lid 1 – punt b

Bestaande tekst

Amendement

b)  het harmoniseren van de operationele behoeften en het hanteren van doelmatige en onderling verenigbare aankoopmethoden te bevorderen;

b)  wapens aan te kopen voor de defensie-unie en namens de Unie en haar lidstaten en het harmoniseren van de operationele behoeften en het hanteren van doelmatige en onderling verenigbare aankoopmethoden te bevorderen;

Amendement 58

Verdrag betreffende de Europese Unie

Artikel 45 – lid 1 – punt c

Bestaande tekst

Amendement

c)  multilaterale projecten voor te stellen die erop gericht zijn de doelstellingen met betrekking tot militaire vermogens te verwezenlijken, de door de lidstaten uit te voeren programma's te coördineren en specifieke samenwerkingsprogramma's te beheren;

c)  multilaterale projecten voor te stellen en te leiden die erop gericht zijn de doelstellingen met betrekking tot militaire vermogens te verwezenlijken, de door de lidstaten uit te voeren programma’s te coördineren en samenwerkingsprogramma’s te beheren;

Amendement 59

Verdrag betreffende de Europese Unie

Artikel 45 – lid 2

Bestaande tekst

Amendement

2.  Het Europees Defensieagentschap staat open voor alle lidstaten die daarvan deel wensen uit te maken. De Raad stelt met gekwalificeerde meerderheid een besluit vast houdende vastlegging van het statuut, de zetel en de voorschriften voor de werking van het Agentschap. In dat besluit wordt rekening gehouden met de mate van werkelijke deelneming aan de activiteiten van het Agentschap. Binnen het Agentschap worden specifieke groepen lidstaten gevormd die gezamenlijke projecten uitvoeren. Het Agentschap vervult zijn taken voor zover nodig in overleg met de Commissie.

2.  Het Europees Parlement en de Raad stellen, volgens de gewone wetgevingsprocedure, een besluit vast houdende vastlegging van het statuut, de zetel en de voorschriften voor de werking van het Agentschap.

Amendement 60

Verdrag betreffende de Europese Unie

Artikel 46 – lid 6

Bestaande tekst

Amendement

6.  Andere dan de in de leden 2 tot en met 5 bedoelde besluiten en aanbevelingen van de Raad in het kader van de permanente gestructureerde samenwerking worden met eenparigheid van stemmen vastgesteld. Voor de toepassing van dit lid wordt eenparigheid van stemmen alleen door de stemmen van de vertegenwoordigers van de deelnemende lidstaten gevormd.

6.  Andere dan de in de leden 2 tot en met 5 bedoelde besluiten en aanbevelingen van de Raad in het kader van de permanente gestructureerde samenwerking worden met gekwalificeerde meerderheid van stemmen vastgesteld. Voor de toepassing van dit lid wordt die gekwalificeerde meerderheid van stemmen alleen door de stemmen van de vertegenwoordigers van de deelnemende lidstaten gevormd, in overeenstemming met de grondwettelijke orde van de verschillende lidstaten.

Amendement 61

Verdrag betreffende de Europese Unie

Artikel 48 – lid 2

Bestaande tekst

Amendement

2.  De regering van iedere lidstaat, het Europees Parlement en de Commissie kunnen de Raad ontwerpen tot herziening van de Verdragen voorleggen. Die ontwerpen kunnen, onder andere, de door de Verdragen aan de Unie toegedeelde bevoegdheden uitbreiden of beperken. Zij worden door de Raad aan de Europese Raad toegezonden en worden ter kennis van de nationale parlementen gebracht.

2.  De regering van iedere lidstaat, het Europees Parlement en de Commissie kunnen de Raad ontwerpen tot herziening van de Verdragen voorleggen. Die ontwerpen kunnen, onder andere, de door de Verdragen aan de Unie toegedeelde bevoegdheden uitbreiden of beperken. Zij worden onverwijld en zonder beraadslaging door de Raad aan de Europese Raad toegezonden en worden ter kennis van de nationale parlementen gebracht.

Amendement 62

Verdrag betreffende de Europese Unie

Artikel 48 – lid 4 – alinea 1 bis (nieuw)

Bestaande tekst

Amendement

 

Het Europees Parlement wordt geacht zijn goedkeuring te hebben gehecht aan de wijzigingen van de Verdragen wanneer een meerderheid van zijn leden vóór deze wijzigingen heeft gestemd.

Amendement 63

Verdrag betreffende de Europese Unie

Artikel 48 – lid 5

Bestaande tekst

Amendement

5.  Indien vier vijfde van de lidstaten een verdrag houdende wijziging van de Verdragen twee jaar na de ondertekening ervan hebben bekrachtigd en een of meer lidstaten moeilijkheden bij de bekrachtiging hebben ondervonden, bespreekt de Europese Raad de kwestie.

5.  Indien minder dan vier vijfde van de lidstaten een verdrag houdende wijziging van de Verdragen twee jaar na de ondertekening ervan hebben bekrachtigd, bespreekt de Europese Raad de kwestie.

Amendement 64

Verdrag betreffende de Europese Unie

Artikel 48 – lid 7 – alinea 4

Bestaande tekst

Amendement

Voor de vaststelling van de in de eerste en de tweede alinea bedoelde besluiten, besluit de Europese Raad met eenparigheid van stemmen, na goedkeuring door het Europees Parlement, dat zich uitspreekt bij meerderheid van zijn leden.

Voor de vaststelling van die besluiten, besluit de Europese Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, na goedkeuring door het Europees Parlement, dat zich uitspreekt bij meerderheid van zijn leden.

Amendement 65

Verdrag betreffende de Europese Unie

Artikel 49 – alinea 2

Bestaande tekst

Amendement

De voorwaarden voor de toelating en de uit die toelating voortvloeiende aanpassingen van de Verdragen waarop de Unie is gebaseerd, vormen het onderwerp van een akkoord tussen de lidstaten en de staat die het verzoek indient. Dit akkoord moet door alle overeenkomstsluitende staten worden bekrachtigd overeenkomstig hun onderscheiden grondwettelijke bepalingen.

De voorwaarden voor de toelating en de uit die toelating voortvloeiende aanpassingen van de Verdragen waarop de Unie is gebaseerd, vormen het onderwerp van een akkoord tussen de lidstaten en de staat die het verzoek indient. Dit akkoord moet door alle overeenkomstsluitende staten worden bekrachtigd overeenkomstig hun onderscheiden grondwettelijke bepalingen. De lidstaten zijn gehouden de in artikel 2 bedoelde waarden na hun toetreding tot de Unie te blijven eerbiedigen.

Amendement 66

Verdrag betreffende de Europese Unie

Artikel 52 – lid 1

Bestaande tekst

Amendement

1.  De Verdragen zijn van toepassing op het Koninkrijk België, de Republiek Bulgarije, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, de Republiek Kroatië, Ierland, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, Roemenië, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland.

1.  De Verdragen zijn van toepassing op het Koninkrijk België, de Republiek Bulgarije, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, de Republiek Kroatië, Ierland, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, Hongarije, de Republiek Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, Roemenië, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden.

Amendement 67

Verdrag betreffende de Europese Unie

Artikel 54 – lid 2

Bestaande tekst

Amendement

2.  Dit Verdrag treedt in werking op 1 januari 1993, mits alle akten van bekrachtiging zijn nedergelegd, of bij gebreke daarvan op de eerste dag van de maand die volgt op het nederleggen van de akte van bekrachtiging door de ondertekenende staat die als laatste deze handeling verricht.

2.  Dit Verdrag treedt in werking op de eerste dag van de maand die volgt op het nederleggen van de akte van bekrachtiging door de regeringen van vier vijfde van de lidstaten.

Amendement 68

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Preambule

Bestaande tekst

Amendement

ZIJNE MAJESTEIT DE KONING DER BELGEN, DE PRESIDENT VAN DE BONDSREPUBLIEK DUITSLAND, DE PRESIDENT VAN DE FRANSE REPUBLIEK, DE PRESIDENT VAN DE ITALIAANSE REPUBLIEK, HARE KONINKLIJKE HOOGHEID DE GROOTHERTOGIN VAN LUXEMBURG, HARE MAJESTEIT DE KONINGIN DER NEDERLANDEN,

ZIJNE MAJESTEIT DE KONING DER BELGEN, DE PRESIDENT VAN DE REPUBLIEK BULGARIJE, DE PRESIDENT VAN DE TSJECHISCHE REPUBLIEK, HARE MAJESTEIT DE KONINGIN VAN DENEMARKEN, DE PRESIDENT VAN DE BONDSREPUBLIEK DUITSLAND, DE PRESIDENT VAN DE REPUBLIEK ESTLAND, DE PRESIDENT VAN IERLAND, DE PRESIDENT VAN DE HELLEENSE REPUBLIEK, ZIJNE MAJESTEIT DE KONING VAN SPANJE, DE PRESIDENT VAN DE FRANSE REPUBLIEK, DE PRESIDENT VAN DE REPUBLIEK KROATIË, DE PRESIDENT VAN DE ITALIAANSE REPUBLIEK, DE PRESIDENT VAN DE REPUBLIEK CYPRUS, DE PRESIDENT VAN DE REPUBLIEK LETLAND, DE PRESIDENT VAN DE REPUBLIEK LITOUWEN, ZIJNE KONINKLIJKE HOOGHEID DE GROOTHERTOG VAN LUXEMBURG, DE PRESIDENT VAN HONGARIJE, DE PRESIDENT VAN DE REPUBLIEK MALTA, ZIJNE MAJESTEIT DE KONING DER NEDERLANDEN, DE FEDERALE PRESIDENT VAN DE REPUBLIEK OOSTENRIJK, DE PRESIDENT VAN DE REPUBLIEK POLEN, DE PRESIDENT VAN DE PORTUGESE REPUBLIEK, DE PRESIDENT VAN ROEMENIË, DE PRESIDENT VAN DE REPUBLIEK SLOVENIË, DE PRESIDENT VAN DE SLOWAAKSE REPUBLIEK, DE PRESIDENT VAN DE REPUBLIEK FINLAND, ZIJNE MAJESTEIT DE KONING VAN ZWEDEN,

Amendement 69

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 3 – lid 2

Bestaande tekst

Amendement

2.  De Unie is tevens exclusief bevoegd een internationale overeenkomst te sluiten indien een wetgevingshandeling van de Unie in die sluiting voorziet, indien die sluiting noodzakelijk is om de Unie in staat te stellen haar interne bevoegdheid uit te oefenen of wanneer die sluiting gemeenschappelijke regels kan aantasten of de strekking daarvan kan wijzigen.

2.  De Unie is tevens exclusief bevoegd een internationale overeenkomst te sluiten, onder meer in de context van mondiale onderhandelingen over klimaatverandering, indien een wetgevingshandeling van de Unie in die sluiting voorziet, indien die sluiting noodzakelijk is om de Unie in staat te stellen haar interne bevoegdheid uit te oefenen of wanneer die sluiting gemeenschappelijke regels kan aantasten of de strekking daarvan kan wijzigen.

Amendement 70

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 4 – lid 2 – punt e

Bestaande tekst

Amendement

e)  milieu;

e)   volksgezondheid, met name de bescherming en verbetering van de menselijke gezondheid, in het bijzonder wat grensoverschrijdende bedreigingen voor de gezondheid betreft, met inbegrip van universele en volledige toegang tot seksuele en reproductieve gezondheid en rechten, en de “één gezondheid”-benadering;

Amendement 71

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 4 – lid 2 – punt g

Bestaande tekst

Amendement

g)  vervoer;

g)  vervoer, met inbegrip van grensoverschrijdende infrastructuur;

Amendement 72

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 4 – lid 2 – punt j

Bestaande tekst

Amendement

j)  de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht;

j)  de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, en het buitengrenzenbeleid;

Amendement 73

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 4 – lid 2 – punt k

Bestaande tekst

Amendement

k)  gemeenschappelijke veiligheidsvraagstukken op het gebied van volksgezondheid, voor de in het onderhavige Verdrag genoemde aspecten.

k)  buitenlandse zaken, externe veiligheid en defensie;

Amendement 74

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 4 – lid 2 – punt k bis (nieuw)

Bestaande tekst

Amendement

 

k bis)  civiele bescherming;

Amendement 75

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 4 – lid 2 – punt k ter (nieuw)

Bestaande tekst

Amendement

 

k ter)  industrie;

Amendement 76

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 4 – lid 2 – punt k quater (nieuw)

Bestaande tekst

Amendement

 

k quater)  onderwijs, met name met betrekking tot transnationale kwesties zoals de wederzijdse erkenning van diploma’s, graden, vaardigheden en kwalificaties.

Amendement 77

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 6 – punt a

Bestaande tekst

Amendement

a)  bescherming en verbetering van de menselijke gezondheid;

Schrappen

Amendement 78

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 6 – punt e

Bestaande tekst

Amendement

e)  onderwijs, beroepsopleiding, jongeren en sport;

e)  beroepsopleiding, jongeren en sport;

Amendement 79

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 6 – punt f

Bestaande tekst

Amendement

f)  civiele bescherming;

Schrappen

Amendement 80

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 8

Bestaande tekst

Amendement

Bij elk optreden streeft de Unie ernaar de ongelijkheden tussen mannen en vrouwen op te heffen en de gelijkheid van mannen en vrouwen te bevorderen.

Bij elk optreden streeft de Unie ernaar genderongelijkheden op te heffen en gendergelijkheid te bevorderen.

Amendement 81

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 9

Bestaande tekst

Amendement

Bij de bepaling en de uitvoering van haar beleid en optreden houdt de Unie rekening met de eisen in verband met de bevordering van een hoog niveau van werkgelegenheid, de waarborging van een adequate sociale bescherming, de bestrijding van sociale uitsluiting alsmede een hoog niveau van onderwijs, opleiding en bescherming van de menselijke gezondheid.

Bij de bepaling en de uitvoering van haar beleid en optreden ziet de Unie erop toe dat sociale vooruitgang verankerd is in een sociaal protocol.

 

De Unie houdt rekening met de eisen in verband met de bevordering van een hoog niveau van werkgelegenheid, de waarborging van een adequate sociale bescherming, de bestrijding van sociale uitsluiting alsmede een hoog niveau van onderwijs, opleiding en bescherming van de menselijke gezondheid, alsmede de doeltreffende uitoefening van de democratische collectieve rechten van vakbonden.

Amendement 82

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 10

Bestaande tekst

Amendement

Bij de bepaling en de uitvoering van haar beleid en optreden streeft de Unie naar bestrijding van iedere discriminatie op grond van geslacht, ras of etnische afkomst, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele gerichtheid.

Bij de bepaling en de uitvoering van haar beleid en optreden streeft de Unie naar bestrijding van iedere discriminatie op grond van geslacht, gender, ras, etnische of sociale afkomst, taal, godsdienst of overtuiging, politieke mening, het behoren tot een nationale minderheid, handicap, leeftijd of seksuele gerichtheid.

Amendement 83

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 11

Bestaande tekst

Amendement

De eisen inzake milieubescherming moeten worden geïntegreerd in de omschrijving en uitvoering van het beleid en het optreden van de Unie, in het bijzonder met het oog op het bevorderen van duurzame ontwikkeling.

De eisen inzake klimaat en bescherming van het milieu en de biodiversiteit moeten worden geïntegreerd in de omschrijving en uitvoering van het beleid en het optreden van de Unie, in het bijzonder met het oog op het bevorderen van duurzame ontwikkeling.

Amendement 84

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 15 – lid 3 – alinea 5

Bestaande tekst

Amendement

Het Europees Parlement en de Raad zorgen voor de openbaarmaking van de stukken betreffende de wetgevingsprocedures overeenkomstig de voorwaarden van de in de tweede alinea bedoelde verordeningen.

Het Europees Parlement en de Raad zorgen voor de openbaarmaking van de stukken betreffende de wetgevingsprocedures, waaronder de standpunten van hun leden alsook voorstellen voor en amendementen op wetgevingsteksten die deel uitmaken van het normale wetgevingsproces, overeenkomstig de voorwaarden van de in de tweede alinea bedoelde verordeningen.

Amendement 85

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 19 – lid 1

Bestaande tekst

Amendement

1.  Onverminderd de andere bepalingen van de Verdragen, kan de Raad, binnen de grenzen van de door de Verdragen aan de Unie verleende bevoegdheden, met eenparigheid van stemmen, volgens een bijzondere wetgevingsprocedure, op voorstel van de Commissie en na goedkeuring door het Europees Parlement, passende maatregelen nemen om discriminatie op grond van geslacht, ras of etnische afstamming, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid te bestrijden.

1.  Onverminderd de andere bepalingen van de Verdragen, kunnen het Europees Parlement en de Raad, binnen de grenzen van de door de Verdragen aan de Unie verleende bevoegdheden, volgens de gewone wetgevingsprocedure passende maatregelen nemen om discriminatie op grond van geslacht, gender, ras, etnische of sociale afkomst, taal, godsdienst of overtuiging, politieke mening, het behoren tot een nationale minderheid, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid te bestrijden.

Amendement 86

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 19 – lid 2

Bestaande tekst

Amendement

2.  Het Europees Parlement en de Raad kunnen, in afwijking van lid 1, volgens de gewone wetgevingsprocedure, stimuleringsmaatregelen van de Unie, harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten uitgezonderd, de basisbeginselen vaststellen ter ondersteuning van de maatregelen die de lidstaten nemen om bij te dragen tot de verwezenlijking van de in lid 1 genoemde doelstellingen.

Schrappen

Amendement 87

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 20 – lid 2 bis (nieuw)

Bestaande tekst

Amendement

 

2 bis.  Het Europees Parlement en de Raad kunnen volgens de gewone wetgevingsprocedure gemeenschappelijke bepalingen vaststellen ter voorkoming van de verkoop van paspoorten en andere vormen van misbruik in verband met de verwerving en het verlies van het burgerschap van de Unie door onderdanen van derde landen, teneinde de voorwaarden waaronder dat burgerschap kan worden verworven nader tot elkaar te brengen.

Amendement 88

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 22 – lid 1

Bestaande tekst

Amendement

1.  Iedere burger van de Unie die verblijf houdt in een lidstaat waarvan hij geen onderdaan is, bezit het actief en passief kiesrecht bij gemeenteraadsverkiezingen in de lidstaat waar hij verblijft, onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die staat. Dit recht wordt uitgeoefend onder voorbehoud van de door de Raad met eenparigheid van stemmen, volgens een bijzondere wetgevingsprocedure, na raadpleging van het Europees Parlement vastgestelde nadere regelingen; deze nadere regelingen kunnen voorzien in afwijkingen wanneer zulks gerechtvaardigd wordt door bijzondere problemen in een bepaalde lidstaat.

1.  Iedere burger van de Unie die verblijf houdt in een lidstaat waarvan hij geen onderdaan is, bezit het actief en passief kiesrecht bij gemeenteraadsverkiezingen in de lidstaat waar hij verblijft, onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die staat. Dit recht wordt uitgeoefend onder voorbehoud van de door de Raad en het Europees Parlement volgens de gewone wetgevingsprocedure vastgestelde nadere regelingen. Die nadere regelingen kunnen voorzien in afwijkingen wanneer zulks gerechtvaardigd wordt door bijzondere problemen in een bepaalde lidstaat.

Amendement 89

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 22 – lid 2

Bestaande tekst

Amendement

2.  Onverminderd artikel 223, lid 1, en de bepalingen ter uitvoering daarvan, heeft iedere burger van de Unie die verblijft houdt in een lidstaat waarvan hij geen onderdaan is, het actief en passief kiesrecht bij de verkiezingen voor het Europees Parlement in de lidstaat waar hij verblijft, onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die staat. Dit recht wordt uitgeoefend onder voorbehoud van de door de Raad met eenparigheid van stemmen, volgens een bijzondere wetgevingsprocedure, na raadpleging van het Europees Parlement vastgestelde nadere regelingen; deze nadere regelingen kunnen voorzien in afwijkingen wanneer zulks gerechtvaardigd wordt door bijzondere problemen in een bepaalde lidstaat.

