Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2023/2004(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A9-0392/2023

Ingediende teksten :

A9-0392/2023

Debatten :

Stemmingen :

PV 16/01/2024 - 6.11
CRE 16/01/2024 - 6.11

Aangenomen teksten :

P9_TA(2024)0009

Aangenomen teksten
PDF 157kWORD 51k
Dinsdag 16 januari 2024 - Straatsburg
Uitvoering van het programma “Burgers, gelijkheid, rechten en waarden” 2021-2027 – Betrokkenheid en participatie van de burgers
P9_TA(2024)0009A9-0392/2023

Resolutie van het Europees Parlement van 16 januari 2024 over de uitvoering van het programma “Burgers, gelijkheid, rechten en waarden” 2021-2027 – betrokkenheid en participatie van de burgers (2023/2004(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien Verordening (EU) 2021/692 van het Europees Parlement en de Raad van 28 april 2021 tot vaststelling van het programma “Burgers, gelijkheid, rechten en waarden” en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1381/2013 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (EU) nr. 390/2014 van de Raad(1),

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 30 mei 2018 getiteld “Impact assessment accompanying the document: Proposal for a Regulation establishing the Rights and Values programme, Proposal for a Regulation establishing the Justice programme, Proposal for a Regulation establishing the Creative Europe programme” (Effectbeoordelingsverslag bij het voorstel voor een verordening tot vaststelling van het programma Rechten en waarden, het voorstel voor een verordening tot vaststelling van het programma Justitie en het voorstel voor een verordening tot vaststelling van het programma Creatief Europa) (SWD(2018)0290),

–  gezien het verslag over het EU-burgerschap 2020,

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien artikel 20 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en artikel 9 van het Verdrag betreffende de Europese Unie,

–   gezien het verslag van het Europees Parlement van 6 april 2022 over de uitvoering van acties op het gebied van burgerschapsvorming (2021/2008(INI)),

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 22 mei 2018 inzake de bevordering van gemeenschappelijke waarden, inclusief onderwijs en de Europese dimensie in lesgeven,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 3 december 2020 betreffende het actieplan voor Europese democratie (COM(2020)0790),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 2 december 2020 getiteld “Strategie ter versterking van de toepassing van het Handvest van de Grondrechten in de EU” (COM(2020)0711),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 18 september 2020 getiteld “Een Unie van gelijkheid: EU-actieplan tegen racisme 2020-2025” (COM(2020)0565),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 12 november 2020 “Een Unie van gelijkheid: strategie voor gelijkheid van lhbtiq’ers 2020-2025” (COM(2020)0698),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 5 maart 2020 getiteld “Een Unie van gelijkheid: strategie voor gendergelijkheid 2020-2025” (COM(2020)0152),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 5 oktober 2021 getiteld “EU-strategie ter bestrijding van antisemitisme en ter bevordering van het Joodse leven (2021-2030)” (COM(2021)0615),

–   gezien de mededeling van de Commissie van 7 oktober 2020 getiteld “Een Unie van gelijkheid: strategisch EU-kader voor gelijkheid, integratie en participatie van de Roma” (COM(2020)0620),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 24 maart 2021 getiteld “EU-strategie voor de rechten van het kind” (COM(2021)0142),

–  gezien artikel 54 van zijn Reglement, alsmede artikel 1, lid 1, punt e), van en bijlage 3 bij het besluit van de Conferentie van voorzitters van 12 december 2002 betreffende de procedure inzake het verlenen van toestemming voor het opstellen van initiatiefverslagen,

–  gezien het verslag van de Commissie cultuur en onderwijs (A9-0392/2023),

A.  overwegende dat actieve participatie in het politieke en culturele leven een grondrecht is dat voor iedereen in gelijke mate toegankelijk moet zijn; overwegende dat de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens voorziet in het recht om deel te nemen aan het bestuur en aan vrije verkiezingen, het recht om deel te nemen aan het culturele leven van de gemeenschap en het recht op vreedzame vergadering en vereniging, waardoor volledige deelname aan de samenleving mogelijk wordt;

