Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2023/2112(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A9-0402/2023

Ingediende teksten :

A9-0402/2023

Debatten :

Stemmingen :

PV 17/01/2024 - 8.16

Aangenomen teksten :

P9_TA(2024)0030

Aangenomen teksten
PDF 155kWORD 51k
Woensdag 17 januari 2024 - Straatsburg
Europees historisch bewustzijn
P9_TA(2024)0030A9-0402/2023

Resolutie van het Europees Parlement van 17 januari 2024 over Europees historisch bewustzijn (2023/2112(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 165 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien zijn resolutie van 19 september 2019 over het belang van Europese herinnering voor de toekomst van Europa(1),

–  gezien zijn resolutie van 2 april 2009 over het Europese geweten en het totalitarisme(2),

–  gezien Verordening (EU) 2021/692 van het Europees Parlement en de Raad van 28 april 2021 tot vaststelling van het programma “Burgers, gelijkheid, rechten en waarden” en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1381/2013 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (EU) nr. 390/2014 van de Raad(3),

–  gezien zijn resolutie van 11 november 2021 over de Europese onderwijsruimte: een gedeelde holistische benadering(4),

–  gezien zijn resolutie van 8 maart 2022 over de rol van cultuur, onderwijs, media en sport bij racismebestrijding(5),

–  gezien zijn resolutie van 6 april 2022 over de uitvoering van acties op het gebied van burgerschapsvorming(6),

–  gezien zijn resolutie van 14 december 2022 over de uitvoering van de nieuwe Europese agenda voor cultuur en de EU-strategie voor internationale culturele betrekkingen(7),

–  gezien zijn resolutie van 21 januari 2021 over de EU-strategie inzake gendergelijkheid(8),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 18 september 2020 getiteld “Een Unie van gelijkheid: EU-actieplan tegen racisme 2020-2025” (COM(2020)0565),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 14 juni 2016 over ondersteuning bij de voorkoming van radicalisering die tot gewelddadig extremisme leidt (COM(2016)0379),

–  gezien het Europees Cultureel Verdrag van 19 december 1954(9),

–  gezien de studie die is uitgevoerd voor de Commissie cultuur en onderwijs, getiteld “Europees historisch geheugen: beleid, uitdagingen en vooruitzichten”(10),

–  gezien de studie die is uitgevoerd voor de Commissie cultuur en onderwijs, getiteld “European Identity”(11),

–  gezien artikel 54 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie cultuur en onderwijs (A9-0402/2023),

A.  overwegende dat het complexe, door conflicten geteisterde en omstreden verleden van Europa zowel een uitdaging als een kans voor Europese integratie vormt, met de erkenning dat een goed geïnformeerd historisch bewustzijn wederzijds begrip en tolerantie bevordert;

B.  overwegende dat op gender, geloof en etniciteit gebaseerde onrechtvaardigheid al eeuwenlang voorkomt in de Europese geschiedenis, onder meer in de vorm van antisemitisme en antiziganisme, met gevolgen voor Europa en de rest van de wereld;

C.  overwegende dat aandacht voor de geschiedenis en in het verleden voorkomende onrechtvaardigheid ons helpt om verschillende vormen van onverdraagzaamheid en ongelijkheid aan te pakken en inclusievere samenlevingen op te bouwen;

D.  overwegende dat de geschiedenis nooit mag worden gerelativeerd, vervormd of vervalst voor politieke doeleinden;

E.  overwegende dat historisch negationisme en andere vormen van gekleurde interpretaties van de geschiedenis een grote bedreiging vormen, wantrouwen en conflicten tussen volkeren en naties in de hand werken en inspanningen ter bevordering van historische rechtvaardigheid en verzoening ondermijnen;

F.  overwegende dat de omgang met het verleden de grootst mogelijke onpartijdigheid en objectiviteit vereist, zowel in de geschiedwetenschap als in de politiek;

G.  overwegende dat het historisch geheugen in aanzienlijke mate subjectief is, aangezien de keuze van datgene wat herinnerd moet worden en de interpretatie van het verleden per definitie op waardeoordelen zijn gebaseerd;

H.  overwegende dat er weliswaar “historische feiten” zijn op basis van wetenschappelijk historisch onderzoek, onderwijs, het behoud van historische bronnen en het behoud van bronnen en locaties van historisch belang, maar dat er geen homogene, onbetwistbare en eeuwige “historische waarheid” bestaat die een bepaalde groep of natie kan monopoliseren en uitsluitend voor zichzelf kan opeisen, of kan misbruiken om het bestaan van andere volkeren, naties of staten te ontkennen;