2.  Onverminderd artikel 223, lid 1, en de bepalingen ter uitvoering daarvan, heeft iedere burger van de Unie die verblijft houdt in een lidstaat waarvan hij geen onderdaan is, het actief en passief kiesrecht bij de verkiezingen voor het Europees Parlement in de lidstaat waar hij verblijft, onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die staat. Dit recht wordt uitgeoefend onder voorbehoud van de door het Europees Parlement en de Raad volgens de gewone wetgevingsprocedure vastgestelde nadere regelingen.

Amendement 90

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 23 – alinea 2

Bestaande tekst

Amendement

De Raad kan, volgens een bijzondere wetgevingsprocedure en na raadpleging van het Europees Parlement, richtlijnen aannemen tot vaststelling van coördinatie- en samenwerkingsmaatregelen die nodig zijn om die bescherming te vergemakkelijken.

De Raad en het Europees Parlement kunnen volgens de gewone wetgevingsprocedure richtlijnen aannemen tot vaststelling van coördinatie- en samenwerkingsmaatregelen die nodig zijn om die bescherming te vergemakkelijken.

Amendement 91

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 24 – alinea 1

Bestaande tekst

Amendement

Het Europees Parlement en de Raad stellen volgens de gewone wetgevingsprocedure bij verordeningen de bepalingen vast voor de procedures en voorwaarden voor de indiening van een burgerinitiatief in de zin van artikel 11 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, met inbegrip van het minimum aantal lidstaten waaruit de burgers die het verzoek indienen, afkomstig dienen te zijn.

Het Europees Parlement en de Raad stellen volgens de gewone wetgevingsprocedure bij verordeningen de bepalingen vast voor de procedures en voorwaarden voor de indiening van een burgerinitiatief in de zin van artikel 11, lid 4, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, met inbegrip van het minimum aantal lidstaten waaruit de burgers die het verzoek indienen, afkomstig dienen te zijn.

Amendement 92

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 24 bis (nieuw)

Bestaande tekst

Amendement

 

Artikel 24 bis

 

De Unie beschermt personen die tot een minderheid behoren, in overeenstemming met het Europees Handvest voor regionale talen of talen van minderheden en het Kaderverdrag inzake de bescherming van nationale minderheden. Het Europees Parlement en de Raad stellen volgens de gewone wetgevingsprocedure bepalingen vast om de uitoefening van de rechten van personen die tot een minderheid behoren te vergemakkelijken. De Unie treedt toe tot het Europees Handvest voor regionale talen of talen van minderheden en tot het Kaderverdrag inzake de bescherming van nationale minderheden.

Amendement 93

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 26 – lid 2

Bestaande tekst

Amendement

2.  De interne markt omvat een ruimte zonder binnengrenzen waarin het vrije verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal is gewaarborgd volgens de bepalingen van de Verdragen.

2.  De interne markt omvat een ruimte zonder binnengrenzen waarin het vrije verkeer van personen, goederen, diensten en kapitaal in alle lidstaten en door de instellingen van de Unie is gewaarborgd volgens de bepalingen van de Verdragen.

Amendement 94

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 43 – lid 3

Bestaande tekst

Amendement

3.  De Raad stelt op voorstel van de Commissie de maatregelen vast voor de prijsbepaling, de heffingen, de steun en de kwantitatieve beperkingen, alsook voor de vaststelling en verdeling van de vangstmogelijkheden.

3.  De Raad stelt op voorstel van de Commissie de maatregelen vast voor de prijsbepaling, de heffingen, de steun en de kwantitatieve beperkingen, alsook voor de vaststelling en verdeling van de duurzame vangstmogelijkheden.

Amendement 95

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 64 – lid 3

Bestaande tekst

Amendement

3.  In afwijking van lid 2, kan alleen de Raad, volgens een bijzondere wetgevingsprocedure, met eenparigheid van stemmen en na raadpleging van het Europees Parlement, maatregelen vaststellen die in het recht van de Unie een achteruitgang op het gebied van de liberalisering van het kapitaalverkeer naar of uit derde landen vormen.

3.  In afwijking van lid 2, kan alleen de Raad, volgens een bijzondere wetgevingsprocedure, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen en na raadpleging van het Europees Parlement, maatregelen vaststellen die in het recht van de Unie een achteruitgang op het gebied van de liberalisering van het kapitaalverkeer naar of uit derde landen vormen.

Amendement 96

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 67 – lid 2

Bestaande tekst

Amendement

2.  De Unie zorgt ervoor dat aan de binnengrenzen geen personencontroles worden verricht en zij ontwikkelt een gemeenschappelijk beleid op het gebied van asiel, immigratie en controle aan de buitengrenzen, dat gebaseerd is op solidariteit tussen de lidstaten en dat billijk is ten aanzien van de onderdanen van derde landen. Voor de toepassing van deze titel worden staatlozen gelijkgesteld met onderdanen van derde landen.

2.  De Unie zorgt ervoor dat aan de binnengrenzen geen personencontroles worden verricht en zij ontwikkelt een gemeenschappelijk beleid op het gebied van grenzen, asiel en immigratie, dat gebaseerd is op solidariteit tussen de lidstaten en dat billijk is ten aanzien van de onderdanen van derde landen. Voor de toepassing van deze titel worden staatlozen gelijkgesteld met onderdanen van derde landen.

Amendement 97

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 70

Bestaande tekst

Amendement

Onverminderd de artikelen 258, 259 en 260, kan de Raad op voorstel van de Commissie maatregelen vaststellen die bepalen dat de lidstaten in samenwerking met de Commissie een objectieve en onpartijdige evaluatie van de uitvoering, door de autoriteiten van de lidstaten, van het door deze titel bestreken beleid van de Unie verrichten, met name ter bevordering van de volledige toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning. Het Europees Parlement en de nationale parlementen worden op de hoogte gebracht van de inhoud en de resultaten van die evaluatie.

Onverminderd de artikelen 258, 259 en 260, kunnen het Europees Parlement en de Raad volgens de gewone wetgevingsprocedure op voorstel van de Commissie maatregelen vaststellen die bepalen dat de lidstaten in samenwerking met de Commissie een objectieve en onpartijdige evaluatie van de uitvoering, door de autoriteiten van de lidstaten, van het door deze titel bestreken beleid van de Unie verrichten, met name ter bevordering van de volledige toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning. De nationale parlementen worden op de hoogte gebracht van de inhoud en de resultaten van die evaluatie.

Amendement 98

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 77 – lid 2 – punt d bis (nieuw)

Bestaande tekst

Amendement

 

d bis)   alle maatregelen die noodzakelijk en evenredig zijn om de efficiënte monitoring, beveiliging en doeltreffende controle van de buitengrenzen van de Unie te waarborgen en toe te zien op de daadwerkelijke terugkeer van personen die niet het recht hebben om op het grondgebied van de Unie te verblijven;

Amendement 99

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 77 – lid 3

Bestaande tekst

Amendement

3.  Indien een optreden van de Unie noodzakelijk blijkt om de uitoefening van het in artikel 20, lid 2, onder a), bedoelde recht te vergemakkelijken, kan de Raad, volgens een bijzondere wetgevingsprocedure, bepalingen inzake paspoorten, identiteitskaarten, verblijfsvergunningen en daarmee gelijkgestelde documenten vaststellen, tenzij de Verdragen in de daartoe vereiste bevoegdheden voorzien. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen, na raadpleging van het Europees Parlement.

3.  Indien een optreden van de Unie noodzakelijk blijkt om de uitoefening van het in artikel 20, lid 2, punt a), bedoelde recht te vergemakkelijken, kunnen het Europees Parlement en de Raad, volgens de gewone wetgevingsprocedure, bepalingen inzake paspoorten, identiteitskaarten, verblijfsvergunningen en daarmee gelijkgestelde documenten vaststellen, tenzij de Verdragen in de daartoe vereiste bevoegdheden voorzien.

Amendement 100

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 78 – lid 3

Bestaande tekst

Amendement

3.  Indien een of meer lidstaten ten gevolge van een plotselinge toestroom van onderdanen van derde landen in een noodsituatie terechtkomen, kan de Raad op voorstel van de Commissie voorlopige maatregelen ten gunste van de betrokken lidstaat of lidstaten vaststellen. De Raad besluit na raadpleging van het Europees Parlement.

3.  Indien een of meer lidstaten ten gevolge van een plotselinge toestroom van onderdanen van derde landen in een noodsituatie terechtkomen, kan de Raad op voorstel van de Commissie voorlopige maatregelen ten gunste van de betrokken lidstaat of lidstaten vaststellen. De Raad besluit op basis van een initiatief van of na raadpleging van het Europees Parlement.

Amendement 101

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 79 – lid 1

Bestaande tekst

Amendement

1.  De Unie ontwikkelt een gemeenschappelijk immigratiebeleid, dat erop gericht is in alle stadia te zorgen voor een efficiënt beheer van de migratiestromen, een billijke behandeling van onderdanen van derde landen die legaal op het grondgebied van de lidstaten verblijven, en een preventie en intensievere bestrijding van illegale immigratie en mensenhandel.

1.  De Unie ontwikkelt een gemeenschappelijk immigratiebeleid waarin rekening wordt gehouden met de economische en sociale stabiliteit van de lidstaten en dat erop gericht is in alle stadia te zorgen voor het vermogen om te voldoen aan de arbeidsvraag van de eengemaakte markt ter ondersteuning van de economische situatie in de lidstaten, alsook een efficiënt beheer van de migratiestromen, een billijke behandeling van onderdanen van derde landen die legaal op het grondgebied van de lidstaten verblijven, en een preventie en intensievere bestrijding van illegale immigratie en mensenhandel.

Amendement 102

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 79 – lid 2 – punt a

Bestaande tekst

Amendement

a)  de voorwaarden voor toegang en verblijf, en normen betreffende de afgifte door de lidstaten van langlopende visa en verblijfstitels, onder andere met het oog op gezinshereniging;

a)  de minimumvoorwaarden voor toegang, verblijf en minimumnormen voor de afgifte door de lidstaten van langlopende visa en verblijfstitels, onder andere met het oog op gezinshereniging;

Amendement 103

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 81 – lid 3 – alinea 1

Bestaande tekst

Amendement

In afwijking van lid 2, worden maatregelen betreffende het familierecht met grensoverschrijdende gevolgen vastgesteld door de Raad, die volgens een bijzondere wetgevingsprocedure besluit. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen, na raadpleging van het Europees Parlement.

In afwijking van lid 2, worden maatregelen betreffende het familierecht met grensoverschrijdende gevolgen vastgesteld door het Europees Parlement en de Raad, die volgens de gewone wetgevingsprocedure besluiten.

Amendement 104

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 81 – lid 3 – alinea 2

Bestaande tekst

Amendement

De Raad kan op voorstel van de Commissie bij besluit vaststellen ten aanzien van welke aspecten van het familierecht met grensoverschrijdende gevolgen handelingen volgens de gewone wetgevingsprocedure kunnen worden vastgesteld. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen, na raadpleging van het Europees Parlement.

Het Europees Parlement en de Raad kunnen op voorstel van de Commissie volgens de gewone wetgevingsprocedure bij besluit vaststellen ten aanzien van welke aspecten van het familierecht met grensoverschrijdende gevolgen handelingen volgens de gewone wetgevingsprocedure kunnen worden vastgesteld.

Amendement 105

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 81 – lid 3 – alinea 3

Bestaande tekst

Amendement

Het in de tweede alinea bedoelde voorstel wordt aan de nationale parlementen toegezonden. Indien binnen een termijn van zes maanden na die toezending door een nationaal parlement bezwaar wordt aangetekend, is het besluit niet vastgesteld. Indien geen bezwaar wordt aangetekend, kan de Raad het besluit vaststellen.

Schrappen

Amendement 106

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 83 – lid 1 – alinea 2

Bestaande tekst

Amendement

Het betreft de volgende vormen van criminaliteit: terrorisme, mensenhandel en seksuele uitbuiting van vrouwen en kinderen, illegale drugshandel, illegale wapenhandel, het witwassen van geld, corruptie, de vervalsing van betaalmiddelen, computercriminaliteit en georganiseerde criminaliteit.

Het betreft de volgende vormen van criminaliteit: terrorisme, mensenhandel en seksuele uitbuiting van vrouwen en kinderen, gendergerelateerd geweld, milieucriminaliteit, illegale drugshandel, illegale wapenhandel, het witwassen van geld, corruptie, de vervalsing van betaalmiddelen, computercriminaliteit en de georganiseerde criminaliteit.

Amendement 107

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 83 – lid 1 – alinea 3

Bestaande tekst

Amendement

Afhankelijk van de ontwikkelingen in de criminaliteit kan de Raad bij besluit vaststellen welke andere vormen van criminaliteit aan de in dit lid genoemde criteria voldoen. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen, na goedkeuring door het Europees Parlement.

Afhankelijk van de ontwikkelingen in de criminaliteit kan het Europees Parlement met een meerderheid van zijn leden, dan wel de Raad met een versterkte gekwalificeerde meerderheid als gedefinieerd in artikel 16, lid 4 ter, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, andere vormen van criminaliteit vaststellen die aan de in dit lid genoemde criteria voldoen.

Amendement 108

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 86 – lid 1

Bestaande tekst

Amendement

1.   Ter bestrijding van strafbare feiten die de financiële belangen van de Unie schaden, kan de Raad op de grondslag van Eurojust volgens een bijzondere wetgevingsprocedure bij verordeningen een Europees openbaar ministerie instellen. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen, na goedkeuring door het Europees Parlement.

1.   Het Europees Openbaar Ministerie, ingesteld op grondslag van Eurojust, bestrijdt strafbare feiten die de financiële belangen van de Unie schaden. Het Europees Parlement en de Raad stellen volgens de gewone wetgevingsprocedure bij verordeningen de regels vast inzake de werking ervan.

Is er geen eenparigheid, dan kan een groep van ten minste negen lidstaten verzoeken dat het ontwerp van verordening aan de Europese Raad wordt voorgelegd. In dat geval wordt de procedure in de Raad geschorst. Na bespreking, en in geval van consensus, verwijst de Europese Raad, binnen vier maanden na die schorsing, het ontwerp ter aanneming terug naar de Raad.

 

Binnen dezelfde termijn, in geval van verschil van mening en indien ten minste negen lidstaten een nauwere samenwerking wensen aan te gaan op grond van de betrokken ontwerpverordening, stellen zij het Europees Parlement, de Raad en de Commissie daarvan in kennis. In dat geval wordt de in artikelen 20, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie en artikel 329, lid 1, van dit Verdrag bedoelde machtiging tot nauwere samenwerking geacht te zijn verleend en zijn de bepalingen betreffende nauwere samenwerking van toepassing.

 

Amendement 109

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 86 – lid 4

Bestaande tekst

Amendement

4.  De Europese Raad kan tegelijkertijd of later een besluit vaststellen tot wijziging van lid 1, teneinde de bevoegdheden van het Europees openbaar ministerie bij de bestrijding van ernstige criminaliteit met een grensoverschrijdende dimensie uit te breiden en dientengevolge tot wijziging van lid 2 wat betreft de plegers van en medeplichtigen aan zware misdrijven die verscheidene lidstaten schaden. De Europese Raad besluit met eenparigheid van stemmen, na goedkeuring door het Europees Parlement en na raadpleging van de Commissie.

4.  Het Europees Parlement en de Raad kunnen volgens de gewone wetgevingsprocedure tegelijkertijd of later een besluit vaststellen tot wijziging van lid 1, teneinde de bevoegdheden van het Europees openbaar ministerie bij de bestrijding van ernstige criminaliteit met een grensoverschrijdende dimensie uit te breiden en dientengevolge tot wijziging van lid 2 wat betreft de plegers van en medeplichtigen aan zware misdrijven die verscheidene lidstaten schaden.

Amendement 110

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 87 – lid 3 – alinea 1

Bestaande tekst

Amendement

De Raad kan volgens een bijzondere wetgevingsprocedure maatregelen vaststellen die betrekking hebben op de operationele samenwerking tussen de in dit artikel bedoelde autoriteiten. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen, na raadpleging van het Europees Parlement.

Het Europees Parlement en de Raad kunnen volgens de gewone wetgevingsprocedure maatregelen vaststellen die betrekking hebben op de operationele samenwerking tussen de in dit artikel bedoelde autoriteiten.

Amendement 111

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 87 – lid 3 – alinea 2

Bestaande tekst

Amendement

Is er geen eenparigheid, dan kan een groep van ten minste negen lidstaten verzoeken dat de ontwerpmaatregelen aan de Europese Raad wordt voorgelegd. In dat geval wordt de procedure in de Raad geschorst. Na bespreking, en in geval van consensus, verwijst de Europese Raad, binnen vier maanden na die schorsing, het ontwerp ter aanneming terug naar de Raad.

Een groep van ten minste negen lidstaten kan verzoeken dat de ontwerpmaatregelen aan de Europese Raad worden voorgelegd. In dat geval wordt de procedure in de Raad geschorst. Na bespreking, en in geval van consensus, verwijst de Europese Raad, binnen vier maanden na die schorsing, het ontwerp ter aanneming terug naar de Raad.

Amendement 112

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 108 – lid 1

Bestaande tekst

Amendement

1.  De Commissie onderwerpt te zamen met de lidstaten de in die staten bestaande steunregelingen aan een voortdurend onderzoek. Zij stelt de dienstige maatregelen voor, welke de geleidelijke ontwikkeling of de werking van de interne markt vereist.

1.  De Commissie onderwerpt tezamen met de lidstaten de in die staten bestaande steunregelingen aan een voortdurend onderzoek, met inachtneming van de doelstellingen van de Unie als vermeld in artikel 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie. Zij stelt de dienstige maatregelen voor, welke de geleidelijke ontwikkeling, de verwezenlijking van deze doelstellingen of de werking van de interne markt vereist.

Amendement 113

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 115

Bestaande tekst

Amendement

Onverminderd artikel 114 stelt de Raad na raadpleging van het Europees Parlement en het Economisch en Sociaal Comité met eenparigheid van stemmen, volgens een bijzondere wetgevingsprocedure, richtlijnen vast voor de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten welke rechtstreeks van invloed zijn op de instelling of de werking van de interne markt.

Onverminderd artikel 114 stellen het Europees Parlement en de Raad na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité volgens de gewone wetgevingsprocedure richtlijnen vast voor de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten welke rechtstreeks van invloed zijn op de instelling of de werking van de interne markt.

Amendement 114

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 119 – lid 1

Bestaande tekst

Amendement

1.  Teneinde de in artikel 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie genoemde doelstellingen te bereiken, omvat het optreden van de lidstaten en de Unie, onder de voorwaarden waarin de Verdragen voorzien, de invoering van een economisch beleid dat gebaseerd is op de nauwe coördinatie van het economisch beleid van de lidstaten, op de interne markt en op de uitwerking van gemeenschappelijke doelstellingen en dat wordt gevoerd met inachtneming van het beginsel van een openmarkteconomie met vrije mededinging.

1.  Teneinde de in artikel 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie genoemde doelstellingen te bereiken, omvat het optreden van de lidstaten en de Unie, onder de voorwaarden waarin de Verdragen voorzien, de invoering van een economisch beleid dat gebaseerd is op de nauwe coördinatie van het economisch beleid van de lidstaten, op de interne markt en op de uitwerking van gemeenschappelijke doelstellingen en dat wordt gevoerd met inachtneming van het beginsel van een openmarkteconomie met vrije mededinging die beoogt volledige werkgelegenheid en sociale vooruitgang te bewerkstelligen.

Amendement 115

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 121 – lid 2 – alinea 1

Bestaande tekst

Amendement

De Raad stelt, op aanbeveling van de Commissie, een ontwerp op voor de globale richtsnoeren voor het economisch beleid van de lidstaten en van de Unie, en legt zijn bevindingen in een verslag aan de Europese Raad voor.