B.  overwegende dat het burgerschap van de Unie mensen diverse rechten verleent, met name het recht een verzoekschrift tot het Europees Parlement te richten over kwesties die onder de verantwoordelijkheid van de EU vallen, het recht om vermeende gevallen van wanbeheer door een EU-instelling aan te kaarten bij de Europese Ombudsman, het recht om zich in een van de officiële talen van de EU tot een EU-instelling te wenden en een antwoord in dezelfde taal te ontvangen, en het recht op toegang tot documenten van het Parlement, de Raad en de Commissie overeenkomstig de toepasselijke EU-regels;

C.  overwegende dat de huidige en opkomende systemische uitdagingen, zoals de klimaatcrisis, wereldwijde pandemieën, de digitale transitie en sociale ongelijkheid, de aanpassing van structuren vereisen, evenals benaderingen waarmee wordt gewaarborgd dat burgers actief kunnen participeren in de samenleving; overwegende dat in het kader van actieve digitale betrokkenheid van burgers rekening moet worden gehouden met de digitale kloof tussen generaties en sociale groepen, en tussen goed verbonden stedelijke gebieden en plattelands- en afgelegen gebieden en dat deze kloof moet worden verkleind, en dat tegelijkertijd de algemene digitale geletterdheid moet worden verbeterd;

D.  overwegende dat EU-programma’s waarmee burgerparticipatie, rechten en waarden en het gevoel erbij te horen worden bevorderd en waarmee wordt gewerkt aan sociale en burgerschapscompetenties en kritisch denken, belangrijker zijn dan ooit;

E.  overwegende dat burgerparticipatie moet worden opgevat als een proces dat zich op meerdere niveaus afspeelt en het lokaal, regionaal, nationaal, Europees en mondiaal niveau omvat, door middel waarvan mensen bewustzijn en kennis opdoen en hun mening uiten door deel te nemen aan en invloed uit te oefenen op de beslissingen die van invloed zijn op hun leven; overwegende dat deelnemers uit plattelands- en afgelegen gebieden moeten worden aangemoedigd om aan het programma deel te nemen; overwegende dat de aanhoudende processen van mondialisering en Europese integratie vereisen dat de nieuwe generatie van Europeanen zich steeds sterker op verschillende niveaus politiek engageert om te kunnen leven en werken in een internationale context en in het dagelijks leven te kunnen omgaan met verschillen; overwegende dat samenlevingen steeds diverser worden, waardoor eerbiediging van de menselijke waardigheid, de diversiteit van culturen en achtergronden en de afwijzing van elke vorm van discriminatie van vrouwen, lhbtiq+’ers, etnische minderheden en andere gemarginaliseerde groepen belangrijker dan ooit zijn binnen Europa;

F.  overwegende dat de in de lidstaten waargenomen sociaal-politieke veranderingen, gaande van sociale polarisatie en gering institutioneel vertrouwen tot afbrokkeling van de democratie, de uitholling van de rechtsstaat, de krimpende ruimte voor het maatschappelijk middenveld, op uitsluiting gericht nationalisme en de instrumentalisering van euroscepticisme voor politieke doeleinden, in combinatie met de opkomst van extremistische bewegingen en autoritaire regimes, infiltratie van religieus fundamentalisme, en desinformatiecampagnes en onjuiste informatie, een ernstige bedreiging kunnen vormen voor de Europese democratieën en de Unie als geheel kunnen destabiliseren; overwegende dat de versterking van de actieve participatie en betrokkenheid van burgers door middel van formeel, niet-formeel en informeel onderwijs en een leven lang leren een essentiële rol speelt bij het tegengaan van deze tendens;

G.  overwegende dat het ontstaan van een Europees burgerschap is belemmerd door een kenniskloof en een emotionele kloof, hetgeen vaak verband houdt met verkeerde opvattingen over de EU en daarom gepaard moet gaan en versterkt moet worden met een reeks mechanismen die burgerparticipatie en interculturele dialoog mogelijk maken; overwegende dat een beter inzicht in onze gedeelde Europese geschiedenis en een sterkere burgerparticipatie in het sociale en politieke leven een gunstig effect kunnen hebben op het ontstaan van een Europese identiteit die een aanvulling vormt op de meervoudige lokale, regionale, nationale, geografische, culturele of andere identiteiten van burgers; overwegende dat actieve burgerparticipatie en -dialoog samenhangen met de Europese dimensie van burgerschapsvorming en doeltreffend kunnen bijdragen tot de totstandbrenging van een Europees burgerschap met duidelijke rechten en plichten;