I.  overwegende dat voor het geschiedenisonderwijs een interdisciplinaire benadering en het in context plaatsen van historische elementen van essentieel belang zijn, en dat dit moet worden gekoppeld aan het onderwijs in Europees burgerschap en aan uitwisselings- en mobiliteitsprogramma’s;

J.  overwegende dat het bevorderen van kritisch, internationaal historisch bewustzijn door middel van onderwijs en andere middelen van cruciaal belang is om Europeanen inzicht te laten krijgen in, en in het reine te laten komen met hun verleden, zodat zij vol vertrouwen kunnen omgaan met het heden en kunnen toewerken naar een gemeenschappelijke toekomst;

K.  overwegende dat Europees historisch bewustzijn wordt opgevat als zowel individuele als collectieve vermogens en vaardigheden om de geschiedenis te begrijpen, kritisch te beoordelen en ervan te leren, wat het gemakkelijker maakt te erkennen dat er een onlosmakelijk verband en onderlinge verwevenheid bestaan tussen verleden, heden en toekomst;

De omgang met het verleden van Europa als risico en kans

1.  onderkent dat de uiteenlopende en dikwijls tegenstrijdige geschiedenis van de Europese naties en staten ervoor zorgt dat elke inspanning om de geschiedenis op politiek niveau aan de orde te stellen een heikele en potentieel gevaarlijke onderneming is, en dat pogingen om te bepalen hoe het verleden herdacht en geïnterpreteerd moet worden altijd problematisch blijken te zijn;

2.  benadrukt dat het beginsel historia magistra vitae veel mogelijkheden biedt en beschouwt name de tragische perioden en de donkere kanten van de Europese geschiedenis niet alleen als een krachtige herinnering aan fouten uit het verleden die zich niet mogen herhalen, maar ook als een oproep om samen te werken aan democratische en inclusieve samenlevingen in de Unie en wereldwijd;

3.  is van mening dat een verantwoordelijke, empirisch onderbouwde en kritische omgang met het verleden, met nadruk op de gemeenschappelijke Europese waarden, een conditio sine qua non is voor elk democratisch politiek orgaan, teneinde de huidige en toekomstige generaties bewust te maken van zowel verworvenheden als aberraties uit het verleden, een publiek debat dat blijk geeft van zelfreflectie te versterken en begrip en verzoening binnen en tussen bepaalde sociale groepen, naties en staten te bevorderen;

Door het verleden ingegeven politiek in de Europese Unie – een kritische beoordeling

4.  benadrukt de noodzaak van een eerlijke beoordeling van de op het verleden gerichte politiek van de EU, waarmee zij heeft gepoogd het Europese project meer legitimiteit te geven, het Europese saamhorigheidsgevoel te versterken en de vreedzame coëxistentie van de volkeren van het continent te bevorderen, door zowel de successen als de bestaande tekortkomingen te erkennen en door de manieren waarop burgers zijn aangemoedigd om zich met het verleden bezig te houden, onder de loep te nemen;

5.  neemt kennis van de vele vroegere en actuele initiatieven op Europees niveau ter bevordering van een gemeenschappelijk Europees historisch geheugen, waaronder de Herdenkingsdag voor de Holocaust en de Europese Herdenkingsdag voor de slachtoffers van alle totalitaire en autoritaire regimes, alsook het opnemen van een speciale herdenkingscomponent in het vroegere programma Europa voor de burger en in het huidige programma Burgerschap, gelijkheid, rechten en waarden (CERV), en diverse resoluties van het Parlement, zoals die van 2 april 2009 over het Europese geweten en het totalitarisme en van 19 september 2019 over het belang van Europese herinnering voor de toekomst van Europa;

6.  uit zijn bezorgdheid over het feit dat er in Europa, niet alleen tussen West- en Oost-Europa maar ook tussen landen en naties in bepaalde delen van het continent, nog altijd sprake is van latente concurrentie en een zekere onverenigbaarheid tussen verschillende herinneringskaders en -culturen; benadrukt dat alle Europese landen deels dezelfde, maar ook uiteenlopende ervaringen hebben opgedaan die tot een gedeelde Europese geschiedenis behoren; wijst op de misdaden van nazi-, fascistische en communistische totalitaire regimes en tijdens het kolonialisme, en de rol die deze misdaden hebben gespeeld bij het vormgeven van historische percepties in Europa; benadrukt dat de bestaande regionale en ideologische verschillen in historisch bewustzijn tussen Europese landen en volkeren moeten worden gedicht om een gemeenschappelijke basis te creëren voor dialoog, wederzijds begrip en respect;