Het Europees Parlement en de Raad stellen, op aanbeveling van de Commissie en na raadpleging van de sociale partners, volgens de gewone wetgevingsprocedure een ontwerp op voor de globale richtsnoeren voor het economisch beleid van de lidstaten en van de Unie, en legt zijn bevindingen in een verslag aan de Europese Raad voor.

Amendement 116

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 121 – lid 2 – alinea 3

Bestaande tekst

Amendement

Uitgaande van deze conclusie neemt de Raad een aanbeveling aan, waarin deze globale richtsnoeren zijn vastgelegd. De Raad stelt het Europees Parlement van zijn aanbeveling in kennis.

Uitgaande van deze conclusie nemen het Europees Parlement en de Raad een aanbeveling aan, waarin deze globale richtsnoeren zijn vastgelegd.

Amendement 117

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 121 – lid 3 – alinea 1

Bestaande tekst

Amendement

Teneinde een nauwere coördinatie van het economisch beleid en een aanhoudende convergentie van de economische prestaties van de lidstaten te verzekeren, ziet de Raad aan de hand van door de Commissie ingediende rapporten toe op de economische ontwikkelingen in elke lidstaat en in de Unie, alsmede op de overeenstemming van het economisch beleid met de in lid 2 bedoelde globale richtsnoeren en verricht hij regelmatig een algehele evaluatie.

Teneinde een nauwere coördinatie van het economisch beleid en een aanhoudende convergentie van de economische prestaties van de lidstaten te verzekeren, zien het Europees Parlement en de Raad aan de hand van door de Commissie ingediende rapporten en na raadpleging van de sociale partners toe op de economische ontwikkelingen in elke lidstaat en in de Unie, alsmede op de overeenstemming van het economisch beleid met de in lid 2 bedoelde globale richtsnoeren en verricht hij regelmatig een algehele evaluatie.

Amendement 118

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 121 – lid 4 – alinea 1

Bestaande tekst

Amendement

Wanneer in het kader van de procedure van lid 3 blijkt dat het economisch beleid van een lidstaat niet overeenkomt met de in lid 2 bedoelde globale richtsnoeren of de goede werking van de economische en monetaire unie in gevaar dreigt te brengen, kan de Commissie een waarschuwing tot de betrokken lidstaat richten. De Raad kan op aanbeveling van de Commissie de nodige aanbevelingen tot de lidstaat richten. De Raad kan op voorstel van de Commissie besluiten zijn aanbevelingen openbaar te maken.

Wanneer in het kader van de procedure van lid 3 blijkt dat het economisch beleid van een lidstaat niet overeenkomt met de in lid 2 bedoelde globale richtsnoeren of de goede werking van de economische en monetaire unie in gevaar dreigt te brengen, kan de Commissie een waarschuwing tot de betrokken lidstaat richten. De Raad kan op aanbeveling van de Commissie de nodige aanbevelingen tot de lidstaat richten. Het Europees Parlement en de Raad kunnen op voorstel van de Commissie besluiten aanbevelingen van de Raad openbaar te maken.

Amendement 119

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 122 – lid 1

Bestaande tekst

Amendement

1.  Onverminderd de overige procedures waarin de Verdragen voorzien, kan de Raad op voorstel van de Commissie in een geest van solidariteit tussen de lidstaten bij besluit de voor de economische situatie passende maatregelen vaststellen, met name indien zich bij de voorziening van bepaalde producten, in het bijzonder op energiegebied, ernstige moeilijkheden voordoen.

Schrappen

Amendement 120

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 122 – lid 2

Bestaande tekst

Amendement

2.  In geval van moeilijkheden of ernstige dreiging van grote moeilijkheden in een lidstaat, die worden veroorzaakt door natuurrampen of buitengewone gebeurtenissen die deze lidstaat niet kan beheersen, kan de Raad op voorstel van de Commissie, onder bepaalde voorwaarden financiële bijstand van de Unie aan de betrokken lidstaat verlenen. De voorzitter van de Raad stelt het Europees Parlement van het genomen besluit in kennis.

Schrappen

Amendement 121

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 126 – lid 1 bis (nieuw)

Bestaande tekst

Amendement

 

1 bis.  De lidstaten zien erop toe dat de nodige investeringen worden gedaan om de Europese economische, sociale, milieu- en veiligheidsdoelstellingen te verwezenlijken.

Amendement 122

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 126 – lid 14 – alinea 2

Bestaande tekst

Amendement

Na raadpleging van het Europees Parlement en van de Europese Centrale Bank, neemt de Raad met eenparigheid van stemmen, volgens een bijzondere wetgevingsprocedure, passende bepalingen aan die in de plaats van voornoemd protocol komen.

Na raadpleging van de Europese Centrale Bank nemen het Europees Parlement en de Raad volgens de gewone wetgevingsprocedure passende bepalingen aan die in de plaats van voornoemd protocol komen.

Amendement 123

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 126 – lid 14 – alinea 3

Bestaande tekst

Amendement

Onder voorbehoud van de andere bepalingen van dit lid, stelt de Raad op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement, nadere voorschriften en definities voor de toepassing van de bepalingen van dit protocol vast.

Onder voorbehoud van de andere bepalingen van dit lid stellen het Europees Parlement en de Raad op voorstel van de Commissie volgens de gewone wetgevingsprocedure nadere voorschriften en definities voor de toepassing van de bepalingen van dit protocol vast.

Amendement 124

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 148 – lid 1

Bestaande tekst

Amendement

1.  De Europese Raad beziet jaarlijks de werkgelegenheidssituatie in de Unie en neemt terzake conclusies aan, aan de hand van een gezamenlijk jaarverslag van de Raad en de Commissie.

1.  Het Europees Parlement en de Europese Raad bezien jaarlijks de werkgelegenheidssituatie in de Unie en nemen ter zake conclusies aan, aan de hand van een jaarverslag van de Commissie met informatie uit de in lid 3 bedoelde verslagen.

Amendement 125

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 148 – lid 2

Bestaande tekst

Amendement

2.  Op basis van de conclusies van de Europese Raad stelt de Raad jaarlijks, op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement, het Economisch en Sociaal Comité, het Comité van de Regio's en het in artikel 150 genoemde Raadgevend Comité voor de werkgelegenheid, richtsnoeren op, waarmee de lidstaten in hun werkgelegenheidsbeleid rekening houden. Deze richtsnoeren moeten verenigbaar zijn met de overeenkomstig artikel 121, lid 2, aangenomen globale richtsnoeren.

2.  Op basis van de conclusies van het Europees Parlement en de Europese Raad stellen het Europees Parlement en de Raad jaarlijks, op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité, het Comité van de Regio’s en het in artikel 150 genoemde Raadgevend Comité voor de werkgelegenheid, richtsnoeren op, waarmee de lidstaten in hun werkgelegenheidsbeleid rekening houden. Deze richtsnoeren vormen een aanvulling op de overeenkomstig artikel 121, lid 2, aangenomen globale richtsnoeren en hebben tot doel de uitvoering te waarborgen van de beginselen en rechten die zijn opgenomen in de Europese pijler van sociale rechten die het Europees Parlement, de Raad en de Commissie in 2017 op de top van Göteborg hebben afgekondigd.

Amendement 126

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 148 – lid 3

Bestaande tekst

Amendement

3.  Elke lidstaat legt jaarlijks aan de Raad en aan de Commissie een verslag voor over de belangrijkste maatregelen welke genomen zijn om zijn werkgelegenheidsbeleid ten uitvoer te leggen in het licht van de in lid 2 bedoelde richtsnoeren inzake werkgelegenheid.

3.  Elke lidstaat legt jaarlijks aan de Commissie een verslag voor over de belangrijkste maatregelen welke genomen zijn om zijn werkgelegenheidsbeleid ten uitvoer te leggen in het licht van de in lid 2 bedoelde richtsnoeren inzake werkgelegenheid.

Amendement 127

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 148 – lid 4

Bestaande tekst

Amendement

4.  Op basis van de in lid 3 bedoelde verslagen en na ontvangst van de adviezen van het Raadgevend Comité voor de werkgelegenheid verricht de Raad jaarlijks een onderzoek naar de tenuitvoerlegging van het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten in het licht van de richtsnoeren inzake werkgelegenheid. De Raad kan, op aanbeveling van de Commissie, aanbevelingen tot de lidstaten richten indien hij zulks in het licht van dat onderzoek dienstig acht.

4.  Op basis van de in lid 3 bedoelde verslagen verrichten het Europees Parlement en de Raad jaarlijks een onderzoek naar de tenuitvoerlegging van het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten in het licht van de richtsnoeren inzake werkgelegenheid. Het Europees Parlement en de Raad kunnen, op aanbeveling van de Commissie, aanbevelingen tot de lidstaten richten indien zij zulks in het licht van dat onderzoek dienstig achten.

Amendement 128

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 148 – lid 5

Bestaande tekst

Amendement

5.  Op basis van de resultaten van dat onderzoek brengen de Raad en de Commissie jaarlijks gezamenlijk verslag uit aan de Europese Raad over de werkgelegenheidssituatie in de Unie en over de tenuitvoerlegging van de richtsnoeren inzake werkgelegenheid.

5.  Op basis van de resultaten van dat onderzoek brengt de Commissie jaarlijks verslag uit aan het Europees Parlement en de Europese Raad over de werkgelegenheidssituatie in de Unie en over de tenuitvoerlegging van de richtsnoeren inzake werkgelegenheid.

Amendement 129

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 151 – alinea 1

Bestaande tekst

Amendement

De Unie en de lidstaten stellen zich, indachtig sociale grondrechten zoals vastgelegd in het op 18 oktober 1961 te Turijn ondertekend Europees Sociaal Handvest en in het Gemeenschapshandvest van de sociale grondrechten van de werkenden van 1989, ten doel de bevordering van de werkgelegenheid, de gestage verbetering van de levensomstandigheden en de arbeidsvoorwaarden, zodat de onderlinge aanpassing daarvan op de weg van de vooruitgang wordt mogelijk gemaakt, alsmede een adequate sociale bescherming, de sociale dialoog, de ontwikkeling van de menselijke hulpbronnen om een duurzaam hoog werkgelegenheidsniveau mogelijk te maken, en de bestrijding van uitsluiting.

De Unie en de lidstaten stellen zich, indachtig sociale grondrechten zoals vastgelegd in het op 3 mei 1996 te Straatsburg ondertekende herziene Europees Sociaal Handvest, in het Gemeenschapshandvest van de sociale grondrechten van de werkenden van 1989, in de Europese Pijler van sociale rechten en in het Handvest van de fundamentele rechten van de Europese Unie, ten doel de bevordering van de werkgelegenheid, de gestage verbetering van de levensomstandigheden en de arbeidsvoorwaarden, zodat de onderlinge aanpassing daarvan op de weg van de vooruitgang wordt mogelijk gemaakt, alsmede een adequate sociale bescherming, de sociale dialoog, de ontwikkeling van de menselijke hulpbronnen om een duurzaam hoog werkgelegenheidsniveau mogelijk te maken, en de bestrijding van uitsluiting.

Amendement 130

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 151 – alinea 1 bis (nieuw)

Bestaande tekst

Amendement

 

Specifieke bepalingen betreffende de definitie en tenuitvoerlegging van sociale vooruitgang en de verhouding tussen sociale grondrechten en ander beleid van de Unie worden vastgesteld in een aan de Verdragen gehecht protocol betreffende sociale vooruitgang in de Europese Unie.

Amendement 131

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 153 – lid 1 – punt b bis (nieuw)

Bestaande tekst

Amendement

 

b bis)  de rechtvaardige transitie en het anticiperen op veranderingen;

Amendement 132

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 153 – lid 1 – punt e

Bestaande tekst

Amendement

e)  de informatie en de raadpleging van de werknemers;

e)  de informatie, de raadpleging en de participatie van de werknemers;

Amendement 133

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 153 – lid 1 – punt i

Bestaande tekst

Amendement

i)  de gelijkheid van mannen en vrouwen wat hun kansen op de arbeidsmarkt en de behandeling op het werk betreft;

i)  de bevordering van gendergelijkheid wat kansen op de arbeidsmarkt en behandeling op het werk betreft;

Amendement 134

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 153 – lid 1 – punt j

Bestaande tekst

Amendement

j)  de bestrijding van sociale uitsluiting;

j)  de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting en de ondersteuning van sociale huisvesting;

Amendement 135

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 153 – lid 2 – alinea 1 – punt b

Bestaande tekst

Amendement

b)  op de in lid 1, onder a) tot en met i), bedoelde gebieden door middel van richtlijnen minimumvoorschriften vaststellen die geleidelijk van toepassing zullen worden, met inachtneming van de in elk van de lidstaten bestaande omstandigheden en technische voorschriften. In deze richtlijnen wordt vermeden zodanige administratieve, financiële en juridische verplichtingen op te leggen dat de oprichting en ontwikkeling van kleine en middelgrote ondernemingen daardoor zou kunnen worden belemmerd.

b)  op de in lid 1, punten a) tot en met k), bedoelde gebieden door middel van richtlijnen minimumvoorschriften vaststellen die geleidelijk van toepassing zullen worden, met inachtneming van de in elk van de lidstaten bestaande omstandigheden en technische voorschriften. In deze richtlijnen wordt vermeden zodanige administratieve, financiële en juridische verplichtingen op te leggen dat de oprichting en ontwikkeling van kleine en middelgrote ondernemingen daardoor zou kunnen worden belemmerd.

Amendement 136

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 153 – lid 2 – alinea 3

Bestaande tekst

Amendement

Op de in lid 1, onder c), d), f) en g), bedoelde gebieden besluit de Raad volgens een bijzondere wetgevingsprocedure, met eenparigheid van stemmen, na raadpleging van het Europees Parlement en de beide Comités.

Schrappen

Amendement 137

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 153 – lid 2 – alinea 4

Bestaande tekst

Amendement

De Raad kan op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement met eenparigheid van stemmen besluiten dat de gewone wetgevingsprocedure van toepassing is op lid 1, punten d), f) en g).

Schrappen

Amendement 138

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 153 – lid 4 – streepje 1 bis (nieuw)

Bestaande tekst

Amendement

 

–  vormen geen geldige reden om de mate van bescherming die in de lidstaten reeds aan werknemers wordt geboden, te verlagen;

Amendement 139

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 157 – lid 1

Bestaande tekst

Amendement

1.  Iedere lidstaat draagt er zorg voor dat het beginsel van gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers voor gelijke of gelijkwaardige arbeid wordt toegepast.

1.  Iedere lidstaat draagt er zorg voor dat het beginsel van gelijke beloning van alle werknemers, ongeacht hun gender, voor gelijke of gelijkwaardige arbeid wordt toegepast.

Amendement 140

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 157 – lid 2 – alinea 2 – inleidende formule

Bestaande tekst

Amendement

Gelijke beloning zonder onderscheid naar kunne houdt in:

Gelijke beloning zonder discriminatie op grond van gender houdt in:

Amendement 141

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 157 – lid 3

Bestaande tekst

Amendement

3.  Het Europees Parlement en de Raad nemen volgens de gewone wetgevingsprocedure en na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité maatregelen aan om de toepassing te waarborgen van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in werkgelegenheid en beroep, met inbegrip van het beginsel van gelijke beloning voor gelijke of gelijkwaardige arbeid.

3.  Het Europees Parlement en de Raad nemen volgens de gewone wetgevingsprocedure en na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité maatregelen aan om de toepassing te waarborgen van de beginselen van gelijke kansen en gendergelijkheid in werkgelegenheid en beroep, met inbegrip van het beginsel van gelijke beloning voor gelijke of gelijkwaardige arbeid.

Amendement 142

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 157 – lid 4

Bestaande tekst

Amendement

4.  Het beginsel van gelijke behandeling belet niet dat een lidstaat, om volledige gelijkheid van mannen en vrouwen in het beroepsleven in de praktijk te verzekeren, maatregelen handhaaft of aanneemt waarbij specifieke voordelen worden ingesteld om de uitoefening van een beroepsactiviteit door het ondervertegenwoordigde geslacht te vergemakkelijken of om nadelen in de beroepsloopbaan te voorkomen of te compenseren.

4.  Het beginsel van gelijke behandeling belet niet dat een lidstaat, om volledige gendergelijkheid in het beroepsleven in de praktijk te verzekeren, maatregelen handhaaft of aanneemt waarbij specifieke voordelen worden ingesteld om de uitoefening van een beroepsactiviteit door ondervertegenwoordigde genders in al hun diversiteit te vergemakkelijken of om nadelen in de beroepsloopbaan te voorkomen of te compenseren.

Amendement 143

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 165 – lid 2 – streepje -1 (nieuw)

Bestaande tekst

Amendement

 

–  gemeenschappelijke doelstellingen en normen te ontwikkelen voor onderwijs dat democratische waarden, de rechtsstaat en digitale en economische geletterdheid bevordert;

Amendement 144

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 165 – lid 2 – streepje 3

Bestaande tekst

Amendement

–  de samenwerking tussen onderwijsinstellingen te bevorderen;

–  de samenwerking en samenhang tussen de onderwijsstelsels te bevorderen, met behoud van culturele tradities en regionale diversiteit;

Amendement 145

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 166 – lid 1

Bestaande tekst

Amendement

1.  De Unie legt inzake beroepsopleiding een beleid ten uitvoer waardoor de activiteiten van de lidstaten worden versterkt en aangevuld, met volledige eerbiediging van de verantwoordelijkheid van de lidstaten voor de inhoud en de opzet van de beroepsopleiding.

1.  De Unie en de lidstaten voeren, na raadpleging van de sociale partners, maatregelen uit ter versterking van het beleid inzake beroepsopleiding, rekening houdend met de uiteenlopende nationale praktijken.

Amendement 146

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 166 – lid 2 – streepje 2

Bestaande tekst

Amendement

–  door verbetering van de initiële beroepsopleiding en van bij- en nascholing, de opneming en de wederopneming op de arbeidsmarkt te bevorderen;

–  door gemeenschappelijke normen voor beroepsopleiding te ontwikkelen en de initiële beroepsopleiding en bij- en nascholing te verbeteren om de opneming en de wederopneming op de arbeidsmarkt te bevorderen en de mobiliteit van werknemers in de Unie te vergroten;

Amendement 147

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 168 – lid 1 – alinea 2

Bestaande tekst

Amendement

Het optreden van de Unie, dat een aanvulling vormt op het nationale beleid, is gericht op verbetering van de volksgezondheid, preventie van ziekten en aandoeningen bij de mens en het wegnemen van bronnen van gevaar voor de lichamelijke en geestelijke gezondheid. Dit optreden omvat de bestrijding van grote bedreigingen van de gezondheid, door het bevorderen van onderzoek naar de oorzaken, de overdracht en de preventie daarvan, alsmede door het bevorderen van gezondheidsvoorlichting en gezondheidsonderwijs, en de controle van, de alarmering bij en de bestrijding van ernstige grensoverschrijdende bedreigingen van de gezondheid.

Het optreden van de Unie, dat een aanvulling vormt op het nationale beleid, is gericht op verbetering van de volksgezondheid, preventie van ziekten en aandoeningen bij de mens en het wegnemen van bronnen van gevaar voor de lichamelijke en geestelijke gezondheid. Dit optreden omvat de bestrijding van grote bedreigingen van de gezondheid, door het bevorderen van onderzoek naar de oorzaken, de overdracht en de preventie daarvan, alsmede door het bevorderen van gezondheidsvoorlichting en gezondheidsonderwijs, en de controle van, de alarmering bij en de bestrijding van ernstige grensoverschrijdende bedreigingen van de gezondheid volgens een geïntegreerde, uniforme aanpak om de gezondheid van mens, dier en milieu in evenwicht te houden en te optimaliseren.