H.  overwegende dat ontoereikende burgerparticipatie, beperkte kennis van de EU en een gebrekkig inzicht in de toegevoegde waarde van de EU de perceptie van een democratisch tekort in de hand kunnen werken en leiden tot euroscepticisme in de lidstaten;

I.  overwegende dat de inkrimping van de ruimte voor het maatschappelijk middenveld in de Europese Unie en andere landen die aan het programma deelnemen van invloed is op de democratische participatie van maatschappelijke organisaties en op hun rol om checks-and-balances met betrekking tot de rechtsstaat te waarborgen; overwegende dat acties om de participatie van het maatschappelijk middenveld te ondersteunen en mogelijk te maken, met inbegrip van de participatie van organisaties die minderheden vertegenwoordigen en organisaties aan de basis die over een lange staat van dienst en aanzienlijke ervaring beschikken, van het grootste belang zijn voor de verdediging van de democratie, de rechtsstaat en de mensenrechten in de lidstaten;

J.  overwegende dat maatschappelijke organisaties die minderheden vertegenwoordigen van cruciaal belang zijn voor de zelfvertegenwoordiging en maatschappelijke betrokkenheid van mensen die als minderheid worden behandeld, met name voor groepen die geen andere formele kanalen voor politieke vertegenwoordiging hebben;

K.  overwegende dat er in 2020 meer dan 22 miljoen onderdanen van derde landen met verblijfplaats in de EU waren; overwegende dat deze groepen geen toegang hebben tot formele politieke activiteiten, waaruit volgt dat het leven van miljoenen mensen wordt beïnvloed door beslissingen die worden genomen zonder hun betrokkenheid of inbreng; overwegende dat dit neerkomt op een fundamenteel democratisch tekort in de hele EU op alle niveaus en een uitdaging vormt voor de totstandbrenging van duurzame, billijke en doeltreffende beleidsmaatregelen en programma’s; overwegende dat de daadwerkelijke uitoefening van mensenrechten die verband houden met politieke en publieke participatie van niet-burgers een cruciale rol speelt bij de bevordering van democratisch bestuur, de rechtsstaat, sociale inclusie, economische ontwikkeling en de uitbanning van marginalisering en discriminatie in de EU;

De beginfase van de uitvoering van het programma “Burgers, gelijkheid, rechten en waarden” 2021-2027: onderdeel 3 – betrokkenheid en participatie van de burgers

1.  is er vast van overtuigd dat het programma “Burgers, gelijkheid, rechten en waarden” (het CERV-programma) een unieke bijdrage levert aan de versterking van de betrokkenheid en participatie van burgers vanuit het oogpunt van de grondrechten door een doeltreffende combinatie van waarden, dialoog met het maatschappelijk middenveld en burgerschap te bieden en tegelijkertijd sociale en gendergelijkheid, diversiteit door middel van steun voor de bescherming van regionaal erfgoed, historisch bewustzijn en de bestrijding van discriminatie en geweld te bevorderen; is van mening dat het CERV-programma een essentieel instrument is voor de toekomst van de EU en voor het aanpakken van sociaal-politieke uitdagingen, zoals de kenniskloof, euroscepticisme, de krimpende ruimte voor het maatschappelijk middenveld, en de uitholling en het uitdagen van de rechtsstaat in heel Europa; spoort ertoe aan dat met het programma acties worden ondersteund die gericht zijn op het opbouwen van de veerkracht van maatschappelijke organisaties, met inbegrip van organisaties die zich concentreren op de rechtsstaat en de EU-waarden;

2.  herinnert eraan dat de uitvoering van het CERV-programma zich nog in een vroeg stadium bevindt, aangezien de verordening tot vaststelling van het programma pas in 2021 is aangenomen; wijst erop dat om deze reden slechts enkele projecten in het kader van onderdeel 3 zijn voltooid en dat er weinig informatie van de begunstigden beschikbaar is om de resultaten nauwkeurig te kunnen beoordelen;