7.  wijst erop dat de verschrikkingen uit het verleden als een “negatieve ontstaansmythe” fungeren en het Europese vredesproject een sterke doelgerichtheid verlenen, maar onderkent dat het feit dat de Unie zich vooral concentreert op het vertellen van een verhaal over zichzelf ex negativo het risico met zich meebrengt dat een teleologische en simplistische zwart-witweergave van de geschiedenis wordt gevoed die een op kennis gebaseerd begrip van het complexe verleden van Europa in de weg kan staan en er minder toe stimuleert om de stereotypen en heilige koeien uit de nationale geschiedenis in twijfel te trekken;

Naar een geïnformeerd historisch bewustzijn in Europa

8.  wijst op de noodzaak van een breder en omvattender begrip van de Europese geschiedenis voor het ontstaan van een kritisch en zelfreflectief Europees historisch bewustzijn, met name door de huidige Europese herdenkingsinitiatieven een bredere focus te geven, waarbij ook rekening wordt gehouden met groepen die tot nu toe ondervertegenwoordigd zijn, en door innovatieve manieren van geschiedenisonderwijs te bevorderen;

9.  benadrukt dat het belangrijk is af te stappen van een Europese “herinneringscultuur” die voornamelijk van bovenaf wordt vastgesteld en bepaalt wat de Europeanen zich moeten herinneren, en in plaats daarvan toe te werken naar een door burgers gedragen bottom-upcultuur van herinneren die gebaseerd is op gemeenschappelijke Europese beginselen en waarden en die de nadruk legt op het ontwikkelen van het vermogen tot kritische verwerking van het verleden op lokaal, regionaal, nationaal en Europees niveau, in samenwerking met maatschappelijke organisaties;

10.  wijst erop dat het cruciaal is om het verleden van Europa te benaderen op basis van de Europese kernwaarden die zijn vastgelegd in artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en de ethische en filosofische tradities die aan deze waarden ten grondslag liggen, en om een open sfeer van discussie te creëren die het ook mogelijk maakt om moeilijke elementen van nationale geschiedenissen aan de orde te stellen en die zorgt voor wederzijds begrip en verzoening, zowel binnen en tussen Europese naties, als tussen Europese naties en de rest van de wereld;

11.  is van mening dat de vrijheid om les te geven, te studeren en onderzoek te doen, met inbegrip van de vrije toegang tot archieven en bronnen, naast de vrijheid van artistieke expressie, een voorwaarde is voor het genereren en verspreiden van onbevooroordeelde en op feiten gebaseerde kennis in democratische samenlevingen, en voor een kritische omgang met geschiedenis in het bijzonder; roept de Commissie en de lidstaten op om deze vrijheden die momenteel in gevaar zijn, met name als gevolg van gevallen van misbruik van wetten inzake gedenken, te beschermen, onder meer door middel van het rechtsstaatmechanisme van de EU;

12.  wijst op de cruciale rol van onderwijs en verzoekt de lidstaten hun huidige curricula en lesmethoden te moderniseren en het zwaartepunt te verleggen van nationale naar Europese en mondiale geschiedenis, zodat er meer ruimte komt voor het supranationaal historisch besef, met name door het toelaten van verschillende perspectieven op de geschiedenis en door het bevorderen van een stijl van lesgeven die reflectie en discussie over kennisoverdracht stimuleert en waarbij de algemene doelstelling centraal staat om leerlingen te leren hoe zij moeten denken en niet wat zij moeten denken;

