Geen bezwaar tegen een gedelegeerde handeling: Opname van de drugsprecursor isopropylideen(2-(3,4‑methyleendioxyfenyl)acetyl)malonaat (IMDPAM) en andere stoffen in de lijst van geregistreerde stoffen
122k
44k
Besluit van het Europees Parlement om geen bezwaar te maken tegen de gedelegeerde verordening van de Commissie van 28 februari 2024 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 273/2004 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (EG) nr. 111/2005 van de Raad teneinde de drugsprecursor isopropylideen(2-(3,4‑methyleendioxyfenyl)acetyl)malonaat (IMDPAM) en andere stoffen op te nemen in de lijst van geregistreerde stoffen (C(2024)01219 – 2024/2606(DEA))
– gezien de gedelegeerde verordening van de Commissie (C(2024)01219),
– gezien het schrijven van de Commissie van 13 maart 2024, waarin zij het Parlement verzoekt te verklaren dat het geen bezwaar zal maken tegen de gedelegeerde verordening,
– gezien de brief van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken aan de voorzitter van de Conferentie van commissievoorzitters,
– gezien artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
– gezien Verordening (EG) nr. 273/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004(1) inzake drugsprecursoren, en met name artikel 15 en artikel 15 bis, lid 5,
– gezien Verordening (EG) nr. 111/2005 van de Raad van 22 december 2004(2) houdende voorschriften voor het toezicht op de handel tussen de Unie en derde landen in drugsprecursoren, en met name artikel 30 bis en artikel 30 ter, lid 5,
– gezien artikel 111, lid 6, van zijn Reglement,
– gezien de aanbeveling voor een besluit van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken,
– gezien er geen bezwaar werd gemaakt binnen de in artikel 111, lid 6, derde en vierde streepjes, van zijn Reglement gestelde termijn, die op 23 april 2024 verstreek,
A. overwegende dat het wetgevingskader van de EU inzake maatregelen ter controle van de toegang tot stoffen die worden gebruikt bij de vervaardiging van illegale drugs voortdurend moet worden bijgewerkt om de verspreiding tegen te gaan van zogenaamde “designerprecursoren”, die chemisch nauw verwant zijn aan traditionele drugsprecursoren en die worden ontwikkeld om de bestaande regels te omzeilen;
B. overwegende dat het natriumzout van isopropylideen(2‑(3,4‑methyleendioxyfenyl)acetyl)malonaat (IMDPAM) is aangemerkt als een onlangs ontwikkelde drugsprecursor die wordt gebruikt bij de productie van MDMA (3,4‑methyleendioxymethamfetamine), algemeen bekend onder de naam “ecstasy”;
C. overwegende dat zeven esters van 2-methyl-3-fenyloxiraan-2-carbonzuur (BMK‑glycidezuur) en zes esters van 3-(1,3-benzodioxool-5-yl)-2-methyloxiraan-2-carbonzuur (PMK-glycidezuur) zijn aangemerkt als mogelijke vervangers van de gecontroleerde precursoren uit hoofde van het EU-recht BMK-glycidezuur en PMK-glycidezuur bij de illegale vervaardiging van drugs zoals MDMA, methamfetamine en amfetamine;
D. overwegende dat de lijst van geregistreerde stoffen in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 273/2004 en in de bijlage bij Verordening (EG) nr. 111/2005 moet worden gewijzigd om ervoor te zorgen dat IMDPAM en de aangemerkte esters van BMK-glycidezuur en PMK-glycidezuur onder de geharmoniseerde controle- en monitoringmaatregelen vallen waarin die verordeningen voorzien;
E. overwegende dat de maatregelen ter controle van de toegang tot nieuwe geregistreerde stoffen uit hoofde van de Verordeningen (EG) nr. 273/2004 en (EG) nr. 111/2005 zo spoedig mogelijk in werking moeten treden om het gebruik van deze drugsprecursoren voor de productie en het in de handel brengen van illegale drugs te voorkomen;
F. overwegende dat de Europese Commissie zich in het stappenplan voor de bestrijding van drugshandel en georganiseerde criminaliteit (COM(2023)0641) ertoe heeft verbonden alles in het werk te stellen om, in samenwerking met het Parlement en de Raad, de procedure voor de vaststelling van toekomstige gedelegeerde handelingen inzake de registratie van aanvullende stoffen uit hoofde van de Verordeningen (EG) nr. 273/2004 en (EG) nr. 111/2005 te versnellen;
1. verklaart geen bezwaar te maken tegen de gedelegeerde verordening;
2. verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.
Wijzigingen van het Reglement van het Parlement betreffende opleiding over het voorkomen van conflicten en intimidatie op het werk en over goed teamleiderschap
134k
46k
Besluit van het Europees Parlement van 24 april 2024 over wijzigingen van het Reglement van het Parlement betreffende opleiding over het voorkomen van conflicten en intimidatie op het werk en over goed teamleiderschap (2024/2006(REG))
– gezien de artikelen 236 en 237 van zijn Reglement,
– gezien het verslag van de Commissie constitutionele zaken (A9-0163/2024),
1. besluit onderstaande wijzigingen in zijn Reglement op te nemen;
2. besluit dat deze wijzigingen op 16 juli 2024 in werking treden;
3. verzoekt zijn Voorzitter dit besluit ter informatie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.
Bestaande tekst
Amendement
Amendement 1 Reglement van het Europees Parlement Artikel 10 – lid 6 – alinea 2
Leden zijn niet verkiesbaar voor functies in het Parlement of diens organen, kunnen niet tot rapporteur worden benoemd en kunnen niet deelnemen aan een officiële delegatie of interinstitutionele onderhandelingen zolang zij de verklaring bij deze code niet hebben ondertekend.
Leden zijn niet verkiesbaar voor functies in het Parlement of diens organen, kunnen niet tot rapporteur worden benoemd en kunnen niet deelnemen aan een officiële delegatie of interinstitutionele onderhandelingen:
a) als zij de verklaring waarin zij toezeggen zich aan die code te houden, inclusief het afronden van de door het Parlement voor hen georganiseerde speciale opleiding over het voorkomen van conflicten en intimidatie op het werk en over goed leiderschap aan hun team, niet hebben ondertekend; of
b) als zij de in punt a) bedoelde opleiding niet hebben afgerond binnen de termijn of overeenkomstig de voorwaarden zoals vastgelegd in die code.
Amendementen 4 en 10 Reglement van het Europees Parlement Artikel 176 – lid 1 – alinea 3
De Voorzitter kan uitsluitend een met redenen omkleed besluit uit hoofde van artikel 10, lid 6, nemen nadat overeenkomstig de toepasselijke interne administratieve procedure inzake intimidatie en de preventie ervan is vastgesteld dat sprake is van intimidatie.
Met betrekking tot het in artikel 10, lid 6, eerste alinea, neergelegde verbod op elke vorm van psychologische of seksuele intimidatie, kan de Voorzitter uitsluitend een met redenen omkleed besluit nemen nadat overeenkomstig de toepasselijke interne administratieve procedure inzake intimidatie en de preventie ervan is vastgesteld dat sprake is van intimidatie.
Amendement 6 Reglement van het Europees Parlement Bijlage II – punt 5
5. Indien nodig volgen de leden de procedures voor het beheersen van conflictsituaties of gevallen van (psychische of seksuele) intimidatie onmiddellijk en volledig, onder meer door snel te reageren op beschuldigingen van intimidatie. De leden moeten deelnemen aan een voor hen georganiseerde speciale opleiding over het voorkomen van conflicten en intimidatie op het werk en over goed leiderschap aan hun team.
5. Indien nodig verlenen de leden overeenkomstig de door het Bureau vastgestelde procedures volledige medewerking aan het beheersen van conflictsituaties of gevallen van (psychische of seksuele) intimidatie, onder meer door snel te reageren op beschuldigingen van intimidatie.
De leden nemen, als zij dat nog niet hebben gedaan, deel aan een voor hen door het Parlement georganiseerde speciale opleiding over het voorkomen van conflicten en intimidatie op het werk en over goed leiderschap aan hun team. Die opleiding wordt binnen de eerste zes maanden na de start van de ambtstermijn van het lid afgerond, behalve in uitzonderlijke en naar behoren onderbouwde gevallen. De certificaten waaruit blijkt dat de leden die opleiding hebben afgerond, worden op de website van het Parlement gepubliceerd.
Bezwaar tegen een gedelegeerde handeling: Nieuwe voedingsmiddelen - de definitie van “technisch vervaardigd nanomateriaal”
148k
50k
Resolutie van het Europees Parlement van 24 april 2024 over de gedelegeerde verordening van de Commissie van 14 maart 2024 tot wijziging van Verordening (EU) 2015/2283 van het Europees Parlement en de Raad betreffende nieuwe voedingsmiddelen wat de definitie van “technisch vervaardigd nanomateriaal” betreft (C(2024)01612 – 2024/2691(DEA))
– gezien de gedelegeerde verordening van de Commissie van 14 maart 2024 tot wijziging van Verordening (EU) 2015/2283 van het Europees Parlement en de Raad betreffende nieuwe voedingsmiddelen wat de definitie van “technisch vervaardigd nanomateriaal” betreft (C(2024)01612),
– gezien artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),
– gezien Verordening (EU) 2015/2283 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende nieuwe voedingsmiddelen, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1169/2011 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 258/97 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (EG) nr. 1852/2001 van de Commissie(1), en met name artikel 31 en artikel 32, lid 6,
– gezien Verordening (EU) nr. 1169/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende de verstrekking van voedselinformatie aan consumenten, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1924/2006 en (EG) nr. 1925/2006 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 87/250/EEG van de Commissie, Richtlijn 90/496/EEG van de Raad, Richtlijn 1999/10/EG van de Commissie, Richtlijn 2000/13/EG van het Europees Parlement en de Raad, Richtlijnen 2002/67/EG en 2008/5/EG van de Commissie, en Verordening (EG) nr. 608/2004 van de Commissie(2), en met name artikel 18, lid 3,
– gezien Verordening (EG) nr. 1333/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 inzake levensmiddelenadditieven(3),
– gezien de EU-lijsten die zijn vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 1129/2011 van de Commissie van 11 november 2011 tot wijziging van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1333/2008 van het Europees Parlement en de Raad door opstelling van een EU-lijst van levensmiddelenadditieven(4) en Verordening (EU) nr. 1130/2011 van de Commissie van 11 november 2011 tot wijziging van bijlage III bij Verordening (EG) nr. 1333/2008 van het Europees Parlement en de Raad inzake levensmiddelenadditieven door de opstelling van een EU-lijst van voor gebruik in levensmiddelenadditieven, voedingsenzymen, levensmiddelenaroma’s en voedingsstoffen goedgekeurde levensmiddelenadditieven(5),
– gezien Verordening (EU) nr. 257/2010 van de Commissie van 25 maart 2010 tot vaststelling van een programma voor de herbeoordeling van goedgekeurde levensmiddelenadditieven overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1333/2008 van het Europees Parlement en de Raad inzake levensmiddelenadditieven(6),
– gezien artikel 111, lid 3, van zijn Reglement,
– gezien de ontwerpresolutie van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid,
A. overwegende dat in artikel 18, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1169/2011 is bepaald dat elk voedselingrediënt dat in de vorm van technisch vervaardigd nanomateriaal in een product aanwezig is duidelijk in de lijst van ingrediënten dient te worden vermeld om consumenteninformatie te garanderen; overwegende dat in Verordening (EU) nr. 1169/2011 de definitie van “technisch vervaardigd nanomateriaal” wordt gehanteerd zoals vastgesteld in artikel 3, lid 2, punt f), van Verordening (EU) 2015/2283 van het Europees Parlement en de Raad;
B. overwegende dat uit hoofde van artikel 31 van Verordening (EU) 2015/2283 aan de Commissie de bevoegdheid wordt verleend om door middel van gedelegeerde handelingen de in de betreffende verordening opgenomen definitie van “technisch vervaardigd nanomateriaal” in overeenstemming te brengen met de technische en wetenschappelijke vooruitgang of met internationaal overeengekomen definities en hieraan aan te passen, met het oog op de verwezenlijking van de doelstellingen van die verordening;
C. overwegende dat in de uitgebreide EU-lijsten die zijn vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 1129/2011 en Verordening (EU) nr. 1130/2011 de levensmiddelenadditieven zijn opgenomen die vóór de inwerkingtreding van Verordening (EG) nr. 1333/2008 waren toegestaan voor gebruik nadat werd gecontroleerd of zij in overeenstemming zijn met de bepalingen van die verordening;
Gevolgen van de definitie
D. overwegende dat op basis van de definitie van “technisch vervaardigd nanomateriaal” van de gedelegeerde verordening van de Commissie zal worden bepaald of een levensmiddel in de lijst van ingrediënten moet worden vermeld met het woord “[nano]”, zoals bedoeld in artikel 18, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1169/2011;
E. overwegende dat de gedelegeerde verordening van de Commissie tot doel heeft interpretatieproblemen die voortvloeien uit de huidige definitie aan te pakken door de introductie van objectieve elementen om te bepalen of een nanomateriaal al dan niet “technisch vervaardigd” is, bijvoorbeeld door “doelbewust geproduceerd [materiaal]” te vervangen door “vervaardigd”;
F. overwegende dat de gedelegeerde verordening van de Commissie voorziet in de uitsluiting van deeltjes die niet in vaste toestand zijn, zoals micellen, liposomen of druppels op nanoschaal in emulsies, en van ingrediënten die bestaan uit minder dan 50 % deeltjes met een dimensie van minder dan 100 nanometer om te worden aangemerkt als nanomateriaal in levensmiddelen;
G. overwegende dat de voorgestelde standaarddrempelwaarde van 50 % of meer deeltjes op nanoschaal willekeurig is en minder beschermend is dan de interpretatie die sommige lidstaten, bijvoorbeeld Frankrijk, geven aan de definitie van Verordening (EU) 2015/2283; overwegende dat in die verordening niet wordt voorzien in een drempelwaarde voor de grootteverdeling voor deeltjes van minder dan 100 nm;
H. overwegende dat door de voorgestelde definitie veel nanostoffen mogelijk zouden worden uitgesloten van het toepassingsgebied van Verordening (EU) nr. 1169/2011, waardoor de verplichte vermelding “[nano]” op het etiket dus niet van toepassing zou zijn; overwegende dat de Commissie in punt 3 van haar toelichting aangeeft “dat het aantal in levensmiddelen gebruikte materialen die een bepaalde fractie nanodeeltjes kunnen bevatten, beperkt is en dat de meeste, zo niet al deze materialen, niet nieuw zijn” en dat “[d]e mogelijke gevolgen van de gedelegeerde handeling [...] derhalve slechts betrekking [zullen] hebben op een zeer beperkt aantal materialen”;
I. overwegende dat het momenteel juist levensmiddelenadditieven zijn die als nanomaterialen in levensmiddelen aanwezig kunnen zijn; overwegende dat het Franse nationale agentschap voor gezondheid en veiligheid (Anses) een lijst heeft opgesteld van 37 nanostoffen die in meer dan 900 levensmiddelen worden gebruikt(7); overwegende dat tests die zijn uitgevoerd door consumentenorganisaties en niet-gouvernementele organisaties (Agir pour l’Environnement(8), Que Choisir(9), 60 Millions de consommateurs(10) en AVICENN(11) in Frankrijk, Foodwatch(12) en Bund(13) in Duitsland, Testaankoop(14) in België, Altroconsumo(15) in Italië en OCU(16) in Spanje) herhaaldelijk de aanwezigheid van levensmiddelenadditieven met een aanzienlijk percentage nanodeeltjes hebben aangetoond, bijvoorbeeld de voedselkleurstof ijzeroxide (E 172) die wordt gebruikt in zuivelproducten, gebak en sommige ontbijtgranen, die nanodeeltjes onder de drempel van 50 % kunnen bevatten; overwegende dat hieruit blijkt dat tekortkomingen in verband met adequate etikettering van bepaalde voedselingrediënten als “[nano]” voornamelijk te wijten zijn aan een gebrekkige handhaving van de huidige wetgeving, en niet zozeer een kwestie van interpretatieproblemen zijn;
J. overwegende dat uit een studie uit 2020 in opdracht van het Europees Agentschap voor chemische stoffen is gebleken dat burgers een betere etikettering eisen van alledaagse producten die nanomaterialen bevatten(17);
Tegenstrijdigheden ten opzichte van aanbevelingen en nieuwe wetenschappelijke vooruitgang
K. overwegende dat het Europees Parlement in zijn resolutie van 12 maart 2014 over de gedelegeerde verordening van de Commissie van 12 december 2013 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1169/2011 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de verstrekking van voedselinformatie aan consumenten wat de definitie van “technisch vervaardigde nanomaterialen” betreft(18) bezwaar heeft gemaakt tegen een zeer vergelijkbare definitie, met dezelfde drempel van 50 %, die alle levensmiddelenadditieven uitsloot, en daarbij aanvoerde dat de definitie “in strijd is met de fundamentele doelstelling van de richtlijn om een hoog niveau van bescherming van de gezondheid en de belangen van consumenten te waarborgen door de eindverbruikers een basis te verschaffen voor het maken van goed doordachte keuzes”; overwegende dat het Europees Parlement de Commissie verzocht een nieuwe gedelegeerde handeling in te dienen waarin rekening wordt gehouden met het standpunt van het Parlement;
L. overwegende dat het Europees Parlement in zijn resolutie van 8 oktober 2020 over het ontwerp van verordening van de Commissie tot wijziging van de bijlage bij Verordening (EU) nr. 231/2012 tot vaststelling van de specificaties van de in de bijlagen II en III bij Verordening (EG) nr. 1333/2008 van het Europees Parlement en de Raad opgenomen levensmiddelenadditieven wat betreft de specificaties van titaandioxide (E 171)(19) bezwaar heeft gemaakt tegen een ontwerpverordening van de Commissie op grond waarvan partijen titaandioxide van levensmiddelenkwaliteit (E 171) die minder dan 50 % deeltjes kleiner dan 100 nm bevatten, werden toegelaten;
M. overwegende dat de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid heeft aanbevolen(20) dat voor voedselgerelateerde toepassingen, gezien de huidige onzekerheden in verband met veiligheid, een lagere drempel voor het aantal nanodeeltjes, bv. 10 %, moet worden overwogen in plaats van de momenteel in de aanbeveling voorgestelde drempel van 50 %;
N. overwegende dat academische organisaties, overheidsinstanties, niet-gouvernementele consumenten- en milieuorganisaties en vakbonden in het kader van het raadplegingsproces van de Commissie hebben gepleit voor een definitie die alle materialen omvat, ongeacht of die vervaardigd, incidenteel of natuurlijk zijn, en voor een standaarddrempel van 10 % of meer deeltjes voor de grootteverdeling op basis van het aantal deeltjes;
O. overwegende dat nieuwe wetenschappelijke vooruitgang en kennis sinds 2014 bevestigen dat nanomaterialen fysiologische barrières kunnen overschrijden en vaak gevaarlijker zijn dan stoffen in micro- of macrotoestand(21);
P. overwegende dat Anses in april 2023 een gedetailleerd rapport heeft gepubliceerd(22) waarin wordt gesteld dat de definitie van nanomaterialen die is opgenomen in de aanbeveling van de Commissie van 10 juni 2022(23), die als basis heeft gediend voor de herziening van de definitie van “technisch vervaardigd nanomateriaal” van Verordening (EU) 2015/2283, in sectorspecifieke regelgeving, met name op het gebied van levensmiddelen, nadelig zou zijn voor de preventie van gezondheids- en milieurisico’s; overwegende dat Anses benadrukte dat de drempel voor het aantal nanodeeltjes van 50 % zoals opgenomen in de horizontale definitie van “[nano]” niet gebaseerd is op deugdelijke wetenschappelijke argumenten en de aanbeveling deed een lagere waarde voor die drempel vast te stellen;
Q. overwegende dat het opsporen van nanomaterialen in levensmiddelen op basis van een drempel van 10 % voor het aantal nanodeeltjes haalbaar is, aangezien dit de afkapwaarde is die momenteel door het Franse directoraat-generaal Consumentenzaken, Mededinging en Fraudebestrijding bij zijn controleactiviteiten wordt toegepast(24);
Voorzorgsbeginsel
R. overwegende dat in artikel 191, lid 2, VWEU het voorzorgsbeginsel wordt genoemd als een van de grondbeginselen van de Unie;
S. overwegende dat in artikel 168, lid 1, VWEU is bepaald dat “[b]ij de bepaling en de uitvoering van elk beleid en elk optreden van de Unie [...] een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid [wordt] verzekerd”;
1. maakt bezwaar tegen de gedelegeerde verordening van de Commissie;
2. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie en haar ervan in kennis te stellen dat de gedelegeerde verordening niet in werking kan treden;
3. is van mening dat de gedelegeerde verordening van de Commissie niet strookt met de doelstelling en inhoud van Verordening (EU) 2015/2283 en verder gaat dan de gedelegeerde bevoegdheden die krachtens artikel 31 van deze verordening aan de Commissie zijn toegekend;
4. betreurt dat de voorgestelde drempel van 50 % geen rekening houdt met de technische en wetenschappelijke vooruitgang;
5. verzoekt de Commissie het voorzorgsbeginsel te hanteren, consumentenveiligheid en consumenteninformatie te waarborgen en rekening te houden met de “één gezondheid”-benadering;
6. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.
Advies van Anses, “Definition of nanomaterials: analysis, challenges and controversies”, 2023, https://www.anses.fr/en/system/files/AP2018SA0168RaEN.pdf.
Advies van Anses, “Nanomatériaux dans les produits destinés à l’alimentation. Rapport d’expertise collective”, 2020, https://www.anses.fr/fr/system/files/ERCA2016SA0226Ra.pdf (blz. 86).
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 24 april 2024 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende richtsnoeren van de Unie voor de ontwikkeling van het trans-Europees vervoersnetwerk, tot wijziging van Verordening (EU) 2021/1153 en Verordening (EU) nr. 913/2010 en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1315/2013 (COM(2021)0812 – C9-0472/2021 – 2021/0420(COD))
– gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2021)0812), en het gewijzigde voorstel (COM(2022)0384),
– gezien artikel 294, lid 2, en artikel 172 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C9-0472/2021),
– gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
– gezien het gemotiveerde advies dat in het kader van protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid is uitgebracht door de Franse Senaat, en waarin wordt gesteld dat het ontwerp van wetgevingshandeling niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel,
– gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 25 oktober 2021(1),
– gezien het advies van het Comité van de Regio’s van 11 oktober 2022(2),
– gezien het overeenkomstig artikel 74, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 9 februari 2024 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,
– gezien artikel 59 van zijn Reglement,
– gezien het verslag van de Commissie vervoer en toerisme (A9-0147/2023),
1. stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;
2. verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;
3. verzoekt zijn voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 24 april 2024 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2024/... van het Europees Parlement en de Raad betreffende richtsnoeren van de Unie voor de ontwikkeling van het trans-Europees vervoersnetwerk, tot wijziging van Verordening (EU) 2021/1153 en Verordening (EU) nr. 913/2010 en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1315/2013
(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2024/1679.)
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 24 april 2024 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende verpakkingen en verpakkingsafval, tot wijziging van Verordening (EU) 2019/1020 en Richtlijn (EU) 2019/904, en tot intrekking van Richtlijn 94/62/EG (COM(2022)0677 – C9-0400/2022 – 2022/0396(COD))
– gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2022)0677),
– gezien artikel 294, lid 2, en artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C9‑0400/2022),
– gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
– gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 27 april 2023(1),
– gezien de gemotiveerde adviezen die in het kader van Protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid zijn uitgebracht door de Franse senaat, de Italiaanse Kamer van Afgevaardigden en door de Italiaanse senaat, en waarin wordt gesteld dat het ontwerp van wetgevingshandeling niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel,
– gezien het overeenkomstig artikel 74, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 15 maart 2024 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,
– gezien artikel 59 van zijn Reglement,
– gezien de adviezen van de Commissie industrie, onderzoek en energie, de Commissie interne markt en consumentenbescherming, en de Commissie landbouw,
– gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A9‑0319/2023),
1. stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast(2);
2. verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;
3. verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 24 april 2024 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2025/... van het Europees Parlement en de Raad betreffende verpakkingen en verpakkingsafval, tot wijziging van Verordening (EU) 2019/1020 en Richtlijn (EU) 2019/904, en tot intrekking van Richtlijn 94/62/EG
(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2025/40.)
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 24 april 2024 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de luchtkwaliteit en schonere lucht voor Europa (herschikking) (COM(2022)0542 – C9-0364/2022 – 2022/0347(COD))
– gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2022)0542),
– gezien artikel 294, lid 2, en artikel 192 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C9‑0364/2022),
– gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
– gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 22 februari 2023(1),
– gezien het advies van het Comité van de Regio’s van 5 juli 2023(2),
– gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 28 november 2001 over een systematischer gebruik van de herschikking van besluiten(3),
– gezien de brief van 27 juni 2023 van de Commissie juridische zaken aan de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid overeenkomstig artikel 110, lid 3, van zijn Reglement,
– gezien het overeenkomstig artikel 74, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 8 maart 2024 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,
– gezien de artikelen 110 en 59 van zijn Reglement,
– gezien het advies van de Commissie vervoer en toerisme,
– gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A9‑0233/2023),
A. overwegende dat het voorstel van de Commissie volgens de adviesgroep van de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie geen andere inhoudelijke wijzigingen bevat dan die welke als zodanig in het voorstel worden vermeld en dat met betrekking tot de codificatie van de ongewijzigde bepalingen van de eerdere besluiten met die wijzigingen kan worden geconstateerd dat het voorstel louter een codificatie van de bestaande besluiten behelst, zonder inhoudelijke wijzigingen;
1. stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast(4), rekening houdend met de aanbevelingen van de adviesgroep van de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie;
2. verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;
3. verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 24 april 2024 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) 2024/... van het Europees Parlement en de Raad betreffende de luchtkwaliteit en schonere lucht voor Europa (herschikking)
(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Richtlijn (EU) 2024/2881.)
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 24 april 2024 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een noodinstrument voor de eengemaakte markt en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 2679/98 van de Raad (COM(2022)0459 – C9-0315/2022 – 2022/0278(COD))
– gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2022)0459),
– gezien artikel 294, lid 2, en de artikelen 114, 21 en 46 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C9‑0315/2022),
– gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
– gezien het gemotiveerde advies dat in het kader van protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid is uitgebracht door de Zweedse Rijksdag, en waarin wordt gesteld dat het ontwerp van wetgevingshandeling niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel,
– gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 14 december 2022(1),
– gezien het advies van het Comité van de Regio’s van 8 februari 2023(2),
– gezien het overeenkomstig artikel 74, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 16 februari 2024 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,
– gezien artikel 59 van zijn Reglement,
– gezien de brieven van de Begrotingscommissie,
– gezien de adviezen van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de Commissie industrie, onderzoek en energie,
– gezien het verslag van de Commissie interne markt en consumentenbescherming (A9-0246/2023),
1. stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast(3);
2. verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;
3. verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 24 april 2024 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2024/... van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een kader van maatregelen in verband met noodsituaties op de interne markt en met de veerkracht van de interne markt en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2679/98 van de Raad (verordening inzake noodsituaties op de interne markt en veerkracht van de interne markt)
(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2024/2747.)
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 24 april 2024 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van de Verordeningen (EU) 2016/424, (EU) 2016/425, (EU) 2016/426, (EU) 2019/1009 en (EU) nr. 305/2011 wat betreft noodprocedures voor de conformiteitsbeoordeling, de vaststelling van gemeenschappelijke specificaties en markttoezicht naar aanleiding van een noodsituatie op de eengemaakte markt (COM(2022)0461 – C9-0314/2022 – 2022/0279(COD))
– gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2022)0461),
– gezien artikel 294, lid 2, en artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C9‑0314/2022),
– gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
– gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 14 december 2022(1),
– gezien het advies van het Comité van de Regio’s van 8 februari 2023(2),
– gezien het overeenkomstig artikel 74, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 16 februari 2024 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,
– gezien artikel 59 van zijn Reglement,
– gezien het verslag van de Commissie interne markt en consumentenbescherming (A9-0244/2023),
1. stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;
2. verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;
3. verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 24 april 2024 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2024/... van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 305/2011, (EU) 2016/424, (EU) 2016/425, (EU) 2016/426, (EU) 2023/988 en (EU) 2023/1230 inzake noodprocedures voor conformiteitsbeoordeling, vermoeden van conformiteit, vaststelling van gemeenschappelijke specificaties en markttoezicht in geval van noodsituaties op de interne markt
(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2024/2748.)
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 24 april 2024 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van de Richtlijnen 2000/14/EG, 2006/42/EG, 2010/35/EU, 2013/29/EU, 2014/28/EU, 2014/29/EU, 2014/30/EU, 2014/31/EU, 2014/32/EU, 2014/33/EU, 2014/34/EU, 2014/35/EU, 2014/53/EU en 2014/68/EU en tot invoering van noodprocedures voor conformiteitsbeoordeling, vaststelling van gemeenschappelijke specificaties en markttoezicht in geval van noodsituaties voor de eengemaakte markt (COM(2022)0462 – C9-0313/2022 – 2022/0280(COD))
– gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2022)0462),
– gezien artikel 294, lid 2, en de artikelen 91 en 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C9‑0313/2022),
– gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
– gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 14 december 2022(1),
– gezien het advies van het Comité van de Regio’s van 8 februari 2023(2),
– gezien het overeenkomstig artikel 74, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie(s) goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 16 februari 2024 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,
– gezien artikel 59 van zijn Reglement,
– gezien het verslag van de Commissie interne markt en consumentenbescherming (A9‑0245/2023),
1. stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;
2. verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;
3. verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 24 april 2024 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) 2024/... van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van de Richtlijnen 2000/14/EG, 2006/42/EG, 2010/35/EU, 2014/29/EU, 2014/30/EU, 2014/33/EU, 2014/34/EU, 2014/35/EU, 2014/53/EU en 2014/68/EU en tot invoering van noodprocedures voor conformiteitsbeoordeling, vermoeden van conformiteit, vaststelling van gemeenschappelijke specificaties en markttoezicht in geval van noodsituaties op de interne markt
(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Richtlijn (EU) 2024/2749.)
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 24 april 2024 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) 2016/399 betreffende een Uniecode voor de overschrijding van de grenzen door personen (COM(2021)0891 – C9-0473/2021 – 2021/0428(COD))
– gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2021)0891),
– gezien artikel 294, lid 2, artikel 77, lid 2, punten b) en e), en artikel 79, lid 2, punt c), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C9‑0473/2021),
– gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
– gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 18 mei 2022(1),
– gezien het advies van het Comité van de Regio’s van 12 oktober 2022(2),
– gezien het overeenkomstig artikel 74, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 14 februari 2024 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,
– gezien artikel 59 van zijn Reglement,
– gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A9-0280/2023),
1. stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;
2. verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;
3. verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 24 april 2024 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2024/... van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) 2016/399 betreffende een Uniecode voor de overschrijding van de grenzen door personen
(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2024/1717.)
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 24 april 2024 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn (EU) 2015/413 ter facilitering van de grensoverschrijdende uitwisseling van informatie over verkeersveiligheidsgerelateerde verkeersovertredingen (COM(2023)0126 – C9-0034/2023 – 2023/0052(COD))
– gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2023)0126),
– gezien artikel 294, lid 2, en artikel 91, lid 1, punt c), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C9‑0034/2023),
– gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
– gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 27 april 2023(1),
– na raadpleging van het Comité van de Regio’s,
– gezien het overeenkomstig artikel 74, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 20 maart 2024 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,
– gezien artikel 59 van zijn Reglement,
– gezien het verslag van de Commissie vervoer en toerisme (A9-0396/2023),
1. stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;
2. verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;
3. verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de nationale parlementen.
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 24 april 2024 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) 2024/... van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn (EU) 2015/413 ter facilitering van de grensoverschrijdende uitwisseling van informatie over verkeersveiligheidsgerelateerde verkeersovertredingen
(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Richtlijn (EU) 2024/3237.)
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 24 april 2024 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende met bepaalde nieuwe genomische technieken verkregen planten en de daarvan afgeleide levensmiddelen en diervoeders, en tot wijziging van Verordening (EU) 2017/625 (COM(2023)0411 – C9-0238/2023 – 2023/0226(COD))
– gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2023)0411),
– gezien artikel 294, lid 2, artikel 2, artikel 43, lid 2, artikel 114 en artikel 168, lid 4, punt b), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C9‑0238/2023),
– gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
– gezien de gemotiveerde adviezen die in het kader van protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid zijn ingediend door het Cypriotische parlement en het Hongaarse parlement, en waarin wordt gesteld dat het ontwerp van wetgevingshandeling in strijd is met het subsidiariteitsbeginsel,
– gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 26 oktober 2023(1),
– gezien het advies van het Comité van de Regio’s van 17 april 2024(2),
– gezien artikel 59 van zijn Reglement,
– gezien het advies van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling,
– gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A9-0014/2024),
1. stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast(3);
2. verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;
3. verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 24 april 2024 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2024/... van het Europees Parlement en de Raad betreffende met bepaalde nieuwe genomische technieken verkregen planten en de daarvan afgeleide levensmiddelen en diervoeders, en tot wijziging van Verordening (EU) 2017/625 en Richtlijn 98/44/EG [Am. 292]
HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name de artikelen 43, 114 en 168, lid 4, punt b),
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,
Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité,
Gezien het advies van het Comité van de Regio’s,
Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure,
Overwegende hetgeen volgt:
(1) Sinds 2001, toen Richtlijn 2001/18/EG van het Europees Parlement en de Raad(4) inzake de doelbewuste introductie van genetisch gemodificeerde organismen (ggo’s) in het milieu werd vastgesteld, heeft de aanzienlijke vooruitgang op het gebied van de biotechnologie geleid tot de ontwikkeling van nieuwe genomische technieken (NGT’s), met name genoombewerkingstechnieken waarmee veranderingen op precieze locaties in het genoom kunnen worden aangebracht. De aanzienlijke vooruitgang op het gebied van genetische modificatie heeft al bijgedragen tot een breed gebruik van merkergestuurde selectie aan de hand waarvan interessante, in de biodiversiteit aanwezige genen kunnen worden geïdentificeerd en gebruikt. [Am. 1]
(1 bis) Als nieuwe genomische technieken en de resultaten van het gebruik ervan kunnen worden geoctrooieerd, zal dit mogelijk de dominante positie van de multinationale zaadbedrijven versterken met betrekking tot de toegang van landbouwers tot zaden. In een context waarin grote bedrijven al een monopolie op zaden hebben en steeds meer controle uitoefenen over natuurlijke hulpbronnen, zou een dergelijke situatie landbouwers elke vorm van handelingsvrijheid ontnemen door hen afhankelijk te maken van privébedrijven. Daarom is het absoluut noodzakelijk dat octrooien voor deze producten worden verboden. [Am. 167]
(2) NGT’s vormen een diverse groep van genomische technieken en elk van deze technieken kan op verschillende manieren worden gebruikt om allerlei resultaten en producten te verkrijgen. Zij kunnen resulteren in organismen waarin veranderingen zijn aangebracht die vergelijkbaar zijn met veranderingen die door middel van conventionele kweekmethoden kunnen worden verkregen, of in organismen met complexere veranderingen. Tot de NGT’s behoren gerichte mutagenese en cisgenese (met inbegrip van intragenese), waarmee genetische modificaties worden aangebracht zonder genetisch materiaal van niet-kruisbare soorten in te brengen (transgenese). Hierbij wordt alleen gebruik gemaakt van de genenpool van kwekers, d.w.z. de totale genetische informatie die beschikbaar is voor conventionele veredeling, ook die van ver verwante plantensoorten die met geavanceerde kweektechnieken kunnen worden gekruist. Gerichte-mutagenesetechnieken leiden tot een of meer veranderingen in de DNA-sequentie op preciezegerichte locaties in het genoom van een organisme. Met cisgenesetechnieken wordt in het genoom van een organisme genetisch materiaal ingebracht dat reeds aanwezig is in de genenpool van kwekers. Intragenese is een subcategorie van cisgenese waarbij een herschikte kopie van genetisch materiaal, bestaande uit twee of meer DNA-sequenties die reeds aanwezig zijn in de genenpool van kwekers, in het genoom wordt ingebracht. [Am. 2]
(3) Er is publiek en particulier onderzoek gaande waarbij NGT’s worden gebruikt voor een grotere verscheidenheid aan gewassen en eigenschappen dan worden verkregen met transgene technieken die in de Unie of wereldwijd zijn toegelaten(5). Hieronder vallen planten met een hogere tolerantie voor of weerstand tegen plantenziekten en plagen, planten met een tolerantie voor herbiciden, planten met een hogere tolerantie voor of weerstand of tegen de gevolgen van klimaatverandering en milieudruk, en planten met verbeterde voedingswaarden, een efficiënter watergebruik, een grotere opbrengst of weerbaarheid of betere kwaliteitskenmerken. Dit soort nieuwe planten, gecombineerd met het relatieve gemak en de snelheid waarmee deze nieuwe technieken kunnen worden toegepast, kan voordelen opleveren voor landbouwers, consumenten en het milieu. NGT’s kunnen dus bijdragen tot de innovatie- en duurzaamheidsdoelstellingen van de Europese Green Deal(6) en van de “van boer tot bord”-strategie(7), de biodiversiteitsstrategie(8) en de strategie voor aanpassing aan de klimaatverandering(9), en tot mondiale voedselzekerheid(10), de strategie voor de bio-economie(11) en de strategische autonomie van de Unie(12). [Am. 3]
(4) De doelbewuste introductie in het milieu van organismen die zijn verkregen door NGT’s, met inbegrip van producten die geheel of gedeeltelijk uit dergelijke organismen bestaan, alsook het in de handel brengen van met deze organismen geproduceerde levensmiddelen en diervoeders, zijn onderworpen aan Richtlijn 2001/18/EG en Verordening (EG) nr. 1830/2003(13) van het Europees Parlement en de Raad en, in het geval van levensmiddelen en diervoeders, ook aan Verordening (EG) nr. 1829/2003(14), terwijl het ingeperkte gebruik van plantencellen onderworpen is aan Richtlijn 2009/41/EG en de grensoverschrijdende verplaatsing van NGT-planten naar derde landen is geregeld bij Verordening (EG) nr. 1946/2003 (“de ggo-wetgeving van de Unie”).
(5) In zijn arrest in zaak C-528/16, Confédération paysanne e.a.(15), oordeelde het Hof van Justitie van de Europese Unie dat ggo’s die zijn verkregen door middel van nieuwe mutagenesetechnieken of -methoden die zijn ontstaan of die zich voornamelijk hebben ontwikkeld na de vaststelling van Richtlijn 2001/18/EG, niet als uitgesloten van het toepassingsgebied van die richtlijn konden worden beschouwd.
(6) De Raad heeft de Commissie bij Besluit (EU) 2019/1904(16) verzocht om uiterlijk op 30 april 2021 in het licht van dat arrest een studie voor te leggen over de status van nieuwe genomische technieken in het Unierecht, alsook een voorstel (vergezeld van een effectbeoordeling), indien passend in het licht van de conclusies van de studie.
(7) In de studie van de Commissie over nieuwe genomische technieken(17) werd geconcludeerd dat de ggo-wetgeving van de Unie niet geschikt is om de doelbewuste introductie van planten die met bepaalde NGT’s zijn verkregen en het in de handel brengen van aanverwante producten, met inbegrip van levensmiddelen en diervoeders, te reguleren. Er werd met name geconcludeerd dat de vergunningsprocedure en de voorschriften inzake risicobeoordeling voor ggo’s in het kader van de ggo-wetgeving van de Unie niet zijn afgestemd op de verscheidenheid aan potentiële organismen en producten die met sommige NGT’s kunnen worden verkregen, namelijk gerichte mutagenese en cisgenese (met inbegrip van intragenese), en dat deze voorschriften onevenredig of ontoereikend kunnen zijn. Uit de studie is gebleken dat dit met name het geval is voor planten die met deze technieken zijn verkregen, gezien de talrijke wetenschappelijke bewijzen die reeds beschikbaar zijn, met name over de veiligheid van die planten. Bovendien is de ggo-wetgeving van de Unie moeilijk uit te voeren en te handhaven voor planten en aanverwante producten die door middel van gerichte mutagenese en cisgenese zijn verkregen. In bepaalde gevallen zijn genetische modificaties die met deze technieken zijn aangebracht, met analysemethoden niet te onderscheiden van natuurlijke mutaties of van genetische modificaties die met conventionele kweektechnieken worden aangebracht, terwijl het onderscheid doorgaans wel kan worden gemaakt voor genetische modificaties die met transgenese worden aangebracht. De ggo-wetgeving van de Unie is evenmin bevorderlijk voor de ontwikkeling van innovatieve en nuttige producten die kunnen bijdragen tot duurzaamheid, voedselzekerheid en veerkracht van de agrovoedingsketen.
(8) Daarom moet een specifiek rechtskader worden vastgesteld voor ggo’s die zijn verkregen door middel van gerichte mutagenese en cisgenese en aanverwante producten wanneer zij doelbewust in het milieu worden geïntroduceerd of in de handel worden gebracht.
(9) Op basis van de huidige wetenschappelijke en technische kennis, met name op het gebied van veiligheidsaspecten, moet deze verordening beperkt blijven tot ggo’s die planten zijn, d.w.z. organismen in de taxonomische groepen Archaeplastida of Phaeophyceae. De beschikbare kennis over andere organismen, zoals, met uitzondering van micro-organismen, schimmels en dieren waarover minder kennis beschikbaar is, moet worden geëvalueerd met het oog op toekomstige wetgevingsinitiatieven in dit kader. Om dezelfde reden moet deze verordening alleen van toepassing zijn op planten die zijn verkregen met bepaalde NGT’s: gerichte mutagenese en cisgenese (met inbegrip van intragenese) (hierna “NGT-planten” genoemd), maar niet met andere nieuwe genomische technieken. Dergelijke NGT-planten bevatten geen genetisch materiaal van niet-kruisbare soorten. Ggo’s die zijn geproduceerd door middel van andere nieuwe genomische technieken waarbij genetisch materiaal van niet-kruisbare soorten in een organisme wordt ingebracht (transgenese), moeten alleen aan de ggo-wetgeving van de Unie onderworpen blijven, aangezien de daaruit verkregen planten specifieke risico’s kunnen inhouden in verband met het transgen. Bovendien zijn er geen aanwijzingen dat de huidige voorschriften in de ggo-wetgeving van de Unie voor ggo’s die met transgenese zijn verkregen, momenteel moeten worden aangepast. [Am. 5]
(10) Met volledige inachtneming van het voorzorgsbeginsel moet het rechtskader voor NGT-planten moet in overeenstemming zijn met de doelstellingen van de ggo-wetgeving van de Unie om een hoog niveau van bescherming van de gezondheid van mens en dier en van het milieu en de goede werking van de interne markt voor de betrokken planten en producten te waarborgen, waarbij rekening wordt gehouden met de specifieke kenmerken van NGT-planten. Dit rechtskader moet de ontwikkeling en het in de handel brengen mogelijk maken van planten, levensmiddelen en diervoeders die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met NGT-planten en andere producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit NGT-planten (“NGT-producten”), teneinde bij te dragen tot de innovatie- en duurzaamheidsdoelstellingen van de Europese Green Deal en de “van boer tot bord”-strategie, de biodiversiteitsstrategie en de strategie voor aanpassing aan de klimaatverandering, en om het concurrentievermogen van de agrovoedingssector van de EU op Unie- en mondiaal niveau te versterken. [Am. 6]
(11) Deze verordening vormt een lex specialis ten opzichte van de ggo-wetgeving van de Unie. Zij bevat specifieke bepalingen voor NGT-planten en -producten. Bij gebrek aan specifieke voorschriften in deze verordening moeten NGT-planten en daaruit verkregen producten (met inbegrip van levensmiddelen en diervoeders) echter onderworpen blijven aan de voorschriften van de ggo-wetgeving van de Unie en de voorschriften inzake ggo’s in sectorale wetgeving, zoals Verordening (EU) 2017/625 betreffende officiële controles of de wetgeving inzake bepaalde producten zoals plantaardig en bosbouwkundig teeltmateriaal. [Am. 7]
(12) De potentiële risico’s van NGT-planten variëren van risicoprofielen die vergelijkbaar zijn met die van conventioneel gekweekte planten tot verschillende soorten en niveaus van gevaren en risico’s die vergelijkbaar kunnen zijn met die van planten die door transgenese worden verkregen. Daarom moeten in deze verordening bijzondere regels worden vastgesteld om de voorschriften inzake risicobeoordeling en risicobeheer aan te passen aan de mogelijke risico’s of het ontbreken daarvan van NGT-planten en NGT-producten.
(13) In deze verordening moet een onderscheid worden gemaakt tussen twee categorieën NGT-planten.
(13 bis) NGT-planten die het vermogen hebben persistent te worden, zich in het milieu voort te planten of te vermenigvuldigen, binnen of buiten velden, moeten zo nauwkeurig mogelijk worden beoordeeld met het oog op de impact van dergelijke planten op de natuur en het milieu. [Am. 8]
(14) NGT-planten die ook van nature kunnen voorkomen of met conventionele kweektechnieken kunnen worden geproduceerd en de nakomelingen daarvan die met conventionele kweektechnieken worden verkregen (“NGT-planten van categorie 1”), moeten worden behandeld als planten die op natuurlijke wijze voorkomen of met conventionele kweektechnieken zijn geproduceerd, omdat zij gelijkwaardig zijn en hun risico’s vergelijkbaar zijn, waardoor volledig wordt afgeweken van de ggo-wetgeving van de Unie en de ggo-voorschriften in sectorale wetgeving. Met het oog op rechtszekerheid moeten in deze verordening criteria worden vastgesteld om te bepalen of een NGT-plant gelijkwaardig is aan natuurlijk voorkomende of conventioneel geteelde planten, alsmede een procedure waarmee de bevoegde autoriteiten vóór de introductie of het in de handel brengen van NGT-planten of NGT-producten kunnen nagaan of aan deze criteria is voldaan en daarover een besluit kunnen nemen. Deze criteria moeten objectief en wetenschappelijk onderbouwd zijn. Zij moeten betrekking hebben op het type en de omvang van genetische modificaties die kunnen worden waargenomen in de natuur of in organismen die met conventionele kweektechnieken zijn verkregen, en moeten grenswaarden bevatten voor zowel de omvang van als het aantal genetische modificaties in het genoom van NGT-planten. Gezien de snelle ontwikkeling van de wetenschappelijke en technische kennis op dit gebied moet de Commissie de bevoegdheid krijgen om deze criteria overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie bij te werken in het licht van de wetenschappelijke en technische vooruitgang met betrekking tot het type en de omvang van genetische modificaties die van nature of door middel van conventionele veredeling kunnen ontstaan. [Am. 9]
(14 bis) Rekening houdend met de grote complexiteit van plantengenomen moeten de criteria om een NGT-plant als gelijkwaardig aan een natuurlijk voorkomende of conventioneel geteelde plant te beschouwen, de diversiteit weerspiegelen van de omvang van de genetische modificaties in het genoom van de planten en de eigenschappen ervan. Polyploïde planten bevatten meer dan twee homologe chromosomen. Hierbij gaat het om tetraploïden, hexaploïden en octoploïden van respectievelijk vier, zes en acht paren chromosomen. Polyploïde planten vertonen meestal meer genetische modificaties dan monoploïde planten. Om deze redenen moeten drempels met betrekking tot het totale aantal individuele modificaties per plant in verhouding staan tot het aantal paren chromosomen in een plant. [Am. 10]
(15) Alle NGT-planten die niet tot categorie 1 behoren (“NGT-planten van categorie 2”) moeten onderworpen blijven aan de voorschriften van de ggo-wetgeving van de Unie omdat zij complexere reeksen veranderingen in het genoom bevatten.
(16) NGT-planten en -producten van categorie 1 mogen niet worden onderworpen aan de regels en voorschriften van de ggo-wetgeving van de Unie of aan de bepalingen van andere wetgeving van de Unie die op ggo’s van toepassing zijn. Met het oog op de rechtszekerheid voor exploitanten en transparantie moet vóór elke doelbewuste introductie, met inbegrip van het in de handel brengen, een verklaring betreffende de status van NGT-plant van categorie 1 worden verkregen.
(17) Deze verklaring moet worden verkregen vóór elke doelbewuste introductie van NGT-planten van categorie 1 voor andere doeleinden dan het in de handel brengen, zoals voor veldproeven die op het grondgebied van de Unie moeten plaatsvinden, aangezien de criteria gebaseerd zijn op gegevens die vóór de veldproeven beschikbaar zijn en niet van deze veldproeven afhankelijk zijn. Wanneer op het grondgebied van de Unie geen veldproeven worden uitgevoerd, moeten exploitanten die verklaring verkrijgen voordat zij het NGT-product van categorie 1 in de handel brengen.
(18) Aangezien de criteria om een NGT-plant als gelijkwaardig aan natuurlijk voorkomende of conventioneel geteelde planten te beschouwen geen verband houden met het soort activiteit waarvoor de doelbewuste introductie van de NGT-plant vereist is, moet een verklaring betreffende de status van NGT-plant van categorie 1 vóór de doelbewuste introductie ervan voor andere doeleinden dan het in de handel brengen op het grondgebied van de Unie ook geldig zijn voor het in de handel brengen van aanverwante NGT-producten. Gezien de grote onzekerheid in de fase van veldproeven over de vraag of het product op de markt zal komen en de waarschijnlijke betrokkenheid van kleinere exploitanten bij dergelijke introducties, moet de verificatieprocedure voor de status van NGT-plant van categorie 1 voorafgaand aan dergelijke proeven door de nationale bevoegde autoriteiten worden uitgevoerd, waardoor de administratieve lasten voor de exploitanten worden verlicht, en moet er alleen een besluit op het niveau van de Unie worden genomen als andere nationale bevoegde autoriteiten opmerkingen maken over het verificatierapport. Indien het verificatieverzoek wordt ingediend voordat de NGT-producten in de handel worden gebracht, en andere lidstaten met redenen omklede bezwaren naar voren hebben gebracht, moet de procedure worden uitgevoerd in overleg met de Commissie en de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (de Autoriteit) op het niveau van de Unie om de doeltreffendheid van de verificatieprocedure en de consistentie van de verklaringen betreffende de status van NGT-plant van categorie 1 te waarborgen. [Am. 11]
(18 bis) Teneinde op doeltreffende wijze nieuwe rassen te selecteren die de landbouwsector helpen bij het bevorderen van voedselzekerheid, duurzaamheid, en aanpassing en veerkracht ten aanzien van de gevolgen van de klimaatverandering, moeten de specifieke kenmerken van polyploïde planten, d.w.z. planten met meer dan twee genomen, in aanmerking worden genomen. Voor deze planten moet het maximum aantal toegestane genetische modificaties voor opneming in NGT-planten van categorie 1 in verhouding staan tot het aantal genomen dat zij bevatten. [Am. 12]
(19) Voor de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, de Commissie en de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) moeten striktepassende termijnen gelden om ervoor te zorgen dat verklaringen betreffende de status van NGT-plant van categorie 1 binnen een redelijke termijn worden afgegeven. [Am. 13]
(20) De verificatie van de status van NGT-plant van categorie 1 is van technische aard en houdt geen risicobeoordeling of risicobeheer in, en het besluit over de status is slechts declaratoir van aard. Wanneer de procedure op het niveau van de Unie wordt uitgevoerd, moeten dergelijke uitvoeringsbesluiten derhalve worden vastgesteld volgens de raadplegingsprocedure, ondersteund door wetenschappelijke en technische bijstand van de EFSA.
(21) Bij besluiten waarbij de status van NGT-plant van categorie 1 wordt vastgesteld, moet aan de betrokken NGT-plant een identificatienummer worden toegekend om de transparantie en traceerbaarheid met betrekking tot die planten te waarborgen wanneer zij in de databank worden opgenomen en met het oog op de etikettering van het daaruit verkregen plantaardig teeltmateriaal. De vermelde informatie moet gegevens bevatten over de techniek of technieken die is/zijn gebruikt voor het introduceren van de eigenschap of eigenschappen. [Am. 14]
(22) NGT-planten van categorie 1 moeten onderworpen blijven aan een regelgevingskader dat van toepassing is op conventioneel gekweekte planten. Net als voor conventionele planten en producten zullen die NGT-planten en de daarvan afgeleide producten vallen onder de toepasselijke sectorale wetgeving inzake zaden en ander plantaardig teeltmateriaal, levensmiddelen, diervoeders en andere producten, en horizontale kaders, zoals de wetgeving inzake natuurbehoud en milieuaansprakelijkheid. In dit verband zullen NGT-levensmiddelen van categorie 1 met een aanzienlijk gewijzigde samenstelling of structuur die van invloed is op de voedingswaarde, het metabolisme of het gehalte aan ongewenste stoffen van het levensmiddel, als nieuwe voedingsmiddelen worden beschouwd en derhalve onder het toepassingsgebied van Verordening (EU) 2015/2283 van het Europees Parlement en de Raad(18) vallen en in die context aan een risicobeoordeling worden onderworpen.
(23) Verordening (EU) 2018/848 van het Europees Parlement en de Raad inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad(19) verbiedt het gebruik van ggo’s en met ggo’s verkregen producten in de biologische productie. Voor de toepassing van die verordening wordt voor de definitie van ggo’s verwezen naar Richtlijn 2001/18/EG, waarbij ggo’s die zijn verkregen door middel van de in bijlage I B bij Richtlijn 2001/18/EG opgenomen technieken van genetische modificatie, van het verbod worden uitgesloten. Bijgevolg zullen NGT-planten van categorie 2 in de biologische productie worden verboden. De status van NGT-planten van categorie 1 met het oog op de biologische productie moet echter worden verduidelijkt. Momenteel moet verder onderzoek worden gedaan naar de verenigbaarheid van het gebruik van nieuwe genomische technieken is momenteel onverenigbaar met het concept vanmet de beginselen van de biologische productie in Verordening (EU) 2018/848 en het beeld dat de consument heeft van biologische producten. Het gebruik van NGT-planten van categorie 1 moet daarom ook in de biologische productie worden verboden, totdat dit verder is onderzocht. [Am. 15]
(24) Er moet worden gezorgd voor transparantie met betrekking tot het gebruik van NGT-plantenrassen van categorie 1, zodat productieketens de mogelijkheid hebben om vrij van NGT’s te blijven en zo het vertrouwen van de consument kunnen behouden. NGT-planten waarvoor een verklaring betreffende de status van NGT-plant van categorie 1 is verkregen, moeten worden opgenomen in een openbaar toegankelijke databank, die onder meer informatie bevat over de techniek of technieken die werd of werden gebruikt om de eigenschap of eigenschappen te verkrijgen. Om de traceerbaarheid, transparantie en keuzevrijheid voor exploitanten bij onderzoek en plantenveredeling te waarborgen wanneer zij zaden aan landbouwers verkopen of anderszins teeltmateriaal aan derden ter beschikking stellen, moet plantaardig teeltmateriaal van NGT-planten van categorie 1 als NGT van categorie 1 worden geëtiketteerd. [Am. 16]
(25) NGT-planten van categorie 2 moeten onderworpen blijven aan de voorschriften van de ggo-wetgeving van de Unie, aangezien de risico’s van die planten op basis van de huidige wetenschappelijke en technische kennis moeten worden beoordeeld. Er moeten bijzondere voorschriften worden vastgesteld om de procedures en bepaalde andere voorschriften van Richtlijn 2001/18/EG en Verordening (EG) nr. 1829/2003 aan te passen aan de specifieke aard van NGT-planten van categorie 2 en de verschillende risiconiveaus die zij kunnen inhouden.
(26) NGT-planten en -producten van categorie 2 moeten, om in het milieu te worden geïntroduceerd of in de handel te worden gebracht, onderworpen blijven aan een toestemming of vergunning overeenkomstig Richtlijn 2001/18/EG of Verordening (EG) nr. 1829/2003. Gezien de grote verscheidenheid van die NGT-planten zal de hoeveelheid informatie die voor de risicobeoordeling nodig is van geval tot geval verschillen. De EFSA heeft in haar wetenschappelijke adviezen over planten die met cisgenese en intragenese zijn ontwikkeld(20) en over planten die met gerichte mutagenese zijn ontwikkeld(21), aanbevolen flexibel om te gaan met de gegevensvereisten voor de risicobeoordeling van deze planten. Op basis van de “Criteria for risk assessment of plants produced by targeted mutagenesis, cisgenesis and intragenesis”(22) van de EFSA moeten overwegingen met betrekking tot de geschiedenis van veilig gebruik, de vertrouwdheid met het milieu en de functie en structuur van de gewijzigde/ingebrachte sequentie(s) helpen bij het bepalen van het soort en de hoeveelheid gegevens die nodig zijn voor de risicobeoordeling van deze NGT-planten. Daarom moeten algemene beginselen en criteria voor de risicobeoordeling van deze planten worden vastgesteld en moet worden voorzien in flexibiliteit en de mogelijkheid om risicobeoordelingsmethoden af te stemmen op de wetenschappelijke en technische vooruitgang.
(27) De voorschriften inzake de inhoud van kennisgevingen voor toestemming voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit ggo’s die geen levensmiddelen of diervoeders zijn, en inzake de inhoud van vergunningsaanvragen voor het in de handel brengen van genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders zijn in verschillende wetgevingsteksten vastgelegd. Met het oog op samenhang tussen kennisgevingen voor toestemming en vergunningsaanvragen voor NGT-producten van categorie 2 moet hun inhoud gelijk zijn, met uitzondering van de kennisgevingen en aanvragen betreffende de veiligheidsbeoordeling van levensmiddelen en diervoeders, aangezien deze alleen betrekking hebben op NGT-levensmiddelen en -diervoeders van categorie 2.
(28) Het referentielaboratorium van de Europese Unie voor genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (EURL) heeft in samenwerking met het Europees netwerk van ggo-laboratoria (ENGL) geconcludeerd dat het niet haalbaar is om analytische tests uit te voeren voor alle producten die met gerichte mutagenese en cisgenese zijn verkregen(23). Wanneer de geïntroduceerde modificaties van het genetisch materiaal niet specifiek zijn voor de NGT-plant in kwestie, kan de NGT-plant hierdoor niet worden onderscheiden van conventionele planten. In gevallen waarin het niet mogelijk is een analysemethode voor detectie, identificatie en kwantificering te verstrekken, en indien dit door de kennisgever of de aanvrager naar behoren wordt gemotiveerd, moeten de voorwaarden voor naleving van de voorschriften inzake analysemethoden worden aangepast. Deze aanpassing moet worden opgenomen in de uitvoeringshandelingen die op grond van deze verordening worden vastgesteld. Ook moet worden bepaald dat het EURL, bijgestaan door het ENGL, richtsnoeren voor aanvragers kan vaststellen met betrekking tot de minimale prestatie-eisen voor analysemethoden. De voorwaarden voor de validering van methoden kunnen ook worden aangepast.
(29) Richtlijn 2001/18/EG vereist een monitoringplan voor de milieueffecten van ggo’s nadat zij doelbewust zijn geïntroduceerd of in de handel zijn gebracht, maar biedt flexibiliteit ten aanzien van de uitwerking van het plan, rekening houdend met de milieurisicobeoordeling, de kenmerken van het ggo, het verwachte gebruik ervan en het milieu waarin het wordt geïntroduceerd. Genetische modificaties in NGT-planten van categorie 2 kunnen variëren van veranderingen waarvoor slechts een beperkte risicobeoordeling nodig is tot complexe veranderingen die een grondigere analyse van potentiële risico’s vereisen. Daarom moeten de voorschriften voor monitoring na het in de handel brengen van de milieueffecten van NGT-planten van categorie 2 worden aangepast in het licht van de milieurisicobeoordeling en de ervaring met veldproeven, de kenmerken van de betrokken NGT-plant, de kenmerken en de omvang van het verwachte gebruik ervan, met name de geschiedenis van veilig gebruik van de plant, en de kenmerken van het milieu waarin het wordt geïntroduceerd. Daarom isIn het licht van het voorzorgsbeginsel moet een monitoringplan voor milieueffecten nietaltijd vereist indien het onwaarschijnlijk iszijn als voor het eerst toestemming is verleend. Het mag alleen mogelijk zijn af te zien van het vereiste van monitoring bij de verlenging van de toestemming, mits is aangetoond dat de NGT-plant van categorie 2 geen risico’s inhoudt die moeten worden gemonitord, zoals indirecte, vertraagde of onvoorziene gevolgen voor de menselijke gezondheid of het milieu. [Am. 17]
(30) Om redenen van evenredigheid moet de vergunning na een eerste verlenging voor onbepaalde tijd geldig zijn, tenzij op het moment van de verlenging anders wordt besloten op basis van de risicobeoordeling en de beschikbare informatie over de betrokken NGT-plant, onder voorbehoud van een herbeoordeling wanneer informatie beschikbaar komt.
(31) Om redenen van rechtszekerheid en goed bestuur mag de termijn waarbinnen de EFSA haar advies over een vergunningsaanvraag moet uitbrengen, alleen worden verlengd wanneer aanvullende informatie nodig is om de aanvraag te beoordelen, en mag de verlenging niet langer zijn dan de oorspronkelijk vastgestelde termijn, tenzij de aard van de informatie of uitzonderlijke omstandigheden dit rechtvaardigen.
(32) Om de transparantie en de consumentenvoorlichting te verbeteren, moeten exploitanten de mogelijkheid krijgen om de etikettering van NGT-planten van categorie 2 als ggo aan te vullen met informatie over de eigenschappen die door middel van de genetische modificatie zijn verkregen. Om misleidende of verwarrende informatie te voorkomen, moet een voorstel voor een dergelijke etikettering in de kennisgeving voor toestemming of de vergunningsaanvraag worden opgenomen en in de toestemming of in het vergunningsbesluit worden gespecificeerd.
(33) Aan potentiële kennisgevers of aanvragers van NGT-planten en -producten van categorie 2 die eigenschappen hebben die kunnen bijdragen tot een duurzaam agrovoedingssysteem, moeten regelgevende stimulansen worden geboden om de ontwikkeling van NGT-planten van categorie 2 toe te spitsen op dergelijke eigenschappen. De criteria voor het toepassen van deze stimulansen moeten gericht zijn op brede categorieën van eigenschappen die kunnen bijdragen tot duurzaamheid (zoals kenmerken die verband houden met tolerantie voor of resistentie tegen biotische en abiotische druk, verbeterde voedingswaarden of een verhoogde opbrengst) en moeten gebaseerd zijn op de bijdrage aan de waarde voor duurzame teelt en duurzaam gebruik als omschreven in [artikel 52, lid 1, van het voorstel van de Commissie voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de productie en het in de handel brengen van plantaardig teeltmateriaal in de Unie(24)]. Doordat de criteria in de hele EU van toepassing zullen zijn, kan er geen engere definitie van eigenschappen worden gehanteerd om specifieke kwesties te benadrukken of rekening te houden met lokale en regionale bijzonderheden.
(34) Stimulansen moeten bestaan uit een versnelde procedure voor risicobeoordeling met betrekking tot aanvragen die via een volledig gecentraliseerde procedure worden behandeld (levensmiddelen en diervoeders) en een verbeterd advies voorafgaand aan de indiening om ontwikkelaars te helpen bij het opstellen van het dossier met het oog op de beoordeling van de milieu- en voedsel- en voederveiligheid, zonder afbreuk te doen aan de algemene bepalingen inzake advies voorafgaand aan de indiening, kennisgeving van studies en raadpleging van derden overeenkomstig de artikelen 32 bis, 32 ter en 32 quater van Verordening (EG) nr. 178/2002(25).
(35) Als de kennisgever of aanvrager een kleine of middelgrote onderneming (kmo) is, moeten aanvullende stimuleringsmaatregelen worden aangeboden om de toegang van dergelijke ondernemingen tot de regelgevingsprocedures te vergemakkelijken, de diversificatie van ontwikkelaars van NGT-planten te ondersteunen en de ontwikkeling door kleine kwekers van gewassoorten en -eigenschappen met NGT’s te bevorderen door kmo’s vrijstelling van vergoeding voor de validering van detectiemethoden en uitgebreider advies vóór de indiening te verlenen, ook met betrekking tot de opzet van studies die ten behoeve van de risicobeoordeling moeten worden uitgevoerd.
(36) Herbicidetolerante planten worden zodanig gekweekt dat zij opzettelijk tolerant zijn voor herbiciden om te worden geteeld in combinatie met het gebruik van die herbiciden. Als die teelt niet onder de juiste omstandigheden plaatsvindt, kan er onkruid ontstaan dat resistent is tegen die herbiciden of kan het zijn dat er meer herbiciden moeten worden gebruikt, ongeacht de gebruikte veredelingstechniek. Daarom mogen NGT-planten met herbicidetolerante eigenschappen in dit kader niet in aanmerking komen voor stimuleringsmaatregelen. Deze verordening mag echter geen andere specifieke maatregelen inzake herbicidetoleranteniet onder de NGT-planten bevatten, omdat dergelijke maatregelen horizontaal worden genomen in [het voorstel van de Commissie voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de productie en het in de handel brengen van plantaardig teeltmateriaal in de Unie]van categorie 1 vallen. [Am. 18]
(37) Om ervoor te zorgen dat NGT-planten bijdragen tot de duurzaamheidsdoelstellingen van de Green Deal, de “van boer tot bord”-strategie en de biodiversiteitsstrategie, moet de teelt van NGT-planten in de Unie worden vergemakkelijkt. Dit betekent dat het voor kwekers en landbouwers voorspelbaar moet zijn of zij dergelijke planten in de Unie kunnen telen. Daarom zou de in artikel 26 ter van Richtlijn 2001/18/EG vastgestelde mogelijkheid voor de lidstaten om maatregelen vast te stellen om de teelt van NGT-planten van categorie 2 op hun gehele grondgebied of een deel daarvan te beperken of te verbieden, deze doelstellingen ondermijnen. [Am. 239]
(38) De bijzondere voorschriften van deze verordening met betrekking tot de vergunningsprocedure voor NGT-planten van categorie 2 zullen naar verwachting leiden tot een toename van de teelt van dergelijke planten in de Unie in vergelijking met de situatie die tot nu toe bestond in het kader van de huidige ggo-wetgeving van de Unie. Daarom moeten de overheidsinstanties van de lidstaten co-existentiemaatregelen vaststellen om de belangen van de producenten van conventionele, biologische en genetisch gemodificeerde planten tegen elkaar af te wegen en de producenten aldus de keuze te laten tussen verschillende soorten productie, in overeenstemming met de doelstelling van de “van boer tot bord”-strategie om tegen 2030 25 % van de landbouwgrond voor biologische landbouw te gebruiken.
(39) Om de doeltreffende werking van de interne markt te waarborgen, moeten NGT-planten en aanverwante producten in aanmerking komen vooren het vrije verkeer van goederen, mits zij voldoen aan deNGT-planten en producten van NGT-planten in de hele Unie te waarborgen, moet de doelbewuste introductie van NGT-planten en het in de handel brengen van NGT-producten gebaseerd zijn op de geharmoniseerde voorschriften van andere wetgeving van de Unieen procedures uit hoofde van deze verordening, zodat een besluit kan worden vastgesteld dat uniform van toepassing is op alle lidstaten. [Am. 20]
(40) Gezien het feit dat NGT’s nieuw zijn, is het van belang de ontwikkeling en aanwezigheid van NGT-planten en -producten op de markt nauwlettend te volgen en de bijbehorende gevolgen voor de gezondheid van mens en dier, het milieu en de ecologische, economische en sociale duurzaamheid te evalueren. Er moet regelmatig informatienieuwe genomische technieken momenteel worden verzameld enontwikkeld, moet de Commissie moet binnen vijf jaar na de vaststelling van het eerste besluit op grond waarvan NGT-planten of -producten doelbewust in de Unie mogen worden geïntroduceerd of in de handel mogen worden gebracht, een evaluatie van deze verordening uitvoeren. In het kader van die evaluatie moet om de vooruitgang te metenworden gemeten die is geboekt bij het op de EU-markt brengen van NGT-planten of NGT-producten met dergelijke kenmerken of eigenschappen, teneinde deze verordening verder te verbeteren. [Am. 21]
(41) Teneinde een hoog niveau van bescherming van de gezondheid en het milieu in verband met NGT-planten en -producten te waarborgen, moeten de uit deze verordening voortvloeiende voorschriften op niet-discriminerende wijze worden toegepast op alle producten, ongeacht of zij van oorsprong uit de Unie zijn of zijn ingevoerd uit derde landen.
(42) Aangezien de doelstellingen van deze verordening niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt, maar beter door de Unie kunnen worden verwezenlijkt om ervoor te zorgen dat NGT-planten en -producten vrij op de interne markt kunnen circuleren, kan de Unie maatregelen nemen overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.
(43) De soorten NGT-planten die worden ontwikkeld en de gevolgen van bepaalde eigenschappen voor de ecologische, sociale en economische duurzaamheid evolueren voortdurend. Daarom moet de Commissie, op basis van het beschikbare bewijs van dergelijke ontwikkelingen en gevolgen, volledig rekening houdend met het voorzorgsbeginsel, overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie de bevoegdheid krijgen om de lijst van eigenschappen die moeten worden bevorderd of ontmoedigd, aan te passen teneinde de doelstellingen van de Green Deal, de “van boer tot bord”-strategie, de biodiversiteitsstrategie en de strategie voor aanpassing aan de klimaatverandering te verwezenlijken. [Am. 22]
(44) Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven(26). Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen, ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die de gedelegeerde handelingen voorbereiden.
(45) Om eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van deze verordening te waarborgen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend in verband met de informatie die vereist is om aan te tonen dat een NGT-plant een NGT-plant van categorie 1 is, het opstellen en indienen van de kennisgeving in verband met die vaststelling en de methodologie en gegevensvereisten voor de milieurisicobeoordelingen van NGT-planten van categorie 2 en NGT-levensmiddelen en -diervoeders, overeenkomstig de in deze verordening vastgestelde beginselen en criteria. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad(27).
(45 bis) Het Europees Parlement heeft de Unie en haar lidstaten opgeroepen geen octrooien te verstrekken voor biologisch materiaal en de handelingsvrijheid en de kwekersvrijstelling voor rassen te vrijwaren. Er moet worden gewaarborgd dat kwekers volledige toegang hebben tot het genetische materiaal van NGT-planten, die per definitie geen transgene planten zijn. De toegang tot genetische materialen kan het best worden gegarandeerd als het recht van octrooihouders niet geldt ten aanzien van kwekers (kwekersvrijstelling). Aangezien de huidige bepalingen in het octrooirecht niet voorzien in een volledige kwekersvrijstelling, moet worden gegarandeerd dat octrooien het gebruik van NGT-planten door kwekers en landbouwers niet beperken. In dit verband mogen NGT-planten niet onderworpen zijn aan de octrooiwetgeving, maar moeten zij voor de bescherming van de intellectuele eigendom uitsluitend onderworpen zijn aan het communautaire kwekersrecht, zoals vastgelegd in Verordening (EG) nr. 2100/94 van de Raad, dat het mogelijk maakt gebruik te maken van de kwekersvrijstelling. NGT-planten, van deze planten afgeleide zaden, hun plantaardig materiaal, verwant genetisch materiaal zoals hun genen en gensequenties, en planteigenschappen moeten daarom van octrooieerbaarheid worden uitgesloten. De uitsluiting van octrooieerbaarheid moet in alle wetgeving op consistente wijze worden toegepast. Om te voorkomen dat octrooien worden toegekend of kunnen worden aangevraagd in de periode tussen de datum van inwerkingtreding van deze verordening en de toepassing van de bepalingen van deze verordening, moet er bovendien voor worden gezorgd dat het plantaardig materiaal vanaf de datum van inwerkingtreding van deze verordening van octrooieerbaarheid wordt uitgesloten. Voor reeds verleende of in behandeling zijnde octrooiaanvragen voor plantaardig materiaal moeten de gevolgen van octrooien verder worden beperkt. De Commissie moet in aankomende studie beoordelen hoe verder het hoofd moet worden geboden aan het bredere probleem van octrooien op plantaardig materiaal die direct of indirect worden toegekend, ondanks eerdere inspanningen om mazen te dichten. Bij de beoordeling moet met name aandacht worden besteed aan de rol en het effect van octrooien op de toegang van kwekers en landbouwers tot plantaardig teeltmateriaal, zaaddiversiteit en betaalbare prijzen, alsook op innovatie en met name op de kansen voor kmo’s. Het verslag van de Commissie moet vergezeld gaan van passende wetgevingsvoorstellen om ervoor te zorgen dat het kader voor intellectuele-eigendomsrechten verder wordt aangepast. [Am. 23]
(46) De Commissie moet regelmatig informatie verzamelen om na te gaan in hoeverre de wetgeving heeft bijgedragen tot de ontwikkeling van en de beschikbaarheid op de markt van NGT-planten en -producten die kunnen bijdragen tot de doelstellingen van de Green Deal en de “van boer tot bord”-strategie, de biodiversiteitsstrategie en de strategie voor aanpassing aan de klimaatverandering, en om een evaluatie van de wetgeving te onderbouwen. Er is een brede reeks van indicatoren vastgesteld(28) die periodiek door de Commissie moet worden herzien. De indicatoren moeten de monitoring ondersteunen van de potentiële gezondheids- of milieurisico’s van NGT-planten van categorie 2 en aanverwante producten, het effect van NGT-planten op ecologische, economische en sociale duurzaamheid en het effect op de biologische landbouw en de aanvaarding van NGT-producten door de consument. Drie jaar na de kennisgeving/vergunning van de eerste producten moet een eerste monitoringverslag worden ingediend, wat vervolgens met regelmatige tussenpozen moet gebeuren, om ervoor te zorgen dat er na de volledige uitvoering van de nieuwe wetgeving voldoende gegevens beschikbaar zijn. De Commissie moet twee jaar na de publicatie van het eerste monitoringverslag een evaluatie van deze verordening uitvoeren, zodat het effect van de eerste producten die aan de verificatie- of vergunningsprocedure zijn onderworpen, volledig kan worden beoordeeld.
(47) Sommige verwijzingen naar bepalingen van de ggo-wetgeving van de Unie in Verordening (EU) 2017/625 van het Europees Parlement en de Raad(29) moeten worden gewijzigd om de specifieke bepalingen van deze wetgeving die van toepassing zijn op NGT-planten erin op te nemen.
(47 bis) In het kader van de Europese Green Deal, de “van boer tot bord”-strategie en de EU-biodiversiteitsstrategie wordt biologische landbouw centraal gesteld in de transitie naar duurzame voedselsystemen, met als doel tegen 2030 25 % van de Europese landbouwgrond te gebruiken voor biologische productie. Dit is een duidelijke erkenning van de milieuvoordelen van biologische landbouw, voor minder afhankelijkheid van productiemiddelen onder landbouwers en een veerkrachtige voedselvoorziening en voedselsoevereiniteit. Deze verordening mag het traject naar een transitie van de Europese voedselsystemen naar 25 % biologische landbouw tegen 2030 niet ondermijnen. [Am. 241]
(47 ter) Er moeten traceerbaarheidsvoorschriften voor met NGT’s geproduceerde voedingsmiddelen en diervoeders worden vastgesteld, opdat de juiste etikettering van dergelijke producten overeenkomstig de eisen van Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en van de Raad van 22 september 2003 inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders wordt vergemakkelijkt, zodat voor exploitanten en consumenten juiste informatie beschikbaar is op grond waarvan zij hun keuzevrijheid daadwerkelijk kunnen uitoefenen, alsook om controle op en verificatie van de beweringen op het etiket mogelijk te maken. De voorschriften betreffende met NGT’s geproduceerde levensmiddelen respectievelijk diervoeders moeten gelijksoortig zijn om te vermijden dat er leemten in de voorlichting ontstaan wanneer een product een andere eindbestemming krijgt. [Am. 243]
(48) Aangezien voor de toepassing van deze verordening uitvoeringshandelingen moeten worden vastgesteld, moet de toepassing ervan worden uitgesteld om de vaststelling van die maatregelen mogelijk te maken,
HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
HOOFDSTUK I
ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1
Voorwerp
Bij deze verordening worden overeenkomstig het voorzorgbeginsel specifieke voorschriften vastgesteld voor de doelbewuste introductie in het milieu, voor andere doeleinden dan het in de handel brengen, van planten die met bepaalde nieuwe genomische technieken zijn verkregen (“NGT-planten”) en voor het in de handel brengen van levensmiddelen en diervoeders die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met dergelijke planten, en van andere producten dan levensmiddelen en diervoeders die geheel of gedeeltelijk uit dergelijke planten bestaan, teneinde een hoog beschermingsniveau te garanderen voor de volks- en diergezondheid en het milieu. [Am. 24]
Artikel 2
Toepassingsgebied
Deze verordening is van toepassing op:
1) NGT-planten;
2) levensmiddelen die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met NGT-planten, of die ingrediënten bevatten die zijn geproduceerd met NGT-planten;
3) diervoeders die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met NGT-planten;
4) andere producten dan levensmiddelen en diervoeders die geheel of gedeeltelijk bestaan uit NGT-planten.
Artikel 3
Definities
Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
1) “organisme”, “doelbewuste introductie” en “in de handel brengen”: zoals omschreven in Richtlijn 2001/18/EG; “levensmiddel” en “diervoeder”: zoals omschreven in Verordening (EG) nr.178/2002; “traceerbaarheid”: zoals omschreven in Verordening (EG) nr. 1830/2003; “plant” zoals omschreven in Verordening (EU) 2016/2031 van het Europees Parlement en de Raad(30); “plantaardig teeltmateriaal” zoals omschreven in [het voorstel van de Commissie voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de productie en het in de handel brengen van plantaardig teeltmateriaal in de Unie(31)];
2) “NGT-plant”: een genetisch gemodificeerde plant die is verkregen met behulp van gerichte mutagenese of cisgenese, of een combinatie daarvan, op voorwaarde dat de plant geen genetisch materiaal bevat dat niet afkomstig is uit de genenpool van kwekersvoor conventionele veredeling en dat tijdelijk kan zijn ingebracht tijdens de ontwikkeling van de NGT-plant; [Am. 25]
3) “genetisch gemodificeerd organisme (ggo)”: een ggo zoals omschreven in artikel 2, lid 2, van Richtlijn 2001/18/EG, met uitzondering van organismen die zijn verkregen met de technieken van genetische modificatie die zijn opgesomd in bijlage I B bij Richtlijn 2001/18/EG;
4) “gerichte mutagenese”: mutagenesetechnieken die leiden tot een of meer veranderingen in de DNA-sequentie op preciezegerichte locaties in het genoom van een organisme; [Am. 26]
5) “cisgenese”: technieken van genetische modificatie waarmee in het genoom van een organisme genetisch materiaal wordt ingebracht dat reeds aanwezig is in de genenpool van kwekers;
6) “genenpool van kwekersvoor conventionele veredeling”: de totale hoeveelheid genetische informatie die beschikbaar is in een bepaalde soort en in andere taxonomische soorten waarmee die soort kan worden gekruist, onder meer door het gebruik van geavanceerde technieken zoals embryocultuur, geïnduceerde polyploïdie en brugkruising; [Am. 27]
7) “NGT-plant van categorie 1”: een NGT-plant die:
a) voldoet aan de in bijlage I vermelde criteria voor de gelijkwaardigheid aan conventionele planten, of
b) een nakomeling is van de in punt a) bedoelde NGT-plant(en), met inbegrip van nakomelingen die worden verkregen door het kruisen van dergelijke planten, op voorwaarde dat er geen verdere veranderingen zijn waardoor deze plant onder Richtlijn 2001/18/EG of Verordening (EG) nr. 1829/2003 zou vallen;
8) “NGT-plant van categorie 2”: een NGT-plant die geen NGT-plant van categorie 1 is;
9) “NGT-plant voor gebruik als levensmiddel”: een NGT-plant die als levensmiddel of als uitgangsmateriaal voor de productie van levensmiddelen kan worden gebruikt;
10) “NGT-plant voor gebruik als diervoeder”: een NGT-plant die als diervoeder of als uitgangsmateriaal voor de productie van diervoeders kan worden gebruikt;
11) “met een NGT-plant geproduceerd”: geheel of gedeeltelijk afgeleid van een NGT-plant, maar niet geheel of gedeeltelijk bestaande uit een NGT-plant;
12) “NGT-product”: een ander product dan een levensmiddel of diervoeder dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit een NGT-plant, en levensmiddelen en diervoeders die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met een dergelijke plant;
13) “NGT-product van categorie 1”: een NGT-product waarvan de NGT-plant die het bevat, geheel of gedeeltelijk bestaat uit of, in het geval van levensmiddelen of diervoeders, is geproduceerd met een NGT-plant van categorie 1;
14) “NGT-product van categorie 2”: een NGT-product waarvan de NGT-plant die het bevat, geheel of gedeeltelijk bestaat uit of, in het geval van levensmiddelen of diervoeders, is geproduceerd met een NGT-plant van categorie 2;
15) “kleine of middelgrote onderneming (kmo)”: een kmo in de zin van Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie2.;
15 bis) “Eén gezondheid-benadering”: een geïntegreerde, uniforme aanpak die erop gericht is de gezondheid van mensen, dieren, planten en ecosystemen op duurzame wijze in evenwicht te brengen en te optimaliseren; in deze benadering wordt erkend dat de gezondheid van mensen, huisdieren en wilde dieren, planten en het bredere milieu, met inbegrip van ecosystemen, nauw met elkaar verbonden zijn en van elkaar afhankelijk zijn; [Am. 28]
15 ter) “chimerisch eiwit”: een eiwit dat ontstaat door de verbinding van twee of meer genen of delen van genen die oorspronkelijk voor afzonderlijke eiwitten waren gecodeerd. [Am. 29]
Artikel 4
Doelbewuste introductie van NGT-planten voor andere doeleinden dan de introductie en het in de handel brengen van NGT-producten
Onverminderd andere voorschriften van het Unierecht mag een NGT-plant alleen doelbewust in het milieu worden geïntroduceerd voor andere doeleinden dan het in de handel brengen, en mag een NGT-product alleen in de handel worden gebracht indien:
1) de plant een NGT-plant van categorie 1 is en
a) voorwerp is geweest van een besluit waarbij die status overeenkomstig artikel 6 of 7 is vastgesteld; of
b) een nakomeling is van een of meer van de in punt a) bedoelde planten, op voorwaarde dat nog steeds is voldaan aan de in bijlage I vastgestelde criteria voor gelijkwaardigheid; of [Am. 30]
2) de plant een NGT-plant van categorie 2 is en overeenkomstig hoofdstuk III toestemming heeft verkregen of is toegelaten. [Am. 31]
De uitvoering, handhaving en toepassing van deze verordening hebben niet tot doel of gevolg dat de invoer uit derde landen van NGT-planten en -producten die voldoen aan dezelfde normen als degene die zijn opgenomen in deze verordening, onmogelijk wordt gemaakt of wordt bemoeilijkt. [Am. 32]
Artikel 4 bis
Uitsluiting van octrooieerbaarheid
NGT-planten, plantaardig materiaal, delen daarvan, genetische informatie en de daarin vervatte proceskenmerken zijn niet octrooieerbaar. [Am. 33]
HOOFDSTUK II
NGT-planten van categorie 1 en NGT-producten van categorie 1
Artikel 5
Status van NGT-planten van categorie 1
1. De voorschriften die in de wetgeving van de Unie op ggo’s van toepassing zijn, zijn niet van toepassing op NGT-planten van categorie 1.
2. Voor de toepassing van Verordening (EU) 2018/848 zijn de voorschriften van artikel 5, punt f),onder f) en iii), en artikel 11 van die verordening van toepassing op NGT-planten van categorie 1 en op producten die metvan of door dergelijke planten zijnworden geproduceerd. [Zeven jaar na de inwerkingtreding van deze verordening] presenteert de Commissie een verslag over de veranderingen in de perceptie van consumenten en producenten, zo nodig vergezeld van een wetgevingsvoorstel. [Am. 34]
3. De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 26 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van de in bijlage I vastgestelde criteria voor de gelijkwaardigheid van NGT-planten aan conventionele planten, rekening houdend met mogelijke daaraan verbonden risico’s en functionele gevolgen tijdens de verificatieprocedure teneinde deze aan te passen aan de wetenschappelijke en technologische vooruitgangontwikkelingen met betrekking tot de soorten en de omvang van de veranderingen die van nature of door middel van conventionele veredeling kunnen ontstaan. [Am. 35]
3 bis. De onvoorziene of technisch niet te voorkomen aanwezigheid van categorie 1-NGT-planten, teeltmateriaal of delen daarvan in de biologische productie of in niet-biologische producten die overeenkomstig de artikelen 24 en 25 van Verordening (EU) 2018/848 in de biologische productie zijn toegelaten, vormt geen niet-naleving van die verordening. [Am. 36]
Artikel 6
Verificatieprocedure voor de status van NGT-plant van categorie 1 voorafgaand aan de doelbewuste introductie voor andere doeleinden dan het in de handel brengen
1. Om de in artikel 4, lid 1, punt a), bedoelde verklaring betreffende de status van NGT-plant van categorie 1 te verkrijgen alvorens over te gaan tot doelbewuste introductie van een NGT-plant voor andere doeleinden dan het in de handel brengen, dient de persoon die voornemens is de doelbewuste introductie uit te voeren een verzoek in om na te gaan of aan de criteria van bijlage I, ten minste één van de in deel 1 van bijlage III bedoelde eigenschappen en de uitsluitingscriteria van deel 2 van bijlage III is voldaan (“verificatieverzoek”). Dat verificatieverzoek wordt ingediend bij de overeenkomstig artikel 4, lid 4, van Richtlijn 2001/18/EG aangewezen bevoegde autoriteit van de lidstaat op het grondgebied waarvan de introductie zal plaatsvinden overeenkomstig leden 2 en 3 en de overeenkomstig artikel 276, lid 11 bis, punt b), vastgestelde uitvoeringshandeling een verzoek in om na te gaan of aan de criteria van bijlage I is voldaan (“verificatieverzoek”)gedelegeerde handeling. [Am. 37]
2. Wanneer een persoon voornemens is een dergelijke doelbewuste introductie gelijktijdig in meer dan één lidstaat uit te voeren, dient die persoon het verificatieverzoek in bij de bevoegde autoriteit van een van die lidstaten.
3. Het in lid 1 bedoelde verificatieverzoek wordt ingediend met inachtneming van de gestandaardiseerde gegevensformaten, voor zover deze beschikbaar zijn overeenkomstig artikel 39 septies van Verordening (EG) nr. 178/2002, en omvat, onverminderd de aanvullende informatie die overeenkomstig artikel 32 ter van Verordening (EG) nr. 178/2002 vereist kan zijn, de volgende informatie:
a) de naam en het adres van de aanvrager;
b) de benaming en specificatie van de NGT-plant;
c) een beschrijving van de eigenschappen en kenmerken die zijn ingebracht of gewijzigd, met inbegrip van informatie over de techniek of technieken die is/zijn gebruikt om de eigenschap of de eigenschappen te verkrijgen, met inbegrip de sequentie van de genetische modificatie; [Am. 38]
c bis) een octrooi of een lopende octrooiaanvraag voor een volledige of gedeeltelijke NGT-plant van categorie 1; [Am. 253]
d) een kopie van de uitgevoerde studies en alle andere beschikbare documenten waaruit blijkt dat:
i) de plant een NGT-plant is die geen genetisch materiaal bevat dat niet afkomstig is uit de genenpool van kwekersvoor conventionele veredeling, indien dergelijk genetisch materiaal tijdelijk is ingebracht tijdens de ontwikkeling van de plant, overeenkomstig de informatievoorschriften in de uitvoeringshandelinggedelegeerde handeling die overeenkomstig artikel 276, lid 11 bis, punt a), is vastgesteld; [Am. 39]
ii) de NGT-plant voldoet aan de criteria van bijlage I, ten minste een van de eigenschappen van bijlage III, deel 1, en de criteria van bijlage III, deel 2; [Am. 40]
d bis) de benaming van het ras; [Am. 41]
e) in de in lid 2 bedoelde gevallen, een vermelding van de lidstaten waar de aanvrager voornemens is de doelbewuste introductie uit te voeren;
f) een vermelding van de delen van het verificatieverzoek en alle overige aanvullende informatie waarvoor de aanvrager verzoekt om vertrouwelijke behandeling, vergezeld van een verifieerbare motivering van dat verzoek, overeenkomstig artikel 11 van deze verordening en artikel 39 van Verordening (EG) nr. 178/2002.