Amendement 148

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 168 – lid 4 – punt b

Bestaande tekst

Amendement

b)  maatregelen op veterinair en fytosanitair gebied aan te nemen die rechtstreeks gericht zijn op de bescherming van de volksgezondheid;

b)  maatregelen op veterinair gebied, op het gebied van dierenwelzijn en op fytosanitair gebied aan te nemen die rechtstreeks gericht zijn op de bescherming van de volksgezondheid;

Amendement 149

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 168 – lid 4 – punt c bis (nieuw)

Bestaande tekst

Amendement

 

c bis)   maatregelen aan te nemen tot vaststelling van gemeenschappelijke indicatoren voor universele en gelijke toegang tot betaalbare gezondheidsdiensten van hoge kwaliteit, onder meer op het gebied van seksuele en reproductieve gezondheid en rechten;

Amendement 150

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 168 – lid 4 – punt c ter (nieuw)

Bestaande tekst

Amendement

 

c ter)   maatregelen aan te nemen voor het vroegtijdig melden, monitoren en beheersen van ernstige internationale bedreigingen van de gezondheid, met name bij pandemieën. Deze maatregelen beletten de lidstaten niet versterkte beschermende maatregelen te handhaven of vast te stellen wanneer deze noodzakelijk zijn;

Amendement 151

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 168 – lid 4 – punt c quater (nieuw)

Bestaande tekst

Amendement

 

c quater)   maatregelen aan te nemen voor het monitoren en coördineren van de toegang tot gemeenschappelijke diagnostiek, informatie en de behandeling van overdraagbare en niet-overdraagbare ziekten, met inbegrip van zeldzame ziekten.

Amendement 152

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 179 – lid 1

Bestaande tekst

Amendement

1.  De Unie heeft tot doel haar wetenschappelijke en technologische grondslagen te versterken door de totstandbrenging van een Europese onderzoeksruimte waarbinnen onderzoekers, wetenschappelijke kennis en technologieën vrij circuleren, tot de ontwikkeling van het concurrentievermogen van de Unie en van haar industrie bij te dragen en de onderzoeksactiviteiten te bevorderen die uit hoofde van andere hoofdstukken van de Verdragen nodig worden geacht.

1.  De Unie heeft tot doel haar wetenschappelijke en technologische grondslagen te versterken door de totstandbrenging van een Europese onderzoeksruimte waarbinnen onderzoekers, wetenschappelijke kennis en technologieën vrij circuleren, tot de ontwikkeling van het concurrentievermogen van de Unie en van haar industrie bij te dragen, de onderzoeksactiviteiten te bevorderen die uit hoofde van andere hoofdstukken van de Verdragen nodig worden geacht, en de academische vrijheid en de vrijheid om wetenschappelijk onderzoek te verrichten en les te geven, te eerbiedigen en te bevorderen.

Amendement 153

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 189 – lid 1

Bestaande tekst

Amendement

1.  Om de wetenschappelijke en technische vooruitgang, het industriële concurrentievermogen en de uitvoering van haar beleid te bevorderen, stippelt de Unie een Europees ruimtevaartbeleid uit. Daartoe kan zij gemeenschappelijke initiatieven bevorderen, onderzoek en technologische ontwikkeling steunen en de nodige inspanningen coördineren voor de verkenning en het gebruik van de ruimte.

1.  Om de wetenschappelijke en technische vooruitgang, het industriële concurrentievermogen en de uitvoering van haar beleid te bevorderen, stippelt de Unie een gemeenschappelijk Europees ruimtevaartbeleid en een gemeenschappelijke Europese ruimtestrategie uit. Daartoe kan zij gemeenschappelijke initiatieven bevorderen, onderzoek en technologische ontwikkeling steunen en de nodige inspanningen coördineren voor de verkenning en het gebruik van de ruimte.

Amendement 154

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 189 – lid 2

Bestaande tekst

Amendement

2.  Om bij te dragen aan de verwezenlijking van de in lid 1 bedoelde doelstellingen, stellen het Europees Parlement en de Raad, volgens de gewone wetgevingsprocedure, de nodige maatregelen vast, die de vorm kunnen hebben van een Europees ruimtevaartprogramma, met uitsluiting van enige harmonisering van de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten.

2.  Om bij te dragen aan de verwezenlijking van de in lid 1 bedoelde doelstellingen, stellen het Europees Parlement en de Raad, volgens de gewone wetgevingsprocedure, de nodige maatregelen vast, die de vorm kunnen hebben van een Europees ruimtevaartprogramma, waarbij naar een gemeenschappelijk kader voor ruimtevaartactiviteiten wordt toegewerkt en bestaande internationale verdragen worden geratificeerd.

Amendement 155

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 191 – lid -1 (nieuw)

Bestaande tekst

Amendement

 

-1.  Haar verantwoordelijkheid jegens toekomstige generaties indachtig beschermt de Europese Unie, handelend overeenkomstig de Verdragen, de natuurlijke grondslagen van het leven en dieren door het recht van de Unie, onder meer door uitvoerende en gerechtelijke maatregelen.

Amendement 156

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 191 – lid 1 – streepje 4

Bestaande tekst

Amendement

–  bevordering op internationaal vlak van maatregelen om het hoofd te bieden aan regionale of mondiale milieuproblemen, en in het bijzonder de bestrijding van klimaatverandering.

–  bevordering op Unieniveau en op internationaal vlak van maatregelen om het hoofd te bieden aan regionale of mondiale milieuproblemen, en in het bijzonder de bestrijding van klimaatverandering, de bescherming van de biodiversiteit en de uitvoering van de internationale verplichtingen van de Unie.

Amendement 157

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 191 – lid 2 – alinea 1

Bestaande tekst

Amendement

De Unie streeft in haar milieubeleid naar een hoog niveau van bescherming, rekening houdend met de uiteenlopende situaties in de verschillende regio’s van de Unie. Haar beleid berust op het voorzorgsbeginsel en het beginsel van preventief handelen, het beginsel dat milieuaantastingen bij voorrang aan de bron dienen te worden bestreden, en het beginsel dat de vervuiler betaalt.

De Unie streeft in haar milieubeleid naar een hoog niveau van bescherming, rekening houdend met de uiteenlopende situaties in de verschillende regio’s van de Unie. Haar beleid berust op de “één gezondheid”-benadering en het voorzorgsbeginsel, alsook op het beginsel van preventief handelen, het beginsel dat milieuaantastingen bij voorrang aan de bron dienen te worden bestreden, en het beginsel dat de vervuiler betaalt.

Amendement 158

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 191 – lid 3 – streepje 2 bis (nieuw)

Bestaande tekst

Amendement

 

–   het risico dat de grenzen van de planeet worden overschreden, waarbij zij het voorzorgsprincipe toepast;

Amendement 159

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 191 bis (nieuw)

Bestaande tekst

Amendement

 

Artikel 191 bis

 

1.  De Unie blijft, in overeenstemming met haar internationale verplichtingen, inspanningen leveren om de wereldwijde temperatuurstijging te beperken en houdt zich aan de doelstelling om de broeikasgasemissies en ‑verwijderingen op het niveau van de Unie in evenwicht te brengen teneinde negatieve emissies te bereiken.

 

2.  Bij de vaststelling van ontwerpmaatregelen of wetgevingsvoorstellen, met inbegrip van begrotingsvoorstellen, streeft de Commissie ernaar die ontwerpmaatregelen en voorstellen in overeenstemming te brengen met de in lid 1 genoemde doelstellingen. Als dat niet het geval is, geeft de Commissie in het kader van de effectbeoordeling bij het desbetreffende voorstel de redenen daarvoor.

Amendement 160

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 192 – lid 2

Bestaande tekst

Amendement

2.  In afwijking van de in lid 1 bedoelde besluitvormingsprocedure en onverminderd het bepaalde in artikel 114, neemt de Raad na raadpleging van het Europees Parlement, het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s met eenparigheid van stemmen, volgens een bijzondere wetgevingsprocedure, een besluit over:

Schrappen

a)   bepalingen van in hoofdzaak fiscale aard;

 

b)   maatregelen die van invloed zijn op:

 

–   de ruimtelijke ordening;

 

–   het kwantitatieve waterbeheer, of die rechtstreeks dan wel zijdelings betrekking hebben op de beschikbaarheid van de watervoorraden;

 

–   de bodembestemming, met uitzondering van het afvalstoffenbeheer;

 

c)   maatregelen die van aanzienlijke invloed zijn op de keuze van een lidstaat tussen verschillende energiebronnen en de algemene structuur van zijn energievoorziening.

 

De Raad kan, op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement, van het Economisch en Sociaal Comité en van het Comité van de Regio's, met eenparigheid van stemmen de gewone wetgevingsprocedure van toepassing verklaren op de in de eerste alinea genoemde gebieden.

 

Amendement 161

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 192 – lid 3

Bestaande tekst

Amendement

3.  Het Europees Parlement en de Raad stellen volgens de gewone wetgevingsprocedure en na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s algemene actieprogramma’s vast waarin de te verwezenlijken prioritaire doelstellingen worden vastgelegd.

Schrappen

De voor de uitvoering van die programma’s nodige maatregelen worden vastgesteld overeenkomstig lid 1, respectievelijk lid 2.

 

Amendement 162

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 194 – lid 1 – inleidende formule

Bestaande tekst

Amendement

1.  In het kader van de totstandbrenging en de werking van de interne markt en rekening houdend met de noodzaak om het milieu in stand te houden en te verbeteren, is het beleid van de Unie op het gebied van energie, in een geest van solidariteit tussen de lidstaten, erop gericht:

1.  In het kader van de totstandbrenging en de werking van de interne markt en rekening houdend met de noodzaak om het milieu in stand te houden en te verbeteren, is het gemeenschappelijk energiebeleid van de Unie, in een geest van solidariteit tussen de lidstaten, erop gericht:

Amendement 163

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 194 – lid 1 – punt b

Bestaande tekst

Amendement

b)  de continuïteit van de energievoorziening in de Unie te waarborgen,

b)  de continuïteit en de betaalbaarheid van de energievoorziening voor iedereen in de Unie te waarborgen;

Amendement 164

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 194 – lid 1 – punt c

Bestaande tekst

Amendement

c)  energie-efficiëntie, energiebesparing en de ontwikkeling van nieuwe en duurzame energie te stimuleren; en

c)  energie-efficiëntie, energiebesparing en de ontwikkeling van nieuwe en duurzame energie te waarborgen om een energiesysteem op basis van energie-efficiëntie en hernieuwbare energie tot stand te brengen; en

Amendement 165

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 194 – lid 1 – punt d

Bestaande tekst

Amendement

d)  de interconnectie van energienetwerken te bevorderen.

d)  de interconnectie van energienetwerken te waarborgen;

Amendement 166

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 194 – lid 1 – punt d bis (nieuw)

Bestaande tekst

Amendement

 

d bis)  het algehele energiesysteem ontwerpen in overeenstemming met internationale overeenkomsten om de klimaatverandering te beperken.

Amendement 167

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 194 – lid 2 – alinea 2

Bestaande tekst

Amendement

Zij zijn, onverminderd artikel 192, lid 2, onder c), niet van invloed op het recht van een lidstaat de voorwaarden voor de exploitatie van zijn energiebronnen te bepalen, op zijn keuze tussen verschillende energiebronnen of op de algemene structuur van zijn energievoorziening.

Schrappen

Amendement 168

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 194 – lid 3

Bestaande tekst

Amendement

3.  In afwijking van lid 2, stelt de Raad volgens een bijzondere wetgevingsprocedure, met eenparigheid van stemmen en na raadpleging van het Europees Parlement, de daarin bedoelde maatregelen vast die voornamelijk van fiscale aard zijn.

Schrappen

Amendement 169

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 206

Bestaande tekst

Amendement

Door de oprichting van een douane-unie, overeenkomstig de artikelen 28 tot en met 32, levert de Unie in het gemeenschappelijk belang een bijdrage tot een harmonische ontwikkeling van de wereldhandel, tot de geleidelijke afschaffing van de beperkingen voor het internationale handelsverkeer en voor buitenlandse directe investeringen, en tot de vermindering van de douane- en andere belemmeringen.

Door de oprichting van een douane-unie, overeenkomstig de artikelen 28 tot en met 32, levert de Unie in het gemeenschappelijk belang een bijdrage tot een harmonische ontwikkeling van een op regels gebaseerde multilaterale wereldhandel, tot de geleidelijke afschaffing van de beperkingen voor het internationale handelsverkeer en voor buitenlandse directe investeringen, en tot de vermindering van de douane- en andere belemmeringen, waarbij zij met name democratische waarden, goed bestuur, mensenrechten en duurzaamheid in de gemeenschappelijke handelspolitiek bevordert.

Amendement 170

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 207 – lid 1

Bestaande tekst

Amendement

1.  De gemeenschappelijke handelspolitiek wordt gegrond op eenvormige beginselen, met name aangaande tariefwijzigingen, het sluiten van tarief- en handelsakkoorden betreffende handel in goederen en diensten, en de handelsaspecten van intellectuele eigendom, de directe buitenlandse investeringen, het eenvormig maken van liberaliseringsmaatregelen, de uitvoerpolitiek alsmede de handelspolitieke beschermingsmaatregelen, waaronder de te nemen maatregelen in geval van dumping en subsidies. De gemeenschappelijke handelspolitiek wordt gevoerd in het kader van de beginselen en doelstellingen van het externe optreden van de Unie.

1.  De gemeenschappelijke handelspolitiek wordt gegrond op eenvormige beginselen, met name aangaande tariefwijzigingen, het sluiten van tarief- en handelsakkoorden betreffende handel in goederen en diensten, en de handelsaspecten van intellectuele eigendom, buitenlandse investeringen, met inbegrip van bescherming van investeringen, economische veiligheid, het eenvormig maken van liberaliseringsmaatregelen, de uitvoerpolitiek alsmede de handelspolitieke beschermingsmaatregelen, waaronder de te nemen maatregelen in geval van dumping en subsidies. De gemeenschappelijke handelspolitiek wordt gevoerd in het kader van de beginselen en doelstellingen van het externe optreden van de Unie alsmede haar doelstelling inzake klimaatneutraliteit.

Amendement 171

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 207 – lid 3 – alinea 2

Bestaande tekst

Amendement

De Commissie doet aanbevelingen aan de Raad, die haar machtigt de vereiste onderhandelingen te openen. De Raad en de Commissie zien erop toe dat die akkoorden verenigbaar zijn met het interne beleid en de interne voorschriften van de Unie.

Het Europees Parlement en de Raad machtigen de Commissie op aanbeveling van de Commissie om de vereiste onderhandelingen te openen. De Commissie ziet erop toe dat die akkoorden verenigbaar zijn met het interne beleid en de interne voorschriften van de Unie.

Amendement 172

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 207 – lid 3 – alinea 3

Bestaande tekst

Amendement

De Commissie voert de onderhandelingen in overleg met een speciaal comité dat door de Raad is aangewezen om haar daarin bij te staan, en binnen het bestek van de richtsnoeren welke de Raad haar kan verstrekken. De Commissie brengt aan het speciaal comité en het Europees Parlement regelmatig verslag uit over de stand van de onderhandelingen.

De Commissie voert de onderhandelingen in overleg met een bevoegde commissie van het Europees Parlement en een speciaal comité dat door de Raad is aangewezen om haar daarin bij te staan, en binnen het bestek van de richtsnoeren welke de Raad haar kan verstrekken. De Commissie brengt aan de bevoegde commissie van het Europees Parlement en het door de Raad aangewezen speciaal comité regelmatig verslag uit over de stand van de onderhandelingen.

Amendement 173

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 207 – lid 3 – alinea 3 bis (nieuw)

Bestaande tekst

Amendement

 

In afwijking van artikel 218, lid 5, kunnen het Europees Parlement en de Raad een besluit vaststellen waarbij toestemming wordt gegeven om een overeenkomst vóór de inwerkingtreding ervan voorlopig toe te passen.

Amendement 174

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 207 – lid 4 – alinea 1

Bestaande tekst

Amendement

Ten aanzien van de onderhandelingen over en de sluiting van de in lid 3 bedoelde akkoorden besluit de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen.

Ten aanzien van de onderhandelingen over en de sluiting van de in lid 3 bedoelde akkoorden besluit de Raad met gewone meerderheid van stemmen.

Amendement 175

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 207 – lid 4 – alinea 2

Bestaande tekst

Amendement

Ten aanzien van de onderhandelingen over en de sluiting van akkoorden betreffende de handel in diensten en betreffende de handelsaspecten van intellectuele eigendom en betreffende buitenlandse directe investeringen besluit de Raad met eenparigheid van stemmen voor zover het akkoord bepalingen bevat die met eenparigheid van stemmen worden vastgesteld wat interne voorschriften betreft.

Ten aanzien van de onderhandelingen over en de sluiting van akkoorden betreffende de handel in diensten en betreffende de handelsaspecten van intellectuele eigendom en betreffende buitenlandse directe investeringen besluit de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen.

Amendement 176

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 207 – lid 4 – alinea 3 – inleidende formule

Bestaande tekst

Amendement

De Raad besluit ook met eenparigheid van stemmen ten aanzien van de onderhandelingen over en de sluiting van akkoorden betreffende:

De Raad besluit ook met gekwalificeerde meerderheid van stemmen ten aanzien van de onderhandelingen over en de sluiting van akkoorden betreffende:

Amendement 177

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 207 – lid 5 bis (nieuw)

Bestaande tekst

Amendement

 

5 bis.  Er wordt een permanent mechanisme ingesteld om buitenlandse directe investeringen in de Unie te monitoren en te onderzoeken. Dit mechanisme kan worden gebruikt om de Europese belangen te beschermen.

Amendement 178

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 218 – lid 2

Bestaande tekst

Amendement

2.  De Raad verleent machtiging tot het openen van de onderhandelingen, stelt de onderhandelingsrichtsnoeren vast, verleent machtiging tot ondertekening en sluit de overeenkomsten.

2.  De Raad verleent na goedkeuring door het Europees Parlement machtiging tot het openen van de onderhandelingen, stelt de onderhandelingsrichtsnoeren vast, verleent machtiging tot ondertekening en sluit de overeenkomsten.

Amendement 179

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 218 – lid 2 bis (nieuw)

Bestaande tekst

Amendement

 

2 bis.  In afwijking van lid 2 mogen voor overeenkomsten die onder artikel 207 vallen, pas onderhandelingen worden geopend als het Europees Parlement en de Raad daar toestemming voor geven.

Amendement 180

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 218 – lid 6 – alinea 2 – inleidende formule

Bestaande tekst

Amendement

Tenzij de overeenkomst uitsluitend betrekking heeft op het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, stelt de Raad het besluit houdende sluiting van de overeenkomst vast:

Tenzij de overeenkomst uitsluitend betrekking heeft op het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, stelt de Raad, na goedkeuring door het Europees Parlement, het besluit houdende sluiting van de overeenkomst vast.

Amendement 181

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 218 – lid 6 – alinea 2 – punt a

Bestaande tekst

Amendement

a)  na goedkeuring door het Europees Parlement, in de volgende gevallen:

Schrappen

i)  associatieovereenkomsten;

 

ii)  toetreding van de Unie tot het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden;

 

iii)  overeenkomsten die door de instelling van samenwerkingsprocedures een specifiek institutioneel kader scheppen;

 

iv)  overeenkomsten die aanzienlijke gevolgen hebben voor de begroting van de Unie;

 

v)  overeenkomsten betreffende gebieden waarop de gewone wetgevingsprocedure, of, indien de goedkeuring van het Europees Parlement vereist is, de bijzondere wetgevingsprocedure van toepassing is.

 

In dringende gevallen kunnen het Europees Parlement en de Raad een termijn voor het geven van de goedkeuring overeenkomen;

 

Amendement 182

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 218 – lid 6 – alinea 2 – punt b

Bestaande tekst

Amendement

b)  na raadpleging van het Europees Parlement in de overige gevallen. Het Europees Parlement brengt advies uit binnen een termijn die de Raad naargelang van de urgentie kan bepalen. Indien er binnen die termijn geen advies is uitgebracht, kan de Raad besluiten.