13.  onderstreept het cruciale belang van het leren over de Europese integratie, de geschiedenis, de instellingen en de fundamentele waarden van de Unie en het Europees burgerschap voor het ontstaan van een Europees gevoel van verbondenheid; dringt aan op onderwijs in de Europese geschiedenis en de Europese integratie, die in een mondiale context moeten worden gezien, en roept ertoe op om de Europese burgerschapsvorming integraal deel te laten uitmaken van de nationale onderwijsstelsels; wijst op de inspanningen die op EU-niveau zijn geleverd om de kennis over de Unie en haar geschiedenis te verbeteren, met inbegrip van de zogenaamde Jean Monnet-acties; verzoekt de Commissie en de lidstaten om, onder meer via de werkgroep gelijkheid en waarden van de Europese onderwijsruimte, te werken aan maatregelen die specifiek betrekking hebben op de ontwikkeling van Europees historisch bewustzijn, en gezamenlijk een “EU-handboek” op te stellen voor leeractiviteiten met gemeenschappelijke richtsnoeren en onpartijdige feiten en cijfers voor het onderwijzen van de Europese geschiedenis;

14.  is van mening dat chauvinisme, genderstereotypen, machtsasymmetrieën en structurele ongelijkheden diep geworteld zijn in de Europese geschiedenis, en betreurt het gebrek aan een voldoende multiculturele en genderbewuste benadering in het geschiedenisonderwijs; acht het van essentieel belang de marginalisering van vrouwen en andere ondervertegenwoordigde maatschappelijke groepen in de geschiedenis aan te pakken en verzoekt de lidstaten om hier in de nationale leerplannen meer aandacht te besteden;

15.  benadrukt de noodzaak van interdisciplinair en intersectioneel geschiedenisonderwijs dat innovatieve en leerlinggerichte pedagogie toepast, zoals interactieve, verhalende en leergestuurde benaderingen voor alle generaties, gebruik maakt van een uitgebreide reeks bronnen, technologieën en leermaterialen, waaronder grensoverschrijdende en transnationale geschiedenisboeken en mondelinge geschiedenissen, en analytische en kritische denkvaardigheden bevordert;

16.  wijst op de centrale rol die leerkrachten spelen bij het genereren en overdragen van competenties die nodig zijn om historische feiten te begrijpen en kritisch te beoordelen, en benadrukt dat het belangrijk is dat leerkrachten niet alleen een adequate opleiding krijgen, maar zich ook inzetten voor permanente professionele ontwikkeling, met inbegrip van peer-learningactiviteiten en de uitwisseling van beste praktijken op nationaal en transnationaal niveau; benadrukt in dit verband de toegevoegde waarde van de Erasmus+ Teacher Academies;

17.  verzoekt de lidstaten op maat gesneden lesmateriaal over geschiedenis aan te bieden, naast opleidingen om leerkrachten beter vat te laten krijgen op de transnationale een veelzijdige aspecten van de geschiedenis en vertrouwd raken met adequate didactiek en beginselen van modern onderwijs, waarbij het vormen van jonge mensen die in staat zijn tot zelfreflectie centraal staat;

18.  benadrukt dat het verzamelen van gegevens en het vergelijken en evalueren van methoden en instrumenten voor geschiedenisonderwijs van grote waarde is, en verwelkomt het werk van zowel gespecialiseerde gouvernementele als niet-gouvernementele organisaties die op dit gebied actief zijn, waaronder het Waarnemingscentrum voor geschiedenisonderwijs in Europa van de Raad van Europa en Euroclio; benadrukt dat meer EU-lidstaten aan het waarnemingscentrum moeten deelnemen;

19.  wijst op het potentieel van musea die zich kritisch bezighouden met de omstreden geschiedenis van Europa als instrument om over het verleden te leren en historisch bewustzijn op te bouwen, met name het “Huis van de Europese geschiedenis” als vlaggenschipproject waarvoor voldoende middelen beschikbaar moeten worden gesteld om een breder bereik onder het Europese publiek te waarborgen;

20.  benadrukt het belang van het behoud van Europa’s rijke culturele en historische erfgoed en gedenkplaatsen, met name als middel om een kritisch historisch bewustzijn tot stand te brengen, mits deze niet worden misbruikt voor ideologische doeleinden, en benadrukt de rol die het Europees erfgoedlabel en onafhankelijke instellingen die het Europees erfgoed bevorderen, zowel materieel als immaterieel, in dit verband kunnen spelen; moedigt de lidstaten aan hun inspanningen op te voeren om plaatsen van democratische herinnering te definiëren en te beschermen, met name die welke verband houden met ondervertegenwoordigde groepen; benadrukt het potentieel van Europeana om als digitale bibliotheek en digitaal archief, museum en onderwijsplatform van Europa te fungeren;