4. De bevoegde autoriteit stuurt de aanvrager onverwijld een ontvangstbevestiging met vermelding van de datum van ontvangst. Zij stelt het verzoek onverwijld ter beschikking van de andere lidstaten en de Commissie.
5. Indien het verificatieverzoek niet alle vereiste informatie bevat, wordt het door de bevoegde autoriteit binnen 30 werkdagen na ontvangst niet-ontvankelijk verklaard. De bevoegde autoriteit stelt de aanvrager, de andere lidstaten en de Commissie onverwijld in kennis van de niet-ontvankelijkheid van het verificatieverzoek en motiveert haar besluit.
6. Indien het verificatieverzoek niet overeenkomstig lid 5 als niet-ontvankelijk wordt afgewezen, gaat de bevoegde autoriteit na of de NGT-plant voldoet aan de criteria van bijlage I en stelt zij binnen 30 werkdagen na ontvangst van het verificatieverzoek een verificatierapport op. De bevoegde autoriteit kan bij het opstellen van het verificatieverslag in voorkomend geval overleg plegen met de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA). De bevoegde autoriteit stelt het verificatierapport onverwijld ter beschikking van de andere lidstaten en de Commissie. [Am. 42]
7. De andere lidstaten en de Commissie kunnen binnen 20 dagen na de datum van ontvangst van het verificatierapport opmerkingengemotiveerde bezwaren maken met betrekking tot de naleving van de criteria van bijlage I. Dergelijke gemotiveerde bezwaren verwijzen uitsluitend naar de criteria van bijlage I en II en bevatten een wetenschappelijke motivering. [Am. 43]
8. Wanneer geen opmerkingenwetenschappelijk gemotiveerde bezwaren van een lidstaat of de Commissie zijn ontvangen, stelt de nationale bevoegde autoriteit die het verificatierapport heeft opgesteld binnen tien werkdagen na het verstrijken van de in lid 7 bedoelde termijn een besluit vast waarin wordt verklaard of de NGT-plant een NGT-plant van categorie 1 is. De nationale bevoegde autoriteit stelt de aanvrager, de andere lidstaten en de Commissie onverwijldbinnen tien werkdagen in kennis van dit besluit. [Am. 311]
9. Wanneer een andere lidstaat of de Commissie binnen de in lid 7 bedoelde termijn opmerkingengemotiveerde bezwaren indient, maakt, zendt de bevoegde autoriteit die het verificatierapport heeft opgesteld, de opmerking(en) die gemotiveerde bezwaren onverwijld aan de Commissie toeopenbaar. [Am. 45]
10. Na raadpleging van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) stelt de Commissie binnen 45 werkdagen na ontvangst van de opmerkingengemotiveerde bezwaren een ontwerpbesluit op waarin wordt verklaard of de NGT-plant een NGT-plant van categorie 1 is en waarin met die opmerkingenbezwaren rekening wordt gehouden. Het besluit wordt aangenomen overeenkomstig de in artikel 28, lid 2, omschreven procedure. [Am. 46]
11. De Commissie maakt het in de leden 8 en 10 bedoelde overzicht van de besluiten bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Artikel 7
Verificatieprocedure voor de status van NGT-plant van categorie 1 voorafgaand aan het in de handel brengen van NGT-producten
1. Wanneer er nog geen verklaring betreffende de status van NGT-plant van categorie 1 als bedoeld in artikel 4, lid 1, punt a), is afgelegd overeenkomstig artikel 6, dient de persoon die voornemens is het NGT-product in de handel te brengen, overeenkomstig lid 2 en de krachtens artikel 27, punt b), vastgestelde uitvoeringshandeling bij de EFSA een verificatieverzoek in om een dergelijke verklaring te verkrijgen voordat hij het product in de handel brengt.
2. Het in lid 1 bedoelde verificatieverzoek wordt bij de EFSA ingediend met inachtneming van de gestandaardiseerde gegevensformaten, voor zover deze beschikbaar zijn overeenkomstig artikel 39 septies van Verordening (EG) nr. 178/2002, en omvat, onverminderd de aanvullende informatie die overeenkomstig artikel 32 ter van Verordening (EG) nr. 178/2002 vereist kan zijn, de volgende informatie:
a) de naam en het adres van de aanvrager;
b) de benaming en specificatie van de NGT-plant;
b bis) de benaming van het ras; [Am. 48]
c) een beschrijving van de eigenschappen en kenmerken die zijn ingebracht of gewijzigd, met inbegrip van informatie over de techniek of technieken die is/zijn gebruikt om de eigenschap of de eigenschappen te verkrijgen, met inbegrip de sequentie van de genetische modificatie; [Am. 49]
d) een kopie van de uitgevoerde studies en alle andere beschikbare documenten waaruit blijkt dat:
i) de plant een NGT-plant is die geen genetisch materiaal bevat dat niet afkomstig is uit de genenpool van kwekers, indien dergelijk genetisch materiaal tijdelijk is ingebracht tijdens de ontwikkeling van de plant, overeenkomstig de informatievoorschriften in de uitvoeringshandeling die overeenkomstig artikel 27, punt a), is vastgesteld;
ii) de NGT-plant voldoet aan de criteria van bijlage I;
d bis) een plan voor de monitoring van milieueffecten; [Am. 260]
e) een vermelding van de delen van het verificatieverzoek en alle overige aanvullende informatie waarvoor de aanvrager verzoekt om vertrouwelijke behandeling, vergezeld van een verifieerbare motivering van dat verzoek, overeenkomstig artikel 11 van deze verordening en artikel 39 van Verordening (EG) nr. 178/2002.
3. De EFSA stuurt de aanvrager onverwijld een ontvangstbevestiging met vermelding van de datum van ontvangst. Zij stelt het verificatieverzoek onverwijld ter beschikking van de lidstaten en de Commissie en maakt het verificatieverzoek, de relevante ondersteunende informatie en alle door de aanvrager verstrekte aanvullende informatie overeenkomstig artikel 38, lid 1, van Verordening (EG) nr. 178/2002 openbaar, waarbij de overeenkomstig de artikelen 39 tot en met 39 sexies van Verordening (EG) nr. 178/2002 en artikel 11 van de onderhavige verordening als vertrouwelijk aangemerkte informatie wordt weggelaten.
4. Indien het verificatieverzoek niet alle nodige informatie bevat, wordt het door de EFSA binnen 30 werkdagen na ontvangst niet-ontvankelijk verklaard. De EFSA stelt de aanvrager, de lidstaten en de Commissie onverwijld in kennis van de niet-ontvankelijkheid van het verificatieverzoek en motiveert haar besluit.
5. Indien het verificatieverzoek niet overeenkomstig lid 4 als niet-ontvankelijk wordt afgewezen, geeft de EFSA binnen 30 werkdagen na de datum van ontvangst van het verificatieverzoek een verklaring af over de vraag of de NGT-plant voldoet aan de in bijlage I genoemde criteria. De EFSA stelt de verklaring ter beschikking van de Commissie en de lidstaten. De EFSA maakt haar advies overeenkomstig artikel 38, lid 1, van Verordening (EG) nr. 178/2002 openbaar, waarbij de overeenkomstig de artikelen 39 tot en met 39 sexies van Verordening (EG) nr. 178/2002 en artikel 11 van deze verordening als vertrouwelijk aangemerkte informatie wordt weggelaten.
6. De Commissie stelt binnen 30 werkdagen na ontvangst van de verklaring van de EFSA een ontwerpbesluit op waarin wordt verklaard of de NGT-plant een NGT-plant van categorie 1 is en waarin met die opmerkingen rekening wordt gehouden. Het besluit wordt aangenomen overeenkomstig de in artikel 28, lid 2, omschreven procedure.
7. De Commissie maakt een samenvatting van het definitieve besluit bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie en publiceert haar ontwerpbesluit en de in artikel 6 bedoelde gemotiveerde bezwaren op een speciaal daarvoor bestemde en openbaar toegankelijke webpagina. [Am. 50]
Artikel 8
Systeem voor de uitwisseling van informatie tussen de lidstaten, de Commissie en de EFSA
De Commissie ontwikkelt en onderhoudt een elektronisch systeem voor de indiening van verificatieverzoeken overeenkomstig de artikelen 6 en 7 en voor de uitwisseling van informatie overeenkomstig deze titel.
Artikel 9
Database van besluiten tot toekenning van de status van NGT-plant van categorie 1
1. De Commissie zet een databank op en houdt deze bij met de besluiten tot toekenning van de status van NGT-plant van categorie 1 die zijn vastgesteld overeenkomstig artikel 6, leden 8 en 10, en artikel 7, lid 6.
De databank bevat de volgende informatie:
a) de naam en het adres van de aanvrager;
b) de benaming en specificatie van de NGT-plant van categorie 1; [Am. 51]
b bis) de benaming van het ras; [Am. 52]
c) een beknopte beschrijving van de techniek(en) die is (zijn) gebruikt om de genetische modificatie te verkrijgen;
d) een beschrijving van de eigenschappen en kenmerken die zijn ingebracht of gewijzigd;
e) een identificatienummer, en
e bis) indien verstrekt, het advies of de verklaring van de EFSA als bedoeld in artikel 6, lid 10, en artikel 7, lid 5; en [Am. 53]
f) het in artikel 6, leden 8 of 10, en artikel 7, lid 6, bedoelde besluit, naargelang het geval.
2. De databank is online toegankelijk voor het publiek toegankelijk. [Am. 54]
Artikel 10
Etikettering van plantaardig teeltmateriaal van NGT-categorie 1, met inbegrip van kweekmateriaal
NGT-planten van categorie 1, producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit een of meer NGT-planten van categorie 1 en plantaardig teeltmateriaal, onder meer voor kweek- en wetenschappelijke doeleinden, dat geheel of gedeeltelijk uit een of meer NGT-planten van categorie 1 bestaat en dat, al dan niet tegen betaling, aan derden ter beschikking wordt gesteld, wordt voorzien van een etiket met de vermelding “NGT cat. 1”, gevolgd doornieuwe genomische technieken”. In het geval van teeltmateriaal volgt hierop het identificatienummer van de NGT-plant(en) waaruit het verkregen is. [Am. 264]
In passende op documenten gebaseerde traceerbaarheid voor NGT’s wordt voorzien door het doorgeven en bijhouden van de mededeling dat een product geheel of gedeeltelijk uit NGT-planten of -producten bestaat, alsmede van de unieke codes van die NGT’s in alle fasen van het in de handel brengen. [Am. 265]
Artikel 11
Vertrouwelijkheid
1. De in de artikelen 6 en 7 bedoelde aanvrager kan de bevoegde autoriteit van de lidstaat of de EFSA, naargelang het geval, verzoeken om bepaalde delen van de uit hoofde van deze titel ingediende informatie vertrouwelijk te behandelen, indien die vergezeld gaat van een verifieerbare motivering overeenkomstig de leden 3 en 6.
2. De bevoegde autoriteit of de EFSA, naargelang het geval, beoordeelt het in lid 1 bedoelde verzoek om vertrouwelijke behandeling.
3. De bevoegde autoriteit of de EFSA, naargelang het geval, kan uitsluitend instemmen met vertrouwelijke behandeling van de volgende gegevens indien de aanvrager een verifieerbare motivering van zijn verzoek verstrekt en aantoont dat openbaarmaking van dergelijke gegevens zijn belangen aanzienlijk kan schaden:
a) gegevens als bedoeld in artikel 39, lid 2, punten a), b) en c), van Verordening (EG) nr. 178/2002;
b) informatie over de DNA-sequentie, en
c) teeltpatronen en -strategieën.
4. De bevoegde autoriteit of de EFSA, naargelang het geval, besluit na overleg met de aanvrager welke informatie vertrouwelijk zal worden behandeld en stelt de aanvrager in kennis van haar beslissing.
5. De lidstaten, de Commissie en de EFSA nemen de nodige maatregelen opdat vertrouwelijke informatie waarvan uit hoofde van dit hoofdstuk kennis is gegeven of die krachtens dit hoofdstuk is uitgewisseld, niet openbaar wordt gemaakt.
6. De relevante bepalingen van de artikelen 39 sexies en 41 van Verordening (EG) nr. 178/2002 zijn van overeenkomstige toepassing.
7. Indien de aanvrager het verificatieverzoek intrekt, eerbiedigen de lidstaten, de Commissie en de EFSA de vertrouwelijke behandeling waarmee de bevoegde autoriteit of de EFSA overeenkomstig dit artikel heeft ingestemd. Indien het verificatieverzoek wordt ingetrokken voordat de bevoegde autoriteit of de EFSA heeft beslist over het verzoek om vertrouwelijke behandeling, maken de lidstaten, de Commissie en de EFSA geen informatie openbaar waarvoor om vertrouwelijke behandeling is verzocht.
Artikel 11 bis
Intrekking van het besluit
Indien uit de monitoringresultaten blijkt dat er een risico bestaat voor de gezondheid of het milieu, of indien nieuwe wetenschappelijke gegevens deze hypothese onderbouwen, kan de bevoegde autoriteit haar in artikel 6, lid 8, bedoelde besluit of haar in artikel 7, lid 5, bedoelde verklaring intrekken. Het besluit tot intrekking moet per aangetekende post worden toegezonden aan de entiteit waarop het besluit betrekking heeft, die 15 dagen heeft om opmerkingen te maken. In dat geval is het vanaf de datum van ontvangst van de aangetekende brief verboden de NGT-plant of het NGT-product in de handel te brengen. [Am. 266]
HOOFDSTUK III
NGT-planten van categorie 2 en NGT-producten van categorie 2
Artikel 12
Status van NGT-planten van categorie 2 en NGT-producten van categorie 2
De voorschriften in de wetgeving van de Unie die voor ggo’s gelden zijn van toepassing op NGT-planten van categorie 2 en NGT-producten van categorie 2, voor zover in deze verordening geen afwijking wordt vastgesteld.
AFDELING 1
DOELBEWUSTE INTRODUCTIE VAN NGT-PLANTEN VAN CATEGORIE 2 VOOR ANDERE DOELEINDEN DAN HET IN DE HANDEL BRENGEN
Artikel 13
Inhoud van de kennisgeving zoals bedoeld in artikel 6 van Richtlijn 2001/18/EG
Wat betreft de doelbewuste introductie van een NGT-plant van categorie 2 voor andere doeleinden dan het in de handel brengen, bevat de in artikel 6, lid 1, van Richtlijn 2001/18/EG bedoelde kennisgeving:
a) de naam en het adres van de kennisgever;
b) een kopie van de uitgevoerde studies en alle andere beschikbare documenten waaruit blijkt dat de plant een NGT-plant is die geen genetisch materiaal bevat dat niet afkomstig is uit de genenpool van kwekers, indien dat genetisch materiaal tijdelijk is ingebracht tijdens de ontwikkeling van de plant, overeenkomstig de informatievoorschriften in de uitvoeringshandeling die overeenkomstig artikel 27, punt a), is vastgesteld;
c) een technisch dossier met de in bijlage II genoemde informatie die nodig is om de milieurisicobeoordeling van de doelbewuste introductie van een NGT-plant of een combinatie van NGT-planten te verrichten:
i) algemene informatie, met inbegrip van informatie over personeel en opleiding;
ii) informatie over de NGT-plant(en) van categorie 2;
iii) informatie over de introductieomstandigheden en het potentiële milieu waarin wordt geïntroduceerd;
iv) informatie over de wisselwerkingen tussen NGT-plant(en) van categorie 2 en het milieu;
v) een monitoringplan om de gevolgen van NGT-plant(en) van categorie 2 voor de menselijke gezondheid of het milieu vast te stellen;
vi) indien relevant, informatie over de plannen voor monitoring, herstelmethoden, afvalbehandeling en noodmaatregelen;
vii) een vermelding van de delen van de kennisgeving en alle overige aanvullende informatie waarvoor de kennisgever verzoekt om vertrouwelijke behandeling, met een verifieerbare motivering van dat verzoek, op grond van artikel 25 van Richtlijn 2001/18/EG;
viii) een samenvatting van het dossier;
d) de milieurisicobeoordeling die is uitgevoerd overeenkomstig de beginselen en criteria van de delen 1 en 2 van bijlage II en de overeenkomstig artikel 27, punt c), vastgestelde uitvoeringshandeling.
AFDELING 2
Het in de handel brengen van andere NGT-producten van categorie 2 dan levensmiddelen of diervoeders
Artikel 14
Inhoud van de kennisgeving zoals bedoeld in artikel 13 van Richtlijn 2001/18/EG
1. Wat het in de handel brengen van andere NGT-producten van categorie 2 dan levensmiddelen en diervoeders betreft, bevat de in artikel 13, lid 2, van Richtlijn 2001/18/EG bedoelde kennisgeving, onverminderd de aanvullende informatie die overeenkomstig artikel 32 ter van Verordening (EG) nr. 178/2002 vereist kan zijn, de volgende informatie:
a) de naam en het adres van de kennisgever en zijn in de Unie gevestigde vertegenwoordiger (indien de kennisgever niet in de Unie is gevestigd);
b) de benaming en specificatie van de NGT-plant van categorie 2;
c) toepassingsgebied van de kennisgeving:
i) teelt;
ii) andere toepassingen (in de kennisgeving te specificeren);
d) een kopie van de uitgevoerde studies en alle andere beschikbare documenten waaruit blijkt dat de plant een NGT-plant is die geen genetisch materiaal bevat dat niet afkomstig is uit de genenpool van kwekers, indien dat genetisch materiaal tijdelijk is ingebracht tijdens de ontwikkeling van de plant, overeenkomstig de informatievoorschriften in de uitvoeringshandeling die overeenkomstig artikel 27, punt a), is vastgesteld;
e) de milieurisicobeoordeling die is uitgevoerd overeenkomstig de beginselen en criteria van de delen 1 en 2 van bijlage II en de overeenkomstig artikel 27, punt c), vastgestelde uitvoeringshandeling;
f) de voorwaarden voor het in de handel brengen van het product, met inbegrip van specifieke voorwaarden voor gebruik en behandeling;
g) onder verwijzing naar artikel 15, lid 4, van Richtlijn 2001/18/EG een voorgestelde geldigheidsduur van de toestemming, die niet meer dan tien jaar mag bedragen;
h) indien relevant, een monitoringplan voor de milieueffecten overeenkomstig bijlage VII bij Richtlijn 2001/18/EG, met inbegrip van een voorstel voor de duur van het monitoringplan; die duur kan verschillen van de voorgestelde geldigheidsduur van de toestemming. Indien de kennisgever op grond van de resultaten van een introductie, waarvan uit hoofde van afdeling 1 kennisgeving is gedaan, de bevindingen van de milieurisicobeoordeling, de kenmerken van de NGT-plant, de kenmerken en omvang van het verwachte gebruik ervan en de kenmerken van het ontvangende milieu, overeenkomstig de krachtens artikel 27, punt d), vastgestelde uitvoeringshandeling, van oordeel is dat een monitoringplan voor de NGT-plant niet noodzakelijk is, kan hij voorstellen er geen in te dienen;
i) een voorstel voor etikettering dat voldoet aan de voorschriften van punt A.8 van bijlage IV bij Richtlijn 2001/18/EG, artikel 4, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1830/2003 en artikel 23 van deze verordening;
j) voorgestelde handelsbenamingen van de producten en benamingen van de erin voorkomende NGT-planten van categorie 2, en een voorstel voor een uniek identificatienummer voor de NGT-plant van categorie 2, ontwikkeld overeenkomstig Verordening (EG) nr. 65/2004 van de Commissie(32). Nadat toestemming is verleend, moeten eventuele nieuwe handelsbenamingen aan de bevoegde instantie worden meegedeeld;
k) een beschrijving van de wijze waarop het product gebruikt moet worden. Verschillen in het gebruik of het beheer van dat product ten opzichte van soortgelijke niet-genetisch gemodificeerde producten worden aangegeven;
l) methoden voor de bemonstering (met inbegrip van verwijzingen naar bestaande officiële of gestandaardiseerde bemonsteringsmethoden), detectie, identificatie en kwantificering van NGT-planten. Wanneer het niet mogelijk is een analysemethode voor detectie, identificatie en kwantificering te verstrekken, en op voorwaarde dat dit door de kennisgever naar behoren wordt gemotiveerd, worden de voorwaarden om aan de voorschriften inzake analysemethoden te voldoen, aangepast overeenkomstig de krachtens artikel 27, punt e), vastgestelde uitvoeringshandeling en de in artikel 29, lid 2, bedoelde richtsnoeren;
m) monsters van de NGT-plant van categorie 2 en de bijbehorende controlemonsters, alsmede informatie over de plaats waar toegang tot het referentiemateriaal kan worden verkregen;
n) indien van toepassing, de overeenkomstig bijlage II bij het aan het Verdrag inzake biodiversiteit gehechte Protocol van Cartagena inzake bioveiligheid te verstrekken informatie;
o) een vermelding van de delen van de kennisgeving en alle overige aanvullende informatie waarvoor de kennisgever verzoekt om vertrouwelijke behandeling, met een verifieerbare motivering van dat verzoek, op grond van artikel 25 van Richtlijn 2001/18/EG en de artikelen 39 tot en met 39 sexies van Verordening (EG) nr. 178/2002;
p) een samenvatting van het dossier in gestandaardiseerde vorm.
2. De kennisgever neemt in deze kennisgeving ook informatie op over gegevens of resultaten van introducties van dezelfde NGT-planten van categorie 2 of dezelfde combinatie van die planten, door de kennisgever eerder of op dat ogenblik aangemeld en/of verricht binnen of buiten de Unie.
3. De bevoegde autoriteit die het in artikel 14 van Richtlijn 2001/18/EG bedoelde beoordelingsrapport opstelt, onderzoekt of de kennisgeving voldoet aan de leden 1 en 2.
Artikel 15
Specifieke bepalingen inzake toezicht
In de in artikel 19 van Richtlijn 2001/18/EG bedoelde schriftelijke toestemming worden de in artikel 19, lid 3, punt f), bedoelde monitoringvoorschriften vermeld of wordt aangegeven dat monitoring niet vereist is. Artikel 17, lid 2, punt b), van Richtlijn 2001/18/EG is niet van toepassing indien de toestemming geen monitoring vereist.
Artikel 16
Etikettering overeenkomstig artikel 23
In aanvulling op artikel 19, lid 3, van Richtlijn 2001/18/EG wordt in de schriftelijke toestemming de in artikel 23 van deze verordening bedoelde etikettering vermeld. [Am. 56]
Artikel 17
Geldigheidsduur van de toestemming na verlenging
1. De uit hoofde van deel C van Richtlijn 2001/18/EG verleende toestemming is na de eerste verlenging overeenkomstig artikel 17 van die richtlijn voor onbeperkte tijd geldig, tenzij in het in artikel 17, lid 6 of lid 8, bedoelde besluit is bepaald dat de toestemming voor een beperkte periode wordt verlengd, indien dit gerechtvaardigd is op grond van de bevindingen van de overeenkomstig deze verordening uitgevoerde risicobeoordeling en de ervaring met het gebruik, met inbegrip van de resultaten van de monitoring, indien dit in de toestemming is vermeld.
2. De laatste zin van artikel 17, leden 6 en 8, van Richtlijn 2001/18/EG is niet van toepassing.
2 bis. Indien uit de monitoringresultaten blijkt dat er een risico bestaat voor de gezondheid of het milieu, of indien nieuwe wetenschappelijke gegevens deze hypothese onderbouwen, kan de bevoegde autoriteit haar besluit intrekken. Het besluit tot intrekking moet per aangetekende post worden toegezonden aan de entiteit waarop het besluit betrekking heeft, die 15 dagen heeft om opmerkingen te maken. In dat geval is het vanaf de datum van ontvangst van de aangetekende brief verboden de NGT-plant of het NGT-product in de handel te brengen. [Am. 268]
AFDELING 3
Het in de handel brengen van NGT-planten van categorie 2 voor gebruik als levensmiddel of als diervoeder en van NGT-levensmiddelen en -diervoeders van categorie 2
Artikel 18
Toepassingsgebied
Deze afdeling is van toepassing op:
a) NGT-planten van categorie 2 voor gebruik als levensmiddel of als diervoeder;
b) levensmiddelen die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met NGT-planten van categorie 2 of die ingrediënten bevatten die zijn geproduceerd met NGT-planten van categorie 2 (“NGT-levensmiddelen van categorie 2”);
c) diervoeders die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met NGT-planten van categorie 2 (“NGT-diervoeders van categorie 2”).
Artikel 19
Specifieke bepalingen voor aanvragen van een vergunning als bedoeld in de artikelen 5 en 17 van Verordening (EG) nr. 1829/2003
1. In afwijking van artikel 5, lid 3, punt e), en artikel 17, lid 3, punt e), van Verordening (EG) nr. 1829/2003 en onverminderd de aanvullende informatie die overeenkomstig artikel 32 ter van Verordening (EG) nr. 178/2002 vereist kan zijn, gaat een aanvraag van een vergunning voor een NGT-plant van categorie 2 voor gebruik als levensmiddel of diervoeder of voor NGT-levensmiddelen en -diervoeders van categorie 2 vergezeld van een kopie van de uitgevoerde studies, met inbegrip van – indien beschikbaar – onafhankelijke, collegiaal getoetste studies, en alle andere beschikbare documenten waaruit blijkt dat:
a) de plant een NGT-plant is die geen genetisch materiaal bevat dat niet afkomstig is uit de genenpool van kwekers, indien dergelijk genetisch materiaal tijdelijk is ingebracht tijdens de ontwikkeling van de plant, overeenkomstig de informatievoorschriften in de uitvoeringshandeling die overeenkomstig artikel 27, punt a), is vastgesteld;
b) het levensmiddel of diervoeder voldoet aan de criteria van respectievelijk artikel 4, lid 1, of artikel 16, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1829/2003, op basis van een veiligheidsbeoordeling van het levensmiddel of diervoeder die is uitgevoerd overeenkomstig de beginselen en criteria van de delen 1 en 3 van bijlage II bij deze verordening en de overeenkomstig artikel 27, punt c), vastgestelde uitvoeringshandeling.
2. In afwijking van artikel 5, lid 3, punt i), en artikel 17, lid 3, punt i), van Verordening (EG) nr. 1829/2003 gaat een aanvraag voor een vergunning vergezeld van methoden voor de bemonstering (met inbegrip van verwijzingen naar bestaande officiële of gestandaardiseerde bemonsteringsmethoden), detectie, identificatie en kwantificering van de NGT-plant en voor, indien van toepassing, de detectie en identificatie van de NGT-plant in het NGT-levensmiddel of -diervoeder.
Wanneer het niet mogelijk is een analysemethode voor detectie, identificatie en kwantificering te verstrekken, en op voorwaarde dat dit door de kennisgever naar behoren wordt gemotiveerd of dat het in artikel 32 van Verordening (EG) nr. 1829/2003 bedoelde referentielaboratorium van de Europese Unie tijdens de in artikel 20, lid 4, bedoelde procedure tot deze conclusie komt, worden de voorwaarden voor de naleving van de voorschriften inzake analysemethoden aangepast overeenkomstig de krachtens artikel 27, punt e), vastgestelde uitvoeringshandeling en de in artikel 29, lid 2, bedoelde richtsnoeren.
3. In afwijking van artikel 5, lid 5, en artikel 17, lid 5, van Verordening (EG) nr. 1829/2003 gaat de aanvraag in het geval van NGT-planten van categorie 2 of levensmiddelen of diervoeders die geheel of gedeeltelijk bestaan uit NGT-planten van categorie 2 vergezeld van:
a) de milieurisicobeoordeling die is uitgevoerd overeenkomstig de beginselen en criteria van de delen 1 en 2 van bijlage II en de overeenkomstig artikel 27, punt c), vastgestelde uitvoeringshandeling;
b) indien relevant, een monitoringplan voor de milieueffecten overeenkomstig bijlage VII bij Richtlijn 2001/18/EG, met inbegrip van een voorstel voor de duur van het monitoringplan. Deze duur kan verschillen van de duur van de vergunning. Indien de aanvrager op grond van de resultaten van een introductie, waarvan uit hoofde van afdeling 1 kennisgeving is gedaan, de bevindingen van de milieurisicobeoordeling, de kenmerken van de NGT-plant, de kenmerken en omvang van het verwachte gebruik ervan en de kenmerken van het ontvangende milieu, overeenkomstig de krachtens artikel 27, punt d), vastgestelde uitvoeringshandeling, van oordeel is dat een monitoringplan voor de NGT-plant noodzakelijk is, kan hij voorstellen er geen in te dienen.
4. De aanvraag bevat tevens een voorstel voor etikettering overeenkomstig artikel 23.
Artikel 20
Specifieke bepalingen inzake het advies van de EFSA
1. In afwijking van artikel 6, leden 1 en 2, en artikel 18, leden 1 en 2, van Verordening (EG) nr. 1829/2003 brengt de EFSA binnen zes maanden na ontvangst van een geldige aanvraag advies uit over de in artikel 19 van deze verordening bedoelde aanvraag van een vergunning.
Indien de EFSA of de bevoegde autoriteit van de lidstaat die de milieurisicobeoordeling of de veiligheidsbeoordeling van het levensmiddel of diervoeder overeenkomstig artikel 6, lid 3, punten b) en c), en artikel 18, lid 3, punten b) en c), van Verordening (EG) nr. 1829/2003 uitvoert, van oordeel is dat aanvullende informatie nodig is, verzoekt de EFSA of de nationale bevoegde autoriteit via de EFSA de aanvrager die informatie binnen een vastgestelde termijn in te dienen. In dat geval wordt de termijn van zes maanden met die aanvullende termijn verlengd. De totale duur van de verlenging mag niet meer dan zes maanden bedragen, tenzij de aard van de gevraagde informatie of uitzonderlijke omstandigheden dit rechtvaardigen.
2. Naast de taken die de EFSA krachtens artikel 6, lid 3, en artikel 18, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1829/2003 moet uitvoeren, controleert zij of alle door de aanvrager ingediende gegevens en documenten in overeenstemming zijn met artikel 19 van deze verordening.
3. In afwijking van artikel 6, lid 3, punt d), en artikel 18, lid 3, punt d), van Verordening (EG) nr. 1829/2003 zendt de EFSA de in artikel 19, lid 2, van deze verordening en artikel 5, lid 3, punt j), en artikel 17, lid 3, punt j), van Verordening (EG) nr. 1829/2003 bedoelde informatie toe aan het in artikel 32 van Verordening (EG) nr. 1829/2003 bedoelde referentielaboratorium van de Unie.
4. Het referentielaboratorium van de Unie test en valideert de door de aanvrager voorgestelde detectie-, identificatie- en kwantificeringsmethode overeenkomstig artikel 19, lid 2, of beoordeelt of. Indien de door de aanvrager verstrekte informatie de toepassing rechtvaardigt van aangepaste voorwaarden om aan de in dat lid bedoelde voorschriften inzake detectiemethoden te voldoen, raadpleegt het referentielaboratorium van de Unie zijn eigen onderzoeken en analysen om de gestelde onhaalbaarheid te bevestigen. In dat geval wordt het besluit van het referentielaboratorium van de Unie met redenen omkleed en openbaar gemaakt. [Am. 228]
5. In afwijking van artikel 6, lid 5, punt f), en artikel 18, lid 5, punt f), van Verordening (EG) nr. 1829/2003 bevat het advies, indien het advies luidt dat het levensmiddel of diervoeder mag worden toegelaten, ook het volgende:
a) de door het referentielaboratorium van de Unie gevalideerde methode voor de detectie, met inbegrip van de bemonstering, en, indien van toepassing, de identificatie en kwantificering van de NGT-plant en voor de detectie en identificatie van de NGT-plant in het NGT-levensmiddel of -diervoeder, en een motivering van eventuele aanpassingen van de methode in de in artikel 19, lid 2, tweede alinea, bedoelde gevallen;
b) de vermelding van de plaats waar toegang kan worden verkregen tot passend referentiemateriaal.
6. Naast de in artikel 6, lid 5, punt d), en artikel 18, lid 5, punt d), van Verordening (EG) nr. 1829/2003 genoemde informatie bevat het advies ook een voorstel voor etikettering overeenkomstig artikel 23 van deze verordening.
Artikel 21
Geldigheidsduur van de vergunning na verlenging
In afwijking van artikel 11, lid 1, en artikel 23, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1829/2003 is de vergunning na de eerste verlenging voor onbepaalde tijd geldig, tenzij de Commissie besluit de vergunning voor een beperkte periode te verlengen, indien dit gerechtvaardigd is op grond van de bevindingen van de overeenkomstig deze verordening uitgevoerde risicobeoordeling en de ervaring met het gebruik, met inbegrip van de resultaten van de monitoring, indien dit in de toestemming is vermeld.
Indien uit de monitoringresultaten blijkt dat er een risico bestaat voor de gezondheid of het milieu, of indien nieuwe wetenschappelijke gegevens deze hypothese onderbouwen, kan de bevoegde autoriteit haar besluit intrekken. Het besluit tot intrekking moet per aangetekende post worden toegezonden aan de entiteit waarop het besluit betrekking heeft, die 15 dagen heeft om opmerkingen te maken. In dat geval is het vanaf de datum van ontvangst van de aangetekende brief verboden de NGT-plant of het NGT-product in de handel te brengen. [Am. 270]
AFDELING 4
Gemeenschappelijke bepalingen inzake NGT-planten van categorie 2 en NGT-producten van categorie 2
Artikel 22
Stimulansen voor NGT-planten van categorie 2 en NGT-producten van categorie 2 met eigenschappen die bijdragen tot duurzaamheid
1. De in dit artikel bedoelde stimulansen zijn van toepassing op NGT-planten van categorie 2 en NGT-producten van categorie 2 indien ten minste één van de beoogde eigenschappen van de NGT-plant die door de genetische modificatie worden overgedragen, in deel 1 van bijlage IIIartikel 51, alinea 1, van Verordening (EU/...)(33) is opgenomen en de plant geen van de in deel 2 van die bijlage bedoelde eigenschappen heeft. [Am. 57]
2. De volgende stimulansen zijn van toepassing op aanvragen van een vergunning die overeenkomstig de artikelen 5 of 17 van Verordening (EG) nr. 1829/2003 in samenhang met artikel 19 worden ingediend:
a) in afwijking van artikel 20, lid 1, eerste alinea, van deze verordening brengt de EFSA binnen vier maanden na ontvangst van een geldige aanvraag advies uit over de aanvraag, tenzij de complexiteit van het product de toepassing van de in artikel 20, lid 1, bedoelde termijn vereist. De termijn kan worden verlengd onder de voorwaarden van artikel 20, lid 1, tweede alinea;
b) wanneer de aanvrager een kmo is, wordt hij vrijgesteld van de betaling van financiële bijdragen aan het referentielaboratorium van de Unie en het in artikel 32 van Verordening (EG) nr. 1829/2003 bedoelde Europees netwerk van ggo-laboratoria.
3. Naast de bepalingen van artikel 32 bis van Verordening (EG) nr. 178/2002 zijn de volgende adviezen voorafgaand aan de indiening voor de risicobeoordeling overeenkomstig bijlage II van toepassing vóór de indiening van kennisgevingen overeenkomstig artikel 13 van Richtlijn 2001/18/EG, in samenhang met artikel 14, en vóór de indiening van aanvragen van een vergunning overeenkomstig artikel 5 of 17 van Verordening (EG) nr. 1829/2003, in samenhang met artikel 19:
a) het personeel van de EFSA brengt op verzoek van een potentiële aanvrager of kennisgever advies uit over plausibele risicohypothesen die de potentiële aanvrager of kennisgever aan de hand van de kenmerken van een plant of product of hypothetische plant of hypothetisch product heeft vastgesteld en waarop de in de delen 2 en 3 van bijlage II bedoelde informatie betrekking moet hebben. Het advies heeft echter geen betrekking op de opzet van studies om risicohypothesen te onderzoeken;
b) indien de potentiële aanvrager of kennisgever een kmo is, kan hij de EFSA in kennis stellen van de wijze waarop hij de in punt a) bedoelde plausibele risicohypothesen die hij aan de hand van de eigenschappen van een plant of product of hypothetische plant of hypothetisch product heeft vastgesteld, wil aanpakken, met inbegrip van de opzet van de studies die hij overeenkomstig de voorschriften van de delen 2 en 3 van bijlage II wil verrichten. De EFSA brengt advies uit over de verstrekte informatie, met inbegrip van de opzet van de studies.
4. De in lid 3 bedoelde adviezen voorafgaand aan de indiening voldoen aan de volgende vereisten:
a) zij doen geen afbreuk aan en scheppen geen verplichtingen ten aanzien van eventuele latere beoordelingen van aanvragen of kennisgevingen door het Panel van de EFSA voor genetisch gemodificeerde organismen. Het personeel van de EFSA dat het advies verstrekt, is niet betrokken bij voorbereidende wetenschappelijke of technische werkzaamheden die, al dan niet rechtstreeks, relevant zijn voor de aanvraag of kennisgeving waarop het advies betrekking heeft;
b) voor mogelijke kennisgevingen overeenkomstig artikel 13 van Richtlijn 2001/18/EG, in samenhang met artikel 14, en voor mogelijke aanvragen overeenkomstig de artikelen 5 of 17 van Verordening (EG) nr. 1829/2003, in samenhang met artikel 19, betreffende een NGT-plant van categorie 2 die bestemd is voor gebruik als zaden of ander plantaardig teeltmateriaal, verstrekt de EFSA, gezamenlijk of in nauwe samenwerking met de bevoegde autoriteit van de lidstaat waarbij de kennisgeving of aanvraag moet worden ingediend, advies voorafgaand aan de indiening;
c) zodra een aanvraag of kennisgeving geldig wordt geacht, maakt de EFSA onverwijld een samenvatting van het advies voorafgaand aan de indiening openbaar. Artikel 38, lid 1 bis, is van overeenkomstige toepassing;
d) potentiële aanvragers of kennisgevers die aantonen dat zij een kmo zijn, kunnen op verschillende tijdstippen om advies voorafgaand aan de indiening als bedoeld in lid 3, punt a), verzoeken.
5. Aanvragen voor stimulansen worden bij de EFSA ingediend op het moment van het verzoek om advies krachtens lid 3 of de aanvraag krachtens artikel 5 of 17 van Verordening (EG) nr. 1829/2003, in samenhang met artikel 19, en gaan vergezeld van de volgende informatie:
a) de informatie die nodig is om vast te stellen dat de beoogde eigenschap(pen) die door de genetische modificatie van een NGT-plant van categorie 2 wordt (worden) overgebracht, voldoet (voldoen) aan de in lid 1 vastgestelde voorwaarden;
b) indien van toepassing, de informatie die nodig is om aan te tonen dat de (potentiële) aanvrager of kennisgever een kmo is;
c) voor de toepassing van lid 3, informatie over de in deel 1 van bijlage II vermelde aspecten, voor zover deze reeds kan worden verstrekt, en alle andere relevante informatie.
6. Artikel 26 van Richtlijn 2001/18/EG en artikel 30 van Verordening (EG) nr. 1829/2003 zijn in voorkomend geval van toepassing op informatie die uit hoofde van dit artikel bij de EFSA wordt ingediend.
7. De EFSA stelt de praktische regelingen voor de uitvoering van de leden 3 tot en met 6 vast.
8. De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 26 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van de in bijlage III opgenomen lijsten van eigenschappen van NGT-planten teneinde deze aan te passen aan de wetenschappelijke en technologische vooruitgang en aan nieuw bewijsmateriaal over de gevolgen van deze eigenschappen wat betreft duurzaamheid, onder de volgende voorwaarden:
a) de Commissie houdt rekening met de monitoring van de gevolgen van deze verordening overeenkomstig artikel 30, lid 3;
b) de Commissie verricht een actueel onderzoek van wetenschappelijke literatuur over de gevolgen op het gebied van ecologische, sociale en economische duurzaamheid van de eigenschap(pen) die zij wil toevoegen aan of schrappen uit de lijst in bijlage III;
c) in voorkomend geval houdt de Commissie rekening met de resultaten van de overeenkomstig artikel 14, punt h), of artikel 19, lid 3, uitgevoerde monitoring van NGT-planten met de eigenschappen die door middel van genetische modificatie zijn overgebracht.
Artikel 23
Etikettering van toegelaten NGT-producten van categorie 2
In aanvulling op de etiketteringsvoorschriften als bedoeld in artikel 21 van Richtlijn 2001/18/EG, de artikelen 12, 13, 24 en 25 van Verordening (EG) nr. 1829/2003 en artikel 4, leden 6 tot en met 7, van Verordening (EG) nr. 1830/2003, en onverminderd de voorschriften van andere wetgeving van de Unie, mag op het etiket van toegelaten NGT-producten van categorie 2 ook worden vermeld welke eigenschap(pen) door middel van genetische modificatie zijn overbracht, zoals gespecificeerd in de toestemming of de vergunning overeenkomstig de afdelingen 2 en 3 van hoofdstuk III van deze verordening.
Artikel 24
Maatregelen om niet-doelbewuste aanwezigheid van NGT-planten van categorie 2 te voorkomen
De lidstaten nemen passende maatregelen om niet-doelbewuste aanwezigheid van NGT-planten van categorie 2 in producten die niet onder Richtlijn 2001/18/EG of Verordening (EG) nr. 1829/2003 vallen, te voorkomen.
Artikel 25
Teelt
Artikel 26 ter van Richtlijn 2001/18/EG is niet van toepassing op NGT-planten van categorie 2.
HOOFDSTUK IV
SLOTBEPALINGEN
Artikel 26
Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie
1. De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.
2. De in artikel 5, lid 3, artikel 6, lid 11 bis, en artikel 22, lid 8, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van vijf jaar, met ingang van ... [datum van inwerkingtreding van deze verordening]. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet. [Am. 59]
3. Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 5, lid 3, artikel 6, lid 11 bis, en artikel 22, lid 8, bedoelde bevoegdheidsdelegaties te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheidsdelegatie. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet. [Am. 60]
4. Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven(34).
5. Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.
6. Een overeenkomstig artikel 5, lid 3, artikel 6, lid 11 bis, en artikel 22, lid 8, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben meegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee2 maanden verlengd. [Am. 61]
Artikel 27
Uitvoeringshandelingen
De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast betreffende:
a) de informatie die nodig is om aan te tonen dat een plant een NGT-plant is; [Am. 62]
b) het opstellen en presenteren van de in de artikelen 6 en 7 bedoelde verificatieverzoeken; [Am. 63]
c) de methodologie en gegevensvereisten voor de milieurisicobeoordeling van NGT-planten en -producten van categorie 2 en de veiligheidsbeoordelingen van NGT-levensmiddelen en -diervoeders van categorie 2, overeenkomstig de beginselen en criteria van bijlage II;
d) de toepassing van de artikelen 14 en 19, met inbegrip van regels voor het opstellen en indienen van de kennisgeving of de aanvraag;
e) aangepaste voorwaarden om te voldoen aan de voorschriften inzake analysemethoden als bedoeld in artikel 14, lid 1, punt l), en artikel 19, lid 2.
Vóór de vaststelling van de in de punten a) tot en met d) bedoelde uitvoeringshandelingen raadpleegt de Commissie de EFSA. De uitvoeringshandelingen wordt vastgesteld volgens de procedure van artikel 28, lid 3.
Artikel 28
Comitéprocedure
1. De Commissie wordt bijgestaan door het comité dat is ingesteld bij artikel 58 van Verordening (EG) nr. 178/2002.
2. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 4 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.
3. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.
Artikel 29
Richtsnoeren
1. Vóór de datum van toepassing van deze verordening publiceert de EFSA gedetailleerde richtsnoeren om de kennisgever of de aanvrager te helpen bij het opstellen en indienen van de kennisgevingen en de aanvraag als bedoeld in de hoofdstukken II en III en bij de uitvoering van bijlage II.
2. Vóór de datum van toepassing van deze verordening publiceert het bij artikel 32 van Verordening (EG) nr. 1829/2003 opgerichte referentielaboratorium van de Europese Unie voor genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders, bijgestaan door het Europees netwerk van ggo-laboratoria, gedetailleerde richtsnoeren om de kennisgever of de aanvrager te helpen bij de toepassing van artikel 14, lid 1, punt l), en artikel 19, lid 2.
Artikel 30
Monitoring, rapportage en evaluatie
1. Niet eerder dan drie jaar na de vaststelling van het eerste besluit als bedoeld in artikel 6, lid 8 of lid 10, of artikel 7, lid 6, of in afdeling 2 of 3 van hoofdstuk III, naargelang welk besluit het eerst wordt genomen, en vervolgens om de vijf jaar, dient de Commissie bij het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s een verslag in over de uitvoering van deze verordening.
2. In het verslag worden ook alle mogelijke kwesties op het gebied van biodiversiteit en milieu, de gezondheid van mens en dier, veranderingen in de agronomische praktijk, alsmede sociaal-economische en ethische kwesties met betrekking tot de uitvoering van de verordening in kaart gebracht en behandeld. [Am. 64]
3. Met het oog op de in lid 1 bedoelde rapportage stelt de Commissie uiterlijk op [24 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening], na raadpleging van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten overeenkomstig Richtlijn 2001/18/EG en Verordening (EG) nr. 1829/2003, aan de hand van indicatoren een gedetailleerd programma vast om de gevolgen van de verordening te monitoren, met inbegrip van de bedoelde en onbedoelde effecten en systemische effecten op milieu, biodiversiteit en ecosystemen. In het programma wordt tevens aangegeven welke actie de Commissie en de lidstaten moeten ondernemen om de gegevens en andere bewijsstukken te verzamelen en te analyseren. [Am. 65]
4. Niet eerder dan twee jaar na de publicatie van het in lid 1 bedoelde eerste verslag voert de Commissie een evaluatie uit van de uitvoering van deze verordening en de gevolgen ervan voor de gezondheid van mens en dier, het milieu, de consumentenvoorlichting, de werking van de interne markt en economische, ecologische en sociale duurzaamheid.
5. De Commissie brengt verslag uit aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s over de belangrijkste bevindingen van de in lid 4 bedoelde evaluatie.
5 bis. De Commissie dient uiterlijk in juni 2025 bij het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Europees Comité van de Regio’s een verslag in over de rol en het effect van octrooien op de toegang van kwekers en landbouwers tot gevarieerd plantaardig teeltmateriaal alsook op innovatie en op de kansen voor kmo’s in het bijzonder. In het verslag wordt beoordeeld of aanvullende wettelijke bepalingen nodig zijn, naast die waarin artikel 4 bis en artikel 33 bis van deze verordening voorzien. Het verslag gaat in voorkomend geval vergezeld van een wetgevingsvoorstel om verdere nodige aanpassingen in het kader van intellectuele eigendomsrechten aan te pakken, teneinde de toegang van kwekers en landbouwers tot plantaardig teeltmateriaal, zaaddiversiteit en betaalbare prijzen te waarborgen. [Am. 66]
5 ter. Tegen 2024 legt de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s een verslag voor waarin de specifieke kenmerken en behoeften op andere, niet in deze wetgeving behandelde gebieden, zoals micro-organismen, worden geëvalueerd, vergezeld door een voorstel voor verdere beleidsmaatregelen. [Am. 67]
5 quater. Om de vier jaar beoordeelt de Commissie de in bijlage I vastgestelde gelijkwaardigheidscriteria en actualiseert zij deze zo nodig door middel van een gedelegeerde handeling als bedoeld in artikel 5, lid 3. [Am. 68]
Artikel 31
Verwijzingen in andere wetgeving van de Unie
Wat NGT-planten van categorie 2 betreft, gelden verwijzingen in andere wetgeving van de Unie naar bijlage II of bijlage III bij Richtlijn 2001/18/EG als verwijzingen naar de delen 1 en 2 van bijlage II bij deze verordening.
Artikel 32
Bestuursrechtelijke toetsing
Handelingen of nalatigheden op grond van de bij deze verordening aan de EFSA verleende bevoegdheden kunnen op eigen initiatief, dan wel op verzoek van een lidstaat of van een persoon die rechtstreeks en individueel wordt geraakt, door de Commissie worden getoetst.
Daartoe dient de belanghebbende partij binnen twee maanden vanaf de dag waarop zij kennis heeft gekregen van de betrokken handeling of nalatigheid, een verzoek in bij de Commissie.
De Commissie stelt binnen twee maanden een ontwerpbesluit vast, waarbij de EFSA, in voorkomend geval, wordt gelast haar besluit in te trekken of haar nalatigheid te verhelpen.
Artikel 33
Wijzigingen in Verordening (EU) 2017/625
Artikel 23 van Verordening (EU) 2017/625 wordt als volgt gewijzigd:
1) in lid 2 wordt punt a), ii), vervangen door:"
“ii) de teelt van ggo’s met het oog op de productie van levensmiddelen en diervoeders en de juiste toepassing van het in artikel 13, lid 2, punt e), van Richtlijn 2001/18/EG, artikel 5, lid 5, punt b), en artikel 17, lid 5, punt b), van Verordening (EG) nr. 1829/2003 en in artikel 14, lid 1, punt h), en artikel 19, lid 3, punt b), van Verordening [verwijzing naar deze verordening] bedoelde monitoringplan;”;
"
2) in lid 3 wordt punt b) vervangen door:"
“b) de teelt van ggo’s voor de productie van levensmiddelen en diervoeders en de juiste toepassing van het in artikel 13, lid 2, punt e), van Richtlijn 2001/18/EG, artikel 5, lid 5, punt b), en artikel 17, lid 5, punt b), van Verordening (EG) nr. 1829/2003 en in artikel 14, lid 1, punt h), en artikel 19, lid 3, punt b), van Verordening [verwijzing naar deze verordening] bedoelde monitoringplan.”.
1) artikel 4 van Richtlijn 98/44/EG betreffende de rechtsbescherming van biotechnologische uitvindingen wordt als volgt gewijzigd:
a) aan lid 1 worden de volgende punten toegevoegd:"
“c) NGT-planten, plantaardig materiaal, delen daarvan, genetische informatie en de daarin vervatte proceskenmerken, als gedefinieerd in Verordening (EU) .../... [PB: gelieve het nummer van deze verordening in te voegen];
d)
planten, plantaardig materiaal, delen daarvan, genetische informatie en de daarin vervatte proceskenmerken die kunnen worden verkregen door middel van de in bijlage I B bij Richtlijn 2001/18/EG vermelde technieken die niet onder het toepassingsgebied van die richtlijn vallen.”;
"
b) het volgende lid 4 wordt toegevoegd:"
“4. De leden 2 en 3 laten de uitsluiting van octrooieerbaarheid als bedoeld in lid 1 onverlet.”;
"
2) aan artikel 8 wordt het volgende lid toegevoegd:"
“3. In afwijking van de leden 1 en 2 strekt de bescherming die wordt geboden door een octrooi voor biologisch materiaal dat als gevolg van de uitvinding bepaalde eigenschappen heeft gekregen, zich niet uit tot biologisch materiaal dat dezelfde eigenschappen bezit en dat onafhankelijk van het geoctrooieerde biologische materiaal en volgens een werkwijze van wezenlijk biologische aard is verkregen, en evenmin tot biologisch materiaal dat door voortplanting of vermeerdering uit dit laatste materiaal is verkregen.”;
"
3) aan artikel 9 worden de volgende leden toegevoegd:"
“2. In afwijking van lid 1 is een plantaardig voortbrengsel met of bestaande uit genetische informatie die middels een octrooieerbare technische werkwijze is verkregen, niet octrooieerbaar indien het voortbrengsel niet te onderscheiden valt van plantaardige voortbrengsels met of bestaande uit dezelfde genetische informatie die door werkwijzen van wezenlijk biologische aard is verkregen.
3. In afwijking van lid 1 is de bescherming die wordt geboden door een octrooi voor een voortbrengsel met of bestaande uit genetische informatie niet van toepassing op plantaardig materiaal waarin het voortbrengsel wordt verwerkt en dat de genetische informatie bevat en zijn functie uitoefent, maar niet te onderscheiden valt van plantaardig materiaal dat door werkwijzen van wezenlijk biologische aard is of kan worden verkregen.
4. De bescherming die wordt geboden door een octrooi voor een technische werkwijze waarmee een voortbrengsel met of bestaande uit genetische informatie kan worden geproduceerd, is niet van toepassing op plantaardig materiaal waarin het voortbrengsel wordt verwerkt en dat de genetische informatie bevat en zijn functie uitoefent, maar niet te onderscheiden valt van plantaardig materiaal dat door werkwijzen van wezenlijk biologische aard is of kan worden verkregen.”. [Ams. 69, 291cp1, 230/rev1 en 291cp3]
"
Artikel 34
Inwerkingtreding en toepassing
1. Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
2. Zij is van toepassing met ingang van ... [24 maanden na de datum van de inwerkingtreding van deze verordening]. Artikel 4 bis en artikel 33 bis zijn van toepassing vanaf de datum van inwerkingtreding. [Am. 70]
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te …,
Voor het Europees Parlement Voor de Raad
De voorzitter De voorzitter
Bijlage I
Criteria voor de gelijkwaardigheid van NGT-planten aan conventionele planten
Een NGT-plant wordt als gelijkwaardig aan een conventionele plant beschouwd als deze van de ontvangende/ouderplant verschilt door maximaal 20 genetische modificaties van de inaan de volgende voorwaarden van de punten 1 tot en met 5 bedoelde typen in een DNA-sequentie die vergelijkbaar is met de doellocatie die met behulp van bio-informatica-instrumenten kan worden voorspelden 1 bis is voldaan: [Am. 71]
1) Het aantal van de volgende genetische modificaties, die met elkaar kunnen worden gecombineerd, bedraagtniet meer dandrie per eiwitcoderende sequentie rekening houdend met het feit dat mutaties in introns en regulerende sequenties zijn uitgesloten van deze grenswaarde:
a) vervanging of inbrenging van niet meer dan 20 nucleotiden;
b) schrapping van een onbeperkt aantal nucleotiden; [Am. 72]
1 bis) De volgende genetische modificaties, die met elkaar kunnen worden gecombineerd, leveren geen chimerisch eiwit op dat niet aanwezig is in soorten uit de genenpool voor kweekdoeleinden en geen endogeen gen verstoort:
a) inbrenging van aaneengesloten DNA-sequenties die aanwezig zijn in de genenpool voor kweekdoeleinden;
b) vervanging van endogene DNA-sequenties door aaneengesloten DNA-sequenties die aanwezig zijn in de genenpool voor kweekdoeleinden;
c) inversie of translocatie van aaneengesloten endogene DNA-sequenties die aanwezig zijn in de genenpool voor kweekdoeleinden. [Am. 73]
2) schrapping van een onbeperkt aantal nucleotiden; [Am. 74]
3) op voorwaarde dat de genetische modificatie geen endogeen gen verstoort:
a) gerichte inbrenging van een aaneengesloten DNA-sequentie die aanwezig is in de genenpool van de kweker;
b) gerichte vervanging van een endogene DNA-sequentie door een aaneengesloten DNA-sequentie die aanwezig is in de genenpool van kwekers; [Am. 75]
4) gerichte inversie van een sequentie van een onbeperkt aantal nucleotiden; [Am. 76]
5) elke andere gerichte modificatie, ongeacht de omvang, op voorwaarde dat de resulterende DNA-sequenties reeds aanwezig zijn (eventueel met de modificaties zoals aanvaard krachtens punt 1 en/of punt 2) in een soort uit de genenpool van kwekers. [Am. 77]
Bijlage II
Risicobeoordeling van NGT-planten van categorie 2 en NGT-levensmiddelen en -diervoeders van categorie 2
In deel 1 van deze bijlage worden de algemene beginselen beschreven die moeten worden gevolgd bij de uitvoering van de milieurisicobeoordeling van NGT-planten van categorie 2 als bedoeld in artikel 13, punten c) en d), artikel 14, lid 1, punt e), en artikel 19, lid 3, punt a), en de veiligheidsbeoordeling van NGT-levensmiddelen en -diervoeders van categorie 2 als bedoeld in artikel 19, lid 1, punt b). Deel 2 bevat specifieke informatie voor de milieurisicobeoordeling van NGT-planten van categorie 2, en deel 3 bevat specifieke informatie voor de risicobeoordeling van NGT-levensmiddelen en -diervoeders van categorie 2.
Deel 1 – Algemene beginselen en informatie
De milieurisicobeoordeling wordt uitgevoerd overeenkomstig de beginselen van bijlage II bij Richtlijn 2001/18/EG.
Het soort en de hoeveelheid gegevens die nodig zijn voor de milieurisicobeoordeling van NGT-planten van categorie 2 zoals vastgesteld in bijlage III bij Richtlijn 2001/18/EG en voor de beoordeling van de veiligheid van NGT-levensmiddelen en -diervoeders van categorie 2, worden aan hun risicoprofiel aangepast. Factoren waarmee rekening moet worden genomen, zijn onder meer:
a) de kenmerken van de NGT-plant, met name de geïntroduceerde eigenschap(pen), de functie van de gewijzigde of ingebrachte genoomsequentie(s) en de functie van de genen die verstoord zijn door het inbrengen van een cisgen of delen daarvan;
a bis) de kenmerken van de ontvangende plant, zoals allergene werking, potentiële genenstroom, onkruidpotentieel, ecologische functie; [Am. 78]
b) eerdere ervaring met de consumptie van soortgelijke planten of daarvan afgeleide producten;
c) eerdere ervaring met de teelt van dezelfde plantensoort of een plantensoort met vergelijkbare eigenschappen of waarin vergelijkbare genoomsequenties zijn gewijzigd, ingebracht of verstoord;
d) de omvang en de omstandigheden van de introductie;
e) de beoogde gebruiksomstandigheden van de NGT-plant.
De milieurisicobeoordeling van NGT-planten van categorie 2 en de risicobeoordeling van NGT-levensmiddelen en -diervoeders van categorie 2 omvatten de volgende elementen:
a) gevarenidentificatie en -karakterisering;
b) beoordeling van de blootstelling;
c) risicokarakterisering.
De volgende informatie moet in alle gevallen worden overgelegd:
a) gevarenidentificatie en -karakterisering
i) informatie over de ontvangende plant of, in voorkomend geval, de ouderplanten;
ii) moleculaire karakterisering.
De informatie wordt verstrekt door reeds beschikbare informatie uit de wetenschappelijke literatuur of uit andere bronnen met elkaar te vergelijken of door wetenschappelijke gegevens te genereren, indien nodig door het uitvoeren van passend experimenteel of bio-informatica-onderzoek.
b) beoordeling van de blootstelling
Er wordt informatie verstrekt over de waarschijnlijkheid van elk geïdentificeerd potentieel schadelijk effect. Die wordt in voorkomend geval beoordeeld aan de hand van de kenmerken van het (de) ontvangende milieu(s), de beoogde functie, de rol in voeding, de verwachte gebruikshoeveelheid van het levensmiddel of diervoeder in de EU en het toepassingsgebied van de vergunningsaanvraag.
c) risicokarakterisering
De aanvrager baseert zijn risicokarakterisering van NGT-planten en NGT-levensmiddelen en -diervoeders op informatie afkomstig van de gevarenidentificatie, gevarenkarakterisering en beoordeling van de blootstelling. Het risico moet worden gekarakteriseerd door voor elk mogelijk schadelijk effect de omvang met de aannemelijkheid van het optreden van dat schadelijke gevolg te combineren om een kwantitatieve of semikwantitatieve raming van het risico te verstrekken. In voorkomend geval wordt de onzekerheid voor elk geïdentificeerde risico beschreven.
De in de delen 2 en 3 genoemde informatie over gevarenidentificatie en -karakterisering is alleen vereist indien de specifieke kenmerken en het beoogde gebruik van de NGT-plant van categorie 2 of het NGT-levensmiddel of -diervoeder van categorie 2 aanleiding geeft tot een plausibele risicohypothese die met behulp van de gespecificeerde informatie kan worden aangepakt.
Deel 2 – Specifieke informatie voor de milieurisicobeoordeling van NGT-planten van categorie 2 wat betreft gevarenidentificatie en -karakterisering
(1) Analyse van agronomische, fenotypische en samenstellingskenmerken
(2) Persistentie en invasiviteit
(3) Potentiële overdracht van genen
(4) Interacties van de NGT-plant met doelorganismen
(5) Interacties van de NGT-plant met niet-doelorganismen
(6) Effecten van de specifieke teelt-, beheer- en oogsttechnieken
(6 bis) Effecten op de biologische teelt [Am. 79]
(7) Effecten op biogeochemische processen
(8) Effecten op de gezondheid van mens en dier
(8 bis) Gevolgen voor bescherming en behoud van de biodiversiteit [Am. 80]
Deel 3 – Specifieke informatie voor de veiligheidsbeoordeling van NGT-levensmiddelen en -diervoeders van categorie 2 wat betreft gevarenidentificatie en -karakterisering
(1) Analyse van agronomische, fenotypische en samenstellingskenmerken
(2) Toxicologie
(3) Allergene werking
(4) Beoordeling van de voedingswaarde
Bijlage III
Eigenschappen als bedoeld in artikel 6 en artikel 22 [Am. 81]
Deel 1
Eigenschappen die de in artikel 22 bedoelde stimulansen rechtvaardigen:
1) opbrengst, met inbegrip van opbrengststabiliteit en opbrengst onder omstandigheden die weinig productiemiddelen vergen, op voorwaarde dat die eigenschap tevens bijdraagt tot punt 2, 3 of 4 van deze bijlage; [Am. 82]
2) tolerantie/resistentie tegen biotische druk, onder meer tegen plantenziekten veroorzaakt door nematoden, schimmels, bacteriën, virussen en andere plaagorganismen;
3) tolerantie/resistentie tegen abiotische druk, onder meer tegen omstandigheden die worden veroorzaakt of verergerd door klimaatverandering;
4) efficiënter gebruik van hulpbronnen, zoals water en nutriënten;
5) kenmerken die de duurzaamheid van opslag, verwerking en distributie verbeteren;
6) betere kwaliteit of voedingskenmerken;
7) verminderde behoefte aan externe productiemiddelen zoals gewasbeschermingsmiddelen en meststoffen, tenzij dit strijdig is met bijlage III, deel 2. [Am. 83]
Deel 2
Eigenschappen die de toepassing van de in artikel 22 bedoelde stimulansen uitsluiten: tolerantie voor herbiciden.
Richtlijn 2001/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 maart 2001 inzake de doelbewuste introductie van genetisch gemodificeerde organismen in het milieu en tot intrekking van Richtlijn 90/220/EEG van de Raad (PB L 106 van 17.4.2001, blz. 1).
Inzichten en oplossingen die voortvloeien uit door de EU gefinancierde onderzoeks- en innovatieprojecten op het gebied van strategieën voor plantenveredeling kunnen bijdragen tot het aanpakken van detectieproblemen, het waarborgen van traceerbaarheid en authenticiteit en het bevorderen van innovatie op het gebied van nieuwe genomische technieken. Meer dan 1 000 projecten werden in het kader van het zevende kaderprogramma en het daaropvolgende Horizon 2020-programma ondersteund, met een investering van meer dan 3 miljard EUR. Horizon Europa verleent ook steun aan nieuwe gezamenlijke onderzoeksprojecten op het gebied van plantenveredeling, SWD(2021) 92.
Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s “De Europese Green Deal”, COM(2019) 640 final.
Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s “Een ‘van boer tot bord’-strategie voor een eerlijk, gezond en milieuvriendelijk voedselsysteem”, COM(2020) 381 final.
Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s “EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030: de natuur terug in ons leven brengen”, COM(2020) 380 final.
Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s “Een klimaatveerkrachtig Europa tot stand brengen — de nieuwe EU-strategie voor aanpassing aan de klimaatverandering”, COM(2021) 82 final.
Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Europese Raad, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s “De voedselzekerheid waarborgen en de veerkracht van voedselsystemen versterken”, COM(2022) 133 final; Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties (FAO), 2022, “Gene editing and agrifood systems”, Rome, ISBN 978-92-5-137417-7.
Europese Commissie, directoraat-generaal Onderzoek en Innovatie, Een duurzame bio-economie voor Europa – Versterking van de verbinding tussen economie, samenleving en milieu: geactualiseerde strategie voor de bio-economie, Bureau voor publicaties van de Europese Unie, 2018, https://data.europa.eu/doi/10.2777/792130
Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s “Evaluatie van het handelsbeleid – Een open, duurzaam en assertief handelsbeleid”, COM(2021) 66 final.
Verordening (EG) nr. 1830/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 betreffende de traceerbaarheid en etikettering van genetisch gemodificeerde organismen en de traceerbaarheid van met genetisch gemodificeerde organismen geproduceerde levensmiddelen en diervoeders en tot wijziging van Richtlijn 2001/18/EG (PB L 268 van 18.10.2003, blz. 24).
Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (PB L 268 van 18.10.2003, blz. 1).
Arrest van het Hof van Justitie van 25 juli 2018, Confédération paysanne en anderen/Premier ministre en Ministre de l’Agriculture, de l’Agroalimentaire et de la Forêt, C-528/16, ECLI:EU:C:2018:583.
Besluit (EU) 2019/1904 van de Raad van 8 november 2019 waarbij de Commissie wordt verzocht een studie voor te leggen in het licht van het arrest van het Hof van Justitie in zaak C-528/16 betreffende de status van nieuwe genomische technieken in het Unierecht, alsook een voorstel, indien passend in het licht van het resultaat van de studie (PB L 293 van 14.11.2019, blz. 103).
Studie over de status van nieuwe genomische technieken in het Unierecht en in het licht van het arrest van het Hof van Justitie in zaak C-528/16, SWD(2021) 92 final.
Verordening (EU) 2015/2283 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende nieuwe voedingsmiddelen, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1169/2011 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 258/97 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (EG) nr. 1852/2001 van de Commissie (PB L 327 van 11.12.2015, blz. 1).
Verordening (EU) 2018/848 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad (PB L 150 van 14.6.2018, blz. 1).
Ggo-panel van de EFSA (Panel van de EFSA voor genetisch gemodificeerde organismen), Naegeli H., Bresson J-L., Dalmay T., Dewhurst I.C., Epstein M.M., Firbank L.G., Guerche P., Hejatko J., Moreno F.J., Mullins E., Nogué F., Sánchez Serrano J.J., Savoini G., Veromann E., Veronesi F., Casacuberta J., Gennaro A., Paraskevopoulos K., Raffaello T. en Rostoks N., 2020, “Applicability of the EFSA Opinion on site-directed nucleases type 3 for the safety assessment of plants developed using site-directed nucleases type 1 and 2 and oligonucleotide-directed mutagenesis”, EFSA Journal 2020;18(11):6299, 14 blz., https://doi.org/10.2903/j.efsa.2020.6299
Ggo-panel van de EFSA (Panel van de EFSA voor genetisch gemodificeerde organismen), Mullins E., Bresson J.-L., Dalmay T., Dewhurst I.C., Epstein M.M., Firbank L.G., Guerche P., Hejatko J., Moreno F.J., Naegeli H., Nogué F., Rostoks N., Sánchez Serrano J.J., Savoini G., Veromann E., Veronesi F., Fernandez A., Gennaro A., Papadopoulou N., Raffaello T. en Schoonjans R., 2022, “Statement on criteria for risk assessment of plants produced by targeted mutagenesis, cisgenesis and intragenesis”, EFSA Journal 2022;20(10):7618, 12 blz., https://doi.org/10.2903/j.efsa.2022.7618
Europees netwerk van ggo-laboratoria (ENGL), “Detection of food and feed plant products obtained by new mutagenesis techniques”, 26 maart 2019 (JRC116289); 13 juni 2023 (JRC133689; EUR 31521 EN).
Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1).
Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).
Verordening (EU) 2017/625 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2017 betreffende officiële controles en andere officiële activiteiten die worden uitgevoerd om de toepassing van de levensmiddelen- en diervoederwetgeving en van de voorschriften inzake diergezondheid, dierenwelzijn, plantgezondheid en gewasbeschermingsmiddelen te waarborgen, tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 999/2001, (EG) nr. 396/2005, (EG) nr. 1069/2009, (EG) nr. 1107/2009, (EU) nr. 1151/2012, (EU) nr. 652/2014, (EU) 2016/429 en (EU) 2016/2031 van het Europees Parlement en de Raad, de Verordeningen (EG) nr. 1/2005 en (EG) nr. 1099/2009 van de Raad en de Richtlijnen 98/58/EG, 1999/74/EG, 2007/43/EG, 2008/119/EG en 2008/120/EG van de Raad, en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 854/2004 en (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad, de Richtlijnen 89/608/EEG, 89/662/EEG, 90/425/EEG, 91/496/EEG, 96/23/EG, 96/93/EG en 97/78/EG van de Raad en Besluit 92/438/EEG van de Raad (verordening officiële controles) (PB L 95 van 7.4.2017, blz. 1).
Verordening (EU) 2016/2031 van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen plaagorganismen bij planten, tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 228/2013, (EU) nr. 652/2014 en (EU) nr. 1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van de Richtlijnen 69/464/EEG, 74/647/EEG, 93/85/EEG, 98/57/EG, 2000/29/EG, 2006/91/EG en 2007/33/EG van de Raad (PB L 317 van 23.11.2016, blz. 4).
Verordening (EG) nr. 65/2004 van de Commissie van 14 januari 2004 tot vaststelling van een systeem voor de ontwikkeling en toekenning van eenduidige identificatienummers voor genetisch gemodificeerde organismen (PB L 10 van 16.1.2004, blz. 5).
Richtlijn 98/44/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 juli 1998 betreffende de rechtsbescherming van biotechnologische uitvindingen (PB L 213 van 30.7.1998, blz. 13).
Vroegtijdige-interventiemaatregelen, afwikkelingsvoorwaarden en financiering van afwikkelingsmaatregelen (SRMR3)
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 24 april 2024 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 806/2014 wat betreft vroegtijdige-interventiemaatregelen, afwikkelingsvoorwaarden en financiering van afwikkelingsmaatregelen (COM(2023)0226 – C9-0139/2023 – 2023/0111(COD))
– gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2023)0226),
– gezien artikel 294, lid 2, en artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C9‑0139/2023),
– gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
– gezien het advies van de Europese Centrale Bank van 5 juli 2023(1),
– gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 13 juli 2023(2),
– gezien artikel 59 van zijn Reglement,
– gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A9-0155/2024),
1. stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;
2. verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;
3. verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de nationale parlementen.
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 24 april 2024 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2024/... van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 806/2014 wat betreft vroegtijdige-interventiemaatregelen, afwikkelingsvoorwaarden en financiering van afwikkelingsmaatregelen(3)
HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, met name artikel 114,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,
Gezien het advies van de Europese Centrale Bank(4),
Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(5),
Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure,
Overwegende hetgeen volgt:
(1) Het afwikkelingskader van de Unie voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen (“instellingen”) is opgezet in de nasleep van de wereldwijde financiële crisis van 2008-2009 en naar aanleiding van de internationaal onderschreven Key Attributes of Effective Resolution Regimes for Financial Institutions(6) van de Raad voor financiële stabiliteit. Het afwikkelingskader van de Unie bestaat uit Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad(7) en Verordening (EU) nr. 806/2014 van het Europees Parlement en de Raad(8). Beide handelingen zijn van toepassing op in de Unie gevestigde instellingen en op elke andere entiteit die onder het toepassingsgebied van die richtlijn of die verordening valt (“entiteiten”). Het afwikkelingskader van de Unie is erop gericht het falen van instellingen en entiteiten op ordelijke wijze aan te pakken door de kritieke functies van instellingen en entiteiten in stand te houden en bedreigingen voor de financiële stabiliteit te voorkomen, en tegelijkertijd deposanten en overheidsmiddelen te beschermen. Daarnaast beoogt het afwikkelingskader van de Unie de ontwikkeling van de interne bankenmarkt te bevorderen door een geharmoniseerde regeling in te voeren om grensoverschrijdende crises op gecoördineerde wijze aan te pakken en door problemen in verband met gelijke concurrentievoorwaarden te voorkomen.
(1 bis) Op dit moment berust de bankenunie op slechts twee van haar beoogde drie pijlers, namelijk het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme (GTM) en het gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme (GAM). Omdat haar derde pijler, het Europees depositoverzekeringsstelsel (EDIS), ontbreekt, blijft de bankenunie dus onvolledig. De voltooiing van de bankenunie vormt een integraal onderdeel van de economische en monetaire unie en van de financiële stabiliteit, met name door het beperken van het risico van een “vicieuze cirkel” dat voortvloeit uit de verwevenheid tussen banken en overheden.
(2) Enkele jaren na de uitvoering ervan levert het afwikkelingskader van de Unie in zijn huidige vorm niet de beoogde resultaten op met betrekking tot sommige van deze doelstellingen. Meer in het bijzonder wordt het afwikkelingskader van de Unie weinig gebruikt, ondanks het feit dat instellingen en entiteiten aanzienlijke vooruitgang hebben geboekt op weg naar afwikkelbaarheid en hiervoor aanzienlijke middelen hebben toegewezen, met name door middel van de opbouw van de verliesabsorptie- en herkapitalisatiecapaciteit en de opvulling van afwikkelingsfinancieringsregelingen. Het falen van bepaalde kleinere en middelgrote instellingen en entiteiten wordt in plaats daarvan hoofdzakelijk afgehandeld met gebruik van niet-geharmoniseerde nationale maatregelen. Helaas wordt er nog steeds belastinggeld gebruikt in plaats van door de sector gefinancierde vangnetten zoals afwikkelingsfinancieringsregelingen. Die situatie lijkt het gevolg te zijn van ontoereikende stimulansen. Deze ontoereikende stimulansen vloeien voort uit de wisselwerking tussen het afwikkelingskader van de Unie en de nationale regels, waarbij de brede beoordelingsruimte bij de beoordeling van het openbaar belang niet altijd op een wijze wordt gebruikt waarin tot uiting komt hoe het afwikkelingskader van de Unie moet worden toegepast. Het afwikkelingskader van de Unie werd bovendien weinig gebruikt als gevolg van de risico’s voor deposanten van instellingen met depositofinanciering op het dragen van verliezen om ervoor te zorgen dat deze instellingen toegang hebben tot externe financiering bij afwikkeling, met name bij gebrek aan andere bail-inbare passiva. Ten slotte heeft het feit dat er minder strikte regels zijn voor de toegang tot financiering buiten de afwikkeling dan in de afwikkeling, de toepassing van het afwikkelingskader van de Unie ontmoedigd ten gunste van andere oplossingen, die vaak het gebruik van belastinggeld inhouden in plaats van de eigen middelen van de instelling of entiteit of door de sector gefinancierde vangnetten. Die situatie genereert op haar beurt risico’s van versnippering, risico’s van suboptimale resultaten bij het beheer van het falen van instellingen en entiteiten, met name in het geval van kleinere en middelgrote instellingen en entiteiten, en opportuniteitskosten door ongebruikte financiële middelen. Daarom moet voor een effectievere en coherentere toepassing van het afwikkelingskader van de Unie worden gezorgd en moet worden gewaarborgd dat het kan worden toegepast wanneer dat in het algemeen belang is, ook voor kleinere en middelgrote instellingen▌.
(3) Ingevolge artikel 4 van Verordening (EU) nr. 806/2014 worden lidstaten die een nauwe samenwerking tussen de Europese Centrale Bank (ECB) en de respectieve nationale bevoegde autoriteiten tot stand hebben gebracht, voor de toepassing van die verordening beschouwd als deelnemende lidstaten. Verordening (EU) nr. 806/2014 bevat echter geen details over het proces ter voorbereiding van de start van de nauwe samenwerking bij afwikkelingsgerelateerde taken. Deze details moeten derhalve worden vastgesteld.
(4) De intensiteit en de mate van gedetailleerdheid van de noodzakelijke planningswerkzaamheden voor de afwikkeling met betrekking tot dochterondernemingen die niet als af te wikkelen entiteiten zijn aangemerkt, lopen uiteen naargelang de omvang en het risicoprofiel van de betrokken instellingen en entiteiten, de aanwezigheid van kritieke functies en de groepsafwikkelingsstrategie. De gemeenschappelijke afwikkelingsraad (“de afwikkelingsraad”) moet derhalve met deze factoren rekening kunnen houden bij het vaststellen van de ten aanzien van dergelijke dochterondernemingen te nemen maatregelen en in voorkomend geval een vereenvoudigde aanpak volgen.
(5) Een instelling of entiteit die naar nationaal recht wordt geliquideerd, nadat is vastgesteld dat de instelling of entiteit faalt of waarschijnlijk zal falen en de afwikkelingsraad heeft geconcludeerd dat de afwikkeling ervan niet in het algemeen belang is, stevent uiteindelijk af op een terugtrekking uit de markt. Dat houdt in dat een plan voor te nemen maatregelen in geval van falen niet nodig is, ongeacht of de bevoegde autoriteit de vergunning van de betrokken instelling of entiteit reeds heeft ingetrokken. Hetzelfde geldt voor een resterende instelling in afwikkeling na de overdracht van activa, rechten en passiva in het kader van een overdrachtsstrategie. Het is derhalve passend om te specificeren dat de goedkeuring van afwikkelingsplannen in dergelijke situaties niet vereist is.
(6) De afwikkelingsraad kan momenteel bepaalde uitkeringen verbieden wanneer een instelling of entiteit niet voldoet aan het gecombineerde buffervereiste wanneer dit wordt beschouwd als aanvulling op het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva (“MREL”). Met het oog op de rechtszekerheid en de afstemming op de bestaande procedures voor de uitvoering van door de afwikkelingsraad genomen besluiten, moeten de rollen van de autoriteiten die betrokken zijn bij het proces voor het verbieden van uitkeringen echter duidelijker worden gespecificeerd. Daarom is het passend te bepalen dat de afwikkelingsraad een instructie om dergelijke uitkeringen te verbieden, moet richten aan de nationale afwikkelingsautoriteit, die het besluit van de afwikkelingsraad moet uitvoeren. Bovendien kan een instelling of entiteit in bepaalde situaties op een andere basis aan het MREL moeten voldoen dan de basis waarop die instelling of entiteit aan het gecombineerde buffervereiste moet voldoen. Die situatie schept onzekerheden met betrekking tot de voorwaarden voor de uitoefening van de bevoegdheden van de afwikkelingsraad om uitkeringen te verbieden en voor de berekening van het maximaal uitkeerbare bedrag in verband met het MREL. Daarom moet worden bepaald dat de afwikkelingsraad in die gevallen de nationale afwikkelingsautoriteiten moet opdragen bepaalde uitkeringen te verbieden op basis van de raming van het gecombineerde buffervereiste dat voortvloeit uit Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/1118 van de Commissie(9). Met het oog op transparantie en rechtszekerheid moet de afwikkelingsraad het geraamde gecombineerde buffervereiste meedelen aan de instelling of entiteit, die dat geraamde gecombineerde buffervereiste vervolgens openbaar moet maken.
(7) In Richtlijn 2014/59/EU en Verordening (EU) nr. 575/2013 zijn door afwikkelingsautoriteiten uit te oefenen bevoegdheden vastgelegd, waarvan sommige niet in Verordening (EU) nr. 806/2014 zijn opgenomen. In het gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme kan dit leiden tot onzekerheid over de vraag wie die bevoegdheden moet uitoefenen en onder welke voorwaarden dat moet gebeuren. Het is derhalve noodzakelijk te specificeren hoe de nationale afwikkelingsautoriteiten bepaalde bevoegdheden moeten uitoefenen die alleen in Richtlijn 2014/59/EU zijn vastgelegd met betrekking tot entiteiten en groepen die onder de directe verantwoordelijkheid van de afwikkelingsraad vallen. In die gevallen moet de afwikkelingsraad, wanneer hij dat nodig acht, de nationale afwikkelingsautoriteiten kunnen opdragen die bevoegdheden uit te oefenen. De afwikkelingsraad moet met name de nationale afwikkelingsautoriteiten kunnen opdragen van een instelling of entiteit te verlangen dat zij gedetailleerde gegevens bijhoudt van de financiële contracten waarbij de instelling of entiteit partij is, of de bevoegdheid toe te passen om sommige financiële verplichtingen op grond van artikel 33 bis van Richtlijn 2014/59/EU op te schorten. Aangezien de in Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad(10) neergelegde machtigingen voor de verlaging van in aanmerking komende passiva-instrumenten, die ook van toepassing is op instellingen en entiteiten en aan het MREL onderworpen passiva, niet de toepassing van nationale wetgeving vereisen, moet de afwikkelingsraad deze machtigingen rechtstreeks aan instellingen of entiteiten kunnen verlenen, zonder dat hij de nationale afwikkelingsautoriteiten hoeft op te dragen die bevoegdheid uit te oefenen.
(8) Bij Verordening (EU) 2019/876 van het Europees Parlement en de Raad(11), Verordening (EU) 2019/877 van het Europees Parlement en de Raad(12) en Richtlijn (EU) 2019/879 van het Europees Parlement en de Raad(13) zijn de internationale nadere kenmerken van de totale verliesabsorptiecapaciteit (“total loss-absorbing capacity” — TLAC) (hierna genoemd “de TLAC-norm”), die op 9 november 2015 door de Raad voor financiële stabiliteit is gepubliceerd, voor mondiaal systeemrelevante banken, in het Unierecht aangeduid als mondiaal systeemrelevante instellingen (MSI’s), in het Unierecht uitgevoerd. Bij Verordening (EU) 2019/877 en Richtlijn (EU) 2019/879 is ook het MREL in Richtlijn 2014/59/EU en in Verordening (EU) nr. 806/2014 gewijzigd. Het is noodzakelijk om de bepalingen in Verordening (EU) nr. 806/2014 betreffende het MREL in overeenstemming te brengen met de uitvoering van de TLAC-norm voor MSI’s met betrekking tot bepaalde passiva die kunnen worden gebruikt om te voldoen aan het deel van het MREL dat moet worden voldaan met eigen vermogen en andere achtergestelde passiva. Met name passiva met dezelfde rang als bepaalde uitgesloten passiva moeten in de eigen middelen en achtergestelde in aanmerking komende instrumenten van af te wikkelen entiteiten worden opgenomen wanneer het bedrag van die uitgesloten passiva op de balans van de af te wikkelen entiteit niet hoger is dan 5 % van het bedrag van de eigen middelen en in aanmerking komende passiva van de af te wikkelen entiteit en uit die opneming geen risico’s voortvloeien die verband houden met het beginsel dat geen enkele crediteur slechter af mag zijn.
(9) De regels voor het bepalen van het MREL zijn hoofdzakelijk gericht op de vaststelling van het passende niveau voor het MREL, waarbij het instrument van bail-in als voorkeursstrategie voor de afwikkeling wordt beschouwd. Verordening (EU) nr. 806/2014 staat de afwikkelingsraad echter toe andere afwikkelingsinstrumenten te gebruiken, namelijk die welke berusten op de overdracht van de onderneming van de instelling in afwikkeling aan een particuliere koper of aan een overbruggingsinstelling. Daarom moet worden gespecificeerd dat, indien het afwikkelingsplan voorziet in het gebruik van het instrument van verkoop van de onderneming of van het instrument van de overbruggingsinstelling▌, hetzij afzonderlijk, hetzij in combinatie met andere afwikkelingsinstrumenten, de afwikkelingsraad het niveau van het MREL voor de betrokken af te wikkelen entiteit moet bepalen op basis van de specifieke kenmerken van deze afwikkelingsinstrumenten en van de verschillende verliesabsorberende en herkapitalisatiebehoeften die deze instrumenten met zich meebrengen.
(10) Het niveau van het MREL voor af te wikkelen entiteiten is de som van het bedrag van de in afwikkeling verwachte verliezen en het herkapitalisatiebedrag waarmee de af te wikkelen entiteit aan haar vergunningsvoorwaarden kan blijven voldoen en haar activiteiten gedurende een passende periode kan voortzetten. Bepaalde voorkeursafwikkelingsstrategieën omvatten de overdracht van activa, rechten en verplichtingen aan een ontvanger▌, met name het instrument van verkoop van de onderneming. In die gevallen zijn de met de herkapitalisatiecomponent nagestreefde doelstellingen wellicht niet in dezelfde mate van toepassing als in het geval van een open-bank bail-in-strategie, omdat de afwikkelingsraad niet verplicht zal zijn ervoor te zorgen dat de af te wikkelen entiteit na een afwikkelingsmaatregel opnieuw aan haar eigenvermogensvereisten voldoet. Niettemin wordt verwacht dat de verliezen in dergelijke gevallen groter zullen zijn dan de eigenvermogensvereisten van de af te wikkelen entiteit. Daarom is het passend te bepalen dat het niveau van het MREL van deze af te wikkelen entiteiten een herkapitalisatiebedrag blijft omvatten dat wordt aangepast op een wijze die evenredig is aan de afwikkelingsstrategie.
(11) Wanneer de afwikkelingsstrategie voorziet in het gebruik van andere afwikkelingsinstrumenten dan uitsluitend bail-in, zal de herkapitalisatiebehoefte van de betrokken entiteit na afwikkeling doorgaans kleiner zijn dan in het geval van een open-bank bail-in. Bij de kalibratie van het MREL in een dergelijk geval moet met dat aspect rekening worden gehouden bij de raming van het herkapitalisatievereiste. Daarom moet de afwikkelingsraad bij het aanpassen van het niveau van het MREL voor af te wikkelen entiteiten waarvan het afwikkelingsplan voorziet in het instrument van verkoop van de onderneming of het instrument van de overbruggingsinstelling▌, hetzij afzonderlijk, hetzij in combinatie met andere afwikkelingsinstrumenten, rekening houden met de kenmerken van die instrumenten, waaronder de verwachte omvang van de overdracht aan de particuliere koper of aan de overbruggingsinstelling, de soorten instrumenten die moeten worden overgedragen, de verwachte waarde en verhandelbaarheid van die instrumenten, en de opzet van de afwikkelingsstrategie waaraan de voorkeur wordt gegeven, met inbegrip van het aanvullende gebruik van het instrument van afsplitsing van activa. Aangezien de afwikkelingsautoriteit per geval een besluit moet nemen over een eventueel gebruik in afwikkeling van middelen van het depositogarantiestelsel en een dergelijk besluit niet vooraf met zekerheid kan worden aangenomen, mag de afwikkelingsraad de potentiële bijdrage van het depositogarantiestelsel (in afwikkeling) niet in aanmerking nemen bij het kalibreren van de hoogte van het MREL. Die aanpak vermindert ook de waarschijnlijkheid van moreel risico door te voorkomen dat entiteiten er van tevoren al van uitgaan dat middelen uit het respectieve depositogarantiestelsel zullen worden gebruikt om het streefcijfer van 8 % aan totale passiva en eigen vermogen te halen.
▌
(13) Krachtens artikel 4 van Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad(14) is de ECB bevoegd toezichthoudende taken uit te voeren met betrekking tot vroegtijdige interventie. Het is noodzakelijk de risico’s te beperken die voortvloeien uit de uiteenlopende omzetting in nationaal recht van de vroegtijdige-interventiemaatregelen in Richtlijn 2014/59/EU en de effectieve en consistente toepassing door de ECB van haar bevoegdheden om vroegtijdige-interventiemaatregelen te nemen, te vergemakkelijken. Deze vroegtijdige-interventiemaatregelen zijn in het leven geroepen om de bevoegde autoriteiten in staat te stellen de verslechtering van de financiële en economische situatie van een instelling of entiteit te verhelpen en het risico en de gevolgen van een eventuele afwikkeling zoveel mogelijk te beperken. Wegens een gebrek aan zekerheid over de voorwaarden voor de toepassing van die vroegtijdige-interventiemaatregelen en gedeeltelijke overlappingen met toezichtmaatregelen zijn vroegtijdige-interventiemaatregelen echter zelden gebruikt. De bepalingen van Richtlijn 2014/59/EU betreffende vroegtijdige-interventiemaatregelen moeten derhalve worden weerspiegeld in Verordening (EU) nr. 806/2014, waardoor één enkel en rechtstreeks toepasselijk rechtsinstrument voor de ECB wordt gewaarborgd, en de voorwaarden voor de toepassing van die vroegtijdige-interventiemaatregelen moeten worden vereenvoudigd en nader worden gespecificeerd. Om onzekerheden weg te nemen over de voorwaarden en het tijdschema voor de afzetting van het leidinggevend orgaan en de benoeming van tijdelijke bewindvoerders, moeten deze maatregelen uitdrukkelijk als vroegtijdige-interventiemaatregelen worden aangemerkt en moet de toepassing ervan aan dezelfde voorwaarden worden onderworpen. Tegelijkertijd moet van de ECB worden verlangd dat zij met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel de passende maatregelen kiest om een specifieke situatie aan te pakken. Om de ECB in staat te stellen rekening te houden met reputatierisico’s of risico’s in verband met het witwassen van geld of informatie- en communicatietechnologie, moet de ECB de voorwaarden voor de toepassing van vroegtijdige-interventiemaatregelen niet alleen beoordelen op basis van kwantitatieve indicatoren, waaronder kapitaal- of liquiditeitsvereisten, niveau van hefboomwerking, niet-rendabele leningen of concentratie van blootstellingen, maar ook op basis van kwalitatieve voorwaarden.