Schrappen

Amendement 183

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 218 – lid 7

Bestaande tekst

Amendement

7.   Bij de sluiting van een overeenkomst kan de Raad, in afwijking van de leden 5, 6 en 9, de onderhandelaar machtigen om de wijzigingen die krachtens de overeenkomst volgens een vereenvoudigde procedure of door een bij de overeenkomst opgericht orgaan worden aangenomen, namens de Unie goed te keuren. De Raad kan aan deze machtiging bijzondere voorwaarden verbinden.

7.  Bij de sluiting van een overeenkomst kunnen het Europees Parlement en de Raad, in afwijking van de leden 5, 6 en 9, de onderhandelaar machtigen om de wijzigingen die krachtens de overeenkomst volgens een vereenvoudigde procedure of door een bij de overeenkomst opgericht orgaan worden aangenomen, namens de Unie goed te keuren. De Raad kan aan deze machtiging bijzondere voorwaarden verbinden.

Amendement 184

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 218 – lid 9

Bestaande tekst

Amendement

9.  De Raad stelt, op voorstel van de Commissie of van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, een besluit vast tot schorsing van de toepassing van een overeenkomst en tot bepaling van de standpunten die namens de Unie worden ingenomen in een krachtens een overeenkomst opgericht lichaam, wanneer dit lichaam handelingen met rechtsgevolgen vaststelt, met uitzondering van handelingen tot aanvulling of wijziging van het institutionele kader van de overeenkomst.

9.  De Raad stelt, op voorstel van de Commissie of van de secretaris van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en na goedkeuring door het Europees Parlement, een besluit vast tot schorsing van de toepassing van een overeenkomst en tot bepaling van de standpunten die namens de Unie worden ingenomen in een krachtens een overeenkomst opgericht lichaam, wanneer dit lichaam handelingen met rechtsgevolgen vaststelt, met uitzondering van handelingen tot aanvulling of wijziging van het institutionele kader van de overeenkomst.

(De wijziging van de woorden “hoge vertegenwoordiger van de Unie” geldt voor de hele tekst. Indien dit amendement wordt aangenomen, moet deze wijziging in de hele tekst worden doorgevoerd.)

Amendement 185

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 218 – lid 10

Bestaande tekst

Amendement

10.  Het Europees Parlement wordt in iedere fase van de procedure onverwijld en ten volle geïnformeerd.

10.  Het Europees Parlement wordt in iedere fase van de procedure onverwijld en ten volle geïnformeerd, met inbegrip van de opening van de onderhandelingen, het onderhandelingsproces, de ondertekening en de uitvoering van de overeenkomsten, alsmede de opschorting van de in die overeenkomsten vastgelegde verplichtingen.

Amendement 186

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 222 – lid -1 (nieuw)

Bestaande tekst

Amendement

 

-1.  In geval van een noodsituatie die gevolgen heeft voor de Europese Unie of een of meer lidstaten, kunnen het Europees Parlement en de Raad de Commissie buitengewone bevoegdheden verlenen, met inbegrip van bevoegdheden waardoor zij alle nodige instrumenten kan inzetten. Om een noodsituatie af te kondigen, besluit het Europees Parlement met meerderheid van stemmen van zijn leden en besluit de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, op voorstel van het Europees Parlement of de Commissie.

 

In dat besluit waarbij een noodsituatie wordt afgekondigd en buitengewone bevoegdheden aan de Commissie worden verleend, worden de reikwijdte van de bevoegdheden, de nadere governanceregelingen en de geldigheidsduur daarvan vastgesteld.

 

Het Europees Parlement of de Raad kan het besluit te allen tijde met gewone meerderheid van stemmen herroepen.

 

De Raad en het Parlement kan het besluit te allen tijde herzien of verlengen volgens de procedure van de eerste alinea.

Amendement 187

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 223 – lid 1

Bestaande tekst

Amendement

1.  Het Europees Parlement stelt een ontwerp op met het oog op de vaststelling van de nodige bepalingen voor de rechtstreekse algemene verkiezing van zijn leden volgens een in alle lidstaten eenvormige procedure of volgens beginselen die alle lidstaten gemeen hebben.

1.  Het Europees Parlement stelt een voorstel voor een verordening op met het oog op de vaststelling van de nodige bepalingen voor de rechtstreekse algemene verkiezing van zijn leden volgens een in alle lidstaten eenvormige procedure of volgens beginselen die alle lidstaten gemeen hebben. De Raad kan dat voorstel volgens een bijzondere wetgevingsprocedure met gekwalificeerde meerderheid van stemmen verwerpen.

De Raad stelt met eenparigheid van stemmen, volgens een bijzondere wetgevingsprocedure en na goedkeuring van het Europees Parlement, dat met meerderheid van stemmen van zijn leden een besluit neemt, de nodige bepalingen vast. Deze bepalingen treden pas in werking nadat zij door de lidstaten overeenkomstig hun onderscheiden grondwettelijke bepalingen zijn goedgekeurd.

Het Europees Parlement stelt met meerderheid van stemmen van zijn leden, volgens een bijzondere wetgevingsprocedure en na goedkeuring door de Raad, die met versterkte gekwalificeerde meerderheid van stemmen een besluit neemt, de nodige bepalingen vast.

Amendement 188

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 223 – lid 2

Bestaande tekst

Amendement

2.  Het Europees Parlement bepaalt, op eigen initiatief volgens een bijzondere wetgevingsprocedure bij verordeningen, na raadpleging van de Commissie en met goedkeuring van de Raad die hiertoe een besluit neemt, de voorschriften en algemene voorwaarden voor de vervulling van de taken van zijn leden. Voor regels en voorwaarden betreffende de belastingregeling voor leden of voormalige leden is eenparigheid van stemmen in de Raad vereist.

2.  Het Europees Parlement bepaalt, op eigen initiatief volgens een bijzondere wetgevingsprocedure bij verordeningen, na raadpleging van de Commissie en met goedkeuring van de Raad die hiertoe een besluit neemt, de voorschriften en algemene voorwaarden voor de vervulling van de taken van zijn leden.

Amendement 189

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 225

Bestaande tekst

Amendement

Het Europees Parlement kan met meerderheid van stemmen van de leden waaruit het bestaat de Commissie verzoeken passende voorstellen in te dienen inzake aangelegenheden die naar het oordeel van het Parlement besluiten van de Unie voor de tenuitvoerlegging van de Verdragen vergen. Indien de Commissie geen voorstel indient, deelt zij de redenen daarvoor aan het Europees Parlement mee.

Het Europees Parlement kan overeenkomstig artikel 294 en met meerderheid van stemmen van zijn leden voorstellen aannemen betreffende aangelegenheden waarop de gewone wetgevingsprocedure van toepassing is. Alvorens dit te doen, stelt het de Commissie in kennis van zijn voornemens.

Amendement 190

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 226 – alinea 1

Bestaande tekst

Amendement

In het kader van de vervulling van zijn taken kan het Europees Parlement op verzoek van eenvierde van de leden waaruit het bestaat een tijdelijke enquêtecommissie instellen om, onverminderd de bij de Verdragen aan andere instellingen of organen verleende bevoegdheden, vermeende inbreuken op het recht van de Unie of gevallen van wanbeheer bij de toepassing van het recht van de Unie te onderzoeken, behalve wanneer de vermeende feiten het voorwerp van een gerechtelijke procedure uitmaken en zolang deze procedure nog niet is voltooid.

In het kader van de vervulling van zijn taken stelt het Europees Parlement op verzoek van een derde van de leden waaruit het bestaat een tijdelijke enquêtecommissie in om, onverminderd de bij de Verdragen aan andere instellingen of organen verleende bevoegdheden, vermeende inbreuken op het recht van de Unie of gevallen van wanbeheer bij de toepassing van het recht van de Unie te onderzoeken, behalve wanneer de vermeende feiten het voorwerp van een gerechtelijke procedure uitmaken en zolang deze procedure nog niet is voltooid. De enquêtecommissie kan om het even welke getuige oproepen om deel te nemen aan een voor haar gehouden hoorzitting indien dit noodzakelijk is om haar taken te kunnen vervullen.

Amendement 191

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 226 – alinea 3

Bestaande tekst

Amendement

De nadere bepalingen betreffende de uitoefening van het enquêterecht worden volgens een bijzondere wetgevingsprocedure bij verordeningen vastgesteld door het Europees Parlement, na goedkeuring door de Raad en de Commissie.

De nadere bepalingen betreffende de uitoefening van het enquêterecht worden door het Europees Parlement en de Raad, die besluit met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, vastgesteld, op voorstel van het Europees Parlement en na raadpleging van de Commissie.

Amendement 192

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 234 – alinea 1

Bestaande tekst

Amendement

Wanneer aan het Europees Parlement een motie van afkeuring betreffende het beleid van de Commissie wordt voorgelegd, kan het Europees Parlement zich over deze motie niet eerder uitspreken dan ten minste drie dagen nadat de motie is ingediend en slechts bij openbare stemming.

Wanneer aan het Europees Parlement een collectieve motie van afkeuring betreffende het beleid van de Uitvoerende Macht of een individuele motie van afkeuring betreffende de werkzaamheden van een lid van de Uitvoerende Macht wordt voorgelegd, kan het Europees Parlement zich over deze motie niet eerder uitspreken dan ten minste drie dagen nadat de motie is ingediend en slechts bij openbare stemming.

 

(De wijziging van “de Commissie” en “lid van de Commissie” geldt voor de hele tekst. Indien dit amendement wordt aangenomen, moet deze wijziging in de hele tekst worden doorgevoerd.)

Amendement 193

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 234 – alinea 2

Bestaande tekst

Amendement

Indien de motie van afkeuring wordt aangenomen met een meerderheid van twee derde van de uitgebrachte stemmen, welke een meerderheid van de leden van het Europees Parlement vertegenwoordigt, moeten de leden van de Commissie collectief ontslag nemen en moet ook de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid zijn functie in de Commissie neerleggen. Zij blijven in functie en blijven de lopende zaken behartigen totdat overeenkomstig artikel 17 van het Verdrag betreffende de Europese Unie in hun vervanging is voorzien. In dat geval verstrijkt de ambtsperiode van de ter vervanging benoemde Commissieleden op de datum waarop de ambtstermijn van de collectief tot ontslag gedwongen Commissieleden zou zijn verstreken.

Indien de collectieve motie van afkeuring wordt aangenomen door een meerderheid van de leden van het Europees Parlement, nemen de leden van de Uitvoerende Macht collectief ontslag en leggen de secretaris van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de secretaris van de Unie voor economische governance hun taken binnen de Uitvoerende Macht neer. Zij blijven in functie en blijven de lopende zaken behartigen totdat overeenkomstig artikel 17 van het Verdrag betreffende de Europese Unie in hun vervanging is voorzien. In dat geval verstrijkt de ambtsperiode van de ter vervanging benoemde leden van de Uitvoerende Macht op de datum waarop de ambtstermijn van de collectief tot ontslag gedwongen leden van de Uitvoerende Macht zou zijn verstreken.

Amendement 194

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 245 – alinea 2

Bestaande tekst

Amendement

De leden van de Commissie mogen gedurende hun ambtsperiode geen andere beroepswerkzaamheden, al dan niet tegen beloning, verrichten. Bij hun ambtsaanvaarding verbinden zij zich plechtig om gedurende hun ambtsperiode en na afloop daarvan de uit hun taak voortvloeiende verplichtingen na te komen, in het bijzonder eerlijkheid en kiesheid te betrachten in het aanvaarden van bepaalde functies of voordelen na afloop van die ambtsperiode. Ingeval deze verplichtingen niet worden nagekomen, kan de Raad, met gewone meerderheid, of de Commissie zich wenden tot het Hof van Justitie, dat, al naar gelang van het geval, ontslag ambtshalve volgens artikel 247 of verval van het recht op pensioen of van andere, daarvoor in de plaats tredende voordelen kan uitspreken.

De leden van de Commissie mogen gedurende hun ambtsperiode geen andere beroepswerkzaamheden, al dan niet tegen beloning, verrichten. Bij hun ambtsaanvaarding verbinden zij zich plechtig om gedurende hun ambtsperiode en na afloop daarvan de uit hun taak voortvloeiende verplichtingen na te komen, in het bijzonder eerlijkheid en kiesheid te betrachten in het aanvaarden van bepaalde functies of voordelen na afloop van die ambtsperiode. Ingeval deze verplichtingen niet worden nagekomen, kan het Europees Parlement, de Raad, met gewone meerderheid, of de Commissie zich wenden tot het Hof van Justitie, dat, al naar gelang van het geval, ontslag ambtshalve volgens artikel 247 of verval van het recht op pensioen of van andere, daarvoor in de plaats tredende voordelen kan uitspreken.

Amendement 195

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 246 – alinea 3

Bestaande tekst

Amendement

De Raad kan, met eenparigheid van stemmen, op voorstel van de voorzitter van de Commissie besluiten dat in een dergelijke vacature niet behoeft te worden voorzien, met name indien de resterende duur van de ambtstermijn van het lid kort is.

De Raad kan, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, op voorstel van de voorzitter van de Uitvoerende Macht besluiten dat in een dergelijke vacature niet behoeft te worden voorzien, met name indien de resterende duur van de ambtstermijn van het lid kort is.

(De wijziging van de woorden “voorzitter van de Commissie” geldt voor de hele tekst. Indien dit amendement wordt aangenomen, moet deze wijziging in de gehele tekst worden doorgevoerd.)

Amendement 196

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 247

Bestaande tekst

Amendement

Op verzoek van de Raad, met gewone meerderheid, of van de Commissie kan elk lid van de Commissie dat niet meer aan de eisen voor de uitoefening van zijn ambt voldoet of op ernstige wijze is tekortgeschoten, door het Hof van Justitie van zijn ambt ontheven worden verklaard.

Op verzoek van het Europees Parlement, van de Raad, met gewone meerderheid, of van de Commissie kan elk lid van de Commissie dat niet meer aan de eisen voor de uitoefening van zijn ambt voldoet of op ernstige wijze is tekortgeschoten, door het Hof van Justitie van zijn ambt ontheven worden verklaard.

Amendement 197

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 258 – alinea 1

Bestaande tekst

Amendement

Indien de Commissie van oordeel is dat een lidstaat een van de krachtens de Verdragen op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen, brengt zij dienaangaande een met redenen omkleed advies uit, na deze staat in de gelegenheid te hebben gesteld zijn opmerkingen te maken.

Indien de Commissie van oordeel is dat een lidstaat een van de krachtens de Verdragen op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen, brengt zij dienaangaande binnen twaalf maanden een met redenen omkleed advies uit, na deze staat in de gelegenheid te hebben gesteld zijn opmerkingen te maken.

Amendement 198

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 258 – alinea 2

Bestaande tekst

Amendement

Indien de betrokken staat dit advies niet binnen de door de Commissie vastgestelde termijn opvolgt, kan de Commissie de zaak aanhangig maken bij het Hof van Justitie van de Europese Unie.

Indien de betrokken staat dit advies niet binnen de die twaalf maanden opvolgt, maakt de Commissie de zaak aanhangig bij het Hof van Justitie van de Europese Unie.

Amendement 199

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 259 – alinea 1

Bestaande tekst

Amendement

Ieder van de lidstaten kan zich wenden tot het Hof van Justitie van de Europese Unie, indien hij van mening is dat een andere lidstaat een van de krachtens de Verdragen op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.

Het Europees Parlement of ieder van de lidstaten kan zich wenden tot het Hof van Justitie van de Europese Unie, indien hij van mening is dat een lidstaat een van de krachtens de Verdragen op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.

Amendement 200

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 259 – alinea 2

Bestaande tekst

Amendement

Voordat een lidstaat tegen een andere lidstaat een klacht indient op grond van een beweerde schending van de verplichtingen welke krachtens de Verdragen op deze laatste rusten, moet hij deze klacht aan de Commissie voorleggen.

Voordat het Europees Parlement of een lidstaat tegen een andere lidstaat een klacht indient op grond van een beweerde schending van de verplichtingen welke krachtens de Verdragen op deze laatste rusten, moet hij deze klacht aan de Commissie voorleggen.

Amendement 201

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 259 – alinea 3

Bestaande tekst

Amendement

De Commissie brengt een met redenen omkleed advies uit nadat aan de betrokken staten de gelegenheid is gegeven om over en weer schriftelijk en mondeling opmerkingen te maken.

De Commissie brengt een met redenen omkleed advies uit nadat aan de betrokken staten en, indien van toepassing, het Europees Parlement, de gelegenheid is gegeven om over en weer schriftelijk en mondeling opmerkingen te maken.

Amendement 202

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 260 – lid 2 – alinea 1

Bestaande tekst

Amendement

Indien de Commissie van oordeel is dat de betrokken lidstaat niet het nodige heeft gedaan om gevolg te geven aan het arrest van het Hof, kan zij, nadat zij deze staat de mogelijkheid heeft geboden zijn opmerkingen in te dienen, de zaak voor het Hof brengen. De Commissie vermeldt het bedrag van de door de betrokken lidstaat te betalen forfaitaire som of dwangsom die zij in de gegeven omstandigheden passend acht.

Indien de Commissie van oordeel is dat de betrokken lidstaat niet het nodige heeft gedaan om gevolg te geven aan het arrest van het Hof, brengt zij, nadat zij deze staat de mogelijkheid heeft geboden zijn opmerkingen in te dienen, de zaak binnen twaalf maanden na de uitspraak van het arrest voor het Hof. De Commissie vermeldt het bedrag van de door de betrokken lidstaat te betalen forfaitaire som of dwangsom die zij in de gegeven omstandigheden passend acht.

Amendement 203

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 262

Bestaande tekst

Amendement

Onverminderd de overige bepalingen van de Verdragen, kan de Raad, volgens een bijzondere wetgevingsprocedure en na raadpleging van het Europees Parlement, met eenparigheid van stemmen bepalingen vaststellen waarbij aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, in een door hem te bepalen mate, de bevoegdheid wordt verleend uitspraak te doen in geschillen die verband houden met de toepassing van op grond van de Verdragen vastgestelde besluiten waarbij Europese intellectuele eigendomsrechten worden ingesteld. Deze bepalingen treden pas in werking nadat zij door de lidstaten overeenkomstig hun onderscheiden grondwettelijke bepalingen zijn goedgekeurd.

Onverminderd de overige bepalingen van de Verdragen, kan de Raad, volgens een bijzondere wetgevingsprocedure en na goedkeuring door het Europees Parlement, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen bepalingen vaststellen waarbij aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, in een door hem te bepalen mate, de bevoegdheid wordt verleend uitspraak te doen in geschillen die verband houden met de toepassing van op grond van de Verdragen vastgestelde besluiten waarbij Europese intellectuele eigendomsrechten worden ingesteld. Deze bepalingen treden pas in werking nadat zij door de lidstaten overeenkomstig hun onderscheiden grondwettelijke bepalingen zijn goedgekeurd.

Amendement 204

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 263 – alinea 2

Bestaande tekst

Amendement

Te dien einde is het Hof bevoegd uitspraak te doen inzake elk door een lidstaat, het Europees Parlement, de Raad of de Commissie ingesteld beroep wegens onbevoegdheid, schending van wezenlijke vormvoorschriften, schending van de Verdragen of van enige uitvoeringsregeling daarvan, dan wel wegens misbruik van bevoegdheid.

Te dien einde is het Hof bevoegd uitspraak te doen inzake elk door een lidstaat, het Europees Parlement, de Raad of de Commissie ingesteld beroep wegens onbevoegdheid, schending van wezenlijke vormvoorschriften, schending van de Verdragen of van enige uitvoeringsregeling daarvan, met name wat het subsidiariteitsbeginsel betreft, dan wel wegens misbruik van bevoegdheid.