21.  wijst op het potentieel van digitale media en de toenemende digitalisering in het onderwijs, maar spreekt zijn diepe bezorgdheid uit over het feit dat digitale kanalen in toenemende mate worden misbruikt voor politieke manipulatie en de verspreiding van desinformatie, ook met betrekking tot de geschiedenis, zoals blijkt uit het Russische historische revisionisme bij de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne; verzoekt de Commissie en de lidstaten hun inspanningen op te voeren om de media- en digitale geletterdheid te versterken en leerkrachten en studenten te passende vaardigheden bij te brengen en te voorzien van instrumenten om op feiten gebaseerd geschiedenisonderwijs te vergemakkelijken en hen in staat te stellen zowel traditionele als moderne historische bronnen te identificeren, te contextualiseren en te analyseren;

22.  benadrukt dat door Europese programma’s en andere mobiliteitsregelingen geboden mogelijkheden voor grensoverschrijdende leermobiliteit de uitwisseling van ideeën stimuleren en transversale kennis en intercultureel begrip bevorderen, waardoor nationale belemmeringen kunnen worden weggenomen en een beter inzicht wordt verkregen in het verleden en het heden;

23.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om versterking van de momenteel op Europees niveau beschikbare instrumenten ter bevordering van een kritisch en zelfreflecterend Europees historisch bewustzijn, met name het Erasmus+-programma, dat mobiliteit en intercultureel leren ondersteunt als cruciale manieren om meer begrip te creëren voor andere culturen en naties, alsook het CERV-programma, dat transnationale historische herinneringsprojecten ondersteunt en maatschappelijke betrokkenheid bevordert;

24.  verzoekt de Europese instellingen, de lidstaten, kandidaat-lidstaten en mogelijke kandidaat-lidstaten, onderwijsinstellingen en maatschappelijke actoren meer moeite te doen om verzoening te bevorderen, te voorkomen dat de geschiedenis voor politieke doeleinden wordt aangewend en om historisch revisionisme en het ontkennen van historische gebeurtenissen te bestrijden, zowel in de Europese Unie als daarbuiten; herinnert aan het belang van deze aspecten voor toekomstige uitbreidingen van de Unie;

Vooruitzicht: de erfenis van het verleden en de toekomst van de EU

25.  ondersteunt het ideaal van een “cultuur van herinneren” en historisch bewustzijn op basis van gedeelde Europese waarden en methoden voor de benadering van het verleden, waarbij tegelijkertijd een ongepaste nivellering of simplistische voorstelling van de geschiedenis wordt vermeden;

26.  spreekt de hoop uit dat op basis van kritische zelfreflectie met betrekking tot geschiedenis en historische verantwoordelijkheid op nationaal niveau een waarlijk Europees reflectief discours over het verleden van het continent kan ontstaan, waarbij de geschiedenis niet wordt misbruikt voor machtspolitieke doeleinden, en spreekt de hoop uit dat uit gemeenschappelijk historisch werk een gemeenschap van lotsverbondenheid tussen Europese volkeren zal ontstaan;

27.  voorziet dat collectieve herinneringen uiteindelijk zullen bijdragen tot en opgaan in een Europese publieke ruimte, waarin uiteenlopende herinneringsculturen elkaar aanvullen en niet met elkaar concurreren, en dat het omgaan met de geschiedenis meer een maatschappelijke dan politieke aangelegenheid wordt;

o
o   o

28.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB C 171 van 6.5.2021, blz. 25.
(2) PB C 137 E van 27.5.2010, blz. 25.
(3) PB L 156 van 5.5.2021, blz. 1.
(4) PB C 205 van 20.5.2022, blz. 17.
(5) PB C 347 van 9.9.2022, blz. 15.
(6) PB C 434 van 15.11.2022, blz. 31.
(7) PB C 177 van 17.5.2023, blz. 78.
(8) PB C 456 van 10.11.2021, blz. 208.
(9) Zie: https://rm.coe.int/168006457e.
(10) Studie “Europees historisch geheugen: beleid, uitdagingen en vooruitzichten” (tweede editie), Europees Parlement, directoraat-generaal Intern Beleid, beleidsondersteunende afdeling B – Structuur- en Cohesiebeleid, april 2015.
(11) Studie “European Identity”, Europees Parlement, directoraat-generaal Intern Beleid, beleidsondersteunende afdeling B – Structuur- en Cohesiebeleid, april 2017.

Laatst bijgewerkt op: 20 juni 2024Juridische mededeling - Privacybeleid