(14) De afwikkelingsraad moet zich kunnen voorbereiden op de mogelijke afwikkeling van een instelling of entiteit. De ECB of de desbetreffende nationale bevoegde autoriteit moet de afwikkelingsraad derhalve tijdig op de hoogte stellen van de verslechtering van de financiële situatie van een instelling of entiteit, en de afwikkelingsraad moet over de nodige bevoegdheden beschikken voor de uitvoering van voorbereidende maatregelen. Belangrijk is dat, om de afwikkelingsraad in staat te stellen zo snel mogelijk te reageren op een verslechtering van de situatie van een instelling of entiteit, de voorafgaande toepassing van vroegtijdige-interventiemaatregelen voor de afwikkelingsraad geen voorwaarde mag zijn om regelingen te treffen voor de verkoop van de instelling of entiteit of om informatie op te vragen om het afwikkelingsplan te actualiseren en de waardering voor te bereiden. Om een consistente, gecoördineerde, effectieve en tijdige reactie op de verslechtering van de financiële situatie van een instelling of entiteit te waarborgen en een goede voorbereiding op een eventuele afwikkeling te treffen, is het noodzakelijk de interactie en coördinatie tussen de ECB, de nationale bevoegde autoriteiten en de afwikkelingsraad te versterken. Zodra een instelling of entiteit voldoet aan de voorwaarden voor toepassing van vroegtijdige-interventiemaatregelen, moeten de ECB, de nationale bevoegde autoriteiten en de afwikkelingsraad hun informatie-uitwisseling, met inbegrip van voorlopige informatie, opvoeren en gezamenlijk toezicht houden op de financiële situatie van de instelling of entiteit.
(14 bis) Indien de afwikkelingsraad informatie verlangt die nodig is om afwikkelingsplannen te actualiseren, de mogelijke afwikkeling van een entiteit voor te bereiden of een waardering uit te voeren, moeten de ECB of de relevante nationale bevoegde autoriteiten de afwikkelingsraad die informatie verstrekken voor zover zij daarover beschikken. Indien de ECB of de relevante nationale bevoegde autoriteiten nog niet over de relevante informatie beschikken, moeten de afwikkelingsraad en de ECB of de relevante nationale bevoegde autoriteiten samenwerken en overleggen om de informatie die de afwikkelingsraad noodzakelijk acht, te verzamelen. In het kader van die samenwerking moeten de nationale bevoegde autoriteiten de benodigde informatie verzamelen met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel.
(15) Het is noodzakelijk te zorgen voor tijdige actie en vroegtijdige coördinatie tussen de afwikkelingsraad en de ECB, of de betrokken nationale bevoegde autoriteit, met betrekking tot minder belangrijke grensoverschrijdende groepen wanneer een instelling of entiteit nog steeds een “going concern” is, maar er een materieel risico bestaat dat die instelling of entiteit faalt. De ECB of de desbetreffende nationale bevoegde autoriteit moet de afwikkelingsraad derhalve zo vroeg mogelijk van een dergelijk risico in kennis te stellen. Die kennisgeving moet de redenen voor de beoordeling van de ECB of de betrokken nationale bevoegde autoriteit bevatten, alsmede een overzicht van de alternatieve maatregelen van de particuliere sector, toezichtmaatregelen of vroegtijdige-interventiemaatregelen die beschikbaar zijn om het falen van de instelling of entiteit binnen een redelijk tijdsbestek te voorkomen. Een dergelijke vroegtijdige kennisgeving mag geen afbreuk doen aan de procedures om te bepalen of aan de afwikkelingsvoorwaarden is voldaan. De voorafgaande kennisgeving door de ECB of de betrokken nationale bevoegde autoriteit aan de afwikkelingsraad van een materieel risico dat een instelling of entiteit faalt of waarschijnlijk zal falen, mag geen voorwaarde zijn voor een latere vaststelling dat een instelling of entiteit daadwerkelijk faalt of waarschijnlijk zal falen. Indien in een later stadium wordt geoordeeld dat de instelling of entiteit faalt of waarschijnlijk zal falen en er geen alternatieve oplossingen zijn om een dergelijk falen binnen een redelijk tijdsbestek te voorkomen, moet de afwikkelingsraad bovendien een besluit nemen over het nemen van afwikkelingsmaatregelen. In een dergelijk geval kan de tijdigheid van het besluit om afwikkelingsmaatregelen op een instelling of entiteit toe te passen van fundamenteel belang zijn voor de succesvolle uitvoering van de afwikkelingsstrategie, met name omdat een vroegere interventie in de instelling of entiteit kan bijdragen tot het garanderen van voldoende verliesabsorptiecapaciteit en liquiditeit om die strategie uit te voeren. Het is derhalve aangewezen dat de afwikkelingsraad in nauwe samenwerking met de ECB of de betrokken nationale bevoegde autoriteit kan beoordelen wat een redelijk tijdsbestek is om alternatieve maatregelen uit te voeren om het falen van de instelling of entiteit te voorkomen. Bij het uitvoeren van die beoordeling moet ook rekening worden gehouden met de noodzaak geen afbreuk te doen aan het vermogen van de afwikkelingsautoriteit en de betrokken entiteit om de afwikkelingsstrategie effectief uit te voeren wanneer dat uiteindelijk nodig is, maar dit mag niet beletten dat alternatieve maatregelen worden genomen. Met name moet het beoogde tijdschema voor de alternatieve maatregelen van dien aard zijn dat het de doeltreffendheid van een potentiële uitvoering van de afwikkelingsstrategie niet in gevaar brengt. Om een tijdig resultaat te verzekeren en de afwikkelingsraad in staat te stellen zich naar behoren voor te bereiden op de mogelijke afwikkeling van de instelling of entiteit, moeten de afwikkelingsraad en de ECB, of de desbetreffende nationale bevoegde autoriteit, regelmatig bijeenkomen, en moet de afwikkelingsraad een besluit nemen over de frequentie van die bijeenkomsten, rekening houdend met de omstandigheden van het geval.
(16) Om materiële inbreuken op de prudentiële voorschriften te dekken, moeten de voorwaarden om te bepalen of moederondernemingen, met inbegrip van holdings, falen of waarschijnlijk zullen falen, nader worden gespecificeerd. Een inbreuk op deze vereisten door een moederonderneming moet materieel zijn wanneer de aard en de omvang van deze inbreuk vergelijkbaar is met een inbreuk die, indien deze door een kredietinstelling was begaan, de intrekking van de vergunning door de bevoegde autoriteit overeenkomstig artikel 18 van Richtlijn 2013/36/EU zou hebben gerechtvaardigd.
(17) Het afwikkelingskader is bedoeld om te worden toegepast op potentieel elke instelling of entiteit, ongeacht haar omvang en bedrijfsmodel, met een positieve beoordeling van het openbaar belang. Om een dergelijk resultaat te waarborgen, moeten de criteria voor de toepassing van de beoordeling van het algemeen belang op een falende instelling of entiteit worden gespecificeerd. In dat verband moet worden verduidelijkt dat, afhankelijk van de specifieke omstandigheden, bepaalde functies van de instelling of entiteit als kritiek kunnen worden beschouwd indien de onderbreking ervan gevolgen zou hebben voor de financiële stabiliteit of voor kritieke diensten op regionaal niveau, vooral wanneer de vervangbaarheid van de kritieke functies wordt bepaald door de relevante geografische markt.
(18) Bij de beoordeling of de afwikkeling van een instelling of entiteit in het algemeen belang is, moet rekening worden gehouden met de overweging dat deposanten beter beschermd zijn wanneer de middelen van het depositogarantiestelsel efficiënter worden gebruikt en de verliezen voor die middelen tot een minimum worden beperkt. Daarom moet er bij de beoordeling van het algemeen belang van worden uitgegaan dat de afwikkelingsdoelstelling van bescherming van deposanten beter wordt bereikt bij afwikkeling indien de keuze voor insolventie duurder zou zijn voor het depositogarantiestelsel.
(19) Bij de beoordeling of de afwikkeling van een instelling of entiteit in het algemeen belang is, moet ook, voor zover mogelijk, rekening worden gehouden met het verschil tussen, enerzijds, financiering via door de sector gefinancierde vangnetten (afwikkelingsfinancieringsregelingen of depositogarantiestelsels) en, anderzijds, financiering door de lidstaten met belastinggeld. Bij financiering door de lidstaten is er een groter risico op moreel risico en een geringere stimulans tot marktdiscipline, en dergelijke financiering moet alleen in buitengewone omstandigheden in overweging worden genomen. Bij de beoordeling van de doelstelling om de afhankelijkheid van buitengewone openbare financiële steun tot een minimum te beperken, moet de afwikkelingsraad derhalve financiering via de afwikkelingsfinancieringsregelingen of het depositogarantiestelsel verkiezen boven financiering via een gelijk bedrag aan middelen uit de begroting van de lidstaten.
(19 bis) Wanneer nationale insolventie- en afwikkelingskaders de doelstellingen van het kader daadwerkelijk in dezelfde mate bereiken, moet de voorkeur worden gegeven aan de optie die het risico voor de belastingbetaler en de economie tot een minimum beperkt. Die aanpak zorgt voor een voorzichtig en verantwoord optreden, in overeenstemming met de overkoepelende doelstelling om zowel de belangen van de belastingbetalers als economische stabiliteit in ruimere zin te beschermen.
(19 ter) Met belastinggeld gefinancierde buitengewone financiële steun aan instellingen en entiteiten mag alleen worden verleend om een ernstige verstoring in de economie van uitzonderlijke en systemische aard te verhelpen, aangezien dit een aanzienlijke last vormt voor de overheidsfinanciën en het gelijke speelveld op de interne markt verstoort.
(20) Om ervoor te zorgen dat de afwikkelingsdoelstellingen op de meest doeltreffende wijze worden verwezenlijkt, moet bij de beoordeling van het algemeen belang worden nagegaan of de liquidatie van de falende instelling of entiteit volgens een normale insolventieprocedure de afwikkelingsdoelstellingen doeltreffender zou verwezenlijken dan afwikkeling, en niet alleen in dezelfde mate als afwikkeling.
(21) In het licht van de ervaring die is opgedaan bij de uitvoering van Richtlijn 2014/59/EU, Verordening (EU) nr. 806/2014 en Richtlijn 2014/49/EU moeten de voorwaarden waaronder preventieve maatregelen die als buitengewone openbare financiële steun kunnen worden aangemerkt, bij wijze van uitzondering kunnen worden verleend, nader worden gespecificeerd. Om concurrentieverstoringen als gevolg van verschillen in de aard van depositogarantiestelsels in de Unie zoveel mogelijk te beperken, moeten interventies van dergelijke stelsels in het kader van preventieve maatregelen die voldoen aan de vereisten van Richtlijn 2014/49/EU en die als buitengewone openbare financiële steun worden aangemerkt, bij wijze van uitzondering worden toegestaan wanneer de begunstigde instelling of entiteit aan geen van de voorwaarden voldoet om als falend of waarschijnlijk falend te worden beschouwd. Er moet voor worden gezorgd dat er tijdig preventieve maatregelen worden genomen. De ECB baseert haar overweging dat een instelling of entiteit solvabel is, met het oog op preventieve herkapitalisatie, momenteel op een toekomstgerichte beoordeling voor de volgende twaalf maanden of de instelling of entiteit kan voldoen aan de eigenvermogensvereisten van Verordening (EU) nr. 575/2013 of van Verordening (EU) 2019/2033, en aan het aanvullende eigenvermogensvereiste van Richtlijn 2013/36/EU of van Richtlijn (EU) 2019/2034. Die praktijk moet worden vastgelegd in Verordening (EU) nr. 806/2014. Bovendien kunnen maatregelen ter ondersteuning van probleemactiva, zoals vehikels voor activabeheer of garantieregelingen voor activa, doeltreffend en efficiënt blijken om de oorzaken van mogelijke financiële moeilijkheden van instellingen en entiteiten aan te pakken en hun falen te voorkomen, en kunnen zij derhalve relevante preventieve maatregelen vormen. Daarom moet worden gespecificeerd dat deze preventieve maatregelen de vorm kunnen aannemen van maatregelen voor probleemactiva.
(22) Om de marktdiscipline te handhaven, de overheidsmiddelen te beschermen en concurrentieverstoringen te voorkomen, moeten preventieve maatregelen de uitzondering blijven en alleen worden toegepast om ernstige verstoringen van de markt aan te pakken of om de financiële stabiliteit te vrijwaren, met name in het geval van een systeemcrisis. Bovendien mogen preventieve maatregelen niet worden gebruikt om geleden of te verwachten verliezen aan te pakken. Het meest betrouwbare instrument om geleden of waarschijnlijk geleden verliezen vast te stellen, is een beoordeling van de kwaliteit van de activa door de ECB, de Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit, “EBA”), opgericht bij Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad(15), of de nationale bevoegde autoriteiten. De ECB en de nationale bevoegde autoriteiten moeten een dergelijke evaluatie gebruiken om geleden of waarschijnlijk te lijden verliezen vast te stellen, indien een dergelijke evaluatie binnen een redelijk tijdsbestek kan worden uitgevoerd. Indien dat niet mogelijk is, moeten de ECB en de nationale bevoegde autoriteiten de geleden of waarschijnlijk te lijden verliezen op de meest betrouwbare wijze vaststellen onder de heersende omstandigheden, in voorkomend geval op basis van inspecties ter plaatse.
(23) Preventieve herkapitalisatie is gericht op de ondersteuning van levensvatbare instellingen en entiteiten waarvan is vastgesteld dat zij in de nabije toekomst te maken zullen hebben met tijdelijke moeilijkheden, om te voorkomen dat hun situatie verder verslechtert. Om te voorkomen dat overheidssubsidies worden verleend aan ondernemingen die reeds onrendabel zijn wanneer de steun wordt verleend, mogen de preventieve maatregelen die in de vorm van de verwerving van eigenvermogensinstrumenten of andere kapitaalinstrumenten of via maatregelen voor probleemactiva worden verleend, niet hoger zijn dan het bedrag dat nodig is om de kapitaaltekorten te dekken die in het ongunstige scenario van een stresstest of een gelijkwaardige exercitie zijn vastgesteld. Om ervoor te zorgen dat de overheidsfinanciering uiteindelijk wordt stopgezet, moeten die preventieve maatregelen ook in de tijd beperkt zijn en een duidelijk tijdschema bevatten voor de beëindiging ervan (“strategie voor exit uit de steunmaatregel”). Eeuwigdurende instrumenten, waaronder tier 1-kernkapitaal, mogen slechts in uitzonderlijke omstandigheden worden gebruikt en aan bepaalde kwantitatieve beperkingen worden onderworpen omdat zij door hun aard niet geschikt zijn om aan de voorwaarde van tijdelijkheid te voldoen.
(24) Preventieve maatregelen moeten beperkt blijven tot het bedrag dat de instelling of entiteit nodig heeft om haar solvabiliteit te handhaven in geval van een ongunstig scenario, zoals bepaald in een stresstest of een gelijkwaardige oefening. In het geval van preventieve maatregelen in de vorm van maatregelen voor probleemactiva moet de ontvangende instelling of entiteit dat bedrag kunnen gebruiken om verliezen op de overgedragen activa te dekken of in combinatie met een verwerving van kapitaalinstrumenten, mits het totale bedrag van het vastgestelde tekort niet wordt overschreden. Ook moet ervoor worden gezorgd dat dergelijke preventieve maatregelen in de vorm van maatregelen voor probleemactiva in overeenstemming zijn met de bestaande staatssteunregels en beste praktijken, dat zij de levensvatbaarheid van de instelling of entiteit op lange termijn herstellen, dat de staatssteun tot het noodzakelijke minimum beperkt blijft en dat concurrentieverstoringen worden vermeden. Om die redenen moeten de betrokken autoriteiten in geval van preventieve maatregelen in de vorm van maatregelen voor probleemactiva rekening houden met de specifieke richtsnoeren, waaronder de AMC-blauwdruk(16) en de mededeling Aanpak van niet-renderende leningen(17). Ook voor deze preventieve maatregelen in de vorm van maatregelen voor probleemactiva moet altijd de dwingende voorwaarde van tijdelijkheid gelden. Verwacht wordt dat overheidsgaranties die voor een bepaalde periode worden verleend met betrekking tot de probleemactiva van de betrokken instelling of entiteit, een betere naleving van de voorwaarde van tijdelijkheid garanderen dan overdrachten van dergelijke activa aan een door de overheid gesteunde entiteit. Om ervoor te zorgen dat instellingen die steun ontvangen, voldoen aan de voorwaarden voor de steunmaatregel, moeten de ECB of de nationale bevoegde autoriteiten instellingen die hun verplichtingen niet zijn nagekomen, om een plan van corrigerende maatregelen verzoeken. Wanneer de ECB of een nationale bevoegde autoriteit van mening is dat de maatregelen in dit plan niet voldoende zijn om te zorgen voor de levensvatbaarheid van de instelling op lange termijn of wanneer de instelling het saneringsplan niet heeft nageleefd, moet de ECB of de betrokken nationale bevoegde autoriteit beoordelen of de instelling faalt of waarschijnlijk zal falen, in overeenstemming met artikel 18 van Verordening (EU) nr. 806/2014.
(25) Het is van belang dat de afwikkelingsraad snel en tijdig maatregelen neemt wanneer het gaat om de toekenning van staatssteun of steun uit het Fonds. Daarom moet de afwikkelingsraad de betrokken afwikkelingsregeling kunnen aannemen voordat de Commissie heeft beoordeeld of deze steun verenigbaar is met de interne markt. Om de goede werking van de interne markt in een dergelijk scenario te garanderen, moeten afwikkelingsregelingen die de verlening van staatssteun of steun uit het Fonds inhouden, echter uiteindelijk onderworpen blijven aan de goedkeuring van de Commissie. Om de Commissie in staat te stellen zo spoedig mogelijk te beoordelen of de steun uit het Fonds verenigbaar is met de interne markt, en om een vlotte informatiestroom te waarborgen, moet ook worden bepaald dat de afwikkelingsraad en de Commissie onverwijld alle nodige informatie over het mogelijke gebruik van de steun uit het Fonds moeten uitwisselen en moeten specifieke regels worden vastgesteld over wanneer de afwikkelingsraad de informatie aan de Commissie moet verstrekken en welke informatie hij moet verstrekken, om de Commissie in staat te stellen de verenigbaarheid van de steun uit het Fonds te beoordelen.
(26) De procedure voor de afwikkeling en de procedure voor het besluit tot toepassing van de bevoegdheden tot afschrijving en omzetting zijn vergelijkbaar. Het is derhalve aangewezen de respectieve taken van de afwikkelingsraad en van hetzij de ECB, hetzij de nationale bevoegde autoriteit, naargelang het geval, op elkaar af te stemmen wanneer zij, enerzijds, beoordelen of de voorwaarden voor de toepassing van de bevoegdheden tot afschrijving en omzetting aanwezig zijn en, anderzijds, wanneer zij de voorwaarden voor de aanneming van een afwikkelingsregeling beoordelen.
(27) Het is mogelijk dat een afwikkelingsmaatregel moet worden toegepast op een af te wikkelen entiteit die aan het hoofd van een af te wikkelen groep staat, terwijl bevoegdheden tot afschrijving en omzetting moeten worden toegepast op een andere entiteit van dezelfde groep. Onderlinge afhankelijkheden tussen dergelijke entiteiten, waaronder het bestaan van geconsolideerde kapitaalvereisten die moeten worden hersteld en de noodzaak om mechanismen voor verliesopname en kapitaalafname in werking te stellen, kunnen het moeilijk maken om de verliesabsorptie en de herkapitalisatiebehoeften voor elke entiteit afzonderlijk te beoordelen, en dus om de noodzakelijke bedragen te bepalen die voor elke entiteit moeten worden afgeschreven en omgezet. De procedure voor de toepassing van de bevoegdheid tot afschrijving en omzetting van kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende passiva in die situaties moet derhalve worden gespecificeerd, waarbij de afwikkelingsraad rekening moet houden met dergelijke onderlinge afhankelijkheden. Wanneer een entiteit aan de voorwaarden voor de toepassing van de bevoegdheden tot afschrijving en omzetting voldoet en een andere entiteit binnen dezelfde groep tegelijkertijd aan de afwikkelingsvoorwaarden voldoet, moet de afwikkelingsraad daartoe een afwikkelingsregeling vaststellen die op beide entiteiten betrekking heeft.
(28) Om de rechtszekerheid te vergroten, en gezien de mogelijke relevantie van passiva die kunnen voortvloeien uit toekomstige onzekere gebeurtenissen, waaronder de uitkomst van rechtszaken die op het moment van afwikkeling aanhangig zijn, moet worden bepaald welke behandeling deze passiva voor de toepassing van het instrument van bail-in moeten krijgen. De leidende beginselen in dat verband moeten die zijn welke zijn vervat in de boekhoudregels, en met name de boekhoudregels die zijn vastgelegd in de International Accounting Standard 37 zoals aangenomen bij Verordening (EG) nr. 1126/2008 van de Commissie(18). Op grond daarvan moeten de afwikkelingsautoriteiten een onderscheid maken tussen voorzieningen en voorwaardelijke verplichtingen. Voorzieningen zijn verplichtingen die verband houden met een waarschijnlijke uitstroom van middelen en die op betrouwbare wijze kunnen worden geraamd. Voorwaardelijke verplichtingen worden niet opgenomen als boekhoudkundige verplichtingen omdat zij betrekking hebben op een verplichting die op het tijdstip van de raming niet als waarschijnlijk kan worden beschouwd of niet op betrouwbare wijze kan worden geraamd.
(29) Aangezien voorzieningen boekhoudkundige verplichtingen zijn, moet worden gespecificeerd dat deze voorzieningen op dezelfde wijze moeten worden behandeld als andere verplichtingen. Dergelijke bepalingen moeten bail-inbaar zijn, tenzij zij voldoen aan een van de specifieke criteria om van het toepassingsgebied van het instrument van bail-in te worden uitgesloten. Gezien de potentiële relevantie van deze voorzieningen bij afwikkeling en om zekerheid te bieden bij de toepassing van het instrument van bail-in, moet worden gespecificeerd dat de voorzieningen deel uitmaken van de bail-inbare passiva en dat bijgevolg het instrument van bail-in erop van toepassing is.
(30) Volgens de boekhoudkundige beginselen kunnen voorwaardelijke verplichtingen niet als verplichtingen worden erkend en mogen zij derhalve niet bail-inbaar zijn. Er moet echter voor worden gezorgd dat een voorwaardelijke verplichting die zou voortvloeien uit een gebeurtenis die onwaarschijnlijk is of op het moment van afwikkeling niet betrouwbaar kan worden ingeschat, geen afbreuk doet aan de doeltreffendheid van de afwikkelingsstrategie en met name van het instrument van bail-in. Om dat doel te bereiken moet de schatter, als onderdeel van de waardering ten behoeve van de afwikkeling, de voorwaardelijke verplichtingen beoordelen die zijn opgenomen in de balans van de instelling of entiteit in afwikkeling en de potentiële waarde van die verplichtingen naar diens beste vermogen kwantificeren. Om ervoor te zorgen dat de instelling of entiteit na het afwikkelingsproces gedurende een passende periode voldoende marktvertrouwen kan genieten, moet de schatter met die potentiële waarde rekening houden bij de vaststelling van het bedrag waarmee de bail-inbare passiva moeten worden afgeschreven of geconverteerd om de kapitaalratio’s van de instelling in afwikkeling te herstellen. De afwikkelingsautoriteit moet met name haar omzettingsbevoegdheden toepassen op bail-inbare passiva voor zover dat nodig is om ervoor te zorgen dat de herkapitalisatie van de instelling in afwikkeling voldoende is om potentiële verliezen te dekken die kunnen worden veroorzaakt door een verplichting die door een onwaarschijnlijke gebeurtenis kan ontstaan. Bij de beoordeling van het af te schrijven of om te zetten bedrag moet de afwikkelingsautoriteit het effect van het potentiële verlies op de instelling in afwikkeling zorgvuldig afwegen op basis van een aantal factoren, waaronder de waarschijnlijkheid dat de gebeurtenis zich voordoet, het tijdsbestek waarbinnen dat gebeurt en het bedrag van de voorwaardelijke verplichting.
(31) In bepaalde omstandigheden kan de afwikkelingsraad, nadat het gemeenschappelijk afwikkelingsfonds een bijdrage van ten hoogste 5 % van de totale passiva van de instelling of entiteit inclusief eigen vermogen heeft geleverd, gebruikmaken van aanvullende financieringsbronnen om hun afwikkelingsmaatregel verder te ondersteunen. Er moet duidelijker worden aangegeven in welke omstandigheden het gemeenschappelijk afwikkelingsfonds verdere steun kan verlenen wanneer alle passiva met een lagere prioriteitsrangorde dan deposito’s die niet verplicht of vrijwillig van bail-in zijn uitgesloten, volledig zijn afgeschreven of omgezet.
(32) Het succes van de afwikkeling hangt af van de tijdige toegang van de afwikkelingsraad tot relevante informatie van de instellingen en entiteiten die onder de verantwoordelijkheid van de afwikkelingsraad vallen en van overheidsinstellingen en -autoriteiten. In die context moet de afwikkelingsraad toegang hebben tot informatie van statistische aard die de ECB in het kader van haar centralebankfunctie heeft verzameld, naast de informatie waarover de ECB als toezichthouder in het kader van Verordening (EU) nr. 1024/2013 beschikt. Uit hoofde van Verordening (EG) nr. 2533/98 van de Raad(19) moet de afwikkelingsraad de fysieke en logische bescherming van vertrouwelijke statistische gegevens verzekeren en moet hij toestemming aan de ECB te vragen voor de verdere overmaking die noodzakelijk kan zijn voor de uitvoering van de taken van de afwikkelingsraad. Aangezien informatie met betrekking tot het aantal klanten waarvoor een instelling of entiteit de enige of voornaamste bankpartner is, die wordt bijgehouden door de gecentraliseerde automatische mechanismen die zijn opgezet krachtens Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad(20), nodig kan zijn om de beoordeling van het algemeen belang uit te voeren, moet de afwikkelingsraad die informatie per geval kunnen ontvangen. Het precieze tijdstip van indirecte toegang tot informatie door de afwikkelingsraad moet ook worden gespecificeerd. Met name wanneer de relevante informatie beschikbaar is voor een instelling of autoriteit die verplicht is met de afwikkelingsraad samen te werken wanneer de afwikkelingsraad om informatie verzoekt, moet deze instelling of autoriteit die informatie aan de afwikkelingsraad verstrekken. Indien de informatie op dat moment niet beschikbaar is, ongeacht de reden voor deze onbeschikbaarheid, moet de afwikkelingsraad deze informatie kunnen verkrijgen van de natuurlijke of rechtspersoon die over deze informatie beschikt via de nationale afwikkelingsautoriteiten of rechtstreeks, na deze nationale afwikkelingsautoriteiten daarvan in kennis te hebben gesteld. De afwikkelingsraad moet ook kunnen bepalen volgens welke procedure en in welke vorm hij informatie van financiële entiteiten moet ontvangen om ervoor te zorgen dat die informatie het best aan zijn behoeften voldoet, met inbegrip van virtuele dataruimten. Om een zo breed mogelijke samenwerking te waarborgen met alle entiteiten die over gegevens kunnen beschikken die relevant zijn voor de afwikkelingsraad en die nodig zijn voor de uitvoering van de aan de afwikkelingsraad opgedragen taken, en om dubbele verzoeken aan instellingen en entiteiten te vermijden, moeten de openbare instellingen en autoriteiten waarmee de afwikkelingsraad moet kunnen samenwerken, de beschikbaarheid van informatie controleren en informatie uitwisselen, bovendien de leden van het Europees Stelsel van centrale banken, de betrokken depositogarantiestelsels, het Europees Comité voor systeemrisico’s, de Europese toezichthoudende autoriteiten en het Europees stabiliteitsmechanisme omvatten. Ten slotte moet de afwikkelingsraad, om te zorgen voor een tijdige interventie van financiële regelingen die voor het gemeenschappelijk afwikkelingsfonds zijn aangegaan in geval van nood, de Commissie en de ECB in kennis stellen zodra hij van oordeel is dat het nodig kan zijn dergelijke financiële regelingen te activeren, en de Commissie en de ECB alle informatie verstrekken die nodig is voor de uitvoering van hun taken met betrekking tot dergelijke financiële regelingen.
(33) Artikel 86, lid 1, van Richtlijn 2014/59/EU bepaalt dat normale insolventieprocedures met betrekking tot onder die richtlijn vallende instellingen en entiteiten slechts op initiatief van de afwikkelingsautoriteit worden ingeleid en dat een besluit tot plaatsing van een instelling of entiteit in een normale insolventieprocedure slechts met instemming van de afwikkelingsautoriteit wordt genomen. Die bepaling is niet terug te vinden in Verordening (EU) nr. 806/2014. In overeenstemming met de in Verordening (EU) nr. 806/2014 gespecificeerde taakverdeling moeten de nationale afwikkelingsautoriteiten de afwikkelingsraad raadplegen voordat zij overeenkomstig artikel 86, lid 1, van Richtlijn 2014/59/EU optreden voor instellingen en entiteiten die onder de rechtstreekse verantwoordelijkheid van de afwikkelingsraad vallen.
(34) De selectiecriteria voor de functie van vicevoorzitter van de afwikkelingsraad zijn dezelfde als die voor de selectie van de voorzitter en de andere voltijdse leden van de afwikkelingsraad. Het is derhalve passend ook aan de vicevoorzitter van de afwikkelingsraad dezelfde stemrechten toe te kennen als aan de voorzitter en de voltijdse leden van de afwikkelingsraad.
▌
(36) Om de afwikkelingsraad in staat te stellen het voorontwerp van begroting in zijn plenaire vergadering vooraf te beoordelen voordat de voorzitter het definitieve ontwerp indient, moet de termijn waarbinnen de voorzitter een eerste voorstel voor de jaarlijkse begroting van de afwikkelingsraad kan indienen, worden verlengd.
(37) Na de initiële opbouwperiode van het in artikel 69, lid 1, van Verordening (EU) nr. 806/2014 bedoelde gemeenschappelijk afwikkelingsfonds kunnen de beschikbare financiële middelen ervan geconfronteerd worden met lichte dalingen onder het streefniveau, met name als gevolg van een toename van de gedekte deposito’s. Het bedrag van de vooraf te betalen bijdragen dat in die omstandigheden waarschijnlijk zal worden opgevraagd, zal dus waarschijnlijk gering zijn. Het is dus mogelijk dat het bedrag van die vooraf te betalen bijdragen in sommige jaren niet meer in verhouding staat tot de kosten van de inning van die bijdragen. De afwikkelingsraad moet derhalve de inning van de vooraf te betalen bijdragen gedurende maximaal drie jaar kunnen uitstellen totdat het te innen bedrag een bedrag bereikt dat in verhouding staat tot de kosten van het inningsproces, mits een dergelijk uitstel de capaciteit van de afwikkelingsraad om het gemeenschappelijk afwikkelingsfonds te gebruiken, niet wezenlijk aantast.
(38) Onherroepelijke betalingsverplichtingen zijn een van de bestanddelen van de beschikbare financiële middelen van het gemeenschappelijk afwikkelingsfonds. Daarom moeten de omstandigheden waarin deze betalingsverplichtingen kunnen worden opgevraagd, en de toepasselijke procedure voor de beëindiging van de verplichtingen ingeval een instelling of entiteit niet langer onderworpen is aan de verplichting om bijdragen aan het gemeenschappelijk afwikkelingsfonds te betalen, worden gespecificeerd. Om meer transparantie en zekerheid te bieden met betrekking tot het aandeel van de onherroepelijke betalingsverplichtingen in het totale bedrag van de vooraf te betalen bijdragen, moet de afwikkelingsraad dit aandeel bovendien jaarlijks bepalen, met inachtneming van de toepasselijke limieten.
(39) Het maximale jaarlijkse bedrag aan buitengewone achteraf te betalen bijdragen aan het gemeenschappelijk afwikkelingsfonds is momenteel beperkt tot driemaal het bedrag van de vooraf te betalen bijdragen. Na de initiële opbouwperiode als bedoeld in artikel 69, lid 1, van Verordening (EU) nr. 806/2014 zullen dergelijke vooraf te betalen bijdragen, in andere omstandigheden dan het gebruik van het gemeenschappelijk afwikkelingsfonds, alleen afhangen van variaties in het niveau van de gedekte deposito’s en daarom waarschijnlijk klein worden. Het maximumbedrag van de buitengewone achteraf te betalen bijdragen baseren op vooraf te betalen bijdragen zou dan tot gevolg kunnen hebben dat de mogelijkheid voor het gemeenschappelijk afwikkelingsfonds om achteraf te betalen bijdragen te heffen, drastisch wordt beperkt, waardoor de slagvaardigheid van het Fonds wordt verminderd. Om een dergelijk resultaat te voorkomen, moet een andere limiet worden vastgesteld en moet het maximumbedrag aan op te vragen buitengewone achteraf te betalen bijdragen worden vastgesteld op driemaal een achtste van het streefniveau van het Fonds.
(40) Het gemeenschappelijk afwikkelingsfonds kan worden gebruikt ter ondersteuning van de toepassing van het instrument van verkoop van de onderneming of van het instrument van de overbruggingsinstelling, waarbij een reeks activa, rechten en passiva van de instelling in afwikkeling aan een ontvanger worden overgedragen. In dat geval kan de afwikkelingsraad een vordering hebben op de resterende instelling of entiteit bij de latere liquidatie ervan volgens een normale insolventieprocedure. Dat kan gebeuren wanneer het gemeenschappelijk afwikkelingsfonds wordt gebruikt in verband met verliezen die crediteuren anders zouden hebben gedragen, onder meer in de vorm van garanties voor activa en passiva, of dekking van het verschil tussen de overgedragen activa en passiva. Om ervoor te zorgen dat de aandeelhouders en crediteuren die in de resterende instelling of entiteit achterblijven, de verliezen van de instelling in afwikkeling daadwerkelijk opvangen en de mogelijkheid van terugbetalingen aan de afwikkelingsraad in geval van insolventie verbeteren, moeten de vorderingen van de afwikkelingsraad op de resterende instelling of entiteit, en vorderingen die voortvloeien uit redelijke uitgaven die de afwikkelingsraad naar behoren heeft gemaakt, bij insolventie dezelfde rangorde krijgen als de rangorde van de vorderingen van de nationale afwikkelingsfinancieringsregelingen in elke deelnemende lidstaat, die hoger moet zijn dan de rangorde van deposito’s en depositogarantiestelsels. Aangezien compensaties die aan aandeelhouders en crediteuren uit het gemeenschappelijk afwikkelingsfonds worden betaald wegens inbreuken op het beginsel dat geen enkele crediteur slechter mag zijn, bedoeld zijn om de resultaten van de afwikkelingsmaatregel te compenseren, mogen deze compensaties geen aanleiding geven tot vorderingen van de afwikkelingsraad.
(41) Aangezien sommige van de bepalingen van Verordening (EU) nr. 806/2014 betreffende de rol die depositogarantiestelsels bij afwikkeling kunnen spelen, vergelijkbaar zijn met die van Richtlijn 2014/59/EU, moeten de wijzigingen die in Richtlijn 2014/59/EU door [OP, gelieve het nummer van de richtlijn tot wijziging van Richtlijn 2014/59/EU in te vullen] in die bepalingen zijn aangebracht, worden weerspiegeld in Verordening (EU) nr. 806/2014.
(42) Transparantie is essentieel om de marktintegriteit, de marktdiscipline en de bescherming van de beleggers te waarborgen. Om ervoor te zorgen dat de afwikkelingsraad inspanningen voor meer transparantie kan bevorderen en eraan kan deelnemen, moet de afwikkelingsraad informatie die voortvloeit uit zijn eigen analyses, beoordelingen en vaststellingen, met inbegrip van zijn afwikkelbaarheidsbeoordelingen, openbaar kunnen maken wanneer die openbaarmaking de bescherming van het algemeen belang op het gebied van financieel, monetair of economisch beleid niet ondermijnt en wanneer een hoger algemeen belang openbaarmaking gebiedt.
(43) Daarom moet Verordening (EU) nr. 806/2014 worden gewijzigd.
(44) Met het oog op de samenhang moeten de wijzigingen van Verordening (EU) nr. 806/2014 die vergelijkbaar zijn met de wijzigingen van Richtlijn 2014/59/EU door ... [OP, gelieve het nummer van de richtlijn tot wijziging van Richtlijn 2014/59/EU in te voegen] worden toegepast vanaf dezelfde datum als de datum voor de omzetting van ... [OP, gelieve het nummer van de richtlijn tot wijziging van Richtlijn 2014/59/EU in te voegen], namelijk ... [OP, gelieve de datum in te voegen = 18 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze wijzigingsverordening]. Er is echter geen reden om de toepassing van de wijzigingen van Verordening (EU) nr. 806/2014 die uitsluitend betrekking hebben op de werking van het gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme uit te stellen. Deze wijzigingen moeten derhalve van toepassing zijn met ingang van ... [OP, gelieve de datum in te voegen = 1 maand na de datum van inwerkingtreding van deze wijzigingsverordening].
(45) Aangezien de doelstellingen van deze verordening, namelijk het verbeteren van de effectiviteit en efficiëntie van het herstel- en afwikkelingskader voor instellingen en entiteiten, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt vanwege de risico’s die uiteenlopende nationale benaderingen voor de integriteit van de interne markt met zich mee kunnen brengen, maar veeleer door het wijzigen van regels die reeds op Unieniveau zijn vastgesteld, beter op Unieniveau kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel maatregelen vaststellen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken,
HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Wijzigingen in Verordening (EU) nr. 806/2014
Verordening (EU) nr. 806/2014 wordt als volgt gewijzigd:
1) artikel 3, lid 1, wordt als volgt gewijzigd:
a) punt 24 bis wordt vervangen door:"
“24 bis. “af te wikkelen entiteit”: een in een deelnemende lidstaat gevestigde rechtspersoon die overeenkomstig artikel 8 van deze verordening door de afwikkelingsraad of de nationale afwikkelingsautoriteit is aangemerkt als een entiteit waarvoor het afwikkelingsplan in een afwikkelingsmaatregel voorziet;”;
"
b) de volgende punten 24 quinquies en 24 sexies worden ingevoegd:"
“24 quinquies. “niet-EU mondiaal systeemrelevante instelling” of “niet-EU-MSI”: een niet-EU-MSI in de zin van artikel 4, lid 1, punt 134, van Verordening (EU) nr. 575/2013;
24 sexies.
“MSI-entiteit”: een entiteit uit de financiële sector in de zin van artikel 4, lid 1, punt 136, van Verordening (EU) nr. 575/2013;’;
"
c) punt 49 wordt vervangen door:"
“49. “bail-inbare passiva”: de passiva, met inbegrip van de passiva die aanleiding geven tot boekhoudkundige voorzieningen, en kapitaalinstrumenten die niet in aanmerking komen als tier 1-kernkapitaalinstrumenten, aanvullende tier 1-instrumenten of tier 2-instrumenten van een entiteit als bedoeld in artikel 2 die niet van het toepassingsgebied van het instrument van bail-in zijn uitgesloten op grond van artikel 27, lid 3;”;
"
2) In artikel 4 wordt het volgende lid 1 bis ingevoegd:"
“1 bis. De lidstaten stellen de afwikkelingsraad zo spoedig mogelijk in kennis van hun verzoek om een nauwe samenwerking met de ECB aan te gaan overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EU) nr. 1024/2013.
Na de kennisgeving op grond van artikel 7 van Verordening (EU) nr. 1024/2013 en voordat een nauwe samenwerking tot stand komt, verstrekken de lidstaten alle informatie over de op hun grondgebied gevestigde entiteiten en groepen die de afwikkelingsraad nodig kan hebben om de hem bij deze verordening en de overeenkomst opgedragen taken voor te bereiden.”;
"
3) Artikel 7 wordt als volgt gewijzigd:
a) in lid 3, vierde alinea, wordt de eerste zin vervangen door:"
“De nationale afwikkelingsautoriteiten passen bij het verrichten van de in dit lid bedoelde taken de desbetreffende bepalingen van deze verordening toe. Alle verwijzingen naar de afwikkelingsraad in artikel 5, lid 2, artikel 6, lid 5, artikel 8, leden 6, 8, 12 en 13, artikel 10, leden 1 tot en met 10, artikel 10 bis, de artikelen 11 tot en met 14, artikel 15, leden 1, 2 en 3, artikel 16, artikel 18, leden 1, 1 bis, 2 en 6, artikel 20, artikel 21, leden 1 tot en met 7, artikel 21, lid 8, tweede alinea, artikel 21, leden 9 en 10, artikel 22, leden 1, 3 en 6, de artikelen 23 en 24, artikel 25, lid 3, artikel 27, leden 1 tot en met 15, artikel 27, lid 16, tweede alinea, tweede zin, derde alinea, en vierde alinea, eerste, derde en vierde zin, en artikel 32 worden gelezen als verwijzingen naar de nationale afwikkelingsautoriteiten met betrekking tot de in de eerste alinea van dit lid bedoelde groepen en entiteiten.”;
"
b) lid 5 wordt als volgt gewijzigd:
i) de woorden “artikel 12, lid 2” worden vervangen door “artikel 12, lid 3”;
ii) de volgende alinea wordt toegevoegd:"
“Nadat de in de eerste alinea bedoelde kennisgeving van kracht is geworden, kunnen de deelnemende lidstaten besluiten dat de verantwoordelijkheid voor het uitvoeren van de taken met betrekking tot andere op hun grondgebied gevestigde entiteiten en groepen dan die bedoeld in lid 2, wordt teruggegeven aan de nationale afwikkelingsautoriteiten, in welk geval de eerste alinea niet langer van toepassing is. Lidstaten die voornemens zijn van die mogelijkheid gebruik te maken, stellen de afwikkelingsraad en de Commissie daarvan in kennis. De kennisgeving wordt van kracht op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.”;
"
4) Artikel 8 wordt als volgt gewijzigd:
a) in lid 2 wordt de volgende alinea toegevoegd:"
“De afwikkelingsraad kan de nationale afwikkelingsautoriteiten opdragen de in artikel 10, lid 8, van Richtlijn 2014/59/EU bedoelde bevoegdheden uit te oefenen. De nationale afwikkelingsautoriteiten voeren de instructies van de afwikkelingsraad uit in overeenstemming met artikel 29 van deze verordening.”;
"
a bis) in lid 9 wordt de eerste alinea als volgt gewijzigd:
i) het volgende punt wordt ingevoegd:"
“a bis) in voorkomend geval een gedetailleerde beschrijving van de redenen waarom is vastgesteld dat een instelling als liquidatie-entiteit moet worden aangemerkt, met een toelichting bij de wijze waarop de afwikkelingsautoriteit tot de slotsom is gekomen dat de instelling kritieke functies ontbeert;”;
"
ii) het volgende punt wordt ingevoegd:"
“j bis) een beschrijving van de wijze waarop de verschillende afwikkelingsstrategieën de in artikel 14 vastgelegde afwikkelingsdoelstellingen het best zouden verwezenlijken;”;
"
iii) het volgende punt wordt ingevoegd:"
“p bis) een gedetailleerde en gekwantificeerde lijst van gedekte deposito’s en in aanmerking komende deposito’s van natuurlijke personen en micro-, kleine en middelgrote ondernemingen;”;
"
b) in lid 10 worden de volgende alinea’s toegevoegd:"
“De vaststelling van de maatregelen die moeten worden genomen ten aanzien van de in de eerste alinea, punt b), bedoelde dochterondernemingen die geen af te wikkelen entiteiten zijn, kan, na overleg met de relevante nationale afwikkelingsautoriteit, door de afwikkelingsraad aan een vereenvoudigde aanpak worden onderworpen indien een dergelijke aanpak de afwikkelbaarheid van de groep niet negatief zou beïnvloeden, rekening houdend met de omvang van de dochteronderneming, haar risicoprofiel, het ontbreken van kritieke functies en de afwikkelingsstrategie van de groep.
In het groepsafwikkelingsplan wordt vastgesteld of andere entiteiten binnen een af te wikkelen groep dan de af te wikkelen entiteit, als liquidatie-entiteiten worden aangemerkt. Onverminderd andere factoren die de afwikkelingsraad mogelijk relevant acht, worden entiteiten die kritieke functies leveren niet als liquidatie-entiteiten aangemerkt.”;
"
b bis) in lid 11 wordt het volgende punt ingevoegd:"
“-a bis) bevat een gedetailleerde beschrijving van de redenen waarom is vastgesteld dat een groepsentiteit als liquidatie-entiteit moet worden aangemerkt, met een toelichting bij de wijze waarop de afwikkelingsautoriteit tot de slotsom is gekomen dat de instelling kritieke functies ontbeert, en de wijze waarop de verhouding tussen het totaal van haar risicoposten en bedrijfsresultaat en het totaal van de risicoposten en het bedrijfsresultaat van de groep, alsmede de hefboomratio van de groepsentiteit in de context van de groep in aanmerking zijn genomen;”;
"
c) het volgende lid 14 wordt toegevoegd:"
“14. De afwikkelingsraad stelt geen afwikkelingsplannen vast voor de in lid 1 bedoelde entiteiten en groepen wanneer artikel 22, lid 5, van toepassing is of wanneer insolventieprocedures zijn gestart ten aanzien van de entiteit of groep ▌overeenkomstig het toepasselijke nationale recht overeenkomstig artikel 32 ter van Richtlijn 2014/59/EU.”;
"
5) Artikel 10 wordt als volgt gewijzigd:
a) in lid 4, vierde alinea, worden de woorden “eerste alinea” vervangen door de woorden “derde alinea”;
b) in alinea 7 worden de woorden “dat tot de instelling of de moederonderneming is gericht” vervangen door de woorden “dat tot de entiteit of de moederonderneming is gericht” en worden de woorden “effect op het bedrijfsmodel van de instelling” vervangen door de woorden “effect op het bedrijfsmodel van de entiteit of de groep”;
c) lid 10 wordt als volgt gewijzigd:
i) in de tweede alinea wordt het woord “instelling” vervangen door de woorden “betrokken entiteit”;
ii) in de derde alinea wordt het woord “instelling” vervangen door het woord “entiteit”;
iii) de volgende alinea wordt toegevoegd:"
“Indien de door de betrokken entiteit voorgestelde maatregelen de belemmeringen voor de afwikkelbaarheid daadwerkelijk verminderen of wegnemen, neemt de afwikkelingsraad een besluit, na raadpleging van de ECB of de betrokken nationale bevoegde autoriteit en, in voorkomend geval, de aangewezen macroprudentiële autoriteit. In dat besluit wordt aangegeven dat de voorgestelde maatregelen de belemmeringen voor de afwikkelbaarheid daadwerkelijk verminderen of wegnemen en worden de nationale afwikkelingsautoriteiten opgedragen de instelling, de moederonderneming of een dochteronderneming van de betrokken groep te verplichten de voorgestelde maatregelen uit te voeren.”;
"
d) het volgende lid wordt toegevoegd:"
“13 bis. De afwikkelingsautoriteit publiceert aan het einde van elke afwikkelingsplanningscyclus een geanonimiseerde lijst die in geaggregeerde vorm alle vastgestelde wezenlijke belemmeringen voor de afwikkelbaarheid en relevante maatregelen om deze aan te pakken, bevat. De bepalingen inzake het beroepsgeheim van artikel 88 zijn van toepassing.”;
"
6) Artikel 10 bis wordt als volgt gewijzigd:
a) in lid 1 wordt de aanhef vervangen door:"
“1. Indien een entiteit zich in een situatie bevindt waarin zij voldoet aan het gecombineerde buffervereiste, wanneer dit vereiste in beschouwing wordt genomen naast elk van de vereisten, bedoeld in artikel 141 bis, lid 1, punten a), b) en c), van Richtlijn 2013/36/EU, maar niet aan het gecombineerde buffervereiste voldoet wanneer het in beschouwing wordt genomen naast de vereisten bedoeld in de artikelen 12 quinquies en 12 sexies van deze verordening, als berekend overeenkomstig artikel 12 bis, lid 2, punt a), van deze verordening, heeft de afwikkelingsraad de bevoegdheid, overeenkomstig de leden 2 en 3 van dit artikel, de nationale afwikkelingsautoriteit op te dragen een entiteit te verbieden uitkeringen voor een bedrag dat hoger is dan het maximaal uitkeerbare bedrag voor het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva (“M-MDA”), berekend overeenkomstig lid 4 van dit artikel, te verrichten door het stellen van een van de volgende handelingen:”;
"
b) het volgende lid 7 wordt toegevoegd:"
“7. Wanneer een entiteit niet op dezelfde basis aan het gecombineerde buffervereiste is onderworpen als de basis waarop zij aan de in de artikelen 12 quinquies en 12 sexies bedoelde vereisten moet voldoen, past de afwikkelingsraad de leden 1 tot en met 6 van dit artikel toe op basis van de raming van het gecombineerde buffervereiste overeenkomstig Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/1118* van de Commissie. Artikel 128, vierde lid, van Richtlijn 2013/36/EU is van toepassing.
De afwikkelingsraad neemt het in de eerste alinea bedoelde geraamde gecombineerde buffervereiste op in het besluit tot vaststelling van de in de artikelen 12 quinquies en 12 sexies van deze verordening bedoelde vereisten. De entiteit maakt het geraamde gecombineerde buffervereiste samen met de in artikel 45 decies, lid 3, van Richtlijn 2014/59/EU bedoelde informatie openbaar.
______________________________
* Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/1118 van de Commissie van 26 maart 2021 tot aanvulling van Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van de door afwikkelingsautoriteiten te gebruiken methode voor het ramen van het in artikel 104 bis van Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad bedoelde vereiste en het gecombineerde buffervereiste voor af te wikkelen entiteiten op het geconsolideerde niveau van de af te wikkelen groep, ingeval de af te wikkelen groep niet onderworpen is aan die vereisten uit hoofde van die richtlijn (PB L 241 van 8.7.2021, blz. 1).”;
"
7) aan artikel 12 wordt het volgende lid 8 toegevoegd:"
“8. De afwikkelingsraad is verantwoordelijk voor het verlenen van de in artikel 77, lid 2, en artikel 78 bis van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde toestemmingen aan de in lid 1 van dit artikel bedoelde entiteiten. De afwikkelingsraad richt zijn besluit tot de betrokken entiteit.”;
"
8) in artikel 12 bis wordt lid 1 vervangen door:"
“1. De afwikkelingsraad en de nationale afwikkelingsautoriteiten zorgen ervoor dat de in artikel 12, leden 1 en 3, bedoelde entiteiten te allen tijde voldoen aan de vereisten voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva indien voorgeschreven en zoals bepaald door de afwikkelingsraad overeenkomstig dit artikel en de artikelen 12 ter tot en met 12 decies.”;
"
9) artikel 12 quater wordt als volgt gewijzigd:
a) in de leden 4 en 5 wordt het woord “MSI’s” vervangen door de woorden “MSI-entiteiten”;
b) in de aanhef van lid 7 worden de woorden “lid 3” vervangen door de woorden “lid 4”, en wordt het woord “MSI’s” vervangen door de woorden “MSI-entiteiten”;
c) lid 8 wordt als volgt gewijzigd:
i) in de eerste alinea wordt het woord “MSI’s” vervangen door de woorden “MSI-entiteiten”;
ii) in de tweede alinea, punt c), wordt het woord “MSI” vervangen door de woorden “MSI-entiteit”;
d) het volgende lid 10 wordt toegevoegd:"
“10. De afwikkelingsraad kan af te wikkelen entiteiten toestaan aan de in de leden 4, 5 en 7 bedoelde vereisten te voldoen met gebruikmaking van eigen vermogen of passiva als bedoeld in de leden 1 en 3 wanneer aan alle onderstaande voorwaarden is voldaan:
a)
voor entiteiten die MSI-entiteiten zijn of af te wikkelen entiteiten waarop artikel 12 quinquies, lid 4 of 5, van toepassing is, heeft de afwikkelingsraad het in lid 4 van dit artikel bedoelde vereiste niet overeenkomstig de eerste alinea van dat lid verlaagd;
b)
de in lid 1 van dit artikel bedoelde passiva die niet voldoen aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 72 ter, lid 2, punt d), van Verordening (EU) nr. 575/2013, voldoen aan de voorwaarden van artikel 72 ter, lid 4, punten b) tot en met e), van die verordening.”;
"
10) in artikel 12 quinquies, lid 3, achtste alinea, en lid 6, achtste alinea, worden de woorden “kritieke economische functies” vervangen door de woorden “kritieke functies”;
11) het volgende artikel 12 quinquies bis wordt ingevoegd:"
“Artikel 12 quinquies bis
Vaststelling van het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva voor overdrachtsstrategieën▌
1. Bij de toepassing van artikel 12 quinquies op een af te wikkelen entiteit waarvan de voorkeursafwikkelingsstrategie, hetzij afzonderlijk, hetzij in combinatie met andere afwikkelingsinstrumenten, ▌voorziet in het gebruik van het instrument van verkoop van de onderneming of het instrument van de overbruggingsinstelling ▌, stelt de afwikkelingsraad het in artikel 12 quinquies, lid 3, bedoelde herkapitalisatiebedrag op evenredige wijze vast op basis van de volgende criteria, al naargelang het geval:
a)
de omvang, het bedrijfsmodel, het financieringsmodel en het risicoprofiel van de afwikkelingsentiteit of, voor zover relevant, de omvang van het deel van de afwikkelingsentiteit dat aan het instrument van verkoop van de onderneming of het instrument van de overbruggingsinstelling is onderworpen;
b)
de aandelen, andere eigendomsinstrumenten, activa, rechten of passiva die moeten worden overgedragen aan een ontvanger zoals aangegeven in het afwikkelingsplan, rekening houdend met:
i)
de kernactiviteiten en kritieke functies van de af te wikkelen entiteit;
ii)
de van bail-in uitgesloten passiva overeenkomstig artikel 27, lid 3;
iii)
de waarborgen in de zin van artikelen 73 tot en met 80 van Richtlijn 2014/59/EU;
iii bis)
de verwachte eigenvermogensvereisten voor overbruggingsinstellingen die nodig kunnen zijn om het verlaten van de markt van de afwikkelingsentiteit uit te voeren, om ervoor te zorgen dat de overbruggingsinstelling voldoet aan Verordening (EU) nr. 575/2013, Richtlijn 2013/36/EU en Richtlijn 2014/65/EU, naargelang het geval;
iii ter)
het verwachte verzoek van de ontvanger om de transactie kapitaalneutraal te houden met betrekking tot de vereisten die van toepassing zijn op de verwervende entiteit;
c)
de verwachte waarde en verhandelbaarheid van de in punt b) bedoelde aandelen, andere eigendomsinstrumenten, activa, rechten of passiva van de afwikkelingsentiteit, rekening houdend met:
i)
alle door de afwikkelingsautoriteit vastgestelde materiële belemmeringen voor de afwikkelbaarheid die ▌verband houden met de toepassing van het instrument van verkoop van de onderneming of het instrument van de overbruggingsinstelling;
ii)
de verliezen die voortvloeien uit de activa, rechten of passiva die in de resterende instelling zijn achtergebleven;
ii bis)
potentieel ongunstige marktomstandigheden ten tijde van de afwikkeling;
d)
of de voorkeursafwikkelingsstrategie voorziet in de overdracht van door de af te wikkelen entiteit uitgegeven aandelen of andere eigendomsinstrumenten, dan wel van alle of een deel van de activa, rechten en passiva van de af te wikkelen entiteit;
e)
of de voorkeursafwikkelingsstrategie voorziet in de toepassing van het instrument van afsplitsing van activa.
▌
3. De toepassing van lid 1 mag niet leiden tot een bedrag dat hoger is dan het bedrag dat voortvloeit uit de toepassing van artikel 12 quinquies, lid 3, of tot een bedrag dat lager is dan 13,5 % van het totaal van de risicoposten, berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013, en lager is dan 5 % van de totale blootstellingsmaatstaf van de in lid 1 van dit artikel bedoelde betrokken entiteit, berekend overeenkomstig de artikelen 429 en 429 bis van Verordening (EU) nr. 575/2013.”;
"
12) in artikel 12 sexies, lid 1, worden de woorden “MSI of deel van een MSI” vervangen door de woorden “MSI-entiteit”;
13) artikel 27 octies wordt als volgt gewijzigd:
a) lid 1 wordt als volgt gewijzigd:
i) de tweede alinea wordt vervangen door:"
“De afwikkelingsraad kan na raadpleging van de bevoegde autoriteiten, met inbegrip van de ECB, besluiten om het in dit artikel neergelegde vereiste toe te passen op een in artikel 2, punt b), bedoelde entiteit en op een in artikel 2, punt c), bedoelde instelling die een dochteronderneming van een af te wikkelen entiteit is, maar zelf geen af te wikkelen entiteit is.”;
"
ii) in de derde alinea worden de woorden “eerste alinea” vervangen door de woorden “eerste en tweede alinea”;
b) het volgende lid 4 wordt toegevoegd:"
“4. Wanneer in de Unie gevestigde dochterondernemingen, of een moederonderneming in de Unie en haar dochterinstellingen, overeenkomstig de algemene afwikkelingsstrategie geen af te wikkelen entiteiten zijn en de leden van het Europees afwikkelingscollege, wanneer dat overeenkomstig artikel 89 van Richtlijn 2014/59/EU is opgericht, met die strategie instemmen, voldoen in de Unie gevestigde dochterondernemingen of, op geconsolideerde basis, de moederonderneming in de Unie aan het vereiste van artikel 12 bis, lid 1, door de in lid 2, punten a) en b), van dit artikel bedoelde instrumenten te verstrekken aan een van de volgende entiteiten:
a)
hun uiteindelijke moederonderneming die in een derde land is gevestigd;
b)
de dochterondernemingen van die uiteindelijke moederonderneming die in hetzelfde derde land zijn gevestigd;
c)
andere entiteiten onder de voorwaarden van lid 2, punt a), i) en punt b), ii), van dit artikel.”;
"
14) artikel 12 duodecies wordt als volgt gewijzigd:
a) ▌het volgende lid▌ wordt ▌ingevoegd:"
“1 bis. In afwijking van artikel 12 bis, lid 1, bepaalt de afwikkelingsraad passende overgangsperioden voor entiteiten om te voldoen aan de vereisten in artikel 12 septies of artikel 12 octies, of aan de vereisten die voortvloeien uit de toepassing van artikel 12 quater, lid 4, 5 of 7, naargelang het geval, indien instellingen of entiteiten onder die vereisten vallen na de inwerkingtreding van deze wijzigingsverordening. Entiteiten voldoen uiterlijk op ... [vier jaar na de datum van toepassing van deze wijzigingsverordening] aan de vereisten in artikel 12 septies of artikel 12 octies, of aan de vereisten die voortvloeien uit de toepassing van artikel 12 quater, lid 4, 5 of 7.
De afwikkelingsraad bepaalt tussentijdse streefniveaus voor de vereisten in artikel 12 septies of artikel 12 octies, of voor de vereisten die voortvloeien uit de toepassing van artikel 12 quater, lid 4, 5 of 7, naargelang het geval, waaraan entiteiten als bedoeld in de eerste alinea van dit lid op ... [twee jaar na de datum van toepassing van deze wijzigingsverordening] moeten voldoen. Het tussentijdse streefniveau zorgt in de regel voor een lineaire opbouw van eigen vermogen en in aanmerking komende passiva en richting het vereiste.
De afwikkelingsraad kan, indien naar behoren gerechtvaardigd en passend op basis van de in lid 7 bedoelde criteria, voorzien in een overgangsperiode die na ... [vier jaar na de datum van toepassing van deze wijzigingsverordening] verstrijkt, waarbij rekening wordt gehouden met het volgende:
a)
de ontwikkeling van de financiële situatie van de entiteit;
b)
de verwachting dat de entiteit in staat zal zijn om binnen een redelijk tijdbestek de naleving te waarborgen van de vereisten van artikel 12 septies of artikel 12 octies, dan wel van een vereiste die voortvloeit uit van de toepassing van artikel 12 quater, lid 4, 5 of 7; en
c)
of de entiteit in staat is passiva te vervangen die niet langer voldoen aan de criteria om in aanmerking te komen of de criteria inzake looptijd, en indien niet, de vraag of dat onvermogen eigen is aan de entiteit of te wijten is aan marktbrede verstoring.”;
"
b) in lid 3, punt a), worden de woorden “de afwikkelingsraad of de nationale afwikkelingsautoriteit” vervangen door de woorden “de afwikkelingsraad”;
c) in lid 4 worden de woorden “MSI” vervangen door de woorden “MSI of een niet-EU-MSI”;
d) in de leden 5 en 6 worden de woorden “de afwikkelingsraad en de nationale afwikkelingsautoriteiten” vervangen door de woorden “de afwikkelingsraad”;
15) artikel 13 wordt vervangen door:"
“Artikel 13
Vroegtijdige-interventiemaatregelen
1. De ECB beraadt zich zonder onnodige vertraging en past in voorkomend geval vroegtijdige-interventiemaatregelen toe indien een entiteit als bedoeld in artikel 7, lid 2, punt a), aan een van de volgende voorwaarden voldoet:
a)
de entiteit voldoet aan de voorwaarden als bedoeld in artikel 102 van Richtlijn 2013/36/EU of in artikel 16, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1024/2013 en een van de volgende elementen is van toepassing:
i)
de entiteit heeft niet de door de ECB vereiste corrigerende maatregelen genomen, waaronder de maatregelen bedoeld in artikel 104 van Richtlijn 2013/36/EU, artikel 16, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1024/2013 of artikel 49 van Richtlijn (EU) 2019/2034;
ii)
de ECB oordeelt dat andere corrigerende maatregelen dan vroegtijdige-interventiemaatregelen onvoldoende zijn om de problemen aan te pakken▌;
b)
de entiteit schendt in de twaalf maanden na de beoordeling van de ECB de vereisten die zijn vastgelegd in titel II van Richtlijn 2014/65/EU, in de artikelen 3 tot en met 7, 14 tot en met 17, of 24, 25 en 26 van Verordening (EU) nr. 600/2014, of in de artikelen 12 septies of 12 octies van deze verordening, of zal deze waarschijnlijk schenden.
Indien sprake is van een aanzienlijke verslechtering van de situatie of ongunstige omstandigheden ontstaan, of indien nieuwe informatie over een entiteit wordt verkregen, kan de ECB bepalen dat aan de in de eerste alinea, punt a), ii), bedoelde voorwaarde is voldaan zonder eerder andere corrigerende maatregelen te hebben genomen, waaronder de uitoefening van de bevoegdheden bedoeld in artikel 104 van Richtlijn 2013/36/EU of in artikel 16, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1024/2013.
Voor de toepassing van de eerste alinea, punt b), stelt de ECB, of, al naargelang het geval, de bevoegde autoriteit krachtens Richtlijn 2014/65/EU, of de afwikkelingsraad de nationale bevoegde autoriteit onverwijld in kennis van de inbreuk of waarschijnlijke inbreuk.
2. Voor de toepassing van lid 1 omvatten de vroegtijdige-interventiemaatregelen het volgende:
a)
het vereiste dat het leidinggevend orgaan van de entiteit een van de volgende handelingen verricht:
i)
een of meer regelingen of maatregelen van het herstelplan uitvoeren;
ii)
het herstelplan overeenkomstig artikel 5, lid 2, van Richtlijn 2014/59/EU bijwerken wanneer de omstandigheden die tot de vroegtijdige interventie hebben geleid, verschillen van de aannamen in het oorspronkelijke herstelplan en binnen een specifieke termijn een of meer van de in het bijgewerkte herstelplan opgenomen regelingen of maatregelen uitvoeren;
b)
het vereiste dat het leidinggevend orgaan van de entiteit een vergadering van aandeelhouders van de entiteit bijeenroept, of, indien het leidinggevend orgaan niet aan dat vereiste voldoet, zelf rechtstreeks een aandeelhoudersvergadering bijeenroepen, en in beide gevallen de agenda vaststellen en verlangen dat bepaalde besluiten ter aanneming door de aandeelhouders worden voorgelegd;
c)
het vereiste dat het leidinggevend orgaan van de entiteit een actieplan opstelt, in voorkomend geval in overeenstemming met het herstelplan, voor onderhandelingen over de herstructurering van de schuld met sommige of al haar crediteuren;
d)
het vereiste om de juridische structuur van de instelling te wijzigen;
e)
het vereiste om het hoger management of het leidinggevend orgaan van de entiteit in zijn geheel of met betrekking tot individuele personen te ontslaan of te vervangen, overeenkomstig artikel 13 bis;
f)
de benoeming van een of meer tijdelijke bewindvoerders van de entiteit, overeenkomstig artikel 13 ter;
f bis)
het vereiste dat het leidinggevend orgaan van de entiteit een plan opstelt dat de entiteit kan uitvoeren wanneer de relevante rechtspersoon besluit de vrijwillige liquidatie van de entiteit in gang te zetten.
3. De ECB kiest de passende en tijdige vroegtijdige-interventiemaatregelen op basis van wat evenredig is met de nagestreefde doelstellingen, gelet op de ernst van de inbreuk of waarschijnlijke inbreuk en de snelheid van de verslechtering van de financiële situatie van de entiteit, naast andere relevante informatie.
4. Voor elk van de in lid 2 genoemde maatregelen stelt de ECB een termijn vast die passend is voor de voltooiing van die maatregel en die de ECB in staat stelt de doeltreffendheid ervan te beoordelen.
De evaluatie van de maatregel wordt uitgevoerd onmiddellijk nadat de termijn is verstreken en worden gedeeld met de afwikkelingsraad en de betrokken nationale afwikkelingsautoriteiten. Wanneer op basis van de evaluatie wordt geconcludeerd dat de maatregelen niet volledig zijn uitgevoerd of niet doeltreffend zijn, verricht de ECB of de betrokken nationale bevoegde autoriteit een beoordeling van de in artikel 18, lid 1, punt a), bedoelde situatie, na de afwikkelingsraad en de betrokken nationale afwikkelingsautoriteit te hebben geraadpleegd.
5. Wanneer een groep entiteiten omvat die in deelnemende lidstaten en in niet-deelnemende lidstaten zijn gevestigd, vertegenwoordigt de ECB de nationale bevoegde autoriteiten van de deelnemende lidstaten, met het oog op de raadpleging van en samenwerking met de niet-deelnemende lidstaten overeenkomstig artikel 30 van Richtlijn 2014/59/EU.
Indien een groep entiteiten omvat die in deelnemende lidstaten zijn gevestigd en dochterondernemingen opgericht in, of significante bijkantoren gelegen in niet-deelnemende lidstaten, deelt de ECB eventuele voor de groep relevante besluiten of maatregelen als bedoeld in de artikelen 13 tot en met 13 quater tijdig mee aan de bevoegde autoriteiten en de afwikkelingsautoriteiten van de niet-deelnemende lidstaat, naar gelang van het geval.”;
"
16) de volgende artikelen 13 bis, 13 ter en 13 quater worden ingevoegd:"
“Artikel 13 bis
Vervanging van het hoger management of het leidinggevend orgaan
Voor de toepassing van artikel 13, lid 2, punt e), wordt het hoger management of het nieuwe leidinggevend orgaan, of individuele leden van die organen, benoemd overeenkomstig de wetgeving van de Unie en de nationale wetgeving en onderworpen aan de goedkeuring van de ECB.
Artikel 13 ter
Tijdelijk bewindvoerder
1. Voor de toepassing van artikel 13, lid 2, punt f), kan de ECB, op basis van wat onder de omstandigheden evenredig is, een tijdelijke bewindvoerder aanstellen om een van de volgende zaken te doen:
a)
tijdelijk het leidinggevend orgaan van de entiteit vervangen;
b)
tijdelijk samenwerken met het leidinggevend orgaan van de entiteit.
De ECB specificeert haar keuze onder de punten a) of b) bij de benoeming van de tijdelijke bewindvoerder.
Voor de toepassing van de eerste alinea, punt b), specificeert de ECB voorts op het tijdstip van de benoeming van de tijdelijke bewindvoerder de rol, taken en bevoegdheden van die tijdelijke bewindvoerder en eventuele vereisten voor het leidinggevend orgaan van de entiteit om de tijdelijke bewindvoerder te raadplegen of de goedkeuring van de tijdelijke bewindvoerder te verkrijgen alvorens bepaalde besluiten of maatregelen te nemen.
De ECB maakt de aanstelling van een tijdelijk bewindvoerder openbaar, tenzij de tijdelijk bewindvoerder geen bevoegdheid heeft om de entiteit te vertegenwoordigen of namens haar besluiten te nemen.
Elke tijdelijke bewindvoerder voldoet aan de vereisten van artikel 91, leden 1, 2 en 8, van Richtlijn 2013/36/EU. De beoordeling door de ECB of de tijdelijke bewindvoerder aan die vereisten voldoet, maakt integraal deel uit van het besluit tot benoeming van die tijdelijke bewindvoerder.
2. Welke bevoegdheden de tijdelijk bewindvoerder heeft, wordt bij zijn of haar aanstelling door de ECB naargelang van de omstandigheden bepaald. Deze bevoegdheden kunnen sommige of alle bevoegdheden omvatten die het leidinggevend orgaan van de entiteit krachtens de statuten van de entiteit en het nationale recht heeft, met inbegrip van de bevoegdheid om sommige of alle bestuurlijke taken van het bestuur van de entiteit uit te oefenen. De bevoegdheden van de tijdelijk bewindvoerder met betrekking tot de entiteit moeten voldoen aan het toepasselijke vennootschapsrecht. De ECB kan die bevoegdheden aanpassen ingeval de omstandigheden veranderen.
3. De ECB bakent bij de aanstelling van de tijdelijk bewindvoerder diens rol en taken af. Deze rol en taken kunnen het volgende omvatten:
a)
het onderzoeken van de economische toestand van de schuldenaar;
b)
het beheer van de onderneming of een deel van de onderneming van de entiteit om haar financiële positie in stand te houden of te herstellen;
c)
het nemen van maatregelen om de gezonde en prudente bedrijfsvoering van de entiteit te herstellen.
De ECB bakent bij de aanstelling van de tijdelijk bewindvoerder de grenzen van diens rol en taken af.
4. De ECB heeft de exclusieve bevoegdheid om de tijdelijk bewindvoerder aan te stellen en van zijn functie te ontheffen. De ECB kan de tijdelijk bewindvoerder te allen tijde om welke reden dan ook van zijn functie ontheffen. De ECB kan de aanstellingsvoorwaarden voor een tijdelijk bewindvoerder te allen tijde wijzigen, met inachtneming van dit artikel.
5. De ECB kan eisen dat voor bepaalde handelingen van een tijdelijk bewindvoerder de voorafgaande goedkeuring van de ECB is vereist. Deze vereisten worden door de ECB bij de aanstelling van de tijdelijk bewindvoerder, of bij een eventuele wijziging van de voorwaarden voor diens aanstelling nader omschreven.
Hoe dan ook mag de tijdelijk bewindvoerder de bevoegdheid om de algemene aandeelhoudersvergadering van de entiteit bijeen te roepen en de agenda van die vergadering vast te stellen alleen uitoefenen na voorafgaande toestemming van de ECB.
6. Op verzoek van de ECB stelt de tijdelijke bewindvoerder met door de ECB vastgestelde tussenpozen, na het verstrijken van de eerste zes maanden ten minste eenmaal, en in elk geval aan het einde van zijn mandaat verslagen op over de financiële positie van de entiteit en over de handelingen die hij gedurende zijn mandaat heeft verricht.
7. De tijdelijke bewindvoerder wordt benoemd voor ten hoogste één jaar. Deze periode kan in uitzonderlijke situaties eenmaal worden verlengd indien de voorwaarden voor het aanstellen van de tijdelijk bewindvoerder nog steeds gelden. De ECB bepaalt deze voorwaarden en verantwoordt elke verlenging van de benoeming van de tijdelijke bewindvoerder aan de aandeelhouders.
8. De aanstelling van een tijdelijk bewindvoerder laat, onder voorbehoud van dit artikel, de rechten van de aandeelhouders zoals vastgesteld in het vennootschapsrecht van de Unie of van de betreffende lidstaat onverlet.
9. De krachtens de leden 1 tot en met 8 van dit artikel aangestelde tijdelijk bewindvoerder wordt niet geacht een schaduwdirecteur of een feitelijke directeur op grond van het nationale recht te zijn.
Artikel 13 quater
Voorbereiding van de afwikkeling
1. Voor de in artikel 7, lid 2, bedoelde entiteiten en groepen, en de in artikel 7, lid 4, punt b), en artikel 7, lid 5, bedoelde entiteiten en groepen indien aan de voorwaarden voor de toepassing van die bepalingen is voldaan, stellen de ECB of de nationale bevoegde autoriteiten de afwikkelingsraad onverwijld in kennis van het volgende:
a)
een van de maatregelen als bedoeld in artikel 16, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1024/2013 of artikel 104, lid 1, van Richtlijn 2013/36/EU die een entiteit of groep moet nemen teneinde een verslechtering van de situatie van die entiteit of groep aan te pakken;
b)
wanneer uit de toezichtactiviteit blijkt dat met betrekking tot een entiteit of groep aan de voorwaarden van artikel 13, lid 1, van deze verordening of artikel 27, lid 1, van Richtlijn 2014/59/EU is voldaan, de beoordeling dat aan die voorwaarden is voldaan, ongeacht eventuele vroegtijdige-interventiemaatregelen;
c)
de toepassing van een van de in artikel 13 van deze verordening of artikel 27 van Richtlijn 2014/59/EU bedoelde vroegtijdige-interventiemaatregelen.
De afwikkelingsraad stelt de Commissie in kennis van elke melding die hij overeenkomstig de eerste alinea heeft ontvangen.
De ECB of de betrokken nationale bevoegde autoriteit houdt, in nauwe samenwerking met de afwikkelingsraad, nauwlettend toezicht op de situatie van de in de eerste alinea bedoelde entiteiten en groepen en op hun naleving van de in de eerste alinea, punt a), bedoelde maatregelen die erop gericht zijn een verslechtering van de situatie van die entiteiten en groepen aan te pakken en van de in de eerste alinea, punt c), bedoelde vroegtijdige-interventiemaatregelen.
2. De ECB of de betrokken nationale bevoegde autoriteit stelt de afwikkelingsraad zo snel mogelijk in kennis als zij van mening zijn dat er een wezenlijk risico bestaat dat één of meer van de in artikel 18, lid 4, genoemde omstandigheden van toepassing zijn op een entiteit als bedoeld in artikel 7, lid 2, of een entiteit als bedoeld in artikel 7, lid 4, punt b), en artikel 7, lid 5, indien aan de voorwaarden voor de toepassing van die bepalingen is voldaan. Deze kennisgeving bevat:
a)
de redenen van de melding;
b)
een overzicht van de maatregelen die het falen van de entiteit binnen een redelijk tijdsbestek zouden voorkomen, het verwachte effect daarvan op de entiteit wat betreft de in artikel 18, lid 4, bedoelde omstandigheden en het verwachte tijdschema voor de uitvoering van die maatregelen.
Na ontvangst van de in de eerste alinea bedoelde kennisgeving beoordeelt de afwikkelingsraad, in nauwe samenwerking met de ECB of de betrokken nationale bevoegde autoriteit, wat een redelijk tijdsbestek is voor de beoordeling van de in artikel 18, lid 1, punt b), bedoelde toestand, rekening houdend met de snelheid waarmee de omstandigheden van de entiteit verslechteren, de potentiële gevolgen voor het financiële stelsel, de bescherming van deposanten en het behoud van de activa van cliënten, het risico dat een verlengd proces de totale kosten voor klanten en voor de economie verhoogt, de noodzaak om de afwikkelingsstrategie effectief uit te voeren en andere relevante overwegingen. De afwikkelingsraad deelt die beoordeling zo spoedig mogelijk mee aan de ECB of aan de betrokken nationale bevoegde autoriteit.
Na de in de eerste alinea bedoelde kennisgeving houden de ECB of de desbetreffende nationale bevoegde autoriteit in nauwe samenwerking met de afwikkelingsraad toezicht op de situatie van de entiteit, de uitvoering van de desbetreffende maatregelen binnen het verwachte tijdsbestek en eventuele andere relevante ontwikkelingen. Daartoe komen de afwikkelingsraad en de ECB of de betrokken nationale bevoegde autoriteit regelmatig bijeen, met een door de afwikkelingsraad vastgestelde frequentie, rekening houdend met de omstandigheden van het geval. De ECB of de desbetreffende nationale bevoegde autoriteit en de afwikkelingsraad verstrekken elkaar onverwijld alle relevante informatie.
De afwikkelingsraad stelt de Commissie in kennis van alle informatie die hij overeenkomstig de eerste alinea heeft ontvangen.
3. De ECB of de betrokken nationale bevoegde autoriteit verschaft de afwikkelingsraad alle door de afwikkelingsraad gevraagde informatie die nodig is voor het volgende:
a)
het actualiseren van het afwikkelingsplan en het voorbereiden van de mogelijke afwikkeling van een in artikel 7, lid 2, bedoelde entiteit, of een in artikel 7, lid 4, punt b), en artikel 7, lid 5, bedoelde entiteit, indien aan de voorwaarden voor de toepassing van die bepalingen is voldaan;
b)
het uitvoeren van een in artikel 20, leden 1 tot en met 15, bedoelde waardering.
Indien de ECB of de nationale bevoegde autoriteiten nog niet over dergelijke informatie beschikken, werken de afwikkelingsraad en de ECB en die nationale bevoegde autoriteiten samen en coördineren zij hun werkzaamheden om die informatie te verkrijgen. Te dien einde zijn de ECB en de nationale bevoegde autoriteiten bevoegd om van de entiteit te verlangen dat zij dergelijke informatie verstrekt, onder meer door inspecties ter plaatse, en om die informatie aan de afwikkelingsraad te verstrekken.
4. De afwikkelingsraad is bevoegd om de in artikel 7, lid 2, bedoelde entiteit of de in artikel 7, lid 4, punt b), en artikel 7, lid 5, bedoelde entiteit aan potentiële kopers te verkopen, of regelingen voor een dergelijke verkoop te treffen, indien aan de voorwaarden voor de toepassing van die bepalingen is voldaan of indien de entiteit daartoe verplicht is, voor de volgende doeleinden:
a)
om de afwikkeling van die entiteit voor te bereiden, met inachtneming van de in artikel 39, lid 2, van Richtlijn 2014/59/EU vermelde voorwaarden en de in artikel 88 van deze verordening neergelegde vereisten inzake het beroepsgeheim;
b)
om de beoordeling door de afwikkelingsraad van de in artikel 18, lid 1, punt b), van deze verordening bedoelde voorwaarde mee te delen.
4 bis. Indien de afwikkelingsraad bij de uitoefening van de in lid 4 bedoelde bevoegdheid besluit de betrokken entiteit rechtstreeks aan potentiële kopers te verkopen, houdt hij naar behoren rekening met de omstandigheden van het geval en de mogelijke gevolgen die de uitoefening van die bevoegdheid zou kunnen hebben voor de totale positie van de entiteit.
5. Voor de toepassing van lid 4 heeft de afwikkelingsraad de bevoegdheid om:
a)
de betrokken entiteit te verzoeken een digitaal platform op te zetten voor het delen van de informatie die nodig is voor de verkoop van die entiteit met potentiële kopers of met door de afwikkelingsraad ingeschakelde adviseurs en schatters;
b)
te eisen dat de betrokken nationale afwikkelingsautoriteit een voorlopige afwikkelingsregeling voor de betrokken entiteit opstelt.
Wanneer de afwikkelingsraad zijn bevoegdheid krachtens de eerste alinea, punt b), van dit lid uitoefent, is artikel 88 van toepassing.
6. De vaststelling dat aan de voorwaarden van artikel 13, lid 1, van deze verordening of artikel 27, lid 1, van Richtlijn 2014/59/EU is voldaan en de voorafgaande vaststelling van vroegtijdige-interventiemaatregelen zijn geen noodzakelijke voorwaarden voor de afwikkelingsraad om de afwikkeling van de entiteit voor te bereiden of de in de leden 4 en 5 van dit artikel bedoelde bevoegdheden uit te oefenen.
7. De afwikkelingsraad stelt de Commissie, de ECB, de relevante nationale bevoegde autoriteiten en de relevante nationale afwikkelingsautoriteiten onverwijld in kennis van elke maatregel die hij op grond van leden 4 en 5 neemt.
8. De ECB, de nationale bevoegde autoriteiten, de afwikkelingsraad en de betrokken nationale afwikkelingsautoriteiten werken nauw samen:
a)
wanneer zij overwegen de in lid 1, eerste alinea, punt a), bedoelde maatregelen te nemen om een verslechtering van de situatie van een entiteit en een groep aan te pakken, alsmede de in lid 1, eerste alinea, punt c), bedoelde maatregelen;
b)
wanneer zij overwegen een van de in de leden 4 en 5 bedoelde maatregelen te nemen;
c)
tijdens de uitvoering van de in punten a) en b) van deze alinea bedoelde maatregelen.
De ECB, de nationale bevoegde autoriteiten, de afwikkelingsraad en de betrokken nationale afwikkelingsautoriteiten dragen er zorg voor dat die maatregelen en acties consistent, gecoördineerd en effectief zijn.”;
"
17) in artikel 14, lid 2, worden de punten c) en d) vervangen door:"
“c) overheidsmiddelen beschermen door het beroep op buitengewone openbare financiële steun tot een minimum te beperken, met name wanneer deze uit de begroting van een lidstaat komt;
d)
gedekte deposito’s, en voor zover mogelijk ook het ongedekte deel van in aanmerking komende deposito’s van natuurlijke personen en micro-, kleine en middelgrote ondernemingen, beschermen en tegelijkertijd de verliezen voor depositogarantiestelsels tot een minimum beperken, en beleggers die onder Richtlijn 97/9/EG vallen, beschermen;”;
"
18) in artikel 16 wordt lid 2 vervangen door:"
“2. De afwikkelingsraad neemt een afwikkelingsmaatregel ten aanzien van een in artikel 2, punt b), bedoelde moederonderneming indien aan de in artikel 18, lid 1, gestelde voorwaarden is voldaan.
Daartoe wordt een moederonderneming als bedoeld in artikel 2, punt b), geacht te falen of waarschijnlijk te falen in een van de volgende omstandigheden:
a)
de moederonderneming voldoet aan één of meer van de voorwaarden van artikel 18, lid 4, punten b), c) of d);
b)
de moederonderneming maakt wezenlijk inbreuk, of er zijn objectieve elementen waaruit blijkt dat de moederonderneming in de nabije toekomst wezenlijk inbreuk zal maken op de toepasselijke voorschriften van Verordening (EU) nr. 575/2013 of van de nationale bepalingen tot omzetting van Richtlijn 2013/36/EU.”;
"
19) artikel 18 wordt als volgt gewijzigd:
a) de leden 1, 1 bis, 2 en 3 worden vervangen door:"
“1. De afwikkelingsraad stelt overeenkomstig lid 6 een afwikkelingsregeling vast met betrekking tot de in artikel 7, lid 2, bedoelde entiteiten en met betrekking tot de in artikel 7, lid 4, punt b), en artikel 7, lid 5, bedoelde entiteiten, indien aan de voorwaarden voor de toepassing van deze bepalingen is voldaan maar enkel indien hij op zijn bestuursvergadering, na ontvangst van een mededeling als bedoeld in de tweede alinea of op eigen initiatief, heeft vastgesteld dat aan alle volgende voorwaarden is voldaan:
a)
de entiteit faalt of zal waarschijnlijk falen;
b)
▌het valt redelijkerwijs niet te verwachten dat ten aanzien van de entiteit genomen alternatieve maatregelen van de particuliere sector, met inbegrip van maatregelen door een institutioneel protectiestelsel, maatregelen van een toezichthouder, vroegtijdige-interventiemaatregelen of de afschrijving of omzetting van relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende passiva, als bedoeld in artikel 21, lid 1, het falen of waarschijnlijk falen van de entiteit binnen een redelijk tijdsbestek zouden voorkomen;
c)
een afwikkelingsmaatregel is noodzakelijk in het algemeen belang als bedoeld in lid 5.
De beoordeling van de in de eerste alinea, punt a), bedoelde voorwaarde geschiedt door de ECB voor de entiteiten bedoeld in artikel 7, lid 2, punt a), of door de desbetreffende nationale bevoegde autoriteit voor de entiteiten bedoeld in artikel 7, lid 2, punt b), artikel 7, lid 3, tweede alinea, artikel 7, lid 4, punt b), en artikel 7, lid 5, na raadpleging van de afwikkelingsraad. De afwikkelingsraad kan, op zijn bestuursvergadering, een beoordeling in die zin vaststellen maar enkel nadat hij de ECB of de betrokken nationale bevoegde autoriteit van zijn voornemen om een dergelijke beoordeling te maken, op de hoogte heeft gesteld en enkel als de ECB of de betrokken nationale bevoegde autoriteit niet zelf binnen drie kalenderdagen na ontvangst van die informatie een beoordeling in die zin vaststellen. De ECB of de betrokken nationale bevoegde autoriteit verschaft de afwikkelingsraad onverwijld alle relevante informatie waarom de afwikkelingsraad verzoekt ter onderbouwing van zijn beoordeling, voordat of nadat hij door de afwikkelingsraad in kennis is gesteld van zijn voornemen de in de eerste alinea, punt a), bedoelde voorwaarde te beoordelen.
Indien de ECB of de relevante nationale bevoegde autoriteit heeft geoordeeld dat met betrekking tot een entiteit als bedoeld in de eerste alinea, punt a), is voldaan aan de in de eerste alinea bedoelde voorwaarde, delen zij die beoordeling onverwijld mee aan de Commissie en de afwikkelingsraad.
De beoordeling of aan de in de eerste alinea, punt b), bedoelde voorwaarde is voldaan, geschiedt door de afwikkelingsraad in zijn directievergadering en in nauwe samenwerking met de ECB of de betrokken nationale bevoegde autoriteit,na onverwijlde raadpleging van een aangewezen autoriteit van het depositogarantiestelsel en, in voorkomend geval, een institutioneel protectiestelsel waarvan de instelling lid is.Het overleg met het institutioneel protectiestelsel omvat een onderzoek naar de beschikbaarheid van maatregelen door het institutioneel protectiestelsel die het falen van de instelling binnen een redelijk tijdsbestek kunnen voorkomen. De ECB of de betrokken nationale bevoegde autoriteit verstrekt de afwikkelingsraad onverwijld alle relevante informatie die de afwikkelingsraad opvraagt teneinde zijn beoordeling te kunnen maken. De ECB of de betrokken nationale bevoegde autoriteit kan de afwikkelingsraad ook meedelen dat zij van mening is dat aan de in de eerste alinea, punt b), vastgelegde voorwaarde is voldaan.
1 bis. De afwikkelingsraad stelt alleen een afwikkelingsregeling vast overeenkomstig lid 1 met betrekking tot een centraal orgaan en alle blijvend aangesloten kredietinstellingen die deel uitmaken van dezelfde af te wikkelen groep, indien het centraal orgaan en alle blijvend aangesloten kredietinstellingen, of de af te wikkelen groep waartoe zij behoren, als geheel aan de voorwaarden van lid 1, eerste alinea, voldoen.