Amendement 205

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 263 – alinea 4

Bestaande tekst

Amendement

Iedere natuurlijke of rechtspersoon kan onder de in de eerste en tweede alinea vastgestelde voorwaarden beroep instellen tegen handelingen die tot hem gericht zijn of die hem rechtstreeks en individueel raken, alsmede tegen regelgevingshandelingen die hem rechtstreeks raken en die geen uitvoeringsmaatregelen met zich meebrengen.

Iedere natuurlijke of rechtspersoon kan onder de in de eerste en tweede alinea vastgestelde voorwaarden beroep instellen tegen handelingen die tot hem gericht zijn of die hem rechtstreeks raken, alsmede tegen regelgevingshandelingen die hem rechtstreeks raken en die geen uitvoeringsmaatregelen met zich meebrengen.

Amendement 206

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 275 – alinea 2

Bestaande tekst

Amendement

Het Hof is evenwel bevoegd om toezicht te houden op de naleving van artikel 40 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en uitspraak te doen inzake beroepen die onder de in artikel 263, vierde alinea, van dit Verdrag bepaalde voorwaarden worden ingesteld betreffende het toezicht op de wettigheid van besluiten houdende beperkende maatregelen jegens natuurlijke personen of rechtspersonen, die door de Raad op grond van titel V, hoofdstuk 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie zijn vastgesteld.

Schrappen

Amendement 207

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 285 – alinea 2

Bestaande tekst

Amendement

In de Rekenkamer heeft één onderdaan van iedere lidstaat zitting. De leden van de Rekenkamer oefenen hun ambt volkomen onafhankelijk uit, in het algemeen belang van de Unie.

In de Rekenkamer heeft een aantal leden zitting dat overeenkomt met twee derde van het aantal lidstaten, de voorzitter inbegrepen. De leden van de Rekenkamer oefenen hun ambt volkomen onafhankelijk uit, in het algemeen belang van de Unie.

Amendement 208

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 285 – alinea 2 bis (nieuw)

Bestaande tekst

Amendement

 

De leden van de Rekenkamer worden gekozen uit de onderdanen van de lidstaten volgens een toerbeurtsysteem op basis van strikte gelijkheid tussen de lidstaten dat toelaat de demografische en geografische verscheidenheid van de lidstaten te weerspiegelen. Dit systeem wordt overeenkomstig artikel 244 met gekwalificeerde meerderheid van stemmen door de Europese Raad vastgesteld.

Amendement 209

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 286 – lid 2 – alinea 1

Bestaande tekst

Amendement

De leden van de Rekenkamer worden voor zes jaar benoemd. De Raad stelt, na raadpleging van het Europees Parlement, de overeenkomstig de voordrachten van de lidstaten opgestelde lijst van leden vast. De leden van de Rekenkamer zijn herbenoembaar.

De leden van de Rekenkamer worden voor zes jaar benoemd. De Raad stelt, na goedkeuring door het Europees Parlement, de overeenkomstig de voordrachten van de lidstaten opgestelde lijst van leden vast. De leden van de Rekenkamer zijn herbenoembaar.

Amendement 210

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 294 – lid 2

Bestaande tekst

Amendement

2.  De Commissie dient een voorstel in bij het Europees Parlement en bij de Raad.

2.  De Commissie dient een voorstel in bij het Europees Parlement en bij de Raad. Wanneer artikel 225 van toepassing is, dient het Europees Parlement zijn voorstel in bij de Raad. De Commissie wordt hiervan in kennis gesteld.

Amendement 211

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 294 – lid 3

Bestaande tekst

Amendement

3.  Het Europees Parlement stelt zijn standpunt in eerste lezing vast en deelt het mee aan de Raad.

3.  Het Europees Parlement stelt zijn standpunt in eerste lezing vast en deelt het mee aan de Raad. Wanneer artikel 225 van toepassing is, wordt het voorstel van het Parlement beschouwd als zijn standpunt in eerste lezing.

Amendement 212

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 294 – lid 4

Bestaande tekst

Amendement

4.  Indien de Raad het standpunt van het Europees Parlement goedkeurt, wordt de betrokken handeling vastgesteld in de formulering die overeenstemt met het standpunt van het Europees Parlement.

4.  Indien de Raad het standpunt van het Europees Parlement goedkeurt of binnen een jaar geen besluit heeft genomen, wordt de betrokken handeling vastgesteld in de formulering die overeenstemt met het standpunt van het Europees Parlement.

Amendement 213

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 294 – lid 7 – punt b

Bestaande tekst

Amendement

b)  het standpunt van de Raad in eerste lezing met een meerderheid van zijn leden verwerpt, wordt de voorgestelde handeling geacht niet te zijn vastgesteld;

b)  het standpunt van de Raad in eerste lezing met een meerderheid van de uitgebrachte stemmen verwerpt, wordt de voorgestelde handeling geacht niet te zijn vastgesteld;

Amendement 214

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 294 – lid 15 – alinea 1

Bestaande tekst

Amendement

Wanneer in de in de Verdragen bepaalde gevallen, op initiatief van een groep lidstaten, op aanbeveling van de Europese Centrale Bank of op verzoek van het Hof van Justitie de gewone wetgevingsprocedure wordt gevolgd met betrekking tot een wetgevingshandeling, zijn lid 2, lid 6, tweede zin, en lid 9 niet van toepassing.

Wanneer in de in de Verdragen bepaalde gevallen, op initiatief van een groep lidstaten, naar aanleiding van een Europees burgerinitiatief, op aanbeveling van de Europese Centrale Bank of op verzoek van het Hof van Justitie de gewone wetgevingsprocedure wordt gevolgd met betrekking tot een wetgevingshandeling, zijn lid 2, lid 6, tweede zin, en lid 9 niet van toepassing.

Amendement 215

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Zesde deel – titel I – hoofdstuk 2 bis (nieuw) – titel

Bestaande tekst

Amendement

 

HOOFDSTUK 2 bis

 

DE TOEPASSING VAN DE BEGINSELEN VAN SUBSIDIARITEIT EN EVENREDIGHEID

(Protocol (nr. 2) betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid moet worden ingevoegd in het zesde deel, titel I, hoofdstuk 2 bis (nieuw) van het VWEU. Dit nieuwe hoofdstuk omvat de artikelen 299 bis tot en met 299 undecies (nieuw).)

Amendement 216

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 299 bis (nieuw)

Bestaande tekst

Amendement

 

Artikel 299 bis

 

Iedere instelling draagt er voortdurend zorg voor dat de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid van artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie in acht worden genomen.

(In dit amendement wordt de bewoording van artikel 1 van Protocol (nr. 2) betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid overgenomen.)

Amendement 217

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 299 ter (nieuw)

Bestaande tekst

Amendement

 

Artikel 299 ter

 

Alvorens een wetgevingshandeling voor te stellen, houdt de Commissie brede raadplegingen. Daarbij wordt, in voorkomend geval, rekening gehouden met de regionale en de lokale dimensie van het beoogde optreden. In buitengewoon dringende gevallen houdt de Commissie geen raadplegingen. Zij motiveert haar besluit in haar voorstel.

(In dit amendement wordt de bewoording van artikel 2 van Protocol (nr. 2) betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid overgenomen.)

Amendement 218

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 299 quater (nieuw)

Bestaande tekst

Amendement

 

Artikel 299 quater

 

Voor de toepassing van dit protocol worden onder "ontwerp van wetgevingshandeling" verstaan, de voorstellen van de Commissie, de initiatieven van een groep lidstaten, de initiatieven van het Europees Parlement, de verzoeken van het Hof van Justitie, de aanbevelingen van de Europese Centrale Bank en de verzoeken van de Europese Investeringsbank, met het oog op de vaststelling van een wetgevingshandeling.

(In dit amendement wordt de bewoording van artikel 3 van Protocol (nr. 2) betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid overgenomen.)

Amendement 219

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 299 quinquies (nieuw)

Bestaande tekst

Amendement

 

Artikel 299 quinquies

 

De Commissie zendt haar ontwerpen van wetgevingshandelingen en gewijzigde ontwerpen gelijktijdig toe aan de nationale parlementen en de regionale parlementen met wetgevende bevoegdheden en aan de wetgever van de Unie.

 

Het Europees Parlement zendt zijn ontwerpen van wetgevingshandelingen en gewijzigde ontwerpen toe aan de nationale parlementen en de regionale parlementen met wetgevende bevoegdheden.

 

De Raad zendt de ontwerpen van wetgevingshandelingen en gewijzigde ontwerpen die uitgaan van een groep lidstaten, het Hof van Justitie, de Europese Centrale Bank of de Europese Investeringsbank toe aan de nationale parlementen en de regionale parlementen met wetgevende bevoegdheden.

 

De wetgevingsresoluties van het Europees Parlement en de standpunten van de Raad worden, zodra zij zijn aangenomen respectievelijk vastgesteld, door de betrokken instelling toegezonden aan de nationale parlementen en de regionale parlementen met wetgevende bevoegdheden.

(Dit amendement is gebaseerd op de bewoording van artikel 4 van Protocol (nr. 2) betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid.)

Amendement 220

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 299 sexies (nieuw)

Bestaande tekst

Amendement

 

Artikel 299 sexies

 

De ontwerpen van wetgevingshandelingen worden gemotiveerd in het licht van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid.

 

Ieder ontwerp van wetgevingshandeling bevat een subsidiariteits- en evenredigheidsmemorandum, met een uitgebreide toelichting van de elementen op basis waarvan de naleving van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid kan worden beoordeeld. Dat memorandum moet elementen bevatten waarmee de financiële gevolgen van het ontwerp kunnen worden beoordeeld, alsook - in het geval van een richtlijn - het effect ervan op de door de lidstaten vast te stellen regelgeving, inclusief – waar toepasselijk – de regionale regelgeving.

 

De redenen voor de conclusie dat een doelstelling van de Unie beter bereikt kan worden door de Unie, worden met kwalitatieve en, zo mogelijk, kwantitatieve indicatoren gestaafd. In de ontwerpen van wetgevingshandelingen wordt er rekening mee gehouden dat alle, financiële of administratieve, lasten voor de Unie, de nationale regeringen, de regionale of lokale overheden, het bedrijfsleven en de burgers tot een minimum moeten worden beperkt en in verhouding moeten staan tot het te bereiken doel.

(In dit amendement wordt de bewoording van artikel 5 van Protocol (nr. 2) betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid overgenomen.)

Amendement 221

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 299 septies (nieuw)

Bestaande tekst

Amendement

 

Artikel 299 septies

 

Ieder nationaal parlement en iedere kamer van een van die parlementen kan binnen een termijn van twaalf weken vanaf de datum van toezending van een ontwerp van Europese wetgevingshandeling aan de voorzitters van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie, in de officiële talen van de Unie, een gemotiveerd advies toezenden waarin wordt uiteengezet waarom het betrokken ontwerp zijns inziens niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel. Ieder nationaal parlement of iedere kamer van een nationaal parlement neemt het advies van de regionale parlementen met wetgevende bevoegdheden op in zijn met redenen omkleed advies wanneer er gevolgen kunnen zijn voor regionale exclusieve bevoegdheden. De Commissie antwoordt binnen twaalf weken.

 

Indien het ontwerp van wetgevingshandeling uitgaat van een groep lidstaten zendt de voorzitter van de Raad het advies toe aan de regeringen van die lidstaten.

 

Indien het ontwerp van wetgevingshandeling afkomstig is van het Hof van Justitie, de Europese Centrale Bank of de Europese Investeringsbank zendt de voorzitter van de Raad het advies toe aan de betrokken instelling of het betrokken orgaan.

 

De Commissie houdt in haar jaarverslagen over de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid rekening met gemotiveerde adviezen die zij heeft ontvangen van nationale parlementen en regionale parlementen met wetgevende bevoegdheden. Wanneer nationale parlementen een aanzienlijk aantal met redenen omklede adviezen over een bepaald wetgevingsvoorstel indienen, stelt de Commissie tijdens de wetgevingsprocedure ook informatie over de bezwaren ter beschikking van de Raad en het Parlement.

(Dit amendement is gebaseerd op artikel 6 van Protocol (nr. 2) betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid.)

Amendement 222

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 299 octies (nieuw)

Bestaande tekst

Amendement

 

Artikel 299 octies

 

Ieder nationaal parlement of iedere kamer van een nationaal parlement kan het Europees Parlement of de Commissie verzoeken passende voorstellen in te dienen betreffende aangelegenheden die naar hun oordeel een handeling van de Unie voor de tenuitvoerlegging van de Verdragen vergen.

 

Wanneer een instelling een verzoek overeenkomstig de eerste alinea ontvangt, maar niet binnen zes maanden een voorstel indient, stelt zij het nationale parlement, het Comité van de Regio’s en, indien van toepassing, het Europees Parlement in kennis van de redenen waarom zij dit niet doet.

(Met dit amendement wordt in Protocol nr. 2 een nieuw artikel ingevoegd.)

Amendement 223

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 299 nonies (nieuw)

Bestaande tekst

Amendement

 

Artikel 299 nonies

 

1.   Het Europees Parlement, de Raad en de Commissie, alsmede in voorkomend geval, de groep lidstaten, het Hof van Justitie, de Europese Centrale Bank of de Europese Investeringsbank, indien het ontwerp van wetgevingshandeling van hen uitgaat, houden rekening met de gemotiveerde adviezen die de nationale parlementen of een kamer van een van deze parlementen tot hen richten.

 

Ieder nationaal parlement heeft twee stemmen, die worden toegewezen op grond van het nationale parlementaire stelsel. In een nationaal parlementair stelsel met twee kamers heeft elk van de twee kamers een stem.

 

2.   Indien gemotiveerde adviezen waarin wordt gesteld dat een ontwerp van wetgevingshandeling niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel, ten minste een derde vertegenwoordigen van alle stemmen die aan de nationale parlementen zijn toegedeeld overeenkomstig lid 1, tweede alinea, moet het ontwerp opnieuw in overweging worden genomen. Deze drempel bedraagt een vierde indien het een ontwerp van wetgevingshandeling betreft dat is ingediend op grond van artikel 76 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, inzake de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht.

 

Op grond van de heroverweging kan de Commissie of, in voorkomend geval, de groep lidstaten, het Europees Parlement, het Hof van Justitie, de Europese Centrale Bank of de Europese Investeringsbank, indien het ontwerp van wetgevingshandeling van hen uitgaat, besluiten het ontwerp te handhaven, te wijzigen of in te trekken. Dit besluit moet worden gemotiveerd.

 

3.   Voorts moet, in het kader van de gewone wetgevingsprocedure, indien gemotiveerde adviezen waarin wordt gesteld dat een voorstel voor een wetgevingshandeling niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel, ten minste een gewone meerderheid vertegenwoordigen van alle stemmen die aan de nationale parlementen zijn toegedeeld overeenkomstig de tweede alinea van lid 1, het voorstel opnieuw in overweging worden genomen. Op grond van die heroverweging kan de Commissie besluiten het voorstel te handhaven, te wijzigen of in te trekken.

 

Indien de Commissie besluit het voorstel te handhaven, moet zij in een gemotiveerd advies verantwoorden waarom het voorstel haars inziens strookt met het subsidiariteitsbeginsel. Dit gemotiveerd advies, alsmede de gemotiveerde adviezen van de nationale parlementen, moeten ter overweging in de procedure worden voorgelegd aan de wetgever van de Unie:

 

a)  alvorens de eerste lezing af te sluiten, beoordeelt de wetgever (het Europees Parlement en de Raad) of het wetgevingsvoorstel met het subsidiariteitsbeginsel strookt, waarbij hij met name rekening houdt met de door de meerderheid van de nationale parlementen geformuleerde en gedeelde redenen, alsook met het gemotiveerd advies van de Commissie;

 

b)  indien de wetgever met een meerderheid van 55 % van de leden van de Raad of een meerderheid van de uitgebrachte stemmen in het Europees Parlement van oordeel is dat het voorstel niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel, wordt het wetgevingsvoorstel niet verder in beschouwing genomen.

(In dit amendement wordt de bewoording van artikel 7 van Protocol (nr. 2) betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid overgenomen.)

Amendement 224

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 299 decies (nieuw)

Bestaande tekst

Amendement

 

Artikel 299 decies

 

Het Hof van Justitie van de Europese Unie is bevoegd uitspraak te doen inzake ieder beroep wegens schending door een wetgevingshandeling van het subsidiariteitsbeginsel, dat op de wijze als bepaald in artikel 263 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie wordt ingesteld door een lidstaat, of door een lidstaat overeenkomstig zijn rechtsorde wordt toegezonden namens zijn nationaal parlement of een kamer van dat parlement.

 

Op de wijze als bepaald in datzelfde artikel kan ook het Comité van de Regio’s een dergelijk beroep instellen tegen wetgevingshandelingen voor de vaststelling waarvan het volgens het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie moet worden geraadpleegd.

(In dit amendement wordt de bewoording van artikel 8 van Protocol (nr. 2) betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid overgenomen.)

Amendement 225

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 299 undecies (nieuw)

Bestaande tekst

Amendement

 

Artikel 299 undecies

 

De Commissie brengt jaarlijks aan de Europese Raad, aan het Europees Parlement, aan de Raad, aan de nationale parlementen en aan de regionale parlementen met wetgevende bevoegdheden verslag uit over de toepassing van artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie. Dat jaarverslag wordt ook aan het Economisch en Sociaal Comité en aan het Comité van de Regio’s toegezonden.

(Dit amendement is gebaseerd op de bewoording van artikel 9 van Protocol (nr. 2) betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid.)

Amendement 226

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 311 – lid 4

Bestaande tekst

Amendement

4.  De Raad stelt volgens een bijzondere wetgevingsprocedure bij verordeningen de uitvoeringsmaatregelen voor het stelsel van eigen middelen van de Unie vast voor zover het krachtens de derde alinea vastgestelde besluit daarin voorziet. De Raad besluit na goedkeuring door het Europees Parlement.

4.   Het Europees Parlement en de Raad, die met versterkte gekwalificeerde meerderheid van stemmen een besluit neemt, stellen volgens een bijzondere wetgevingsprocedure gezamenlijk de uitvoeringsmaatregelen voor het stelsel van eigen middelen van de Unie vast voor zover het krachtens de derde alinea vastgestelde besluit daarin voorziet.

Amendement 227

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 312 – lid 1 – alinea 2

Bestaande tekst

Amendement

Het meerjarig financieel kader wordt vastgesteld voor een periode van ten minste vijf jaar.

Het meerjarig financieel kader wordt vastgesteld voor een periode van vijf tot zeven jaar.

Amendement 228

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 312 – lid 2 – alinea 1

Bestaande tekst

Amendement

De Raad stelt volgens een bijzondere wetgevingsprocedure een verordening tot bepaling van het meerjarig financieel kader vast. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen, na goedkeuring door het Europees Parlement, dat zich uitspreekt bij meerderheid van zijn leden.

Het Europees Parlement en de Raad stellen volgens de gewone wetgevingsprocedure een verordening tot bepaling van het meerjarig financieel kader vast.

Amendement 229

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 312 – lid 2 – alinea 2

Bestaande tekst

Amendement

De Europese Raad kan met eenparigheid van stemmen een besluit vaststellen op grond waarvan de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen kan besluiten bij de vaststelling van de in de eerste alinea bedoelde verordening.

Schrappen

Amendement 230

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 319 – lid 1

Bestaande tekst

Amendement

1.   Op aanbeveling van de Raad verleent het Europees Parlement aan de Commissie kwijting voor de uitvoering van de begroting. Te dien einde onderzoekt het, na de Raad, de rekeningen, de financiële balans en het evaluatieverslag genoemd in artikel 318, het jaarverslag van de Rekenkamer tezamen met de antwoorden van de gecontroleerde instellingen op de opmerkingen van de Rekenkamer, de in artikel 287, lid 1, tweede alinea, genoemde verklaring, alsmede de relevante speciale verslagen van de Rekenkamer.