3.  verzoekt de Commissie prioriteit te geven aan het verzamelen van gegevens over het CERV-programma, met name over kansarme groepen, met inbegrip van gemarginaliseerde gemeenschappen, minderheden en kwetsbare bevolkingsgroepen, teneinde hun unieke uitdagingen aan te pakken en onderzoek naar hun ervaringen te bevorderen; benadrukt dat er sterke monitoring- en evaluatiemechanismen nodig zijn; meent dat deze aanpak zal helpen om input te leveren voor beleidsontwikkeling, ervoor te zorgen dat kansarme groepen op zinvolle wijze kunnen deelnemen aan initiatieven in verband met burgerparticipatie, hun stem luider te doen klinken en een inclusiever en billijker programma tot stand te brengen, en dat hierdoor tegelijk wordt gezorgd voor betere toekomstige evaluaties in het algemeen;

4.  beklemtoont dat het programma te kampen had met verschillende uitdagingen die de eerste fasen van de uitvoering hebben belemmerd, waaronder tal van externe factoren, zoals de COVID‑19-pandemie en de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne, en dat deze uitdagingen de rechten van burgers en hun deelname aan de democratie hebben verstoord en in gevaar hebben gebracht; merkt echter op dat de uitvoering na een trage start vaart heeft gekregen en dat het programma inmiddels goed functioneert; benadrukt voorts dat er bewustmakingscampagnes moeten worden georganiseerd om een breder segment van de bevolking te bereiken, met name uit plattelandsgebieden;

5.  stelt bezorgd vast dat het gebruik en de invoering van nieuwe digitale instrumenten voor de uitvoering van EU-fondsen (bv. het eGrants-instrument) voor begunstigden een belangrijk punt lijken te zijn wat de ontwikkeling van het programma betreft; betreurt dat complexe procedures ook een belemmering zijn geweest voor de deelname van kleinere organisaties die niet over de nodige tijd en middelen beschikken om de aanvraagprocedure binnen de vastgestelde termijnen te doorlopen; is van mening dat het ontwerp van deze instrumenten het programma beperkt in zijn vermogen om zich aan te passen aan nieuwe ontwikkelingen en veranderende behoeften; dringt erop aan de administratieve lasten weg te nemen en de aanvraag-, gunnings- en rapportageprocedures te vereenvoudigen; beklemtoont dat vereenvoudiging van de administratieve vereisten ook een efficiëntere en flexibelere aanvraagprocedure omvat voor organisaties die meerjarige kaderpartnerschapsovereenkomsten hebben ondertekend, onder meer om te kunnen anticiperen op beleidsontwikkelingen; benadrukt voorts dat het noodzakelijk is het portaal voor het indienen van aanvragen gebruiksvriendelijker te maken, met name voor kleinschalige organisaties, en dat alle documenten in verband met de procedure in alle EU-talen moeten worden vertaald om een bredere deelname uit alle lidstaten te bevorderen en culturele diversiteit te waarborgen;

6.  betreurt dat het voor de lidstaten niet verplicht is een nationaal contactpunt voor het CERV-programma op te zetten om aanvragers, belanghebbenden en begunstigden neutraal advies, nuttige informatie en ondersteuning te bieden, met inbegrip van bijstand bij de aanvraagprocedure, en gemakkelijk te begrijpen informatie over de programmaresultaten te delen; stelt met spijt vast dat in juni 2023 slechts 20 lidstaten een nationaal contactpunt hadden opgezet;

7.  stelt ernstig bezorgd vast dat de huidige inflatiecijfers gevolgen hebben voor de lopende kosten voor begunstigden van het CERV-programma; betreurt dat begunstigden problemen ondervinden bij de uitvoering van hun geplande activiteiten, met name wat de eenheidskosten voor reis-, verblijfs- en dagvergoedingen betreft, en dat zij sommige van de oorspronkelijk geplande activiteiten wellicht zullen moeten terugschroeven om binnen de begroting te blijven;