2. Onverminderd de gevallen waarin de ECB overeenkomstig artikel 6, lid 5, punt b), van Verordening (EU) nr. 1024/2013 heeft besloten rechtstreeks toezichthoudende taken met betrekking tot kredietinstellingen uit te oefenen, deelt de afwikkelingsraad, indien hij een mededeling krachtens lid 1 ontvangt met betrekking tot een entiteit of groep als bedoeld in artikel 7, lid 3, zijn beoordeling als bedoeld in lid 1, vierde alinea, onverwijld mee aan de ECB of de betrokken nationale bevoegde autoriteit.
3. De voorafgaande vaststelling van een maatregel uit hoofde van artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1024/2013, uit hoofde van artikel 27 van Richtlijn 2014/59/EU, uit hoofde van artikel 13 van deze verordening of uit hoofde van artikel 104 van Richtlijn 2013/36/EU is geen voorwaarde voor het nemen van een afwikkelingsmaatregel.”;
"
b) lid 4 wordt als volgt gewijzigd:
i) in de eerste alinea wordt punt d) vervangen door:"
“d) er is buitengewone openbare financiële steun nodig, tenzij deze steun wordt verleend in een van de in artikel 18 bis, lid 1, bedoelde vormen”;
"
ii) de tweede en de derde alinea worden geschrapt.
c) Lid 5 wordt vervangen door:"
“5. Voor de toepassing van lid 1, punt c), is een afwikkelingsmaatregel in het algemeen belang indien die afwikkelingsmaatregel noodzakelijk is om een of meer van de in artikel 14 genoemde afwikkelingsdoelstellingen te verwezenlijken en daarmee evenredig is, en indien deze doelstellingen met een liquidatie van de instelling volgens een normale insolventieprocedure niet in dezelfde mate zouden worden bereikt.
Afwikkelingsmaatregelen worden verondersteld niet in het algemeen belang te zijn voor de toepassing van lid 1, punt c), van dit artikel indien de afwikkelingsautoriteit overeenkomstig artikel 4 heeft besloten vereenvoudigde verplichtingen op een instelling toe te passen. De veronderstelling is weerlegbaar en is niet van toepassing wanneer de afwikkelingsautoriteit oordeelt dat een of meer van de afwikkelingsdoelstellingen in gevaar zouden komen indien de instelling volgens een normale insolventieprocedure zou worden geliquideerd.
Bij het uitvoeren van de in de eerste alinea bedoelde beoordeling evalueert, overweegt en vergelijkt de afwikkelingsraad, op basis van de informatie waarover hij op het moment van die beoordeling beschikt, alle buitengewone openbare financiële steun ▌die aan de entiteit zal worden verleend, zowel in geval van afwikkeling als in geval van liquidatie overeenkomstig het toepasselijke nationale recht.
Voor de toepassing van de tweede alinea van dit lid houden de deelnemende lidstaten, depositogarantiestelsels en, waar nodig, de aangewezen autoriteit als gedefinieerd in artikel 2, lid 1, punt 18, van Richtlijn 2014/49/EU de afwikkelingsraad op de hoogte van alle voorbereidende maatregelen voor de toekenning van de in artikel 18 bis, lid 1, punten c) en d), van deze verordening bedoelde maatregelen, waaronder aan de kennisgeving voorafgaande contacten met de Commissie.”;
"
d) in lid 7 wordt de tweede alinea vervangen door:"
“Binnen 24 uur vanaf de toezending van de afwikkelingsregeling door de afwikkelingsraad bevestigt de Commissie de afwikkelingsregeling of maakt zij daartegen bezwaar, hetzij met betrekking tot de discretionaire aspecten van de afwikkelingsregeling in de gevallen waarin niet is voorzien in de derde alinea van dit lid, hetzij met betrekking tot het voorgestelde gebruik van staatssteun of steun van het Fonds die niet verenigbaar met de interne markt wordt geacht.”;
"
e) de volgende leden worden toegevoegd:"
“11. Indien aan de in lid 1, punten a) en b), bedoelde voorwaarden is voldaan, kan de afwikkelingsraad de nationale afwikkelingsautoriteiten opdragen de bevoegdheden naar nationaal recht ter omzetting van artikel 33 bis van Richtlijn 2014/59/EU uit te oefenen, overeenkomstig de in het nationale recht vastgestelde voorwaarden. De nationale afwikkelingsautoriteiten voeren de instructies van de afwikkelingsraad uit overeenkomstig artikel 29.
11 bis. Om een doeltreffende en consistente toepassing van dit artikel te waarborgen, verstrekt de afwikkelingsraad richtsnoeren en verstrekt hij instructies aan de nationale afwikkelingsautoriteiten voor de toepassing van de in artikel 32, lid 5 bis, van Richtlijn 2014/59/EU bedoelde technische reguleringsnormen.”;
"
20) het volgende artikel 18 bis wordt ingevoegd:"
“Artikel 18 bis
Buitengewone openbare financiële steun
1. Buitengewone openbare financiële steun buiten afwikkelingsmaatregelen om kan bij wijze van uitzondering alleen in een van de volgende gevallen aan een entiteit als bedoeld in artikel 2 worden verleend, mits de buitengewone openbare financiële steun voldoet aan de voorwaarden en vereisten die in de staatssteunregels van de Unie zijn vastgelegd:
a)
wanneer de buitengewone openbare financiële steun, teneinde een ernstige verstoring in de economie van een lidstaat van uitzonderlijke of systemische aard te verhelpen en de financiële stabiliteit te vrijwaren, één van de volgende vormen aanneemt:
i)
een staatsgarantie ter dekking van liquiditeitsfaciliteiten die door centrale banken tegen de voor centrale banken geldende voorwaarden worden verschaft;
ii)
een staatsgarantie met betrekking tot nieuwe verplichtingen;
iii)
een verwerving van andere eigenvermogensinstrumenten dan tier 1-kernkapitaalinstrumenten of van andere kapitaalinstrumenten, of een gebruik van maatregelen voor probleemactiva tegen prijzen, looptijd en voorwaarden die de betrokken instelling of entiteit geen onrechtmatig voordeel opleveren, mits geen van de omstandigheden als bedoeld in artikel 18, lid 4, punten a), b) of c), of artikel 21, lid 1, zich voordoet op het tijdstip waarop de openbare steun wordt verleend.
b)
wanneer de buitengewone openbare financiële steun de vorm aanneemt van een kosteneffectieve interventie door een depositogarantiestelsel ▌overeenkomstig de voorwaarden van de artikelen 11 bis en 11 ter van Richtlijn 2014/49/EU, mits geen van de in artikel 18, lid 4, bedoelde omstandigheden zich voordoet;
c)
wanneer de buitengewone openbare financiële steun de vorm aanneemt van een kosteneffectieve interventie door een depositogarantiestelsel in het kader van de liquidatie van een kredietinstelling overeenkomstig artikel 32 ter van Richtlijn 2014/59/EU en overeenkomstig de voorwaarden van artikel 11, lid 5, van Richtlijn 2014/49/EU;
d)
wanneer de buitengewone openbare financiële steun de vorm aanneemt van staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU die wordt verleend in het kader van de liquidatie van de instelling of entiteit overeenkomstig artikel 32 ter van Richtlijn 2014/59/EU, met uitzondering van de steun die wordt verleend door een depositogarantiestelsel overeenkomstig artikel 11, lid 5, van Richtlijn 2014/49/EU.
2. De in lid 1, punt a), bedoelde steunmaatregelen moeten aan alle onderstaande voorwaarden voldoen:
a)
de maatregelen blijven beperkt tot solvabele entiteiten, zoals bevestigd door de ECB of door de desbetreffende nationale bevoegde autoriteit;
b)
de maatregelen hebben een preventief en tijdelijk karakter en zijn gebaseerd op een vooraf door de ECB of de desbetreffende nationale bevoegde autoriteit goedgekeurde strategie voor exit uit de steunmaatregel, met inbegrip van een duidelijk gespecificeerde einddatum, verkoopdatum of terugbetalingsschema voor de verstrekte maatregelen;deze informatie wordt niet eerder dan één jaar na de afsluiting van de strategie voor exit uit de steunmaatregel, of na de uitvoering van het saneringsplan of de beoordeling uit hoofde van de zevende alinea van dit lid, openbaar gemaakt;
c)
de maatregelen zijn evenredig om de gevolgen van de ernstige verstoring op te heffen of de financiële stabiliteit in stand te houden;
d)
de maatregelen worden niet gebruikt ter compensatie van verliezen die de entiteit heeft geleden of in de komende twaalf maanden waarschijnlijk zal lijden.
Voor de toepassing van de eerste alinea, punt a), wordt een entiteit geacht solvabel te zijn indien de ECB of de relevante nationale bevoegde autoriteit hebben geconcludeerd dat er geen sprake is of kan zijn van een schending, in de twaalf volgende maanden, op grond van de huidige verwachtingen, van een van de vereisten bedoeld in artikel 92, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013, artikel 104 bis van Richtlijn 2013/36/EU, artikel 11, lid 1, van Verordening (EU) 2019/2033, artikel 40 van Richtlijn (EU) 2019/2034 of de relevante toepasselijke vereisten krachtens nationaal of Unierecht.
Voor de toepassing van de eerste alinea, punt d), kwantificeert de betrokken bevoegde autoriteit de verliezen die de entiteit heeft geleden of waarschijnlijk zal lijden. Die kwantificering is ten minste gebaseerd op door de ECB, de EBA of de nationale autoriteiten verrichte beoordelingen van de kwaliteit van de activa of, in voorkomend geval, op door de bevoegde autoriteit verrichte inspecties ter plaatse. Indien die werkzaamheden niet tijdig kunnen worden uitgevoerd, kan de bevoegde autoriteit haar evaluatie baseren op de balans van de instelling, mits de balans voldoet aan de toepasselijke boekhoudregels en -normen, zoals bevestigd door een onafhankelijke externe accountant ▌. De bevoegde autoriteit stelt alles in het werk om ervoor te zorgen dat de kwantificering is gebaseerd op de marktwaarde van de activa, passiva en posten buiten de balanstelling van de instelling of entiteit.
De in lid 1, punt a), iii), bedoelde steunmaatregelen blijven beperkt tot maatregelen die door de ECB of de nationale bevoegde autoriteit noodzakelijk worden geacht om de solvabiliteit van de entiteit te waarborgen door het aanpakken van haar kapitaaltekort dat is vastgesteld in het ongunstige scenario van nationale, Unie- of GTM-brede stresstests of gelijkwaardige exercities die door de ECB, de EBA of nationale autoriteiten zijn uitgevoerd, indien van toepassing, en die door de ECB of de desbetreffende bevoegde autoriteit zijn bevestigd.
In afwijking van lid 1, punt a), iii), is de verwerving van tier 1-kernkapitaalinstrumenten bij wijze van uitzondering toegestaan wanneer het vastgestelde tekort van dien aard is dat de verwerving van andere eigenvermogensinstrumenten of andere kapitaalinstrumenten de betrokken entiteit niet in staat zou stellen haar in het ongunstige scenario van de desbetreffende stresstest of soortgelijke exercitie vastgestelde kapitaaltekort aan te pakken. Het bedrag van de verworven tier 1-kernkapitaalinstrumenten mag niet hoger zijn dan 2 % van het totale risicobedrag van de betrokken instelling of entiteit, berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013.
Ingeval een van de in lid 1, punt a), bedoelde steunmaatregelen niet wordt afgelost, terugbetaald of anderszins beëindigd overeenkomstig de voorwaarden van de bij de toekenning van een dergelijke maatregel vastgestelde strategie voor exit uit de steunmaatregel, verzoekt de ECB of de desbetreffende nationale bevoegde autoriteit de instelling of entiteiteen eenmalig saneringsplan in te dienen.In het saneringsplan wordt beschreven welke stappen moeten worden genomen om de naleving van de toezichtvereisten te waarborgen of te herstellen, de levensvatbaarheid op lange termijn van de instelling of entiteit te verzekeren en haar vermogen om het verstrekte bedrag terug te betalen, met vermelding van het bijbehorende tijdskader.
Indien de ECB of de relevante nationale bevoegde autoriteit het eenmalige saneringsplan niet geloofwaardig of haalbaar acht, of indien de instelling of entiteit het saneringsplan niet naleeft, wordt overeenkomstig artikel 18 beoordeeld of de instelling of entiteit faalt of waarschijnlijk zal falen.
2 bis. De ECB of de relevante nationale bevoegde autoriteit stelt de afwikkelingsraad in kennis van haar beoordeling of aan de in lid 2, punten a), b) en d), bedoelde voorwaarden met betrekking tot de in artikel 7, lid 2, bedoelde entiteiten en groepen en de in artikel 7, lid 4, punt b), en artikel 7, lid 5, bedoelde entiteiten en groepen is voldaan.”;
"
21) artikel 19 wordt als volgt gewijzigd:
a) lid 1 wordt vervangen door:"
“1. Indien in het kader van een afwikkelingsmaatregel staatssteun uit hoofde van artikel 107, lid 1, VWEU of steun uit het Fonds overeenkomstig lid 3 van dit artikel wordt verleend, treedt de in artikel 18, lid 6, van deze verordening bedoelde afwikkelingsregeling pas in werking nadat de Commissie een positief of een voorwaardelijk besluit heeft genomen, of een besluit om geen bezwaar te maken, over de verenigbaarheid van het gebruik van dergelijke steun met de interne markt. De Commissie neemt, rekening houdend met de noodzaak van een tijdige uitvoering van de afwikkelingsregeling door de afwikkelingsraad, het besluit over de verenigbaarheid van het gebruik van staatssteun of steun uit het Fonds met de interne markt uiterlijk wanneer zij de afwikkelingsregeling overeenkomstig artikel 18, lid 7, tweede alinea, goedkeurt of daartegen bezwaar maakt, of wanneer de in artikel 18, lid 7, vijfde alinea, bedoelde termijn van 24 uur verstrijkt, indien dat eerder is. Indien binnen 24 uur nadat de afwikkelingsraad de afwikkelingsregeling heeft toegezonden, geen besluit is genomen, wordt de afwikkelingsregeling geacht door de Commissie te zijn goedgekeurd en treedt zij overeenkomstig artikel 18, lid 7, vijfde alinea, in werking.
Bij de uitvoering van de hun bij artikel 18 van deze verordening opgedragen taken beschikken de instellingen van de Unie over structurele regelingen die de operationele onafhankelijkheid waarborgen en belangenconflicten voorkomen die zich tussen de met de uitvoering van die taken belaste functies en andere functies zouden kunnen voordoen, en maken zij op passende wijze alle relevante informatie over hun interne organisatie ter zake openbaar.”;
"
b) lid 3 wordt vervangen door:"
“3. Zodra de afwikkelingsraad van oordeel is dat het nodig kan zijn het Fonds te gebruiken, neemt hij informeel, snel en op vertrouwelijke wijze contact op met de Commissie om het mogelijke gebruik van het Fonds te bespreken, met inbegrip van de juridische en economische aspecten in verband met het gebruik ervan. Zodra de afwikkelingsraad voldoende zekerheid heeft dat de beoogde afwikkelingsregeling het gebruik van steun uit het Fonds met zich meebrengt, stelt de afwikkelingsraad de Commissie formeel in kennis van het voorgestelde gebruik van het Fonds. Die kennisgeving bevat alle informatie die de Commissie nodig heeft om haar beoordelingen krachtens dit lid te maken en die de afwikkelingsraad in zijn bezit heeft of die de afwikkelingsraad overeenkomstig deze verordening kan verkrijgen.
Na ontvangst van de in de eerste alinea bedoelde kennisgeving beoordeelt de Commissie of het beroep op het Fonds de mededinging zou verstoren of zou dreigen te verstoren door de begunstigde onderneming of een andere onderneming zodanig te bevoordelen dat het van invloed zou zijn op de handel tussen de lidstaten en daarmee onverenigbaar met de interne markt is. De Commissie past op het beroep op het Fonds de in artikel 107 VWEU verankerde criteria toe die voor de toepassing van de staatssteunregels zijn vastgesteld. De afwikkelingsraad verstrekt de Commissie de informatie waarover hij beschikt of hij het overeenkomstig deze verordening kan verkrijgen en die de Commissie noodzakelijk acht om die beoordeling uit te voeren.
Bij het opstellen van haar beoordeling laat de Commissie zich leiden door alle ter zake doende, uit hoofde van artikel 109 VWEU vastgestelde verordeningen alsmede relevante mededelingen en richtsnoeren van de Commissie en maatregelen die de Commissie heeft vastgesteld ter uitvoering van de Verdragsbepalingen inzake staatssteun die van kracht zijn op het moment dat de beoordeling moet worden uitgevoerd. Bij de toepassing van deze maatregelen wordt aangenomen dat verwijzingen naar de lidstaat die verantwoordelijk is voor het aanmelden van de steun, verwijzingen zijn naar de afwikkelingsraad, en worden andere eventueel noodzakelijke wijzigingen aangebracht.
De Commissie beslist vast over de verenigbaarheid van het beroep op het Fonds met de interne markt en richt dat besluit tot de afwikkelingsraad en de nationale afwikkelingsautoriteiten van de betrokken lidstaat of lidstaten. Aan dat besluit kunnen voorwaarden, verplichtingen of verbintenissen voor de begunstigde worden verbonden en in het besluit wordt rekening gehouden met de noodzaak van een tijdige uitvoering van de afwikkelingsmaatregel door de afwikkelingsraad.
In het besluit kunnen tevens verplichtingen worden opgelegd aan de afwikkelingsraad, de nationale afwikkelingsautoriteiten in de betrokken deelnemende lidstaat of lidstaten of de begunstigde, naargelang het geval en voor zover die verplichtingen binnen hun respectieve bevoegdheden vallen, om te kunnen controleren of het besluit wordt nageleefd. Daartoe kan de eis behoren dat een trustee of andere onafhankelijke persoon wordt benoemd om bij de controle te helpen. Een trustee of andere onafhankelijke persoon kan de in het besluit van de Commissie te specificeren functies vervullen.
Elk krachtens dit lid genomen besluit wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.
De Commissie kan een tot de afwikkelingsraad gericht afwijzend besluit vaststellen indien zij besluit dat het voorgestelde gebruik van het Fonds niet verenigbaar zou zijn met de interne markt en dat dit niet in de door de afwikkelingsraad voorgestelde vorm ten uitvoer kan worden gelegd. De afwikkelingsraad heroverweegt na ontvangst van een zodanig besluit zijn afwikkelingsregeling en stelt een herziene afwikkelingsregeling op.”;
"
c) lid 10 wordt vervangen door:"
“10. In afwijking van lid 3 kan de afwikkelingsraad op verzoek van een lidstaat of de afwikkelingsraad binnen zeven dagen nadat het verzoek is ingediend, met eenparigheid van stemmen besluiten dat het gebruik van het Fonds als verenigbaar met de interne markt moet worden beschouwd, indien uitzonderlijke omstandigheden een dergelijk besluit rechtvaardigen. De Commissie neemt een besluit over de zaak indien de Raad binnen die zeven dagen geen besluit heeft genomen.”;
"
22) artikel 20 wordt als volgt gewijzigd:
a) lid 1 wordt vervangen door:"
“1. Alvorens te bepalen of aan de afwikkelingsvoorwaarden of de voorwaarden voor afschrijving of omzetting van kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende passiva als bedoeld in artikel 21, lid 1, is voldaan, draagt de afwikkelingsraad er zorg voor dat een eerlijke, prudente en realistische waardering van de activa en passiva van een entiteit als bedoeld in artikel 2 wordt uitgevoerd door een persoon die onafhankelijk is van enige overheidsinstantie, daaronder begrepen de afwikkelingsraad en de nationale afwikkelingsautoriteit, alsook van de betrokken entiteit.”;
"
b) het volgende lid 8 bis wordt toegevoegd:"
“8 bis. Wanneer zulks noodzakelijk is om de in lid 5, punten c) en d), bedoelde beslissingen te onderbouwen, vult de schatter de in lid 7, punt c), bedoelde informatie aan met een raming van de waarde van de activa en passiva buiten de balanstelling, met inbegrip van de voorwaardelijke verplichtingen en activa.”;
"
c) aan lid 18 wordt het volgende punt d) toegevoegd:"
“d) bij het bepalen van de verliezen die het depositogarantiestelsel zou hebben geleden indien de instelling volgens een normale insolventieprocedure zou zijn geliquideerd, worden de criteria en methodologie toegepast als bedoeld in artikel 11 sexies van Richtlijn 2014/49/EU en in elke gedelegeerde handeling die overeenkomstig dat artikel is vastgesteld.”;
"
23) artikel 21 wordt als volgt gewijzigd:
a) lid 1 wordt als volgt gewijzigd:
i) de eerste alinea wordt als volgt gewijzigd:
– de aanhef wordt vervangen door:"
“1. De afwikkelingsraad oefent overeenkomstig de procedure van artikel 18 met betrekking tot de in artikel 7, lid 2, bedoelde entiteiten en groepen en de in artikel 7, lid 4, punt b), en artikel 7, lid 5, bedoelde entiteiten en groepen alleen de bevoegdheid tot afschrijving of omzetting van relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende passiva als bedoeld in lid 7 bis uit, wanneer aan de voorwaarden voor de toepassing van die bepalingen is voldaan, maar alleen als hij op zijn bestuursvergadering, na ontvangst van een mededeling overeenkomstig de tweede alinea of op eigen initiatief, vaststelt dat aan een of meer van de volgende voorwaarden is voldaan:”;
"
– punt e) wordt vervangen door:"
“e) de entiteit of groep heeft buitengewone openbare financiële steun nodig, tenzij die steun wordt verleend in een van de in artikel 18 bis, lid 1, bedoelde vormen.”;
"
ii) de tweede alinea wordt vervangen door:"
“De beoordeling van de in de eerste alinea, punten a) tot en met d), bedoelde voorwaarden geschiedt door de ECB voor entiteiten bedoeld in artikel 7, lid 2, punt a), of door de desbetreffende nationale bevoegde autoriteit voor entiteiten bedoeld in artikel 7, lid 2, punt b), en lid 4, punt b), en lid 5, en door de afwikkelingsraad, in zijn bestuursvergadering, overeenkomstig de taakverdeling volgens de procedure van artikel 18, leden 1 en 2.”;
"
b) lid 2 wordt geschrapt;
c) in lid 3 wordt punt b) vervangen door:"
“b) gezien het tijdsbestek, de noodzaak om de bevoegdheden tot afschrijving en omzetting of de afwikkelingsstrategie voor de af te wikkelen groep effectief uit te voeren en andere ter zake doende omstandigheden, valt redelijkerwijze niet te verwachten dat een andere maatregel, inclusief alternatieve maatregelen van de particuliere sector, maatregelen van een toezichthouder of vroegtijdige-interventiemaatregelen, dan de afschrijving of omzetting van de relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende passiva als bedoeld in lid 7 bis, het falen van de betrokken entiteit of groep binnen een redelijk tijdsbestek zou voorkomen.”;
"
d) lid 9 wordt vervangen door:"
“9. Indien met betrekking tot een in dat lid bedoelde entiteit aan een of meer van de in lid 1 bedoelde voorwaarden is voldaan en met betrekking tot die entiteit of een entiteit die tot dezelfde groep behoort ook aan de in artikel 18, lid 1, bedoelde voorwaarden is voldaan, is de in artikel 18, leden 6, 7 en 8, opgenomen procedure van toepassing.”;
"
24) artikel 27 wordt als volgt gewijzigd:
a) lid 7 wordt vervangen door:"
“7. Het Fonds mag een in lid 6 bedoelde bijdrage enkel leveren indien aan alle volgende voorwaarden is voldaan:
a)
een bijdrage tot verliesabsorptie en herkapitalisatie ten belope van een bedrag van niet minder dan 8 % van de totale passiva inclusief eigen vermogen van de instelling in afwikkeling, gemeten overeenkomstig de in artikel 20, leden 1 tot en met 15, bedoelde waardering, is geleverd door de aandeelhouders, de houders van relevante kapitaalinstrumenten en andere bail-inbare passiva door middel van vermindering, afschrijving of omzetting overeenkomstig artikel 48, lid 1, van Richtlijn 2014/59/EU en artikel 21, lid 10, van deze verordening, en door het depositogarantiestelsel overeenkomstig artikel 79 van deze verordening en artikel 109 van Richtlijn 2014/59/EU, indien van toepassing;
b)
de bijdrage van het Fonds niet groter is dan 5 % van de totale passiva, met inbegrip van het eigen vermogen van de instelling in afwikkeling, bepaald volgens de in artikel 20, leden 1 tot en met 15, beschreven waarderingsmethode.”;
"
▌
c) in lid 13 wordt de tweede alinea vervangen door:"
“De in de eerste alinea bedoelde beoordeling stelt het bedrag vast waarmee de bail-inbare passiva moeten worden afgeschreven of omgezet:
a)
om de tier 1-kernkapitaalratio van de instelling in afwikkeling te herstellen of, in voorkomend geval, de ratio van de overbruggingsinstelling vast te stellen, rekening houdend met een eventuele kapitaalinbreng door het Fonds overeenkomstig artikel 76, lid 1, punt d);
b)
om voldoende marktvertrouwen in de instelling in afwikkeling of de overbruggingsinstelling te handhaven, rekening houdend met de noodzaak om voorwaardelijke verplichtingen te dekken, en de instelling in afwikkeling in staat te stellen gedurende ten minste één jaar aan de vergunningsvoorwaarden te blijven voldoen en om de activiteiten te blijven verrichten waarvoor haar op grond van Richtlijn 2013/36/EU of Richtlijn 2014/65/EU een vergunning is verleend.”;
"
25) artikel 30 wordt als volgt gewijzigd:
a) de titel wordt vervangen door:"
“Verplichting tot samenwerking en informatie-uitwisseling”;
"
b) de volgende leden 2 bis, 2 ter en 2 quater worden ingevoegd:"
“2 bis. De afwikkelingsraad, het Europees Comité voor systeemrisico’s, de EBA, de ESMA en de Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen werken nauw samen en verstrekken elkaar alle informatie die nodig is voor de uitvoering van hun respectieve taken.
2 ter. De ECB en de andere leden van het Europees Stelsel van centrale banken (ESCB) werken nauw met de afwikkelingsraad samen en verschaffen hem alle informatie die nodig is voor de uitvoering van de taken van de afwikkelingsraad, met inbegrip van de informatie die zij overeenkomstig hun statuten hebben verzameld. Artikel 88, lid 6, is van toepassing op de betrokken uitwisselingen.
2 quater. De in artikel 2, lid 1, punt 18, van Richtlijn 2014/49/EU bedoelde aangewezen autoriteiten werken nauw samen met de afwikkelingsraad.De aangewezen autoriteiten en de afwikkelingsraad verstrekken elkaar alle informatie die nodig is voor de uitvoering van hun respectieve taken.”;
"
c) lid 6 wordt vervangen door:"
“6. De afwikkelingsraad streeft naar nauwe samenwerking met alle openbare financiële bijstandsfaciliteiten, waaronder de Europese Faciliteit voor financiële stabiliteit (EFSF) en het Europees stabiliteitsmechanisme (ESM):
a)
in de buitengewone omstandigheden als bedoeld in artikel 27, lid 9, en wanneer een dergelijke faciliteit directe of indirecte financiële bijstand heeft verleend of waarschijnlijk zal verlenen aan in een deelnemende lidstaat gevestigde entiteiten;
b)
wanneer de afwikkelingsraad voor het Fonds een financiële regeling heeft getroffen overeenkomstig artikel 74.”;
"
d) lid 7 wordt vervangen door:"
“7. Zo nodig sluit de afwikkelingsraad een memorandum van overeenstemming met de ECB en andere leden van het ESCB, de nationale afwikkelingsautoriteiten en de nationale bevoegde autoriteiten met een algemene beschrijving van de wijze waarop zij uit hoofde van de leden 2, 2 bis, 2 ter en 4 van dit artikel en van artikel 74, tweede alinea, zullen samenwerken bij de uitoefening van hun respectieve taken krachtens het Unierecht. Het memorandum wordt regelmatig geëvalueerd, en wordt openbaar gemaakt met inachtneming van de vereisten inzake geheimhouding.”;
"
26) het volgende artikel 30 bis wordt ingevoegd:"
“Artikel 30 bis
Informatie in het bezit van een gecentraliseerd automatisch mechanisme
1. De autoriteiten die de bij artikel 32 bis van Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad** ingestelde gecentraliseerde automatische mechanismen beheren, verstrekken de afwikkelingsraad op zijn verzoek informatie over het aantal klanten waarvoor een in artikel 2 bedoelde entiteit de enige of voornaamste bankpartner is.
2. De afwikkelingsraad vraagt de in lid 1 bedoelde informatie alleen per geval op en wanneer dat nodig is voor de uitvoering van zijn taken uit hoofde van deze verordening.
3. De afwikkelingsraad kan de overeenkomstig de eerste alinea verkregen informatie delen met de nationale afwikkelingsautoriteiten in het kader van de uitoefening van hun respectieve taken uit hoofde van deze verordening.
______________________________
** Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 2006/70/EG van de Commissie (PB L 141 van 5.6.2015, blz. 73).”;
"
27) ▌artikel 31 wordt als volgt gewijzigd:
a) in lid 1 wordt de derde alinea vervangen door:"
“Samenwerking op het gebied van informatie-uitwisseling geschiedt overeenkomstig artikel 11 en artikel 13, lid 1, van Richtlijn 2014/59/EU, onverminderd hoofdstuk 5 van deze titel. In dat kader en met het oog op de evaluatie van afwikkelingsplannen:
a)
kan de afwikkelingsraad de nationale afwikkelingsautoriteiten verzoeken de afwikkelingsraad alle informatie toe te zenden die zij hebben verkregen;
b)
verschaft de afwikkelingsraad een nationale afwikkelingsautoriteit van een deelnemende lidstaat op haar verzoek alle informatie die die autoriteit nodig heeft om haar taken uit hoofde van deze verordening uit te voeren.”;
"
b) het volgende lid 3 wordt toegevoegd:"
“3. Voor de in artikel 7, lid 2, bedoelde entiteiten en groepen, en voor de in artikel 7, lid 4, punt b), en artikel 7, lid 5, bedoelde entiteiten en groepen indien aan de voorwaarden voor de toepassing van die bepalingen is voldaan, raadplegen de nationale afwikkelingsautoriteiten de afwikkelingsraad alvorens op grond van artikel 86 van Richtlijn 2014/59/EU te handelen.”;
"
28) in artikel 32, lid 1, wordt de eerste alinea vervangen door:"
“Wanneer een groep entiteiten omvat die in deelnemende lidstaten en in niet-deelnemende lidstaten of derde landen zijn gevestigd, vertegenwoordigt de afwikkelingsraad de nationale afwikkelingsautoriteiten van de deelnemende lidstaten, onverminderd de goedkeuringen van de Raad of de Commissie die uit hoofde van deze verordening vereist zijn, met het oog op de samenwerking met de niet-deelnemende lidstaten overeenkomstig de artikelen 7, 8, 12, 13, 16, 18, 45 nonies, 55 en artikelen 88 tot en met 92 van Richtlijn 2014/59/EU.”;
"
29) artikel 34 wordt als volgt gewijzigd:
a) in lid 1 wordt de aanhef vervangen door:"
“De afwikkelingsraad kan, met volledige gebruikmaking van alle informatie die reeds voor de ECB beschikbaar is, met inbegrip van informatie die door de leden van het Europese Stelsel van centrale banken overeenkomstig hun statuten is verzameld, of van alle informatie waarover de nationale bevoegde autoriteiten, het Europees Comité voor systeemrisico’s, de EBA, de ESMA of de Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen beschikken, via de nationale afwikkelingsautoriteiten of rechtstreeks, na deze autoriteiten op de hoogte te hebben gebracht, van de volgende natuurlijke of rechtspersonen verlangen dat zij hem alle informatie verstrekken die hij nodig heeft om zijn taken uit te voeren, volgens de door de afwikkelingsraad gevraagde procedure en in de door de afwikkelingsraad gevraagde vorm:”;
"
b) leden 5 en 6 worden vervangen door:"
“5. De afwikkelingsraad, de ECB, de leden van het Europese Stelsel van centrale banken, de nationale bevoegde autoriteiten, het Europees Comité voor systeemrisico’s, de EBA, de ESMA of de Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen en de nationale afwikkelingsautoriteiten kunnen memoranda van overeenstemming opstellen waarin een procedure voor de uitwisseling van informatie wordt vastgelegd. De uitwisseling van informatie tussen de afwikkelingsraad, de ECB en andere de leden van het Europese Stelsel van centrale banken, de nationale bevoegde autoriteiten, het Europees Comité voor systeemrisico’s, de EBA, de ESMA of de Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen en de nationale afwikkelingsautoriteiten wordt niet beschouwd als schending van de vereisten inzake beroepsgeheim.
6. De nationale bevoegde autoriteiten, de ECB, de leden van het Europese Stelsel van centrale banken, het Europees Comité voor systeemrisico’s, de EBA, de ESMA of de Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen en de nationale afwikkelingsautoriteiten werken samen met de afwikkelingsraad om na te gaan of de gevraagde informatie geheel of gedeeltelijk reeds beschikbaar is op het moment dat het verzoek wordt ingediend. Indien dergelijke informatie beschikbaar is, verstrekken de nationale bevoegde autoriteiten, de ECB en andere leden van het Europese Stelsel van centrale banken, het Europees Comité voor systeemrisico’s, de EBA, de ESMA of de Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen of de nationale afwikkelingsautoriteiten die informatie aan de afwikkelingsraad.”;
"
30) in artikel 43, lid 1, wordt het volgende punt a bis) ingevoegd:"
“a bis) de voorzitter en de vicevoorzitter, die overeenkomstig artikel 56 worden benoemd;”;
"
30 bis) artikel 45 wordt als volgt gewijzigd:
a) de titel wordt vervangen door:"
“Transparantie en verantwoordingsplicht”;
"
b) het volgende lid wordt ingevoegd:"
“3 bis. De afwikkelingsraad maakt zijn beleid, richtsnoeren, algemene instructies, toelichtingen en werkdocumenten over afwikkeling in het algemeen en over de afwikkelingspraktijken en -methoden die in het kader van het gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme moeten worden toegepast openbaar, mits een dergelijke openbaarmaking niet leidt tot de bekendmaking van vertrouwelijke informatie.”;
"
31) artikel 50, lid 1, punt n), wordt vervangen door:"
“n) een rekenplichtige en een interne auditeur benoemen met inachtneming van het Statuut en de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden, die functioneel onafhankelijk is bij de uitvoering van hun taken;”;
"
31 bis) aan artikel 50, lid 1, wordt het volgende punt toegevoegd:"
“q bis) ervoor zorgen dat de nationale afwikkelingsautoriteiten worden geraadpleegd over de richtsnoeren, algemene instructies, beleidslijnen of richtsnoeren tot vaststelling van afwikkelingsbeleid, -praktijken of -methoden die deze nationale afwikkelingsautoriteiten zullen helpen uitvoeren.”;
"
32) artikel 53 wordt als volgt gewijzigd:
a) in lid 1 wordt de eerste zin vervangen door:"
“De afwikkelingsraad in zijn bestuursvergadering moet samengesteld zijn uit de voorzitter, de vicevoorzitter en de vier leden als bedoeld in artikel 43, lid 1, punt b).”;
"
b) in lid 5 wordt “artikel 43, lid 1, punt a) en b)” vervangen door “artikel 43, lid 1, punten a), a bis) en b)”;
33) in artikel 55 worden de leden 1 en 2 vervangen door:"
“1. Indien bij de beraadslaging over een individuele entiteit of een groep entiteiten die slechts in één deelnemende lidstaat is gevestigd, niet alle in artikel 53, leden 1 en 3, bedoelde leden binnen een door de voorzitter gestelde termijn bij consensus tot overeenstemming kunnen komen, nemen de voorzitter, de vicevoorzitter en de in artikel 43, lid 1, punt b), bedoelde leden een besluit bij gewone meerderheid.
2. Indien bij de beraadslaging over een grensoverschrijdende groep niet alle in artikel 53, leden 1 en 4, bedoelde leden binnen een door de voorzitter gestelde termijn bij consensus tot overeenstemming kunnen komen, nemen de voorzitter, de vicevoorzitter en de in artikel 43, lid 1, punt b), bedoelde leden een besluit bij gewone meerderheid.”;
"
34) artikel 56 wordt als volgt gewijzigd:
a) in lid 2 wordt punt d) vervangen door:"
“d) het opstellen van een voorlopige ontwerpbegroting en een ontwerpbegroting van de afwikkelingsraad overeenkomstig artikel 61, en het uitvoeren van de begroting van de afwikkelingsraad overeenkomstig artikel 63;”;
"
b) in lid 5 wordt de eerste alinea vervangen door:"
“De ambtstermijn van de voorzitter, de vicevoorzitter en de in artikel 43, lid 1, punt b), bedoelde leden bedraagt vijf jaar. ▌
Een persoon die ▌als voorzitter, vicevoorzitter of lid als bedoeld in artikel 43, lid 1, punt b), heeft vervuld, komt niet in aanmerking voor benoeming in een van beide andere functies.”;
"
c) ▌lid 6 wordt vervangen door:
▌"
“6. Na de afwikkelingsraad in zijn plenaire vergadering te hebben gehoord, stelt de Commissie het Europees Parlement een genderevenwichtige shortlist van kandidaten voor de functies van voorzitter, vicevoorzitter en in artikel 43, lid 1, punt b), bedoelde leden voor en stelt zij de Raad in kennis van de shortlist. Het Europees Parlement kan de kandidaten op die shortlist horen. Overeenkomstig de uitkomst in het Europees Parlement legt de Commissie het Europees Parlement ter goedkeuring een voordracht voor de benoeming van de voorzitter, de vicevoorzitter en de in artikel 43, lid 1, punt b), bedoelde leden voor. Na de goedkeuring van dat voorstel stelt de Raad een uitvoeringsbesluit vast tot benoeming van de voorzitter, de vicevoorzitter en de in artikel 43, lid 1, punt b), bedoelde leden. De Raad besluit daarbij met gekwalificeerde meerderheid van stemmen.”;
"
▌
e) in lid 7 wordt de laatste zin vervangen door:"
“De voorzitter, de vicevoorzitter en de in artikel 43, lid 1, punt b), bedoelde leden blijven in functie totdat hun opvolgers zijn benoemd en in functie zijn getreden overeenkomstig het in lid 6 van dit artikel bedoelde besluit van de Raad.”;
"
e bis) lid 8 wordt geschrapt.
35) artikel 61 wordt vervangen door:"
“Artikel 61
Opstelling van de begroting
1. Uiterlijk op 31 maart van elk jaar stelt de voorzitter een voorlopige ontwerpbegroting van de afwikkelingsraad op, met een raming van de ontvangsten en uitgaven van de afwikkelingsraad voor het volgende jaar, samen met de personeelsformatie voor het volgende jaar, en legt hij deze ter goedkeuring voor aan de afwikkelingsraad in zijn plenaire vergadering.
De afwikkelingsraad past in zijn plenaire vergadering zo nodig voorlopige ontwerpbegroting van de afwikkelingsraad samen met de ontwerp-personeelsformatie aan.
2. Op basis van de voorlopige ontwerpbegroting die door de afwikkelingsraad in zijn plenaire vergadering is aangenomen, stelt de voorzitter een ontwerpbegroting van de afwikkelingsraad op en legt deze ter goedkeuring voor aan de afwikkelingsraad in zijn plenaire vergadering.
Uiterlijk op 30 november van elk jaar stelt de afwikkelingsraad in zijn plenaire vergadering het door de voorzitter voorgelegde ontwerpbegroting zo nodig bij en keurt hij de definitieve begroting van de afwikkelingsraad, samen met de personeelsformatie, goed.”;
"
35 bis) in artikel 62 wordt lid 3 vervangen door:"
“3. De plenaire vergadering van de afwikkelingsraad is verantwoordelijk voor het vaststellen van interne normen en het invoeren van interne controlesystemen en controleprocedures die zijn toegesneden op de uitvoering van de taken van de interne auditeur.”;
"
36) in artikel 69 wordt lid 4 vervangen door:"
“4. Indien de beschikbare financiële middelen na de in lid 1 bedoelde initiële periode dalen tot onder het in dat lid vermelde streefbedrag, worden de reguliere bijdragen, berekend overeenkomstig artikel 70, geïnd totdat het streefbedrag is bereikt. De afwikkelingsraad kan de inning van de overeenkomstig artikel 70 geïnde regelmatige bijdragen gedurende maximaal drie jaar uitstellen om ervoor te zorgen dat het te innen bedrag een bedrag bereikt dat in verhouding staat tot de kosten van het inningsproces, mits dit uitstel geen wezenlijke gevolgen heeft voor het vermogen van de afwikkelingsraad om het Fonds overeenkomstig afdeling 3 te gebruiken. Deze bijdragen worden vastgesteld op een niveau waarbij het mogelijk wordt gemaakt dat het streefbedrag binnen vier jaar kan worden bereikt nadat het streefbedrag voor het eerst is bereikt en indien de beschikbare financiële middelen vervolgens zijn teruggebracht tot minder dan twee derde van het streefbedrag.”;
"
37) artikel 70 wordt als volgt gewijzigd:
a) lid 3 wordt vervangen door:"
“3. De in aanmerking te nemen beschikbare financiële middelen om het in artikel 69 vermelde streefbedrag te bereiken, kunnen ook onherroepelijke betalingstoezeggingen omvatten die volledig zijn gedekt door zekerheden of activa met een laag risico die niet met rechten van derden zijn bezwaard, waarover vrij kan worden beschikt en waarvan uitsluitend gebruik kan worden gemaakt door de afwikkelingsraad voor de in artikel 76, lid 1, vermelde doeleinden. Het aandeel van die onherroepelijke betalingstoezeggingen is niet hoger dan 30 % van het totaalbedrag van de bijdragen dat overeenkomstig dit artikel wordt geïnd. Binnen dat maximum bepaalt de afwikkelingsraad jaarlijks het aandeel van de onherroepelijke betalingstoezeggingen in het totale bedrag van de overeenkomstig dit artikel te heffen bijdragen.”;
"
b) het volgende lid 3 bis wordt ingevoegd:"
“3 bis. De afwikkelingsraad vraagt de overeenkomstig lid 3 van dit artikel gedane onherroepelijke betalingstoezeggingen op wanneer het gebruik van het Fonds overeenkomstig artikel 76 noodzakelijk is.
Wanneer een instelling of entiteit niet langer onder artikel 2 valt en niet langer onderworpen is aan de verplichting om bijdragen te betalen overeenkomstig lid 1 van dit artikel, vraagt de afwikkelingsraad de onherroepelijke betalingstoezeggingen die overeenkomstig lid 3 zijn aangegaan en nog verschuldigd zijn, op. Indien de aan de onherroepelijke betalingstoezegging verbonden bijdrage op eerste verzoek naar behoren wordt betaald, annuleert de afwikkelingsraad de verplichting en geeft hij de zekerheid terug. Indien de bijdrage bij de eerste afroep niet naar behoren wordt betaald, legt de afwikkelingsraad beslag op de zekerheid en annuleert hij de toezegging.”;
"
38) in artikel 71, lid 1, wordt de tweede alinea vervangen door:"
“Het totale bedrag van buitengewone achteraf te betalen bijdragen per jaar mag niet hoger zijn dan driemaal 12,5 % van het streefniveau.”;
"
39) in artikel 74 wordt het volgende lid ingevoegd:"
“De afwikkelingsraad stelt de Commissie en de ECB in kennis zodra hij het nodig acht financiële regelingen te treffen die overeenkomstig dit artikel voor het Fonds zijn aangegaan, en verstrekt de Commissie en de ECB alle informatie die nodig is voor de uitvoering van hun taken met betrekking tot dergelijke financiële regelingen.”;
"
40) artikel 76 wordt als volgt gewijzigd:
a) lid 3 wordt vervangen door:"
“3. Ingeval de afwikkelingsraad vaststelt dat het beroep op het Fonds voor de doeleinden in lid 1 van dit artikel er waarschijnlijk in resulteert dat een deel van de verliezen van een in artikel 2 bedoelde entiteit op het Fonds worden afgewenteld, zijn de in artikel 27 opgenomen beginselen inzake het gebruik van het Fonds van toepassing.”;
"
b) de volgende leden 5 en 6 worden ingevoegd:"
“5. Indien de in artikel 22, lid 2, punt a) of b), bedoelde afwikkelingsinstrumenten worden gebruikt om slechts een deel van de activa, rechten of passiva van de instelling in afwikkeling over te dragen, heeft de afwikkelingsraad een vordering op de resterende entiteit voor alle kosten en verliezen die door het Fonds zijn gedragen als gevolg van eventuele bijdragen aan de afwikkeling overeenkomstig de leden 1 en 2 van dit artikel in verband met verliezen die crediteuren anders zouden hebben gedragen.
6. De in lid 5 van dit artikel en in artikel 22, lid 6, bedoelde vorderingen van de afwikkelingsraad hebben in elke deelnemende lidstaat dezelfde rangorde als de vorderingen van de nationale afwikkelingsfinancieringsregelingen in het nationale recht van die lidstaat dat de normale insolventieprocedures ingevolge artikel 108, lid 9, van Richtlijn 2014/59/EU beheerst.”;
"
41) artikel 79 wordt als volgt gewijzigd:
a) de leden 1, 2 en 3 worden vervangen door:"
“1. De deelnemende lidstaten zorgen ervoor dat, wanneer de afwikkelingsraad afwikkelingsmaatregelen met betrekking tot een kredietinstelling neemt, en mits die maatregelen garanderen dat deposanten van gedekte deposito’s, en natuurlijke personen alsook micro-, kleine en middelgrote ondernemingen die in aanmerking komende deposito’s aanhouden, toegang blijven hebben tot hun deposito’s, om te voorkomen dat dergelijke deposanten verliezen dragen, het depositogarantiestelsel waarbij die kredietinstelling is aangesloten, bijdraagt voor de doeleinden en onder de voorwaarden die in artikel 109 van Richtlijn 2014/59/EU zijn vastgesteld.
2. De afwikkelingsraad bepaalt, in nauwe samenwerking met het depositogarantiestelsel, het bedrag van de bijdrage van het depositogarantiestelsel in overeenstemming met lid 1 na raadpleging van het depositogarantiestelsel, en waar nodig de aangewezen autoriteit in de zin van artikel 2, lid 1, punt 18, van Richtlijn 2014/49/EU, over de geraamde kosten van terugbetaling aan deposanten overeenkomstig artikel 11 sexies van Richtlijn 2014/49/EU en met inachtneming van de voorwaarden als bedoeld in artikel 20 van deze verordening.
3. De afwikkelingsraad stelt de aangewezen autoriteit in de zin van artikel 2, lid 1, punt 18, van richtlijn 2014/49/EU en het depositogarantiestelsel waarbij de instelling is aangesloten, in kennis van zijn besluit als bedoeld in de eerste alinea. Het depositogarantiestelsel voert dat besluit onverwijld uit.”;
"
b) in lid 5 worden de tweede en de derde alinea geschrapt;
41 bis) de volgende artikelen worden ingevoegd:"
“Artikel 79 bis
Rapportage over liquiditeit bij afwikkelingen
Uiterlijk op 31 december 2024 brengt de Commissie verslag uit bij het Europees Parlement en de Raad over het liquiditeitsvraagstuk bij afwikkelingen.
In het verslag wordt onderzocht of een tijdelijk tekort aan liquiditeit na herkapitalisatie van een instelling in afwikkeling onder meer wordt veroorzaakt door een ontbrekend instrument in het afwikkelingsinstrumentarium en worden de meest efficiënte manieren onderzocht om tijdelijke tekorten aan liquiditeit aan te pakken, rekening houdend met de praktijken in andere rechtsgebieden. In het verslag worden concrete beleidsopties voorgesteld.
Artikel 79 ter
Uiterlijk op 31 december 2026 brengt de Commissie, in de context van de hervatting van de besprekingen over de bankenunie, bij het Europees Parlement en de Raad verslag uit over de doeltreffendheid en de reikwijdte van het interne mechanisme voor de overdracht van verliezen binnen af te wikkelen groepen als gevolg van de hervorming van het kader voor crisisbeheer.
In het verslag wordt met name stilgestaan bij het toepassingsgebied van de afwikkeling, de mate van naleving van de interne MREL-doelstellingen, de voorwaarden voor de toegang tot door de sector gefinancierde vangnetten, in het bijzonder het Fonds.”;
"
42) in artikel 85, lid 3, worden de woorden “tegen een in artikel 10, lid 10, artikel 11, artikel 12, lid 1, de artikelen 38 tot en met 41, artikel 65, lid 3, artikel 71 en artikel 90, lid 3, bedoeld besluit” vervangen door de woorden “tegen een uit hoofde van artikel 10, lid 10, artikel 11, artikel 12, lid 1, de artikelen 38 tot en met 41, artikel 65, lid 3, artikel 71 en artikel 90, lid 3, vastgesteld besluit”;
43) aan artikel 88 wordt het volgende lid 7 toegevoegd:"
“7. Dit artikel belet de afwikkelingsraad niet zijn analyses of beoordelingen openbaar te maken, ook wanneer deze zijn gebaseerd op informatie die is verstrekt door de in artikel 2 bedoelde entiteiten of andere autoriteiten als bedoeld in lid 6 van dit artikel, wanneer de afwikkelingsraad oordeelt dat de openbaarmaking de bescherming van het algemeen belang wat betreft het financieel, monetair of economisch beleid niet zou ondermijnen en dat er een algemeen belang bij openbaarmaking is dat zwaarder weegt dan enig ander belang als bedoeld in lid 5 van dit artikel. Voor de toepassing van lid 1 van dit artikel wordt een dergelijke openbaarmaking geacht te zijn gedaan door de afwikkelingsraad in de uitoefening van zijn functies uit hoofde van deze verordening.”;
"
43 bis) in artikel 94, lid 1, wordt het volgende punt ingevoegd:"
“a bis) de wisselwerking tussen het bestaande kader en de totstandbrenging van het Europees depositogarantiestelsel;”.
"
Artikel 2
Inwerkingtreding en toepassing
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Zij is van toepassing met ingang van [OP, gelieve de datum in te voegen: twaalf maanden na de inwerkingtreding van deze verordening].
Artikel 1, punt 1, a), punten 2 en 3, punt 4, a), punt 5, a), b) en c), i) en ii), punt 6, a), punt 7, punt 13, a), i) en b), punt 14, a), b) en d), punt 19, d) en e), punt 21, punt 23, a), i), eerste streepje, b) en d), de punten 25 tot en met 35, en de punten 39, 42 en 43, zijn evenwel van toepassing vanaf ... [OP, gelieve de datum in te voegen = 1 maand na de datum van inwerkingtreding van deze wijzigingsverordening].
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
*De wijzigingen in de tekst zijn het gevolg van de aanneming van amendement 1. Nieuwe of vervangende tekst staat in vet en cursief, schrappingen zijn met het symbool ▌aangegeven.
Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de Richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de Verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012, van het Europees Parlement en de Raad (PB L 173, 12.6.2014, blz. 190).
Verordening (EU) nr. 806/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2014 tot vaststelling van eenvormige regels en een eenvormige procedure voor de afwikkeling van kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen in het kader van een gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme en een gemeenschappelijk afwikkelingsfonds en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1093/2010 (PB L 225 van 30.7.2014, blz. 1).
Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/1118 van de Commissie van 26 maart 2021 tot aanvulling van Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van de door afwikkelingsautoriteiten te gebruiken methode voor het ramen van het in artikel 104 bis van Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad bedoelde vereiste en het gecombineerde buffervereiste voor af te wikkelen entiteiten op het geconsolideerde niveau van de af te wikkelen groep, ingeval de af te wikkelen groep niet onderworpen is aan die vereisten uit hoofde van die richtlijn (PB L 241 van 8.7.2021, blz. 1).
Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 1).
Verordening (EU) 2019/876 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2019 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 575/2013 wat betreft de hefboomratio, de nettostabielefinancieringsratio, vereisten inzake eigen vermogen en in aanmerking komende passiva, tegenpartijkredietrisico, marktrisico, blootstellingen aan centrale tegenpartijen, blootstellingen aan instellingen voor collectieve belegging, grote blootstellingen, rapportage- en openbaarmakingsvereisten, en van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PB L 150 van 7.6.2019, blz. 1).
Verordening (EU) 2019/877 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2019 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 806/2014 met betrekking tot de verliesabsorptie- en herkapitalisatiecapaciteit van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen (PB L 150 van 7.6.2019, blz. 226).
Richtlijn (EU) 2019/879 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2019 tot wijziging van Richtlijn 2014/59/EU met betrekking tot de verliesabsorptie- en herkapitalisatiecapaciteit van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en Richtlijn 98/26/EG (PB L 150 van 7.6.2019, blz. 296).
Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad van 15 oktober 2013 waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingen (PB L 287 van 29.10.2013, blz. 63).
Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/78/EG van de Commissie (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 12).
Verordening (EG) nr. 1126/2008 van de Commissie van 3 november 2008 tot goedkeuring van bepaalde internationale standaarden voor jaarrekeningen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 320 van 29.11.2008, blz. 1).
Verordening (EG) nr. 2533/98 van de Raad van 23 november 1998 met betrekking tot het verzamelen van statistische gegevens door de Europese Centrale Bank (PB L 318 van 27.11.1998, blz. 8).
Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 2006/70/EG van de Commissie (PB L 141 van 5.6.2015, blz. 73).
Vroegtijdige-interventiemaatregelen, voorwaarden voor afwikkeling en financiering van afwikkelingsmaatregelen (BRRD3)
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 24 april 2024 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2014/59/EU wat betreft vroegtijdige-interventiemaatregelen, voorwaarden voor afwikkeling en financiering van afwikkelingsmaatregelen (COM(2023)0227 – C9-0135/2023 – 2023/0112(COD))
– gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2023)0227),
– gezien artikel 294, lid 2, en artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C9‑0135/2023),
– gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
– gezien het advies van de Europese Centrale Bank van 5 juli 2023(1),
– gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 13 juli 2023(2),
– gezien artikel 59 van zijn Reglement,
– gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A9-0153/2024),
1. stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;
2. verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;
3. verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de nationale parlementen.
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 24 april 2024 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) 2024/... van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2014/59/EU wat betreft vroegtijdige-interventiemaatregelen, de voorwaarden voor afwikkeling en de financiering van afwikkelingsmaatregelen(3)
HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, met name artikel 114,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,
Gezien het advies van de Europese Centrale Bank(4),
Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(5),
Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure,
Overwegende hetgeen volgt:
(1) Het afwikkelingskader van de Unie voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen (“instellingen”) is opgezet in de nasleep van de wereldwijde financiële crisis van 2008-2009 en naar aanleiding van de internationaal onderschreven Key Attributes of Effective Resolution Regimes for Financial Institutions(6) van de Raad voor financiële stabiliteit. Het afwikkelingskader van de Unie bestaat uit Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad(7) en Verordening (EU) nr. 806/2014 van het Europees Parlement en de Raad(8). Beide handelingen zijn van toepassing op in de Unie gevestigde instellingen en op eventuele andere entiteiten die onder het toepassingsgebied van die richtlijn of die verordening vallen (“entiteiten”). Het afwikkelingskader van de Unie is gericht op de ordelijke behandeling van het falen van instellingen en entiteiten, door de kritieke functies van instellingen en entiteiten in stand te houden en gevaren voor de financiële stabiliteit af te wenden, terwijl tegelijkertijd deposanten en de overheidsmiddelen worden beschermd. Daarnaast wordt met het afwikkelingskader van de Unie beoogd de ontwikkeling van de interne markt voor bankzaken te bevorderen, door een geharmoniseerde regeling te ontwikkelen voor de gecoördineerde aanpak van grensoverschrijdende crises en door problemen in verband met verstoringen van de mededinging en risico’s op ongelijke behandeling te vermijden.
(2) Het afwikkelingskader van de Unie wordt inmiddels verscheidene jaren uitgevoerd, maar levert in zijn huidige vorm niet de beoogde resultaten op ten aanzien van enkele van deze doelstellingen. Meer in het bijzonder wordt het afwikkelingskader van de Unie weinig gebruikt, ondanks het feit dat instellingen en entiteiten aanzienlijke vooruitgang hebben geboekt op weg naar afwikkelbaarheid en hiervoor aanzienlijke middelen hebben toegewezen, met name door middel van de opbouw van de verliesabsorptie- en herkapitalisatiecapaciteit en de opvulling van afwikkelingsfinancieringsregelingen. Het falen van bepaalde kleinere en middelgrote instellingen en entiteiten wordt in plaats daarvan hoofdzakelijk afgehandeld met gebruik van niet-geharmoniseerde nationale maatregelen. Helaas wordt hiervoor nog steeds belastinggeld gebruikt in plaats van door de sector gefinancierde vangnetten, waaronder afwikkelingsfinancieringsregelingen. Die situatie lijkt het gevolg te zijn van ontoereikende stimulansen. Deze ontoereikende stimulansen vloeien voort uit de wisselwerking tussen het afwikkelingskader van de Unie en de nationale regels, waarbij de brede beoordelingsruimte bij de beoordeling van het openbaar belang niet altijd op een wijze wordt gebruikt waarin tot uiting komt hoe het afwikkelingskader van de Unie moet worden toegepast. Het afwikkelingskader van de Unie werd bovendien weinig gebruikt als gevolg van de risico’s voor deposanten van instellingen met depositofinanciering op het dragen van verliezen om ervoor te zorgen dat deze instellingen bij afwikkeling toegang hebben tot externe financiering, met name bij gebrek aan andere bail-inbare passiva. Tot slot heeft het feit dat voor de toegang tot financiering buiten afwikkeling minder strenge regels gelden dan voor de toegang tot financiering bij afwikkeling ertoe geleid dat de toepassing van het afwikkelingskader van de Unie werd ontmoedigd ten gunste van andere oplossingen, waarbij vaak belastinggeld wordt gebruikt in plaats van de eigen middelen van de instelling of entiteit, of door de sector gefinancierde vangnetten. Deze situatie leidt vervolgens tot een risico op versnippering, een risico op niet-optimale uitkomsten bij het beheer van het falen van instellingen en entiteiten, met name in het geval van kleinere of middelgrote instellingen en entiteiten, en alternatieve kosten als gevolg van ongebruikte financiële middelen. Het is daarom noodzakelijk om een doeltreffender en samenhangender toepassing van het afwikkelingskader van de Unie te waarborgen en ervoor te zorgen dat dit kan worden toegepast wanneer dit in het openbaar belang is, ook voor bepaalde kleinere en middelgrote instellingen ▌.
(2 bis) Het doel van de herziening van Richtlijn 2014/59/EU is het geld van de belastingbetaler beter te beschermen en nieuwe systemische mechanismen in te voeren voor instellingen en entiteiten die niet onder het bestaande afwikkelingskader vallen. Dat kader is bedoeld om de economische lasten voor de samenleving te beperken door de totale kosten in verband met bankfalen te verminderen. Het gebruik van het geld van de belastingbetaler moet met de invoering van een herzien kader aanzienlijk worden verminderd om ervoor te zorgen dat de afwikkelingsfinancieringsregeling vaker en doeltreffender wordt gebruikt.
(3) De intensiteit en de mate van gedetailleerdheid van de noodzakelijke planningswerkzaamheden voor de afwikkeling met betrekking tot dochterondernemingen die niet als af te wikkelen entiteiten zijn aangemerkt, lopen uiteen naargelang de omvang en het risicoprofiel van de betrokken instellingen en entiteiten, de aanwezigheid van kritieke functies en de groepsafwikkelingsstrategie. De afwikkelingsautoriteiten moeten die factoren derhalve in aanmerking kunnen nemen bij het vaststellen van de maatregelen die ten aanzien van dergelijke dochterondernemingen moeten worden genomen en, waar passend, een vereenvoudigde benadering toepassen.
(3 bis) Een van de belangrijkste doelstellingen van deze wijzigingsrichtlijn is de invoering van een geactualiseerde aanpak om autoriteiten in staat te stellen het potentiële falen van sommige banken of een groep van banken doeltreffend te behandelen. Die aanpak moet transparantie en voorspelbaarheid bevorderen en tegelijkertijd negatieve economische gevolgen tot een minimum beperken. Een dergelijke aanpak is in overeenstemming met het overkoepelende beginsel van bail-in van Richtlijn 2014/59/EU, maar handhaaft ook de praktische haalbaarheid van de behandeling van het falen van middelgrote banken.
(4) Een instelling of entiteit die op grond van het interne recht wordt geliquideerd naar aanleiding van een vaststelling dat de instelling faalt of waarschijnlijk zal falen en een conclusie van de afwikkelingsautoriteit dat de afwikkeling van deze instelling of entiteit niet in het openbaar belang is, zal uiteindelijk de markt verlaten. Dit houdt in dat geen plan nodig is voor maatregelen die in het geval van falen moeten worden genomen, ongeacht of de bevoegde autoriteit de vergunning van de betrokken instelling of entiteit reeds heeft ingetrokken. Hetzelfde geldt voor een resterend deel van een instelling in afwikkeling na de overdracht van activa, rechten en passiva in het kader van een overdrachtsstrategie. Het is derhalve passend om te specificeren dat de goedkeuring van afwikkelingsplannen in dergelijke situaties niet vereist is.
(5) De afwikkelingsautoriteiten kunnen momenteel bepaalde uitkeringen verbieden wanneer een instelling of entiteit niet aan het gecombineerde buffervereiste voldoet, wanneer dit vereiste naast het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva (“MREL”) in beschouwing wordt genomen. In bepaalde situaties kan van een instelling of entiteit echter worden verlangd dat zij het MREL op een andere basis naleeft dan de basis waarop die instelling of entiteit verplicht is om het gecombineerde buffervereiste na te leven. Deze situatie leidt tot onzekerheid wat betreft de voorwaarden voor de uitoefening van de bevoegdheden van afwikkelingsautoriteiten om uitkeringen te verbieden en voor de berekening van het maximaal uitkeerbare bedrag voor het MREL. Er moet derhalve worden vastgelegd dat de afwikkelingsautoriteiten in deze gevallen de bevoegdheid moeten uitoefenen om bepaalde uitkeringen te verbieden op basis van de raming van het gecombineerde buffervereiste dat voortvloeit uit Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/1118 van de Commissie(9). Om de transparantie en rechtszekerheid te waarborgen, moeten de afwikkelingsautoriteiten de instelling of entiteit in kennis stellen van het geraamde gecombineerde buffervereiste en moet de instelling of entiteit dit vervolgens openbaar maken.
(6) Vroegtijdige-interventiemaatregelen werden ontwikkeld om de bevoegde autoriteiten in staat te stellen de verslechtering van de financiële en economische situatie van een instelling of entiteit te herstellen en om het risico en de gevolgen van een mogelijke afwikkeling zo veel mogelijk te beperken. Vanwege een gebrek aan zekerheid met betrekking tot de voorwaarden voor de toepassing van deze vroegtijdige-interventiemaatregelen en gedeeltelijke overlappingen met toezichtsmaatregelen, zijn vroegtijdige-interventiemaatregelen echter weinig gebruikt. De voorwaarden voor de toepassing van deze vroegtijdige-interventiemaatregelen moeten derhalve worden vereenvoudigd en nader worden gespecificeerd. Om onzekerheden ten aanzien van de voorwaarden en het tijdschema voor het ontslag van het leidinggevend orgaan en de benoeming van tijdelijke bewindvoerders weg te nemen, moeten deze maatregelen uitdrukkelijk worden aangemerkt als vroegtijdige-interventiemaatregelen en moeten dezelfde voorwaarden gelden voor de toepassing ervan. De bevoegde autoriteiten moeten tegelijkertijd worden verplicht om de passende maatregelen te kiezen voor het aanpakken van een specifieke situatie, in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel. Om de bevoegde autoriteiten in staat te stellen om rekening te houden met reputatierisico’s of risico’s in verband met het witwassen van geld of informatie- en communicatietechnologie, moeten de bevoegde autoriteiten de voorwaarden voor de toepassing van vroegtijdige-interventiemaatregelen niet alleen beoordelen op basis van kwantitatieve indicatoren, zoals kapitaal- of liquiditeitsvereisten, de mate van hefboomfinanciering, de hoeveelheid slechte leningen of de concentratie van risico’s, maar ook op basis van kwalitatieve voorwaarden.
(7) Om de rechtszekerheid te verbeteren, moeten de vroegtijdige-interventiemaatregelen van Richtlijn 2014/59/EU die overlappen met de reeds bestaande bevoegdheden uit hoofde van het prudentiële kader van Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad(10), alsook die van Richtlijn (EU) 2019/2034 van het Europees Parlement en de Raad(11) worden geschrapt. Daarnaast moet worden gewaarborgd dat de afwikkelingsautoriteiten zich kunnen voorbereiden op de mogelijke afwikkeling van een instelling of entiteit. De bevoegde autoriteit moet de afwikkelingsautoriteiten derhalve tijdig informeren over de verslechtering van de financiële situatie van een instelling of entiteit en de afwikkelingsautoriteiten moeten beschikken over de nodige bevoegdheden om voorbereidende maatregelen uit te voeren. Om de afwikkelingsautoriteiten in staat te stellen zo snel mogelijk te reageren op een verslechtering van de situatie van een instelling of entiteit is het belangrijk dat de eerdere toepassing van vroegtijdige-interventiemaatregelen geen voorwaarde is voor de afwikkelingsautoriteit voor het treffen van voorzieningen voor de verkoop van de instelling of entiteit of voor het verzoeken om informatie om het afwikkelingsplan te actualiseren en de waardering voor te bereiden. Om een samenhangende, gecoördineerde, doeltreffende en tijdige reactie op de verslechtering van de financiële situatie van een instelling of entiteit te waarborgen en te zorgen voor een goede voorbereiding op een mogelijke afwikkeling, moeten de wisselwerking en coördinatie tussen bevoegde autoriteiten en afwikkelingsautoriteiten worden verbeterd. Zodra een instelling of entiteit voldoet aan de voorwaarden voor de toepassing van vroegtijdige-interventiemaatregelen, moeten bevoegde autoriteiten en afwikkelingsautoriteiten de uitwisseling van informatie, met inbegrip van voorlopige informatie, opvoeren en de financiële situatie van de instelling of entiteit gezamenlijk monitoren.
(8) Het is noodzakelijk om tijdige maatregelen en een vroegtijdige coördinatie tussen de bevoegde autoriteit en de afwikkelingsautoriteit te waarborgen wanneer een instelling of entiteit nog een going concern is, maar er een materieel risico bestaat dat de instelling of entiteit faalt. De bevoegde autoriteit moet de afwikkelingsautoriteit daarom zo snel mogelijk op de hoogte stellen van een dergelijk risico. Deze kennisgeving moet de redenen bevatten voor de beoordeling van de bevoegde autoriteit, evenals een overzicht van de alternatieve maatregelen van de particuliere sector, toezichtsmaatregelen of vroegtijdige-interventiemaatregelen die beschikbaar zijn om het falen van de instelling of entiteit binnen een redelijk tijdsbestek te voorkomen. Een dergelijke vroegtijdige kennisgeving mag niet leiden tot vooringenomenheid bij het bepalen of aan de voorwaarden voor afwikkeling is voldaan. De voorafgaande kennisgeving door de bevoegde autoriteit aan de afwikkelingsautoriteit van een materieel risico dat een instelling of entiteit faalt of waarschijnlijk zal falen, mag geen voorwaarde vormen voor een latere vaststelling dat een instelling of entiteit daadwerkelijk faalt of waarschijnlijk zal falen. Indien in een later stadium wordt vastgesteld dat de instelling of entiteit faalt of waarschijnlijk zal falen en er geen alternatieve oplossingen zijn om een dergelijk falen binnen een redelijk tijdsbestek te voorkomen, moet de afwikkelingsautoriteit bovendien beslissen of zij afwikkelingsmaatregelen neemt. In een dergelijk geval kan de tijdigheid van het besluit om afwikkelingsmaatregelen toe te passen voor een instelling of entiteit cruciaal zijn voor de succesvolle uitvoering van de afwikkelingsstrategie, met name omdat een eerdere interventie in de instelling of entiteit kan bijdragen tot het garanderen van een toereikende verliesabsorberende capaciteit en liquiditeit om die strategie uit te voeren. Het is derhalve passend om de afwikkelingsautoriteit in staat te stellen om, in nauwe samenwerking met de bevoegde autoriteit, te beoordelen wat een redelijk tijdsbestek is voor de uitvoering van alternatieve maatregelen om het falen van de instelling of entiteit te voorkomen. Bij de uitvoering van die beoordeling moet ook rekening worden gehouden met de noodzaak om ervoor te zorgen dat de afwikkelingsautoriteit en de betrokken entiteit in staat blijven de afwikkelingsstrategie effectief uit te voeren indien dat uiteindelijk nodig is, maar dit mag niet beletten dat er alternatieve maatregelen worden genomen. Met name moet het beoogde tijdsbestek voor de alternatieve maatregelen zodanig zijn dat het de doeltreffendheid van een mogelijke uitvoering van de afwikkelingsstrategie niet in gevaar brengt. Om een tijdige uitkomst te waarborgen en de afwikkelingsautoriteit in staat te stellen zich naar behoren voor te bereiden op de mogelijke afwikkeling van de instelling of entiteit, moeten de afwikkelingsautoriteit en de bevoegde autoriteit regelmatig bijeenkomen en moet de afwikkelingsautoriteit een beslissing nemen over de regelmaat van deze vergaderingen op basis van de omstandigheden van de zaak.
(9) Het afwikkelingskader moet op elke mogelijke instelling of entiteit kunnen worden toegepast, ongeacht de omvang en het bedrijfsmodel, indien de op grond van het interne recht beschikbare instrumenten niet toereikend zijn om het falen van deze instelling of entiteit te beheren. Om een dergelijke uitkomst te waarborgen, moeten er criteria worden gespecificeerd voor de uitvoering van de beoordeling van het openbaar belang in verband met een falende instelling of entiteit. In dat verband is het noodzakelijk dat wordt verduidelijkt dat bepaalde functies van de instelling of entiteit, naargelang de specifieke omstandigheden, als kritiek kunnen worden beschouwd, zelfs wanneer de stopzetting hiervan ▌gevolgen zou hebben voor de financiële stabiliteit of kritieke diensten op regionaal niveau, met name wanneer de vervangbaarheid van de kritieke functies wordt bepaald door de relevante geografische markt.
(9 bis) Om te waarborgen dat de beoordeling van de effecten op regionaal niveau kan worden gebaseerd op gegevens die consistent beschikbaar zijn in de hele Unie, moet “regionaal niveau” worden beschouwd als betrekking hebbend op territoriale eenheden van niveau 1 of 2 van de Nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek (NUTS-niveau 1 of 2) in de zin van Verordening (EG) nr. 1059/2003 van het Europees Parlement en de Raad(12).
(10) In de beoordeling van de vraag of de afwikkeling van een instelling of entiteit in het openbaar belang is, moet tot uiting komen dat deposanten beter worden beschermd wanneer middelen van depositogarantiestelsels (“DGS’en”) efficiënter worden gebruikt en de verliezen voor deze fondsen tot een minimum worden beperkt. Daarom moet de afwikkelingsdoelstelling om deposanten te beschermen in de beoordeling van het openbaar belang beter verwezenlijkt worden geacht bij afwikkeling wanneer de keuze voor insolventie duurder zou zijn voor het depositogarantiestelsel.
(10 bis) Wanneer nationale insolventie- en afwikkelingskaders de doelstellingen van het kader daadwerkelijk in dezelfde mate bereiken, moet de voorkeur worden gegeven aan de optie die het risico voor de belastingbetaler en de economie tot een minimum beperkt. Die aanpak waarborgt een prudente en verantwoorde handelwijze, in overeenstemming met de overkoepelende doelstelling om zowel de belangen van de belastingbetaler als de economische stabiliteit in ruimere zin te beschermen.
(11) De beoordeling of de afwikkeling van een instelling of entiteit in het openbaar belang is moet ook, voor zover mogelijk, het verschil weerspiegelen tussen financiering uit door de bedrijfstak gefinancierde vangnetten (afwikkelingsfinancieringsregelingen of DGS’en) enerzijds en financiering door de lidstaten met belastinggeld anderzijds. Door de lidstaten verstrekte financiering brengt een groter moreel risico met zich mee, evenals een kleinere stimulans voor marktdiscipline. Bij de beoordeling van de doelstelling om het gebruik van buitengewone openbare financiële steun tot een minimum te beperken, moeten de afwikkelingsautoriteiten daarom de voorkeur geven aan financiering aan de hand van afwikkelingsfinancieringsregelingen of het depositogarantiestelsel en moet financiering aan de hand van een gelijk bedrag aan begrotingsmiddelen van de lidstaten uitsluitend onder buitengewone omstandigheden worden overwogen.
(11 bis) Indien er toch buitengewone financiële steun aan financiële instellingen en entiteiten met geld van de belastingbetaler wordt verleend, mag dit uitsluitend gebeuren om een ernstige verstoring in de economie van uitzonderlijke en systemische aard te verhelpen, aangezien dit een aanzienlijke last vormt voor de overheidsfinanciën en het gelijke speelveld op de interne markt verstoort.
(12) Om ervoor te zorgen dat de afwikkelingsdoelstellingen op de doeltreffendste wijze worden behaald, mag de uitkomst van de beoordeling van het openbaar belang slechts negatief zijn wanneer de afwikkelingsdoelstellingen met de liquidatie van de falende instelling of entiteit in het kader van een gewone insolventieprocedure op doeltreffender wijze, en niet in dezelfde mate, zouden worden behaald als met afwikkeling.
(12 bis) Bij de keuze tussen afwikkeling en liquidatie moet de voorkeur worden gegeven aan de optie waarvan de totale kosten het laagst zijn. Bij die beoordeling moet rekening worden gehouden met verschillende kosten, waaronder kosten in verband met uitbetalingen door depositogarantiestelsels, zoals de duur die vereist is voor de terugvordering van activa en de tijdens het proces gederfde inkomsten. In gevallen waarin de opties van afwikkeling en liquidatie beide een vergelijkbaar kostenprofiel hebben, moet de voorkeur worden gegeven aan de optie die minder risico’s met zich meebrengt voor de economie, met inbegrip van de overheidsfinanciën en de gevolgen voor de stabiliteit van de economie.
(13) Indien een falende instelling of entiteit niet wordt afgewikkeld, moet deze worden geliquideerd in overeenstemming met de procedures die uit hoofde van het interne recht beschikbaar zijn. Dergelijke procedures kunnen sterk verschillen tussen de lidstaten. Hoewel het passend is om voldoende flexibiliteit voor het gebruik van de bestaande nationale procedures toe te staan, moeten bepaalde aspecten worden verduidelijkt om te waarborgen dat de betrokken instellingen of entiteiten de markt verlaten.
(14) Er moet worden gewaarborgd dat de relevante nationale administratieve of gerechtelijke autoriteit snel een procedure uit hoofde van het interne recht inleidt wanneer een instelling of entiteit wordt geacht te falen of waarschijnlijk te zullen falen en niet wordt afgewikkeld. Indien een vrijwillige liquidatie van de instelling of entiteit bij besluit van aandeelhouders uit hoofde van het interne recht mogelijk is, moet een dergelijke optie beschikbaar blijven. Er moet echter voor worden gezorgd dat de relevante nationale administratieve of gerechtelijke autoriteit optreedt wanneer de aandeelhouders niet snel actie ondernemen.
(15) Er moet ook worden vastgesteld dat de uiteindelijke uitkomst van dergelijke procedures bestaat in het verlaten van de markt door de falende instelling of entiteit of de stopzetting van haar bankdiensten. Afhankelijk van het interne recht kan deze doelstelling op verschillende manieren worden verwezenlijkt. Dit kan de verkoop van de instelling of entiteit of delen ervan, de verkoop van specifieke activa of passiva, een geleidelijke afschrijving of de stopzetting van de bankdiensten, met inbegrip van betalingen en het in ontvangst nemen van deposito’s, inhouden, met het oog op een geleidelijke verkoop van de activa van de instelling of entiteit om de getroffen crediteuren terug te betalen. Om de voorspelbaarheid van de procedures te verbeteren, moet deze uitkomst echter binnen een redelijk tijdsbestek worden verwezenlijkt.
(16) Aan de bevoegde autoriteiten moet de bevoegdheid worden verleend om de vergunning van een instelling of entiteit enkel op basis van het feit dat de instelling of entiteit faalt of waarschijnlijk zal falen en niet wordt afgewikkeld, in te trekken. De bevoegde autoriteiten moeten de vergunning kunnen intrekken ter ondersteuning van de doelstelling van de liquidatie van de instelling of entiteit in overeenstemming met het interne recht, met name in gevallen waarin de beschikbare procedures uit hoofde van het interne recht niet kunnen worden ingeleid op het moment dat wordt vastgesteld dat de instelling of entiteit faalt of waarschijnlijk zal falen, met inbegrip van de gevallen waarin de instelling of entiteit nog niet balansmatig insolvent is. Om verder te waarborgen dat de doelstelling van de liquidatie van de instelling of entiteit kan worden behaald, moeten de lidstaten ervoor zorgen dat de intrekking van de vergunning door de bevoegde autoriteit ook wordt opgenomen onder de mogelijke voorwaarden voor het inleiden van ten minste een van de procedures die uit hoofde van het interne recht beschikbaar zijn en die van toepassing zijn op instellingen of entiteiten die falen of waarschijnlijk zullen falen, maar niet worden afgewikkeld.
(17) In het licht van de ervaringen die zijn opgedaan bij de uitvoering van Richtlijn 2014/59/EU, Verordening (EU) nr. 806/2014 en Richtlijn 2014/49/EU van het Europees Parlement en de Raad(13), is het noodzakelijk om de voorwaarden nader te specificeren waaronder maatregelen van preventieve aard die moeten worden aangemerkt als buitengewone openbare financiële steun bij wijze van uitzondering mogen worden toegekend. Teneinde verstoringen van de mededinging als gevolg van verschillen in de aard van depositogarantiestelsels in de Unie tot een minimum te beperken, moeten interventies van depositogarantiestelsels in het kader van preventieve maatregelen die in overeenstemming zijn met Richtlijn 2014/49/EU en die moeten worden aangemerkt als buitengewone openbare financiële steun bij wijze van uitzondering worden toegestaan wanneer de begunstigde instelling of entiteit aan geen van de voorwaarden voldoet om te worden geacht te falen of waarschijnlijk te zullen falen. Er moet worden gewaarborgd dat preventieve maatregelen op tijd worden genomen. De Europese Centrale Bank (ECB) baseert haar oordeel dat een instelling of entiteit solvent is, met het oog op de preventieve herkapitalisatie, momenteel op een toekomstgerichte beoordeling voor de komende twaalf maanden van de vraag of de instelling of entiteit de vereisten voor de eigen middelen kan naleven, zoals uiteengezet in Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad(14) of in Verordening (EU) 2019/2033 van het Europees Parlement en de Raad(15), evenals het aanvullende vereiste voor de eigen middelen zoals vastgesteld in Richtlijn 2013/36/EU of Richtlijn (EU) 2019/2034. Deze praktijk moet worden vastgesteld in Richtlijn 2014/59/EU. Maatregelen ter ondersteuning van activa die aan een bijzondere waardevermindering onderhevig zijn, met inbegrip van vehikels voor activabeheer of garantiestelsels voor activa, kunnen bovendien doeltreffend en efficiënt zijn bij het aanpakken van oorzaken van mogelijke financiële problemen waarmee instellingen en entiteiten te maken hebben en bij het voorkomen van het falen ervan, en kunnen derhalve relevante preventieve maatregelen zijn. Daarom moet worden gespecificeerd dat dergelijke preventieve maatregelen de vorm van maatregelen voor aan een bijzondere waardevermindering onderhevige activa kunnen aannemen.
(18) Om de marktdiscipline in stand te houden, de overheidsmiddelen te beschermen en verstoringen van de mededinging te voorkomen, moeten preventieve maatregelen een uitzondering blijven en alleen worden genomen om ernstige verstoringen op de markt aan te pakken of de financiële stabiliteit te handhaven, met name in het geval van een systeemcrisis. Preventieve maatregelen mogen bovendien niet worden genomen om geleden of waarschijnlijke verliezen aan te pakken. Het betrouwbaarste instrument voor het vaststellen van verliezen of waarschijnlijke verliezen is een doorlichting van de kwaliteit van activa door de ECB, de Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankenautoriteit, EBA), zoals vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad(16) of door de nationale bevoegde autoriteiten. De bevoegde autoriteiten moeten een dergelijke doorlichting gebruiken om verliezen of waarschijnlijke verliezen vast te stellen indien een dergelijke doorlichting binnen een redelijk tijdsbestek kan worden uitgevoerd. Wanneer dit niet mogelijk is, moeten de bevoegde autoriteiten verliezen of waarschijnlijke verliezen op de betrouwbaarst mogelijke manier onder de heersende omstandigheden vaststellen, waar passend op basis van inspecties ter plaatse.
(19) Preventieve herkapitalisatie is gericht op de ondersteuning van levensvatbare instellingen en entiteiten waarvan is vastgesteld dat zij in de nabije toekomst te maken zullen hebben met tijdelijke moeilijkheden, om te voorkomen dat hun situatie verder verslechtert. Om te voorkomen dat overheidssubsidies worden toegekend aan ondernemingen die reeds onrendabel zijn op het moment dat de steun wordt toegekend, mogen preventieve maatregelen die worden toegekend in de vorm van de verwerving van eigenvermogensinstrumenten of andere kapitaalinstrumenten of door middel van maatregelen voor aan een bijzondere waardevermindering onderhevige activa, niet hoger zijn dan het bedrag dat nodig is om de kapitaaltekorten te dekken, zoals vastgesteld in het ongunstige scenario van een stresstest of een soortgelijke exercitie. Teneinde te waarborgen dat de openbare financiering uiteindelijk wordt stopgezet, moeten deze preventieve maatregelen ook in de tijd beperkt zijn en een duidelijk tijdschema bevatten voor de beëindiging ervan (een “strategie voor het afbouwen van de steunmaatregel”). Perpetuele instrumenten, zoals tier 1-kernkapitaal, mogen alleen in buitengewone omstandigheden worden gebruikt. Voor deze instrumenten moeten bepaalde kwantitatieve grenzen gelden, omdat zij vanwege hun aard niet geschikt zijn voor de naleving van de voorwaarde van de tijdelijke aard.
(20) Preventieve maatregelen moeten beperkt zijn tot het bedrag dat de instelling of entiteit nodig zou hebben om solvent te blijven in het geval van een ongunstige gebeurtenis, zoals bepaald in een stresstest of soortgelijke exercitie. In het geval van preventieve maatregelen in de vorm van maatregelen voor aan een bijzondere waardevermindering onderhevige activa moet de begunstigde instelling of entiteit dat bedrag kunnen gebruiken om de verliezen op de overgedragen activa te dekken of in combinatie met een verwerving van kapitaalinstrumenten, mits de totale hoogte van het vastgestelde tekort niet wordt overschreden. Het is ook noodzakelijk om te waarborgen dat dergelijke preventieve maatregelen in de vorm van maatregelen voor aan een bijzondere waardevermindering onderhevige activa in overeenstemming zijn met de bestaande regels inzake staatssteun en de beste praktijken, dat zij de levensvatbaarheid van de instelling of entiteit op de lange termijn herstellen, dat de staatssteun beperkt is tot het noodzakelijke minimum en dat verstoringen van de mededinging worden vermeden. Om deze redenen moeten de betrokken autoriteiten in het geval van preventieve maatregelen in de vorm van maatregelen voor aan een bijzondere waardevermindering onderhevige activa de specifieke richtsnoeren, waaronder de AMC-blauwdruk(17) en de mededeling over de aanpak van niet-renderende leningen(18), in aanmerking nemen. Deze preventieve maatregelen in de vorm van maatregelen voor aan een bijzondere waardevermindering onderhevige activa moeten altijd voldoen aan de zwaarderwegende voorwaarde van de tijdelijke aard ervan. Openbare garanties die voor een gespecificeerde periode worden toegekend in verband met de aan een bijzondere waardevermindering onderhevige activa van de betrokken instelling of entiteit zullen naar verwachting zorgen voor een betere naleving van de voorwaarde van de tijdelijke aard dan overdrachten van dergelijke activa aan een door de overheid ondersteunde entiteit. Om ervoor te zorgen dat instellingen ▌die ▌steun ontvangen, voldoen aan de voorwaarden voor de steunmaatregel, moeten de bevoegde autoriteiten instellingen die hun verplichtingen niet zijn nagekomen om een plan met corrigerende maatregelen verzoeken. Indien een bevoegde autoriteit van mening is dat de maatregelen in dit plan niet voldoende zijn om te zorgen voor levensvatbaarheid van de instelling op lange termijn of indien de instelling zich niet houdt aan het plan met corrigerende maatregelen, moeten de bevoegde autoriteiten een beoordeling uitvoeren om te bepalen of de instelling faalt of waarschijnlijk zal falen, in overeenstemming met artikel 32 van Richtlijn 2014/59/EU.
(21) Om materiële inbreuken op de prudentiële vereisten op te nemen, moeten de voorwaarden om te bepalen dat holdings falen of waarschijnlijk zullen falen, nader worden gespecificeerd. Een inbreuk op deze vereisten door een holding is materieel wanneer het type en de omvang van een dergelijke inbreuk vergelijkbaar zijn met een inbreuk die, indien zij door een kredietinstelling zou zijn gepleegd, de intrekking van de vergunning door de bevoegde autoriteit zou hebben gerechtvaardigd in overeenstemming met artikel 18 van Richtlijn 2013/36/EU.
(22) De lidstaten kunnen op grond van hun interne recht bevoegd zijn om betalings- of leveringsverplichtingen op te schorten die in aanmerking komende deposito’s omvatten. Indien de opschorting van de betalings- of leveringsverplichtingen niet rechtstreeks verband houdt met de financiële situatie van de kredietinstelling, mogen deposito’s niet onbeschikbaar zijn met het oog op Richtlijn 2014/49/EU. Het is mogelijk dat deposanten als gevolg hiervan voor een langere periode geen toegang tot hun deposito’s hebben. Om het vertrouwen van deposanten in de bankensector en de financiële stabiliteit in stand te houden, moeten de lidstaten ervoor zorgen dat deposanten toegang hebben tot een passend dagelijks bedrag van hun deposito’s om met name de kosten van het levensonderhoud te dekken, in het geval dat hun deposito’s onbeschikbaar worden als gevolg van een opschorting van betalingen om andere redenen dan de uiteindelijke uitbetaling van deposanten. Een dergelijke procedure moet de uitzondering blijven en de lidstaten moeten waarborgen dat deposanten toegang hebben tot passende dagelijkse bedragen.
(23) Om de rechtszekerheid te vergroten en met het oog op de potentiële relevantie van passiva die kunnen voortvloeien uit toekomstige onzekere gebeurtenissen, met inbegrip van de uitkomst van gedingen die lopen op het moment van afwikkeling, is het noodzakelijk om vast te leggen welke behandeling voor deze passiva moet worden toegepast met het oog op de toepassing van het instrument van bail-in. De beginselen die zijn opgenomen in de boekhoudregels, en met name de boekhoudregels die zijn vastgesteld in de internationale standaard voor jaarrekeningen 37, zoals goedgekeurd bij Verordening (EG) nr. 1126/2008 van de Commissie(19), moeten in dit opzicht leidend zijn. Op basis hiervan moeten de afwikkelingsautoriteiten een onderscheid maken tussen voorzieningen en voorwaardelijke verplichtingen. Voorzieningen zijn passiva die verband houden met een waarschijnlijke uitstroom van middelen en die op betrouwbare wijze kunnen worden geraamd. Voorwaardelijke verplichtingen worden niet erkend als boekhoudkundige passiva, omdat zij verband houden met een verplichting die op het moment van de raming niet waarschijnlijk kan worden geacht of niet op betrouwbare wijze kan worden geraamd.