1.   Op aanbeveling van de Raad verleent het Europees Parlement aan de Commissie kwijting voor de uitvoering van de begroting. Daarnaast verleent het Europees Parlement kwijting aan andere instellingen, organen en instanties met betrekking tot de uitvoering van hun begrotingsafdelingen dan wel hun begrotingen, in overeenstemming met de in artikel 322 vastgelegde voorwaarden. Te dien einde onderzoekt het, na de Raad, de rekeningen, de financiële balans en het evaluatieverslag genoemd in artikel 318, het jaarverslag van de Rekenkamer tezamen met de antwoorden van de gecontroleerde instellingen op de opmerkingen van de Rekenkamer, de in artikel 287, lid 1, tweede alinea, genoemde verklaring, alsmede de relevante speciale verslagen van de Rekenkamer.

Amendement 231

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 329 – lid 2 – alinea 2

Bestaande tekst

Amendement

De toestemming om een nauwere samenwerking aan te gaan, wordt verleend bij een besluit van de Raad, die met eenparigheid van stemmen besluit.

De toestemming om een nauwere samenwerking aan te gaan, wordt verleend bij een besluit van de Raad, die met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluit, met uitzondering van besluiten betreffende missies of operaties met een uitvoerend mandaat als bedoeld in artikel 42, lid 4 bis, tweede alinea, van het Verdrag van Europese Unie.

Amendement 232

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 330 – alinea 2

Bestaande tekst

Amendement

Eenparigheid van stemmen wordt alleen door de stemmen van de vertegenwoordigers van de deelnemende staten gevormd.

Schrappen

Amendement 233

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 330 – alinea 3

Bestaande tekst

Amendement

De gekwalificeerde meerderheid wordt bepaald overeenkomstig artikel 238, lid 3.

Schrappen

Amendement 234

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 333

Bestaande tekst

Amendement

Artikel 333

Schrappen

1.  Indien een bepaling van de Verdragen die in het kader van een nauwere samenwerking kan worden toegepast, bepaalt dat de Raad met eenparigheid van stemmen besluit, kan de Raad met eenparigheid van stemmen overeenkomstig het bepaalde in artikel 330, een besluit vaststellen waarin wordt bepaald dat hij met gekwalificeerde meerderheid van stemmen zal besluiten.

 

2.  Indien een bepaling van de Verdragen die in het kader van een nauwere samenwerking kan worden toegepast, bepaalt dat de Raad handelingen volgens een bijzondere wetgevingsprocedure vaststelt, kan de Raad met eenparigheid van stemmen overeenkomstig het bepaalde in artikel 330, een besluit vaststellen waarin wordt bepaald dat hij volgens de gewone wetgevingsprocedure zal besluiten. De Raad besluit na raadpleging van het Europees Parlement.

 

3.  De leden 1 en 2 zijn niet van toepassing op besluiten die gevolgen hebben op militair of defensiegebied.

 

Amendement 235

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 342

Bestaande tekst

Amendement

De regeling van het taalgebruik door de instellingen van de Unie wordt, onverminderd de bepalingen van het statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, door de Raad met eenparigheid van stemmen bij verordeningen vastgesteld.

De regeling van het taalgebruik door de instellingen van de Unie wordt, onverminderd de bepalingen van het statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, na goedkeuring door het Europees Parlement door de Raad met eenparigheid van stemmen bij verordeningen vastgesteld.

Amendement 236

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 346 – lid 1 – punt b

Bestaande tekst

Amendement

b)  elke lidstaat kan de maatregelen nemen die hij noodzakelijk acht voor de bescherming van de wezenlijke belangen van zijn veiligheid en die betrekking hebben op de productie van of de handel in wapenen, munitie en oorlogsmateriaal; die maatregelen mogen de mededingingsverhoudingen op de interne markt niet wijzigen voor producten die niet bestemd zijn voor specifiek militaire doeleinden.

b)  elke lidstaat stelt de Commissie in kennis van maatregelen die hij noodzakelijk acht voor de bescherming van de wezenlijke belangen van zijn veiligheid en die betrekking hebben op de productie van of de handel in wapenen, munitie en oorlogsmateriaal; die maatregelen mogen de mededingingsverhoudingen op de interne markt niet wijzigen voor producten die niet bestemd zijn voor specifiek militaire doeleinden.

Amendement 237

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 346 – lid 2

Bestaande tekst

Amendement

2.  De Raad kan met eenparigheid van stemmen op voorstel van de Commissie wijzigingen aanbrengen in de lijst van de producten waarop de bepalingen van lid 1, onder b), van toepassing zijn, die hij op 15 april 1958 heeft vastgesteld.

2.  Het Europees Parlement en de Raad kunnen volgens de gewone wetgevingsprocedure op voorstel van de Commissie wijzigingen aanbrengen in de lijst van de producten waarop de bepalingen van lid 1, punt b), van toepassing zijn, die de Raad op 15 april 1958 heeft vastgesteld.

Amendement 238

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 352 – lid 1

Bestaande tekst

Amendement

1.  Indien een optreden van de Unie in het kader van de beleidsgebieden van de Verdragen nodig blijkt om een van de doelstellingen van de Verdragen te verwezenlijken zonder dat deze Verdragen in de daartoe vereiste bevoegdheden voorzien, stelt de Raad, op voorstel van de Commissie en na goedkeuring door het Europees Parlement, met eenparigheid van stemmen passende bepalingen vast. Wanneer de bepalingen door de Raad volgens een bijzondere wetgevingsprocedure worden vastgesteld, besluit hij eveneens met eenparigheid van stemmen, op voorstel van de Commissie en na goedkeuring van het Europees Parlement.

1.  Indien een optreden van de Unie in het kader van de beleidsgebieden van de Verdragen nodig blijkt om een van de doelstellingen van de Verdragen te verwezenlijken zonder dat deze Verdragen in de daartoe vereiste bevoegdheden voorzien, stelt de Raad, op voorstel van de Commissie en na goedkeuring door het Europees Parlement, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen passende bepalingen vast. Wanneer de bepalingen door de Raad volgens een bijzondere wetgevingsprocedure worden vastgesteld, besluit hij eveneens met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, op voorstel van de Commissie en na goedkeuring door het Europees Parlement.

Amendement 239

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 352 – lid 4

Bestaande tekst

Amendement

4.  Dit artikel kan niet als basis dienen voor het verwezenlijken van doelstellingen die tot het Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid behoren en elke overeenkomstig dit artikel vastgestelde handeling eerbiedigt de in artikel 40, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de Europese Unie gestelde beperkingen.

Schrappen

Amendement 240

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 354 – alinea 1

Bestaande tekst

Amendement

Voor de toepassing van artikel 7 van het Verdrag betreffende de Europese Unie in verband met de schorsing van bepaalde rechten die voortvloeien uit het lidmaatschap van de Unie, neemt het lid van de Europese Raad of van de Raad dat de betrokken lidstaat vertegenwoordigt, niet deel aan de stemming, en de betrokken lidstaat wordt niet in aanmerking genomen bij de berekening van het in de leden 1 en 2 van dat artikel voorgeschreven derde of vier vijfde deel van de lidstaten. Onthouding van stemming door aanwezige of vertegenwoordigde leden vormt geen beletsel voor het vaststellen van de in lid 2 van dat artikel bedoelde besluiten.

Voor de toepassing van artikel 7 van het Verdrag betreffende de Europese Unie in verband met de schorsing van bepaalde rechten die voortvloeien uit het lidmaatschap van de Unie, neemt het lid van de Europese Raad of van de Raad dat de betrokken lidstaat vertegenwoordigt, niet deel aan de stemming, en de betrokken lidstaat wordt niet in aanmerking genomen bij de berekening van het in de leden 1 en 2 van dat artikel voorgeschreven derde deel van de lidstaten en de in de leden 1 en 2 van dat artikel voorgeschreven gekwalificeerde meerderheid in de Raad. Onthouding van stemming door aanwezige of vertegenwoordigde leden vormt geen beletsel voor het vaststellen van de in lid2 van dat artikel bedoelde besluiten.

Amendement 241

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 354 – alinea 2

Bestaande tekst

Amendement

Voor de vaststelling van de in artikel 7, leden 3 en 4, van het Verdrag betreffende de Europese Unie bedoelde besluiten, wordt de gekwalificeerde meerderheid bepaald overeenkomstig artikel 238, lid 3, onder b), van dit Verdrag.

Voor de vaststelling van de in artikel 7, leden 1 tot en met 4, van het Verdrag betreffende de Europese Unie bedoelde besluiten, wordt de gekwalificeerde meerderheid bepaald overeenkomstig artikel 16, lid 4 bis, van het Verdrag betreffende de Europese Unie.

Amendement 242

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 355 – lid 2 – alinea 2

Bestaande tekst

Amendement

De Verdragen zijn niet van toepassing op de landen en gebieden overzee die met het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland bijzondere betrekkingen onderhouden, die niet op bovengenoemde lijst voorkomen.

Schrappen

Amendement 243

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 355 – lid 5 – punt b

Bestaande tekst

Amendement

b)  zijn de Verdragen niet van toepassing op Akrotiri en Dhekelia, zijnde de zones van Cyprus die onder de soevereiniteit van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland vallen, uitgezonderd voor zover nodig om de uitvoering te waarborgen van de regelingen als vervat in het protocol betreffende de zones van Cyprus die onder de soevereiniteit van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland vallen dat gehecht is aan de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden van de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek tot de Europese Unie, en in overeenstemming met dat protocol;

Schrappen

Amendement 244

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 355 – lid 5 – punt c

Bestaande tekst

Amendement

c)  zijn de bepalingen van de Verdragen op de Kanaaleilanden en op het eiland Man slechts van toepassing voor zover noodzakelijk ter verzekering van de toepassing van de regeling die voor deze eilanden is vastgesteld in het op 22 januari 1972 ondertekende Verdrag betreffende de toetreding van nieuwe lidstaten tot de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie.

Schrappen

Amendement 245

Handvest van de grondrechten van de Europese Unie

Artikel 3

Bestaande tekst

Amendement

Artikel 3

Artikel 3

Het recht op menselijke integriteit

Het recht op menselijke integriteit en lichamelijke autonomie

1.  Eenieder heeft recht op lichamelijke en geestelijke integriteit.

1.  Eenieder heeft recht op lichamelijke en geestelijke integriteit.

2.   In het kader van de geneeskunde en de biologie moeten met name in acht worden genomen:

2.   In het kader van de geneeskunde en de biologie moeten met name in acht worden genomen:

a)   de vrije en geïnformeerde toestemming van de betrokkene, volgens de bij de wet bepaalde regels;

a)   de vrije en geïnformeerde toestemming van de betrokkene, volgens de bij de wet bepaalde regels;

b)   het verbod van eugenetische praktijken, met name die welke selectie van personen tot doel hebben;

b)   het verbod van eugenetische praktijken, met name die welke selectie van personen tot doel hebben;

c)   het verbod om het menselijk lichaam en bestanddelen daarvan als zodanig als bron van financieel voordeel aan te wenden;

c)   het verbod om het menselijk lichaam en bestanddelen daarvan als zodanig als bron van financieel voordeel aan te wenden;

d)   het verbod van het reproductief kloneren van mensen.

d)   het verbod van het reproductief kloneren van mensen.

 

2 bis.  Eenieder heeft recht op lichamelijke autonomie, op vrije, geïnformeerde, volledige en universele toegang tot seksuele en reproductieve gezondheid en rechten, en op alle daarmee verband houdende gezondheidsdiensten, zonder discriminatie, met inbegrip van veilige, legale abortus.

(1)The Manifesto of Ventotene (juni 1941)
(2)The Schuman Declaration (Parijs, 9 mei 1950)
(3)PB C 493 van 27.12.2022, blz. 130.


Onderhandelingen over een statusovereenkomst inzake operationele activiteiten van Frontex in Mauritanië
PDF 159kWORD 52k
Aanbeveling van het Europees Parlement van 22 november 2023 betreffende onderhandelingen over een statusovereenkomst tussen de Europese Unie en de Islamitische Republiek Mauritanië inzake operationele activiteiten van het Europees Grens- en kustwachtagentschap (Frontex) in de Islamitische Republiek Mauritanië (2023/2087(INI))
P9_TA(2023)0428A9-0358/2023

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 218 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), en met name de artikel 77, lid 2, punten b) en d), artikel 79, lid 2, punt c) en artikel 218, leden 3 en 4,

–  gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens,

–  gezien het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen van 1951 en het aanvullende protocol daarbij,

–  gezien hoofdstuk V, voorschrift 33, van het Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee getiteld “Noodsituaties: verplichtingen en procedures”,

–  gezien hoofdstuk 4 inzake werkprocedures van het Internationaal Verdrag inzake opsporing en redding op zee,

–  gezien het VN-Verdrag inzake het recht van de zee,

–  gezien het Europees Verdrag voor de rechten van de mens,

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EU) 2019/1896 van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2019 betreffende de Europese grens- en kustwacht en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1052/2013 en Verordening (EU) 2016/1624(1),

–  gezien de conclusies van de Europese Raad van 9 februari 2023,

–  gezien het EU-actieplan voor de route door het westelijke Middellandse Zeegebied en de Atlantische route dat door de Commissie op 6 juni 2023 werd voorgesteld,

–  gezien Besluit (EU) 2022/1168 van de Raad van 4 juli 2022 houdende machtiging tot het openen van onderhandelingen over een statusovereenkomst tussen de Europese Unie en de Islamitische Republiek Mauritanië inzake operationele activiteiten van het Europees Grens- en kustwachtagentschap in de Islamitische Republiek Mauritanië(2),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 21 december 2021 getiteld “Modelstatusovereenkomst als bedoeld in Verordening (EU) 2019/1896 van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2019 betreffende de Europese grens- en kustwacht en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1052/2013 en Verordening (EU) 2016/1624” (COM(2021)0829),

–  gezien zijn resolutie van 19 mei 2021 over de bescherming van de mensenrechten en het externe migratiebeleid van de EU(3),

–  gezien het verslag van 14 juli 2021 van de werkgroep voor toezicht op Frontex van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken over het feitenonderzoek naar vermeende schendingen van de grondrechten door Frontex, en de aanbevelingen in dit verslag,

–  gezien artikel 114, lid 4, en artikel 54 van zijn Reglement,

–  gezien het advies van de Commissie buitenlandse zaken,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A9-0358/2023),

A.  overwegende dat krachtens artikel 73, lid 3, van Verordening (EU) 2019/1896, als de omstandigheden vereisen dat grensbeheerteams van het permanente korps worden ingezet in een derde land waar de teamleden uitvoerende bevoegdheden zullen uitoefenen, tussen de Unie en het desbetreffende derde land een statusovereenkomst wordt gesloten op basis van artikel 218 VWEU;

B.  overwegende dat de Commissie uit hoofde van Besluit (EU) 2022/1168 van de Raad in juli 2022 door de Raad gemachtigd is om met de Islamitische Republiek Mauritanië over een statusovereenkomst te onderhandelen en sindsdien onderhandelingen heeft geopend met de regering van Mauritanië met het oog op het sluiten van een statusovereenkomst over het Europees Grens- en kustwachtagentschap (Frontex), wat zou betekenen dat teamleden die door Frontex worden ingezet de mogelijkheid zouden krijgen om, op basis van een specifiek operationeel plan, taken met uitvoerende bevoegdheden uit te voeren op het grondgebied van de Islamitische Republiek Mauritanië;

C.  overwegende dat in de conclusies van de Europese Raad van 9 februari 2023 wordt opgeroepen tot het intensiveren van de samenwerking met landen van herkomst en doorreis en tot een snelle afronding van de onderhandelingen over nieuwe en herziene statusovereenkomsten tussen de EU en derde landen betreffende het inzetten van Frontex;

D.  overwegende dat Frontex overeenkomstig artikel 73, lid 2, van Verordening (EU) 2019/1896, wanneer het samenwerkt met de autoriteiten van derde landen, optreedt in het kader van het beleid voor het externe optreden van de Unie, onder meer op het gebied van de bescherming van de grondrechten en persoonsgegevens, het beginsel van non-refoulement, het verbod op willekeurige opsluiting en het verbod op foltering en onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing;

E.  overwegende dat samenwerking met derde landen overeenkomstig Verordening (EU) 2019/1896 een belangrijk onderdeel is van het Europees geïntegreerd grensbeheer; overwegende dat de Commissie, wanneer zij de Raad aanbeveelt haar machtiging te verlenen om over een statusovereenkomst te onderhandelen, de situatie van de grondrechten moet beoordelen op de gebieden die relevant zijn voor de statusovereenkomst; overwegende dat een dergelijke beoordeling nog niet is uitgevoerd; overwegende dat het adviesforum van Frontex in zijn verslag van 21 mei 2019 Frontex heeft verzocht een doeltreffende effectbeoordeling op het gebied van de grondrechten uit te voeren alvorens met een derde land in gesprek te gaan;

F.  overwegende dat de Commissie op grond van artikel 218, lid 10, VWEU verplicht is het Parlement in iedere van fase van de procedure voor de sluiting van een statusovereenkomst onverwijld en ten volle te informeren;

G.  overwegende dat een lidstaat, het Europees Parlement, de Raad of de Commissie overeenkomstig artikel 218, lid 11, VWEU het advies van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU) kan inwinnen over de verenigbaarheid van een voorgenomen overeenkomst met de Verdragen; overwegende dat de voorgenomen overeenkomst, indien het HvJ-EU afwijzend adviseert, niet in werking kan treden, behalve als de overeenkomst zelf wordt gewijzigd of de Verdragen worden herzien;

H.  overwegende dat niets een lidstaat, het Europees Parlement, de Raad of de Commissie belet om, ook na het sluiten van een statusovereenkomst en indien dit wenselijk wordt geacht, dit advies over de verenigbaarheid van de onderhandelde statusovereenkomst met de Verdragen in te winnen;

I.  overwegende dat de modelstatusovereenkomst als bedoeld in artikel 76, lid 1, van Verordening (EU) 2019/1896 moet dienen als uitgangspunt voor de onderhandelingen van de Commissie met Mauritanië; overwegende dat de modelstatusovereenkomst voorziet in een kader voor samenwerking tussen Frontex en zijn teams enerzijds en de bevoegde autoriteiten van het betrokken derde land anderzijds, waarin onder meer de reikwijdte van de operatie, de strafrechtelijke en civielrechtelijke aansprakelijkheid, de taken en bevoegdheden van de teamleden en de praktische maatregelen in verband met de eerbiediging van de grondrechten worden omschreven; overwegende dat Frontex tijdens die operaties de volledige eerbiediging van de grondrechten moet waarborgen en in een klachtenmechanisme moet voorzien;

J.  overwegende dat volgens de modelstatusovereenkomst als bedoeld in artikel 76, lid 1, van Verordening (EU) 2019/1896:

   de teamleden van Frontex uitsluitend taken mogen verrichten en bevoegdheden mogen uitoefenen op het grondgebied van het derde land op instructie en in aanwezigheid van grensbeheerautoriteiten van dat land, en de wet- en regelgeving van het derde land en het toepasselijke Unierecht en internationaal recht moeten naleven; de autoriteiten van het derde land de teamleden alleen instructies mogen geven die in overeenstemming zijn met het operationele plan; dit het enige operationele kader is waarin EU-personeel onder bevel van een derde staat opereert;
   de teamleden van Frontex onder alle omstandigheden immuniteit genieten ten aanzien van de rechtsmacht in strafzaken van het derde land en gevrijwaard zijn van enigerlei vorm van aanhouding of detentie in het derde land of door de autoriteiten van dat land; de uitvoerend directeur of de lidstaat van herkomst naar eigen goeddunken over de opheffing van de immuniteit beslist, afhankelijk van de status van het teamlid;