Beleidsaanbevelingen voor de toekomst van het CERV-programma

8.  verzoekt de Commissie de groep voor de dialoog met het maatschappelijk middenveld op te zetten om te zorgen voor een regelmatige, open en transparante dialoog, teneinde in alle fasen van het programma de dialoog met het maatschappelijk middenveld op zodanige wijze te versterken dat een tweerichtingsproces tussen instellingen op alle niveaus en alle relevante belanghebbenden, met name maatschappelijke organisaties, wordt ondersteund, en als onderdeel van de uitvoering van artikel 11 van Verordening (EU) 2021/692 de dialoog met het maatschappelijk middenveld te gebruiken als instrument voor governance en om prioriteiten voor het tweejarig werkprogramma vast te stellen en de collectieve dimensie van burgerparticipatie als cruciale dimensie van democratie en de rechtsstaat verder te bevorderen; herinnert er in dit verband aan dat innovatieve acties ter ondersteuning van de dialoog met het maatschappelijk middenveld moeten worden bevorderd, onder meer met het oog op de bevordering van een cultuur van een op vertrouwen gebaseerd partnerschap met begunstigden; dringt met name aan op acties voor capaciteitsopbouw ter ondersteuning van de brede participatie van het maatschappelijk middenveld, met name door middel van koppelingen met andere financieringsregelingen in gedeeld beheer, zoals het instrument voor technische ondersteuning;

9.  herinnert eraan dat de actieve participatie van burgers moet worden gestimuleerd door de Europese dimensie van burgerschapsvorming te versterken, zowel in lesverband als in buitenschoolse activiteiten; benadrukt dat burgerschapsvorming met een echt Europese dimensie burgers kan informeren en vormen in een geest van maatschappelijke betrokkenheid en burgerparticipatie, en dat passende EU-richtsnoeren een nuttig instrument kunnen zijn in dit verband; benadrukt dat het belangrijk is niet‑burgers die in de EU wonen en hun organisaties in eigen beheer in de doelgroep van het CERV-programma op te nemen, hetgeen democratisch bestuur, de rechtsstaat en sociale inclusie zal bevorderen;

10.  verzoekt de lidstaten die nog geen nationaal contactpunt hebben aangewezen dit zo snel mogelijk te doen, en verzoekt de Commissie om met het netwerk van nationale contactpunten te blijven samenwerken door middel van vergaderingen, opleidingsactiviteiten en specifieke uitwisselingen, aangezien de organisatie daarvan tot dusver zeer succesvol is gebleken; spoort de Commissie, de lidstaten en de nationale contactpunten er in dit verband toe aan een Europees netwerk van nationale contactpunten op te zetten om het delen van beste praktijken en de uitwisseling van kennis te vergemakkelijken; spoort de Commissie er tevens toe aan een netwerk van CERV-begunstigden op te richten zodat zij ervaringen en beste praktijken kunnen uitwisselen om een dieper inzicht te krijgen in de lokale en nationale realiteit in de hele EU en daarbuiten;

11.  neemt kennis van de resultaten van de invoering van verschillende soorten mechanismen voor het opnieuw toekennen van subsidies in het kader van het CERV-programma, die tot dusver zeer bemoedigend zijn geweest; dringt aan op een kwalitatieve en kwantitatieve analyse van de verschillende oproepen tot het opnieuw toekennen van subsidies om het gebruik ervan in voorkomend geval uit te breiden tot de andere onderdelen van het CERV-programma, en met name tot onderdeel 3, teneinde ervoor te zorgen dat de EU-financiering terechtkomt bij maatschappelijke organisaties aan de basis die over een lange staat van dienst en aanzienlijke ervaring beschikken; dringt er bij de Commissie op aan de administratieve procedures en vereisten voor het opnieuw toekennen van subsidies verder te vereenvoudigen om organisaties die het opnieuw toekennen van subsidies aanvragen meer flexibiliteit te bieden ten aanzien van secundaire begunstigden, waarbij passende normen op het gebied van arbeid, gezondheidszorg en sociale bescherming worden gewaarborgd; is van mening dat de medefinancieringsvereisten kunnen worden herzien om de regels aan te passen aan de situatie van de begunstigde, teneinde een grotere verscheidenheid aan begunstigden – zowel personen als microstructuren – en thematische gebieden te ondersteunen; benadrukt dat het belangrijk is het gebruik van het programma te bevorderen op alle niveaus van de onderwijssector, met inbegrip van leerlingen en studenten, leerkrachten, onderwijspersoneel en jeugdwerkers; beklemtoont dat een groter percentage van de subsidiebedragen van het CERV-programma betrekking moet hebben op financiering op het gebied van rechten, gelijkheid, waarden en burgerparticipatie, waarvoor andere financieringsbronnen zeer schaars zijn of ontbreken; dringt er bij de Commissie op aan ervoor te zorgen dat de financiering naar structuren gaat die het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie eerbiedigen, bijvoorbeeld door het opzetten van controlemechanismen om passende normen op het gebied van arbeid, gezondheidszorg en sociale bescherming te garanderen; dringt aan op een beoordeling van de mechanismen voor het opnieuw toekennen van subsidies om na te gaan of deze doeltreffend en voldoende flexibel zijn voor het bereiken van groepen aan de basis en het ondersteunen van organisaties in landen met een krimpende ruimte voor het maatschappelijk middenveld;