(24) Aangezien voorzieningen boekhoudkundige verplichtingen zijn, moet worden gespecificeerd dat deze voorzieningen op dezelfde wijze moeten worden behandeld als andere verplichtingen. Dergelijke bepalingen moeten bail-inbaar zijn, tenzij zij voldoen aan een van de specifieke criteria om van het toepassingsgebied van het instrument van bail-in te worden uitgesloten. Gezien de potentiële relevantie van deze voorzieningen bij afwikkeling en om zekerheid te bieden bij de toepassing van het instrument van bail-in, moet worden gespecificeerd dat de voorzieningen deel uitmaken van de bail-inbare passiva en dat bijgevolg het instrument van bail-in erop van toepassing is. Er moet ook worden gewaarborgd dat deze passiva en eventuele verplichtingen of vorderingen die daaruit voortvloeien na de toepassing van het instrument van bail-in als voldaan worden beschouwd voor alle doeleinden. Dit is met name relevant voor passiva en verplichtingen die voortvloeien uit rechtsvorderingen op de instelling in afwikkeling.
(25) Volgens de boekhoudkundige beginselen kunnen voorwaardelijke verplichtingen niet als passiva worden erkend en mogen deze derhalve niet bail-inbaar zijn. Er moet echter worden gewaarborgd dat een voorwaardelijke verplichting die zou voortvloeien uit een gebeurtenis die op het moment van afwikkeling onwaarschijnlijk is of niet op betrouwbare wijze kan worden geraamd, geen afbreuk doet aan de doeltreffendheid van de afwikkelingsstrategie, en met name van het instrument van bail-in. Om deze doelstelling te verwezenlijken, moet de taxateur, als onderdeel van de waardering met het oog op afwikkeling, voorwaardelijke verplichtingen beoordelen die zijn opgenomen op de balans van de instelling in afwikkeling en de potentiële waarde van die passiva zo goed mogelijk kwantificeren. Om te waarborgen dat de instelling of entiteit na het afwikkelingsproces gedurende een passende periode voldoende marktvertrouwen kan wekken, moet de taxateur rekening houden met deze potentiële waarde bij het vaststellen van het bedrag waarmee de bail-inbare passiva moeten worden afgeschreven of omgezet om de kapitaalratio’s van de instelling in afwikkeling te herstellen. De afwikkelingsautoriteit moet zijn omzettingsbevoegdheden met name toepassen op bail-inbare passiva voor zover nodig om te waarborgen dat de herkapitalisatie van de instelling in afwikkeling toereikend is om potentiële verliezen te dekken die kunnen worden veroorzaakt door passiva als gevolg van een onwaarschijnlijke gebeurtenis. Bij de beoordeling van het bedrag dat moet worden afgeschreven of omgezet, moet de afwikkelingsautoriteit de gevolgen van het potentiële verlies voor de instellingen in afwikkeling zorgvuldig in aanmerking nemen, op basis van een aantal factoren, waaronder de waarschijnlijkheid dat de gebeurtenis zich voordoet, het tijdsbestek waarin dit gebeurt en de hoogte van de voorwaardelijke verplichting.
(26) In bepaalde omstandigheden kunnen afwikkelingsautoriteiten, nadat de afwikkelingsfinancieringsregeling heeft voorzien in een bijdrage van maximaal 5 % van de totale passiva van de instelling of entiteit, met inbegrip van haar eigen middelen, aanvullende financieringsbronnen gebruiken om hun afwikkelingsmaatregelen nader te ondersteunen. Er moet duidelijker worden gespecificeerd onder welke omstandigheden de afwikkelingsfinancieringsregeling in aanvullende steun kan voorzien wanneer alle passiva met een rang die lager is dan die van deposito’s die niet verplicht of discretionair van bail-in zijn uitgesloten, volledig zijn afgeschreven of omgezet.
(27) Bij Verordening (EU) 2019/876 van het Europees Parlement en de Raad(20), Verordening (EU) 2019/877 van het Europees Parlement en de Raad(21) en Richtlijn (EU) 2019/879 van het Europees Parlement en de Raad(22) is in de Unie de internationale “Total Loss-absorbing Capacity (TLAC) Term Sheet”, die op 9 november 2015 door de Raad voor financiële stabiliteit werd gepubliceerd (de “TLAC-norm”), uitgevoerd voor mondiaal systeemrelevante banken, die in het Unierecht mondiaal systeemrelevante instellingen (MSI’s) worden genoemd. Bij Verordening (EU) 2019/877 en Richtlijn (EU) 2019/879 werd ook het MREL, zoals vastgesteld Richtlijn 2014/59/EU en Verordening (EU) nr. 806/2014, gewijzigd. De bepalingen van Richtlijn 2014/59/EU inzake het MREL moeten in overeenstemming worden gebracht met de uitvoering van de TLAC-norm voor MSI’s wat betreft bepaalde passiva die zouden kunnen worden gebruikt om aan het deel van het MREL te voldoen waarvoor eigen middelen en andere achtergestelde passiva moeten worden gebruikt. Met name passiva die een gelijke rang (pari passu) hebben als bepaalde uitgesloten passiva moeten worden opgenomen onder de eigen middelen en achtergestelde in aanmerking komende instrumenten van af te wikkelen entiteiten wanneer het bedrag van deze uitgesloten passiva op de balans van de af te wikkelen entiteit niet hoger is dan 5 % van het bedrag van de eigen middelen en in aanmerking komende passiva van de af te wikkelen entiteit en deze opname geen risico’s oplevert in verband met het beginsel dat geen enkele crediteur slechter af mag zijn.
(28) De regels voor het bepalen van het MREL zijn hoofdzakelijk gericht op de vaststelling van het passende niveau voor het MREL, waarbij het instrument van bail-in als voorkeursstrategie voor de afwikkeling wordt beschouwd. Richtlijn 2014/59/EU staat de afwikkelingsautoriteiten echter toe andere afwikkelingsinstrumenten te gebruiken, dat wil zeggen instrumenten op basis van de overdracht van de activiteiten van de instelling in afwikkeling aan een particuliere koper of een overbruggingsinstelling. Er moet derhalve worden gespecificeerd dat in het geval dat in het afwikkelingsplan het instrument van verkoop van de onderneming of het instrument van de overbruggingsinstelling ▌wordt beoogd, afzonderlijk of in combinatie met andere afwikkelingsinstrumenten, de afwikkelingsautoriteiten het niveau van het MREL voor de betrokken af te wikkelen entiteit moeten bepalen op basis van de specifieke kenmerken van die afwikkelingsinstrumenten en van de verschillende behoeften aan verliesabsorptie en herkapitalisatie die deze instrumenten met zich meebrengen.
(29) Het niveau van het MREL voor af te wikkelen entiteiten is de som van het bedrag van de bij de afwikkeling verwachte verliezen en het herkapitalisatiebedrag, die de af te wikkelen entiteit in staat stellen aan de voorwaarden voor de vergunning te blijven voldoen en om haar activiteiten gedurende een passende periode te verrichten. Bepaalde voorkeursstrategieën voor afwikkeling omvatten de overdracht van activa, rechten en passiva aan een ontvanger ▌, met name het instrument van verkoop van de onderneming. In deze gevallen is het mogelijk dat de met de herkapitalisatiecomponent nagestreefde doelstellingen niet in dezelfde mate van toepassing zijn, omdat de afwikkelingsautoriteit niet verplicht is te waarborgen dat de af te wikkelen entiteit de naleving van de vereisten voor de eigen middelen na de afwikkeling herstelt. De verliezen zullen in dergelijke gevallen naar verwachting echter hoger zijn dan de vereisten voor de eigen middelen van de af te wikkelen entiteit. Het is derhalve passend om vast te stellen dat het niveau van het MREL voor deze af te wikkelen entiteiten nog steeds een herkapitalisatiebedrag omvat, dat wordt aangepast op een wijze die evenredig is aan de afwikkelingsstrategie.
(30) Indien de afwikkelingsstrategie voorziet in het gebruik van andere afwikkelingsinstrumenten dan uitsluitend bail-in, zullen de herkapitalisatiebehoeften van de betrokken entiteit na afwikkeling doorgaans kleiner zijn dan in het geval van een open bail-in van banken. Bij de kalibratie van het MREL moet in een dergelijk geval met dat aspect rekening worden gehouden bij de raming van het herkapitalisatievereiste. Daarom moeten de afwikkelingsautoriteiten bij de aanpassing van het niveau van het MREL voor af te wikkelen entiteiten waarvan het afwikkelingsplan voorziet in het instrument van verkoop van de onderneming of het instrument van de overbruggingsinstelling ▌, afzonderlijk of in combinatie met andere afwikkelingsinstrumenten, rekening houden met de kenmerken van die instrumenten, met inbegrip van de verwachte omvang van de overdracht aan de particuliere koper of de overbruggingsinstelling, de soorten over te dragen instrumenten, de verwachte waarde en verhandelbaarheid van die instrumenten en de opzet van de voorkeursafwikkelingsstrategie, met inbegrip van het complementaire gebruik van het instrument van afsplitsing van activa. Omdat de afwikkelingsautoriteit per geval een beslissing moet nemen over een mogelijk gebruik bij de afwikkeling van middelen van de depositogarantiestelsels en aangezien een dergelijk besluit niet vooraf met zekerheid kan worden aangenomen, mogen de afwikkelingsautoriteiten bij het kalibreren van het niveau van het MREL geen rekening houden met de potentiële bijdrage van het depositogarantiestelsel bij afwikkeling.
▌
(32) Er is sprake van een wisselwerking tussen het afwikkelingskader en het kader aangaande marktmisbruik. Meer specifiek kunnen de ter voorbereiding van de afwikkeling genomen maatregelen als voorwetenschap worden aangemerkt in de zin van Verordening (EU) nr. 596/2014 van het Europees Parlement en de Raad(23), maar kan de voortijdige openbaarmaking ervan het afwikkelingsproces in gevaar te brengen. Instellingen in afwikkeling kunnen stappen nemen om dit probleem aan te pakken door op grond van artikel 17, lid 5, van Verordening (EU) nr. 596/2014 te verzoeken om uitstel van de openbaarmaking van voorwetenschap. Op het moment van de voorbereiding van de afwikkeling zijn echter niet altijd de juiste stimulansen aanwezig voor de instelling in afwikkeling om het initiatief te nemen om een dergelijk verzoek in te dienen. Om dergelijke situaties te vermijden, moeten de afwikkelingsautoriteiten bevoegd zijn om namens een instelling in afwikkeling rechtstreeks om uitstel van de openbaarmaking van voorwetenschap op grond van artikel 17, lid 5, van Verordening (EU) nr. 596/2014 te verzoeken.
(33) Met het oog op de vereenvoudiging van de afwikkelingsplanning, de beoordeling van de afwikkelbaarheid en de uitoefening van de bevoegdheid om belemmeringen voor de afwikkelbaarheid aan te pakken of weg te nemen en de uitwisseling van informatie te bevorderen, moet de afwikkelingsautoriteit van een instelling met significante bijkantoren in andere lidstaten een afwikkelingscollege oprichten en voorzitten.
(34) Na de initiële opbouwperiode van de afwikkelingsfinancieringsregelingen, zoals bedoeld in artikel 102, lid 1, van Richtlijn 2014/59/EU, kunnen hun respectieve beschikbare financiële middelen licht dalen tot onder hun streefbedrag, met name als gevolg van een toename van gedekte deposito’s. Het bedrag van de vooraf te betalen bijdragen dat in die omstandigheden waarschijnlijk zal worden gebruikt, is dus waarschijnlijk laag. Het is dus mogelijk dat het bedrag van dergelijke vooraf te betalen bijdragen in sommige jaren niet meer in verhouding staat tot de kosten van de inning van die bijdragen. De afwikkelingsautoriteiten moeten daarom de inning van de vooraf te betalen bijdragen voor maximaal drie jaar kunnen uitstellen totdat het te innen bedrag een hoogte bereikt dat in verhouding staat tot de kosten van het inningsproces, mits een dergelijk uitstel geen wezenlijke invloed heeft op het vermogen van afwikkelingsautoriteiten om gebruik te maken van afwikkelingsfinancieringsregelingen.
(35) Onherroepelijke betalingstoezeggingen zijn een van de componenten van de beschikbare financiële middelen van afwikkelingsfinancieringsregelingen. Daarom moeten de omstandigheden worden gespecificeerd waarin die betalingsverplichtingen kunnen worden gebruikt, evenals de toepasselijke procedure bij het beëindigen van de toezeggingen ingeval een instelling of entiteit niet langer verplicht is om bijdragen aan een afwikkelingsfinancieringsregeling te betalen. Daarnaast moeten afwikkelingsautoriteiten, om te zorgen voor meer transparantie en zekerheid met betrekking tot het aandeel onherroepelijke betalingstoezeggingen in het totale bedrag aan vooraf te betalen bijdragen dat moet worden geïnd, een dergelijk aandeel jaarlijks bepalen, in overeenstemming met de toepasselijke grenzen.
(36) Het maximale jaarlijkse bedrag aan buitengewone achteraf te betalen bijdragen aan afwikkelingsfinancieringsregelingen die mogen worden afgeroepen, is momenteel beperkt tot driemaal het bedrag van de vooraf te betalen bijdragen. Na de in artikel 102, lid 1, van Richtlijn 2014/59/EU bedoelde initiële opbouwperiode zullen dergelijke vooraf te betalen bijdragen, in andere omstandigheden dan het gebruik van de afwikkelingsfinancieringsregelingen, slechts afhangen van variaties in het niveau van de gedekte deposito’s en zullen zij derhalve waarschijnlijk laag worden. Het baseren van het maximumbedrag aan buitengewone achteraf te betalen bijdragen op vooraf te betalen bijdragen zou dan tot gevolg kunnen hebben dat de mogelijkheid voor afwikkelingsfinancieringsregelingen om achteraf te betalen bijdragen te mobiliseren, drastisch wordt verkleind, waardoor hun actiecapaciteit wordt beperkt. Om een dergelijke uitkomst te voorkomen, moet een andere grens worden vastgesteld en moet het maximumbedrag aan buitengewone achteraf te betalen bijdragen die mogen worden afgeroepen, worden vastgesteld op driemaal een achtste van het streefbedrag van de desbetreffende afwikkelingsfinancieringsregeling.
(37) Richtlijn 2014/59/EU heeft de rangorde van deposito’s in de nationale wetgeving inzake normale insolventieprocedures deels geharmoniseerd. Deze regels voorzagen een drievoudige rangorde van deposito’s, waarbij gedekte deposito’s de hoogste prioriteit hadden, gevolgd door in aanmerking komende deposito’s van natuurlijke personen en micro-, kleinere en middelgrote ondernemingen boven het dekkingsniveau. De resterende deposito’s, d.w.z. deposito’s van grote bedrijven die het dekkingsniveau overschrijden en deposito’s die niet in aanmerking komen voor terugbetaling door het depositogarantiestelsel, moesten een lagere rangorde hebben, maar hun positie was anders niet geharmoniseerd. Tot slot genoten de vorderingen van de depositogarantiestelsels dezelfde hogere rangorde als gedekte deposito’s. Toch bleek dit niet de optimale oplossing te zijn voor de bescherming van de deposanten. Een gedeeltelijke harmonisatie leidde tot verschillen in de behandeling van die resterende deposanten tussen de lidstaten, met name aangezien een toenemend aantal lidstaten hebben beslist een wettelijke voorkeur toe te kennen aan de resterende deposito’s. Die verschillen zorgden ook voor moeilijkheden bij het bepalen van het contrafeitelijke geval van insolventie voor grensoverschrijdende groepen tijdens de waarderingen van de afwikkelingen. Bovendien konden er door ▌de drievoudige rangorde van vorderingen van deposanten, wel eens problemen ontstaan in verband met de naleving van het beginsel dat geen enkele schuldeiser slechter af mag zijn, vooral wanneer de deposito’s waarvan de rangorde niet was geharmoniseerd door Richtlijn 2014/59/EU op hetzelfde niveau gerangschikt waren als niet-achtergestelde vorderingen. Tot slot was het door de hoge rangorde die was gegeven aan de vorderingen van depositogarantiestelsels voor de beschikbare financieringsmiddelen van die programma’s niet mogelijk ze efficiënter en doelmatiger te gebruiken bij andere interventies dan de uitbetaling van gedekte deposito’s bij insolventie, namelijk in de context van afwikkeling, alternatieve maatregelen bij insolventie of preventieve maatregelen. De bescherming van gedekte deposito’s hangt niet af van de rangorde van de vorderingen van het depositogarantiestelsel, maar is in plaats daarvan verzekerd via de verplichte uitsluitingen van bail-in bij afwikkeling en de onmiddellijke terugbetaling uit het depositogarantiestelsel in geval van onbeschikbaarheid van deposito’s. Daarom moet de rangorde van deposito’s in de huidige hiërarchie van vorderingen worden gewijzigd.
(37 bis) De wijziging van de rangorde van schuldeisers verbetert niet alleen de toegankelijkheid van depositogarantiestelsels en het gemeenschappelijk afwikkelingsfonds, eerder dan het gebruik van overheidssteun, maar effent ook de weg voor financieel effectievere oplossingen bij de afwikkeling van financiële instellingen. Dit moet op zijn beurt de kosten voor de belastingbetaler verlagen en een efficiënt gebruik bevorderen van de verschillende instrumenten die in het financiële ecosysteem van de Unie bestaan.
(38) De rangorde van ▌deposito’s moet volledig geharmoniseerd zijn via de uitvoering van een tweevoudige benadering, waarbij ▌deposito’s van natuurlijke personen en micro‑, kleine en middelgrote ondernemingen een hogere rangorde genieten ten opzichte van in aanmerking komende deposito’s van grote ondernemingen en centrale en regionale overheden. Deze benadering met meerdere niveaus is bedoeld om een breed scala aan deposanten een betere bescherming te bieden, rekening houdend met de unieke kenmerken van hun deposito’s, en tegelijkertijd de mogelijkheid van afwikkeling open te stellen voor entiteiten die niet onder het huidige kader vallen. Tegelijkertijd moet bij het gebruik van de depositogarantiestelsels bij afwikkeling, insolventie en preventieve maatregelen altijd de desbetreffende conditionaliteit worden nageleefd, met name de zogenaamde “laagstekostentoets”.
▌
(41) De veranderingen in de rangorde van deposito’s ▌zouden geen nadelige invloed hebben op de bescherming die in geval van faling wordt geboden aan gedekte deposito’s, aangezien die bescherming zou worden blijven gewaarborgd via de verplichte uitsluiting van gedekte deposito’s van verliesabsorptie in geval van afwikkeling en, uiteindelijk, door de uitbetaling die door het depositogarantiestelsel wordt verstrekt in geval van de onbeschikbaarheid van deposito’s.
(42) Financieringsregelingen voor de afwikkeling kunnen worden gebruikt ter ondersteuning van de toepassing van het instrument van verkoop van de onderneming of van het instrument van de overbruggingsinstelling, waarbij een reeks activa, rechten en passiva van de instelling in financieringsregelingen voor de afwikkeling aan een ontvanger worden overgedragen. In dat geval kan de financieringsregeling voor de afwikkeling een vordering hebben op de resterende instelling of entiteit bij de latere liquidatie ervan volgens een normale insolventieprocedure. Dat kan gebeuren wanneer de financieringsregeling voor de afwikkeling wordt gebruikt in verband met verliezen die crediteuren anders zouden hebben gedragen, onder meer in de vorm van garanties voor activa en passiva, of dekking van het verschil tussen de overgedragen activa en passiva. Om te waarborgen dat de aandeelhouders en crediteuren die zijn achtergebleven in de resterende instelling of entiteit de verliezen van de instelling in afwikkeling daadwerkelijk absorberen en de mogelijkheid van terugbetalingen bij insolventie aan het resolutiespecifieke vangnet verbeteren, moeten die vorderingen van de financieringsregeling voor de afwikkeling tegen de resterende instelling of entiteit, en vorderingen die voortvloeien uit redelijke uitgaven die naar behoren zijn gedaan, wat insolventie betreft een hogere rangorde hebben dan de vorderingen van deposito’s en van het depositogarantiestelsel. Aangezien compensaties die aan aandeelhouders en crediteuren uit de financieringsregelingen voor de afwikkeling worden betaald wegens inbreuken op het beginsel dat geen enkele crediteur slechter af mag zijn, bedoeld zijn om de resultaten van de afwikkelingsmaatregel te compenseren, mogen deze compensaties geen aanleiding geven tot vorderingen van die regelingen.
(43) Om voldoende flexibiliteit te waarborgen en interventies van het depositogarantiestelsel ter ondersteuning van het gebruik van de afwikkelingsinstrumenten te vergemakkelijken, ▌indien nodig om te voorkomen dat verliezen worden gedragen door deposanten, moeten bepaalde aspecten van het gebruik van depositogarantiestelsels bij afwikkeling worden gespecificeerd. Het is met name noodzakelijk te specificeren dat het depositogarantiestelsel kan worden gebruikt om transfertransacties te ondersteunen waarin deposito’s zitten, met inbegrip van in aanmerking komende deposito’s buiten het door het depositogarantiestelsel geboden dekkingsniveau, en ook deposito’s die zijn uitgesloten van terugbetaling door een depositogarantiestelsel, in bepaalde gevallen onder duidelijke voorwaarden. De bijdrage van het depositogarantiestelsel moet gericht zijn op het dekken van het tekort in de waarde van de activa die worden overgedragen aan een koper of bruginstelling in vergelijking met de waarde van de overgedragen deposito’s. Als een bijdrage door de koper vereist is als onderdeel van de transactie om de kapitaalneutraliteit ervan te waarborgen en naleving van de kapitaalvereisten van de koper te behouden, moet het depositogarantiestelsel ook de kans krijgen in die zin bij te dragen. De steun van het depositogarantiestelsel aan de afwikkelingsmaatregel moet de vorm aannemen van cash of andere vormen, zoals garanties of verliesdelingsregelingen die het effect van de steun op de beschikbare financiële middelen van het depositogarantiestelsel kunnen beperken en tegelijkertijd de bijdrage van het depositogarantiestelsel om zijn doelstellingen te behalen, mogelijk maken.
(44) Aan de bijdrage van het depositogarantiestelsel bij afwikkeling moeten bepaalde limieten worden opgelegd. Ten eerste moet worden gewaarborgd dat elk verlies dat het depositogarantiestelsel mogelijk kan dragen als gevolg van een interventie niet groter is dan het verlies dat het depositogarantiestelsel zou lijden bij insolventie als het gedekte deposanten zou uitbetalen en zou subrogeren in hun vorderingen over de activa van de instelling. Dat bedrag moet worden bepaald op basis van de laagstekostentoets, overeenkomstig de criteria en methode die zijn uiteengezet in Richtlijn 2014/49/EU, rekening houdend met alle relevante factoren, waaronder de tijdswaarde van geld en vertragingen bij de terugvordering van middelen in insolventieprocedures. Die criteria en methode moeten ook worden gebruikt bij het bepalen van de behandeling die het depositogarantiestelsel zou hebben gekregen als de instelling de normale insolventieprocedures was opgestart door de uitvoering van de waardering achteraf ter beoordeling van de naleving van het beginsel dat geen enkele schuldeiser slechter af mag zijn en ter bepaling van een eventuele compensatie die aan het depositogarantiestelsel verschuldigd is. Ten tweede mag het bedrag van de bijdrage van het depositogarantiestelsel, bedoeld om het verschil tussen de activa en passiva die aan een koper of aan een bruginstelling moeten worden overgedragen, niet groter zijn dan het verschil tussen de overgedragen activa en de overgedragen deposito’s en passiva met dezelfde of een hogere rangorde bij insolventie dan die deposito’s. Op die manier zou worden gewaarborgd dat de bijdrage van het depositogarantiestelsel alleen wordt gebruikt om te vermijden dat verliezen worden afgewenteld op deposanten, indien passend, en niet ter bescherming van crediteuren die lager gerangschikt zijn dan deposito’s bij insolventie. Niettemin mag de som van de bijdrage van het depositogarantiestelsel om het verschil tussen activa en passiva met de bijdrage van het depositogarantiestelsel tot het eigen fonds van de ontvangende entiteit te dekken, niet hoger zijn dan de kost van het terugbetalen van de gedekte deposanten zoals berekend in het kader van de laagstekostentoets.
(45) Het moet worden gespecificeerd dat het depositogarantiestelsel alleen mag bijdragen tot een andere overdracht van passiva dan gedekte deposito’s in de context van een afwikkeling als de afwikkelingsautoriteit concludeert dat op andere deposito’s dan gedekte deposito’s het instrument van bail-in niet kan worden toegepast, noch worden achtergelaten in de resterende instelling in afwikkeling die zal worden geliquideerd. De afwikkelingsautoriteit moet met name de kans krijgen verliezen te vermijden op die deposito’s waar de uitsluiting strikt noodzakelijk en evenredig is om de continuïteit van de kritieke functies en cruciale bedrijfsonderdelen te behouden of indien dat nodig is om wijdverspreide besmetting en financiële instabiliteit te vermijden, zaken die zouden kunnen leiden tot een ernstige verstoring van de economie van de Unie of van een lidstaat. Dezelfde redenen moeten van toepassing zijn op de opname in de transfer naar een koper of naar een bruginstelling van bail-inbare passiva met een lagere rangorde dan die van deposito’s. In dat geval mag de transfer van die bail-inbare passiva niet worden ondersteund door de bijdrage van het depositogarantiestelsel. Als er financiële steun aan de transfer van die bail-inbare passiva vereist is, moet die steun worden verleend door de financieringsregeling voor de afwikkeling.
(46) Gezien de mogelijkheid om het depositogarantiestelsel te gebruiken bij afwikkeling is het noodzakelijk om de manier waarop de bijdrage van het depositogarantiestelsel kan meetellen bij de berekening van de vereisten om toegang te krijgen tot financieringsregelingen voor de afwikkeling, verder te specificeren. Als de bijdrage die is gedaan door aandeelhouders en crediteuren van de instelling in afwikkeling via verminderingen, afschrijving of omzetting van hun passiva, samen met de bijdrage die wordt gedaan door het depositogarantiestelsel, ten minste 8 % van de totale passiva van de instelling, met inbegrip van eigen fondsen, bedraagt, moet de instelling toegang kunnen krijgen tot de financieringsregeling voor de afwikkeling om verdere financiering te ontvangen als dat nodig is om effectieve afwikkeling te waarborgen overeenkomstig de afwikkelingsdoelstellingen. Als aan die voorwaarden is voldaan, moet de bijdrage van het depositogarantiestelsel beperkt zijn tot het bedrag dat noodzakelijk is om toegang tot de financieringsregeling voor de afwikkeling mogelijk te maken, tenzij het door de financieringsregeling voor de afwikkeling bijgedragen bedrag de grens van 5 % van de totale passiva met inbegrip van eigen fondsen overschrijdt, in welk geval het depositogarantiestelsel naar evenredigheid moet bijdragen aan het surplusbedrag. Om ervoor te zorgen dat de afwikkeling in hoofdzaak gefinancierd blijft door de interne middelen van de instelling en om concurrentieverstoringen tot een minimum te beperken, mag de mogelijkheid om de bijdrage van het depositogarantiestelsel te gebruiken om toegang tot de financieringsregelingen voor de afwikkeling te waarborgen, alleen mogelijk zijn voor instellingen waarvoor het afwikkelingsplan of het groepsafwikkelingsplan niet voorziet in hun liquidatie op ordelijke wijze in geval van faling, aangezien het MREL dat door de afwikkelingsautoriteiten is bepaald voor die instellingen was vastgelegd op een niveau dat zowel de verliesabsorptie als de herkapitalisatiebedragen omvat. De mogelijkheid om de bijdrage van het depositogarantiestelsel te gebruiken om toegang tot de financieringsregelingen voor de afwikkeling te waarborgen, moet ook alleen beschikbaar zijn voor instellingen met een minimale staat van dienst op het gebied van naleving van de MREL-vereisten.
(47) Met het oog op de rol van de EBA bij het bevorderen van de convergentie van de praktijken van de autoriteiten, moet de EBA de opzet en uitvoering van de afwikkelbaarheidsbeoordelingen van instellingen en groepen en de acties en voorbereidingen van afwikkelingsautoriteiten monitoren en er verslag over uitbrengen om een effectieve uitvoering van de afwikkelinginstrumenten en -bevoegdheden te waarborgen. In die verslagen moet de EBA ook het niveau van transparantie beoordelen van de maatregelen die door afwikkelingsautoriteiten worden genomen ten aanzien van relevante externe belanghebbenden en de omvang van hun bijdrage tot afwikkelingsbereidheid en de afwikkelbaarheid van instellingen. De EBA moet bovendien verslag uitbrengen over de maatregelen die door de lidstaten zijn aangenomen ter bescherming van niet-professionele beleggers voor wat betreft schuldinstrumenten die krachtens Richtlijn 2014/59/EU in aanmerking komen voor het MREL, waarbij de potentiële impact op grensoverschrijdende verrichtingen wordt vergeleken en beoordeeld. Het toepassingsgebied van bestaande regelgevende technische normen betreffende de bijkomende vereisten van eigen middelen en het gecombineerde buffervereiste voor af te wikkelen entiteiten moet worden uitgebreid tot entiteiten die niet zijn geïdentificeerd als af te wikkelen entiteiten, indien die vereisten niet op dezelfde basis zijn vastgelegd als het MREL. In het jaarverslag over het MREL moet de EBA ook de beleidsuitvoering door afwikkelingsautoriteiten van de nieuwe regels voor de kalibratie van het MREL voor transferstrategieën beoordelen. In het kader van de taken van de EBA, namelijk bijdragen tot het waarborgen van een samenhangende en gecoördineerde regeling voor crisismanagement en -afwikkeling in de Unie, moet de EBA crisissimulatie-oefeningen coördineren en er toezicht op houden. Die simulaties moeten de coördinatie en samenwerking tussen bevoegde autoriteiten, afwikkelingsautoriteiten en depositogarantiestelsels dekken tijdens de verslechtering van de financiële situatie van instellingen en entiteiten, het testen van de toepassing van het instrumentarium bij herstel- en afwikkelingsplanning, vroegtijdige interventie en afwikkeling op holistische wijze. Bij die oefeningen moeten met name de grensoverschrijdende dimensie in de interactie tussen de bevoegde autoriteiten en de toepassing van de beschikbare instrumenten en bevoegdheden in overweging worden genomen. Indien relevant moeten de crisissimulatie-oefeningen ook de goedkeuring en uitvoering van afwikkelingsregelingen binnen de bankenunie bevatten, krachtens Verordening (EU) nr. 806/2014.
(48) Een kwalitatief hoogstaande effectbeoordeling is cruciaal voor de ontwikkeling van degelijke en empirisch onderbouwde wetgevingsvoorstellen, terwijl feiten en bewijs cruciaal zijn als grondslag voor de beslissingen die worden genomen tijdens de wetgevingsprocedure. Om die reden moeten de afwikkelingsautoriteiten, de bevoegde autoriteiten, de gemeenschappelijke afwikkelingsraad, de ECB en andere leden van het Europees Stelsel van centrale banken en de EBA de Commissie op haar verzoek alle informatie verstrekken die zij nodig heeft voor haar taken in verband met beleidsontwikkeling, met inbegrip van de voorbereiding van effectbeoordelingen en de voorbereiding van en onderhandelingen over wetgevingsvoorstellen.
(49) Richtlijn 2014/59/EU moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.
(50) Aangezien de doelstellingen van deze richtlijn, namelijk het verbeteren van de effectiviteit en efficiëntie van het herstel- en afwikkelingskader voor instellingen en entiteiten, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt vanwege de risico’s dat uiteenlopende nationale benaderingen voor de integriteit van de interne markt met zich mee kunnen brengen, maar veeleer door het wijzigen van regels die reeds op Unieniveau zijn vastgesteld, op Unieniveau kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel maatregelen vaststellen. Overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel, zoals neergelegd in datzelfde artikel, gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken,
HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:
Artikel 1
Wijziging van Richtlijn 2014/59/EU
Richtlijn 2014/59/EU wordt als volgt gewijzigd:
1) Artikel 2, lid 1, wordt als volgt gewijzigd:
a) het volgende punt 29 bis wordt ingevoegd:"
“29 bis. “alternatieve maatregel vanuit de particuliere sector”: elke steun die niet aangemerkt is als buitengewone openbare financiële steun;”;
"
b) punt 35 wordt vervangen door:"
“35. “kritieke functies”: activiteiten, diensten of bedrijfsactiviteiten waarvan de onderbreking naar alle waarschijnlijkheid in een of meer lidstaten tot een verstoring van essentiële diensten aan de reële economie zal leiden of, wegens de omvang of het marktaandeel van een instelling of groep, haar verwevenheid met entiteiten binnen en buiten een groep, haar complexiteit of haar grensoverschrijdende activiteiten, de financiële stabiliteit op nationaal niveau of, indien relevant, regionaal niveau zal verstoren, vooral wat de vervangbaarheid ervan betreft.Voor de toepassing van dit punt moet “regionaal niveau” worden beschouwd als betrekking hebbend op territoriale eenheden van niveau 1 van de Nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek (NUTS-niveau 1) in de zin van Verordening (EG) nr. 1059/2003 van het Europees Parlement en de Raad* of NUTS-niveau 2 indien een aanzienlijke verstoring van diensten op NUTS-niveau 2 een wezenlijk risico van een systeemcrisis op nationaal niveau inhoudt;
_____________
* Verordening (EG) nr. 1059/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 betreffende de opstelling van een gemeenschappelijke nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek (NUTS) (PB L 154 van 21.6.2003,blz. 1).”;
"
c) punt 71 wordt vervangen door:"
“71. “bail-inbare passiva”: de passiva, met inbegrip van die welke aanleiding geven tot boekhoudkundige voorzieningen, en kapitaalinstrumenten die niet in aanmerking komen als tier 1-kernkapitaalinstrumenten, aanvullende tier 1-instrumenten of tier 2-instrumenten van een instelling of entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, punten b), c) of d), en die niet van het toepassingsgebied van het instrument van bail-in zijn uitgesloten op grond van artikel 44, lid 2;”;
"
d) de volgende punten 83 quinquies en 83 sexies worden ingevoegd:"
“83 quinquies. “niet-EU mondiaal systeemrelevante instelling” of “niet-EU-MSI”: een niet-EU-MSI in de zin van artikel 4, lid 1, punt 134, van Verordening (EU) nr. 575/2013;
83 sexies.
“MSI-entiteit”: een entiteit uit de financiële sector in de zin van artikel 4, lid 1, punt 136, van Verordening (EU) nr. 575/2013;”;
"
e) het volgende punt 93 bis wordt ingevoegd:"
“93 bis. “deposito”: ten behoeve van de artikelen 108 en 109, deposito zoals gedefinieerd in artikel 2, lid 1, punt 3, van Richtlijn 2014/49/EU;”.
"
2) In artikel 5 worden de leden 2, 3 en 4 vervangen door:"
“2. De bevoegde autoriteiten dragen er zorg voor dat de instellingen hun herstelplannen ten minste een keer per jaar bijwerken of na een verandering in de juridische of organisatiestructuur van de instelling, haar bedrijfsactiviteiten of haar financiële positie, welke een wezenlijk effect op het herstelplan kan hebben of een materiële wijziging hierin noodzakelijk maakt. De bevoegde autoriteiten kunnen van de instellingen eisen dat deze hun herstelplannen vaker bijwerken.
In afwezigheid van veranderingen genoemd in het eerste lid in de 12 maanden volgend op de meest recente jaarlijkse update van het herstelplan kunnen de bevoegde autoriteiten uitzonderlijk afstand doen van de verplichting om het herstelplan te updaten tot de volgende periode van 12 maanden. Een dergelijke ontheffing wordt niet verleend voor meer dan twee opeenvolgende perioden van 12 maanden.
3. De herstelplannen gaan niet uit van toegang tot of ontvangst van een van de volgende zaken:
a)
buitengewone openbare financiële steun;
b)
noodliquiditeitssteun van een centrale bank;
c)
liquiditeitssteun van een centrale bank die is verleend onder niet-standaardvoorwaarden inzake zekerheidstelling, looptijd of rentevoet.
4. In de herstelplannen wordt, in voorkomend geval, geanalyseerd hoe en wanneer een instelling onder de in het plan vermelde omstandigheden een verzoek om het gebruik van centrale bankfaciliteiten die niet zijn uitgesloten van het toepassingsgebied van het herstelplan uit hoofde van lid 3 mag indienen, en wordt aangegeven welke activa naar verwachting als zekerheid in aanmerking zouden komen.”.
"
3) In artikel 6 wordt lid 5 vervangen door:"
“5. Indien de bevoegde autoriteit oordeelt dat het herstelplan wezenlijke tekortkomingen vertoont of dat er wezenlijke belemmeringen zijn voor de tenuitvoerlegging ervan, stelt zij de instelling of de moederonderneming van de groep in kennis van haar beoordeling en eist zij dat de instelling binnen 3 maanden, met de toestemming van de autoriteiten verlengbaar met 1 maand, een herzien plan indient waaruit blijkt hoe de tekortkomingen of belemmeringen worden aangepakt.”.
"
4) In artikel 8, lid 2, wordt de derde alinea vervangen door:"
“Op verzoek van een bevoegde autoriteit kan de EBA overeenkomstig artikel 31, lid 2, punt c), Verordening (EU) nr. 1093/2010 de bevoegde autoriteiten helpen bij het bereiken van een gezamenlijk besluit.”.
"
5) ▌Artikel 10 wordt als volgt gewijzigd:
a) lid 7 wordt als volgt gewijzigd:
i) het volgende punt wordt ingevoegd:"
“a bis) in voorkomend geval, een gedetailleerde beschrijving van de redenen op grond waarvan wordt bepaald dat een instelling moet worden aangemerkt als liquidatie-entiteit, waarbij wordt toegelicht hoe de afwikkelingsautoriteit tot de conclusie is gekomen dat bij de instelling kritieke functies ontbreken;”;
"
ii) het volgende punt wordt ingevoegd:"
“j bis) een beschrijving waarin wordt toegelicht hoe met de verschillende afwikkelingsstrategieën het best de doelstellingen van artikel 31 kunnen worden bereikt;”;
"
iii) het volgende punt wordt ingevoegd: "
“p bis) een gedetailleerde en gekwantificeerde lijst van gedekte deposito’s en in aanmerking komende deposito’s van natuurlijke personen en micro-, kleine en middelgrote ondernemingen;”;
"
b) het volgende lid 8 bis wordt ingevoegd:"
“8 bis. Afwikkelingsautoriteiten keuren geen afwikkelingsplannen goed wanneer er insolventieprocedures zijn ingeleid ten aanzien van een entiteit overeenkomstig het toepasselijke nationale recht uit hoofde van artikel 32 ter of wanneer artikel 37, lid 6, van toepassing is.”;
"
c) in lid 9 wordt de tweede alinea vervangen door:"
“De EBA dient uiterlijk op ... [twaalf maanden na de datum van inwerkingtreding van deze wijzigingsrichtlijn] herziene ontwerpen van technische reguleringsnormen in bij de Commissie.”.
"
6) Artikel 12 wordt als volgt gewijzigd:
a) aan lid 1 worden de volgende derde en vierde alinea toegevoegd:"
“De vaststelling van de maatregelen die moeten worden genomen ten aanzien van de in de eerste alinea, punt b), bedoelde dochterondernemingen die geen af te wikkelen entiteiten zijn, kan door de af te wikkelen entiteiten aan een vereenvoudigde aanpak worden onderworpen indien een dergelijke aanpak de afwikkelbaarheid van de groep niet negatief beïnvloedt, rekening houdend met de omvang van de dochteronderneming, haar risicoprofiel, het ontbreken van kritieke functies en de afwikkelingsstrategie van de groep.
In het groepsafwikkelingsplan wordt bepaald of andere entiteiten binnen een afwikkelingsgroep dan de af te wikkelen entiteit in aanmerking komen als liquidatie-entiteit. Onverminderd andere factoren die de afwikkelingsautoriteiten mogelijk relevant achten, komen entiteiten die kritieke functies vervullen niet in aanmerking als liquidatie-entiteit.”;
"
a bis) lid 2 wordt vervangen door:"
“2. Het groepsafwikkelingsplan wordt op basis van de vereisten van artikel 10 en de krachtens artikel 11 verstrekte informatie opgesteld.”;
"
a ter) in lid 3 wordt het volgende punt ingevoegd:"
“(-a bis) omvat een gedetailleerde beschrijving van de redenen op grond waarvan wordt bepaald of een groepsentiteit als bedoeld in lid 1, punten a) tot en met d), in aanmerking komt als liquidatie-entiteit, waarbij wordt toegelicht hoe de afwikkelingsautoriteit tot de conclusie is gekomen dat bij de instelling kritieke functies ontbreken en hoe rekening is gehouden met de ratio van het totaal van de risicoposten en bedrijfsopbrengsten van de instelling in het totaal van de risicoposten en bedrijfsopbrengsten van de groep, alsook met de hefboomratio van de groepsentiteit binnen de groep;”;
"
b) het volgende lid 5 bis wordt ingevoegd:"
“5 bis. Afwikkelingsautoriteiten keuren geen afwikkelingsplannen goed wanneer er insolventieprocedures zijn ingeleid ten aanzien van een entiteit ▌overeenkomstig het toepasselijke nationale recht uit hoofde van artikel 32 ter of wanneer artikel 37, lid 6, van toepassing is.”.
"
7) In artikel 13, lid 4, wordt de vierde alinea vervangen door:"
“Op verzoek van een afwikkelingsautoriteit kan de EBA overeenkomstig artikel 31, lid 2, punt c), van Verordening (EU) nr. 1093/2010 de afwikkelingsautoriteiten bijstaan bij het bereiken van een gezamenlijk besluit.”.
"
8) Aan artikel 15 wordt het volgende lid 5 toegevoegd:"
“5. De EBA controleert de opstelling van een intern beleid voor en de uitvoering van de afwikkelbaarheidsbeoordelingen van instellingen of groepen die door de afwikkelingsautoriteiten voorzien waren in dit artikel en in artikel 16. De EBA brengt aan de Commissie verslag uit over de bestaande praktijken inzake afwikkelbaarheidsbeoordelingen en mogelijke verschillen tussen lidstaten tegen … [PB in te voegen datum = 2 jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] en controleert indien passend de uitvoering van aanbevelingen die in dat verslag staan.
Het in de eerste alinea bedoelde verslag omvat ten minste het volgende:
a)
een beoordeling van de methoden die door afwikkelingsautoriteiten zijn ontwikkeld om afwikkelbaarheidsbeoordelingen te maken, waarbij ook mogelijke verschillen tussen lidstaten worden bekeken;
b)
een beoordeling van de testcapaciteiten die afwikkelingsautoriteiten nodig hebben om een effectieve uitvoering van de afwikkelingsstrategie te waarborgen;
c)
het niveau van transparantie ten aanzien van relevante belanghebbenden van de methoden die door afwikkelingsautoriteiten zijn ontwikkeld om afwikkelbaarheidsbeoordelingen te maken en de uitkomst daarvan.”.
"
9) Aan artikel 16 bis wordt het volgende lid 7 toegevoegd:"
“7. Wanneer een entiteit niet op dezelfde basis aan het gecombineerde buffervereiste is onderworpen als de basis waarop zij aan de in de artikelen 45 quater en 45 quinquies bedoelde vereisten moet voldoen, passen de afwikkelingsautoriteiten de leden 1 tot en met 6 van dit artikel toe op basis van de raming van het gecombineerde buffervereiste dat is berekend overeenkomstig Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/1118* van de Commissie. Artikel 128, vierde lid, van Richtlijn 2013/36/EU is van toepassing.
De afwikkelingsautoriteiten nemen het in de eerste alinea bedoelde geraamde gecombineerde buffervereiste op in het besluit tot vaststelling van de in de artikelen 45 quater en 45 quinquies van deze Richtlijn bedoelde vereisten. De entiteit maakt het geraamde gecombineerde buffervereiste samen met de in artikel 45 decies, lid 3 bedoelde informatie openbaar.
______________________________
* Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/1118 van de Commissie van 26 maart 2021 tot aanvulling van Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van de door afwikkelingsautoriteiten te gebruiken methode voor het ramen van het in artikel 104 bis van Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad bedoelde vereiste en het gecombineerde buffervereiste voor af te wikkelen entiteiten op het geconsolideerde niveau van de af te wikkelen groep, ingeval de af te wikkelen groep niet onderworpen is aan die vereisten uit hoofde van die richtlijn (PB L 241 van 8.7.2021, blz. 1).”.
"
10) ▌Artikel 17 wordt als volgt gewijzigd:
a) aan lid 4 wordt de volgende derde alinea toegevoegd:"
“Als de door de betrokken autoriteit voorgestelde maatregelen de belemmeringen voor de afwikkelbaarheid effectief wegnemen, zal de afwikkelingsautoriteit, na raadpleging van de bevoegde autoriteit, een beslissing nemen. Uit die beslissing zal blijken dat de voorgestelde maatregelen de belemmeringen voor de afwikkelbaarheid effectief verminderen of wegnemen en van de entiteit vereisen dat zij de voorgestelde maatregelen uitvoert.”;
"
b) het volgende lid wordt toegevoegd:"
“8 bis. De afwikkelingsautoriteit publiceert aan het einde van elke afwikkelingsplanningscyclus een geanonimiseerde lijst met een overzicht in geaggregeerde vorm van alle vastgestelde wezenlijke belemmeringen voor de afwikkelbaarheid, en relevante maatregelen om deze aan te pakken. De vertrouwelijkheidsbepalingen van artikel 84 van deze richtlijn zijn van toepassing.”.
"
11) Artikel 18 wordt als volgt gewijzigd:
a) lid 4 wordt vervangen door:"
“4. De afwikkelingsautoriteit op groepsniveau deelt elke maatregel die wordt voorgesteld door de EU-moederonderneming, mee aan de consoliderende toezichthouder, de EBA, de afwikkelingsautoriteiten van de dochterondernemingen en de afwikkelingsautoriteiten in de jurisdicties waar significante bijkantoren gevestigd zijn, voor zover een en ander relevant is voor het significante bijkantoor. Na raadpleging van de bevoegde autoriteiten en de afwikkelingsautoriteiten in de rechtsgebieden waar significante bijkantoren gevestigd zijn, doet de afwikkelingsautoriteit op groepsniveau en de afwikkelingsautoriteiten van de dochterondernemingen alles wat in hun vermogen ligt om binnen het afwikkelingscollege tot een gezamenlijk besluit te komen met betrekking tot de vaststelling van de wezenlijke belemmeringen en, indien nodig, de beoordeling van de door de EU-moederonderneming voorgestelde maatregelen alsmede de door de autoriteiten geëiste maatregelen om de belemmeringen aan te pakken of weg te nemen, waarbij rekening gehouden wordt met de mogelijke gevolgen van de maatregelen in alle lidstaten waar de groep actief is.”;
"
b) lid 9 wordt vervangen door:"
“9. Bij het uitblijven van een gezamenlijk besluit over het nemen van maatregelen als bedoeld in artikel 17, lid 5, punt g), h) of k), kan de EBA, op verzoek van een afwikkelingsautoriteit overeenkomstig leden 6, 6 bis of 7 van dit artikel, de afwikkelingsautoriteiten overeenkomstig artikel 19, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1093/2010 assistentie verlenen bij het bereiken van overeenstemming.”.
"
12) De artikelen 27 en 28 worden vervangen door:"
“Artikel 27
Vroegtijdige-interventiemaatregelen
1. De lidstaten dragen er zorg voor dat bevoegde autoriteiten zonder onnodige vertraging vroegtijdige-interventiemaatregelen overwegen en dezewaar passend toepassen indien een instelling of entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, punten b), c) of d), voldoet aan een van de volgende voorwaarden:
a)
de instelling of entiteit voldoet aan de voorwaarden als bedoeld in artikel 102 van Richtlijn 2013/36/EU of in artikel 38 van Richtlijn (EU) 2019/2034, of de bevoegde autoriteit heeft bepaald dat de door de instelling of entiteit toegepaste regelingen, strategieën, processen en mechanismen en de eigen fondsen en liquiditeit die door die instelling of entiteit worden aangehouden, geen gezond beheer en gezonde dekking van haar risico’s waarborgt, en geen van de volgende zaken is van toepassing:
i)
de instelling of entiteit heeft niet de door de bevoegde autoriteit vereiste corrigerende maatregelen genomen, waaronder de maatregelen bedoeld in artikel 104 van Richtlijn 2013/36/EU of in artikel 49 van Richtlijn (EU) 2019/2034;
ii)
de bevoegde autoriteit oordeelt dat andere corrigerende maatregelen dan vroegtijdige-interventiemaatregelen onvoldoende zijn om de problemen aan te pakken ▌;
b)
de instelling of entiteit schendt in de twaalf maanden na de beoordeling van de bevoegde autoriteit de vereisten die zijn vastgelegd in titel II van Richtlijn 2014/65/EU, in de artikelen 3 tot en met 7, de artikelen 14 tot en met 17, of de artikelen 24, 25 en 26 van Verordening (EU) nr. 600/2014, of in de artikelen 45 sexies of 45 septies van deze verordening, of zal deze waarschijnlijk schenden.
Indien er sprake is van een aanzienlijke verslechtering van de situatie of zich ongunstige omstandigheden voordoen of er nieuwe informatie over een entiteit wordt verkregen, kan de bevoegde autoriteit ▌bepalen dat aan de in de eerste alinea, punt a), ii), bedoelde voorwaarde is voldaan zonder eerder andere corrigerende maatregelen te hebben genomen, waaronder de uitoefening van de bevoegdheden bedoeld in artikel 104 van Richtlijn 2013/36/EU of in artikel 39, van Richtlijn (EU) 2019/2034.
Voor de toepassing van de eerste alinea, punt b), van dit lid dragen de lidstaten er zorg voor dat de bevoegde autoriteiten uit hoofde van Richtlijn 2014/65/EU of Verordening (EU) nr. 600/2014 of, waar passend, de afwikkelingsautoriteit de bevoegde autoriteit onverwijld in kennis stellen van de inbreuk of waarschijnlijke inbreuk.
1 bis. Voor de toepassing van lid 1 omvatten de vroegtijdige-interventiemaatregelen het volgende:
a)
het vereiste dat het leidinggevend orgaan van de instelling of entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, punten b), c) of d), een van de volgende handelingen verricht:
i)
een of meer regelingen of maatregelen van het herstelplan uitvoeren;
ii)
het herstelplan overeenkomstig artikel 5, lid 2, bijwerken wanneer de omstandigheden die tot de vroegtijdige interventie hebben geleid, verschillen van de aannamen in het oorspronkelijke herstelplan en binnen een specifieke termijn een of meer van de in het bijgewerkte herstelplan opgenomen regelingen of maatregelen uitvoeren;
b)
het vereiste dat het leidinggevend orgaan van de instelling of entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, punten b), c) of d), een vergadering van aandeelhouders van de entiteit bijeenroept, of, indien het leidinggevend orgaan niet aan dat vereiste voldoet, zelf rechtstreeks een aandeelhoudersvergadering bijeenroepen, en in beide gevallen de agenda vaststellen en verlangen dat bepaalde besluiten ter aanneming door de aandeelhouders worden voorgelegd;
c)
het vereiste dat het leidinggevend orgaan van de instelling of entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, punten b), c) of d), een actieplan opstelt, in voorkomend geval in overeenstemming met het herstelplan, voor onderhandelingen over de herstructurering van de schuld met sommige of al haar crediteuren;
d)
het vereiste om de juridische structuur van de instelling te wijzigen;
e)
het vereiste om het hoger management of het leidinggevend orgaan van de instelling of entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, punten b), c) of d), in zijn geheel of met betrekking tot individuele personen te ontslaan of te vervangen, overeenkomstig artikel 28;
f)
aanstelling van een of meer tijdelijk bewindvoerders in de instelling of entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, punten b), c) of d), overeenkomstig artikel 29.
f bis)
het vereiste voor het leidinggevend orgaan van de entiteit om een plan op te stellen dat de entiteit kan uitvoeren indien de relevante rechtspersoon van de entiteit besluit over te gaan tot de vrijwillige liquidatie van de entiteit.
2. De bevoegde autoriteiten kiezen de passende en tijdige vroegtijdige-interventiemaatregelen op basis van wat evenredig is met de nagestreefde doelstellingen, gelet op de ernst van de inbreuk of waarschijnlijke inbreuk en de snelheid van de verslechtering van de financiële situatie van de instelling of entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, punten b), c) of d), naast andere relevante informatie.
3. Voor elk van de in lid 1 bis genoemde maatregelen stellen de bevoegde autoriteiten een termijn vast die passend is voor de voltooiing van die maatregel en die de bevoegde autoriteit in staat stelt de doeltreffendheid ervan te beoordelen.
De beoordeling van de maatregel wordt onmiddellijk na het verstrijken van de termijn uitgevoerd en gedeeld met de afwikkelingsautoriteit. Indien uit de beoordeling naar voren komt dat de maatregelen niet volledig zijn uitgevoerd of niet doeltreffend zijn, verricht de bevoegde autoriteit, na raadpleging van de afwikkelingsautoriteit, een beoordeling van de in artikel 32, lid 1, punt a), bedoelde voorwaarde.
4. De EBA vaardigt uiterlijk [PB in te voegen datum = 12 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze wijzigingsrichtlijn] ontwerpen van technische reguleringsnormen uit ▌om de consequente toepassing van de voorwaarden voor het gebruik van de maatregelen als bedoeld in lid 1 van dit artikel te stimuleren.
Aan de Commissie wordt de bevoegdheid overgedragen om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen, overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.
Artikel 28
Vervanging van het hoger management of het leidinggevend orgaan
Voor de toepassing van artikel 27, lid 1a, punt e), zorgen de lidstaten ervoor dat het nieuwe hoger management of leidinggevend orgaan, of worden individuele leden van die organen, benoemd overeenkomstig de wetgeving van de Unie en de nationale wetgeving en onderworpen aan de goedkeuring van de bevoegde autoriteit.”.
"
13) Artikel 29 wordt als volgt gewijzigd:
a) de leden 1, 2 en 3 worden vervangen door:"
“1. Voor de toepassing van artikel 27, lid 1a, punt f), zorgen de lidstaten ervoor dat de bevoegde autoriteiten op basis van wat onder de omstandigheden evenredig is, een tijdelijke bewindvoerder aanstellen om een van de volgende zaken te doen:
a)
het leidinggevend orgaan van de instelling of entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, punten b), c) of d), tijdelijk vervangen;
b)
tijdelijk werken met het leidinggevend orgaan van de instelling of entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, punten b), c) of d).
De bevoegde autoriteit specificeert haar keuze onder de punten a) of b) bij de benoeming van de tijdelijke bewindvoerder.
Voor de toepassing van de eerste alinea, punt b), specificeert de bevoegde autoriteit voorts op het tijdstip van de benoeming van de tijdelijke bewindvoerder de rol, taken en bevoegdheden van die tijdelijke bewindvoerder en eventuele vereisten voor het leidinggevend orgaan van de instelling of entiteit om de tijdelijke bewindvoerder te raadplegen of de goedkeuring van de tijdelijke bewindvoerder te verkrijgen alvorens bepaalde besluiten of maatregelen te nemen.
De lidstaten eisen van de bevoegde autoriteit dat zij de aanstelling van een tijdelijk bewindvoerder openbaar maakt, behalve indien de tijdelijke bewindvoerder niet de bevoegdheid heeft om de in artikel 1, lid 1, punten b), c) of d), genoemde instelling of entiteit te vertegenwoordigen of namens deze besluiten te nemen.
De lidstaten zorgen er voorts voor dat een tijdelijke bewindvoerder voldoet aan de vereisten van artikel 91, leden 1, 2 en 8, van Richtlijn 2013/36/EU. De beoordeling door bevoegde autoriteiten of de tijdelijke bewindvoerder aan die vereisten voldoet, maakt integraal deel uit van het besluit tot benoeming van die tijdelijke bewindvoerder.
2. Welke bevoegdheden de tijdelijk bewindvoerder heeft, wordt bij zijn of haar aanstelling door de bevoegde autoriteit naargelang van de omstandigheden bepaald. Deze bevoegdheden kunnen sommige of alle bevoegdheden omvatten die het leidinggevend orgaan van de instelling of entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, punten b), c) of d), krachtens de statuten van de instelling of entiteit en het nationale recht heeft, met inbegrip van de bevoegdheid om sommige of alle bestuurlijke taken van het bestuur van de instelling of entiteit uit te oefenen. De bevoegdheden van de tijdelijk bewindvoerder met betrekking tot de instelling of entiteit moeten voldoen aan het toepasselijke vennootschapsrecht. Deze bevoegdheden kunnen door de bevoegde autoriteit worden aangepast in het geval dat de omstandigheden veranderen.
3. De bevoegde autoriteit bakent bij de aanstelling van de tijdelijk bewindvoerder diens rol en taken af. Die rollen en taken kunnen de volgende zaken omvatten:
a)
beoordelen van de financiële positie van de instelling of entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, punten b), c) of d);
b)
beheren van het bedrijf of een deel van het bedrijf door de instelling of entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, punten b), c) of d), om haar financiële positie te behouden of te herstellen;
c)
maatregelen nemen om het gezonde en voorzichtige beheer van het bedrijf of de instelling of entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, punten b), c) of d), te herstellen.
De bevoegde autoriteit specificeert beperkingen op de rol en taken van de tijdelijk bewindvoerder op het ogenblik van zijn of haar aanstelling.”;
"
b) in lid 5 wordt de tweede alinea vervangen door:"
“Hoe dan ook mag de tijdelijk bewindvoerder de bevoegdheid om de algemene aandeelhoudersvergadering van de instelling of entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, punten b), c) of d), bijeen te roepen en de agenda van die vergadering vast te stellen, alleen uitoefenen na voorafgaande toestemming van de bevoegde autoriteit.”;
"
c) lid 6 wordt vervangen door:"
“6. Op verzoek van de bevoegde autoriteit stelt de tijdelijke bewindvoerder met door de bevoegde autoriteit vastgestelde tussenpozen, ten minste één keer, na het verstrijken van de eerste zes maanden, en in elk geval aan het einde van zijn mandaat verslagen op over de financiële positie van de instelling of entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, punten b), c) of d), en over de handelingen die hij gedurende zijn mandaat heeft verricht.”;
"
c bis) lid 7 wordt vervangen door:"
“7. De tijdelijke bewindvoerder wordt benoemd voor ten hoogste één jaar. Deze periode kan bij uitzondering eenmaal worden verlengd indien nog steeds aan de voorwaarden voor het aanstellen van de tijdelijke bewindvoerder wordt voldaan. Het is de verantwoordelijkheid van de bevoegde autoriteit om uit te maken of aan die voorwaarden wordt voldaan en om een dergelijk besluit aan de aandeelhouders te verantwoorden.”.
"
14) Artikel 30 wordt als volgt gewijzigd:
a) de titel wordt vervangen door:"
“Coördinatie van vroegtijdige-interventiemaatregelen met betrekking tot groepen”;
"
b) de leden 1 tot en met 4 worden vervangen door:"
“1. Indien is voldaan aan de voorwaarden voor het opleggen van vroegtijdige-interventiemaatregelen uit hoofde van artikel 27 met betrekking tot een EU-moederonderneming, brengt de consoliderende toezichthouder de EBA op de hoogte en raadpleegt hij de andere bevoegde autoriteiten binnen het college van toezichthouders alvorens een vroegtijdige-interventiemaatregel toe te passen.
2. Ten vervolge op de in lid 1 genoemde kennisgeving en raadpleging beslist de consoliderende toezichthouder of de vroegtijdige-interventiemaatregelen uit hoofde van artikel 27 voor de betrokken EU-moederonderneming zullen worden toegepast, rekening houdend met het effect van deze maatregelen op de groepsentiteiten in andere lidstaten. De consoliderende toezichthouder stelt de EBA binnen het toezichtcollege alsook de andere bevoegde autoriteiten van het besluit in kennis.
3. Indien aan de voorwaarden voor het opleggen van vroegtijdige-interventiemaatregelen uit hoofde van artikel 27 is voldaan met betrekking tot een dochteronderneming van een EU-moederonderneming, stelt de bevoegde autoriteit die verantwoordelijk is voor toezicht op individuele basis en die voornemens is in overeenstemming met deze artikelen een maatregel te nemen, de EBA in kennis en raadpleegt zij de consoliderende toezichthouder.
Na ontvangst van de kennisgeving kan de consoliderende toezichthouder beoordelen welke gevolgen het opleggen van vroegtijdige-interventiemaatregelen uit hoofde van artikel 27 in de instelling of entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, punten b), c) of d), in kwestie voor de groep of groepsentiteiten in andere lidstaten zal hebben. De bevoegde autoriteit wordt door de consoliderende toezichthouder binnen drie dagen van deze beoordeling in kennis gesteld.
Na die kennisgeving en dat overleg beslist de bevoegde autoriteit of er een vroegtijdige-interventiemaatregel moet worden toegepast. Daarbij wordt naar behoren rekening gehouden met een eventuele beoordeling van de consoliderende toezichthouder. De bevoegde autoriteit stelt de EBA en andere bevoegde autoriteiten binnen het toezichtcollege van het besluit in kennis.
4. Indien meerdere bevoegde autoriteiten voornemens zijn een vroegtijdige-interventiemaatregel in hoofde van artikel 27 toe te passen voor meerdere instellingen of entiteiten als bedoeld in artikel 1, lid 1, punten b), c) of d), in dezelfde groep, gaan de consoliderende toezichthouder en de andere betrokken bevoegde autoriteiten na of het de voorkeur verdient voor alle betrokken entiteiten dezelfde tijdelijk bewindvoerder aan te stellen, dan wel de toepassing van de maatregelen van artikel 27 op meerdere instellingen te coördineren teneinde oplossingen te faciliteren waarmee de financiële positie van de betrokken instelling wordt hersteld. De beoordeling neemt de vorm aan van een gezamenlijk besluit van de consoliderende toezichthouder en de andere betrokken bevoegde autoriteiten. Het gezamenlijk besluit wordt binnen 5 dagen na de datum van de in lid 1 bedoelde kennisgeving genomen. Het gezamenlijk besluit wordt gemotiveerd en vastgelegd in een document dat door de consoliderende toezichthouder wordt verstrekt aan de EU-moederonderneming.
Op verzoek van de bevoegde autoriteiten kan de EBA overeenkomstig artikel 31 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 een bevoegde autoriteit assistentie verlenen bij het bereiken van overeenstemming.
Indien niet binnen 5 dagen een gezamenlijk besluit is genomen, kunnen de consoliderende toezichthouder en de bevoegde autoriteiten van de dochterondernemingen individuele besluiten nemen over de aanstelling van een tijdelijk bewindvoerder voor de instellingen of entiteiten als bedoeld in artikel 1, lid 1, punten b), c) of d), waarvoor zij verantwoordelijk zijn en over de toepassing van maatregelen van artikel 27.”;
"
c) lid 6 wordt vervangen door:"
“6. De EBA kan op verzoek van een bevoegde autoriteit de bevoegde autoriteiten die voornemens zijn een of meer van de maatregelen in artikel 27, lid 1 bis, punt a), van deze richtlijn met betrekking tot de punten 4, 10, 11 en 19 van deel A van de bijlage bij deze richtlijn, in artikel 27, lid 1 bis, punt c), van deze richtlijn of in artikel 27, lid 1 bis, punt d) van deze richtlijn toe te passen, helpen bij het bereiken van overeenstemming met artikel 19, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1093/2010.”.
"
15) Het volgende artikel 30 bis wordt ingevoegd:"
“Artikel 30 bis
Voorbereiding van de afwikkeling
1. De lidstaten dragen er zorg voor dat de bevoegde autoriteiten de afwikkelingsautoriteiten onverwijld in kennis stellen van al het volgende:
a)
alle in artikel 104, lid 1, van Richtlijn 2013/36/EU genoemde maatregelen waarvan zij eisen dat een in artikel 1, lid 1, punten b), c) of d), van deze richtlijn genoemde instelling of entiteit ze neemt met het oog op het aanpakken van een verslechtering in de situatie van een instelling, die entiteit of een groep;
b)
wanneer uit de toezichtactiviteit blijkt dat met betrekking tot een in artikel 1, lid 1, punten b), c) of d), van deze richtlijn genoemde instelling of entiteit aan de voorwaarden van artikel 27, lid 1, van deze verordening is voldaan, de beoordeling dat aan die voorwaarden is voldaan, ongeacht eventuele vroegtijdige-interventiemaatregelen;
c)
de toepassing van een van de in artikel 27 bedoelde vroegtijdige-interventiemaatregelen.
De bevoegde autoriteiten houden, in nauwe samenwerking met de afwikkelingsautoriteiten, nauwlettend toezicht op de situatie van de instelling of entiteit en op hun naleving van de in de eerste alinea, punt a), bedoelde maatregelen die erop gericht zijn een verslechtering van de situatie van die instelling of entiteit aan te pakken en met de in de eerste alinea, punt c), bedoelde vroegtijdige-interventiemaatregelen.
2. De bevoegde autoriteiten stellen de afwikkelingsautoriteiten zo snel mogelijk in kennis als zij van mening zijn dat er een wezenlijk risico is dat een of meer van de omstandigheden in artikel 32, lid 4, van toepassing zouden zijn in verband met een instelling of entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, punten b), c) of d). Die kennisgeving bevat:
a)
de redenen van de melding;
b)
een overzicht van de maatregelen die het falen van de instelling of entiteit binnen een redelijk tijdsbestek zouden voorkomen, het verwachte effect daarvan op de instelling of entiteit wat betreft de in artikel 32, lid 4, bedoelde omstandigheden en het verwachte tijdschema voor de uitvoering van die maatregelen.
Na ontvangst van de in de eerste alinea bedoelde kennisgeving beoordelen de afwikkelingsautoriteiten, in nauwe samenwerking met de bevoegde autoriteiten, wat een redelijk tijdsbestek is voor de beoordeling van de in artikel 32, lid 1, punt b), bedoelde toestand, rekening houdend met de snelheid waarmee de omstandigheden van de instelling of entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, punten b), c) of d), verslechteren, de mogelijke gevolgen voor het financiële systeem, voor de bescherming van deposanten en voor het vrijwaren van cliëntengelden, het risico dat een langdurig proces al met al hogere kosten oplevert voor klanten en voor de economie, de noodzaak om de afwikkelingsstrategie effectief uit te voeren en andere relevante overwegingen. De afwikkelingsautoriteiten delen die beoordeling zo snel mogelijk mee aan de bevoegde autoriteiten.
Na de in de eerste alinea bedoelde kennisgeving controleren de bevoegde autoriteiten en afwikkelingsautoriteiten, in nauwe samenwerking, de situatie van de instelling of entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, punten b), c) of d), de uitvoering van eventuele relevante maatregelen binnen hun verwachte termijn en alle andere relevante ontwikkelingen. Daartoe komen de afwikkelingsautoriteiten en bevoegde autoriteiten regelmatig bijeen, met een door de afwikkelingsautoriteiten vastgestelde frequentie, rekening houdend met de omstandigheden van het geval. De bevoegde autoriteiten en afwikkelingsautoriteiten verstrekken elkaar onverwijld alle relevante informatie.
3. De bevoegde autoriteiten verstrekken de afwikkelingsautoriteiten alle informatie die door de afwikkelingsautoriteiten wordt gevraagd en die nodig is voor de volgende zaken:
a)
actualiseren van het afwikkelingsplan en voorbereiden van de mogelijke afwikkeling van de instelling of entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, punten b), c) of d);
b)
uitvoeren van een de artikel 36 bedoelde waardering.
Indien de bevoegde autoriteiten nog niet over dergelijke informatie beschikken, werken de afwikkelingsautoriteiten en de bevoegde autoriteiten samen en coördineren zij hun werkzaamheden om die informatie te verkrijgen. Daartoe hebben de bevoegde autoriteiten de bevoegdheid om van de instelling of entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, punten b), c) of d), te vragen dat zij deze informatie verstrekken, met inbegrip van inspecties ter plaatse, en om die informatie te verstrekken aan de afwikkelingsautoriteiten.
4. De bevoegdheden van de afwikkelingsautoriteiten omvatten de bevoegdheid om de instelling of entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, punten b), c) of d), te verkopen aan potentiële kopers, of om regelingen te treffen voor een dergelijke verkoop, of om van de instelling of entiteit te vragen dat zij dit doen, voor de volgende doeleinden:
a)
voorbereidingen treffen voor de afwikkeling van die instelling of entiteit, afhankelijk van de in artikel 39, lid 2, genoemde voorwaarden en de vertrouwelijkheidsbepalingen in artikel 84;
b)
de beoordeling door de afwikkelingsautoriteit van de in artikel 32, lid 1, punt b) bedoelde voorwaarde mee te delen.
4 bis. Indien de afwikkelingsautoriteit bij de uitoefening van de in lid 4 bedoelde bevoegdheid besluit rechtstreeks aan potentiële kopers te verkopen, houdt zij naar behoren rekening met de omstandigheden van het geval en de mogelijke gevolgen van de uitoefening van die bevoegdheid voor de algehele positie van de entiteit.
5. Voor de toepassing van lid 4 hebben de afwikkelingsautoriteiten de bevoegdheid om de instelling of entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, punten b), c) of d), te vragen een digitaal platform in te voeren waarop de informatie die noodzakelijk is voor de verkoop van die instelling of entiteit, wordt gedeeld met potentiële kopers of met adviseurs en schatters die door de afwikkelingsautoriteit zijn ingeschakeld. In dat geval is artikel 84, lid 1, punt e), van toepassing.
6. De vaststelling dat aan de in artikel 27, lid 1, is voldaan en de voorafgaande goedkeuring van vroegtijdige-interventiemaatregelen zullen geen noodzakelijke voorwaarden zijn voor afwikkelingsautoriteiten om voorbereidingen te treffen voor de afwikkeling van de instelling of entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, punten b), c) of d), of om de in de leden 4 en 5 van dit artikel genoemde bevoegdheid uit te oefenen.
7. De afwikkelingsautoriteiten stellen de bevoegde autoriteiten onverwijld op de hoogte van elke maatregel die is genomen in hoofde van de leden 4 en 5.
8. De lidstaten dragen er zorg voor dat de bevoegde autoriteiten en afwikkelingsautoriteiten nauw samenwerken:
a)
wanneer zij overwegen de in lid 1, eerste alinea, punt a), van dit artikel bedoelde maatregelen te nemen om een verslechtering van de situatie van een instelling of entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, punten b), c) of d), aan te pakken, alsmede de in lid 1, eerste alinea, punt c), bedoelde maatregelen van dit artikel;
b)
wanneer zij overwegen een van de in de leden 4 en 5 bedoelde maatregelen te nemen;
c)
tijdens de uitvoering van de in punten a) en b) van deze alinea bedoelde maatregelen.
De bevoegde autoriteiten en de afwikkelingsautoriteiten dragen er zorg voor dat die maatregelen en acties consistent, gecoördineerd en effectief zijn.”.
"
16) In artikel 31, lid 2, worden de punten c) en d) vervangen door:"
“c) overheidsmiddelen beschermen door het beroep op buitengewone openbare financiële steun tot een minimum te beperken, met name wanneer deze uit de begroting van een lidstaat komt;
d)
gedekte deposito’s en, voor zover mogelijk, ook het niet-gedekte deel van in aanmerking komende deposito’s van natuurlijke personen en micro-, kleine en middelgrote ondernemingen beschermen, en beleggers die onder Richtlijn 97/9/EG vallen, beschermen.”.
"
17) Artikel 32 wordt als volgt gewijzigd:
a) leden 1 en 2 worden vervangen door:"
“1. De lidstaten dragen er zorg voor dat de afwikkelingsautoriteiten een afwikkelingsmaatregel nemen in verband met een instelling of entiteit als de afwikkelingsautoriteiten, na ontvangst van een mededeling in hoofde van lid 2 of op eigen initiatief volgens de procedure die is vastgelegd in lid 2, aan alle volgende voorwaarden is voldaan:
a)
de instelling faalt of zal waarschijnlijk falen;
b)
▌het valt redelijkerwijs niet te verwachten dat ten aanzien van de instelling genomen alternatieve maatregelen van de particuliere sector, met inbegrip van maatregelen door een institutioneel protectiestelsel, maatregelen van een toezichthouder, vroegtijdige-interventiemaatregelen of de afschrijving of omzetting van relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende passiva, als bedoeld in artikel 59, lid 2, het falen of waarschijnlijk zullen falen van de instelling binnen een redelijk tijdsbestek zou voorkomen;
c)
een afwikkelingsmaatregel is het algemeen belang als bedoeld in lid 5.
2. De lidstaten dragen er zorg voor dat de bevoegde autoriteit, na raadpleging van de afwikkelingsautoriteit, een beoordeling maakt van de in lid 1, punt a) genoemde voorwaarde.
De lidstaten kunnen bepalen dat de beoordeling van de in lid 1, punt a) genoemde voorwaarde door de bevoegde autoriteit kan worden gemaakt, na raadpleging van de bevoegde autoriteit, indien de afwikkelingsautoriteiten krachtens het nationale recht beschikken over de nodige instrumenten om die beoordeling te maken, en in het bijzonder een passende toegang tot de relevante informatie. In een dergelijk geval dragen de lidstaten er zorg voor dat de bevoegde autoriteit de afwikkelingsautoriteit onverwijld alle relevante informatie bezorgt die deze laatste vraagt om haar beoordeling te maken, voor- of nadat zij door de afwikkelingsautoriteit op de hoogte is gebracht van haar voornemen om die beoordeling te maken.
De beoordeling van de in lid 1, punt b) genoemde voorwaarde wordt onverwijld gemaakt door de afwikkelingsautoriteit in nauwe samenwerking met de bevoegde autoriteit, na raadpleging van een aangewezen autoriteit van het depositogarantiestelsel en, indien passend, een IPS waarvan de instelling lid is. In het overleg met het IPS wordt onder andere overwogen of het IPS maatregelen zou kunnen nemen waarmee het falen van de instelling binnen een redelijke termijn zou kunnen worden voorkomen. De bevoegde autoriteit verstrekt de afwikkelingsautoriteit onverwijld alle relevante informatie waarom de afwikkelingsautoriteit vraagt om haar beoordeling te kunnen maken. De bevoegde autoriteit kan de afwikkelingsautoriteit ook meedelen dat zij van mening is dat aan de in de lid 1, punt b), vastgelegde voorwaarde is voldaan.”;
"
b) lid 4 wordt als volgt gewijzigd:
i) in de eerste alinea wordt punt d) vervangen door:"
“d) er is buitengewone openbare financiële steun nodig, tenzij deze steun wordt verleend in een van de in artikel 32 quater bedoelde vormen.”;
"
ii) de tweede tot vijfde alinea wordt geschrapt;
c) lid 5 wordt vervangen door:"
“5. Voor de toepassing van lid 1, punt c), is een afwikkelingsmaatregel in het algemeen belang indien die afwikkelingsmaatregel noodzakelijk is om een of meer van de in artikel 31 genoemde afwikkelingsdoelstellingen te verwezenlijken en daarmee evenredig is, en indien deze doelstellingen met een liquidatie van de instelling volgens een normale insolventieprocedure niet in dezelfde mate zouden worden bereikt.
Afwikkelingsmaatregelen worden verondersteld niet in het algemeen belang te zijn voor de toepassing van lid 1, punt c), van dit artikel indien de afwikkelingsautoriteit heeft besloten uit hoofde van artikel 4 vereenvoudigde verplichtingen op een instelling toe te passen. De veronderstelling is weerlegbaar en is niet van toepassing indien de afwikkelingsautoriteit oordeelt dat een of meer van de afwikkelingsdoelstellingen gevaar zouden lopen indien de instelling volgens een normale insolventieprocedure zou worden geliquideerd.
De lidstaten dragen er zorg voor dat de afwikkelingsautoriteit, bij de uitvoering van de in de eerste alinea bedoelde beoordeling, op basis van de informatie waarover zij op het moment van die beoordeling beschikt, alle buitengewone openbare financiële steun beoordeelt en vergelijkt ▌die aan de instelling zal worden verleend, zowel in geval van afwikkeling als in geval van liquidatie overeenkomstig het toepasselijke nationale recht.
5bis. De EBA draagt bij tot het monitoren en bevorderen van de doeltreffende en consistente toepassing van de in lid 5 bedoelde beoordeling inzake het algemeen belang.
Uiterlijk … [twee jaar na de datum van toepassing van deze wijzigingsrichtlijn] brengt de EBA verslag uit over de reikwijdte en de toepassing van lid 5 in de gehele Unie. Dat verslag wordt met de Commissie gedeeld teneinde de doeltreffendheid van de in lid 5 beschreven maatregelen en het effect ervan op het gelijke speelveld te beoordelen.
Uiterlijk [twee jaar na de datum van toepassing van deze wijzigingsrichtlijn] kan de EBA op basis van de uitkomsten van het verslag technische reguleringsnormen ontwikkelen teneinde praktijken nader tot elkaar te brengen en een gelijk speelveld tussen de lidstaten tot stand te brengen.”.
"
18) De artikelen 32 bis en 32 ter worden vervangen door:"
“Artikel 32 bis
Afwikkelingsvoorwaarden ten aanzien van een centraal orgaan en kredietinstellingen die blijvend aangesloten zijn bij een centraal orgaan
De lidstaten dragen er zorg voor dat de afwikkelingsautoriteiten een afwikkelingsmaatregel vaststellen met betrekking tot een centraal orgaan en alle blijvend aangesloten kredietinstellingen die deel uitmaken van dezelfde af te wikkelen groep, uitsluitend indien het centraal orgaan en alle blijvend aangesloten kredietinstellingen, of de af te wikkelen groep waartoe zij behoren, als geheel aan de in artikel 32, lid 1, bedoelde voorwaarden voldoen.
Artikel 32 ter
Procedures ten aanzien van instellingen en entiteiten die niet aan een afwikkelingsmaatregel onderworpen zijn
1. De lidstaten dragen er zorg voor dat, wanneer een afwikkelingsautoriteit bepaalt dat een instelling of entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, punten b), c) of d), voldoet aan de in artikel 32, lid 1, punten a) en b) bedoelde voorwaarden, maar niet aan de voorwaarde in artikel 32, lid 1, punt c), de bevoegde nationale bestuursrechtelijke of gerechtelijke autoriteit de bevoegdheid heeft om onverwijld de procedure op te starten om de instelling of entiteit op ordelijke wijze te liquideren overeenkomstig het toepasselijk nationaal recht.
2. De lidstaten dragen er zorg voor dat een instelling of entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, punten b), c) of d), die op ordelijke wijze wordt geliquideerd overeenkomstig het toepasselijk nationaal recht binnen een redelijke termijn de markt verlaat of haar bankactiviteiten beëindigt.
3. De lidstaten dragen er zorg voor dat wanneer een afwikkelingsautoriteit vaststelt dat een instelling of entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, punten b), c) of d), voldoet aan de voorwaarden in artikel 32, lid 1, punten a) en b), maar niet aan de voorwaarden in artikel 32, lid 1, punt c), de vaststelling dat de instelling of entiteit falend is of waarschijnlijk zal falen krachtens artikel 32, lid 1, punt a) een voorwaarde is voor de intrekking van de toelating door de bevoegde autoriteit krachtens artikel 18 van Richtlijn 2013/36/EU.
4. De lidstaten dragen er zorg voor dat de intrekking van de toestemming van de instelling of entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, punten b), c) of d), een voldoende voorwaarde is voor een bevoegde nationale bestuursrechtelijke of gerechtelijke autoriteit om onverwijld de procedure op te kunnen starten om de instelling of entiteit op ordelijke wijze te liquideren overeenkomstig het toepasselijk nationaal recht.”.
"
19) Het volgende artikel 32 quater wordt ingevoegd:"
“Artikel 32 quater
Buitengewone openbare financiële steun
1. De lidstaten dragen er zorg voor dat buitengewone openbare financiële steun buiten afwikkelingsmaatregelen om alleen bij uitzondering in een van de volgende gevallen aan een instelling of entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, punten b), c) of d), kan worden verleend mits de buitengewone openbare financiële steun voldoet aan de voorwaarden en vereisten die in de staatssteunregels van de Unie zijn vastgelegd:
a)
wanneer de buitengewone openbare financiële steun, teneinde een ernstige verstoring van uitzonderlijke of systemische aard in de economie van een lidstaat te verhelpen en de financiële stabiliteit te vrijwaren, één van de volgende vormen aanneemt:
i)
een staatsgarantie ter dekking van liquiditeitsfaciliteiten die door centrale banken tegen de voor centrale banken geldende voorwaarden worden verschaft;
ii)
een staatsgarantie met betrekking tot nieuwe verplichtingen;
iii)
een verwerving van andere eigenvermogensinstrumenten dan tier 1-kernkapitaalinstrumenten of van andere kapitaalinstrumenten, of een gebruik van maatregelen voor probleemactiva tegen prijzen, looptijd en andere voorwaarden die de betrokken instelling of entiteit geen onrechtmatig voordeel opleveren, mits geen van de omstandigheden als bedoeld in artikel 32, lid 4, punten a), b) of c), noch de omstandigheden als bedoeld in artikel 59, lid 3, zich voordoen op het tijdstip waarop de openbare steun wordt verleend;
b)
wanneer de buitengewone openbare financiële steun de vorm aanneemt van een kosteneffectieve interventie door een depositogarantiestelsel ▌overeenkomstig de voorwaarden van de artikelen 11 bis en 11 ter van Richtlijn 2014/49/EU, mits geen van de in artikel 32, lid 4, bedoelde omstandigheden zich voordoet;
c)
wanneer de buitengewone openbare financiële steun de vorm aanneemt van een kosteneffectieve interventie door een depositogarantiestelsel in het kader van de liquidatie van een kredietinstelling overeenkomstig artikel 32 ter en overeenkomstig de voorwaarden van artikel 11, lid 5, van Richtlijn 2014/49/EU;
d)
wanneer de buitengewone openbare financiële steun de vorm aanneemt van staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU die wordt verleend in het kader van de liquidatie van de instelling of entiteit overeenkomstig artikel 32 ter van deze richtlijn, met uitzondering van de steun die wordt verleend door een depositogarantiestelsel overeenkomstig artikel 11, lid 5, van Richtlijn 2014/49/EU.
2. De in lid 1, punt a), bedoelde steunmaatregelen moeten aan alle onderstaande voorwaarden voldoen:
a)
de maatregelen zijn beperkt tot solvente instellingen of entiteiten, zoals bevestigd door de bevoegde autoriteit;
b)
de maatregelen hebben een preventief en tijdelijk karakter en zijn gebaseerd op een vooraf vastgestelde, door de bevoegde autoriteit goedgekeurde ▌strategie van exit uit de steunmaatregel, met inbegrip van een duidelijk gespecificeerde einddatum, verkoopdatum of terugbetalingsschema voor de verstrekte maatregelen; openbaarmaking van deze informatie geschiedt niet eerder dan één jaar na de afronding van de strategie van exit uit de steunmaatregel, of de uitvoering van het plan met corrigerende maatregelen, of de beoordeling uit hoofde van de zevende alinea van dit lid;
c)
de maatregelen zijn evenredig om de gevolgen van de ernstige verstoring op te heffen of de financiële stabiliteit in stand te houden;
d)
de maatregelen worden niet gebruikt ter compensatie van verliezen die de instelling of entiteit heeft geleden of in de komende twaalf maanden waarschijnlijk zal lijden.
Voor de toepassing van de eerste alinea, punt a), wordt een instelling of entiteit geacht solvabel te zijn indien de bevoegde autoriteit heeft geconcludeerd dat er geen sprake is of kan zijn van een schending, in de twaalf volgende maanden, uitgaande van de huidige verwachtingen, van een van de vereisten bedoeld in artikel 92, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013, artikel 104 bis van Richtlijn 2013/36/EU, artikel 11, lid 1, van Verordening (EU) 2019/2033, artikel 40 van Richtlijn (EU) 2019/2034 of de relevante toepasselijke vereisten krachtens nationaal of Unierecht.
Voor de toepassing van de eerste alinea, punt d), kwantificeert de betrokken bevoegde autoriteit de verliezen die de instelling of entiteit heeft geleden of waarschijnlijk zal lijden. Die kwantificering is ten minste gebaseerd op door de ECB, de EBA of nationale autoriteiten verrichte beoordelingen van de kwaliteit van activa of, in voorkomend geval, op door de bevoegde autoriteit verrichte inspecties ter plaatse. Indien dergelijke exercities niet tijdig kunnen worden uitgevoerd, kan de bevoegde autoriteit haar beoordeling baseren op de balans van de instelling of entiteit, mits de balans voldoet aan de toepasselijke boekhoudregels en -normen, zoals bevestigd door een onafhankelijke externe accountant. De bevoegde autoriteit stelt alles in het werk om ervoor te zorgen dat de kwantificering gebaseerd is op de marktwaarde van de activa, passiva en posten buiten de balanstelling van de instelling of de entiteit.
De in lid 1, punt a), iii), bedoelde steunmaatregelen blijven beperkt tot maatregelen die door de bevoegde autoriteit noodzakelijk worden geacht om de solvabiliteit van de instelling of entiteit veilig te stellen door het aanpakken van haar kapitaaltekort dat is vastgesteld in het ongunstige scenario van nationale, Unie- of GTM-brede stresstests of gelijkwaardige exercities die door de Europese Centrale Bank, de EBA of nationale autoriteiten zijn uitgevoerd, indien van toepassing, en die door de bevoegde autoriteit zijn bevestigd.
In afwijking van lid 1, punt a), iii), is de verwerving van tier 1-kernkapitaalinstrumenten bij wijze van uitzondering toegestaan wanneer het vastgestelde tekort van dien aard is dat de verwerving van andere eigenvermogensinstrumenten of andere kapitaalinstrumenten de betrokken instelling of entiteit niet in staat zou stellen haar in het ongunstige scenario van de desbetreffende stresstest of soortgelijke exercitie vastgestelde kapitaaltekort aan te pakken. Het bedrag van de verworven tier 1-kernkapitaalinstrumenten mag niet hoger zijn dan 2 % van het totale risicobedrag van de betrokken instelling of entiteit, berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013.
Ingeval een van de in lid 1, punt a), bedoelde steunmaatregelen niet wordt afgelost, terugbetaald of anderszins beëindigd overeenkomstig de voorwaarden van de bij de toekenning van een dergelijke maatregel vastgestelde ▌strategie van exit uit de steunmaatregel, verzoekt de bevoegde autoriteit de instelling of entiteit een eenmalig plan met corrigerende maatregelen in te dienen. Het plan met corrigerende maatregelen beschrijft de stappen die moeten worden ondernomen met het oog op handhaving of herstel van de naleving van de toezichtvereisten, de levensvatbaarheid van de instelling of entiteit op lange termijn en de capaciteit van de instelling of entiteit om het verstrekte bedrag terug te betalen, alsook het bijbehorende tijdsbestek.
Indien de bevoegde autoriteit het eenmalig plan met corrigerende maatregelen niet geloofwaardig of haalbaar acht, of indien de instelling of entiteit het eenmalig plan met corrigerende maatregelen niet naleeft, wordt overeenkomstig artikel 32 beoordeeld of de instelling of entiteit faalt of waarschijnlijk zal falen.
3. De EBA vaardigt uiterlijk [PB in te voegen datum = 1 jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn], richtlijnen uit overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 over het soort tests, beoordelingen of oefeningen als bedoeld in lid 2, vierde alinea, die kunnen leiden tot de in lid 1, punt a), iii) bedoelde steunmaatregelen.”.
"
20) In artikel 33 wordt lid 2 vervangen door:"
“2. De lidstaten dragen er zorg voor dat afwikkelingsautoriteiten een afwikkelingsmaatregel kunnen nemen ten aanzien van een entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, punten c) of d), indien die entiteit voldoet aan de in artikel 32, lid 1, gestelde voorwaarden.
Daartoe wordt een entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, punten c) en d), als falend of waarschijnlijk falend beschouwd in een van de volgende omstandigheden:
a)
de entiteit voldoet aan een of meer van de voorwaarden van artikel 32, lid 4, punten b), c) of d);
b)
de entiteit maakt wezenlijk inbreuk, of er zijn objectieve elementen waaruit blijkt dat de entiteit in de nabije toekomst wezenlijk inbreuk zal maken op de toepasselijke voorschriften van Verordening (EU) nr. 575/2013 of in Richtlijn 2013/36/EU.”.