K.  overwegende dat Mauritanië zowel een land van doorreis als een land van bestemming is voor migratie vanuit andere West-Afrikaanse landen zoals Senegal, Mali, Guinee en Guinee-Bissau; overwegende dat er de afgelopen twee jaar sprake is van een aanzienlijke toename van het aantal mensen dat langs de kust van Mauritanië reist om de migratieroute via de Canarische eilanden te nemen, wat heeft geleid tot een toename van het EU-engagement, met name op het gebied van grensbeheer; overwegende dat de route door Mauritanië volgens het Spaanse comité voor hulp aan vluchtelingen een van de dodelijkste ter wereld is en dat in 2021 het grootste aantal doden en vermisten werd opgetekend sinds de gegevens worden geregistreerd;

L.  overwegende dat het Bureau van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de vluchtelingen (UNHCR) op 31 mei 2023 berichtte dat er 108 972 vluchtelingen en asielzoekers in Mauritanië waren, onder wie 84 093 Malinese vluchtelingen in het vluchtelingenkamp Mbera;

M.  overwegende dat Mauritanië het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen van 1951, het bijbehorende protocol van 1967 en de Overeenkomst van de Organisatie voor Afrikaanse Eenheid betreffende specifieke aspecten van vluchtelingenproblemen in Afrika uit 1969 heeft ondertekend, maar desondanks niet over een nationaal wettelijk asielstelsel beschikt; overwegende dat de UNHCR bij het ontbreken van een dergelijk stelsel de registratie en de vaststelling van de vluchtelingenstatus alsmede andere beschermingsactiviteiten verricht op basis van een memorandum van overeenstemming met de autoriteiten; overwegende dat mensen die worden geacht niet in aanmerking te komen voor bescherming, zonder verdere procedure stelselmatig door de autoriteiten naar de grens met Mali en Senegal worden uitgezet; overwegende dat het hierbij ook ging om uitzettingen van personen van wie de gevallen niet door de UNHCR zijn beoordeeld, waaronder de uitzetting van personen van wie de autoriteiten vermoedden dat ze een vertrek over zee overwogen, personen die door de Marokkaanse autoriteiten voor de kust van de Westelijke Sahara zijn onderschept en personen die legaal in het land verbleven; overwegende dat West- en Centraal-Afrikaanse onderdanen vaak worden uitgezet zonder eerlijk proces en zonder dat er individuele beoordelingen van de wettelijke status of formele uitzettingsbevelen aan te pas komen;

N.  overwegende dat het huidige rechtskader van Mauritanië geen doeltreffende bescherming van vrouwen en kinderen of lhbtiq+-personen mogelijk maakt; overwegende dat seksueel contact met personen van hetzelfde geslacht volgens Mauritaans recht illegaal is en nog steeds een strafbaar feit is waarop de doodstraf staat;

O.  overwegende dat vluchtelingen, asielzoekers en migranten in Mauritanië voortdurend te maken hebben met systematische en ernstige schendingen van de mensenrechten en slechte behandeling, zoals refoulement, willekeurige arrestaties en opsluiting, (gendergerelateerd) geweld, met inbegrip van gevallen van foltering, uitbuiting, onrechtmatige detentieomstandigheden, afpersing en diefstal, en onrechtmatige collectieve uitzettingen naar Senegal en Mali; overwegende dat mensen niet worden beoordeeld op basis van hun nationaliteit en kwetsbaarheid; overwegende dat de UNHCR blijkbaar geen regelmatige bezoeken brengt aan grenscontroleposten, ontschepingsplaatsen na onderscheppingen op zee of detentiefaciliteiten om te zien of mensen enigerlei behoefte hebben aan bescherming; overwegende dat maatschappelijke organisaties daarvan lijken te worden weerhouden; overwegende dat de uitvoering van de wetgeving ter bestrijding van mensenhandel heeft geleid tot de criminalisering van migranten;

P.  overwegende dat Mauritanië slavernij pas in 1981 formeel heeft afgeschaft met de aanname van wet nr. 2015-031 en het laatste land ter wereld was dat dit deed; overwegende dat slavernij pas sinds 2015 strafbaar is gesteld; overwegende dat de speciale rapporteur van de VN over hedendaagse vormen van slavernij in 2022 concludeerde dat het land belangrijke stappen had gezet, maar dat het voortbestaan van slavernij en op slavernij lijkende praktijken, waaronder dwangarbeid, een punt van zorg bleef en gevolgen had voor zowel migranten als Mauritaanse burgers;

Q.  overwegende dat Mauritanië de doodstraf niet heeft afgeschaft, hoewel er sinds 1987 een de facto moratorium van kracht is; overwegende dat buitenlandse gedetineerden tegen wie de doodstraf is uitgesproken zelden toegang hebben tot rechtsbijstand of een gekwalificeerde vertaler;

R.  overwegende dat de Mauritaanse autoriteiten sinds 2006 bilaterale grensbeheerondersteuning hebben ontvangen van de Spaanse autoriteiten in een louter adviserende rol, onder meer door de fysieke inzet van de Guardia Civil; overwegende dat de statusovereenkomst van Frontex voor het eerst een niet-Mauritaanse actor in staat zou stellen om via de inzet van teamleden uitvoerende bevoegdheden uit te oefenen aan de grens van het land;

S.  overwegende dat Frontex tussen 2006 en 2018 af en toe gezamenlijke operaties heeft uitgevoerd in Mauritanië in het kader van operatie HERA; overwegende dat er nog geen evaluatie van deze samenwerking heeft plaatsgevonden met betrekking tot de gevolgen ervan voor de bescherming en eerbiediging van de mensenrechten van migranten in Mauritanië; overwegende dat Frontex op 20 september 2022 een cel voor risicoanalyse heeft geopend in Nouakchott in het kader van het inlichtingennetwerk Afrika-Frontex; overwegende dat er momenteel acht cellen voor risicoanalyse deel uitmaken van het inlichtingennetwerk Afrika-Frontex, met als taak gegevens over grensoverschrijdende criminaliteit te verzamelen en te analyseren en autoriteiten die betrokken zijn bij grensbeheer te ondersteunen;

1.  erkent dat de inzet van Frontex in Mauritanië in overeenstemming met het EU-acquis een positief effect kan hebben op de eerbiediging van de grondrechten; uit zijn diepe bezorgdheid over de situatie van de grondrechten in Mauritanië, in het bijzonder voor migranten en vluchtelingen, en is van mening dat de mogelijke sluiting van een statusovereenkomst tussen de EU en Mauritanië met betrekking tot de uitoefening van uitvoerende bevoegdheden door Frontex in Mauritanië een groot risico zou inhouden van ernstige en hoogstwaarschijnlijk aanhoudende schendingen van de grondrechten of internationale beschermingsverplichtingen;

2.  herinnert aan de wettelijke verplichting van Frontex om het EU-recht na te leven en ervoor te zorgen dat de grondrechten tijdens operaties volledig worden geëerbiedigd, en is van mening dat een mogelijke statusovereenkomst, op grond waarvan door Frontex ingezette teamleden met uitvoerende bevoegdheden taken kunnen uitvoeren in het kader van een specifiek operationeel plan, de nodige waarborgen en beschermende maatregelen moet bevatten om het recht en de beginselen van de EU te handhaven en de bescherming van de grondrechten te waarborgen, in overeenstemming met Verordening (EU) 2019/1896;

3.  uit zijn bezorgdheid over het feit dat de route door Mauritanië een van de dodelijkste ter wereld is en dat in 2021 het grootste aantal doden en vermisten werd opgetekend sinds de gegevens worden geregistreerd;

4.  uit zijn bezorgdheid over de mogelijke gevolgen van een statusovereenkomst voor het vrije verkeer in West-Afrika, met name in Mauritanië, en voor het protocol van de Economische Gemeenschap van West-Afrikaanse Staten betreffende het vrije verkeer van personen, verblijf en vestiging;

5.  is van mening dat de bepalingen van de modelstatusovereenkomst moeten worden verbeterd om een antwoord te bieden op de bovengenoemde ernstige bekommernissen die kunnen leiden tot ernstige leemten in de verantwoordingsplicht in geval van schendingen van de grondrechten, wat naar behoren moet worden aangepakt;

6.  dringt er bij de Commissie en Frontex met klem op aan onverwijld de volgende concrete maatregelen te nemen indien onderhandelingen over een statusovereenkomst worden voortgezet:

6.1  Europese Commissie

   a) expliciete waarborgen in de eventuele overeenkomst op te nemen zodat ingezette functionarissen bevelen van de Mauritaanse autoriteiten kunnen negeren indien deze in strijd zijn met de uit het EU-recht en het internationaal recht voortvloeiende verplichtingen van Frontex op het gebied van de grondrechten;
   b) geen specifieke bepalingen op te nemen die het mogelijk maken dat de overeenkomst voorlopig van kracht wordt voordat het Europees Parlement heeft besloten of het ermee instemt;
   c) ervoor te zorgen dat het Frontex-personeel aan wie immuniteit is verleend voor hun activiteiten in Mauritanië ter verantwoording kan worden geroepen op grond van de wetgeving van de EU of de lidstaten teneinde de rechtszekerheid te waarborgen; in samenwerking met de uitvoerend directeur van Frontex richtsnoeren vast te stellen inzake de opheffing van de immuniteit van ingezet personeel, waarin precies wordt vastgelegd hoe verzoeken van de autoriteiten van derde landen zullen worden behandeld en waarin de grondrechtenfunctionaris een sterke rol wordt toebedeeld;
   d) te voorzien in voldoende en toegankelijke interne en externe mechanismen voor personen van buiten de EU en ervoor te zorgen dat Frontex mechanismen opzet om klachten in eerste instantie te ontvangen, in overeenstemming met de aanbevelingen van de Europese Ombudsman;
   e) duidelijke richtsnoeren vast te stellen en, indien nodig, risicobeperkende maatregelen te nemen ter bestrijding van corruptie op bepaalde gebieden van samenwerking tussen functionarissen van Frontex en Mauritaanse autoriteiten en veiligheidstroepen, en waarborgen in te bouwen teneinde misbruik van materiële steun van de EU te voorkomen;
   f) naast de onderhandelingen over de statusovereenkomst de Mauritaanse autoriteiten steun en middelen te verlenen voor de ontwikkeling van een alomvattend wettelijk asielstelsel dat gebaseerd is op grondrechten en in overeenstemming is met de richtsnoeren en praktijken van de UNHCR, met inbegrip van steun voor het opbouwen van extra capaciteit voor Mauritaanse nationale mensenrechteninstellingen en mensenrechtenorganisaties uit het maatschappelijk middenveld; ervoor te zorgen dat een mogelijke toekomstige inzet van Frontex plaatsvindt in een juridische context waarin personen in nood doeltreffende toegang hebben tot procedures voor internationale bescherming, met inbegrip van toegang tot informatie, juridische bijstand, vertolking en noodzakelijke ondersteuning, en waarin de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties en van de mensenrechtenorganisaties wordt gewaarborgd;
   g) in de statusovereenkomst bepalingen en garanties op te nemen voor de passende bescherming van de mensenrechten om ervoor te zorgen dat de Mauritaanse autoriteiten de grondrechten eerbiedigen tijdens de operaties, met inbegrip van het toezicht op de naleving en solide manieren om de verantwoordingsplicht te waarborgen in geval van niet-naleving; ervoor te zorgen dat de Mauritaanse autoriteiten een onafhankelijk en doeltreffend klachtenmechanisme opzetten, in lijn met het klachtenmechanisme dat overeenkomstig artikel 111 van Verordening (EU) 2019/1896 door Frontex is ingesteld;
   h) te allen tijde de hoogste normen voor mensenrechtenwetgeving te handhaven tijdens de onderhandelingen over en de uitvoering van statusovereenkomsten en te zorgen voor de naleving van alle relevante verdragen en normen inzake mensenrechten waaraan de EU wettelijk gebonden is;
   i) het Europees Parlement ten volle en regelmatig te informeren over alle stappen van het onderhandelingsproces, overeenkomstig artikel 218, lid 10, VWEU, en het Europees Parlement in het algemeen op de hoogte te brengen alvorens onderhandelingen over een statusovereenkomst te openen met derde landen;
   j) indien de statusovereenkomst wordt gesloten, op gezette tijden de toepassing van de bepalingen ervan en de gezamenlijke operationele activiteiten te evalueren en deze evaluaties te delen, met bijzondere aandacht voor de gevolgen voor de grondrechten, en te voorzien in een passend mechanisme voor toezicht op de grondrechten in het kader van de activiteiten van Frontex;
   k) gelijktijdig met de uitvoering van de statusovereenkomst de bevoegde Mauritaanse autoriteiten als kernonderdeel van de uitvoerende activiteiten in het land opleidingen op het gebied van de grondrechten te verstrekken, onder meer over verplichtingen op het gebied van opsporing en redding en over de rechten van de betrokkenen, met inbegrip van beroepsprocedures tegen klachten;
   l) materiële ondersteuning voor de Mauritaanse grensautoriteiten te laten afhangen van de volledige eerbiediging van de grondrechten en ervoor te zorgen dat er toezicht wordt uitgeoefend;
   m) in overeenstemming met de aanpak van de grondrechtenfunctionaris van Frontex bij het starten van operaties op het grondgebied van een derde land en in samenwerking met de grondrechtenfunctionaris, effectbeoordelingen ex ante op het gebied van de grondrechten uit te voeren die relevant zijn voor de gebieden die verband houden met de mogelijke inzet van Frontex, alvorens onderhandelingen aan te gaan met derde landen over de sluiting van statusovereenkomsten, teneinde ten volle rekening te kunnen houden met de gevolgen van de mogelijke samenwerking en te kunnen onderhandelen over de nodige waarborgen, overeenkomstig overweging 88 van Verordening (EU) 2019/1896; deze effectbeoordeling, die tot spijt van het Parlement nog niet werd uitgevoerd, openbaar te maken of ten minste met de medewetgevers te delen;

6.2  Frontex

   a) te zorgen voor doeltreffend, proactief en tijdig overleg met de grondrechtenfunctionaris wanneer een besluit wordt genomen over het opzetten van een gezamenlijke operatie in Mauritanië, in overeenstemming met de vereisten van Verordening (EU) 2019/1896;
   b) het adviesforum van Frontex overeenkomstig artikel 108 van Verordening (EU) 2019/1896 te betrekken bij de ontwikkelingen in verband met de statusovereenkomst en overleg te plegen met het forum overeenkomstig zijn werkmethoden en mandaat, onder meer over de mogelijke organisatie van een bezoek ter plaatse aan Mauritanië;
   c) ervoor te zorgen dat in elk operationeel plan voor operaties op het grondgebied van Mauritanië:
   i) overeenkomstig artikel 111 van Verordening (EU) 2019/1896 een degelijk en formeel mechanisme is opgenomen om klachten in te dienen bij Frontex of bij de bevoegde Mauritaanse autoriteiten met betrekking tot acties of nalatigheden van ingezet personeel of personeel van het ontvangende land en duidelijke bepalingen zijn opgenomen inzake de follow-up- en handhavingsinstrumenten na het ontvangen van klachten, waarbij duidelijk over deze follow-up wordt gecommuniceerd;
   ii) in samenwerking met de Mauritaanse autoriteiten wordt beoogd de aanwezigheid van Frontex te waarborgen op kritieke gebieden waar de aanhouding of vernederende behandeling van migranten of geweld tegen hen waarschijnlijk is, en aan de grondrechtenfunctionaris en de toezichthouders voor de grondrechten volledige toegang te verlenen tot het operationele gebied in overeenstemming met de standaard werkprocedure van de grondrechtenfunctionaris, zodat er een onafhankelijk mechanisme bestaat voor het toezicht op en de evaluatie van de activiteiten van Frontex in Mauritanië en tegelijkertijd wordt gezorgd voor duidelijke toezeggingen inzake transparantie en informatie-uitwisseling met betrekking tot de activiteiten van Frontex;
   iii) wordt gewaarborgd dat de verzameling en analyse van persoonsgegevens volledig in overeenstemming zijn met Verordening (EU) 2018/1725(4) en de grondrechten worden geëerbiedigd;
   iv) nauwe samenwerking met de UNHCR wordt nagestreefd tijdens de operaties in Mauritanië om het recht op asiel te waarborgen;
   v) gezorgd wordt voor bepalingen inzake opleiding van het in Mauritanië ingezette Frontex-personeel over de regionale en Mauritaanse mensenrechtensituatie en het rechtskader;
   d) toe te zien op de naleving van de regels van Frontex inzake de opheffing van de immuniteit van ingezet personeel, waarin precies wordt vastgelegd hoe verzoeken van de autoriteiten van derde landen zullen worden behandeld en waarin de grondrechtenfunctionaris een sterke rol wordt toebedeeld; de inzet van functionarissen van het permanente korps afhankelijk te stellen van deze richtsnoeren;
   e) mechanismen te onderzoeken en, indien mogelijk, op te zetten voor personen die mogelijk getroffen worden door Frontex-acties op het grondgebied van Mauritanië zodat via externe organen doeltreffend beroep kan worden ingesteld;
   f) een memorandum van overeenstemming met Mauritanië te ondertekenen teneinde de klachtenmechanismen op elkaar af te stemmen;
   g) in geval van ondertekening van de statusovereenkomst en vaststelling van een operationeel plan ervoor te zorgen dat de grondrechtenfunctionaris op permanente wijze een toezichthouder voor de grondrechten inzet om toezicht te houden op de operaties in Mauritanië en op de samenwerking op het gebied van de grondrechten, overeenkomstig Verordening (EU) 2019/1896;
   h) speciale richtsnoeren op te nemen voor de behandeling van asielaanvragen ingediend door bijzonder kwetsbare migranten, met name kinderen, niet-begeleide minderjarigen, vrouwen, lhbtiq+-personen en leden van gemeenschappen die in hun land van herkomst het doelwit zijn van gericht geweld of discriminatoire vervolging;
   i) op een zinvolle manier te zorgen voor raadpleging van en dialoog en samenwerking met maatschappelijke organisaties en relevante belanghebbenden tijdens de planning, uitvoering en evaluatie van zijn operaties in Mauritanië, met inbegrip van de verspreiding van informatie;
   j) de gezamenlijke operaties in derde landen, waaronder Mauritanië, op gezette tijden te evalueren, met bijzondere aandacht voor de grondrechten, deze evaluaties te delen met het Europees Parlement en de Raad en ze openbaar te maken;

7.  de verantwoordelijkheid van Frontex te benadrukken voor het aanpakken van directe en indirecte mensenrechtenschendingen door zijn personeel in Mauritanië, overeenkomstig de bestaande procedures en teneinde de verantwoordingsplicht te waarborgen; herinnert eraan dat schendingen die ernstig zijn of waarschijnlijk zullen voortduren, ertoe leiden dat de aanwezigheid van Frontex-personeel in twijfel wordt getrokken en aanleiding moeten geven tot een herbeoordeling of opschorting van de inzet van Frontex in Mauritanië, overeenkomstig artikel 46, lid 4, van Verordening (EU) 2019/1896 en artikel 18 van de modelstatusovereenkomst; verzoekt Frontex dergelijke maatregelen aan de kaak te stellen om elke medeplichtigheid aan mensenrechtenschendingen door de Mauritaanse veiligheidstroepen te vermijden en samen te werken met de bevoegde autoriteiten om ervoor te zorgen dat vermeende mensenrechtenschendingen snel en op onpartijdige wijze worden onderzocht;

8.  verzoekt zijn Voorzitter deze aanbeveling te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, het Europees Grens- en kustwachtagentschap en zijn grondrechtenfunctionaris, alsmede aan de regering van Mauritanië en de ondertekenaars van de Overeenkomst van Cotonou tussen de Europese Unie en de groep van staten in Afrika, het Caribische gebied en het gebied van de Stille Oceaan.

(1) PB L 295 van 14.11.2019, blz. 1.
(2) PB L 181 van 7.7.2022, blz. 18.
(3) PB C 15 van 12.1.2022, blz. 70.
(4) Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen, organen en instanties van de Unie en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 45/2001 en Besluit nr. 1247/2002/EG (PB L 295 van 21.11.2018, blz. 39).

Juridische mededeling - Privacybeleid