12.  dringt erop aan de begroting van het programma in het volgende meerjarig financieel kader (MFK) te verhogen tot 2,6 miljard EUR om tegemoet te komen aan de toenemende vraag naar initiatieven op het gebied van maatschappelijke betrokkenheid en democratische participatie, en op de instelling van een ad-hocmechanisme voor de bescherming van mensenrechtenverdedigers, vergelijkbaar met bestaande mechanismen voor mensenrechtenverdedigers buiten de EU of voor de bescherming van journalisten, en om in het algemeen het effect van de inflatie op de programmakosten aan te pakken, mede gezien de conclusies van de Conferentie over de toekomst van Europa over Europees burgerschap en onderwijs en het strategische belang van het CERV-programma voor de uitvoering van EU-prioriteiten;

13.  benadrukt dat doeltreffende communicatie- en bewustmakingsactiviteiten essentieel zijn om van het programma een succes te maken en daarom prioriteit moeten krijgen om ervoor te zorgen dat potentiële begunstigden, met name op lokaal niveau, bij het programma worden betrokken;

14.  erkent dat uitwisselingen en de deelname aan activiteiten in het kader van het CERV‑programma van cruciaal belang zijn voor het opbouwen van de capaciteit van maatschappelijke organisaties met het oog op burgerparticipatie en de bevordering van de waarden van de EU in derde landen; beklemtoont dat actieve betrokkenheid en inzet ten aanzien van de Europese waarden niet beginnen bij een toetredingsovereenkomst maar het resultaat zijn van het langdurige werk van activisten en maatschappelijke organisaties om deze ideeën te bevorderen en lokale activisten in derde landen te ondersteunen; spoort de Commissie ertoe aan de deelname van niet‑EU‑burgers te vergemakkelijken door maatschappelijke organisaties van buiten de EU bij CERV‑activiteiten te betrekken; dringt er daarom op aan dat het CERV‑programma de kosten dekt voor deelname van vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld, ten minste voor deelnemers uit kandidaat-lidstaten en geassocieerde landen, ongeacht of hun land bij het CERV‑programma betrokken is; benadrukt dat de uitdagingen in verband met de oorlog in Oekraïne moeten worden aangepakt door projecten met Oekraïense partners aan te moedigen door middel van herdenking, activiteiten op het gebied van democratische participatie en het herstellen van het Oekraïense culturele erfgoed;

15.  herhaalt zijn oproep om van het CERV-programma een hefboom te maken voor actie op het gebied van het Europees historisch bewustzijn door actief steun te verlenen aan structuren die gericht zijn op het bevorderen van een kritisch historisch geheugen, bijvoorbeeld op het gebied van transnationaal onderzoek en bezoeken aan gedenkplaatsen, zowel in de EU als daarbuiten; verzoekt met name om historisch en cultureel revisionisme aan de kaak te stellen; verzoekt de Commissie en de lidstaten bijzondere aandacht te besteden aan gevoelige maatschappelijke kwesties die gebruikt kunnen worden voor mogelijke instrumentalisering;

16.  vraagt om met het CERV-programma steun te verlenen aan de opkomende dynamiek om stedenbanden en netwerken van steden te koppelen aan twinning van onderwijsinstellingen, hetgeen de Europese dimensie, de uitwisseling van goede praktijken en het gevoel erbij te horen kan versterken;

17.  dringt er bij de Commissie op aan de administratieve procedures voor vierjarige kaderpartnerschappen voor exploitatiesubsidies verder te vereenvoudigen, met name wat betreft de specifieke kenmerken van het gebruikte IT-instrument, dat geschikter lijkt voor de aard van actiesubsidies;

o
o   o

18.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 156 van 5.5.2021, blz. 1.

Laatst bijgewerkt op: 20 juni 2024Juridische mededeling - Privacybeleid