"
21) Artikel 33 bis wordt als volgt gewijzigd:
a) in lid 8 wordt de eerste alinea vervangen door:"
“De lidstaten dragen er zorg voor dat de afwikkelingsautoriteiten de in artikel 1, lid 1, punt b), c) of d), bedoelde instelling of entiteit en de in artikel 83, lid 2, punten a) tot en met h), bedoelde autoriteiten onverwijld ervan op de hoogte brengen wanneer zij de in lid 1 van dit artikel bedoelde bevoegdheid uitoefenen nadat op grond van artikel 32, lid 1, punt a), is vastgesteld dat de instelling faalt of waarschijnlijk zal falen, en voordat het afwikkelingsbesluit wordt genomen.”;
"
b) aan lid 9 wordt de volgende tweede alinea toegevoegd:"
“In afwijking van de eerste alinea dragen de lidstaten dragen er zorg voor dat indien dergelijke bevoegdheden worden uitgeoefend met betrekking tot in aanmerking komende deposito’s en die deposito’s niet als onbeschikbaar worden beschouwd voor de toepassing van Richtlijn 2014/49/EU, deposanten toegang hebben tot een passend dagelijks bedrag uit die deposito’s.”.
"
22) Artikel 35 wordt als volgt gewijzigd:
a) lid 1 wordt vervangen door:"
“1. De lidstaten dragen er zorg voor dat de afwikkelingsautoriteiten een speciale bestuurder kunnen aanstellen om het bestuursorgaan te vervangen van de instelling in afwikkeling of de overbruggingsinstelling of ermee samen te werken. De afwikkelingsautoriteiten maken de aanstelling van een bijzonder bestuurder openbaar. Afwikkelingsautoriteiten waarborgen dat de bijzonder bestuurder de vereiste kwalificaties, vaardigheden en kennis heeft om zijn of haar functies uit te oefenen.
Artikel 91 van Richtlijn 2013/36/EU geldt niet voor de aanstelling van bijzondere bestuurders.”;
"
b) in lid 2 wordt de eerste zin vervangen door:"
“De bijzonder bestuurder heeft alle bevoegdheden van de aandeelhouders en het leidinggevend orgaan van de instelling.”;
"
c) lid 5 wordt vervangen door:"
“5. De lidstaten eisen dat een bijzonder bestuurder met regelmatige tussenpozen die door de afwikkelingsautoriteit worden vastgesteld en aan het begin en einde van zijn mandaat verslagen ten behoeve van de aanstellende afwikkelingsautoriteit opstelt over de economische en financiële positie van de instelling in afwikkeling of de overbruggingsinstelling en over de handelingen die hij bij de uitoefening van zijn taken heeft verricht.”.
"
23) Artikel 36 wordt als volgt gewijzigd:
a) in lid 1 wordt de eerste zin vervangen door:"
“1. Alvorens te bepalen of aan de afwikkelingsvoorwaarden of de voorwaarden voor afschrijving of omzetting van relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende passiva als bedoeld in artikel 59 is voldaan, dragen de afwikkelingsautoriteiten er zorg voor dat een eerlijke, prudente en realistische waardering van de activa en passiva van de instelling of entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, punten b), c) of d), wordt uitgevoerd door een persoon die onafhankelijk is van enige overheidsinstantie, daaronder begrepen de afwikkelingsautoriteit en de instelling of entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, punten b), c) of d).”;
"
b) het volgende lid 7 bis wordt ingevoegd:"
“7 bis. Wanneer zulks noodzakelijk is om de in lid 4, punten c) en d), bedoelde beslissingen te onderbouwen, vult de schatter de in lid 6, punt c), bedoelde informatie aan met een raming van de waarde van de activa en passiva buiten de balanstelling, met inbegrip van de voorwaardelijke verplichtingen en activa.”.
"
24) Aan artikel 37 wordt het volgende lid 11 toegevoegd:"
“11. De EBA controleert de maatregelen en voorbereiding van afwikkelingsautoriteiten om een effectieve uitvoering van de afwikkelingsinstrumenten en -bevoegdheden in geval van afwikkeling te verzekeren. De EBA brengt uiterlijk … [PB in te voegen datum = 2 jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] verslag uit aan de Commissie over de stand van zaken van bestaande praktijken en mogelijke verschillen tussen lidstaten en controleert indien nodig de uitvoering van elke in dat verslag vermelde aanbeveling.
Het in de eerste alinea bedoelde verslag omvat ten minste het volgende:
a)
de regelingen die zijn getroffen om het instrument van bail-in uit te voeren en het niveau van betrokkenheid bij de infrastructuur op de financiële markten en autoriteiten in derde landen indien dat relevant is;
b)
de regelingen die zijn getroffen om het gebruik van andere afwikkelingsinstrumenten te operationaliseren;
c)
het niveau van transparantie ten aanzien van relevante belanghebbenden wat betreft de in punten a) en b) genoemde regelingen.”.
"
25) Artikel 40 wordt als volgt gewijzigd:
a) in lid 1 wordt de inleidende zin vervangen door:"
“Teneinde uitvoering te geven aan het instrument van de overbruggingsinstelling en gelet op de noodzaak kritieke functies in de overbruggingsinstelling te handhaven of een van de afwikkelingsdoelstellingen na te streven, dragen de lidstaten er zorg voor dat de afwikkelingsautoriteiten bevoegd zijn om aan een overbruggingsinstelling het volgende over te dragen:”;
"
b) in lid 2 wordt de tweede alinea vervangen door:"
“De toepassing van het instrument van bail-in ter verwezenlijking van het in artikel 43, lid 2, punt b), bedoelde doel doet geen afbreuk aan het vermogen van de afwikkelingsautoriteit om zeggenschap uit te oefenen over de overbruggingsinstelling. Waar de toepassing van het instrument van bail-in het mogelijk maakt dat het kapitaal van de overbruggingsinstelling volledig wordt verstrekt via de omzetting van bail-inbare passiva naar aandelen of andere soorten kapitaalinstrumenten, kan afstand gedaan worden van het vereiste dat de overbruggingsinstelling volledig of deels eigendom is van een of meer overheden.”.
"
26) in artikel 42, lid 5, wordt punt b) vervangen door:"
“b) die overdracht noodzakelijk is om het goede functioneren van de instelling in afwikkeling, de overbruggingsinstelling of het vehikel voor activabeheer zelf te verzekeren; of”.
"
27) Artikel 44 wordt als volgt gewijzigd:
a) lid 1 wordt vervangen door:"
“1. De lidstaten dragen er zorg voor dat het instrument van bail-in kan worden toegepast op alle passiva, met inbegrip van degene die aanleiding geven tot een boekhoudkundige voorziening, van een instelling of entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, punten b), c) of d), die niet op grond van lid 2 of 3 van dit artikel van het toepassingsgebied van dat instrument zijn uitgesloten.”;
"
b) lid 5 wordt vervangen door:"
“5. De financieringsregeling voor de afwikkeling mag een in lid 4 bedoelde bijdrage enkel leveren indien aan alle volgende voorwaarden is voldaan:
a)
een bijdrage tot verliesabsorptie en herkapitalisatie ten belope van een bedrag van niet minder dan 8 % van de totale passiva inclusief eigen vermogen van de instelling in afwikkeling, gemeten overeenkomstig de in artikel 36 bedoelde waardering, is geleverd door de aandeelhouders en de houders van andere instrumenten van eigendom, de houders van relevante kapitaalinstrumenten en andere bail-inbare passiva door middel van vermindering, afschrijving of omzetting overeenkomstig artikel 48, lid 1, en artikel 60, lid 1, en door het depositogarantiestelsel overeenkomstig artikel 109, indien van toepassing;
b)
de bijdrage van de financieringsregeling voor de afwikkeling niet hoger is dan 5 % van de totale passiva, met inbegrip van het eigen vermogen, van de instelling in afwikkeling, gemeten overeenkomstig de waardering waarin in artikel 36 is voorzien.”.
"
▌
28) ▌Artikel 44 bis wordt als volgt gewijzigd:
a) de volgende leden worden ingevoegd:"
“6 bis. De lidstaten dragen er zorg voor dat een kredietinstelling die in aanmerking komende instrumenten uitgeeft die als aanvullend-tier 1-instrumenten, tier 2-instrumenten of in aanmerking komende passiva moeten worden aangemerkt, deze instrumenten alleen mag verkopen aan een bestaande deposant bij die kredietinstelling die als niet-professionele cliënt in de zin van artikel 4, lid 1, punt 11, van Richtlijn 2014/65/EU moet worden aangemerkt, indien aan de voorwaarden van lid 1, punten a), b) en c), van dit artikel is voldaan en op het tijdstip van de aankoop aan beide volgende voorwaarden is voldaan:
a)
de deposant die moet worden aangemerkt als niet-professionele cliënt belegt niet meer dan een totaalbedrag van 10 % van zijn portefeuille van financiële instrumenten in de in dit lid bedoelde instrumenten;
b)
het initiële beleggingsbedrag dat wordt belegd in een of meer instrumenten als bedoeld in dit lid, bedraagt ten minste 30 000 EUR.
De kredietinstelling draagt er zorg voor dat op het tijdstip van de aankoop aan de voorwaarden van de punten a) en b) van dit lid is voldaan, uitgaande van de door de niet-professionele cliënt overeenkomstig lid 3 verstrekte informatie.
6 ter. In aanmerking komende instrumenten als bedoeld in lid 6 bis die door de uitgevende kredietinstelling aan haar deposanten die als niet-professionele beleggers moeten worden aangemerkt, worden verkocht zonder aan de in dat lid gestelde voorwaarden te voldoen, tellen niet mee voor de eisen van artikel 45 sexies of 45 septies zolang die instrumenten worden aangehouden door de deposant aan wie zij zijn verkocht.
6 quater. In het kader van de beoordeling van de afwikkelbaarheid overeenkomstig de artikelen 15 en 16 monitoren de afwikkelingsautoriteiten jaarlijks voor groepen en voor specifieke instellingen de mate waarin niet-professionele beleggers in het bezit zijn van voor het MREL in aanmerking komende instrumenten en rapporteren zij de resultaten ten minste eenmaal per jaar aan de EBA.”;
"
b) het volgende leden worden toegevoegd:"
“7 bis. De lidstaten zijn niet verplicht de leden 6 bis en 6 ter van dit artikel toe te passen op in lid 6 bis bedoelde instrumenten die zijn uitgegeven vóór ... [12 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze wijzigingsrichtlijn].
8. Uiterlijk … [PB in te voegen datum = 24 maanden ▌na de datum van inwerkingtreding van deze ▌richtlijn] brengt de EBA aan de Commissie verslag uit over de toepassing van dit artikel. In dat verslag worden de maatregelen die door de lidstaten zijn aangenomen om dit artikel na te leven, vergeleken, wordt hun doeltreffendheid bij de bescherming van niet-professionele beleggers geanalyseerd en wordt hun impact op grensoverschrijdende verrichtingen beoordeeld.
Op grond van dat verslag kan de Commissie een wetgevingsvoorstel tot wijziging van deze richtlijn indienen.”.
"
29) In artikel 45 wordt lid 1 vervangen door:"
“1. De lidstaten dragen er zorg voor dat de in artikel 1, lid 1, punten b), c) of d), genoemde instellingen en entiteiten te allen tijde voldoen aan de vereisten voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva indien vereist en zoals bepaald door de afwikkelingsautoriteit overeenkomstig dit artikel en de artikelen 45 bis tot en met 45 decies.”.
"
30) Artikel 45 ter wordt als volgt gewijzigd:
a) in de leden 4, 5 en 7 wordt het woord “MSI’s” vervangen door de woorden “MSI-entiteiten”;
b) lid 8 wordt als volgt gewijzigd:
i) in de eerste alinea wordt het woord “MSI’s” vervangen door de woorden “MSI-entiteiten”;
ii) in de tweede alinea, punt c), wordt het woord “MSI” vervangen door de woorden “MSI-entiteit”;
iii) in de vierde alinea wordt het woord “MSI’s” vervangen door de woorden “MSI-entiteiten”;
c) het volgende lid 10 wordt toegevoegd:"
“10. De afwikkelingsautoriteiten kunnen af te wikkelen entiteiten toestaan aan de in de leden 4, 5 en 7 bedoelde vereisten te voldoen met gebruikmaking van eigen vermogen of passiva als bedoeld in de leden 1 en 3 wanneer aan alle onderstaande voorwaarden is voldaan:
a)
voor entiteiten die MSI-entiteiten zijn of af te wikkelen entiteiten waarop artikel 45 quater, lid 5 of 6, van toepassing is, heeft de afwikkelingsautoriteit het in lid 4 van dit artikel bedoelde vereiste niet overeenkomstig de eerste alinea van dat lid verlaagd;
b)
de in lid 1 van dit artikel bedoelde passiva die niet voldoen aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 72 ter, lid 2, punt d), van Verordening (EU) nr. 575/2013, voldoen aan de voorwaarden van artikel 72 ter, lid 4, punten b) tot en met e), van die verordening.”.
"
31) Artikel 45 quater wordt als volgt gewijzigd:
a) in lid 3, achtste alinea, worden de woorden “kritieke economische functies” vervangen door de woorden “kritieke functies”;
b) lid 4 wordt vervangen door:"
“4. De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van de door afwikkelingsautoriteiten te gebruiken methode voor het ramen van het in artikel 104 bis bedoelde vereiste van Richtlijn 2013/36/EU en het gecombineerde buffervereiste voor:
a)
af te wikkelen entiteiten op het geconsolideerde niveau van de af te wikkelen groep, ingeval de af te wikkelen groep niet onderworpen is aan die vereisten uit hoofde van Richtlijn 2013/36/EU;
b)
entiteiten die zelf geen af te wikkelen entiteiten zijn, indien de entiteit niet onderworpen is aan die vereisten uit hoofde van Richtlijn 2013/36/EU op dezelfde basis als het vereiste als bedoeld in artikel 45 septies van deze richtlijn.
De EBA dient die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk … [PB in te voegen datum = 12 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze wijziging van richtlijn] bij de Commissie in.
Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de in de eerste alinea van dit lid bedoelde technische reguleringsnormen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 vast te stellen.”;
"
c) in lid 7, achtste alinea, worden de woorden “kritieke economische functies” vervangen door de woorden “kritieke functies”.
32) Het volgende artikel 45 quater bis wordt ingevoegd:"
“Artikel 45 quater bis
Vaststelling van het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva voor overdrachtsstrategieën▌
1. Bij de toepassing van artikel 45 quater op een af te wikkelen entiteit waarvan de voorkeursafwikkelingsstrategie, op zichzelf staand of in combinatie met andere afwikkelingsinstrumenten, ▌voorziet in het gebruik van het instrument van verkoop van de onderneming of het instrument van de overbruggingsinstelling ▌, stelt de afwikkelingsautoriteit het in artikel 45 quater, lid 3, bedoelde herkapitalisatiebedrag op evenredige wijze vast op basis van de volgende criteria, al naargelang het geval:
a)
de omvang, het bedrijfsmodel, het financieringsmodel en het risicoprofiel van de af te wikkelen entiteit of, naargelang het geval, de omvang van het deel van de af te wikkelen entiteit ten aanzien waarvan het instrument van verkoop van de onderneming of het instrument van de overbruggingsinstelling wordt gebruikt;
b)
de aandelen, andere eigendomsinstrumenten, activa, rechten of passiva die moeten worden overgedragen aan een ontvanger zoals aangegeven in het afwikkelingsplan, rekening houdend met:
i)
de kernactiviteiten en kritieke functies van de af te wikkelen entiteit;
ii)
de van bail-in uitgesloten passiva overeenkomstig artikel 44, lid 2;
iii)
de in de artikelen 73 tot en met 80 bedoelde vrijwaringsmaatregelen;
iii bis)
de verwachte vereisten voor de eigen middelen voor een eventuele overbruggingsinstellingen welke nodig kan zijn voor de uitvoering van de terugtrekking uit de markt van de af te wikkelen entiteit, om te waarborgen dat de overbruggingsinstelling voldoet aan Verordening (EU) nr. 575/2013, Richtlijn 2013/36/EU en Richtlijn 2014/65/EU, naargelang het geval;
iii ter)
de verwachte eis van de ontvanger dat de transactie kapitaalneutraal moet zijn met betrekking tot de vereisten die van toepassing zijn op de overnemende entiteit;
c)
de verwachte waarde en verhandelbaarheid van de in punt b) bedoelde aandelen, andere eigendomsinstrumenten, activa, rechten of passiva van de afwikkelingsentiteit, rekening houdend met:
i)
alle door de afwikkelingsautoriteit vastgestelde materiële belemmeringen voor de afwikkelbaarheid die ▌verband houden met de toepassing van het instrument van verkoop van de onderneming of het instrument van de overbruggingsinstelling;
ii)
de verliezen die voortvloeien uit de activa, rechten of passiva die in de resterende instelling zijn achtergebleven;
ii bis)
een potentieel ongunstig marktklimaat op het moment van afwikkeling;
d)
of de voorkeursafwikkelingsstrategie voorziet in de overdracht van door de af te wikkelen entiteit uitgegeven aandelen of andere eigendomsinstrumenten, dan wel van alle of een deel van de activa, rechten en passiva van de af te wikkelen entiteit;
e)
of de voorkeursafwikkelingsstrategie voorziet in de toepassing van het instrument van afsplitsing van activa.
▌
3. De toepassing van lid 1 mag niet leiden tot een bedrag dat hoger is dan het bedrag dat voortvloeit uit de toepassing van artikel 45 quater, lid 3,of tot een bedrag dat lager is dan 13,5 % van het totaal van de risicoposten, berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013, en lager dan 5 % van de maatstaf voor de totale risicoblootstelling van de in lid 1 van dit artikel bedoelde betreffende entiteit, berekend overeenkomstig de artikelen 429 en 429 bis van Verordening (EU) nr. 575/2013.”.
"
33) In artikel 45 quinquies, lid 1, wordt het inleidend gedeelte vervangen door:"
“Het in artikel 45, lid 1, bedoelde vereiste voor een af te wikkelen entiteit die een MSI-entiteit is, bestaat uit het volgende:”.
"
34) Artikel 45 sexies, lid 1, derde alinea, wordt vervangen door:"
“In afwijking van de eerste en tweede alinea van dit lid voldoen EU-moederondernemingen die zelf geen af te wikkelen entiteiten zijn, maar die dochterondernemingen van entiteiten van derde landen zijn, op geconsolideerde basis aan de in de artikelen 45 quater en 45 quinquies neergelegde vereisten.”.
"
35) Artikel 45 terdecies wordt als volgt gewijzigd:
a) in lid 1 wordt punt a) vervangen door:"
“a) hoe het overeenkomstig artikel 45 sexies of artikel 45 septies vastgestelde vereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva op nationaal niveau ten uitvoer is gelegd, met inbegrip van artikel 45 quater bis, en met name of er tussen de lidstaten verschillen in de voor vergelijkbare entiteiten vastgestelde niveaus zijn;”;
"
b) in lid 3, tweede alinea, wordt de volgende zin ingevoegd:"
“De in lid 2 genoemde verplichtingen zal ophouden van toepassing te zijn nadat het tweede verslag is ingediend.”.
"
35 bis) In artikel 45 quater decies wordt het volgende lid ingevoegd:"
“1 bis. In afwijking van artikel 45, lid 1, bepalen de afwikkelingsautoriteiten passende overgangsperioden voor instellingen of entiteiten als bedoeld in artikel 1, lid 1, punten b), c) en d) om te voldoen aan de vereisten in artikel 45 sexies of artikel 45 septies of aan de vereisten in artikel 45 ter, lid 4, 5 of 7, indien instellingen of entiteiten als gevolg van de inwerkingtreding van [deze wijzigingsrichtlijn] aan die vereisten dienen te voldoen. Instellingen en entiteiten voldoen uiterlijk [vier jaar na de datum van toepassing van deze wijzigingsrichtlijn] aan de vereisten in artikel 45 sexies of artikel 45 septies of aan de vereisten die voortvloeien uit de toepassing van artikel 45 ter, lid 4, 5 of 7.
De afwikkelingsautoriteit bepaalt tussentijdse streefniveaus voor de vereisten in artikel 45 sexies of artikel 45 septies of voor de vereisten die voortvloeien uit de toepassing van artikel 45 ter, lid 4, 5 of 7, naargelang het geval, waaraan instellingen of entiteiten als bedoeld in de eerste alinea van dit lid uiterlijk [twee jaar na de datum van toepassing van deze wijzigingsrichtlijn] moeten voldoen. Die tussentijdse streefniveaus zorgen in het algemeen voor een lineaire opbouw van eigen fondsen en in aanmerking komende passiva naar het vereiste toe.
De afwikkelingsautoriteit kan, indien naar behoren gerechtvaardigd en indien dit passend is op basis van de in lid 7 bedoelde criteria, voorzien in een overgangsperiode die verstrijkt na ... [vier jaar na de datum van toepassing van deze wijzigingsrichtlijn], waarbij zij rekening houdt met het volgende:
a)
de ontwikkeling van de financiële situatie van de entiteit;
b)
het vooruitzicht dat de entiteit in staat zal zijn binnen een redelijk tijdsbestek te voldoen aan de vereisten in artikel 45 sexies of artikel 45 septies of aan een vereiste dat voortvloeit uit de toepassing van artikel 45 ter, lid 4, 5 of 7; en
c)
de vraag of de entiteit in staat is te zorgen voor vervanging van passiva die niet langer voldoen aan de criteria om in aanmerking te komen of de criteria inzake looptijd, en indien niet, de vraag of dat onvermogen eigen aan de entiteit is, dan wel te wijten is aan marktbrede verstoring.”.
"
36) In artikel 45 quaterdecies wordt lid 4 vervangen door:"
“4. De vereisten, bedoeld in artikel 45 ter, leden 4 en 7, alsmede in artikel 45 quater, leden 5 en 6, naargelang het geval, gelden niet binnen de periode van drie jaar die volgt op de datum waarop de af te wikkelen entiteit of de groep waartoe de af te wikkelen entiteit behoort, als MSI of niet-EU-MSI is aangemerkt, of de datum vanaf welke de af te wikkelen entiteit zich in de in artikel 45 quater, lid 5 of 6, bedoelde situatie bevindt.”.
"
37) In artikel 46, lid 2, wordt de eerste alinea vervangen door:"
“De in lid 1 van dit artikel bedoelde beoordeling stelt het bedrag vast waarmee de bail-inbare passiva moeten worden afgeschreven of omgezet:
a)
om de tier 1-kernkapitaalratio van de instelling in afwikkeling te herstellen of voorkomend de ratio van de overbruggingsinstelling vast te rekening houdend met een eventuele kapitaalinbreng door de financieringsregeling voor de afwikkeling overeenkomstig artikel 101, lid 1, punt d) van deze richtlijn;
b)
om voldoende marktvertrouwen in de instelling in afwikkeling of de overbruggingsinstelling te handhaven, rekening houdend met voorwaardelijke verplichtingen, en de instelling in afwikkeling in staat te stellen gedurende ten minste één jaar aan de vergunningsvoorwaarden te blijven voldoen en de werkzaamheden te blijven uitoefenen waarvoor haar overeenkomstig Richtlijn 2013/36/EU of Richtlijn 2014/65/EU vergunning is verleend.”.
"
38) In artikel 47, lid 1, wordt punt b) i), vervangen door:"
“i) relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende passiva die door de instelling zijn uitgegeven op grond van de in artikel 59, lid 2, bedoelde bevoegdheid; of”.
"
39) Artikel 52 wordt als volgt gewijzigd:
a) in lid 1 wordt de volgende alinea toegevoegd:"
“In uitzonderlijke omstandigheden kan de afwikkelingsautoriteit de termijn van 1 maand voor de indiening van het bedrijfssaneringsplan met nog een maand verlengen.”;
"
b) in lid 5 wordt de volgende alinea toegevoegd:"
“De afwikkelingsautoriteit kan van de instelling of entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, punten b), c) of d), vragen dat zij bijkomende elementen opneemt in het bedrijfssaneringsplan.”.
"
40) In artikel 53 wordt lid 3 vervangen door:"
“3. Indien een afwikkelingsautoriteit de hoofdsom of het uitstaande verschuldigde bedrag met betrekking tot een verplichting, met inbegrip van een verplichting die aanleiding geeft tot een boekhoudkundige voorziening, met gebruikmaking van de in artikel 63, lid 1, punt e), bedoelde bevoegdheid tot nul verlaagt, dan worden die verplichting en eventuele verplichtingen of vorderingen die daaruit voortvloeien en die niet vorderbaar waren op het moment waarop de bevoegdheid werd uitgeoefend, als voldaan beschouwd voor alle doeleinden en kunnen zij niet worden ingebracht in het kader van eventuele latere procedures met betrekking tot de instelling in afwikkeling of een eventuele opvolgende entiteit bij een latere liquidatie.”.
"
41) Artikel 55 wordt als volgt gewijzigd:
a) in lid 1 wordt punt b) vervangen door:"
“b) de aansprakelijkheid is geen deposito als bedoeld in artikel 108, lid 1, punten a) of b);”;
"
b) in lid 2 worden de vijfde en zesde alinea vervangen door:"
“Indien de afwikkelingsautoriteit, wanneer zij overeenkomstig de artikelen 15 en 16 de afwikkelbaarheid van een instelling of entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, punten b), c) of d), beoordeelt, of op ongeacht welk ander tijdstip vaststelt dat binnen een categorie verplichtingen die in aanmerking komende passiva omvat, het bedrag aan passiva zonder het in lid 1 van dit artikel bedoelde contractueel beding, samen met de passiva die zijn uitgesloten van de toepassing van het instrument van bail-in overeenkomstig artikel 44, lid 2, of die waarschijnlijk zullen worden uitgesloten overeenkomstig artikel 44, lid 3, meer bedraagt dan 10 % van die categorie, beoordeelt zij onmiddellijk welke gevolgen dit bijzondere feit heeft voor de afwikkelbaarheid van die instelling of entiteit, onder meer de gevolgen voor de afwikkelbaarheid die voortvloeien uit het risico op inbreuken op de in artikel 73 geregelde waarborgen voor schuldeisers bij de uitoefening van afschrijvings- en omzettingsbevoegdheden op in aanmerking komende passiva.
Indien de afwikkelingsautoriteit op basis van de in de vijfde alinea van de in dit lid bedoelde beoordeling concludeert dat de passiva die niet de in de lid 1 van dit artikel bedoelde contractuele bepaling bevatten, een substantiële belemmering voor de afwikkelbaarheid vormen, past zij de in artikel 17 bepaalde bevoegdheden zodanig toe dat de belemmering voor de afwikkelbaarheid wordt weggenomen.”;
"
c) het volgende lid wordt ingevoegd:"
“2 bis. Instellingen of entiteiten als bedoeld in artikel 1, lid 1, punten b), c) of d) brengen jaarlijks verslag uit aan de afwikkelingsautoriteit over het volgende:
a)
het totale uitstaande bedrag van alle passiva die onder het recht van een derde land vallen;
b)
voor de in punt a) bedoelde bestanddelen:
i)
hun samenstelling, waaronder hun looptijdprofiel;
ii)
hun rang in normale insolventieprocedures;
iii)
of de passiva uitgesloten zijn op grond van artikel 44, lid 2;
iv)
of het overeenkomstig lid 1 vereiste beding in de contractuele bepalingen is opgenomen;
v)
indien is vastgesteld dat het juridisch of anderszins onuitvoerbaar is om de contractuele erkenning van de bail-inclausule overeenkomstig lid 2 op te nemen, de categorie van de passiva overeenkomstig lid 7.
Indien instellingen en entiteiten deel uitmaken van een af te wikkelen groep, zal de af te wikkelen entiteit het verslag opstellen met betrekking tot de af te wikkelen groep, voor zover vereist op grond van lid 1, tweede en derde alinea.”;
"
d) het volgende lid wordt toegevoegd:"
“8 bis. De EBA stelt ontwerpen van technische uitvoeringsnormen op tot nadere bepaling van eenvormige formats en modellen voor de kennisgeving aan de afwikkelingsautoriteiten zoals bedoeld in lid 2 bis.
De EBA dient deze ontwerpen van technische uitvoeringsnormen uiterlijk [één jaar na de datum van inwerkingtreding van deze wijzigingsrichtlijn] in bij de Commissie.
De Commissie wordt de bevoegdheid verleend om de in de eerste alinea van dit lid bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.”.
"
42) Artikel 59 wordt als volgt gewijzigd:
a) in lid 3 wordt punt e) vervangen door:"
“e) buitengewone openbare financiële steun wordt vereist door de in artikel 1, lid 1, punten b), c) of d), genoemde instelling of entiteit tenzij die steun wordt verleend in een van de in artikel 32 quater bedoelde vormen.”;
"
b) in lid 4 wordt punt b) vervangen door:"
“b) gezien het tijdsbestek, de noodzaak om de bevoegdheden tot afschrijving en omzetting of de afwikkelingsstrategie voor de af te wikkelen groep effectief uit te voeren en andere ter zake doende omstandigheden, valt redelijkerwijze niet te verwachten dat een andere maatregel, inclusief alternatieve maatregelen van de particuliere sector, maatregelen van een toezichthouder of vroegtijdige-interventiemaatregelen, dan de afschrijving of omzetting van de kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende passiva als bedoeld in lid 1 bis, het falen van de in artikel 1, lid 1, punten b), c) of d), genoemde instelling of entiteit binnen een redelijk tijdsbestek zou voorkomen.”.
"
43) Artikel 63 wordt als volgt gewijzigd:
a) lid 1 wordt als volgt gewijzigd:
i) punt m) wordt vervangen door:"
“m) de bevoegdheid om de bevoegde autoriteit opdracht te geven de verwerver van een gekwalificeerde deelneming tijdig en in afwijking van de in artikel 22 van Richtlijn 2013/36/EU en in artikel 12 van Richtlijn 2014/65/EU vastgestelde termijnen te beoordelen;”;
"
ii) het volgende punt n) wordt ingevoegd:"
“n) de bevoegdheid om verzoeken te doen krachtens artikel 17, lid 5, van Verordening (EU) nr. 596/2014 namens de instelling in afwikkeling.”;
"
b) in lid 2 wordt punt a) vervangen door:"
“a) behoudens artikel 3, lid 6, en artikel 85, lid 1, vereisten om de goedkeuring of toestemming van een publieke of privépersoon, met inbegrip van aandeelhouders of schuldeisers van de instelling in afwikkeling en de bevoegde autoriteiten voor de toepassing van de artikelen 22 tot en met 27 van Richtlijn 2013/36/EU, te verkrijgen;”.
"
44) Artikel 71 bis, lid 3, wordt vervangen door:"
“3. Lid 1 is van toepassing op elk financieel contract dat voldoet aan het volgende:
a)
het contract creëert een nieuwe verplichting, of verandert een bestaande verplichting wezenlijk na de inwerkingtreding van de bepalingen die op nationaal niveau zijn vastgesteld tot omzetting van dit artikel;
b)
het contract voorziet in de uitoefening van een of meer beëindigingsrechten of rechten tot tenuitvoerlegging van zekerheidsrechten waarop de artikelen 33 bis, 68, 69, 70 of 71 van toepassing zouden zijn indien het financiële contract onder de wetgeving van een lidstaat zou vallen.”.
"
45) In artikel 74, lid 3, wordt het volgende punt d) ingevoegd:"
“d) bij het bepalen van de verliezen die het depositogarantiestelsel zou hebben geleden indien de instelling volgens een normale insolventieprocedure zou zijn geliquideerd, worden de criteria en methodologie toegepast als bedoeld in artikel 11 sexies van Richtlijn 2014/49/EU en in elke gedelegeerde handeling die overeenkomstig dat artikel is vastgesteld.”.
"
45 bis) In artikel 84 wordt het volgende lid ingevoegd:"
“6 bis. Dit artikel vormt geen beletsel voor de uitwisseling van informatie tussen afwikkelingsautoriteiten en belastingautoriteiten in dezelfde lidstaat, voor zover de nationale wetgeving van die lidstaat in die uitwisseling voorziet. Indien die informatie afkomstig is uit een andere lidstaat, wordt deze alleen bekendgemaakt met de uitdrukkelijke instemming van de betreffende autoriteit die de informatie heeft verstrekt.”.
"
46) In artikel 88 wordt het volgende lid 6 bis ingevoegd:"
“6 bis. Om de taken als bedoeld in de artikelen 10, lid 1, 15, lid 1, en 17, lid 1, te vergemakkelijken en alle relevante informatie uit te wisselen, stelt de afwikkelingsautoriteit van een instelling met belangrijke bijkantoren in andere lidstaten een afwikkelingscollege samen en zit zij dit voor.
De afwikkelingsautoriteit van de in de eerste alinea genoemde instelling beslist welke autoriteiten deelnemen aan een vergadering of activiteit van het afwikkelingscollege, rekening houdend met de relevantie van de voor die autoriteiten te plannen of coördineren activiteit, met name de potentiële impact op de stabiliteit van het financiële systeem in de betrokken lidstaten de in de eerste alinea genoemde taken.
De afwikkelingsautoriteit van de in de eerste alinea genoemde instelling houdt alle leden van het afwikkelingscollege college volledig en vooraf op de hoogte over het beleggen van vergaderingen, de voornaamste agendapunten en de in overweging te nemen activiteiten. De afwikkelingsautoriteit van de in de eerste alinea genoemde instelling houdt ook alle leden van het college tijdig en volledig op de hoogte over de acties of maatregelen die in die bijeenkomsten ondernomen of uitgevoerd worden.”.
"
46 bis) Aan artikel 90 wordt het volgende lid toegevoegd:"
“4 bis. Artikel 84 vormt geen beletsel voor de uitwisseling van informatie tussen afwikkelingsautoriteiten en belastingautoriteiten in dezelfde lidstaat, voor zover de nationale wetgeving van die lidstaat in die uitwisseling voorziet. Indien die informatie afkomstig is uit een andere lidstaat, wordt deze alleen bekendgemaakt met de uitdrukkelijke instemming van de betreffende autoriteit die de informatie heeft verstrekt.”.
"
47) Artikel 91 wordt als volgt gewijzigd:
a) lid 1 wordt vervangen door:"
“1. Indien een afwikkelingsautoriteit besluit dat een instelling of entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, punten b), c) of d), die een dochteronderneming in een groep is, voldoet aan de in de artikelen 32 of 33 gestelde voorwaarden, stelt de autoriteit de afwikkelingsautoriteit op groepsniveau, indien deze verschillend is, de consoliderende toezichthouder en de leden van het afwikkelingscollege voor de groep in kwestie onverwijld in kennis van de volgende informatie:
a)
de beslissing dat de instelling of entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, punten b), c) of d), voldoet aan de voorwaarden als bedoeld in artikel 32, lid 1, punten a) en b), of in artikel 33, lid 1 of 2, indien van toepassing, of aan de voorwaarden als bedoeld in artikel 33, lid 4;
b)
het resultaat van de beoordeling van de voorwaarde als bedoeld in artikel 32, lid 1, punt c);
c)
de afwikkelingsmaatregelen of insolventiemaatregelen die de afwikkelingsautoriteit passend acht voor die instelling of entiteit.
De in de eerste alinea genoemde informatie kan worden opgenomen in de kennisgevingen die krachtens artikel 81, lid 3) zijn meegedeeld aan de in de eerste alinea van dit lid genoemde adressaten.”;
"
b) in lid 7 wordt de tweede alinea vervangen door:"
“Op verzoek van een afwikkelingsautoriteit kan de EBA overeenkomstig artikel 31, lid 2, punt c), van Verordening (EU) nr. 1093/2010 de afwikkelingsautoriteiten bijstaan bij het bereiken van een gezamenlijk besluit.”.
"
48) In artikel 92, lid 3, wordt de tweede alinea vervangen door:"
“Op verzoek van een afwikkelingsautoriteit kan de EBA overeenkomstig artikel 31, lid 2, punt c), van Verordening (EU) nr. 1093/2010 de afwikkelingsautoriteiten bijstaan bij het bereiken van een gezamenlijk besluit.”.
"
49) In artikel 97 wordt lid 4 vervangen door:"
“4. Afwikkelingsautoriteiten sluiten indien passend niet-bindende samenwerkingsregelingen met de in lid 2 van dit artikel genoemde bevoegde autoriteiten in derde landen. Die regelingen stemmen overeen met de EBA-kaderovereenkomst.
De bevoegde autoriteiten sluiten indien passend niet-bindende samenwerkingsregelingen met de in lid 2 van dit artikel genoemde bevoegde autoriteiten in derde landen. Die regelingen stemmen overeen met de EBA-kaderovereenkomst en waarborgen dat de informatie die aan de autoriteiten in derde landen openbaar worden gemaakt, onderworpen is aan een garantie dat vereisten inzake het beroepsgeheim worden nagekomen die ten minste gelijkwaardig zijn met de vereisten als bedoeld in artikel 84.”.
"
50) In artikel 98 wordt lid 1 als volgt gewijzigd:
a) de inleidende zin wordt vervangen door:"
“De lidstaten dragen er zorg voor dat afwikkelingsautoriteiten en bevoegde ministeries alleen vertrouwelijke informatie, met inbegrip van herstelplannen, met betrokken autoriteiten van derde landen uitwisselen indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:”;
"
b) de volgende tweede en derde alinea worden toegevoegd:"
“De lidstaten dragen er zorg voor dat bevoegde autoriteiten alleen vertrouwelijke informatie met betrokken autoriteiten van derde landen uitwisselen indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:
a)
in verband met herstel- en afwikkelingsgerelateerde informatie, de in de eerste alinea genoemde voorwaarden;
b)
in verband met andere informatie die beschikbaar is voor de bevoegde autoriteiten, de voorwaarden als bedoeld in artikel 55 van Richtlijn 2013/36/EU.
Voor de toepassing van de tweede alinea omvat herstel- en afwikkelingsgerelateerde informatie alle informatie die rechtstreeks verband houdt met de taken van bevoegde autoriteiten in hoofde van deze richtlijn, met name herstelplanning en herstelplannen, vroegtijdige-interventiemaatregelen en uitwisselingen met afwikkelingsautoriteiten betreffende afwikkelingsplanning, afwikkelingsplannen en afwikkelingsmaatregelen.”.
"
51) In artikel 101 wordt lid 2 vervangen door:"
“2. Indien de afwikkelingsautoriteit bepaalt dat het gebruik van een financieringsregeling voor de afwikkeling voor de in lid 1 van dit artikel bedoelde doeleinden er waarschijnlijk zal toe leiden dat een deel van de verliezen van een instelling of entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, punt b), c) of d), ondergebracht wordt in de financieringsregeling voor de afwikkeling, gelden de beginselen betreffende het gebruik van de bij artikel 44 vastgestelde financieringsregeling voor de afwikkeling.”.
"
52) In artikel 102, lid 3, wordt de eerste alinea vervangen door:"
“Indien de beschikbare financiële middelen na de in lid 1 van dit artikel bedoelde initiële termijn dalen tot onder het in dat lid vermelde streefbedrag, worden opnieuw overeenkomstig artikel 103 normale bijdragen geïnd totdat het streefbedrag is bereikt. Afwikkelingsautoriteiten kunnen de inning van de overeenkomstig artikel 103 geïnde regelmatige bijdragen gedurende maximaal drie jaar uitstellen indien het te innen bedrag een bedrag bereikt dat in verhouding staat tot de kosten van het inningsproces, mits dit uitstel geen wezenlijke gevolgen heeft voor het vermogen van de afwikkelingsautoriteit om de financieringsregelingen voor de afwikkeling overeenkomstig artikel 101 te gebruiken. Deze bijdragen worden vastgesteld op een niveau waarbij het mogelijk wordt gemaakt dat het streefbedrag binnen vier jaar kan worden bereikt nadat het streefbedrag voor het eerst is bereikt en indien de beschikbare financiële middelen vervolgens zijn teruggebracht tot minder dan twee derde van het streefbedrag.”.
"
53) Artikel 103 wordt als volgt gewijzigd:
a) lid 3 wordt vervangen door:"
“3. De in aanmerking te nemen beschikbare financiële middelen om het in artikel 102 vermelde streefbedrag te bereiken, kunnen ook niet-herroepbare betalingstoezeggingen omvatten die volledig zijn gedekt door zekerheden of activa met een laag risico die niet met rechten van derden zijn bezwaard, waarover vrij kan worden beschikt en waarvan uitsluitend gebruik kan worden gemaakt door de afwikkelingsautoriteiten voor de in artikel 101, lid 1, genoemde doeleinden. Het aandeel van onherroepelijke betalingstoezeggingen is niet hoger dan 30 % van het totaalbedrag dat overeenkomstig dit artikel wordt geïnd. Binnen dat maximum bepaalt de afwikkelingsautoriteit jaarlijks het aandeel van de onherroepelijke betalingstoezeggingen in het totale bedrag van de overeenkomstig dit artikel te heffen bijdragen.”;
"
b) het volgende lid 3 bis wordt ingevoegd:"
“3 bis. De afwikkelingsautoriteit vraagt de overeenkomstig lid 3 van dit artikel gedane onherroepelijke betalingstoezeggingen op wanneer het gebruik van de financieringsregelingen voor de afwikkeling overeenkomstig artikel 101 noodzakelijk is.
Indien een entiteit ophoudt onder het toepassingsgebied van artikel 1 te vallen en niet langer verplicht is bijdragen te betalen overeenkomstig lid 1 van dit artikel, vraagt de afwikkelingsautoriteit de onherroepelijke betalingsverplichtingen die krachtens lid 3 zijn gedaan en nog steeds verschuldigd zijn, op. Indien de aan de onherroepelijke betalingstoezegging verbonden bijdrage op eerste verzoek naar behoren wordt betaald, annuleert de afwikkelingsautoriteit de verplichting en geeft hij de zekerheid terug. Indien de bijdrage bij de eerste afroep niet naar behoren wordt betaald, legt de afwikkelingsautoriteit beslag op de zekerheid en annuleert hij de toezegging.”.
"
54) In artikel 104, lid 1, wordt de tweede alinea vervangen door:"
“Buitengewone achteraf te betalen bijdragen bedragen niet meer dan drie keer 12,5 % van het in artikel 102 vermelde streefbedrag.”.
"
55) Artikel 108 wordt als volgt gewijzigd:
a) lid 1 wordt vervangen door:"
“1. De lidstaten dragen er zorg voor dat in hun nationale wetgeving inzake normale insolventieprocedures:
a)
de volgende onderdelen dezelfde rangorde hebben die hoger is dan de rangorde van vorderingen van gewone concurrente schuldeisers:
i)
deposito’s die zijn uitgesloten van dekking krachtens artikel 5 van Richtlijn 2014/49/EU;
ii)
het gedeelte van in aanmerking komende deposito’s van juridische entiteiten die geen kleine, middelgrote en micro-ondernemingen zijn, dat het in artikel 6 van Richtlijn 2014/49/EU bepaalde dekkingsniveau overschrijdt;
iii)
het gedeelte van in aanmerking komende deposito’s van centrale en regionale overheden dat het in artikel 6 van Richtlijn 2014/49/EU bepaalde dekkingsniveau overschrijdt;
iv)
het gedeelte van deposito’s van rechtspersonen die geen kleine, middelgrote of micro-ondernemingen zijn en die in aanmerking komende deposito’s zouden zijn indien zij niet zouden zijn gedaan via dochterondernemingen gelegen buiten de Unie van instellingen die gevestigd zijn in de Unie, dat het in artikel 6 van Richtlijn 2014/49/EU bepaalde dekkingsniveau overschrijdt;
b)
de volgende onderdelen dezelfde rangorde hebben die hoger is dan de rangorde van punt a):
i)
gedekte deposito’s;
ii)
depositogarantiestelsels voor hun vordering op grond van artikel 9, lid 2, van Richtlijn 2014/49/EU;
iii)
andere in aanmerking komende deposito’s dan die genoemd in punt a), ii) en iii); alsmede
iv)
andere dan de in punt a), iv), genoemde deposito’s die in aanmerking komende deposito’s zouden zijn indien zij niet zouden zijn gedaan via dochterondernemingen gelegen buiten de Unie van instellingen die gevestigd zijn in de Unie.”;
"
b) de volgende leden 8 en 9 worden ingevoegd:"
“8. Indien de in artikel 37, lid 3, punt a) of b), bedoelde afwikkelingsinstrumenten worden gebruikt om slechts een deel van de activa, rechten of passiva van de instelling in afwikkeling over te dragen, heeft de financieringsregeling voor de afwikkeling een vordering op de resterende instelling of entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, punten b), c) of d), voor alle kosten en verliezen die door de financieringsregeling voor de afwikkeling zijn gedragen als gevolg van eventuele bijdragen aan de afwikkeling overeenkomstig artikel 101, lid 1, in verband met verliezen die crediteuren anders zouden hebben gedragen.
9. De lidstaten dragen er zorg voor dat de vorderingen van de financieringsregeling voor de afwikkeling als bedoeld in lid 8 van dit artikel en in artikel 37, lid 7, in hun nationale wetgeving inzake normale insolventieprocedures een voorkeursrangorde hebben die hoger is dan de rangorde die is voorzien voor de vorderingen van deposito’s en van depositogarantiestelsels in hoofde van lid 1 van dit artikel.”.
"
56) Artikel 109 wordt als volgt gewijzigd:
a) leden 1 en 2 worden vervangen door:"
“1. De lidstaten dragen er zorg voor dat, wanneer de afwikkelingsautoriteiten afwikkelingsmaatregelen met betrekking tot een kredietinstelling nemen, en mits die maatregelen garanderen dat deposanten toegang blijven hebben tot hun deposito’s, ▌het depositogarantiestelsel waarbij die kredietinstelling is aangesloten, de volgende bedragen bijdraagt:
a)
indien het instrument van bail-in wordt toegepast, onafhankelijk of in combinatie met het instrument van afsplitsing van activa, het bedrag waarmee gedekte deposito’s zouden zijn afgeschreven of omgezet om de verliezen te absorberen en de instelling in afwikkeling te herkapitaliseren in hoofde van artikel 46, lid 1, deposito’s had gedekt die waren opgenomen in de reikwijdte van bail-in;
b)
indien het instrument van verkoop van onderneming of het instrument van de overbruggingsinstelling worden toegepast, onafhankelijk of in combinatie met andere afwikkelingsinstrumenten:
i)
het bedrag dat noodzakelijk is om het verschil te dekken tussen de waarde van de gedekte deposito’s en van de passiva met dezelfde of een hogere voorkeursrangorde dan deposito’s en de waarde van de activa van de instelling in afwikkeling die moeten worden overgedragen aan een ontvanger; alsmede
ii)
indien van toepassing, een bedrag dat noodzakelijk is om de kapitaalneutraliteit van de ontvanger na de overdracht te waarborgen.
In de gevallen genoemd in de eerste alinea, punt b), waarbij de overdracht naar de ontvanger deposito’s omvat die geen gedekte deposito’s of andere bail-inbare passiva zijn en de afwikkelingsautoriteit beoordeelt dat omstandigheden als bedoeld in artikel 44, lid 3, van toepassing zijn op die deposito’s of passiva, draagt het depositogarantiestelsel het volgende bij:
a)
het bedrag dat noodzakelijk is om het verschil te dekken tussen de waarde van de deposito’s, met inbegrip van deposito’s die niet gedekt zijn, en van de passiva met dezelfde of een hogere voorkeursrangorde dan deposito’s en de waarde van de activa van de instelling in afwikkeling die moeten worden overgedragen aan een ontvanger; alsmede
b)
indien van toepassing, een bedrag dat noodzakelijk is om de kapitaalneutraliteit van de overdracht voor de ontvanger te waarborgen.
De lidstaten dragen er zorg voor dat, zodra het depositogarantiestelsel een bijdrage heeft gedaan in de gevallen als bedoeld in de tweede alinea, de instelling in afwikkeling zich onthoudt van het verwerven van belangen in andere ondernemingen alsmede uitkeringen in verband met tier 1-kapitaal of betalingen op aanvullende tier 1-instrumenten, of van andere activiteiten die kunnen leiden tot een uitstroom van fondsen.
In alle gevallen mogen de kosten van de bijdrage van het depositogarantiestelsel niet groter zijn dan de kosten van de terugbetaling van deposanten zoals berekend door het depositogarantiestelsel in hoofde van artikel 11 sexies van Richtlijn 2014/49/EU.
Indien bij een waardering uit hoofde van artikel 74 wordt vastgesteld dat de kosten van de bijdrage van het depositogarantiestelsel aan de afwikkeling groter was dan de verliezen die het zou hebben geleden, indien de instelling zou zijn afgewikkeld op grond van een normale insolventieprocedure, heeft het depositogarantiestelsel recht op de betaling van het verschil met de financieringsregeling voor de afwikkeling overeenkomstig artikel 75.
2. De lidstaten dragen er zorg voor dat de afwikkelingsautoriteit het bedrag van de bijdrage van het depositogarantiestelsel bepaalt in overeenstemming met lid 1 na raadpleging van het depositogarantiestelsel over de geraamde kosten van terugbetaling aan deposanten overeenkomstig artikel 11 sexies van Richtlijn 2014/49/EU en met inachtneming van de voorwaarden als bedoeld in artikel 36 van deze richtlijn.
De afwikkelingsautoriteit deelt haar in de eerste alinea genoemde beslissing mee aan het depositogarantiestelsel waarbij de instelling is aangesloten. Het depositogarantiestelsel voert dat besluit onverwijld uit.”;
"
b) de volgende leden 2 bis en 2 ter worden ingevoegd:"
“2 bis. Indien de fondsen van het depositogarantiestelsel worden gebruikt overeenkomstig lid 1, eerste alinea, punt a), om bij te dragen tot de herkapitalisatie van de instelling in afwikkeling, dragen de lidstaten er zorg voor dat het depositogarantiestelsel zijn deelnemingen van aandelen of andere kapitaalinstrumenten in de instelling in afwikkeling zo snel als de commerciële en financiële omstandigheden het toelaten, overdraagt aan de particuliere sector.
De lidstaten dragen er zorg voor dat het depositogarantiestelsel de aandelen en andere in de eerste alinea genoemde kapitaalinstrumenten openlijk en op transparante wijze verkoopt en dat de verkoop ze niet verkeerd voorstelt of geen aanleiding geeft tot discriminatie tussen potentiële kopers. Een dergelijke verkoop vindt plaats onder commerciële voorwaarden.
2 ter. De bijdrage van het depositogarantiestelsel krachtens lid 1, tweede alinea, telt mee voor de drempels die zijn vastgelegd in artikel 44, lid 5, punt a), en in artikel 44, lid 8, punt a).
Indien het gebruik van het depositogarantiestelsel krachtens lid 1, tweede alinea, samen met de bijdrage tot verliesabsorptie en herkapitalisatie die wordt gedaan door de aandeelhouders en de houders van andere instrumenten van eigendom, de houders van relevante kapitaalinstrumenten en andere bail-inbare passiva, het gebruik van de financieringsregeling voor de afwikkeling mogelijk maakt, is de bijdrage van het depositogarantiestelsel beperkt tot het bedrag dat noodzakelijk is om de drempels te halen die zijn vastgelegd in artikel 44, lid 5, punt a), en in artikel 44, lid 8, punt a). Na de bijdrage van het depositogarantiestelsel wordt de financieringsregeling voor de afwikkeling gebruikt overeenkomstig de beginselen die van toepassing zijn op het gebruik van de financieringsregeling voor de afwikkeling als bedoeld in de artikelen 44 en 101.
In afwijking van de beperking van bijdragen van het depositogarantiestelsel op grond van de tweede alinea van dit lid is indien aan de voorwaarden van artikel 44, lid 7, is voldaan een aanvullende bijdrage van het depositogarantiestelsel vereist. Die aanvullende bijdrage is gelijk aan het bedrag dat door de afwikkelingsfinancieringsregeling wordt bijgedragen boven de in artikel 44, lid 5, punt b) bepaalde limiet van 5 %, vermenigvuldigd met het aandeel van gedekte deposito’s als deel van de totale passiva in de reikwijdte van de overdracht.
De eerste en tweede alinea zullen evenwel niet van toepassing zijn op instellingen die voldoen aan tenminste één van de volgende voorwaarden:
a)
de instelling is geïdentificeerd als een entiteit in liquidatie in het groepsafwikkelingsplan of in het afwikkelingsplan;
b)
de instelling heeft binnen de periode van vier jaar eindigend 6 maanden vóór de vaststelling van het falen of waarschijnlijk zullen falen overeenkomstig artikel 32, lid 1, punt a) in vier kwartelen niet voldaan aan haar tussentijdse of definitieve MREL-streefbedrag, naargelang het geval. Bij de periode van vier jaar wordt geen rekening gehouden met de twee opeenvolgende kwartalen onmiddellijk voorafgaand aan die vaststelling van het falen of waarschijnlijk zullen falen.”;
"
c) lid 3 wordt geschrapt;
d) in lid 5 worden de tweede en de derde alinea geschrapt.
57) In artikel 111, lid 1, wordt het volgende punt e) toegevoegd:"
“e) niet voldoen aan het minimumvereiste voor eigen fondsen en in aanmerking komende passiva als bedoeld in artikel 45 sexies of 45 septies.”.
"
58) Artikel 128 wordt als volgt gewijzigd:
a) de titel wordt vervangen door:"
“Samenwerking en informatie-uitwisseling tussen instellingen en autoriteiten”;
"
b) het volgende lid wordt toegevoegd:"
“De afwikkelingsautoriteiten, de bevoegde autoriteiten, de EBA, de gemeenschappelijke afwikkelingsraad, de ECB en andere leden van het Europees Stelsel van centrale banken verstrekken de Commissie, op haar verzoek en binnen het gespecificeerde tijdsbestek, alle informatie die noodzakelijk is voor de uitvoering van haar taken inzake beleidsontwikkeling, met inbegrip van de uitvoering van effectbeoordelingen, de voorbereiding van wetgevingsvoorstellen en de deelname aan het wetgevingsproces. De Commissie en de personeelsleden van de Commissie moeten de vereisten van het beroepsgeheim naleven die zijn vastgelegd in artikel 88 van Verordening (EU) nr. 806/2014 van het Europees Parlement en de Raad* met inachtneming van de ontvangen informatie.”.
______________________________
* Verordening (EU) nr. 806/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2014 tot vaststelling van eenvormige regels en een eenvormige procedure voor de afwikkeling van kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen in het kader van een gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme en een gemeenschappelijk afwikkelingsfonds en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1093/2010 (PB L 225 van 30.7.2014, blz. 1).
"
59) Het volgende artikel 128 bis wordt ingevoegd:"
“Artikel 128 bis
Crisisbeheerssimulaties
1. De EBA coördineert regelmatige Uniebrede oefeningen om de toepassing van deze richtlijn, Verordening (EU) nr. 806/2014 en Richtlijn 2014/49/EU te testen in grensoverschrijdende situaties op de volgende aspecten:
a)
samenwerking van de bevoegde autoriteiten tijdens herstelplanning;
b)
samenwerking tussen afwikkelingsautoriteiten en bevoegde autoriteiten vóór de faling en tijdens de afwikkeling van financiële instellingen, ook bij de uitvoering van afwikkelingsregelingen die zijn aangenomen in hoofde van artikel 18 van Verordening (EU) nr. 806/2014.
2. De EBA produceert een verslag waarin de voornaamste bevindingen en conclusies van de oefeningen worden uiteengezet. Dit verslag wordt openbaar gemaakt.”.
"
Artikel 2
Omzetting
1. De lidstaten dragen er zorg voor dat de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die nodig zijn om aan deze richtlijn te voldoen, uiterlijk … [PB: gelieve de datum 18 maanden na de inwerkingtreding van deze wijziging van richtlijn in te vullen] worden vastgesteld en bekendgemaakt. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onmiddellijk mee.
Zij passen die bepalingen toe met ingang van … [PB: gelieve de datum 1 dag na de omzettingsdatum van deze wijziging van richtlijn in te vullen].
Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking ervan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.
2. De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.
Artikel 3
Inwerkingtreding
Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
*De wijzigingen in de tekst zijn het gevolg van de aanneming van amendement 1. Nieuwe of vervangende tekst staat in vet en cursief, schrappingen zijn met het symbool ▐ aangegeven.
Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de Richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de Verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012, van het Europees Parlement en de Raad (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 190).
Verordening (EU) nr. 806/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2014 tot vaststelling van eenvormige regels en een eenvormige procedure voor de afwikkeling van kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen in het kader van een gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme en een gemeenschappelijk afwikkelingsfonds en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1093/2010 (PB L 225 van 30.7.2014, blz. 1).
Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/1118 van de Commissie van 26 maart 2021 tot aanvulling van Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van de door afwikkelingsautoriteiten te gebruiken methode voor het ramen van het in artikel 104 bis van Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad bedoelde vereiste en het gecombineerde buffervereiste voor af te wikkelen entiteiten op het geconsolideerde niveau van de af te wikkelen groep, ingeval de af te wikkelen groep niet onderworpen is aan die vereisten uit hoofde van die richtlijn (PB L 241 van 8.7.2021, blz. 1).
Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 338).
Richtlijn (EU) 2019/2034 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende het prudentiële toezicht op beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijnen 2002/87/EG, 2009/65/EG, 2011/61/EU, 2013/36/EU, 2014/59/EU en 2014/65/EU (PB L 314 van 5.12.2019, blz. 64).
Verordening (EG) nr. 1059/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 betreffende de opstelling van een gemeenschappelijke nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek (NUTS) (PB L 154 van 21.6.2003, blz. 1).
Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 1).
Verordening (EU) 2019/2033 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1093/2010, (EU) nr. 575/2013, (EU) nr. 600/2014 en (EU) nr. 806/2014 (PB L 314 van 5.12.2019, blz. 1).
Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/78/EG van de Commissie (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 12).
Verordening (EG) nr. 1126/2008 van de Commissie van 3 november 2008 tot goedkeuring van bepaalde internationale standaarden voor jaarrekeningen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 320 van 29.11.2008, blz. 1).
Verordening (EU) 2019/876 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2019 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 575/2013 wat betreft de hefboomratio, de nettostabielefinancieringsratio, vereisten inzake eigen vermogen en in aanmerking komende passiva, tegenpartijkredietrisico, marktrisico, blootstellingen aan centrale tegenpartijen, blootstellingen aan instellingen voor collectieve belegging, grote blootstellingen, rapportage- en openbaarmakingsvereisten, en van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PB L 150 van 7.6.2019, blz. 1).
Verordening (EU) 2019/877 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2019 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 806/2014 met betrekking tot de verliesabsorptie- en herkapitalisatiecapaciteit van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen (PB L 150 van 7.6.2019, blz. 226).
Richtlijn (EU) 2019/879 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2019 tot wijziging van Richtlijn 2014/59/EU met betrekking tot de verliesabsorptie- en herkapitalisatiecapaciteit van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en Richtlijn 98/26/EG (PB L 150 van 7.6.2019, blz. 296).
Verordening (EU) nr. 596/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende marktmisbruik (Verordening marktmisbruik) en houdende intrekking van Richtlijn 2003/6/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijnen 2003/124, 2003/125/EG en 2004/72/EG van de Commissie (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 1).
Omvang van depositobescherming, gebruik van de middelen van depositogarantiestelsels, grensoverschrijdende samenwerking en transparantie (DGSD2)
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 24 april 2024 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2014/49/EU betreffende de omvang van depositobescherming, het gebruik van de middelen van depositogarantiestelsels, grensoverschrijdende samenwerking en transparantie (COM(2023)0228 – C9-0133/2023 – 2023/0115(COD))
– gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2023)0228),
– gezien artikel 294, lid 2, en artikel 53, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C9‑0133/2023),
– gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
– gezien het advies van de Europese Centrale Bank van 5 juli 2023(1),
– gezien artikel 59 van zijn Reglement,
– gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A9-0154/2024),
1. stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;
2. verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;
3. verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 24 april 2024 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) 2024/... van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2014/49/EU betreffende de omvang van depositobescherming, het gebruik van de middelen van depositogarantiestelsels, grensoverschrijdende samenwerking en transparantie(2)
HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 53, lid 1,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,
Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(3),
Gezien het advies van het Comité van de Regio’s(4),
Gezien het advies van de Europese Centrale Bank(5),
Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure,
Overwegende hetgeen volgt:
(1) Overeenkomstig artikel 19, leden 5 en 6, van Richtlijn 2014/49/EU van het Europees Parlement en de Raad(6) heeft de Commissie de toepassing en het toepassingsgebied van die richtlijn beoordeeld en is zij tot de conclusie gekomen dat de doelstelling van bescherming van deposanten in de Unie door de oprichting van depositogarantiestelsels (DSG) grotendeels is bereikt. De Commissie is echter ook tot de conclusie gekomen dat de resterende hiaten in de bescherming van deposanten moeten worden aangepakt en dat de werking van depositogarantiestelsels moet worden verbeterd, en dat tegelijkertijd de regels voor andere interventies door depositogarantiestelsels anders dan uitbetalingsprocedures moeten worden geharmoniseerd.
(1 bis) Op dit moment berust de bankenunie op slechts twee van haar beoogde drie pijlers, namelijk het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme (GTM) en het gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme (GAM). Omdat haar derde pijler, het Europees depositoverzekeringsstelsel (EDIS), ontbreekt, blijft de bankenunie dus onvolledig. De lopende herziening van het Uniekader voor crisisbeheer en depositoverzekering is bedoeld om het pad te effenen voor de langverwachte voltooiing van de bankenunie, inclusief de invoering van EDIS. De voltooiing van de bankenunie vormt een integraal onderdeel van de economische en monetaire unie en van de financiële stabiliteit, met name door het beperken van het risico van een “vicieuze cirkel” dat voortvloeit uit de verwevenheid tussen banken en overheden.
(1 ter) Met het oog op een soepele overgang naar de voltooiing van de bankenunie moeten de functies die depositogarantiestelsels kunnen vervullen, worden geharmoniseerd. Daarom moet het aantal discretionaire bevoegdheden uit hoofde van het nationale recht die zijn opgenomen in Richtlijn 2014/49/EU, worden beperkt en moeten alle depositogarantiestelsels in staat worden gesteld om afwikkelingsmaatregelen, preventieve maatregelen en andere alternatieve maatregelen voor de uitbetaling van deposanten te financieren.
(1 quater) Het kader voor crisisbeheer van de Unie moet er te allen tijde voor zorgen dat verliezen niet worden gesocialiseerd en dat het geld van de belastingbetaler niet wordt gebruikt om kredietinstellingen in moeilijkheden te helpen of te redden.
(2) Het niet voldoen aan de verplichtingen om bijdragen aan depositogarantiestelsels te betalen of om informatie te verstrekken aan deposanten en depositogarantiestelsels zou de doelstelling van deposantenbescherming kunnen ondermijnen. Depositogarantiestelsels of, indien relevant, aangewezen autoriteiten kunnen financiële sancties opleggen voor laattijdige betaling van bijdragen. Het is belangrijk om de coördinatie tussen depositogarantiestelsels en aangewezen en bevoegde autoriteiten te verbeteren om handhavingsmaatregelen te nemen tegen een kredietinstelling die haar verplichtingen niet nakomt. Hoewel de toepassing van toezichts- en handhavingsmaatregelen door de bevoegde autoriteiten jegens kredietinstellingen is geregeld in de nationale wetgeving en Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad(7), moet ervoor worden gezorgd dat de aangewezen autoriteiten de bevoegde autoriteiten tijdig in kennis stellen van elke inbreuk op de verplichtingen van kredietinstellingen op grond van de depositobeschermingsregels.
(3) Om verdere convergentie van de praktijken van depositogarantiestelsels te ondersteunen en depositogarantiestelsels te helpen bij het testen van hun veerkracht, moet de Europese Bankautoriteit (EBA) ontwerpen van reguleringsnormen ontwikkelen voor de uitvoering van stresstests op de systemen van depositogarantiestelsels.
(4) Op grond van artikel 5, lid 1, punt d), van Richtlijn 2014/49/EU zijn deposito’s van bepaalde financiële instellingen, waaronder beleggingsondernemingen, uitgesloten van dekking door het depositogarantiestelsel. Het geld dat deze financiële instellingen van hun cliënten ontvangen en dat zij namens hun cliënten bij een kredietinstelling deponeren in het kader van de uitoefening van de diensten die zij aanbieden, moet echter onder bepaalde voorwaarden worden beschermd.
(5) De groepen deposanten die momenteel worden beschermd door middel van terugbetaling door een depositogarantiestelsel zijn ingegeven door de wens om niet-professionele beleggers te beschermen, terwijl professionele beleggers geacht worden dergelijke bescherming niet nodig te hebben. Om die reden zijn overheden van dekking uitgesloten. De meeste overheden (waaronder in sommige lidstaten scholen en ziekenhuizen) kunnen echter niet als professionele investeerders worden beschouwd. Daarom moet ervoor worden gezorgd dat deposito’s van alle niet-professionele beleggers, waaronder overheden, kunnen profiteren van de bescherming die een depositogarantiestelsel biedt.
(6) Deposito’s als gevolg van bepaalde gebeurtenissen, waaronder onroerendgoedtransacties met betrekking tot particuliere woningen of de uitbetaling van bepaalde verzekeringsuitkeringen, kunnen tijdelijk leiden tot grote deposito’s. Om die reden zijn de lidstaten op grond van artikel 6, lid 2, van Richtlijn 2014/49/EU momenteel verplicht ervoor te zorgen dat deposito’s die het gevolg zijn van deze gebeurtenissen gedurende ten minste drie maanden en ten hoogste twaalf maanden na creditering van het bedrag of vanaf het tijdstip waarop die deposito’s wettelijk kunnen worden overgemaakt, boven de 100 000 EUR worden beschermd. Om de bescherming van deposanten in de Unie te harmoniseren en om de administratieve complexiteit en rechtsonzekerheid met betrekking tot de omvang van de bescherming van dergelijke deposito’s te verminderen, is het noodzakelijk om hun bescherming af te stemmen op een minimumbedrag van 500 000 EUR en een maximumbedrag van 2 500 000 EUR voor een geharmoniseerde periode van zes maanden, in aanvulling op het dekkingsniveau van 100 000 EUR. Na de omzetting hiervan door de lidstaten moet de Commissie de beschermde bedragen opnieuw bezien om te bepalen of het maximumbedrag moet worden verlaagd, rekening houdend met de vraag of de beschermde bedragen evenredig zijn en een gelijk speelveld in de hele Unie waarborgen.
(7) Tijdens een onroerendgoedtransactie kunnen de gelden via verschillende rekeningen worden overgemaakt voordat de transactie daadwerkelijk wordt afgewikkeld. Om deposanten bij onroerendgoedtransacties op homogene wijze te beschermen, moet de bescherming van tijdelijke hoge saldi daarom zowel gelden voor de opbrengsten van een verkoop als voor de gelden die worden gedeponeerd voor de aankoop van een particuliere woning binnen een vooraf bepaalde korte periode.
(8) Om ervoor te zorgen dat het door een depositogarantiestelsel terug te betalen bedrag tijdig wordt uitbetaald en om de administratieve en berekeningsregels te vereenvoudigen, moet de discretie om bij de berekening van het terug te betalen bedrag rekening te houden met opeisbare verplichtingen, worden afgeschaft.
(9) Het is noodzakelijk om de operationele capaciteiten van depositogarantiestelsels te optimaliseren en hun administratieve lasten te verminderen. Daarom moet worden vastgesteld dat wanneer het gaat om de identificatie van deposanten die recht hebben op deposito’s op rekeningen van begunstigden of om de beoordeling of deposanten in aanmerking komen voor tijdelijke waarborgen voor hoge saldi, het de verantwoordelijkheid van de deposanten en rekeninghouders blijft om op eigen kracht aan te tonen dat zij daar recht op hebben.
(10) Voor bepaalde deposito’s geldt mogelijk een langere terugbetalingstermijn omdat depositogarantiestelsels de aanvraag tot terugbetaling moeten verifiëren. Om de regels in de hele Unie te harmoniseren, moet de terugbetalingstermijn worden beperkt tot twintig werkdagen na ontvangst van de relevante documenten.
(11) De administratieve kosten in verband met de terugbetaling van kleine bedragen op slapende rekeningen kunnen opwegen tegen de voordelen voor de deposant. Daarom moet worden gespecificeerd dat depositogarantiestelsels niet verplicht moeten worden actieve stappen te ondernemen om de op dergelijke rekeningen aangehouden deposito’s terug te betalen onder bepaalde drempels die op nationaal niveau moeten worden vastgesteld. Het recht van deposanten om aanspraak te maken op een dergelijk bedrag moet echter worden gehandhaafd. Wanneer dezelfde deposant ook andere actieve rekeningen heeft, moeten depositogarantiestelsels dat bedrag bovendien meenemen in de berekening van het terug te betalen bedrag.
(12) Depositogarantiestelsels hebben verschillende methoden om deposanten terug te betalen, variërend van contante uitbetalingen tot elektronische overboekingen. Om er echter voor te zorgen dat het terugbetalingsproces van depositogarantiestelsels traceerbaar is en om in lijn te blijven met de doelstellingen van het kader van de Unie ter voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, moeten terugbetalingen aan deposanten via overmakingen standaard de uitbetalingsmethode zijn wanneer de terugbetaling een bedrag van 10 000 EUR overschrijdt.
(13) Financiële instellingen zijn uitgesloten van depositobescherming. Bepaalde financiële instellingen, waaronder instellingen voor elektronisch geld, betalingsinstellingen en beleggingsondernemingen, deponeren de van hun cliënten ontvangen gelden echter ook op bankrekeningen, vaak op tijdelijke basis, om te voldoen aan beschermingsverplichtingen in overeenstemming met sectorspecifieke wetgeving, waaronder Richtlijn 2009/110/EG van het Europees Parlement en de Raad(8), Richtlijn (EU) 2015/2366 van het Europees Parlement en de Raad(9) en Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad(10). Gezien de groeiende rol van deze financiële instellingen moeten depositogarantiestelsels dergelijke deposito’s beschermen mits deze cliënten geïdentificeerd of identificeerbaar zijn.
(14) Cliënten van financiële instellingen weten niet altijd welke kredietinstelling de financiële instelling heeft gekozen om hun geld bij te deponeren. Depositogarantiestelsels mogen dergelijke deposito’s daarom niet samenvoegen met een deposito dat dezelfde cliënten mogelijk hebben bij dezelfde kredietinstelling waar de financiële instelling hun deposito’s heeft geplaatst. Kredietinstellingen weten mogelijk niet welke cliënten recht hebben op het bedrag dat op de rekeningen van de cliënten wordt aangehouden, of kunnen mogelijk de individuele gegevens van die cliënten niet controleren en registreren. ▌
(15) Bij het terugbetalen van deposanten kunnen depositogarantiestelsels in situaties terechtkomen die aanleiding geven tot bezorgdheid over het witwassen van geld. Het depositogarantiestelsel moet daarom de uitbetaling aan een deposant weigeren wanneer een financiële-inlichtingeneenheid een bank- of betaalrekening heeft geschorst overeenkomstig de toepasselijke antiwitwasregels.
(16) Artikel 9 van Richtlijn 2014/49/EU bepaalt dat wanneer een depositogarantiestelsel betalingen verricht in het kader van een afwikkelingsprocedure, het depositogarantiestelsel een vordering heeft tegen de betrokken kredietinstelling voor een bedrag dat gelijk is aan de betalingen en die vordering in de rangorde dezelfde plaats moet bekleden als gedekte deposito’s. In deze bepaling wordt geen onderscheid gemaakt tussen de bijdrage van een depositogarantiestelsel wanneer een open-bank bail-in-instrument wordt gebruikt, en de bijdrage van een depositogarantiestelsel aan de financiering van een overdrachtsstrategie (verkoop van een bedrijf of instrument van de overbruggingsinstelling), gevolgd door liquidatie van de rest van de entiteit. Om duidelijkheid en rechtszekerheid te garanderen met betrekking tot het bestaan en het bedrag van een vordering van een depositogarantiestelsel in verschillende scenario’s, moet worden gespecificeerd dat wanneer het depositogarantiestelsel bijdraagt tot de ondersteuning van de verkoop van een bedrijfsinstrument of van de toepassing van het instrument van de overbruggingsinstelling, of alternatieve maatregelen, waarbij een reeks activa, rechten en passiva, waaronder deposito’s, van de kredietinstelling wordt overgedragen aan een ontvanger, dat depositogarantiestelsel bij de daaropvolgende liquidatieprocedure op grond van nationaal recht een vordering op de rest van de entiteit moet hebben. Om ervoor te zorgen dat de aandeelhouders en crediteuren van de kredietinstelling die achterblijft in de rest van de entiteit de verliezen van die kredietinstelling effectief opvangen en de mogelijkheid van terugbetalingen bij insolventie aan het depositogarantiestelsel verbeteren, moet de vordering van het depositogarantiestelsel in de rangorde dezelfde plaats bekleden als gedekte deposito’s. Indien het open-bank bail-in-instrument wordt toegepast (d.w.z. wanneer de kredietinstelling haar activiteiten voortzet), draagt het depositogarantiestelsel bij tot het bedrag waarmee gedekte deposito’s zouden zijn afgeschreven of omgerekend om de verliezen in die kredietinstelling op te vangen, indien gedekte deposito’s binnen het toepassingsgebied van de bail-in waren opgenomen. Daarom mag de bijdrage van het depositogarantiestelsel niet resulteren in een vordering tegen de instelling in afwikkeling, aangezien dit het doel van de bijdrage van het depositogarantiestelsel teniet zou doen.
(17) Om te zorgen voor convergentie van de praktijken van depositogarantiestelsels en rechtszekerheid voor deposanten om aanspraak te maken op hun deposito’s, en om operationele hindernissen voor depositogarantiestelsels te vermijden, is het belangrijk om een voldoende lange termijn vast te stellen waarbinnen deposanten aanspraak kunnen maken op terugbetaling van hun deposito’s, in die gevallen waarin het depositogarantiestelsel deposanten niet binnen de in artikel 8 van Richtlijn 2014/49/EU vastgestelde termijnen heeft terugbetaald in het geval van een uitbetaling.
(18) De lidstaten zorgen er op grond van artikel 10, lid 2, van Richtlijn 2014/49/EU, voor dat de beschikbare financiële middelen van een depositogarantiestelsel uiterlijk op 3 juli 2024 ten minste een streefbedrag hebben bereikt dat gelijk is aan 0,8 % van het bedrag van de gedekte deposito’s van de deelnemers. Teneinde objectief te beoordelen of depositogarantiestelsels aan dat vereiste voldoen, moet een duidelijke referentieperiode worden vastgesteld om het bedrag van de gedekte deposito’s en de beschikbare financiële middelen van depositogarantiestelsels te bepalen. Bij de beoordeling van de uitbreiding van het toepassingsgebied voor het gebruik van depositogarantiestelsels moet zorgvuldig bekeken en beoordeeld worden of het streefbedrag van 0,8 % geëigend is.
(19) Om de veerkracht van depositogarantiestelsels te waarborgen, moeten hun middelen afkomstig zijn van stabiele en onherroepelijke bijdragen. Bepaalde bronnen van financiering van depositogarantiestelsels, waaronder leningen en verwachte terugvorderingen, zijn te resultaatafhankelijk om als bijdragen te worden meegenomen bij het bereiken van het streefbedrag van het depositogarantiestelsel. Om de voorwaarden voor het bereiken van hun streefbedrag te harmoniseren en om ervoor te zorgen dat de beschikbare financiële middelen van depositogarantiestelsels worden gefinancierd door bijdragen van de sector, moeten middelen die in aanmerking wordt genomen voor het bereiken van het streefbedrag worden onderscheiden van middelen die worden beschouwd als aanvullende financieringsbronnen. Uitstromen van middelen van een depositogarantiestelsel, met inbegrip van te verwachten aflossingen van leningen, kunnen worden gepland en verwerkt in de reguliere bijdragen van deelnemers aan het depositogarantiestelsel, en mogen daarom niet leiden tot een daling van de beschikbare financiële middelen tot onder het streefbedrag. Om die reden moet worden gespecificeerd dat, nadat het streefbedrag voor het eerst is bereikt, alleen een tekort aan beschikbare financiële middelen van het depositogarantiestelsel als gevolg van een interventie van het depositogarantiestelsel (uitbetaling of preventieve, afwikkelings- of alternatieve maatregelen) een aanvullingsperiode van vier jaar kan doen ingaan. Indien na een dergelijke interventie door het depositogarantiestelsel debeschikbare financiële middelenmet minder dan een derde zijn verminderd, moet de aanvullingsperiode twee jaar bedragen. Om een consistente toepassing te waarborgen, moet de EBA ontwerpen van technische reguleringsnormen ontwikkelen waarin de methode voor de berekening van het streefbedrag voor de depositogarantiestelsels wordt gespecificeerd.
(20) De beschikbare financiële middelen van een depositogarantiestelsel moeten onmiddellijk kunnen worden gebruikt in het geval van plotselinge uitbetalingen of andere interventies. Gezien de verschillende praktijken in de Unie is het passend vereisten vast te stellen voor de beleggingsstrategie van depositogarantiestelsels om eventuele negatieve gevolgen voor het vermogen van een depositogarantiestelsel om zijn taak te vervullen, te beperken. Wanneer een depositogarantiestelsel niet bevoegd is om de beleggingsstrategie vast te stellen, moet de autoriteit, of het orgaan of de entiteit in de lidstaat die verantwoordelijk is voor het bepalen van de beleggingsstrategie, bij het bepalen van die beleggingsstrategie ook de beginselen met betrekking tot diversificatie en beleggingen in liquide activa met een laag risico respecteren. Om de volledige operationele onafhankelijkheid en flexibiliteit van het depositogarantiestelsel te behouden wat betreft toegang tot zijn middelen, moeten, wanneer middelen van een depositogarantiestelsel bij de schatkist worden gedeponeerd, deze middelen worden geoormerkt en op een afzonderlijke rekening worden geplaatst.
(21) De optie om de beschikbare financiële middelen van een depositogarantiestelsel bijeen te brengen door verplichte bijdragen die door de deelnemende instellingen worden betaald aan bestaande stelsels van verplichte bijdragen die door een lidstaat zijn ingesteld om de kosten in verband met het systeemrisico te dekken, is nooit gebruikt en moet daarom worden afgeschaft.
(22) Het is noodzakelijk om de deposantenbescherming te verbeteren, waarbij tegelijkertijd wordt vermeden dat de activa van een depositogarantiestelsel tegen afbraakprijzen worden verkocht en mogelijke negatieve procyclische effecten op de banksector als gevolg van de inning van buitengewone bijdragen worden beperkt. Depositogarantiestelsels moeten daarom gebruik kunnen maken van alternatieve financieringsregelingen die hen in staat stellen om op elk moment kortlopende financiering te verkrijgen uit andere bronnen dan bijdragen, onder meer voordat ze hun beschikbare financiële middelen die via buitengewone bijdragen zijn geïnd, gebruiken. Aangezien kredietinstellingen in de eerste plaats de kosten en verantwoordelijkheid voor de financiering van depositogarantiestelsels moeten dragen, mogen alternatieve financieringsregelingen uit overheidsmiddelen niet worden toegelaten.
(23) Om te zorgen voor voldoende gediversifieerde belegging van de middelen van depositogarantiestelsels en convergentie van hun praktijken, moet de EBA richtsnoeren uitvaardigen om depositogarantiestelsels in dat verband sturing te bieden.
(24) Hoewel de primaire rol van depositogarantiestelsels de terugbetaling van gedekte deposanten is, kunnen interventies anders dan uitbetaling kosteneffectiever blijken voor depositogarantiestelsels en zorgen voor een ononderbroken toegang tot deposito’s door overdrachtsstrategieën te faciliteren. Depositogarantiestelsels kunnen verplicht zijn om bij te dragen aan de afwikkeling van kredietinstellingen. Daarnaast kunnen depositogarantiestelsels in sommige lidstaten preventieve maatregelen financieren om de levensvatbaarheid van kredietinstellingen op lange termijn te herstellen, of alternatieve maatregelen in geval van insolventie. Hoewel dergelijke preventieve en alternatieve maatregelen de bescherming van deposito’s aanzienlijk kunnen verbeteren, is het noodzakelijk om dergelijke maatregelen aan passende waarborgen te onderwerpen, onder meer in de vorm van een geharmoniseerde laagstekostentoets, om te zorgen voor een gelijk speelveld en de doeltreffendheid en kostenefficiëntie van dergelijke maatregelen. Dergelijke waarborgen zouden alleen van toepassing moeten zijn op interventies die worden gefinancierd met de beschikbare financiële middelen van het depositogarantiestelsel die op grond van deze richtlijn zijn gereglementeerd.
(24 bis) Het is van het allerhoogste belang dat depositogarantiestelsels bij al hun interventies en ongeacht het scenario in kwestie aandacht besteden aan kostenefficiëntie en transparantie. Die aanpak is essentieel om te voorkomen dat het gelijke speelveld wordt verstoord en om ervoor te zorgen dat specifieke marktdeelnemers geen oneerlijke voordelen krijgen. Transparantie en kostenefficiëntie zijn fundamentele beginselen die ten grondslag liggen aan de integriteit en de rechtvaardige werking van depositogarantiestelsels.
(25) Maatregelen om het falen van een kredietinstelling te voorkomen door middel van voldoende vroegtijdige interventies kunnen een effectieve rol spelen in het continuüm van crisisbeheerinstrumenten om het vertrouwen en de financiële stabiliteit van deposanten te handhaven. Deze maatregelen kunnen verschillende vormen aannemen: kapitaalondersteunende maatregelen via eigenvermogensinstrumenten (waaronder tier 1-kernkapitaalinstrumenten) of andere kapitaalinstrumenten, garanties of leningen. Depositogarantiestelsels hebben op heterogene wijze toegang gehad tot deze maatregelen. Om het continuüm van crisisbeheerinstrumenten en de toepassing van preventieve maatregelen te waarborgen op een wijze die in overeenstemming is met het afwikkelingskader en de staatssteunregels, is het noodzakelijk het tijdschema en de voorwaarden voor de toepassing ervan te specificeren. Preventieve maatregelen zijn niet geschikt om geleden verliezen op te vangen wanneer de kredietinstelling al faalt of dreigt te falen, en moeten vroegtijdig worden genomen om verslechtering van de financiële situatie van de bank te voorkomen. De aangewezen autoriteiten moeten daarom nagaan of aan de voorwaarden voor een dergelijke interventie door het depositogarantiestelsel is voldaan. Tot slot mogen deze voorwaarden voor het gebruik van de beschikbare financiële middelen van het depositogarantiestelsel geen afbreuk doen aan de beoordeling door de bevoegde autoriteit of een institutioneel protectiestelsel voldoet aan de criteria van artikel 113, lid 7, van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad(11).
(26) Om ervoor te zorgen dat preventieve maatregelen hun doel bereiken, moeten kredietinstellingen worden verplicht aan de bevoegde autoriteit een nota voor te leggen waarin de maatregelen worden beschreven die zij toezeggen te zullen nemen. ▌Deze nota moet alle elementen bevatten die tot doel hebben de uitstroom van middelen te voorkomen en de kapitaal- en liquiditeitspositie van de kredietinstelling te versterken, zodat de kredietinstelling op een toekomstgerichte basis kan voldoen aan alle relevante prudentiële en andere wettelijke vereisten. Deze nota moet daarom kapitaalverhogende maatregelen bevatten, waaronder regels inzake de uitgifte van rechten, de vrijwillige omzetting van achtergestelde schuldinstrumenten, passivabeheerexercities, kapitaalgenererende verkopen van activa, de securitisatie van portefeuilles, en winstbehoud, waaronder een verbod op dividenduitkering en een verbod op de verwerving van deelnemingen in ondernemingen. Daarnaast moet in de nota nader worden ingegaan op het oorspronkelijke kapitaaltekort van de kredietinstelling, de kapitaalverhogende maatregelen die zijn getroffen en de waarborgen die zijn ingevoerd om de uitstroom van middelen te verhinderen. Om dezelfde reden moeten kredietinstellingen tijdens de uitvoering van de in de nota opgenomen maatregelen ook hun liquiditeitspositie versterken en zich onthouden van agressieve handelspraktijken, de uitkering van dividenden of variabele vergoedingen, de terugkoop van eigen aandelen of het terugbetalen van hybride kapitaalinstrumenten. Deze nota moet ook een exitstrategie bevatten voor alle ontvangen steunmaatregelen. De kredietinstelling moet de bevoegde autoriteit binnen een redelijke termijn een bedrijfssaneringsplan voorleggen om de levensvatbaarheid op lange termijn veilig te stellen. Aan een kredietinstelling toegekende preventieve maatregelen moeten worden opgeschort indien de bevoegde autoriteit er niet van overtuigd is dat het bedrijfssaneringsplan geloofwaardig en haalbaar is om de levensvatbaarheid op lange termijn te waarborgen. Indien de kredietinstelling is aangesloten bij een institutioneel protectiestelsel als bedoeld in artikel 1, lid 2, punt c), moet het institutioneel protectiestelsel het bedrijfssaneringsplan na raadpleging van de bevoegde autoriteit goedkeuren. Indien de bevoegde instantie niet tevreden is met het bedrijfssaneringsplan, treft zij passende maatregelen om ervoor te zorgen dat de levensvatbaarheid op lange termijn gewaarborgd is. De bevoegde autoriteiten en de afwikkelingsautoriteiten zijn het best geplaatst om de relevantie en geloofwaardigheid te beoordelen van de maatregelen die in hetbedrijfssaneringsplan worden overwogen. Om ervoor te zorgen dat de aangewezen autoriteiten van het depositogarantiestelsel dat door de kredietinstelling wordt verzocht een preventieve maatregel te financieren, kunnen beoordelen of aan alle voorwaarden voor preventieve maatregelen is voldaan, moeten de bevoegde autoriteiten samenwerken met de aangewezen autoriteiten. Om te zorgen voor een consistente aanpak van de toepassing van preventieve maatregelen in de hele Unie, moet de EBA richtsnoeren uitvaardigen om kredietinstellingen te helpen bij het opstellen van een dergelijkbedrijfssaneringsplan.
(26 bis) Om in voorkomend geval het moreel risico te beperken, moeten de kredietinstelling die steun ontvangt van depositogarantiestelsels in de vorm van preventieve maatregelen, haar aandeelhouders, haar crediteuren of de ondernemingsgroep waartoe zij behoort, uit de eigen middelen bijdragen aan de herstructurering en een passende vergoeding betalen voor de door het depositogarantiestelsel toegekende preventieve maatregel.
(27) Om ervoor te zorgen dat kredietinstellingen die steun ontvangen van depositogarantiestelsels in de vorm van preventieve maatregelen hun verplichtingen nakomen, moeten de bevoegde autoriteiten kredietinstellingen die hun verplichtingen niet zijn nagekomen, om een plan van corrigerende maatregelen vragen, om terugbetaling vragen van het bedrag dat in het kader van de preventieve maatregelen is bijgedragen of om naleving van de exitstrategie verzoeken. Wanneer een bevoegde autoriteit van mening is dat de maatregelen in dit plan niet voldoende zijn om te zorgen voor levensvatbaarheid van de kredietinstelling op lange termijn, mag het depositogarantiestelsel de kredietinstelling geen verdere preventieve steun verlenen en moeten de bevoegde autoriteiten beoordelen of de kredietinstelling faalt of waarschijnlijk zal falen, op grond van artikel 32 van Richtlijn 2014/59/EU. Dezelfde consequenties moeten gelden in gevallen waarin de kredietinstelling zich niet aan het plan van corrigerende maatregelen houdt. Om te zorgen voor een consistente aanpak van de toepassing van preventieve maatregelen in de hele Unie, moet de EBA richtsnoeren uitvaardigen om kredietinstellingen te helpen bij het opstellen van een dergelijk plan van corrigerende maatregelen.
(28) Om nadelige gevolgen voor de mededinging en voor de interne markt te voorkomen, moet worden bepaald dat in geval van alternatieve insolventiemaatregelen, de relevante organen die een kredietinstelling vertegenwoordigen in het kader van nationale insolventieprocedures (vereffenaar, curator, bewindvoerder of een ander orgaan) regelingen treffen om de activiteiten van de kredietinstelling of een deel ervan te verkopen in een open, transparant en niet-discriminerend proces, waarbij wordt gestreefd naar een zo hoog mogelijke verkoopprijs. De kredietinstelling of elke bemiddelaar die namens de kredietinstelling optreedt, moet regels toepassen die geschikt zijn voor de verkoop van activa, rechten en passiva die aan potentiële verkrijgers worden overgedragen. In ieder geval moet het gebruik van staatsmiddelen onderworpen blijven aan de relevante staatssteunregels van het Verdrag, indien van toepassing.
(29) Aangezien het hoofddoel van depositogarantiestelsels is om gedekte deposito’s te beschermen, mogen depositogarantiestelsels alleen interventies anders dan uitbetalingen financieren wanneer dergelijke interventies goedkoper zijn dan uitbetalingen. De ervaring met de toepassing van die regel (“laagstekostentoets”) heeft verschillende tekortkomingen aan het licht gebracht, aangezien het huidige kader niet gedetailleerd beschrijft hoe de kosten van die interventies en de kosten van de uitbetaling moeten worden bepaald. Om te zorgen voor een consistente toepassing van de laagstekostentoets in de hele Unie, is het noodzakelijk de berekening van die kosten te specificeren. Tegelijkertijd moeten buitensporig strenge voorwaarden worden vermeden die het gebruik van middelen van depositogarantiestelsels voor interventies anders dan uitbetaling in feite onmogelijk zouden maken. Bij de uitvoering van de laagstekostentoets moeten depositogarantiestelsels eerst verifiëren dat de kosten voor de financiering van de geselecteerde maatregel lager zijn dan de kosten voor de terugbetaling van gedekte deposito’s. Bij de methode voor de laagstekostentoets moet rekening worden gehouden met de tijdswaarde van geld.
(30) Liquidatie kan een langdurig proces zijn, waarvan de efficiëntie afhangt van de efficiëntie van de nationale rechterlijke instanties, insolventieregelingen, individuele bankkenmerken en de omstandigheden van het falen van een instelling. Voor interventies door het depositogarantiestelsel als onderdeel van alternatieve maatregelen moet de laagstekostentoets gebaseerd zijn op de waardering van de activa en passiva van de kredietinstelling, zoals vastgelegd in artikel 36, lid 1, van Richtlijn 2014/59/EU, en de waardering zoals vastgelegd in artikel 36, lid 8, van die richtlijn. De precieze evaluatie van de terugvorderingen van liquidaties kan echter een uitdaging zijn in de context van de laagstekostentoets voor preventieve maatregelen, die vermoedelijk al lang vóór een voorzienbare liquidatie plaatsvinden. Daarom moet het nulscenario voor de laagstekostentoets voor preventieve maatregelen dienovereenkomstig worden aangepast, en in ieder geval moeten de verwachte terugvorderingen worden beperkt tot een redelijk bedrag op basis van terugvorderingen in eerdere uitbetalingsgebeurtenissen.
(31) De aangewezen autoriteiten moeten een raming maken van de kosten van de maatregel voor het depositogarantiestelsel, onder meer na de terugbetaling van een lening, een kapitaalinjectie of het gebruik van een garantie, na aftrek van verwachte inkomsten, operationele kosten en potentiële verliezen, ten opzichte van een nulscenario gebaseerd op een hypothetisch eindverlies aan het einde van de insolventieprocedure, waarbij rekening moet worden gehouden met terugvorderingen van het depositogarantiestelsel als onderdeel van de liquidatieprocedure van een bank. Daarnaast moet in het nulscenario rekening worden gehouden met de mogelijke kosten voor het depositogarantiestelsel van economische en financiële instabiliteit, waaronder de noodzaak om binnen het takenpakket van het depositogarantiestelsel aanvullende middelen te gebruiken om deposanten en de financiële stabiliteit te beschermen en besmetting te voorkomen. Om een eerlijk en vollediger beeld te geven van de werkelijke kosten van de terugbetaling aan deposanten, moet de raming van het verlies als gevolg van de terugbetaling van gedekte deposito’s ook de kosten omvatten die indirect verband houden met de terugbetaling aan deposanten. Dergelijke kosten moeten de kosten ▌omvatten die het depositogarantiestelsel zou kunnen dragen als gevolg van het gebruik van alternatieve financiering. Om te zorgen voor een consistente toepassing van de laagstekostentoets moet de EBA ontwerpen van technische reguleringsnormen ontwikkelen met betrekking tot de methode voor de berekening van de kosten van verschillende interventies door het depositogarantiestelsel. Om ervoor te zorgen dat de methode voor de laagstekostentoets consistent is met de wettelijke of contractuele taak van het depositogarantiestelsel▌, moet de EBA ontwerpen van technische reguleringsnormen opstellen ▌.
(32) Om de geharmoniseerde bescherming van deposanten te verbeteren en de respectieve verantwoordelijkheden in de hele Unie te specificeren, moet het depositogarantiestelsel van de lidstaat van herkomst zorgen voor de uitbetaling aan deposanten die gevestigd zijn in lidstaten waar de kredietinstellingen die deelnemen aan het depositogarantiestelsel deposito’s en andere terugbetaalbare fondsen aannemen door depositodiensten aan te bieden op grensoverschrijdende basis zonder dat zij in de lidstaat van ontvangst gevestigd zijn. Om de uitbetalingstransacties en het verstrekken van informatie aan deposanten te vergemakkelijken, moet het depositogarantiestelsel van de lidstaat van ontvangst kunnen fungeren als contactpunt voor deposanten bij kredietinstellingen die gebruikmaken van de vrijheid van dienstverrichting.
(33) De samenwerking tussen depositogarantiestelsels in de hele Unie is essentieel om te zorgen voor een snelle en kostenefficiënte terugbetaling aan deposanten wanneer kredietinstellingen bankdiensten verrichten via bijkantoren in andere lidstaten. Met het oog op de technologische vooruitgang die het gebruik van grensoverschrijdende overdrachten en identificatie op afstand bevordert, moet het depositogarantiestelsel van de lidstaat van herkomst rechtstreeks de terugbetalingen kunnen verrichten aan deposanten bij bijkantoren in een andere lidstaat, mits de administratieve lasten en kosten lager zijn dan wanneer de terugbetaling zou worden uitgevoerd door het depositogarantiestelsel van de lidstaat van ontvangst. Die flexibiliteit moet een aanvulling vormen op het huidige samenwerkingsmechanisme, waarbij het depositogarantiestelsel van de lidstaat van ontvangst de deposanten bij bijkantoren moet terugbetalen namens het depositogarantiestelsel van de lidstaat van herkomst. Om het vertrouwen van de deposanten in zowel de lidstaten van ontvangst als van herkomst te behouden, moet de EBA richtsnoeren uitvaardigen om de depositogarantiestelsels bij te staan bij deze samenwerking, onder meer door een lijst van voorwaarden voor te stellen waaronder een depositogarantiestelsel van de lidstaat van herkomst kan besluiten om deposanten bij bijkantoren in de lidstaat van ontvangst terug te betalen.
(34) Kredietinstellingen kunnen hun deelneming aan een depositogarantiestelsel wijzigen omdat zij hun hoofdkantoor naar een andere lidstaat verplaatsen of hun dochteronderneming omzetten in een bijkantoor, of omgekeerd. Artikel 14, lid 3, van Richtlijn 2014/49/EU vereist dat de bijdragen van die kredietinstelling die in de twaalf maanden voorafgaand aan de overdracht zijn betaald, naar het andere depositogarantiestelsel worden overgedragen in verhouding tot het bedrag van de overgedragen gedekte deposito’s. Om ervoor te zorgen dat de overdracht van bijdragen aan het ontvangende depositogarantiestelsel niet afhankelijk is van uiteenlopende nationale regels inzake facturering of de feitelijke datum van betaling van bijdragen, moet het depositogarantiestelsel van herkomst het over te dragen bedrag berekenen op basis van de potentiële verplichtingen die als gevolg van de overdracht door de ontvangende depositogarantiestelsels worden gedragen. De EBA moet ontwerpen van technische reguleringsnormen ontwikkelen tot nadere bepaling van de methode voor de berekening van het over te dragen bedrag om ervoor te zorgen dat de overdracht een neutraal effect heeft op de financiële situatie van zowel het ontvangende depositogarantiestelsel als het depositogarantiestelsel van herkomst ten opzichte van de risico’s die zij dekken.
(35) Het is noodzakelijk om te zorgen voor een gelijke bescherming van deposanten in de hele Unie, die niet volledig kan worden gegarandeerd door een stelsel voor gelijkwaardigheidsbeoordeling van deposantenbescherming in derde landen. Om die reden moeten bijkantoren in de Unie van een kredietinstelling met het hoofdkantoor in een derde land zich aansluiten bij een depositogarantiestelsel in de lidstaat waar zij hun depositoactiviteiten uitvoeren. Dat vereiste zou ook zorgen voor consistentie met de Richtlijnen 2013/36/EU en 2014/59/EU, die gericht zijn op de invoering van een robuuster prudentieel en afwikkelingskader voor groepen uit derde landen die bankdiensten verlenen in de Unie. Omgekeerd moet worden voorkomen dat depositogarantiestelsels worden blootgesteld aan de economische en financiële risico’s van derde landen. Deposito’s in bijkantoren die door kredietinstellingen van de Unie in derde landen zijn gevestigd, moeten daarom niet worden beschermd.
(36) Gestandaardiseerde en regelmatige openbaarmaking van informatie vergroot het bewustzijn van deposanten over depositobescherming. Om de openbaarmakingsvereisten af te stemmen op de technologische ontwikkelingen, moet in deze vereisten rekening worden gehouden met de nieuwe digitale communicatiekanalen die kredietinstellingen gebruiken voor de communicatie met hun deposanten. Deposanten moeten duidelijke en homogene informatie verkrijgen waarin hun depositobescherming wordt toegelicht en tegelijkertijd moeten de daarmee samenhangende administratieve lasten voor kredietinstellingen of depositogarantiestelsels worden beperkt. De EBA moet de opdracht krijgen om ontwerpen van technische uitvoeringsnormen te ontwikkelen om enerzijds de inhoud en het formaat te specificeren van het informatieblad voor deposanten dat jaarlijks aan deposanten moet worden verstrekt, en anderzijds de modelinformatie die depositogarantiestelsels of kredietinstellingen in specifieke situaties aan deposanten moeten verstrekken, waaronder fusies van kredietinstellingen, de vaststelling dat deposito’s niet beschikbaar zijn of de terugbetaling van deposito’s van cliëntengelden.
(37) De fusie van een kredietinstelling of de omzetting van een dochteronderneming in een bijkantoor of omgekeerd kan gevolgen hebben voor de belangrijkste kenmerken van deposantenbescherming. Om negatieve gevolgen te vermijden voor deposanten die deposito’s hebben bij beide fuserende banken en wier aanspraak op depositodekking zou afnemen als gevolg van wijzigingen in de deelneming aan het depositogarantiestelsel, moeten alle deposanten op de hoogte worden gesteld van dergelijke wijzigingen en moeten zij het recht hebben hun geld boetevrij op te nemen tot een bedrag dat gelijk staat aan de verloren dekking van deposito’s.
(38) Om de financiële stabiliteit te behouden, besmetting te voorkomen en, indien van toepassing, deposanten in staat te stellen hun rechten uit te oefenen om aanspraak te maken op deposito’s, moeten de betrokken autoriteiten, depositogarantiestelsels en kredietinstellingen de deposanten informeren over het feit dat deposito’s niet meer beschikbaar zijn.
(39) Om de transparantie voor deposanten te vergroten en de financiële robuustheid en het vertrouwen tussen depositogarantiestelsels bij de uitvoering van hun taak te bevorderen, moeten de huidige verslagleggingsvereisten worden verbeterd. Voortbouwend op de huidige vereisten die depositogarantiestelsels in staat stellen alle nodige informatie op te vragen bij deelnemende instellingen om zich voor te bereiden op een uitbetaling, moeten depositogarantiestelsels ook de informatie kunnen opvragen die nodig is om zich voor te bereiden op een uitbetaling in het kader van grensoverschrijdende samenwerking. Op verzoek van een depositogarantiestelsel moeten de deelnemende instellingen worden verplicht algemene informatie te verstrekken over alle belangrijke grensoverschrijdende activiteiten in andere lidstaten. Om de EBA voldoende informatie te verstrekken over de ontwikkeling van de beschikbare financiële middelen van de depositogarantiestelsels en over het gebruik van deze middelen, moeten de lidstaten er eveneens voor zorgen dat depositogarantiestelsels de EBA jaarlijks informeren over het bedrag aan gedekte deposito’s en beschikbare financiële middelen, en de EBA op de hoogte brengen van de omstandigheden die hebben geleid tot het gebruik van middelen van het depositogarantiestelsel voor uitbetalingen of andere maatregelen. Om de versterkte rol weer te geven van depositogarantiestelsels bij crisisbeheer, die tot doel heeft het gebruik van middelen van depositogarantiestelsels bij afwikkeling te vergemakkelijken, moeten depositogarantiestelsels ten slotte het recht hebben om jaarlijks de samenvatting van de afwikkelingsplannen van kredietinstellingen te ontvangen, zodat zij in het algemeen beter voorbereid zijn om de middelen beschikbaar te stellen.
(40) Technische normen voor financiële diensten moeten een consistente harmonisatie en een afdoende deposantenbescherming in de hele Unie vergemakkelijken. Als orgaan met hooggespecialiseerde expertise zou het efficiënt en passend zijn om de EBA te belasten met de ontwikkeling van ontwerpen van technische regulerings- en uitvoeringsnormen die geen beleidskeuzen inhouden, voor vaststelling door de Commissie.
(41) De Commissie dient, indien vastgesteld in deze richtlijn, de door de EBA ontwikkelde ontwerpen van technische reguleringsnormen vast te stellen door middel van gedelegeerde handelingen op grond van artikel 290 VWEU, in overeenstemming met de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad(12), waarmee het volgende wordt gespecificeerd: a) de technische details met betrekking tot de identificatie van cliënten van financiële instellingen voor de uitbetaling van deposito’s van cliëntengelden, de criteria voor terugbetaling aan de rekeninghouder ten behoeve van elke cliënt of rechtstreeks aan de cliënt, en de regels ter voorkoming van meerdere uitbetalingen aan dezelfde begunstigde; b) de methode voor de laagstekostentoets; en c) de methode voor de berekening van de beschikbare financiële middelen die in aanmerking komen voor het streefbedrag.
(42) De Commissie dient, waar voorzien in deze richtlijn, de door de EBA ontwikkelde ontwerpen van technische uitvoeringsnormen vast te stellen door middel van gedelegeerde handelingen op grond van artikel 291 VWEU, in overeenstemming met artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1093/2010, waarmee het volgende wordt gespecificeerd: a) de inhoud en het formaat van het informatieblad voor deposanten, het model voor informatie dat depositogarantiestelsels of kredietinstellingen aan deposanten moeten verstrekken; b) de procedures die moeten worden gevolgd bij het verstrekken van informatie door kredietinstellingen aan hun depositogarantiestelsel, en door depositogarantiestelsels en aangewezen autoriteiten aan de EBA, en de modellen voor het verstrekken van die informatie.
(43) Richtlijn 2014/49/EU moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.
(44) Om bijkantoren van kredietinstellingen met het hoofdkantoor buiten de Unie die niet deelnemen aan een in de Unie gevestigd depositogarantiestelsel toe te staan zich bij een depositogarantiestelsel van de Unie aan te sluiten, moeten deze bijkantoren voldoende tijd krijgen om de nodige stappen te ondernemen om aan dat vereiste te voldoen.
(45) Richtlijn 2014/49/EU stelt lidstaten in staat institutionele protectiestelsels (IPS) als depositogarantiestelsels te erkennen indien zij voldoen aan de criteria van artikel 113, lid 7, van Verordening (EU) nr. 575/2013, alsook aan Richtlijn 2014/49/EU. Om rekening te houden met het specifieke bedrijfsmodel van deze institutionele protectiestelsels, in het bijzonder met de relevantie van functies die de kern van hun taak zijn en die zij vervullen bovenop de functies waarop deze richtlijn betrekking heeft, is het passend om de lidstaten de mogelijkheid te bieden om institutionele protectiestelsels toe te staan dergelijke functies te blijven vervullen. Om hun voldoende tijd te geven om zich aan te passen aan de nieuwe bepalingen, met name de waarborgen voor de toepassing van preventieve maatregelen, ▌moet aan institutionele protectiestelsels bovendien een overgangsperiode van drie jaar worden toegekend. ▌Om een gelijk speelveld te waarborgen en deposanten een hoge mate van bescherming te blijven bieden, moeten de functies en taken die worden vervuld bovenop de functies en taken waarop deze richtlijn betrekking heeft, worden gefinancierd met aanvullende financiële middelen, die worden toegevoegd aan het streefbedrag. Institutionele protectiestelsels moeten een gescheiden fonds opbouwen voor andere IPS-doeleinden dan de functies waarop deze richtlijn betrekking heeft, zoals overeengekomen tussen de Europese Centrale Bank, de nationale bevoegde autoriteit en de relevante institutionele protectiestelsels.
(46) Om depositogarantiestelsels en aangewezen autoriteiten in staat te stellen de nodige operationele capaciteit op te bouwen om de nieuwe regels inzake het gebruik van preventieve maatregelen toe te passen, is het passend te voorzien in een uitgestelde toepassing van die nieuwe regels.
(47) Aangezien de doelstellingen van deze richtlijn, namelijk het waarborgen van een uniforme bescherming van deposanten in de Unie, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt vanwege de risico’s die uiteenlopende nationale benaderingen met zich mee kunnen brengen voor de integriteit van de interne markt, maar door wijziging van regels die al op het niveau van de Unie zijn vastgesteld, beter op het niveau van de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel zoals neergelegd in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, maatregelen vaststellen. Overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel, zoals neergelegd in datzelfde artikel, gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken,
HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:
Artikel 1
Wijziging van Richtlijn 2014/49/EU
Richtlijn 2014/49/EU wordt als volgt gewijzigd:
1) Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:
a) lid 1 wordt vervangen door:"
“1. Deze richtlijn bevat regels en procedures betreffende de oprichting en de werking van depositogarantiestelsels, de dekking en terugbetaling van deposito’s, en het gebruik van middelen van depositogarantiestelsels voor maatregelen die erop gericht zijn de toegang van deposanten tot hun deposito’s te waarborgen.”;
"
b) in lid 2 wordt punt d) vervangen door:"
“d) kredietinstellingen en bijkantoren van kredietinstellingen die hun hoofdkantoor buiten de Unie hebben, die deelnemen aan de stelsels als bedoeld in de punten a), b) of c) van dit lid.”;
"
2) in artikel 2 wordt lid 1 als volgt gewijzigd:
a) in punt 3) wordt de aanhef vervangen door:"
“3) “deposito”: een creditsaldo dat wordt gevormd door op een rekening staande gelden of dat tijdelijk uit normale banktransacties voortvloeit die kredietinstellingen in het kader van hun bedrijfsactiviteiten uitvoeren, en dat de kredietinstelling onder de toepasselijke wettelijke en contractuele voorwaarden dient terug te betalen, met inbegrip van een termijndeposito en een spaardeposito, maar met uitsluiting van een creditsaldo indien:”;
"
b) in punt 13) wordt de aanhef vervangen door:"
“13) “betalingsverplichting”: een onherroepelijke, volledig door zekerheden gedekte verplichting van een kredietinstelling om een depositogarantiestelsel een geldbedrag te betalen op verzoek van dat depositogarantiestelsel, en waarbij de zekerheden:”;
"
c) de volgende punten 19 tot en met 23 worden toegevoegd:"
“19) “afwikkelingsautoriteit”: een afwikkelingsautoriteit zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 18, van Richtlijn 2014/59/EU;
20)
“deposito’s van cliëntengelden”: gelden die rekeninghouders die financiële instellingen zijn zoals gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 26), van Verordening (EU) nr. 575/2013 in het kader van hun bedrijfsactiviteiten bij een kredietinstelling deponeren voor rekening van hun cliënten;
21)
“staatssteunregels van de Unie”: het kader dat is vastgesteld bij de artikelen 107, 108 en 109, VWEU, en de verordeningen en alle handelingen van de Unie, met inbegrip van richtsnoeren, mededelingen en bekendmakingen die uit hoofde van artikel 108, lid 4, of artikel 109, VWEU, zijn uitgevaardigd of vastgesteld;
22)
“witwassen van geld”: het witwassen van geld zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 1, van [gelieve de referentie in te voegen – voorstel voor een antiwitwasverordening – COM(2021) 420 final]*;
23)
“terrorismefinanciering”: financiering van terrorisme zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 2, van [gelieve de referentie in te voegen – voorstel voor een antiwitwasverordening – COM(2021) 420 final]. **”;
"
d) lid 3 wordt vervangen door:"
“3. Aandelen van “building societies” in Ierland worden als deposito’s behandeld, tenzij het gaat om aandelen met een vermogenskarakter, als bedoeld in artikel 5, lid 1, punt b).”;
____________________________________________
* [Gelieve de volledige referentie in te voegen – voorstel voor een antiwitwasverordening – COM(2021) 420 final].
** [Gelieve de volledige referentie in te voegen – voorstel voor een antiwitwasverordening – COM(2021) 420 final].
"
3) artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:
-a) lid 2 wordt vervangen door:"
“2. Bij overeenkomst vastgestelde stelsels als bedoeld in artikel 1, lid 2, punt b), van deze richtlijn kunnen officieel als depositogarantiestelsels worden erkend als zij aan deze richtlijn voldoen.
Institutionele protectiestelsels kunnen officieel als depositogarantiestelsels worden erkend indien zij aan de criteria van artikel 113, lid 7, van Verordening (EU) nr. 575/2013, alsook aan deze richtlijn voldoen.
De lidstaten zorgen ervoor dat uiterlijk ... [36 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze wijzigingsrichtlijn], een institutioneel protectiestelsel dat overeenkomstig dit lid als depositogarantiestelsel is erkend, zijn beschikbare financiële middelen waarvoor overeenkomstig artikel 10, lid 2, van deze richtlijn een streefniveau geldt, scheidt van de aanvullende financiële middelen voor de vervulling van andere taken dan die welke krachtens deze richtlijn worden geregeld.”;
"
a) lid 4 wordt vervangen door:"
“4. De lidstaten zorgen ervoor dat indien een kredietinstelling niet voldoet aan de verplichtingen van deelneming aan een depositogarantiestelsel, dat depositogarantiestelsel de aangewezen autoriteit en de bevoegde autoriteit van die kredietinstelling daarvan onmiddellijk op de hoogte stelt.
De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteit, in samenwerking met de aangewezen autoriteit, onverwijld alle passende maatregelen neemt, waaronder, indien nodig, het opleggen van sancties, om ervoor te zorgen dat de betrokken kredietinstelling haar verplichtingen als lid van een depositogarantiestelselnakomt. ▌
De lidstaten stellen regels vast voor de sancties die van toepassing zijn in geval van niet-nakoming door kredietinstellingen van hun verplichtingen als lid van een depositogarantiestelsel. De sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.”;
"
b) het volgende lid 4 bis wordt toegevoegd:"
“4 bis. De lidstaten zorgen ervoor dat indien een kredietinstelling de in artikel 10 en artikel 11, lid 4, verzuimt de bedoelde bijdragen binnen de door het depositogarantiestelsel gestelde termijn te betalen, dat depositogarantiestelsel gedurende de periode van verzuim de wettelijke rente in rekening brengt over het verschuldigde bedrag.”;
"
c) leden 5 en 6 worden vervangen door:"
“5. De lidstaten zorgen ervoor dat het depositogarantiestelsel de aangewezen autoriteit daarvan in kennis stelt wanneer ondanks de in de leden 4 en 4 bis bedoelde maatregelen de kredietinstelling aan haar verplichtingen blijft verzaken. De lidstaten zorgen ervoor dat de aangewezen autoriteit beoordeelt of de instelling nog steeds voldoet aan de voorwaarden om deel te nemen aan het depositogarantiestelsel en de bevoegde autoriteit in kennis stelt van de uitkomst van die beoordeling.
6. De lidstaten zorgen ervoor dat indien de bevoegde autoriteit besluit de vergunning in te trekken overeenkomstig artikel 18 van Richtlijn 2013/36/EU, de kredietinstelling niet langer deelneemt aan het depositogarantiestelsel. De lidstaten zorgen ervoor dat deposito’s die zijn aangehouden op de datum waarop een kredietinstelling niet langer deelneemt aan het depositogarantiestelsel, maximaal zes maanden onder dat depositogarantiestelsel blijven vallen.”;
"
c bis) aan lid 7 wordt de volgende alinea toegevoegd:"
“De aangewezen autoriteiten beschikken over de nodige handhavingsbevoegdheden, inclusief de bevoegdheid om sancties of andere administratieve maatregelen op te leggen, om inbreuken op deze richtlijn te verhelpen.”;
"
d) lid 8 wordt geschrapt;
e) het volgende lid 13 wordt toegevoegd:"
“13. ▌De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen over het toepassingsgebied, de inhoud en de procedures van de in lid 10 bedoelde stresstests.
De EBA dient die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op ... [24 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze wijzigingsrichtlijn] bij de Commissie in.
Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend om deze richtlijn aan te vullen door de in de eerste alinea van dit lid bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.”;
"
4) artikel 5 wordt als volgt gewijzigd:
a) lid 1 wordt als volgt gewijzigd:
i) de aanhef wordt vervangen door:"
“1. Van terugbetaling door een depositogarantiestelsel zijn uitgesloten:”;
"
ii) punt c) wordt vervangen door:"
“c) deposito’s uit hoofde van transacties in verband waarmee een strafrechtelijke veroordeling is uitgesproken wegens het witwassen van geld;”;
"
▌
iv) punt f) wordt vervangen door:"
“f) deposito’s waarvan de houder zich nooit heeft gelegitimeerd krachtens artikel 16 van Verordening (EU) ... [gelieve de korte referentie in te voegen – voorstel voor een antiwitwasverordening – COM(2021) 420 final], indien deze deposito’s niet meer beschikbaar zijn, behalve indien een houder om uitbetaling verzoekt en aantoont dat het gebrek aan identificatie niet te wijten is aan zijn of haar handelen;”;
"
v) punt j) wordt geschrapt;
v bis) het volgende punt wordt toegevoegd:"
“k bis) deposito’s van personen of juridische entiteiten die onderworpen zijn aan door de Unie vastgestelde gerichte financiële sancties.”;
"
b) lid 2 wordt vervangen door:"
“2. In afwijking van lid 1, punt i), kunnen de lidstaten besluiten dat deposito’s die worden aangehouden door persoonlijke pensioenregelingen of bedrijfspensioenregelingen van kleine of middelgrote ondernemingen in aanmerking komen tot het in artikel 6, lid 1, bepaalde dekkingsniveau.”;
"
5) artikel 6 wordt als volgt gewijzigd:
a) lid 2 wordt als volgt gewijzigd:
i) de aanhef wordt vervangen door:"
“In aanvulling op lid 1 zorgen de lidstaten ervoor dat de volgende deposito’s een bescherming van minimaal 500 000 EUR en maximaal 2 500 000 EUR genieten gedurende een periode van zes maanden na creditering van het bedrag of vanaf het tijdstip waarop die deposito’s wettelijk kunnen worden overgedragen”;
"
ii) punt a) wordt vervangen door:"
“a) deposito’s die het resultaat zijn van onroerendgoedtransacties met betrekking tot particuliere woningen en deposito’s bestemd voor dergelijke transacties, mits die transacties in een periode van vier maanden worden afgesloten door een natuurlijke persoon en mits die natuurlijke persoon documenten kan overleggen die een dergelijke transactie staven;”;
"
ii bis) de volgende alinea wordt toegevoegd:"
“Uiterlijk ... [36 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze wijzigingsrichtlijn] herziet de Commissie de in de eerste alinea bedoelde en door de lidstaten omgezette beschermde bedragen, teneinde te bepalen of het in die alinea bedoelde maximumbedrag moet worden verlaagd, rekening houdende met de vraag of de beschermde bedragen evenredig zijn en voor een gelijk speelveld in de hele Unie zorgen. De Commissie dient bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in, dat in voorkomend geval vergezeld gaat van een wetgevingsvoorstel.”;
"
b) het volgende lid 2 bis wordt ingevoegd:"
“2 bis. De lidstaten zorgen ervoor dat het in lid 2 vastgestelde dekkingsniveau een aanvulling vormt op het in lid 1 vastgestelde dekkingsniveau.”;
"
6) artikel 7 wordt als volgt gewijzigd:
a) lid 5 wordt geschrapt;
a bis) lid 6 wordt vervangen door:"
“6. De lidstaten zien erop toe dat kredietinstellingen ten minste eenmaal per jaar aan hun depositogarantiestelsels verslag uitbrengen over het totaalbedrag van de in aanmerking komende deposito’s. De lidstaten zorgen ervoor dat depositogarantiestelsels kredietinstellingen te allen tijde mogen verzoeken hun het totale bedrag van de in aanmerking komende deposito’s van elke deposant mee te delen.”;
"
b) lid 7 wordt vervangen door:"
“7. De lidstaten zorgen ervoor dat het depositogarantiestelsel de rente vergoedt op deposito’s die is aangegroeid maar nog niet gecrediteerd of gedebiteerd op de datum van de in artikel 2, lid 1, punt 8, onder a), bedoelde vaststelling van een relevante administratieve autoriteit, of van de in artikel 2, lid 1, punt 8, onder b), bedoelde uitspraak door een rechterlijke instantie. Het in artikel 6, lid 1, vastgestelde dekkingsniveau of, in de in artikel 6, lid 2, bedoelde omstandigheden, het in dat lid vastgestelde dekkingsniveau, mag niet worden overschreden.
Wanneer de rentevoeten op bepaalde deposito’s de geldende marktrentevoeten significant overschrijden, zoals vastgesteld op basis van transparante en voor iedereen toegankelijke gegevens, mag het depositogarantiestelsel de rente die terugbetaald wordt, aanpassen tot het niveau van de geldende marktrentevoet op het moment van de vaststelling door de relevante administratieve autoriteit of van de uitspraak door de rechterlijke instantie. Deze aanpassing geschiedt om morele risico’s te voorkomen. De criteria en de methode die voor de bepaling van een “significante overschrijding” en voor de aanpassing worden gebruikt, worden op transparante wijze vastgesteld, met inachtneming van de richtsnoeren van de EBA, en moeten worden goedgekeurd door de bevoegde autoriteit.”;
"
7) het volgende artikel 7 bis wordt ingevoegd:"
“Artikel 7 bis
Bewijslast naleving voorwaarden en recht op deposito’s
De lidstaten zorgen ervoor dat in de gevallen als bedoeld in artikel 6, lid 2, en artikel 7, lid 3, een deposant of, in voorkomend geval, een rekeninghouder, aantoont dat de betrokken deposito’s voldoen aan de voorwaarden van artikel 6, lid 2, of dat hij recht heeft op de deposito’s in de in artikel 7, lid 3, bedoelde omstandigheden.”;
"
8) artikel 8 wordt als volgt gewijzigd:
-a) lid 1 wordt vervangen door:"
“1. Depositogarantiestelsels zorgen ervoor dat het terug te betalen bedrag zo snel mogelijk beschikbaar is, en in elk geval binnen zeven werkdagen, te rekenen vanaf de datum van de in artikel 2, lid 1, punt 8), a), bedoelde vaststelling door een relevante administratieve autoriteiten of van de in artikel 2, lid 1, punt 8), b), bedoelde uitspraak door een rechterlijke instantie.”;
"
-a bis) lid 2 wordt geschrapt;
a) lid 3 wordt vervangen door:"
“3. In afwijking van lid 1 staan de lidstaten depositogarantiestelsels toe een langere ▌termijn toe te passen voor de terugbetaling van de in artikel 6, lid 2, artikel 7, lid 3, en artikel 8 ter bedoelde deposito’s, die niet meer dan twintig werkdagen bedraagt, te rekenen vanaf de datum waarop deze depositogarantiestelsels de volledige documentatie hebben ontvangen die zij een deposant of, in voorkomend geval, een rekeninghouder hebben verzocht te verstrekken, om de vorderingen te onderzoeken en na te gaan of aan de voorwaarden voor terugbetaling is voldaan. Voor de in artikel 6, lid 2, en artikel 7, lid 3, bedoelde deposito’s zorgen de depositogarantiestelsels die het terugbetaalbare bedrag niet binnen zeven werkdagen beschikbaar kunnen stellen, ervoor dat de deposanten binnen vijf werkdagen na een verzoek hiertoe toegang krijgen tot een passend bedrag van hun gedekte deposito’s om in de kosten van levensonderhoud te kunnen voorzien.”;
"
a bis) lid 4 wordt geschrapt;
b) lid 5 wordt als volgt gewijzigd:
i) punt c) wordt vervangen door:"
“c) er in afwijking van lid 9 in de afgelopen 24 maanden geen transactie heeft plaatsgevonden met betrekking tot het deposito (de rekening slaapt), tenzij een deposant ook deposito’s op een andere rekening heeft die niet slapend is;”;
"
ii) punt d) wordt geschrapt;
c) lid 8 wordt geschrapt;
d) lid 9 wordt vervangen door:"
“9. De lidstaten zorgen ervoor dat wanneer er gedurende de laatste 24 maanden geen transactie heeft plaatsgevonden met betrekking tot het deposito, depositogarantiestelsels een drempel kunnen vaststellen voor de administratieve kosten die deze depositogarantiestelsels zouden moeten maken om een dergelijke terugbetaling uit te voeren. Depositogarantiestelsels zijn niet verplicht actief stappen te ondernemen om deposanten onder die drempel terug te betalen. De lidstaten zorgen ervoor dat depositogarantiestelsels deposanten onder die drempel terugbetalen wanneer die deposanten daarom verzoeken.”;
"
9) de volgende artikelen 8 bis, 8 ter en 8 quater worden ingevoegd:"
“Artikel 8 bis
Terugbetaling van deposito’s van meer dan 10 000 EUR
De lidstaten zorgen ervoor dat wanneer de terugbetaalbare bedragen meer dan 10 000 EUR bedragen, depositogarantiestelsels de deposanten terugbetalen via overmakingen, zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 20, van Richtlijn 2014/92/EU van het Europees Parlement en de Raad*.
“Artikel 8 ter
Dekking van deposito’s van cliëntengelden
1. De lidstaten zorgen ervoor dat deposito’s van cliëntengelden onder de depositogarantiestelsels vallen wanneer alle volgende punten van toepassing zijn:
a)
dergelijke deposito’s worden geplaatst namens en uitsluitend voor rekening van cliënten die in aanmerking komen voor bescherming overeenkomstig artikel 5, lid 1;
b)
dergelijke deposito’s worden geplaatst om gelden van cliënten te scheiden in overeenstemming met de beschermingsvereisten zoals vastgelegd in het Unierecht tot regeling van de activiteiten van de entiteiten als bedoeld in artikel 5, lid 1, punt d);
c)
de cliënten legitimeren zich als bedoeld in punt a) of zijn identificeerbaar, onder de uiteindelijke verantwoordelijkheid van de entiteit die namens cliënten de rekening houdt, vóór de datum van een vaststelling van een relevante administratieve autoriteit als bedoeld in artikel 2, lid 1, punt 8, onder a), of een uitspraak van een rechterlijke instantie als bedoeld in artikel 2, lid 1, punt 8, onder b).
2. De lidstaten zorgen ervoor dat het in artikel 6, lid 1, bedoelde dekkingsniveau van toepassing is op elk van de cliënten die voldoen aan de voorwaarden van lid 1, punt c), van dit artikel. In afwijking van artikel 7, lid 1, houdt het depositogarantiestelsel bij het bepalen van het terugbetaalbare bedrag voor een individuele cliënt geen rekening met de totale gelden die door die cliënt bij dezelfde kredietinstelling in deposito zijn geplaatst.
3. De lidstaten zorgen ervoor dat terugbetalingen vangedekte deposito’s door depositogarantiestelsels ▌rechtstreeks aan de cliënt gebeuren.
4. De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van:
a)
de technische details met betrekking tot de identificatie van cliënten met het oog op de terugbetaling overeenkomstig artikel 8;
▌
c)
de regels om meerdere vorderingen om uitbetaling aan dezelfde begunstigde te voorkomen.
Bij de ontwikkeling van die ontwerpen van technische reguleringsnormen houdt de EBA rekening met alle volgende elementen:
a)
de specifieke kenmerken van het bedrijfsmodel van de verschillende soorten financiële instellingen als bedoeld in artikel 5, lid 1, punt d);
b)
de specifieke vereisten van het toepasselijke Unierecht tot regeling van de activiteiten van de financiële instellingen als bedoeld in artikel 5, lid 1, punt d), voor de behandeling van gelden van cliënten.
De EBA dient die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op ... [PB: gelieve de datum in te voegen = 12 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] bij de Commissie in.
Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend om deze richtlijn aan te vullen door de in de eerste alinea van dit lid bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.
Artikel 8 quater
Opschorting van terugbetaling in geval van bezorgdheid over het witwassen van geld of terrorismefinanciering
1. De lidstaten zorgen ervoor dat de aangewezen autoriteit het depositogarantiestelsel binnen 24 uur na ontvangst van de informatie als bedoeld in artikel 48, lid 4, van [gelieve de referentie in te voegen – voorstel voor een antiwitwasrichtlijn tot intrekking van Richtlijn (EU) 2015/849 – COM(2021) 423 final] in kennis stelt van de resultaten van de cliëntenonderzoeksmaatregelen als bedoeld in artikel 15, lid 4, van Verordening (EU) ... [gelieve de korte referentie in te voegen – voorstel voor een antiwitwasverordening – COM(2021) 420 final]. De lidstaten zorgen ervoor dat de informatie die wordt uitgewisseld tussen de aangewezen autoriteit en het depositogarantiestelsel beperkt blijft tot de informatie die strikt noodzakelijk is voor de uitoefening van de taken en verantwoordelijkheden van de depositogarantiestelsels uit hoofde van deze richtlijn en dat deze uitwisseling van informatie voldoet aan de vereisten van Richtlijn 96/9/EG van het Europees Parlement en de Raad**.
2. De lidstaten zorgen ervoor dat depositogarantiestelsels de in artikel 8, lid 1, bedoelde terugbetaling opschorten wanneer een deposant of een persoon die recht heeft op bedragen die op zijn of haar rekening worden aangehouden, is beschuldigd van een strafbaar feit dat voortvloeit uit of verband houdt met het witwassen van geld of terrorismefinanciering, in afwachting van de uitspraak van de rechtbank.
3. De lidstaten zorgen ervoor dat depositogarantiestelsels de in artikel 8, lid 1, bedoelde terugbetaling opschorten voor dezelfde periode als bepaald in artikel 20 van [gelieve de korte referentie in te voegen – voorstel voor een antiwitwasrichtlijn tot intrekking van Richtlijn (EU) 2015/849 – COM(2021) 423 final] wanneer zij er door de financiële-inlichtingeneenheid als bedoeld in artikel 32 van Richtlijn (EU) ... [gelieve de referentie in te voegen – voorstel voor een antiwitwasrichtlijn tot intrekking van richtlijn ((EU) 2015/849 – COM(2021) 423 final] van in kennis worden gesteld dat die eenheid heeft besloten een transactie op te schorten of toestemming weigeren om een dergelijke transactie uit te voeren, of om een bank- of betaalrekening te schorsen overeenkomstig artikel 20, lid 1 of lid 2, van Richtlijn (EU) ... [gelieve de referentie in te voegen – voorstel voor een antiwitwasrichtlijn tot intrekking van Richtlijn (EU) 2015/849 – COM(2021) 423 final].
4. De lidstaten zorgen ervoor dat depositogarantiestelsels niet aansprakelijk worden gesteld voor maatregelen die worden genomen in overeenstemming met de instructies van de financiële-inlichtingeneenheid. Depositogarantiestelsels gebruiken alle informatie die zij van de financiële-inlichtingeneenheid ontvangen uitsluitend voor de doeleinden van deze richtlijn.
__________________
* Richtlijn 2014/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende de vergelijkbaarheid van de in verband met betaalrekeningen aangerekende vergoedingen, het overstappen naar een andere betaalrekening en de toegang tot betaalrekeningen met basisfuncties (PB L 257 van 28.8.2014, blz. 214).
** Richtlijn 96/9/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 1996 betreffende de rechtsbescherming van databanken (PB L 77 van 27.3.1996, blz. 20).”;
"
10) in artikel 9 worden de leden 2 en 3 vervangen door:"
“2. Onverminderd rechten waarover zij krachtens de nationale wetgeving beschikken, hebben depositogarantiestelsels die in een nationaal kader uitkeringen uit hoofde van de garantie doen, het recht om in een procedure tot liquidatie of sanering gesubrogeerd te worden in de rechten van de deposanten, voor een bedrag gelijk aan het bedrag van de uitkering van depositogarantiestelsels aan de deposanten. Depositogarantiestelsels die een bijdrage leveren in het kader van de afwikkelingsinstrumenten als bedoeld in artikel 37, lid 3, punt a) of b), van Richtlijn 2014/59/EU, of in het kader van maatregelen die zijn genomen overeenkomstig artikel 11, lid 5, van deze richtlijn, hebben een vordering tegen de rest van de kredietinstelling voor elk verlies dat is geleden als gevolg van bijdragen aan de afwikkeling overeenkomstig artikel 109 van Richtlijn 2014/59/EU of aan de overdracht op grond van artikel 11, lid 5, van deze richtlijn voor een bedrag dat gelijk is aan hun bijdrage op voorwaarde dat de rest van de kredietinstelling wordt geliquideerd. ▌Die vordering moet in de rangorde dezelfde plaats bekleden als gedekte deposito’s uit hoofde van nationale wetgeving inzake normale insolventieprocedures.
3. De lidstaten zorgen ervoor dat deposanten wier deposito’s niet binnen de in artikel 8, leden 1 en 3, vastgestelde termijnen door het depositogarantiestelsel zijn terugbetaald of erkend, binnen een periode van vijf jaar aanspraak kunnen maken op terugbetaling van hun deposito’s.”;
"
11) artikel 10 wordt als volgt gewijzigd:
a) lid 2 wordt als volgt gewijzigd:
i) na de eerste alinea wordt de volgende alinea ingevoegd:"
“Voor de berekening van het in de eerste alinea bedoelde streefbedrag ligt de referentieperiode tussen 31 december vóór de datum waarop het streefbedrag moet worden bereikt en die datum.
Om te bepalen of het depositogarantiestelsel het streefbedrag heeft bereikt, houden de lidstaten uitsluitend rekening met beschikbare financiële middelen die rechtstreeks door de deelnemers aan het depositogarantiestelsel zijn bijgedragen of teruggevorderd van de deelnemers, na aftrek van administratieve vergoedingen en kosten. Deze beschikbare financiële middelen omvatten inkomsten uit beleggingen afkomstig van gelden die door de deelnemers aan het depositogarantiestelsel zijn bijgedragen, maar zijn exclusief terugbetalingen waar door in aanmerking komende deposanten tijdens uitbetalingsprocedures geen aanspraak op wordt gemaakt, alle schuldverplichtingen van de depositogarantiestelsels, met inbegrip van leningen van andere depositogarantiestelsels en alternatieve financieringsregelingen als bedoeld in artikel 10, lid 9. Een uitstaande lening aan een ander depositogarantiestelsel krachtens artikel 12 wordt behandeld als activa van het depositogarantiestelsel dat de lening heeft verstrekt en mag meegeteld worden bij het streefbedrag van dat depositogarantiestelsel.”;
"
ii) de derde alinea wordt vervangen door:"
“Wanneer, nadat het in de eerste alinea bedoelde streefbedrag voor het eerst is bereikt en de beschikbare financiële middelen, na een uitbetaling van de middelen van het depositogarantiestelsel overeenkomstig artikel 8, lid 1, en artikel 11, leden 2, 3 en 5, zijn teruggebracht tot minder dan twee derde van het streefbedrag, stellen de depositogarantiestelsels de reguliere bijdrage vast op een niveau waarbij het streefbedrag binnen vier jaar kan worden bereikt.
Wanneer, nadat het in de eerste alinea bedoelde streefbedrag voor het eerst is bereikt en de beschikbare financiële middelen, na een uitbetaling van de middelen van het depositogarantiestelsel overeenkomstig artikel 8, lid 1, en artikel 11, leden 2, 3 en 5, zijn teruggebracht tot minder dan twee derde van het streefbedrag, stellen de depositogarantiestelsels de reguliere bijdrage vast op een niveau waarbij het streefbedrag binnen twee jaar kan worden bereikt.”;
"
ii bis) de vijfde alinea wordt vervangen door:"
“De lidstaten kunnen de initiële in de eerste alinea bedoelde termijn met maximaal vier jaar verlengen ingeval het depositogarantiestelsel gecumuleerde uitbetalingen ten bedrage van meer dan 0,8 % van de gedekte deposito’s heeft verricht om deposanten terug te betalen.”;
"
b) lid 3 wordt vervangen door:"
“3. De beschikbare financiële middelen die door het depositogarantiestelsel in aanmerking worden genomen om het in lid 2 bedoelde streefbedrag te bereiken, kunnen betalingsverplichtingen omvatten waaraan op verzoek van het depositogarantiestelsel binnen 48 uur moet worden voldaan. Het totale aandeel van deze betalingsverplichtingen mag niet groter zijn dan 30 % van het totaalbedrag van de beschikbare financiële middelen die overeenkomstig lid 2 worden bijeengebracht.
De EBA vaardigt richtsnoeren uit inzake betalingsverplichtingen waarin criteria worden vastgelegd voor de ontvankelijkheid van die verplichtingen.”;
"
c) lid 4 wordt geschrapt;
d) lid 7 wordt vervangen door:"
“7. De lidstaten zorgen ervoor dat depositogarantiestelsels, aangewezen autoriteiten of bevoegde autoriteiten de beleggingsstrategie bepalen voor de beschikbare financiële middelen van depositogarantiestelsels en dat die beleggingsstrategie in overeenstemming is met het beginsel van diversificatie en beleggingen in liquide activa met een laag risico.
De lidstaten zorgen ervoor dat de in de eerste alinea van dit lid vermelde beleggingsstrategie in overeenstemming is met de beginselen zoals bedoeld in de artikelen 4, 8 en 10 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/451* van de Commissie.
_______________
* Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/451 van de Commissie van 16 december 2015 tot vaststelling van algemene beginselen en criteria voor de beleggingsstrategie en regels voor het beheer van het gemeenschappelijk afwikkelingsfonds (PB L 79 van 30.3.2016, blz. 2).”;
"
e) het volgende lid 7 bis wordt ingevoegd:"
“7 bis. De lidstaten zorgen ervoor dat depositogarantiestelsels hun beschikbare financiële middelen geheel of gedeeltelijk bij hun nationale centrale bank of nationale schatkist kunnen onderbrengen, mits dit voor de depositogarantiestelsels een kostenefficiënt besluit is en deze beschikbare financiële middelen op een gescheiden rekening worden aangehouden en deze gemakkelijk beschikbaar zijn voor gebruik door het depositogarantiestelsel overeenkomstig de artikelen 11 en 12.”;
"
e bis) lid 9 wordt vervangen door:"
“9. De lidstaten zien erop toe dat depositogarantiestelsels over een adequaat alternatief financieringsplan beschikken op basis waarvan zij kortetermijnfinanciering kunnen verkrijgen waarmee vorderingen jegens die depositogarantiestelsels kunnen worden gehonoreerd. De lidstaten zorgen ervoor dat de alternatieve financieringsregelingen van depositogarantiestelsels niet met overheidsmiddelen worden gefinancierd.”;
"
f) lid 10 wordt geschrapt;
g) de volgende leden 11, 12 en 13 worden toegevoegd:"
“11. De lidstaten zorgen ervoor dat depositogarantiestelsels in het kader van de in artikel 11, leden 1, 2, 3 en 5, bedoelde maatregelen gebruik kunnen maken van de middelen die afkomstig zijn van de alternatieve financieringsregelingen als bedoeld in artikel 10, lid 9▌, alvorens gebruik te maken van de beschikbare financiële middelen en voordat de buitengewone bijdragen als bedoeld in artikel 10, lid 8, worden geïnd. ▌
12. De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van:
a)
de methode voor de berekening van beschikbare financiële middelen die in aanmerking worden genomen voor het in lid 2 bedoelde streefbedrag, met inbegrip van de afbakening van de beschikbare financiële middelen van depositogarantiestelsels en de categorieën beschikbare financiële middelen die voortvloeien uit ingebrachte middelen;
b)
de details van het proces om het in lid 2 bedoelde streefbedrag te bereiken nadat een depositogarantiestelsel de beschikbare financiële middelen heeft gebruikt overeenkomstig artikel 11.
De EBA dient die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk ... [PB: gelieve de datum in te voegen = 24 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] bij de Commissie in.
Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om deze richtlijn aan te vullen door de in de eerste alinea bedoelde ontwerpen van technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.
13. Uiterlijk ... [PB: gelieve de datum in te vullen = 24 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] ontwikkelt de EBA richtsnoeren om depositogarantiestelsels te helpen bij de diversificatie van hun beschikbare financiële middelen en het beleggen in activa met een laag risico, die van toepassing zijn op de beschikbare financiële middelen van depositogarantiestelsels.”;
"
12) artikel 11 wordt vervangen door:"
“Artikel 11
Gebruik van middelen
1. De lidstaten zorgen ervoor dat depositogarantiestelsels de in artikel 10 bedoelde beschikbare financiële middelen in de eerste plaats gebruiken om terugbetalingen aan deposanten overeenkomstig artikel 8 te waarborgen.▌
2. De lidstaten zorgen ervoor dat de depositogarantiestelsels de beschikbare financiële middelen gebruiken ter financiering van de afwikkeling van kredietinstellingen overeenkomstig artikel 109 van Richtlijn 2014/59/EU. De lidstaten zorgen ervoor dat de afwikkelingsautoriteiten bepalen welk bedrag een depositogarantiestelsel moet bijdragen aan de financiering van de afwikkeling van kredietinstellingen, nadat deze afwikkelingsautoriteiten het depositogarantiestelsel hebben geraadpleegd over de resultaten van de in artikel 11 sexies van deze richtlijn bedoelde laagstekostentoets. De lidstaten zien erop toe dat depositogarantiestelsels onverwijld reageren op dergelijke raadplegingen.
3. De lidstaten staan depositogarantiestelsels toe de beschikbare financiële middelen te gebruiken voor preventieve maatregelen als bedoeld in artikel 11 bis ten behoeve van een kredietinstelling wanneer al het volgende van toepassing is:
a)
er is niet vastgesteld dat de kredietinstelling faalt of waarschijnlijk zal falen, overeenkomstig artikel 32, lid 4, van Richtlijn 2014/59/EU▌;
b)
het depositogarantiestelsel heeft bevestigd dat de kosten van de maatregel niet hoger zijn dan de kosten van terugbetaling aan deposanten, zoals berekend overeenkomstig artikel 11 sexies;
c)
aan alle voorwaarden van de artikelen 11 bis en 11 ter is voldaan.
4. Indien de beschikbare financiële middelen worden gebruikt voor preventieve of alternatieve maatregelen als bedoeld in de leden 3 en 5 ▌, verstrekken de deelnemende kredietinstellingen het depositogarantiestelsel onverwijld de middelen die voor dergelijke maatregelen worden gebruikt, indien nodig in de vorm van buitengewone bijdragen, indien:
a)
het nodig is de deposanten terug te betalen of bij een afwikkeling te interveniëren en de beschikbare financiële middelen van het depositogarantiestelsel zijn teruggebracht tot minder dan twee derde van het streefbedrag;
b)
de beschikbare financiële middelen van het depositogarantiestelsel na de financiering van preventieve maatregelen zijn teruggebracht tot minder dan 40 % van het streefbedrag, tenzij het terugbetalingsschema van de instelling of instellingen waaraan preventieve maatregelen zijn toegekend, voorziet in terugbetaling door die instellingen binnen twaalf maanden, waardoor de beschikbare financiële middelen meer bedragen dan 40 % van het streefbedrag.
5. Indien een kredietinstelling overeenkomstig artikel 32 ter van Richtlijn 2014/59/EU wordt geliquideerd om de markt te verlaten of haar bankactiviteiten te beëindigen, staan de lidstaten depositogarantiestelsels toe de beschikbare financiële middelen te gebruiken voor alternatieve maatregelen om de toegang van deposanten tot hun deposito’s te waarborgen, waaronder de overdracht van activa en passiva en de overdracht van depositoportefeuilles, wanneer al het volgende van toepassing is:
a)
het depositogarantiestelsel bevestigt dat de kosten van de maatregel niet hoger zijn dan de kosten van terugbetaling aan deposanten zoals berekend overeenkomstig artikel 11 sexies van deze richtlijn;
b)
aan alle voorwaarden van artikel 11 quinquies van deze richtlijn is voldaan;
c)
indien de maatregel uit de overdracht van activa of passiva bestaat, omvat de overdracht passiva die een of meer van de volgende vormen aannemen:
i)
gedekte deposito’s;
ii)
in aanmerking komende deposito’s van natuurlijke personen en van micro-, kleine en middelgrote ondernemingen;
iii)
deposito’s afkomstig van natuurlijke personen en van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen die in aanmerking komende deposito’s zouden zijn indien zij niet werden verricht in zich buiten de Unie bevindende bijkantoren van in de Unie gevestigde instellingen;
iv)
alle passiva die in de nationale rangorde van vorderingen in insolventieprocedures hoger gerangschikt zijn dan gedekte deposito’s.”;
"
13) de volgende artikelen 11 bis tot en met 11 sexies worden ingevoegd:"
“Artikel 11 bis
Preventieve maatregelen
1. ▌De lidstaten zorgen ervoor dat de depositogarantiestelsels de beschikbare financiële middelen gebruiken voor de in artikel 11, lid 3, bedoelde preventieve maatregelen, mits aan alle volgende voorwaarden is voldaan:
a)
het verzoek van een kredietinstelling om financiering van dergelijke preventieve maatregelen gaat vergezeld van een nota van maatregelen als bedoeld in artikel 11 ter;
b)
de kredietinstelling heeft de bevoegde autoriteit geraadpleegd over de maatregelen die zijn voorzien in de in artikel 11 ter bedoelde nota;
c)
het toepassen van preventieve maatregelen door het depositogarantiestelsel is gekoppeld aan voorwaarden die aan de ondersteunde kredietinstelling worden opgelegd en die in elk geval een sterkere risicobewaking van de kredietinstelling, vergezeld van governanceregelingen die deze bewaking bevorderen, ▌uitgebreidere controlerechten van het depositogarantiestelsel en frequentere verslaglegging aan de bevoegde autoriteiten omvatten;
d)
het toepassen van preventieve maatregelen door het depositogarantiestelsel is afhankelijk van de effectieve toegang van de deposanten tot gedekte deposito’s;
e)
de deelnemende kredietinstellingen zijn in staat de buitengewone bijdragen overeenkomstig artikel 11, lid 4, te betalen;
f)
de kredietinstelling voldoet aan haar verplichtingen uit hoofde van deze richtlijn, heeft de afgelopen vijf jaar niet reeds buitengewone openbare financiële steun ontvangen overeenkomstig artikel 32 quater, lid 1, punt a), van Richtlijn 2014/59/EU en heeft volledig voldaan aan het terugbetalingsschema of heeft eerdere buitengewone openbare financiële steun of een preventieve maatregel terugbetaald;
f bis)
de preventieve maatregelen worden niet gebruikt ter compensatie van verliezen die de kredietinstelling of entiteit heeft geleden of in de nabije toekomst waarschijnlijk zal lijden, tenzij zonder deze maatregel een verstoring van de financiële stabiliteit zou optreden.
2. De lidstaten zorgen ervoor dat depositogarantiestelsels over monitoringsystemen en besluitvormingsprocedures beschikken die geschikt zijn voor de selectie en uitvoering van preventieve maatregelen en voor het monitoren van gerelateerde risico’s.
3. De lidstaten zorgen ervoor dat depositogarantiestelsels alleen preventieve maatregelen kunnen nemen als de aangewezen autoriteit heeft bevestigd dat aan alle voorwaarden van lid 1 is voldaan. De aangewezen autoriteit stelt de bevoegde autoriteit en de afwikkelingsautoriteit daarvan in kennis.
Indien de begunstigde instelling behoort tot een institutioneel protectiestelsel als bedoeld in artikel 1, lid 2, punt c), bepaalt dat institutioneel protectiestelsel op basis van de resultaten van de in artikel 11 sexies bedoelde laagstekostentoets het bedrag van de beschikbare financiële middelen voor preventieve maatregelen, dat aan de aangewezen autoriteit wordt meegedeeld.
4. De lidstaten zorgen ervoor dat het depositogarantiestelsel ▌zijn beschikbare financiële middelen uitsluitend gebruikt voor kapitaalondersteunende maatregelen, zoals herkapitalisaties, activawaardeverminderingsmaatregelen en activagaranties, indien aan de voorwaarden van artikel 11 ter is voldaan.
De lidstaten zorgen ervoor dat het depositogarantiestelsel zijn bezit van aandelen of andere kapitaalinstrumenten in de ondersteunde kredietinstelling overdraagt▌zodra de commerciële en financiële omstandigheden dit toelaten.
4 bis. De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot vaststelling van:
a)
de in lid 1, punt c), bedoelde voorwaarden;
b)
de monitoringsystemen en besluitvormingsprocedures waarover depositogarantiestelsels overeenkomstig lid 2 moeten beschikken;
c)
de modaliteiten voor samenwerking tussen de afwikkelingsautoriteiten, aangewezen autoriteiten en bevoegde autoriteiten uit hoofde van leden 1 en 3 van dit artikel, rekening houdend met de vereisten van artikel 11 ter.
De EBA dient die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op ... [een jaar na de datum van inwerkingtreding van deze wijzigingsrichtlijn] bij de Commissie in.
Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend om deze richtlijn aan te vullen door de in de eerste alinea van dit lid bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.
Artikel 11 ter
Vereisten voor de financiering van preventieve maatregelen
1. De lidstaten zorgen ervoor dat kredietinstellingen die overeenkomstig artikel 11, lid 3, een depositogarantiestelsel vragen om preventieve maatregelen te financieren, aan de bevoegde autoriteit ter raadpleging een nota voorleggen met maatregelen die deze kredietinstellingen toezeggen te nemen om ▌naleving van de toepasselijke toezichtsvereisten te waarborgen ▌overeenkomstig Richtlijn 2013/36/EU en Verordening (EU) nr. 575/2013.
2. De in lid 1 bedoelde nota bevat maatregelen om het risico van verslechtering van de financiële soliditeit te beperken en de kapitaal- en liquiditeitspositie van de kredietinstelling te versterken.
2 bis. Indien de financiële middelen van een depositogarantiestelsel worden aangewend voor preventieve maatregelen overeenkomstig artikel 11, lid 3, van deze richtlijn, verlangt de bevoegde autoriteit van de begunstigde kredietinstelling dat zij, voor zover van toepassing, het herstelplan als gedefinieerd in artikel 2, lid 1, punt 32, van Richtlijn 2014/59/EU of het groepsherstelplan als gedefinieerd in artikel 2, lid 1, punt 33, van die richtlijn actualiseert. De bevoegde autoriteit draagt de ondersteunde kredietinstelling op de in artikel 6, lid 6, derde alinea, van Richtlijn 2014/59/EU bedoelde maatregelen uit te voeren indien aan de voorwaarden van artikel 6, lid 6, van die richtlijn is voldaan.
3. De lidstaten zorgen ervoor dat in geval van een kapitaalsteunmaatregel op grond van lid 1, de beschikbare financiële middelen van een depositogarantiestelsel alleen het huidige kapitaaltekortdekken op basis van de volgende elementen, zoals blijkt uit de nota:
a)
het oorspronkelijk kapitaaltekort als vastgesteld in een stresstest van de Unie, een beoordeling van de kwaliteit van de activa of een gelijkwaardige beoordeling, of zoals vastgesteld tijdens het toezichts- en evaluatieproces door de toezichthouder, zoals bevestigd door de bevoegde autoriteit;
b)
kapitaalversterkende maatregelen die binnen zes maanden na de indiening van het bedrijfssaneringsplan moeten worden uitgevoerd;
c)
waarborgen ter voorkoming van de uitstroom van middelen, met inbegrip van de in lid 5 bedoelde maatregelen;
d)
in voorkomend geval, bijdragen van aandeelhouders en houders van achtergestelde schuld van de ondersteunde kredietinstelling.
Bij het bepalen van het kapitaaltekort kan het depositogarantiestelsel ook rekening houden met een▌toekomstgerichte beoordeling van de kapitaaltoereikendheid, met inbegrip van ▌het kapitaalconserveringsplanals bedoeld in artikel 142 van Richtlijn 2013/36/EU.
De lidstaten zien erop toe dat indien een kredietinstelling is aangesloten bij een institutioneel protectiestelsel als bedoeld in artikel 1, lid 2, punt c), het kapitaaltekort door het institutioneel protectiestelsel wordt bepaald.
Bij het vaststellen van het kapitaaltekort stelt het depositogarantiestelsel de bevoegde autoriteit in kennis.
4. De lidstaten zorgen ervoor dat▌de in lid 1 bedoelde nota voorziet in een exitstrategie voor de preventieve maatregelen, met inbegrip van een duidelijk omschreven terugbetalingsschema door de kredietinstelling voor alle terug te betalen gelden die in het kader van de preventieve maatregelen zijn ontvangen. Deze informatie wordt pas een jaar na de afsluiting van de exitstrategie, de uitvoering van het saneringsplan of de voltooiing van de beoordeling krachtens artikel 11 quater, lid 3, openbaar gemaakt.
5. De lidstaten zien erop toe dat er geen dividenden, terugkoop van aandelen of variabele vergoedingen worden uitgekeerd en dat de ondersteunde kredietinstelling geen onherroepelijke toezegging doet om dividenden, terugkoop van aandelen of variabele vergoedingen uit te keren. De bevoegde autoriteit kan dit verbod bij wijze van uitzondering gedeeltelijk beperken indien de kredietinstelling ten genoegen van de bevoegde autoriteit aantoont dat zij wettelijk verplicht is de dividenden uit te keren. ▌De lidstaten zorgen ervoor dat de ▌beperkingenuit hoofde van dit lid van kracht blijven totdat de ondersteunde kredietinstelling aan het depositogarantiestelsel hetzelfde bedrag heeft terugbetaald als voor de preventieve maatregelen is aangewend.
5 bis. De lidstaten zien erop toe dat de begunstigde kredietinstelling binnen zes maanden na de verlening van de eerste financiële steun bij de bevoegde autoriteit een bedrijfssaneringsplan indient. Indien de bevoegde autoriteit er niet van overtuigd is dat het bedrijfssaneringsplangeloofwaardig en haalbaar is om de levensvatbaarheid op lange termijn te waarborgen, worden de preventieve maatregelen ten aanzien van de betrokken kredietinstelling opgeschort en treft de bevoegde autoriteit passende maatregelen om ervoor te zorgen dat de levensvatbaarheid op lange termijn wordt gewaarborgd.
In afwijking van de eerste alinea van dit lid wordt, wanneer een kredietinstelling deel uitmaakt van een institutioneel protectiestelsel als bedoeld in artikel 1, lid 2, punt c), het bedrijfssaneringsplan goedgekeurd door het institutioneel protectiestelsel, na overleg met de bevoegde autoriteit.
6. ▌De lidstaten zorgen ervoor dat de maatregelen die zijn opgenomen in het in lid 5 bis bedoelde bedrijfssaneringsplan verenigbaar zijn met het herstructureringsplan van de kredietinstelling ▌dat de Commissie verlangt, in overeenstemming met de staatssteunregels van de Unie.
6 bis. De bevoegde autoriteit doet het bedrijfssaneringsplan aan de afwikkelingsautoriteit toekomen. De afwikkelingsautoriteit kan het bedrijfssaneringsplan onderzoeken met als doel om die maatregelen aan te wijzen die de mogelijkheid tot het afwikkelen van de instelling negatief kunnen beïnvloeden, en kan daarover aanbevelingen doen aan de bevoegde autoriteit. De afwikkelingsautoriteit houdt zich wat het uitvoeren van deze beoordeling en het presenteren van aanbevelingen betreft aan de door de bevoegde autoriteit vastgestelde termijn.
Artikel 11 quater
Saneringsplan
1. De lidstaten zorgen ervoor dat wanneer de kredietinstelling niet voldoet aan de verplichtingen die zijn uiteengezet in de in artikel 11 ter, lid 1, bedoelde nota, of het in artikel 11 ter, punt 5 bis), eerste alinea, bedoelde bedrijfssaneringsplan, of het in het kader van de preventieve maatregelen bijgedragen bedrag niet op de vervaldag terugbetaalt of niet voldoen aan de exitstrategie op grond van artikel 11 ter, punt 4), het depositogarantiestelsel de bevoegde autoriteit daarvan onverwijld in kennis stelt.
2. In de in lid 1 bedoelde situatie zorgen de lidstaten ervoor dat de bevoegde autoriteit de kredietinstelling bij de aangewezen autoriteit en het depositogarantiestelsel verzoekt een eenmalig saneringsplan in te dienen waarin wordt beschreven welke stappen de kredietinstelling zal nemen om ervoor te zorgen dat aan de toezichtvereisten wordt voldaan, met als doel om haar levensvatbaarheid op lange termijn te waarborgen en om het verschuldigde bedrag terug te betalen dat door het depositogarantiestelsel aan de preventieve maatregel is bijgedragen, alsmede het bijbehorende tijdschema. De aangewezen autoriteit en het depositogarantiestelsel raadplegen de bevoegde autoriteit over de maatregelen in het saneringsplan.
3. Indien de bevoegde autoriteit er niet van overtuigd is dat het saneringsplan geloofwaardig of haalbaar is, of indien de kredietinstellingen zich niet aan saneringsplan houden, zal het depositogarantiestelsel die kredietinstelling geen verdere preventieve maatregelen meer aanbieden en beoordelen de bevoegde autoriteiten of de kredietinstelling faalt of waarschijnlijk zal falen, in overeenstemming met artikel 32 van Richtlijn 2014/59/EU.
4. Uiterlijk ... [PB: gelieve de datum in te voegen = 24 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] vaardigt de EBA richtsnoeren uit die elementen bevatten van hetbedrijfssaneringsplan dat de in artikel 11 ter, leden 3 tot en met 5, ▌bedoelde preventieve maatregelen en het in lid 1 van dit artikel bedoelde saneringsplan vergezelt.
Artikel 11 quinquies
▌Alternatieve maatregelen
1. ▌De lidstaten staan het gebruik van middelen van een depositogarantiestelsel toe voor de alternatieve maatregelen als bedoeld in artikel 11, lid 5.De lidstaten zorgen ▌ervoor dat wanneer een depositogarantiestelsel dergelijke maatregelen financiert, de kredietinstellingen de activa, rechten en passiva die kredietinstellingen voornemens zijn over te dragen, verkopen of regelingen treffen om deze te verkopen. Onverminderd het staatssteunkader van de Unie moet deze verkoop voldoen aan alle volgende voorwaarden:
a)
de verkoop is open en transparant en geeft geen verkeerde voorstelling van de activa, rechten en passiva die worden overgedragen;
b)
bij de verkoop worden geen potentiële verkrijgers bevoordeeld, wordt er geen onderscheid gemaakt tussen potentiële verkrijgers en worden er geen voordelen geboden aan een potentiële verkrijger;
c)
de verkoop is vrij van belangenconflicten;
d)
bij de verkoop wordt rekening gehouden met de noodzaak om een snelle oplossing toe te passen, rekening houdend met de in artikel 3, lid 2, tweede alinea, vastgestelde termijn voor de vaststelling als bedoeld in artikel 2, lid 1, punt 8, onder a);
e)
de verkoop is erop gericht te streven naar een zo hoog mogelijke verkoopprijs voor de betrokken activa, rechten en passiva.
1 bis. De lidstaten dragen er zorg voor dat, wanneer het depositogarantiestelsel wordt gebruikt in overeenstemming met artikel 11, lid 5, met betrekking tot een kredietinstelling, en mits de maatregelen garanderen dat natuurlijke personen en micro-, kleine en middelgrote ondernemingen toegang blijven hebben tot hun deposito’s, teneinde te voorkomen dat zij verliezen dragen, het depositogarantiestelsel waarbij die kredietinstelling aangesloten is de volgende bedragen bijdraagt:
i)
het bedrag dat noodzakelijk is om het verschil te dekken tussen de waarde van de gedekte deposito’s en van de passiva met dezelfde of een hogere voorkeursrangorde en de totale waarde van de activa die moeten worden overgedragen aan een ontvanger; en
ii)
indien van toepassing, een bedrag dat noodzakelijk is om de kapitaalneutraliteit van de ontvanger na de overdracht te waarborgen.
Artikel 11 sexies
Laagstekostentoets
1. Wanneer de lidstaten overwegen om middelen van een depositogarantiestelsel te gebruiken voor de in artikel 11, leden 2, 3 of 5, bedoelde maatregelen, zorgen de lidstaten ervoor dat het depositogarantiestelsel een vergelijking maakt van het volgende:
a)
de geraamde kosten voor het depositogarantiestelsel om de in artikel 11, leden 2, 3 of 5, bedoelde maatregelen te financieren;
b)
de overeenkomstig artikel 8, lid 1, geraamde kosten van terugbetaling aan de deposanten.
2. Voor de in lid 1 bedoelde vergelijking geldt dat:
a)
voor de raming van de kosten als bedoeld in lid 1, punt a), het depositogarantiestelsel rekening houdt met de verwachte inkomsten, operationele kosten en mogelijke verliezen in verband met de maatregel;
b)
voor de in artikel 11, leden 2 en 5, bedoelde maatregelen baseert het depositogarantiestelsel zijn raming van de kosten van terugbetaling aan de deposanten, als bedoeld in lid 1, punt b), op de waardering van de activa en passiva van de kredietinstelling als bedoeld in artikel 36, lid 1, van Richtlijn 2014/59/EU en op de in artikel 36, lid 8, van die richtlijn bedoelde raming;
c)
voor de in artikel 11, leden 2, 3 en 5, bedoelde maatregelen houdt het depositogarantiestelsel bij de raming van de kosten voor terugbetaling aan de deposanten, als bedoeld in lid 1, punt b), rekening met de verwachte terugvorderingen, ▌de mogelijke bijkomende financieringskosten voor het depositogarantiestelsel en de mogelijke kosten voor het depositogarantiestelsel als gevolg van potentiële economische en financiële instabiliteit, met inbegrip van de noodzaak om binnen het takenpakket van het depositogarantiestelsel aanvullende middelen te gebruiken om deposanten en de financiële stabiliteit te beschermen en besmetting te voorkomen;
d)
voor de in artikel 11, lid 3, bedoelde maatregelen vermenigvuldigt het depositogarantiestelsel bij de raming van de kosten van het terugbetalen van deposanten de geraamde verhouding van terugvorderingen berekend volgens de in lid 5, punt b), bedoelde methode met 85 %.
3. De lidstaten zorgen ervoor dat het bedrag dat wordt gebruikt voor de financiering van de afwikkeling van kredietinstellingen, als bedoeld in artikel 11, lid 2, voor de preventieve maatregelen, als bedoeld in artikel 11, lid 3, of voor de alternatieve maatregelen, als bedoeld in artikel 11, lid 5, het bedrag aan gedekte deposito’s bij de kredietinstelling niet overschrijdt.
4. De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten en de afwikkelingsautoriteiten het depositogarantiestelsel alle informatie verstrekken die nodig is voor de in lid 1 bedoelde vergelijking. De lidstaten zorgen ervoor dat de afwikkelingsautoriteit het depositogarantiestelsel de geraamde kosten verstrekt van de bijdrage van het depositogarantiestelsel aan de afwikkeling van een kredietinstelling, als bedoeld in artikel 11, lid 2.
4 bis. Zo spoedig mogelijk na de uitvoering van alternatieve maatregelen dragen de lidstaten er zorg voor dat het depositogarantiestelsel een samenvatting van de belangrijkste elementen van de ingevolge dit artikel gemaakte berekening deelt met de bevoegde autoriteit, de afwikkelingsautoriteit en de aangewezen autoriteit. Deze samenvatting bevat in het bijzonder het nettoterugvorderingspercentage dat afgeleid is van de geraamde kosten van terugbetaling aan de deposanten voor het depositogarantiestelsel en een globale onderbouwing van de ermee verband houdende onderliggende aannames.
5. De EBA ontwikkelt, rekening houdend met de technische reguleringsnormen die zijn vastgesteld ingevolge artikel 36, lid 16, van Richtlijn 2014/59/EU, ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van:
a)
de methode voor de berekening van de geraamde kosten als bedoeld in lid 1, punt a), waarbij rekening wordt gehouden met de specifieke kenmerken van de betrokken maatregel;
b)
de methode voor de berekening van de geraamde kosten van terugbetaling aan de deposanten als bedoeld in lid 1, punt b), met inbegrip van de verwachte terugvorderingen als bedoeld in lid 2, punt c), de potentiële extra financieringskosten voor het depositogarantiestelsel en de mogelijke kosten voor het depositogarantiestelsel als gevolg van potentiële economische en financiële instabiliteit, met inbegrip van de noodzaak om binnen het takenpakket van het depositogarantiestelsel aanvullende middelen te gebruiken om deposanten en de financiële stabiliteit te beschermen en besmetting te voorkomen;
c)
de wijze waarop, in de onder de punten a), b) en c), bedoelde methoden, waar relevant, rekening moet worden gehouden met de waardeverandering van geld als gevolg van in de loop van de tijd mogelijke opgebouwde inkomsten.
Voor de berekening van de in de eerste alinea, punt b), bedoelde potentiële extra kosten voor het depositogarantiestelsel wordt in de methode rekening gehouden met:
a)
de administratieve kosten in verband met het terugbetalingsproces;
b)
de administratieve kosten in verband met het innen van bijdragen overeenkomstig artikel 10, lid 8, indien dergelijke bijdragen nodig zijn om de deposanten terug te betalen, en de kosten van het in stelling brengen van alternatieve financieringsregelingen overeenkomstig artikel 10, lid 9, indien van dergelijke regelingen gebruik wordt gemaakt.
Voor de berekening van de geraamde kosten van terugbetaling aan de deposanten als bedoeld in lid 1, punt b), houdt de onder punt b) bedoelde methode in het geval van ▌maatregelen als bedoeld in artikel 11, leden 2, 3 of 5, rekening met besmettingseffecten, economische en financiële risico’s en eventuele reputatieschade voor het bankwezen, met inbegrip van, in voorkomend geval, de bescherming van het gezamenlijke handelsmerk, en het belang van preventieve maatregelen voor de wettelijke of contractuele taak van het depositogarantiestelsel, met inbegrip van een institutioneel protectiestelsel als bedoeld in artikel 1, lid 2, punt c).
De EBA dient die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk ... [PB: gelieve de datum in te voegen = 12 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] bij de Commissie in.
Aan de Commissie wordt de bevoegdheid overgedragen om deze richtlijn aan te vullen door de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.”;
"
13 bis) Artikel 13 wordt vervangen door:"
“1. De in artikel 10 bedoelde bijdragen aan depositogarantiestelsels worden gebaseerd op het bedrag van de gedekte deposito’s en de mate van het risico dat de respectieve deelnemers aan depositogarantiestelsels lopen.
De lidstaten mogen voor kredietinstellingen die aan een depositogarantiestelsel deelnemen, voorzien in lagere bijdragen voor sectoren met een laag risico die worden gereguleerd uit hoofde van nationaal recht.
De lidstaten mogen bepalen dat deelnemers aan een institutioneel protectiestelsel lagere bijdragen aan depositogarantiestelsels betalen.
De lidstaten kunnen toestaan dat het centrale orgaan en alle kredietinstellingen die blijvend bij het centrale orgaan zijn aangesloten als bedoeld in artikel 10, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013, als één geheel worden onderworpen aan het risicogewicht dat voor het centrale orgaan en de daarbij aangesloten instellingen op geconsolideerde basis is bepaald.
De lidstaten kunnen bepalen dat kredietinstellingen, ongeacht het bedrag van hun gedekte deposito’s, een minimumbijdrage betalen.
2. De depositogarantiestelsels kunnen hun eigen risicogebaseerde methoden gebruiken voor het bepalen en berekenen van de risicogebaseerde bijdragen van hun deelnemers. De berekening van de bijdragen is evenredig aan het risico van de deelnemers en houdt terdege rekening met de risicoprofielen van de verschillende bedrijfsmodellen. Bij deze methoden kan ook rekening worden gehouden met de activazijde van de balans en risico-indicatoren, zoals kapitaaltoereikendheid, kwaliteit van de activa en liquiditeit.
Elke methode moet worden goedgekeurd door de bevoegde autoriteit, die daarbij samenwerkt met de aangewezen autoriteit. De EBA wordt in kennis gesteld over de methoden die zijn goedgekeurd.
3. Met het oog op de consequente toepassing van deze richtlijn werkt de EBA technische reguleringsnormen uit tot nadere bepaling van de berekeningsmethoden voor de bijdragen aan depositogarantiestelsels overeenkomstig de leden 1 en 2 van dit artikel.
De EBA dient die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk ... [twaalf maanden na de datum van inwerkingtreding van deze wijzigingsrichtlijn] bij de Commissie in.
Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend om deze richtlijn aan te vullen door de in de eerste alinea van dit lid bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.”;
"
14) Artikel 14 wordt als volgt gewijzigd:
a) lid 1 wordt vervangen door:"
“1. De lidstaten zorgen ervoor dat depositogarantiestelsels dekking bieden aan deposanten bij bijkantoren in andere lidstaten van deelnemende kredietinstellingen en aan deposanten gevestigd in lidstaten waar deelnemende kredietinstellingen gebruikmaken van de vrijheid van dienstverrichting als bedoeld in titel V, hoofdstuk 3, van Richtlijn 2013/36/EU.”;
"
b) aan lid 2 wordt de volgende alinea toegevoegd:"
“In afwijking van de eerste alinea zorgen de lidstaten ervoor dat een depositogarantiestelsel van de lidstaat van herkomst kan besluiten om deposanten bij bijkantoren rechtstreeks terug te betalen wanneer al het volgende van toepassing is:
i)
de administratieve lasten en kosten van een dergelijke terugbetaling zijn lager dan de terugbetaling door een depositogarantiestelsel van de lidstaat van ontvangst;
ii)
het depositogarantiestelsel van de lidstaat van herkomst zorgt ervoor dat de deposanten er niet slechter aan toe zijn dan wanneer de terugbetaling zou hebben plaatsgevonden overeenkomstig de eerste alinea;
ii bis)
de terugbetaling gebeurt in dezelfde valuta als het geval zou zijn geweest indien de terugbetaling overeenkomstig de eerste alinea had plaatsgevonden.”;
"
c) de volgende leden 2 bis en 2 ter worden ingevoegd:"
“2 bis. De lidstaten zorgen ervoor dat een depositogarantiestelsel van een lidstaat van ontvangst, mits er een overeenkomst is met een depositogarantiestelsel van een lidstaat van herkomst, kan fungeren als contactpunt voor deposanten bij kredietinstellingen die gebruikmaken van de vrijheid van dienstverrichting als bedoeld in titel V, hoofdstuk 3, van Richtlijn 2013/36/EU, en een vergoeding krijgt voor de gemaakte kosten.
2 ter. In de gevallen als bedoeld in de leden 2 en 2 bis zorgen de lidstaten ervoor dat het depositogarantiestelsel van de lidstaat van herkomst en het depositogarantiestelsel van de betrokken lidstaat van ontvangst overeenstemming hebben bereikt over de uitbetalingsvoorwaarden, waaronder over de vergoeding van eventuele kosten, het contactpunt voor deposanten, het tijdschema en de betalingsmethode. Het depositogarantiestelsel van de lidstaat van herkomst verstrekt het depositogarantiestelsel van de lidstaat van ontvangst informatie over het aantal deposanten, het bedrag aan gedekte deposito’s en de eventuele relevante veranderingen daarvan.”;
"
d) lid 3 wordt vervangen door:"
“3. De lidstaten zorgen ervoor dat indien een kredietinstelling niet langer deelneemt aan een depositogarantiestelsel en toetreedt tot een depositogarantiestelsel van een andere lidstaat, of indien sommige activiteiten van de kredietinstelling worden overgedragen aan een depositogarantiestelsel van een andere lidstaat, het depositogarantiestelsel van de lidstaat van herkomst aan het depositogarantiestelsel van de lidstaat van ontvangst een bedrag overdraagt dat de aanvullende potentiële verplichtingen weerspiegelt die als gevolg van de overdracht door het ontvangende depositogarantiestelsel worden gedragen, rekening houdend met de impact van de overdracht op de financiële situatie van zowel het ontvangende depositogarantiestelsel als het depositogarantiestelsel van herkomst ten opzichte van de risico’s die zij dekken. ▌
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van de methode voor de berekening van het over te dragen bedrag om ervoor te zorgen dat de overdracht een neutraal effect heeft op de financiële situatie van beide depositogarantiestelsels ten opzichte van de risico’s die zij dekken.
De EBA dient die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk ... [twaalf maanden na de datum van inwerkingtreding van deze wijzigingsrichtlijn] bij de Commissie in.
Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om deze richtlijn aan te vullen door de in de tweede alinea van dit lid bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad.”;
"
e) het volgende lid 3 bis wordt ingevoegd:"
“3 bis. Voor de toepassing van lid 3 zorgen de lidstaten ervoor dat het depositogarantiestelsel van de lidstaat van herkomst het in dat lid bedoelde bedrag binnen een maand na de wijziging van deelneming aan een depositogarantiestelsel overdraagt.”;
"
f) het volgende lid 9 wordt toegevoegd:"
“9. Uiterlijk ... [24 maanden na de inwerkingtreding van deze wijzigingsrichtlijn] vaardigt de EBA ▌richtlijnen uit over hoe de EBA de respectieve rollen ziet van de depositogarantiestelsels van de lidstaten van herkomst en van ontvangst, als bedoeld in lid 2, ▌met inbegrip van een lijst ▌van omstandigheden en voorwaarden waaronder een depositogarantiestelsel van de lidstaat van herkomst ▌deposanten bij bijkantoren in een andere lidstaat terugbetaalt, zoals bepaald in lid 2, derde alinea.”;
"
15) Artikel 15 wordt vervangen door:"
“Artikel 15
Bijkantoren van in derde landen gevestigde kredietinstellingen
De lidstaten verplichten bijkantoren van kredietinstellingen met hun hoofdkantoor buiten de Unie toe te treden tot een depositogarantiestelsel op hun grondgebied voordat zij dergelijke bijkantoren toestaan in aanmerking komende deposito’s in die lidstaten aan te nemen.
De lidstaten zien erop toe dat deze bijkantoren bijdragen tot het depositogarantiestelsel, overeenkomstig artikel 13.”;
"
16) het volgende artikel 15 bis wordt ingevoegd:"
“Artikel 15 bis
Kredietinstellingen uit lidstaat met bijkantoren in derde landen
De lidstaten zorgen ervoor dat depositogarantiestelsels geen dekking bieden aan deposanten bij bijkantoren die door deelnemende kredietinstellingen in derde landen zijn opgericht, behalve wanneer deze depositogarantiestelsels, onder voorbehoud van goedkeuring door de aangewezen autoriteit, overeenkomstige bijdragen van de betrokken kredietinstellingen innen.
De EBA ontwikkelt richtsnoeren tot nadere bepaling van de omstandigheden waaronder aangewezen autoriteiten goedkeuring moeten hechten aan de dekking van deposanten die gebruikmaken van bijkantoren in derde landen die zijn opgezet door aan de depositogarantiestelsels deelnemende kredietinstellingen.”;
"
17) artikel 16 wordt als volgt gewijzigd:
a) lid 1 wordt vervangen door:"
“1. De lidstaten zorgen ervoor dat kredietinstellingen de huidige en toekomstige deposanten de informatie verstrekken die deze deposanten nodig hebben om vast te stellen aan welke depositogarantiestelsels de kredietinstelling en haar bijkantoren binnen de Unie deelnemen. Kredietinstellingen verstrekken deze informatie in de vorm van een informatieblad dat is opgesteld in een formaat dat extraheerbaar is in de zin van artikel 2, punt 3, van Verordening (EU) XX/XXX van het Europees Parlement en de Raad [ESAP-verordening] ***.
_______________________________________________
*** Verordening (EU) XX/XXX van het Europees Parlement en de Raad van [dd mm jjjj] tot oprichting van een Europees centraal toegangspunt dat centraal toegang biedt tot publiek beschikbare relevante informatie over financiële diensten, kapitaalmarkten en duurzaamheid.”;
"
b) het volgende lid 1 bis wordt ingevoegd:"
“1 bis. De lidstaten zorgen ervoor dat het in lid 1 bedoelde informatieblad alle volgende informatie bevat:
i)
basisinformatie over de bescherming van deposito’s;
ii)
contactgegevens van de kredietinstelling als eerste contactpunt voor informatie over de inhoud van het informatieblad;
iii)
het dekkingsniveau voor deposito’s als bedoeld in artikel 6, leden 1 en 2, in EUR of, indien relevant, in een andere valuta;
iv)
toepasselijke uitsluitingen van bescherming door een depositogarantiestelsel;
v)
de beschermingslimiet voor gezamenlijke rekeningen;
vi)
de termijn voor terugbetaling indien een kredietinstelling niet langer aan haar verplichtingen voldoet;
vii)
de munteenheid van terugbetaling;
viii)
identificatie van het depositogarantiestelsel dat verantwoordelijk is voor de bescherming van een deposito, met inbegrip van een verwijzing naar zijn website.”;
"
c) lid 2 wordt vervangen door:"
“2. De lidstaten zorgen ervoor dat kredietinstellingen het in lid 1 bedoelde informatieblad verstrekken voordat zij een deposito-overeenkomst sluiten en vervolgens telkens wanneer zich een wijziging voordoet in de verstrekte informatie. De deposanten bevestigen de ontvangst van dat informatieblad, tenzij de informatie openbaar wordt gemaakt.”;
"
d) in lid 3 wordt de eerste alinea vervangen door:"
“De lidstaten zorgen ervoor dat kredietinstellingen op de rekeningafschriften van hun deposanten bevestigen dat de deposito’s in aanmerking komende deposito’s zijn, met inbegrip van een verwijzing naar het informatieblad als bedoeld in lid 1.”;
"
e) lid 4 wordt vervangen door:"
“4. Lidstaten zorgen ervoor dat de kredietinstellingen in lid 1 bedoelde informatie ter beschikking stellen in hetzij de taal die door de deposant en de kredietinstelling werd overeengekomen toen de bankrekening werd geopend, hetzij de officiële taal of talen van de lidstaat waar het bijkantoor is gevestigd.”;
"
f) leden 6 en 7 worden vervangen door:"
“6. De lidstaten zorgen ervoor dat kredietinstellingen in geval van een fusie van kredietinstellingen, de omzetting van dochterondernemingen van een kredietinstelling in bijkantoren of soortgelijke operaties, hun deposanten hiervan ten minste één maand voordat de rechtsgevolgen ervan ingaan, in kennis stellen, tenzij de bevoegde autoriteit om redenen van zakelijke geheimhouding of financiële stabiliteit een kortere termijn toestaat. In die kennisgeving wordt toegelicht welke gevolgen de transactie heeft voor de bescherming van deposanten.
De lidstaten zorgen ervoor dat, indien als gevolg van operaties als bedoeld in de eerste alinea, deposanten met deposito’s bij die kredietinstellingen worden getroffen door de verlaagde depositobescherming, de betrokken kredietinstellingen deze deposanten ervan in kennis stellen dat zij binnen drie maanden na de kennisgeving als bedoeld in de eerst alinea hun in aanmerking komende deposito’s, met inbegrip van alle opgebouwde rente en uitkeringen, tot een bedrag dat gelijk staat aan de verloren dekking van deposito’s boetevrij kunnen opnemen of overboeken naar een andere kredietinstelling.
7. De lidstaten zorgen ervoor dat kredietinstellingen die niet langer deelnemen aan een depositogarantiestelsel hun deposanten hiervan ten minste één maand vóór een dergelijke cessie op de hoogte brengen. Die informatie bevat een toelichting op de gevolgen van de cessie voor de bescherming van deposanten. De lidstaten dragen er zorg voor dat deposanten van een kredietinstelling die niet langer lid is van het depositogarantiestelsel, hun deposito’s kunnen overdragen aan een andere instelling die lid is van hetzelfde depositogarantiestelsel zonder hiervoor overdrachtskosten te moeten betalen.”;
"
g) het volgende lid 7 bis wordt ingevoegd:"
“7 bis. De lidstaten zorgen ervoor dat de aangewezen autoriteiten, de depositogarantiestelsels en de kredietinstellingen de deposanten informeren, met inbegrip van een publicatie op hun website, over een vaststelling van een relevante administratieve autoriteit als bedoeld in artikel 2, lid 1, punt 8, onder b).”;
"
h) lid 8 wordt vervangen door:"
“8. De lidstaten zorgen ervoor dat wanneer een deposant gebruik maakt van internetbankieren, kredietinstellingen de informatie die zij op grond van deze richtlijn aan hun deposanten moeten verstrekken, langs elektronische weg verstrekken, tenzij een deposant verzoekt om die informatie op papier te ontvangen.”;
"
i) het volgende lid 9 wordt toegevoegd:"
“9. De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van:
a)
de inhoud en het formaat van het informatieblad, als bedoeld in lid 1 bis;
b)
de procedure die moet worden gevolgd voor het verstrekken van, en de inhoud van, de informatie die aan deposanten moet worden verstrekt in de mededelingen van aangewezen autoriteiten, depositogarantiestelsels of kredietinstellingen, in de situaties als bedoeld in de artikelen 8 ter en 8 quater en in de leden 6, 7 en 7 bis van dit artikel.
De EBA dient die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk [PB: gelieve de datum in te voegen = 12 maanden na de inwerkingtreding van deze richtlijn] bij de Commissie in.
Aan de Commissie wordt de bevoegdheid verleend de in de eerste alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.”;
"
18) het volgende artikel 16 bis wordt ingevoegd:"
“Artikel 16 bis
Uitwisseling van informatie tussen kredietinstellingen en depositogarantiestelsels, en verslaglegging door autoriteiten
1. De lidstaten zorgen ervoor dat depositogarantiestelsels ten minste één keer per jaaren te allen tijde ▌op verzoek van aan hen gelieerde kredietinstellingen alle informatie ontvangen die nodig is om zich voor te bereiden op een terugbetaling aan deposanten, overeenkomstig het identificatievereiste van artikel 5, lid 4, met inbegrip van de informatie voor de toepassing van artikel 8, lid 5, en de artikelen 8 ter en 8 quater.
2. De lidstaten zorgen ervoor dat kredietinstellingen, ten minste één keer per jaar en te allen tijde op verzoek van ▌het depositogarantiestelsel waaraan zij deelnemen informatie verstrekken over:
a)
deposanten bij filialen van deze kredietinstellingen;
b)
deposanten die ontvangers zijn van diensten die worden verleend door deelnemende instellingen op basis van de vrijheid van dienstverrichting.
De in de punten a) en b) bedoelde informatie geeft aan in welke lidstaten die bijkantoren of deposanten gevestigd zijn.
3. De lidstaten stellen de EBA jaarlijks op 31 maart in kennis van het bedrag van de gedekte deposito’s in hun lidstaat, zoals berekend per 31 december van het voorgaande jaar. Uiterlijk op dezelfde datum brengen depositogarantiestelsels ook verslag uit aan de EBA over het bedrag van hun beschikbare financiële middelen, met inbegrip van het aandeel van geleende middelen, betalingsverplichtingen en het tijdschema voor het bereiken van het streefbedrag na een uitbetaling van middelen van depositogarantiestelsels als bedoeld in artikel 10, lid 2.
4. De lidstaten zorgen ervoor dat de aangewezen autoriteiten de EBA en de Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad zonder onnodige vertraging in kennis stellen van al het volgende:
a)
de vaststelling van niet-beschikbare deposito’s op grond van omstandigheden als bedoeld in artikel 2, lid 1, punt 8;
b)
of een van de in artikel 11, leden 2, 3 en 5, bedoelde maatregelen is toegepast en het bedrag van de gebruikte middelen overeenkomstig artikel 8, lid 1, en artikel 11, leden 2, 3 en 5, en, indien van toepassing en zodra beschikbaar, het teruggevorderde bedrag, de daaruit voortvloeiende kosten voor het depositogarantiestelsel en de duur van het terugvorderingsproces;
c)
de beschikbaarheid en het gebruik van alternatieve financieringsregelingen als bedoeld in artikel 10, lid 3;
d)
eventuele depositogarantiestelsels die niet langer actief zijn of de oprichting van een nieuw depositogarantiestelsel, onder meer als gevolg van een fusie of het feit dat een depositogarantiestelsel grensoverschrijdend is gaan opereren.
De in de eerste alinea bedoelde melding bevat een samenvatting van het volgende:
a)
de beginsituatie van de kredietinstelling;
b)
de maatregelen waarvoor de middelen van het depositogarantiestelsel zijn gebruikt, met inbegrip van de specifieke instrumenten die zijn ingezet voor de in artikel 11, leden 2, 3 en 5, bedoelde maatregelen;
c)
het verwachte bedrag aan beschikbare financiële middelen dat is gebruikt.
5. De EBA publiceert de overeenkomstig de leden 2 en 3 ontvangen informatie en de in lid 4 bedoelde samenvatting zonder onnodige vertraging.
6. De lidstaten zorgen ervoor dat de afwikkelingsautoriteiten van de kredietinstellingen die zijn aangesloten bij een depositogarantiestelsel aan dat depositogarantiestelsel jaarlijks een samenvatting verstrekken van de belangrijkste elementen van de afwikkelingsplannen als bedoeld in artikel 10, lid 7, punt a), van Richtlijn 2014/59/EU▌.
7. De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen om de procedures te specificeren die moeten worden gevolgd bij het verstrekken van de in de leden 1 tot en met 4 bedoelde informatie, de modellen voor het verstrekken van die informatie en om de inhoud van die informatie nader te specificeren, rekening houdend met de soorten deposanten.
De EBA dient die ontwerpen van technische uitvoeringsnormen uiterlijk … [PB: gelieve datum in te voegen = 12 maanden na de inwerkingtreding van deze richtlijn] bij de Commissie in.
Aan de Commissie wordt de bevoegdheid verleend de in de eerste alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.”;
"
19) Bijlage I wordt geschrapt.
Artikel 2
Overgangsbepalingen
1. De lidstaten zorgen ervoor dat bijkantoren van kredietinstellingen die hun hoofdkantoor buiten de Unie hebben en in aanmerking komende deposito’s in een lidstaat aannemen op ... [PB: gelieve de datum in te voegen = datum van inwerkingtreding], en dat bijkantoren die op die datum niet deelnemen aan een depositogarantiestelsel uiterlijk [PB: gelieve de datum in te voegen = 3 maanden na de inwerkingtreding], toetreden tot een depositogarantiestelsel dat op hun grondgebied actief is. Artikel 1, lid 15, is niet van toepassing op deze bijkantoren tot [PB: gelieve de datum in te voegen = 3 maanden na de inwerkingtreding].
2. In afwijking van artikel 11, lid 3, van Richtlijn 2014/49/EU, zoals gewijzigd bij deze richtlijn, en de artikelen 11 bis, 11 ter, 11 quater en 11 sexies met betrekking tot preventieve maatregelen, kunnen de lidstaten tot [PB: gelieve de datum in te voegen = 36 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] toestaan dat institutionele protectiestelsels als bedoeld in artikel 1, lid 1, punt c), voldoen aan de nationale bepalingen ter uitvoering van artikel 11, lid 3 van Richtlijn 2014/49/EU zoals van toepassing op [PB: gelieve de datum in te voegen = datum van inwerkingtreding van deze richtlijn].
Artikel 3
Omzetting
1. De lidstaten zorgen ervoor dat de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die nodig zijn om aan deze richtlijn te voldoen, uiterlijk ... [PB: gelieve de datum in te vullen = 24 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] worden vastgesteld en bekendgemaakt. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onmiddellijk mee.
Zij passen die bepalingen toe vanaf ... [PB: gelieve de datum in te vullen = 24 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn]. Zij passen echter de bepalingen toe die nodig zijn om te voldoen aan artikel 11, lid 3, zoals gewijzigd bij deze richtlijn, en aan de artikelen 11 bis, 11 ter, 11 quater en 11 sexies met betrekking tot preventieve maatregelen vanaf ... [PB: gelieve de datum in te vullen = 36 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn].
Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking ervan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.
2. De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.
Artikel 4
Inwerkingtreding
Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
*De wijzigingen in de tekst zijn het gevolg van de aanneming van amendement 1. Nieuwe of vervangende tekst staat in vet en cursief, schrappingen zijn met het symbool ▐ aangegeven.
Richtlijn 2014/49/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 inzake de depositogarantiestelsels (herschikking) (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 149).
Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 338).
Richtlijn 2009/110/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de toegang tot, de uitoefening van en het prudentieel toezicht op de werkzaamheden van instellingen voor elektronisch geld, tot wijziging van de Richtlijnen 2005/60/EG en 2006/48/EG en tot intrekking van Richtlijn 2000/46/EG (PB L 267 van 10.10.2009, blz. 7).
Richtlijn (EU) 2015/2366 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende betalingsdiensten in de interne markt, houdende wijziging van de Richtlijnen 2002/65/EG, 2009/110/EG en 2013/36/EU en Verordening (EU) nr. 1093/2010 en houdende intrekking van Richtlijn 2007/64/EG (PB L 337 van 23.12.2015, blz. 35).
Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende markten voor financiële instrumenten en tot wijziging van Richtlijn 2002/92/EG en Richtlijn 2011/61/EU (herschikking) (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 349).
Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 1).
Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/78/EG van de Commissie (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 12).
Passende zorgvuldigheid in het bedrijfsleven op het gebied van duurzaamheid
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 24 april 2024 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake passende zorgvuldigheid in het bedrijfsleven op het gebied van duurzaamheid en tot wijziging van Richtlijn (EU) 2019/1937 (COM(2022)0071 – C9-0050/2022 – 2022/0051(COD))
– gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2022)0071),
– gezien artikel 294, lid 2, artikel 50, lid 1, artikel 50, lid 2, punt g), en artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C9‑0050/2022),
– gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
– gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 14 juli 2022(1),
– gezien het overeenkomstig artikel 74, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 15 maart 2024 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,
– gezien artikel 59 van zijn Reglement,
– gezien de adviezen van de Commissie buitenlandse zaken, de Commissie internationale handel, de Commissie economische en monetaire zaken, de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid, de Commissie ontwikkelingssamenwerking, de Commissie industrie, onderzoek en energie, en de Commissie interne markt en consumentenbescherming,
– gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A9-0184/2023),
1. stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast(2);
2. verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;
3. verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 24 april 2024 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) 2024/... van het Europees Parlement en de Raad inzake passende zorgvuldigheid in het bedrijfsleven op het gebied van duurzaamheid en tot wijziging van Richtlijn (EU) 2019/1937 en Verordening (EU) 2023/2859
(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Richtlijn (EU) 2024/1760.)
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 24 april 2024 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de verbetering van de arbeidsvoorwaarden bij platformwerk (COM(2021)0762 – C9-0454/2021 – 2021/0414(COD))
– gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2021)0762),
– gezien artikel 294, lid 2, en artikel 153, lid 2, punt b), in samenhang met artikel 153, lid 1, punt b), en artikel 16, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C9-0454/2021),
– gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
– gezien het gemotiveerde advies dat in het kader van protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid is uitgebracht door het Zweedse Parlement, en waarin wordt gesteld dat het ontwerp van wetgevingshandeling niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel,
– gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 23 maart 2022(1),
– gezien het advies van het Comité van de Regio’s van 29 juni 2022(2),
– gezien het overeenkomstig artikel 74, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 11 maart 2024 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,
– gezien artikel 59 van zijn Reglement,
– gezien het advies van de Commissie vervoer en toerisme,
– gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A9-0301/2022),
1. stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;
2. verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;
3. verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 24 april 2024 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) 2024/... van het Europees Parlement en de Raad betreffende de verbetering van de arbeidsvoorwaarden bij platformwerk
(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Richtlijn (EU) 2024/2831.)
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 24 april 2024 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de gemeenschappelijke Europese dataruimte voor gezondheid (COM(2022)0197 – C9-0167/2022 – 2022/0140(COD))
– gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2022)0197),
– gezien artikel 294, lid 2, en de artikelen 16 en 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C9‑0167/2022),
– gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
– gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 22 september 2022(1),
– gezien het advies van het Comité van de Regio’s van 9 februari 2023(2),
– gezien het overeenkomstig artikel 74, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissies goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 22 maart 2024 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,
– gezien artikel 59 van zijn Reglement,
– gezien de gezamenlijke beraadslagingen van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken overeenkomstig artikel 58 van het Reglement,
– gezien de adviezen van de Commissie industrie, onderzoek en energie en van de Commissie interne markt en consumentenbescherming,
– gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A9-0395/2023),
1. stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast(3);
2. verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;
3. verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 24 april 2024 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2025/... van het Europees Parlement en de Raad betreffende de Europese ruimte voor gezondheidsgegevens en tot wijziging van Richtlijn 2011/24/EU en Verordening (EU) 2024/2847
(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2025/327.)
Resolutie van het Europees Parlement van 24 april 2024 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering voor ontslagen werknemers naar aanleiding van aanvraag van Denemarken – EGF/2023/004 DK/Danish Crown (COM(2024)0035 – C9-0040/2024 – 2024/0044(BUD))
– gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2024)0035 – C9‑0040/2024),
– gezien Verordening (EU) 2021/691 van het Europees Parlement en de Raad van 28 april 2021 betreffende het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering voor ontslagen werknemers (EFG) en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1309/2013(1) (EFG-verordening),
– gezien Verordening (EU, Euratom) 2020/2093 van de Raad van 17 december 2020 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2021-2027(2), zoals gewijzigd bij Verordening (EU, Euratom) 2024/765 van de Raad van 29 februari 2024 tot wijziging van Verordening (EU, Euratom) 2020/2093 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2021‑2027(3), en met name artikel 8,
– gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 16 december 2020 tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie betreffende begrotingsdiscipline, samenwerking in begrotingszaken en goed financieel beheer, alsmede betreffende nieuwe eigen middelen, met inbegrip van een routekaart voor de invoering van nieuwe eigen middelen(4), en met name punt 12,
– gezien de brief van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken,
– gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A9-0171/2024),
A. overwegende dat de Unie wetgevings- en begrotingsinstrumenten in het leven heeft geroepen om extra steun te verlenen aan werknemers die gevolgen ondervinden van grote structurele veranderingen in de wereldhandelsstromen of van de wereldwijde financiële en economische crisis, en hen te helpen om op de arbeidsmarkt terug te keren; overwegende dat deze bijstand wordt verleend in de vorm van financiële steun aan de werknemers en aan de ondernemingen waarvoor zij hebben gewerkt;
B. overwegende dat Denemarken aanvraag EGF/2023/004 DK/Danish Crown heeft ingediend voor een financiële bijdrage uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (EFG), naar aanleiding van in totaal 751 ontslagen(5) in de economische sector die is ingedeeld in afdeling 10 (Vervaardiging van voedingsmiddelen) van NACE Rev. 2, in de provincie Noord-Jutland, met 692 ontslagen binnen de referentieperiode voor de aanvraag van 19 mei 2023 tot en met 19 september 2023, en 59 ontslagen vóór of na de referentieperiode;
C. overwegende dat de aanvraag betrekking heeft op 692 ontslagen binnen de referentieperiode voor de aanvraag: 651 ontslagen werknemers bij het bedrijf Danish Crown (Danish Crown A/S) en 41 ontslagen werknemers bij twee leveranciers en downstreamproducenten van Danish Crown(6);
D. overwegende dat de aanvraag betrekking heeft op 59 ontslagen werknemers wier werkzaamheden vóór of na de referentieperiode van vier maanden zijn beëindigd, waarbij een duidelijk oorzakelijk verband kan worden gelegd met de gebeurtenis die in de referentieperiode heeft geleid tot de beëindiging van de werkzaamheden van de ontslagen werknemers, overeenkomstig artikel 6, lid 2, van de EFG-verordening;
E. overwegende dat de aanvraag is ingediend op grond van de criteria voor steunverlening van artikel 4, lid 2, punt a), van de EFG-verordening, die vereisen dat binnen een referentieperiode van vier maanden in een onderneming in een lidstaat ten minste 200 werknemers gedwongen zijn ontslagen, met inbegrip van werknemers die gedwongen zijn ontslagen bij leveranciers en downstreamproducenten en/of zelfstandigen die hun werkzaamheden hebben beëindigd;
F. overwegende dat de Deense slachthuissector zich in een structurele crisis bevindt; overwegende dat het aantal in Denemarken geslachte varkens sinds 2005 met 4,4 miljoen (20 %) is gedaald; overwegende dat de daling grotendeels toe te schrijven is aan een verschuiving van het fokken van slachtvarkens naar het fokken van biggen voor uitvoer; overwegende dat het uitvoeren van biggen voor Deense landbouwers rendabeler is dan het vetmesten van slachtvarkens vanwege de lage prijzen van varkensvlees;
G. overwegende dat Danish Crown een groep Deense levensmiddelenbedrijven is die zich bezighoudt met de slacht, verwerking en verkoop van voornamelijk varkens- en rundvlees; overwegende dat de genoemde ontslagen te wijten zijn aan de sluiting van het slachthuis van Danish Crown in Sæby, in de gemeente Frederikshavn, na een daling van het aantal slachtvarkens;
H. overwegende dat er is voldaan aan de voorschriften van de nationale en EU-wetgeving betreffende collectieve ontslagen;
I. overwegende dat financiële bijdragen uit het EFG in de eerste plaats gericht moeten zijn op actieve arbeidsmarktbeleidsmaatregelen en op gepersonaliseerde diensten die tot doel hebben de begunstigden snel aan een fatsoenlijke en duurzame baan te helpen binnen of buiten de sector waar zij oorspronkelijk werkten, en hen voor te bereiden op een groenere en meer gedigitaliseerde Europese economie;
J. overwegende dat bij de herziening van het MFK het jaarlijkse maximumbedrag dat beschikbaar is voor het EFG, wordt verlaagd van 186 miljoen EUR tot 30 miljoen EUR (in prijzen van 2018), zoals vastgesteld in artikel 8 van Verordening (EU, Euratom) 2020/2093 van de Raad, zoals gewijzigd bij Verordening (EU, Euratom) 2024/765; overwegende dat de Commissie toezicht moet houden op de tenuitvoerlegging van het EFG en dat alle instellingen de nodige maatregelen moeten nemen om ervoor te zorgen dat solidariteit wordt betoond en aan alle gerechtvaardigde aanvragen voor EFG-steun kan worden voldaan;
1. is het met de Commissie eens dat is voldaan aan de voorwaarden die zijn vastgelegd in artikel 4, lid 2, punt a), van de EFG-verordening en dat Denemarken uit hoofde van die verordening recht heeft op een financiële bijdrage ter hoogte van 1 882 212 EUR, wat overeenkomt met 60 % van de totale kosten van 3 137 021 EUR, waarvan 2 878 001 EUR voor individuele diensten en 259 020 EUR voor voorbereiding, beheer, voorlichting, publiciteit, controle en rapportage;
2. neemt er nota van dat de Deense autoriteiten de aanvraag op 6 december 2023 hebben ingediend en dat de Commissie, na het verstrekken van aanvullende gegevens door Denemarken, haar beoordeling op 29 februari 2024 heeft afgerond en het Parlement hiervan diezelfde dag in kennis heeft gesteld;
3. stelt vast dat de aanvraag verband houdt met het ontslag van 751 werknemers als gevolg van de sluiting van het slachthuis van Danish Crown in Sæby; stelt voorts vast dat 390 van de ontslagen werknemers beoogde begunstigden zijn en naar verwachting aan de maatregelen zullen deelnemen;
4. neemt kennis van het feit dat het merendeel van de ontslagen werknemers een laag niveau aan formele kwalificaties (46 %) heeft of verouderde kwalificaties en vaardigheden (40 %); neemt er nota van dat 41 % (305) van de ontslagen werknemers een migratieachtergrond heeft en niet vloeiend Deens spreekt; in het EFG-pakket worden ook maatregelen voorgesteld ter bevordering van de algemene vaardigheden, onder meer door de kennis van het Deens te verbeteren;
5. stelt verheugd vast dat Denemarken het gecoördineerde pakket van gepersonaliseerde steunmaatregelen heeft opgesteld in overleg met de beoogde begunstigden, hun vertegenwoordigers en de sociale partners;
6. herinnert eraan dat de gepersonaliseerde steunmaatregelen ten behoeve van de werknemers en zelfstandigen bestaan uit: motivering, behoud, opleiding over algemene vaardigheden, bij- en omscholing en toelagen voor het volgen van een opleiding en het zoeken naar een baan;
7. is buitengewoon tevreden over het feit dat het opleidingsaanbod werd ontwikkeld op basis van verschillende studies, zoals de Jobbarometer 2023 (een analyse van de arbeidsbehoeften in Frederikshavn, Hjørring, Jammerbugt en Brønderslev), de Arbejdsmarkedsbalancen (halfjaarlijks overzicht van de situatie op de arbeidsmarkt) en de FremKom4-analyse van vaardigheden, en dat het opleidingsaanbod gericht is op het vergroten van algemene vaardigheden (onder meer op het gebied van taal en rekenen) en digitale vaardigheden en op het verbeteren van de vaardigheden die nodig zijn op gebieden waar sprake is van een tekort aan vakkrachten;
8. wijst met name op het belangrijke artikel 7, lid 2, van de EFG-verordening, waarin wordt bepaald dat bij het samenstellen van het gecoördineerde pakket rekening moet worden gehouden met toekomstperspectieven van de arbeidsmarkt en de in de toekomst benodigde vaardigheden, en dat het gecoördineerde pakket moet aansluiten bij de overgang naar een hulpbronnenefficiënte en duurzame economie, waarbij de nadruk gelegd moet worden op de verspreiding van in het digitale industriële tijdperk benodigde vaardigheden;
9. stelt vast dat Denemarken met ingang van 16 oktober 2023 is begonnen met het verstrekken van gepersonaliseerde steunmaatregelen aan de beoogde begunstigden, wat betekent dat de periode om in aanmerking te komen voor een financiële bijdrage uit het EFG zal lopen van 16 oktober 2023 tot 24 maanden na de datum van inwerkingtreding van het financieringsbesluit;
10. stelt vast dat Denemarken op 1 juni 2023 de eerste administratieve uitgaven heeft gedaan met het oog op de uitvoering van het EFG, en dat de uitgaven voor activiteiten op het vlak van voorbereiding, beheer, voorlichting en publiciteit, en controle en rapportage derhalve van 1 juni 2023 tot 31 maanden na de datum van inwerkingtreding van het financieringsbesluit voor een financiële bijdrage uit het EFG in aanmerking komen;
11. benadrukt dat de Deense autoriteiten hebben bevestigd dat de subsidiabele maatregelen geen steun ontvangen uit andere fondsen of financiële instrumenten van de Unie, en dat bij de toegang tot de voorgestelde maatregelen en de uitvoering ervan de beginselen van gelijke behandeling en non-discriminatie zullen worden gerespecteerd;
12. wijst er nogmaals op dat steun uit het EFG geen vervanging mag zijn voor maatregelen die op grond van nationale wetgeving of collectieve arbeidsovereenkomsten onder de verantwoordelijkheid van bedrijven vallen, of voor om het even welke vergoedingen of rechten ten behoeve van de ontslagen werknemers, en dat de toewijzing dus geheel en al aanvullend moet zijn;
13. hecht zijn goedkeuring aan het bij deze resolutie gevoegde besluit;
14. verzoekt zijn Voorzitter dit besluit samen met de voorzitter van de Raad te ondertekenen en zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;
15. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie, met inbegrip van de bijlage, te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.
BIJLAGE
BESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering voor ontslagen werknemers naar aanleiding van een aanvraag van Denemarken – EGF/2023/004 DK Danish Crown
(De tekst van de bijlage wordt hier niet weergegeven, aangezien deze overeenkomt met de definitieve handeling: Besluit (EU) 2024/1299.)
Resolutie van het Europees Parlement van 24 april 2024 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering voor ontslagen werknemers naar aanleiding van aanvraag EGF/2023/003 DE/Vallourec van Duitsland (COM(2024)0030 – C9-0041/2024 – 2024/0049(BUD))
– gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2024)0030 – C9‑0041/2024),
– gezien Verordening (EU) 2021/691 van het Europees Parlement en de Raad van 28 april 2021 betreffende het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering voor ontslagen werknemers (EFG) en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1309/2013(1) (de “EFG-verordening”),
– gezien Verordening (EU, Euratom) 2020/2093 van de Raad van 17 december 2020 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2021-2027(2) zoals gewijzigd bij Verordening (EU, Euratom) 2024/765 van de Raad van 29 februari 2024 tot wijziging van Verordening (EU, Euratom) 2020/2093 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2021 tot 2027(3), en met name artikel 8,
– gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 16 december 2020 tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie betreffende begrotingsdiscipline, samenwerking in begrotingszaken en goed financieel beheer, alsmede betreffende nieuwe eigen middelen, met inbegrip van een routekaart voor de invoering van nieuwe eigen middelen(4), en met name punt 9,
– gezien de brief van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken,
– gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A9-0166/2024),
A. overwegende dat de Unie wetgevings- en begrotingsinstrumenten in het leven heeft geroepen om extra steun te verlenen aan werknemers die de gevolgen van grote structurele veranderingen in de wereldhandelsstromen of de wereldwijde financiële en economische crisis ondervinden, en hen te helpen om op de arbeidsmarkt terug te keren; overwegende dat deze bijstand wordt verleend in de vorm van financiële steun aan de werknemers en aan de ondernemingen waarvoor zij hebben gewerkt;
B. overwegende dat Duitsland aanvraag EGF/2023/003 DE/Vallourec heeft ingediend voor een financiële bijdrage uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (EFG) naar aanleiding van 1 518 ontslagen(5) in de economische sector die is ingedeeld in NACE Rev. 2, afdeling 24 (vervaardiging van metalen in primaire vorm), in de naburige steden Düsseldorf en Mülheim an der Ruhr, met als referentieperiode voor de aanvraag de periode van 26 april 2023 tot en met 26 augustus 2023;
C. overwegende dat de aanvraag het ontslag van 1 518 werknemers bij het bedrijf Vallourec Deutschland GmbH (VAD) betreft;
D. overwegende dat de aanvraag is ingediend op grond van de criteria voor steunverlening van artikel 4, lid 2, punt a), van de EFG-verordening, die vereisen dat binnen een referentieperiode van vier maanden in een onderneming in een lidstaat ten minste 200 werknemers gedwongen zijn ontslagen, met inbegrip van werknemers die gedwongen zijn ontslagen bij leveranciers, respectievelijk downstreamproducenten, en/of zelfstandigen die hun werkzaamheden hebben beëindigd;
E. overwegende dat de COVID-19-pandemie en de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne het economisch concurrentievermogen hebben verminderd en negatieve gevolgen hebben voor de economische groei in Duitsland;
F. overwegende dat VAD, de Duitse dochteronderneming van Vallourec S.A. Frankrijk, in haar twee staalfabrieken in Duitsland naadloze warmgewalste stalen buizen vervaardigde; overwegende dat in 2018, na jaren van financiële verliezen, een aantal herstructurerings- en inkrimpingsmaatregelen en een specifiek herstelplan van start zijn gegaan, waarbij de werknemers concessies hebben gedaan op het gebied van arbeidsvoorwaarden; overwegende dat er weliswaar enkele successen zijn geboekt, maar dat de economische situatie na de COVID‑19-pandemie tot verdere moeilijkheden voor de Duitse buizenfabrieken heeft geleid, en dat er sinds 2015 reeds meer dan 1 400 banen verloren zijn gegaan als gevolg van herstructurering; overwegende dat Vallourec S.A. in 2021 heeft besloten haar Duitse buizenfabrieken te verkopen en de productie naar Brazilië te verplaatsen; overwegende dat de verkoop is mislukt, wat heeft geleid tot de definitieve sluiting van de vestigingen en het ontslaan van de resterende arbeidskrachten per 1 januari 2025;
G. overwegende dat VAD ermee heeft ingestemd voor elke groep ontslagen werknemers een “Transfergesellschaft” op te zetten en dat de onderneming daarnaast heeft voorzien in een vervroegd-pensioenregeling, waarvan gebruik kan worden gemaakt door werknemers die geboren zijn in 1966 of eerder, en in een plan voor vrijwillig ontslag voor werknemers die geen hulp meer nodig hebben bij het vinden van een andere baan;
H. overwegende dat financiële bijdragen uit het EFG in de eerste plaats gericht moeten zijn op actieve arbeidsmarktbeleidsmaatregelen en op gepersonaliseerde diensten die tot doel hebben de begunstigden snel aan een fatsoenlijke en duurzame betrekking te helpen binnen of buiten de sector waar zij oorspronkelijk werkzaam waren, en hen voor te bereiden op een klimaatneutrale en meer digitale Europese economie;
I. overwegende dat bij de herziening van het MFK het jaarlijkse maximumbedrag dat beschikbaar is voor het EFG, wordt verlaagd van 186 miljoen EUR tot 30 miljoen EUR (in prijzen van 2018), zoals vastgesteld in artikel 8 van Verordening (EU, Euratom) 2020/2093 van de Raad, zoals gewijzigd bij Verordening (EU, Euratom) 2024/765; overwegende dat de Commissie toezicht moet houden op de tenuitvoerlegging van het EFG en dat alle instellingen de nodige maatregelen moeten nemen om ervoor te zorgen dat solidariteit wordt betoond en aan alle gerechtvaardigde aanvragen voor EFG-steun kan worden voldaan;
1. is het met de Commissie eens dat is voldaan aan de voorwaarden die zijn vastgelegd in artikel 4, lid 2, punt a), van de EFG-verordening en dat Duitsland recht heeft op een financiële bijdrage van 2 984 627 EUR uit hoofde van die verordening, wat overeenkomt met 60 % van de totale kosten van 4 974 379 EUR met inbegrip van uitgaven voor een bedrag van 4 783 057 EUR voor gepersonaliseerde steunmaatregelen en uitgaven voor een bedrag van 191 322 EUR voor activiteiten op het vlak van voorbereiding, beheer, voorlichting en publiciteit, en controle en rapportage;
2. neemt er nota van dat de Duitse autoriteiten de aanvraag op 15 november 2023 hebben ingediend en dat de Commissie, nadat Duitsland aanvullende gegevens had verstrekt, haar beoordeling op 29 februari 2024 heeft afgerond en het Parlement hiervan nog diezelfde dag in kennis heeft gesteld;
3. merkt op dat de aanvraag het ontslag van 1 518 werknemers bij het bedrijf Vallourec Deutschland GmbH (VAD) betreft; merkt voorts op dat in totaal 835 werknemers de beoogde begunstigden zullen zijn;
4. onderstreept dat deze ontslagen naar verwachting een aanzienlijk negatief effect zullen hebben op de lokale economie, die de afgelopen decennia te maken heeft gehad met grote structurele veranderingen, waarbij het aantal banen in de productie en met name in de metaalindustrie merkbaar is teruggelopen; wijst erop dat het werkloosheidspercentage in de steden Mülheim en Düsseldorf als gevolg van de ontslagen met respectievelijk 11,6 % en 5,6 % zal stijgen;
5. wijst erop dat de profielen van de ontslagen werknemers niet overeenstemmen met de vaardigheden die op de arbeidsmarkt worden gevraagd; onderstreept voorts dat de meeste betrokken werknemers zich in een vergevorderd stadium van hun loopbaan bevinden en lange tijd voor VAD hebben gewerkt, en dat zij door hun formele kwalificatieniveau niet concurrerend zijn op de huidige arbeidsmarkt, aangezien 20,1 % van hen ouder is dan 54 jaar; benadrukt dat bij- en omscholing van de werknemers in overeenstemming met de vraag op de arbeidsmarkt naar gekwalificeerde banen dus een uitdaging zal vormen, met name omdat tegelijkertijd een groot aantal personen wordt ontslagen; benadrukt voorts dat bij de bij- en omscholing van ontslagen werknemers rekening moet worden gehouden met de kwalificatiebehoeften op middellange tot lange termijn in verband met de industriële transformatie naar een klimaatneutrale toekomst;
6. beschouwt het als een maatschappelijke verantwoordelijkheid van de Unie om deze ontslagen werknemers van de nodige kwalificaties te voorzien voor de ecologische en rechtvaardige transformatie van de industrie van de Unie in overeenstemming met de Europese Green Deal, aangezien zij werkzaam waren in een sector met een hoge koolstofintensiteit; benadrukt hoe belangrijk onderzoek en innovatie zijn om Europa toekomstbestendig te maken voor industriële fabricage, zodat wordt voorkomen dat de Unie de route kiest van decarbonisatie door middel van de-industrialisering; is daarom ingenomen met de individuele dienstverlening die door het EFG aan de werknemers wordt verstrekt, waaronder bijscholingsmaatregelen, workshops, beroepsoriëntatie, arbeidsadvies en opleidingstoelagen om deze regio en de hele arbeidsmarkt in de toekomst duurzamer en veerkrachtiger te maken;
7. is ingenomen met het feit dat Duitsland het gecoördineerde pakket van individuele dienstverlening heeft opgesteld in overleg met de beoogde begunstigden, hun vertegenwoordigers en de sociale partners; is in het bijzonder ingenomen met het feit dat het bestuur van de onderneming en de werknemersvertegenwoordigers onmiddellijk na het besluit om de buizenfabrieken te sluiten onderhandelingen zijn gestart over een sociaal plan, met name over de oprichting van een “Transfergesellschaft”; onderkent dat VAD aanzienlijke inspanningen heeft geleverd om de sociale gevolgen van de sluiting van vestigingen tot een minimum te beperken;
8. wijst erop dat de gepersonaliseerde steunmaatregelen ten behoeve van de werknemers en zelfstandigen bestaan uit: opleiding en omscholing op maat, loopbaanbegeleiding, individuele hulp bij het zoeken naar werk en gerichte groepsactiviteiten, ondersteuning bij en een bijdrage aan het opzetten van een bedrijf, alsmede stimulansen en toelagen;
9. is zeer ingenomen met de maatregel die verband houdt met de verwerving van digitale basisvaardigheden (Digitale Grundqualifizierung) en die erop gericht is de ontslagen werknemers vaardigheden aan te leren die vereist zijn in het digitale industriële tijdperk, overeenkomstig artikel 7, lid 2, van de EFG-verordening; stelt vast dat deze maatregel zich met name richt op deelnemers die geen of slechts geringe digitale vaardigheden hebben; is ingenomen met het feit dat deelnemers de beschikking krijgen over laptops om de cursus te kunnen volgen en thuis te kunnen oefenen, en met het feit dat bijzondere aandacht zal worden besteed aan de vaardigheden die nodig zijn om gebruik te maken van de internettools die beschikbaar zijn voor het zoeken naar werk;
10. stelt vast dat Duitsland met ingang van 1 december 2023 is begonnen met het verlenen van gepersonaliseerde diensten aan de beoogde begunstigden, wat betekent dat de periode om in aanmerking te komen voor een financiële bijdrage uit het EFG zal lopen van 1 december 2023 tot 24 maanden na de datum van inwerkingtreding van het financieringsbesluit;
11. stelt vast dat Duitsland op 1 januari 2023 de eerste administratieve uitgaven heeft gedaan met het oog op de uitvoering van het EFG, en dat de uitgaven voor activiteiten op het vlak van voorbereiding, beheer, voorlichting en publiciteit, en controle en rapportage derhalve van 1 januari 2023 tot 31 maanden na de datum van inwerkingtreding van het financieringsbesluit voor een financiële bijdrage uit het EFG in aanmerking komen;
12. benadrukt dat de Duitse autoriteiten hebben bevestigd dat de in aanmerking komende maatregelen geen steun ontvangen uit andere fondsen of financiële instrumenten van de Unie, en dat bij de toegang tot de voorgestelde maatregelen en de uitvoering ervan de beginselen van gelijke behandeling en niet-discriminatie zullen worden gerespecteerd;
13. wijst er nogmaals op dat steun uit het EFG geen vervanging mag zijn voor maatregelen die op grond van nationale wetgeving of collectieve arbeidsovereenkomsten onder de verantwoordelijkheid van bedrijven vallen, of voor welke vergoedingen of rechten ten behoeve van de ontslagen werknemers dan ook, en dat de toewijzing dus geheel en al aanvullend moet zijn;
14. hecht zijn goedkeuring aan het bij deze resolutie gevoegde besluit;
15. verzoekt zijn Voorzitter dit besluit samen met de voorzitter van de Raad te ondertekenen en zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;
16. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie, met inbegrip van de bijlage, te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.
BIJLAGE
BESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering voor ontslagen werknemers naar aanleiding van een aanvraag van Duitsland – EGF/2023/003 DE/Vallourec
(De tekst van de bijlage wordt hier niet weergegeven, aangezien deze overeenkomt met de definitieve handeling: Besluit (EU) 2024/1298.)
Beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering: Aanvraag EGF/2024/000 TA 2024 – Technische bijstand op initiatief van de Commissie
Resolutie van het Europees Parlement van 24 april 2024 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering voor ontslagen werknemers – EGF/2024/000 TA 2024 – Technische bijstand op initiatief van de Commissie (COM(2024)0084 – C9-0042/2024 – 2024/0003(BUD))
– gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2024)0084 – C9‑0042/2024),
– gezien Verordening (EU) 2021/691 van het Europees Parlement en de Raad van 28 april 2021 betreffende het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering voor ontslagen werknemers (EFG) en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1309/2013(1) (de “EFG-verordening”),
– gezien Verordening (EU, Euratom) 2020/2093 van de Raad van 17 december 2020 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2021-2027(2), zoals gewijzigd bij Verordening (EU, Euratom) 2024/765(3), en met name artikel 8,
– gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 16 december 2020 tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie betreffende begrotingsdiscipline, samenwerking in begrotingszaken en goed financieel beheer, alsmede betreffende nieuwe eigen middelen, met inbegrip van een routekaart voor de invoering van nieuwe eigen middelen(4), en met name punt 9,
– gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A9-0173/2024),
A. overwegende dat de Unie wetgevings- en begrotingsinstrumenten in het leven heeft geroepen om aanvullende steun te verlenen aan werknemers die de gevolgen ondervinden van globalisering en van technologische en milieuveranderingen, zoals verschuivingen in de wereldhandelsstromen, handelsgeschillen, significante verschuivingen in de handelsbetrekkingen van de Unie of de samenstelling van de interne markt en financiële of economische crises, alsook de overgang naar een koolstofarme economie, of als gevolg van digitalisering of automatisering;
B. overwegende dat de steun van de Unie aan ontslagen werknemers in de eerste plaats gericht moet zijn op actieve arbeidsmarktbeleidsmaatregelen en op gepersonaliseerde steunmaatregelen die tot doel hebben de begunstigden in staat te stellen snel te herintegreren in fatsoenlijke en duurzame banen en zich voor te bereiden op een groenere en digitalere Europese economie, en dat bij het nemen van besluiten tot beschikbaarstelling van middelen uit het EFG het Interinstitutioneel Akkoord van 16 december 2020 in acht moet worden genomen;
C. overwegende dat de Unie eerst het toepassingsgebied van het EFG aldus heeft uitgebreid dat uit het fonds financiële steun kon worden verleend in geval van grote herstructureringen, met als doel de economische gevolgen van de COVID‑19-crisis op te vangen;
D. overwegende dat met de goedkeuring van de nieuwe EFG-verordening in 2021 het toepassingsgebied van het EFG verder werd verruimd, in die zin dat voortaan ook middelen uit het fonds beschikbaar konden worden gesteld in geval van grote herstructureringen als gevolg van de transitie naar een koolstofarme economie of als gevolg van digitalisering of automatisering, waarbij tevens de drempel voor activering van het EFG werd verlaagd van 500 ontslagen werknemers naar 200 ontslagen werknemers;
E. overwegende dat bij de herziening van het MFK het jaarlijkse maximumbedrag dat beschikbaar is voor het EFG, wordt verlaagd van 186 miljoen EUR tot 30 miljoen EUR (in prijzen van 2018), zoals vastgesteld in artikel 8 van Verordening (EU, Euratom) 2020/2093 van de Raad, zoals gewijzigd bij Verordening (EU, Euratom) 2024/765; overwegende dat de Commissie toezicht moet houden op de tenuitvoerlegging van het EFG en dat alle instellingen de nodige maatregelen moeten nemen om ervoor te zorgen dat alle gerechtvaardigde aanvragen voor EFG-steun, als blijk van solidariteit binnen de Unie, kunnen worden ingewilligd;
F. overwegende dat in artikel 11, lid 1, van de EFG-verordening wordt bepaald dat, op initiatief van de Commissie, maximaal 0,5 % van het jaarlijkse maximumbedrag kan worden gebruikt voor technische bijstand;
G. overwegende dat technische bijstand kan bestaan uit technische en administratieve uitgaven voor de uitvoering van het EFG, zoals werkzaamheden op het gebied van voorbereiding, monitoring, controle, audit en evaluatie, alsmede gegevensverzameling, waaronder met betrekking tot institutionele informatietechnologiesystemen, communicatiemaatregelen en maatregelen die de zichtbaarheid van het EFG als fonds of in verband met specifieke projecten vergroten, alsook andere maatregelen voor technische bijstand;
H. overwegende dat het voorgestelde bedrag van 165 000 EUR overeenkomt met circa 0,49 % van het beschikbare jaarlijkse maximumbedrag voor het EFG in 2024;
1. stemt in met de beschikbaarstelling van 165 000 EUR en stemt ermee in dat de door de Commissie voorgestelde maatregelen gefinancierd worden als technische bijstand, overeenkomstig artikel 11, leden 1 en 4, en artikel 12, leden 2, 3 en 4, van de EFG-verordening;
2. is verheugd dat verder gewerkt wordt aan de invoering van gestandaardiseerde procedures voor EFG-aanvragen en dossierbeheer en dat hierbij gebruik wordt gemaakt van de functionaliteiten van het systeem voor elektronische gegevensuitwisseling (gemeenschappelijk systeem voor gedeeld fondsenbeheer – SFC), omdat het indienen van een aanvraag daardoor gemakkelijker wordt, aanvragen sneller zullen kunnen worden behandeld en het gemakkelijker wordt om aan rapportageverplichtingen te voldoen;
3. stelt vast dat de Commissie het bedrag voor administratieve uitgaven zal besteden aan vergaderingen van de deskundigengroep van contactpersonen van het EFG (die twee leden per lidstaat telt) en aan het organiseren, met het oog op de bevordering van netwerken tussen de lidstaten, van één seminar waaraan de EFG-uitvoeringsorganen en de sociale partners zullen deelnemen; roept de Commissie op om het Parlement te blijven uitnodigen voor alle vergaderingen en seminars, overeenkomstig de relevante bepalingen van het Kaderakkoord over de betrekkingen tussen het Parlement en de Commissie;
4. verzoekt de Commissie voort te bouwen op de beste praktijken die tijdens de COVID‑19-pandemie zijn ontwikkeld, met name in de vorm van maatregelen die erop gericht zijn sneller een inclusieve groene en digitale transitie te realiseren en die bijdragen aan de verwezenlijking van de kernprioriteiten van de Unie, waaronder gendergelijkheid;
5. wijst erop dat de algemene bekendheid en de zichtbaarheid van het EFG verder moeten worden versterkt; wijst erop dat dit bereikt kan worden door het EFG onder de aandacht te brengen in verschillende publicaties van de Commissie en via haar audiovisuele activiteiten, overeenkomstig artikel 11, lid 1, van de EFG-verordening; is in dit verband verheugd over het feit dat er een speciale website voor het EFG is opgezet en verzoekt de Commissie om deze website actueel te houden en verder uit te breiden, om de Europese solidariteit die via het EFG wordt betoond zichtbaarder te maken voor de burgers en de transparantie met betrekking tot het optreden van de Unie te vergroten;
6. herinnert de lidstaten die steun aanvragen uit het EFG aan hun belangrijke taak om op grote schaal bekendheid te geven aan de acties die met het EFG worden gefinancierd en zich daarbij te richten tot de beoogde begunstigden, de lokale en regionale autoriteiten, de sociale partners, de media en het grote publiek, zoals bepaald in artikel 12 van de verordening;
7. hecht zijn goedkeuring aan het bij deze resolutie gevoegde besluit;
8. verzoekt zijn Voorzitter dit besluit samen met de voorzitter van de Raad te ondertekenen en zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;
9. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie, met inbegrip van de bijlage, te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.
BIJLAGE
BESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering voor ontslagen werknemers (EGF/2024/000 TA 2024 – Technische bijstand op initiatief van de Commissie)
(De tekst van de bijlage wordt hier niet weergegeven, aangezien deze overeenkomt met de definitieve handeling: Besluit (EU) 2024/1300.)
Verordening (EU, Euratom) 2024/765 van de Raad van 29 februari 2024 tot wijziging van Verordening (EU, Euratom) 2020/2093 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2021-2027 (PB L, 2024/765, 29.2.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2024/765/oj).
Terugtrekking van de Unie uit het Verdrag inzake het Energiehandvest
112k
42k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 24 april 2024 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de terugtrekking van de Unie uit het Verdrag inzake het Energiehandvest (06509/2024 – C9-0059/2024 – 2023/0273(NLE))
– gezien het ontwerp van besluit van de Raad (06509/2024),
– gezien het Verdrag inzake het Energiehandvest, dat op 17 december 1994 werd ondertekend in Lissabon, en met name artikel 47 daarvan,
– gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 194, lid 2, artikel 207, lid 4, eerste alinea, en artikel 218, lid 6, tweede alinea, punt a), v), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C9‑0059/2024),
– gezien artikel 105, leden 1 en 4, en artikel 114, lid 7, van zijn Reglement,
– gezien het gezamenlijke overleg van de Commissie internationale handel en de Commissie industrie, onderzoek en energie overeenkomstig artikel 58 van het Reglement,
– gezien de aanbeveling van de Commissie internationale handel en de Commissie industrie, onderzoek en energie (A9-0176/2024),
1. verleent zijn goedkeuring aan de terugtrekking van de Unie uit het Verdrag inzake het Energiehandvest;
2. verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, en de regeringen en parlementen van de lidstaten en van de verdragsluitende partijen bij het Verdrag inzake het Energiehandvest.
Maatregelen ter vergemakkelijking van de consulaire bescherming van niet-vertegenwoordigde burgers van de Unie in derde landen
207k
62k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 24 april 2024 over het voorstel voor een richtlijn van de Raad tot wijziging van Richtlijn (EU) 2015/637 betreffende de coördinatie- en samenwerkingsmaatregelen ter vergemakkelijking van de consulaire bescherming van niet-vertegenwoordigde burgers van de Unie in derde landen en van Richtlijn (EU) 2019/997 tot vaststelling van een EU-noodreisdocument (COM(2023)0930 – C9-0015/2024 – 2023/0441(CNS))
– gezien het voorstel van de Commissie aan de Raad (COM(2023)0930),
– gezien artikel 23, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C9‑0015/2024),
– gezien artikel 82 van zijn Reglement,
– gezien de adviezen van de Commissie buitenlandse zaken en de Commissie juridische zaken,
– gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A9‑0178/2024),
1. hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel, als geamendeerd door het Parlement;
2. verzoekt de Commissie haar voorstel krachtens artikel 293, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie dienovereenkomstig te wijzigen;
3. verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;
4. wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in het voorstel van de Commissie;
5. verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.
Door de Commissie voorgestelde tekst
Amendement
Amendement 1 Voorstel voor een richtlijn Overweging 1 bis (nieuw)
(1 bis) Het toepassingsgebied van Richtlijn (EU) 2015/637 moet niet uitsluitend van toepassing zijn op burgers van de Unie, maar ook worden uitgebreid tot alle andere personen die wettelijk recht hebben op consulaire bescherming van een lidstaat, zodat zij deze bescherming van een andere lidstaat krijgen onder dezelfde voorwaarden als niet-vertegenwoordigde burgers. Deze categorie personen kan erkende vluchtelingen omvatten, staatlozen en andere personen die van geen enkel land de nationaliteit hebben, personen die rechtmatig verblijven in een lidstaat en die houder zijn van een reisdocument dat door die lidstaat is afgegeven, en personen die tijdelijke bescherming genieten.
Amendement 2 Voorstel voor een richtlijn Overweging 2
(2) De crises die leiden tot verzoeken om consulaire bescherming, nemen in aantal en omvang toe. Bij de COVID-19-pandemie, de crisis in Afghanistan, de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne, het conflict in Sudan, de repatriëringen uit Israël en Gaza en andere, soortgelijke crises zijn lacunes vastgesteld en is nagegaan hoe de uitoefening van het recht op consulaire bescherming verder kan worden vergemakkelijkt. Op grond van deze ervaringen moeten de regels en procedures van Richtlijn (EU) 2015/637 worden verduidelijkt en gestroomlijnd om de procedures voor burgers en consulaire instanties te vereenvoudigen en de verlening van consulaire bescherming aan niet-vertegenwoordigde burgers van de Unie, met name in crisissituaties, doeltreffender te maken. Er moet optimaal gebruik worden gemaakt van de middelen die op het niveau van de lidstaten en de Unie beschikbaar zijn, zowel lokaal, in derde landen, als op hoofdstedelijk niveau.
(2) De crises die leiden tot verzoeken om consulaire bescherming, nemen in aantal en omvang toe. Bij de COVID‑19-pandemie, de crisis in Afghanistan in 2021, de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne, het conflict in Sudan, de repatriëringen uit Israël en Gaza, de talrijke humanitaire crises alsook natuurrampen en door de mens veroorzaakte rampen en andere soortgelijke crises zijn lacunes vastgesteld en is nagegaan hoe de uitoefening van het recht op consulaire bescherming verder kan worden vergemakkelijkt. De EU moet beter in staat worden gesteld op deze talrijke aan de gang zijnde crises te reageren door tekortkomingen aan te pakken en onze paraatheid, informatievergaring en besluitvormingscapaciteit vóór en tijdens crises te versterken. Op grond van deze ervaringen moeten de regels en procedures van Richtlijn (EU) 2015/637 worden verduidelijkt en gestroomlijnd om de procedures voor burgers en consulaire instanties te vereenvoudigen en de verlening van consulaire bescherming aan niet-vertegenwoordigde burgers van de Unie, met name in crisissituaties, doeltreffender te maken. Er moet optimaal gebruik worden gemaakt van de middelen die op het niveau van de lidstaten en de Unie beschikbaar zijn, zowel lokaal, in derde landen, als op hoofdstedelijk niveau.
Amendement 3 Voorstel voor een richtlijn Overweging 4
(4) Om de rechtszekerheid voor consulaire instanties en burgers te verbeteren, is het passend gedetailleerdere criteria vast te stellen die helpen bij de beoordeling of een burger van de Unie moet worden beschouwd als niet-vertegenwoordigd en dus in aanmerking komt voor consulaire bescherming van de lidstaat waarvan de consulaire instanties zijn benaderd. Die criteria moeten voldoende flexibel zijn en worden toegepast in het licht van de plaatselijke omstandigheden, zoals het gemak waarmee men zich kan verplaatsen of de veiligheidssituatie in het betrokken derde land. In dit verband moeten toegankelijkheid en nabijheid belangrijke aandachtspunten blijven.
(4) Om de rechtszekerheid voor consulaire instanties en burgers te verbeteren, is het passend gedetailleerdere criteria vast te stellen die helpen bij de beoordeling of een burger van de Unie moet worden beschouwd als niet-vertegenwoordigd en dus in aanmerking komt voor consulaire bescherming van de lidstaat waarvan de consulaire instanties zijn benaderd. Die criteria moeten voldoende pragmatisch en flexibel zijn en worden toegepast in het licht van de plaatselijke omstandigheden, zoals het gemak waarmee men zich kan verplaatsen of de veiligheidssituatie in het betrokken derde land. In dit verband moeten toegankelijkheid, nabijheid en veiligheid belangrijke aandachtspunten blijven.
Amendement 4 Voorstel voor een richtlijn Overweging 5
(5) Als eerste criterium moeten de consulaire instanties in aanmerking nemen hoe moeilijk het is voor burgers om de ambassade of het consulaat van hun lidstaat van nationaliteit veilig en binnen een redelijke termijn te bereiken of door die ambassade of dat consulaat te worden bereikt, rekening houden met de aard en de dringendheid van de gevraagde bijstand en de middelen, met name financiële middelen, waarover zij beschikken. Zo moet een burger die wegens verlies van reisdocumenten een EU-noodreisdocument nodig heeft, in beginsel als niet-vertegenwoordigd worden beschouwd indien deze de ambassade of het consulaat van diens lidstaat van nationaliteit alleen zou kunnen bereiken door ‘s nachts of per vliegtuig te reizen, aangezien de burger in dat geval niet kan worden geacht te reizen.
(5) Als eerste criterium moeten de consulaire instanties in aanmerking nemen hoe moeilijk het is voor burgers om de ambassade of het consulaat van hun lidstaat van nationaliteit veilig en binnen 48 uur te bereiken of door die ambassade of dat consulaat te worden bereikt, rekening houden met de aard en de dringendheid van de gevraagde bijstand en de middelen, met name financiële middelen, waarover zij beschikken. Hoewel de passende termijn afhangt van de specifieke kenmerken van elk verzoek om bijstand, mag de termijn waarin burgers de ambassade of het consulaat van hun lidstaat veilig kunnen bereiken of door die ambassade of dat consulaat kunnen worden bereikt, in geen geval meer dan 48 uur bedragen. Zo moet een burger die wegens verlies van reisdocumenten een EU-noodreisdocument nodig heeft, in beginsel als niet-vertegenwoordigd worden beschouwd indien deze de ambassade of het consulaat van diens lidstaat van nationaliteit alleen zou kunnen bereiken door ‘s nachts of per vliegtuig te reizen, aangezien de burger in dat geval niet kan worden geacht te reizen.
Amendement 5 Voorstel voor een richtlijn Overweging 7
(7) Het begrip “geen vertegenwoordiging” moet zo worden geïnterpreteerd dat de doeltreffendheid van het recht op consulaire bescherming wordt gewaarborgd. Wanneer door doorverwijzing van de burger naar de ambassade of het consulaat van de lidstaat waarvan deze de nationaliteit bezit, de consulaire bescherming waarschijnlijk niet kan worden gewaarborgd, moet, met name wanneer de zaak dermate dringend is dat deze onmiddellijke actie vereist van de ambassade of het consulaat waarbij de aanvraag werd ingediend, de burger ook als niet-vertegenwoordigd worden beschouwd. Dit is met name van belang in crisissituaties, waarin uitblijven van tijdige bijstand bijzonder negatieve gevolgen kan hebben voor de burger.
(7) Het begrip “geen vertegenwoordiging” moet zo worden geïnterpreteerd dat de doeltreffendheid van het recht op consulaire bescherming wordt gewaarborgd. Wanneer door doorverwijzing van de burger naar de ambassade of het consulaat van de lidstaat waarvan deze de nationaliteit bezit, de consulaire bescherming waarschijnlijk niet kan worden gewaarborgd, moet, met name wanneer de zaak dermate dringend is dat deze onmiddellijke actie vereist van de ambassade of het consulaat waarbij de aanvraag werd ingediend, de burger ook als niet-vertegenwoordigd worden beschouwd. Dit is met name van belang in crisissituaties, waarin uitblijven van tijdige bijstand bijzonder negatieve gevolgen kan hebben voor de burger. Voorts moet rekening worden gehouden met een aanzienlijke inkrimping van het personeelsbestand van de ambassade of het consulaat, die aanmerkelijke gevolgen kan hebben voor de doeltreffendheid en efficiëntie van hun operaties, aangezien dit de problemen voor burgers die om consulaire bijstand verzoeken, nog kan vergroten.
Amendement 6 Voorstel voor een richtlijn Overweging 11
(11) Aanvragen mogen niet worden overgedragen indien de consulaire bescherming daardoor niet kan worden gewaarborgd, met name indien de zaak dermate dringend is dat deze onmiddellijke actie van de ambassade of het consulaat van de aangezochte lidstaat vereist. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn in geval van ernstige medische noodsituaties of schijnbaar willekeurige arrestaties. Bovendien moeten niet-vertegenwoordigde burgers in kennis worden gesteld van dergelijke overdrachten.
(11) Aanvragen mogen niet worden overgedragen indien de consulaire bescherming daardoor niet kan worden gewaarborgd, met name indien de zaak dermate dringend is dat deze onmiddellijke actie van de ambassade of het consulaat van de aangezochte lidstaat vereist. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn in geval van ernstige medische noodsituaties of schijnbaar willekeurige of politiek gemotiveerde arrestaties. Bovendien moeten niet-vertegenwoordigde burgers in kennis worden gesteld van dergelijke overdrachten.
Amendement 7 Voorstel voor een richtlijn Overweging 13
(13) Bij het verlenen van consulaire bescherming aan niet-vertegenwoordigde burgers moeten de lidstaten rekening houden met de specifieke behoeften van kwetsbare groepen, zoals niet-begeleide minderjarigen, zwangere vrouwen, personen met beperkte mobiliteit, personen met een handicap of personen die het risico lopen te worden gediscrimineerd op een grond als bedoeld in artikel 21 van het Handvest.
(13) Bij het verlenen van consulaire bescherming aan niet-vertegenwoordigde burgers moeten de lidstaten rekening houden met een intersectionele benadering van de specifieke behoeften van kwetsbare groepen, zoals niet-begeleide minderjarigen, slachtoffers van een gedwongen huwelijk of huwelijkse gevangenschap die juridische en psychologische ondersteuning moeten krijgen, zwangere vrouwen, personen met beperkte mobiliteit, ouderen, personen met een handicap of personen die het risico lopen te worden gediscrimineerd op een grond als bedoeld in artikel 21 van het Handvest.
Amendement 8 Voorstel voor een richtlijn Overweging 19
(19) Om voorbereid te zijn op mogelijke consulaire crises die bijstand aan niet-vertegenwoordigde burgers vereisen, moet in het kader van de plaatselijke consulaire samenwerking tussen de lidstaten en de delegaties van de Unie in derde landen worden overlegd over aangelegenheden die voor de burgers in kwestie van belang zijn, zoals hun beveiliging en veiligheid, de opstelling van gezamenlijke consulaire noodplannen en de organisatie van consulaire exercities. In dit verband kan het met name van belang zijn dat de consulaire instanties van niet-vertegenwoordigde lidstaten bij dergelijke plaatselijke consulaire samenwerking worden betrokken voor het coördineren van consulaire crisisparaatheid en -respons.
(19) Om voorbereid te zijn op mogelijke consulaire crises die bijstand aan niet-vertegenwoordigde burgers vereisen, onder meer bij natuurrampen, politieke onrust of terroristische aanslagen, moet in het kader van de plaatselijke consulaire samenwerking tussen de lidstaten en de delegaties van de Unie in derde landen worden overlegd over aangelegenheden die voor de burgers in kwestie van belang zijn, zoals hun beveiliging en veiligheid, de opstelling van gezamenlijke consulaire noodplannen en mechanismen voor snelle respons, en de organisatie van consulaire exercities. In dit verband kan het met name van belang zijn dat de consulaire instanties van niet-vertegenwoordigde lidstaten bij dergelijke plaatselijke consulaire samenwerking worden betrokken voor het coördineren van consulaire crisisparaatheid en -respons.
Amendement 9 Voorstel voor een richtlijn Overweging 23
(23) Gezamenlijke consulaire noodplannen moeten zo nodig ook rekening houden met de taken en verantwoordelijkheden van de leidende staten, dat wil zeggen de lidstaten die in een bepaald derde land vertegenwoordigd zijn en de bijstand van niet-vertegenwoordigde burgers tijdens crises moeten coördineren en leiden, teneinde doeltreffende coördinatie van de consulaire bijstand te waarborgen. Daarnaast moeten gezamenlijke consulaire noodplannen jaarlijks worden geëvalueerd in het kader van consulaire exercities om ervoor te zorgen dat zij relevant blijven. Tegelijkertijd mogen gezamenlijke consulaire noodplannen niet worden opgevat als vervanging van bestaande nationale crisisplannen van de lidstaten of afdoen aan de verantwoordelijkheid van de lidstaten om consulaire bijstand te verlenen aan hun eigen onderdanen.
(23) Gezamenlijke consulaire noodplannen moeten zo nodig ook rekening houden met de taken en verantwoordelijkheden van de leidende staten, dat wil zeggen de lidstaten die in een bepaald derde land vertegenwoordigd zijn en de bijstand van niet-vertegenwoordigde burgers tijdens crises moeten coördineren en leiden, teneinde doeltreffende coördinatie van de consulaire bijstand te waarborgen. Daarnaast moeten gezamenlijke consulaire noodplannen jaarlijks, of frequenter als uitzonderlijke omstandigheden dat vereisen, worden geëvalueerd in het kader van consulaire exercities om ervoor te zorgen dat zij relevant blijven. Tegelijkertijd mogen gezamenlijke consulaire noodplannen niet worden opgevat als vervanging van bestaande nationale crisisplannen van de lidstaten of afdoen aan de verantwoordelijkheid van de lidstaten om consulaire bijstand te verlenen aan hun eigen onderdanen, maar wel als een coherente aanpak die aanvullend kan helpen om de inspanningen van de vertegenwoordigde lidstaten te coördineren.
Amendement 10 Voorstel voor een richtlijn Overweging 25
(25) Reisadvies, dat wil zeggen informatie van de lidstaten over de relatieve veiligheid van reizen naar specifieke derde landen, stelt reizigers in staat met kennis van zaken een beslissing te nemen over een bepaalde reisbestemming, met inbegrip van derde landen waar de lidstaat waarvan zij de nationaliteit hebben, niet vertegenwoordigd is. Hoewel het verstrekken van reisadvies onder de verantwoordelijkheid van de lidstaten valt, is het passend dat zij op dit gebied coördinerend optreden, met name in crisissituaties, om voor zover mogelijk voor samenhang in het verstrekte advies te zorgen. Dit zou kunnen inhouden dat een gemeenschappelijke structuur wordt overeengekomen voor de risiconiveaus die in het reisadvies worden aangegeven, met gebruikmaking van het beveiligde platform van de EDEO. Waar mogelijk moet een dergelijke coördinatie in een vroeg stadium plaatsvinden, wanneer de lidstaten voornemens zijn het niveau van hun reisadvies te wijzigen.
(25) Reisadvies, dat wil zeggen informatie van de lidstaten over de relatieve veiligheid van reizen naar specifieke derde landen, moet regelmatig worden bijgewerkt om reizigers in staat te stellen met kennis van zaken een beslissing te nemen over een bepaalde reisbestemming, met inbegrip van derde landen waar de lidstaat waarvan zij de nationaliteit hebben, niet vertegenwoordigd is. Hoewel het verstrekken van reisadvies onder de verantwoordelijkheid van de lidstaten valt, is het passend dat zij op dit gebied coördinerend optreden, met name in de context van crises, om voor samenhang in het verstrekte advies te zorgen. Dit zou kunnen inhouden dat een gemeenschappelijke structuur wordt overeengekomen voor de risiconiveaus die in het reisadvies worden aangegeven, met gebruikmaking van het beveiligde platform van de EDEO. Een dergelijke coördinatie moet in een vroeg stadium plaatsvinden, wanneer de lidstaten voornemens zijn het niveau van hun reisadvies te wijzigen.
Amendement 11 Voorstel voor een richtlijn Overweging 26
(26) Efficiënte coördinatie is van vitaal belang voor een doeltreffende crisisrespons. Om die coördinatie te waarborgen, moeten de lidstaten worden ondersteund door het crisisresponscentrum van de EDEO en het Coördinatiecentrum voor respons in noodsituaties van de Commissie. Een gecoördineerde crisisrespons van de Unie is met name belangrijk in gevallen waarin evacuaties nodig zijn om ervoor te zorgen dat de beschikbare steun op efficiënte wijze wordt verleend en dat de beschikbare evacuatiecapaciteit optimaal wordt benut. Daarom moet informatie over de beschikbare evacuatiecapaciteit tijdig worden gedeeld, ook in het geval van reddings- en evacuatieoperaties waarbij militaire middelen worden gebruikt.
(26) Efficiënte coördinatie is van vitaal belang voor een doeltreffende crisisrespons. Om die coördinatie te waarborgen, moeten de lidstaten worden ondersteund door en tijdig informatie ontvangen van het crisisresponscentrum van de EDEO en het Coördinatiecentrum voor respons in noodsituaties van de Commissie. Een gecoördineerde crisisrespons van de Unie is met name belangrijk in gevallen waarin evacuaties nodig zijn om ervoor te zorgen dat de beschikbare steun snel en op efficiënte wijze wordt verleend en dat de beschikbare evacuatiecapaciteit optimaal wordt benut. Daarom moet relevante informatie uit de eerste hand, bijvoorbeeld over de beschikbare evacuatiecapaciteit, tijdig worden gedeeld om snel en effectief te kunnen reageren, ook in het geval van reddings- en evacuatieoperaties waarbij militaire middelen worden gebruikt. In dit verband moet de EDEO automatisch en doorlopend informatie van de lidstaten kunnen ontvangen over de situatie in derde landen.
Amendement 12 Voorstel voor een richtlijn Overweging 28
(28) Gezamenlijke consulaire teams moeten gebaseerd zijn op de beginselen van vrijwillige deelname, solidariteit met de vertegenwoordigde lidstaten, gelijkheid met betrekking tot besluiten over interne werkstructuren, eenvoud wat betreft de samenstelling van teams, kostendeling (elk van de lidstaten, instellingen of organen van de Unie draagt zijn eigen operationele kosten) flexibiliteit, zichtbaarheid van de gecoördineerde respons van de Unie en openheid ten aanzien van relevante derde landen.
(28) Gezamenlijke consulaire teams moeten gebaseerd zijn op de beginselen van solidariteit met de vertegenwoordigde lidstaten, gelijkheid met betrekking tot besluiten over interne werkstructuren, eenvoud wat betreft de samenstelling van teams, kostendeling (elk van de lidstaten, instellingen of organen van de Unie draagt zijn eigen operationele kosten) flexibiliteit, zichtbaarheid van de gecoördineerde respons van de Unie en openheid ten aanzien van relevante derde landen.
Amendement 13 Voorstel voor een richtlijn Overweging 30
(30) Om burgers van de Unie in nood te ondersteunen, is het belangrijk hun betrouwbare informatie te verstrekken over hoe zij kunnen gebruikmaken van consulaire bijstand in derde landen. De diensten van de Commissie en de EDEO moeten aan de verwezenlijking van die doelstelling bijdragen door relevante informatie te verspreiden, met inbegrip van door de lidstaten te verstrekken informatie over hun consulaire netwerken en de derde landen waar zij praktische regelingen hebben getroffen betreffende het delen van verantwoordelijkheden voor het verlenen van consulaire bescherming aan niet-vertegenwoordigde burgers. Om de verwerking van dergelijke informatie te vergemakkelijken, moet deze in machineleesbaar formaat worden verstrekt.
(30) Om burgers van de Unie in nood te ondersteunen, is het belangrijk hun betrouwbare en gemakkelijk toegankelijke informatie te verstrekken over hoe zij kunnen gebruikmaken van consulaire bijstand in derde landen, waaronder mogelijkheden om digitaal contact op te nemen. De diensten van de Commissie en de EDEO moeten in nauwe samenwerking met de lidstaten relevante informatie verspreiden, met inbegrip van door de lidstaten te verstrekken informatie over hun consulaire netwerken en de derde landen waar zij praktische regelingen hebben getroffen betreffende het delen van verantwoordelijkheden voor het verlenen van consulaire bescherming aan niet-vertegenwoordigde burgers. Om de verwerking van dergelijke informatie te vergemakkelijken, moet deze in machineleesbaar formaat worden verstrekt.
Amendement 14 Voorstel voor een richtlijn Overweging 30 bis (nieuw)
(30 bis) De lidstaten moeten ervoor zorgen dat burgers gemakkelijk toegang hebben tot actuele informatie over consulaire bescherming. In dit verband moeten EU-burgers snel in kennis worden gesteld van hun rechten en procedures voor de uitoefening ervan in derde landen, met name in crisissituaties.
Amendement 15 Voorstel voor een richtlijn Overweging 31
(31) De lidstaten moeten aanvullende maatregelen nemen om de burgers van de Unie nog bewuster te maken van hun recht op consulaire bescherming, daarbij ook rekening houdend met de specifieke behoeften van personen met een handicap. Gezien de beperkte kosten die dit voor de lidstaten met zich meebrengt, zou hiertoe in door de lidstaten afgegeven paspoorten bijvoorbeeld de tekst van artikel 23 VWEU kunnen worden overgenomen om burgers bewuster te maken van het recht op bescherming door diplomatieke en consulaire instanties, zoals reeds aanbevolen in Aanbeveling C(2007) 5841 van de Commissie5. De lidstaten zouden ook informatie over het recht op consulaire bescherming van niet-vertegenwoordigde burgers kunnen verstrekken door middel van reisadviezen en campagnes. Daarnaast zouden zij kunnen samenwerken met aanbieders van personenvervoersdiensten en vervoersknooppunten voor reizen naar derde landen, bijvoorbeeld door hen te verzoeken relevante informatie over het recht op consulaire bescherming toe te voegen aan het informatiemateriaal dat aan klanten ter beschikking wordt gesteld.
(31) De lidstaten moeten aanvullende maatregelen nemen om de burgers van de Unie nog bewuster te maken van hun recht op consulaire bescherming, daarbij ook rekening houdend met de specifieke behoeften van personen met een handicap. Gezien de beperkte kosten die dit met zich meebrengt, moeten lidstaten in door de lidstaten afgegeven paspoorten de tekst van artikel 23 VWEU overnemen om burgers bewuster te maken van het recht op bescherming door diplomatieke en consulaire instanties, zoals reeds aanbevolen in Aanbeveling C(2007) 5841 van de Commissie5. De lidstaten moeten ook informatie over het recht op consulaire bescherming van niet-vertegenwoordigde burgers verstrekken door middel van reisadviezen en campagnes. Daarnaast moeten zij samenwerken met aanbieders van personenvervoersdiensten en vervoersknooppunten voor reizen naar derde landen, bijvoorbeeld door hen te verzoeken relevante informatie over het recht op consulaire bescherming toe te voegen aan het informatiemateriaal dat aan klanten ter beschikking wordt gesteld.
__________________
__________________
5 Aanbeveling C(2007) 5841 van de Commissie van 5 december 2007 over de overname van de tekst van artikel 20 VEG in paspoorten (PB L 118 van 6.5.2008, blz. 30, ELI: http://data.europa.eu/eli/reco/2008/355/oj).
5 Aanbeveling C(2007) 5841 van de Commissie van 5 december 2007 over de overname van de tekst van artikel 20 VEG in paspoorten (PB L 118 van 6.5.2008, blz. 30, ELI: http://data.europa.eu/eli/reco/2008/355/oj).
Amendement 16 Voorstel voor een richtlijn Overweging 32
(32) De financiële bepalingen van Richtlijn (EU) 2015/637 moeten worden aangepast om vergoedingen te vereenvoudigen en te blijven zorgen voor financiële lastenverdeling. Met name moet het voor niet-vertegenwoordigde burgers mogelijk zijn om, onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van de bijstandverlenende lidstaat, de kosten van de door die lidstaat verleende dienst rechtstreeks te vergoeden, om de administratieve lasten te vermijden die voortvloeien uit het aanvragen van vergoedingen bij de lidstaat waarvan de burger de nationaliteit heeft. Daarnaast moet het de lidstaten ook worden toegestaan ervan af te zien dergelijke kosten in rekening te brengen. Aangezien niet-vertegenwoordigde burgers in bepaalde situaties mogelijk niet kunnen betalen op het moment dat zij een verzoek om bijstand indienen, met name wanneer hun contant geld en de benodigdheden om toegang te krijgen tot hun middelen zijn gestolen, moet worden bepaald dat zij door de consulaire instanties van de bijstandverlenende lidstaat kunnen worden verplicht een verbintenis tot terugbetaling te ondertekenen. Op basis van een dergelijke verbintenis kunnen de instanties van de bijstandverlenende lidstaat vier weken na de verlening van de bijstand om vergoeding van de kosten verzoeken.
(32) De financiële bepalingen van Richtlijn (EU) 2015/637 moeten worden aangepast om vergoedingen te vereenvoudigen en te blijven zorgen voor financiële lastenverdeling. Met name moet het voor niet-vertegenwoordigde burgers mogelijk zijn om, onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van de bijstandverlenende lidstaat, de kosten van de door die lidstaat verleende dienst rechtstreeks te vergoeden, om de administratieve lasten te vermijden die voortvloeien uit het aanvragen van vergoedingen bij de lidstaat waarvan de burger de nationaliteit heeft. Daarnaast moet het de lidstaten ook worden toegestaan ervan af te zien dergelijke kosten in rekening te brengen. Aangezien niet-vertegenwoordigde burgers in bepaalde situaties mogelijk niet kunnen betalen op het moment dat zij een verzoek om bijstand indienen, met name wanneer hun contant geld en de benodigdheden om toegang te krijgen tot hun middelen zijn gestolen, moet worden bepaald dat zij door de consulaire instanties van de bijstandverlenende lidstaat kunnen worden verplicht een verbintenis tot terugbetaling te ondertekenen. Op basis van een dergelijke verbintenis kunnen de instanties van de bijstandverlenende lidstaat drie maanden na de verlening van de bijstand om vergoeding van de kosten verzoeken.
Amendement 17 Voorstel voor een richtlijn Overweging 33
(33) In gevallen waarin de kosten niet rechtstreeks door de burger zijn terugbetaald, dat wil zeggen noch onmiddellijk bij de indiening van het verzoek, noch in een later stadium na hierom door de bijstandverlenende lidstaat te zijn verzocht op basis van de verbintenis tot terugbetaling, moet de bijstandverlenende lidstaat het recht hebben om de lidstaat waarvan de niet-vertegenwoordigde burger de nationaliteit bezit, om vergoeding van de verschuldigde kosten te vragen. Om te voorkomen dat verzoeken om vergoeding na lange tijd worden ingediend, moeten de bijstandverlenende lidstaat en de lidstaat van nationaliteit een redelijke termijn krijgen voor respectievelijk de indiening van het verzoek en de vergoeding.
(33) In gevallen waarin de kosten niet rechtstreeks door de burger zijn terugbetaald, dat wil zeggen noch onmiddellijk bij de indiening van het verzoek, noch in een later stadium na hierom door de bijstandverlenende lidstaat te zijn verzocht op basis van de verbintenis tot terugbetaling, moet de bijstandverlenende lidstaat het recht hebben om de lidstaat waarvan de niet-vertegenwoordigde burger de nationaliteit bezit, om vergoeding van de verschuldigde kosten te vragen. Om te voorkomen dat verzoeken om vergoeding na lange tijd worden ingediend, moeten de bijstandverlenende lidstaat en de lidstaat van nationaliteit een redelijke termijn krijgen voor respectievelijk de indiening van het verzoek en de vergoeding. Bij het bepalen van de termijn moet rekening worden gehouden met de complexiteit van het probleem, de betrokkenheid van het personeel van de faciliteit en de duur van de bijstand.
Amendement 18 Voorstel voor een richtlijn Overweging 34 bis (nieuw)
(34 bis) Naast de inkomsten uit vergoedingen door de lidstaten moet een passende verhoging van de begroting en de personele middelen van de EDEO worden toegekend om een correcte uitvoering van de verantwoordelijkheden bij het verlenen van bijstand en/of bescherming aan EU-burgers te waarborgen.
Amendement 19 Voorstel voor een richtlijn Overweging 41
(41) Bij de verwerking van dergelijke bijzondere categorieën persoonsgegevens moeten de bevoegde instanties van de lidstaten en de instellingen en organen van de Unie passende en specifieke maatregelen nemen om de belangen van de betrokkenen te beschermen. Daartoe moeten, indien mogelijk, dergelijke persoonsgegevens worden versleuteld en toegangsrechten specifiek worden toegewezen aan personeel dat toegang heeft tot de gespecificeerde bijzondere categorieën persoonsgegevens.
(41) Bij de verwerking van dergelijke bijzondere categorieën persoonsgegevens moeten de bevoegde instanties van de lidstaten en de instellingen en organen van de Unie passende en specifieke maatregelen nemen om de belangen en de rechten van de betrokkenen te beschermen. Daartoe moeten, indien mogelijk, dergelijke persoonsgegevens worden versleuteld en toegangsrechten specifiek worden toegewezen aan personeel dat toegang heeft tot de gespecificeerde bijzondere categorieën persoonsgegevens.
Amendement 20 Voorstel voor een richtlijn Artikel 1 – alinea 1 – punt -1 (nieuw) Richtlijn (EU) 2015/637 Artikel 1 – lid 1 – alinea 1 bis (nieuw)
-1) aan artikel 4 wordt de volgende alinea 1 bis toegevoegd:
Erkende vluchtelingen en staatlozen en andere personen die van geen enkel land de nationaliteit hebben, die in een lidstaat verblijven en houder zijn van een reisdocument dat door die lidstaat is afgegeven, hebben recht op consulaire bescherming onder dezelfde voorwaarden als niet-vertegenwoordigde burgers indien de lidstaat van verblijf niet vertegenwoordigd is door een diplomatieke of consulaire instantie.
Amendement 21 Voorstel voor een richtlijn Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 Richtlijn (EU) 2015/637 Artikel 6 – lid 2 – punt a
a) hoe moeilijk het is voor de betrokken burger om de ambassade of het consulaat van zijn lidstaat van nationaliteit veilig en binnen een redelijke termijn te bereiken of door die ambassade of dat consulaat te worden bereikt, rekening houdend met de aard en de dringendheid van de gevraagde bijstand en de middelen waarover de burger beschikt;
a) hoe moeilijk het is voor de betrokken burger om de ambassade of het consulaat van zijn lidstaat van nationaliteit veilig en binnen een redelijke termijn te bereiken of door die ambassade of dat consulaat te worden bereikt, rekening houdend met de aard en de dringendheid van de gevraagde bijstand en de middelen waarover de burger beschikt. Hoewel de passende termijn afhangt van de specifieke kenmerken van elk verzoek om bijstand, bedraagt de termijn waarin burgers de ambassade of het consulaat van hun lidstaat veilig kunnen bereiken of door die ambassade of dat consulaat kunnen worden bereikt, in geen geval meer dan 48 uur;
Amendement 22 Voorstel voor een richtlijn Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 Richtlijn (EU) 2015/637 Artikel 7 – lid 3 bis (nieuw)
3 bis. Wanneer de delegaties van de Unie de enige fysiek in een derde land gevestigde vertegenwoordiging zijn of wanneer er sprake is van een objectieve behoefte aan aanvullende bijstand aan niet-vertegenwoordigde burgers in een crisissituatie als gevolg van onvoldoende capaciteit van de ambassades en consulaten van de lidstaten, verlenen de delegaties van de Unie consulaire bijstand, onder meer in de vorm van afgifte van noodreisdocumenten overeenkomstig de bepalingen van Richtlijn (EU) 2019/997.
Amendement 23 Voorstel voor een richtlijn Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 Richtlijn (EU) 2015/637 Artikel 7 – lid 4 bis (nieuw)
4 bis. Bij het verlenen van consulaire bescherming aan niet-vertegenwoordigde burgers houden de lidstaten rekening met een intersectionele benadering van de specifieke behoeften van kwetsbare groepen en personen die het risico lopen gediscrimineerd te worden op welke grond dan ook, waaronder de in artikel 21 van het Handvest vermelde discriminatiegronden, namelijk geslacht, ras, kleur, etnische of sociale afkomst, genetische kenmerken, taal, godsdienst of overtuiging, politieke of andere denkbeelden, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte, handicap, leeftijd of seksuele gerichtheid.”
Amendement 24 Voorstel voor een richtlijn Artikel 1 – alinea 1 – punt 2 Richtlijn (EU) 2015/637 Artikel 9 – lid 1
2) artikel 9, punten e) en f), worden vervangen door:
2) aan artikel 9 wordt het volgende punt toegevoegd:
“e) bij hulp, evacuatie en repatriëring in noodsituaties;
Schrappen
f) bij behoefte aan een EU-noodreisdocument als vastgesteld bij Richtlijn (EU) 2019/997*.
Schrappen
f bis) gerechtelijke procedures in dringende gevallen die onmiddellijke aandacht vereisen.
__________________
__________________
* Richtlijn (EU) 2019/997 van de Raad van 18 juni 2019 tot vaststelling van een EU-noodreisdocument en tot intrekking van Besluit 96/409/GBVB (PB L 163 van 20.6.2019, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2019/997/oj).’;
Schrappen
Amendement 25 Voorstel voor een richtlijn Artikel 1 – alinea 1 – punt 4 Richtlijn (EU) 2015/637 Artikel 11 – alinea 2
2. De delegaties van de Unie ondersteunen de lidstaten bij het verlenen van consulaire bescherming aan niet-vertegenwoordigde burgers overeenkomstig artikel 5, lid 10, van Besluit 2010/427/EU. Deze ondersteuning kan het uitvoeren, op verzoek van en namens de lidstaten, van specifieke consulaire bijstandstaken omvatten. De bijstandverlenende lidstaat en de lidstaat van nationaliteit verstrekken de delegatie van de Unie in voorkomend geval alle relevante informatie.
2. De delegaties van de Unie ondersteunen de lidstaten bij het verlenen van consulaire bescherming aan niet-vertegenwoordigde burgers overeenkomstig artikel 5, lid 10, van Besluit 2010/427/EU. Deze ondersteuning kan het uitvoeren, op verzoek van en namens de lidstaten, van specifieke consulaire bijstandstaken omvatten. De bijstandverlenende lidstaat en de lidstaat van nationaliteit verstrekken de delegatie van de Unie in voorkomend geval onverwijld alle relevante informatie.
Amendement 26 Voorstel voor een richtlijn Artikel 1 – alinea 1 – punt 4 Richtlijn (EU) 2015/637 Artikel 11 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis. Aan de EDEO en de delegaties van de Unie worden de nodige financiële en personele middelen toegewezen om de overheadkosten en de extra horizontale administratieve werklast te dekken.
Amendement 27 Voorstel voor een richtlijn Artikel 1 – alinea 1 – punt 4 Richtlijn (EU) 2015/637 Artikel 13 – lid 1 – inleidende formule
1. In het kader van de in artikel 12 bedoelde plaatselijke consulaire samenwerking stellen de lidstaten en de EDEO voor elk derde land een gezamenlijk consulair noodplan op en keuren dit goed. Het gezamenlijke consulaire noodplan wordt jaarlijks bijgewerkt en bevat:
1. In het kader van de in artikel 12 bedoelde plaatselijke consulaire samenwerking stellen de lidstaten en de EDEO voor elk derde land een gezamenlijk consulair noodplan op en keuren dit goed. Het gezamenlijke consulaire noodplan wordt jaarlijks, of frequenter in uitzonderlijke omstandigheden, bijgewerkt en bevat:
Amendement 28 Voorstel voor een richtlijn Artikel 1 – alinea 1 – punt 4 Richtlijn (EU) 2015/637 Artikel 13 – lid 1 – punt a
a) een analyse van de consulaire situatie in het land, met inbegrip van een overzicht van de ambassades of consulaten van de lidstaten, het geraamde aantal aanwezige burgers van de Unie en hun locatie, en een risicobeoordeling van de meest plausibele scenario’s die gevolgen hebben voor de burgers van de Unie;
a) een analyse van de consulaire situatie in het land, met inbegrip van een overzicht van de ambassades of consulaten van de lidstaten, het geraamde aantal aanwezige burgers van de Unie en hun locatie, en een risicobeoordeling van de meest plausibele scenario’s die gevolgen hebben voor de burgers van de Unie, zoals onder meer militaire en politieke risico’s of risico’s met betrekking tot criminaliteit, gezondheid en natuurrampen;
Amendement 29 Voorstel voor een richtlijn Artikel 1 – alinea 1 – punt 4 Richtlijn (EU) 2015/637 Artikel 13 – lid 2 – alinea 1
Indien aanwezig coördineren de delegaties van de Unie het opstellen en goedkeuren van gezamenlijke consulaire noodplannen, op basis van bijdragen van de ambassades of consulaten van de in het betrokken derde land vertegenwoordigde lidstaten en de consulaire instanties van niet-vertegenwoordigde lidstaten. Gezamenlijke consulaire noodplannen worden ter beschikking gesteld van alle lidstaten, de EDEO en de diensten van de Commissie.
Indien aanwezig coördineren de delegaties van de Unie het opstellen en goedkeuren van gezamenlijke consulaire noodplannen, op basis van bijdragen van de ambassades of consulaten van de in het betrokken derde land vertegenwoordigde lidstaten en de consulaire instanties van niet-vertegenwoordigde lidstaten. Dit kan zo nodig de samenwerking met derde landen en internationale organisaties omvatten. Gezamenlijke consulaire noodplannen worden ter beschikking gesteld van alle lidstaten, de EDEO en de diensten van de Commissie.
Amendement 30 Voorstel voor een richtlijn Artikel 1 – alinea 1 – punt 4 Richtlijn (EU) 2015/637 Artikel 13 – lid 3 bis (nieuw)
3 bis. De lidstaten en de delegaties van de Unie werken samen bij de uitrol van systemen voor vroegtijdige waarschuwing om potentiële crises of gevaren, zoals natuurrampen, politieke onrust of noodsituaties op gezondheidsgebied, in het betrokken derde land tijdig te kunnen opsporen. Deze systemen maken gebruik van gegevensanalyse, risicobeoordelingen en het delen van inlichtingen om in een vroeg stadium indicatoren van opkomende dreigingen aan te reiken en zo de doeltreffendheid van de inspanningen op het gebied van crisisparaatheid en ‑respons te vergroten.
Amendement 31 Voorstel voor een richtlijn Artikel 1 – alinea 1 – punt 4 Richtlijn (EU) 2015/637 Artikel 13 – lid 4
4. Overeenkomstig het internationaal recht bieden de lidstaten hun burgers de mogelijkheid om zich met passende middelen en instrumenten te registreren bij de bevoegde nationale instanties of deze in kennis te stellen van reizen naar of verblijven in derde landen.
4. Overeenkomstig het nationaal recht nemen de lidstaten proactieve maatregelen om ervoor te zorgen dat hun burgers zich met passende middelen en instrumenten registreren bij de bevoegde nationale instanties of deze in kennis stellen van reizen naar of verblijven in derde landen, met name wanneer de derde landen in kwestie niet als volledig veilig worden beschouwd.
Amendement 32 Voorstel voor een richtlijn Artikel 1 – alinea 1 – punt 4 Richtlijn (EU) 2015/637 Artikel 13 – lid 5
5. De lidstaten wisselen in een vroeg stadium informatie uit over wijzigingen in hun reisadvies aan burgers, met name in crisissituaties, en doen het nodige om te verzekeren dat de verleende reisadviezen van een consistent niveau zijn.”;
5. De lidstaten wisselen in een vroeg stadium informatie uit over wijzigingen in hun reisadvies aan burgers, met name in crisissituaties, en doen het nodige om te verzekeren dat de verleende reisadviezen van een consistent niveau zijn. De lidstaten moeten elkaar inlichten telkens zij zich van verhoogde veiligheidsrisico’s gewaar worden.
Amendement 33 Voorstel voor een richtlijn Artikel 1 – alinea 1 – punt 4 Richtlijn (EU) 2015/637 Artikel 13 – lid 5 bis (nieuw)
5 bis. De lidstaten vergroten het situationeel bewustzijn met de delegaties van de Unie in derde landen, onder meer door regelmatig updates van risicoanalyses en mogelijke bedreigingen voor de veiligheid van EU-burgers te delen en door informatie over hun reisadvies uit te wisselen.
Amendement 34 Voorstel voor een richtlijn Artikel 1 – alinea 1 – punt 4 Richtlijn (EU) 2015/637 Artikel 13 – lid 5 ter (nieuw)
5 ter. De EDEO verstrekt, in nauwe samenwerking met de lidstaten, consulaire opleidingen inzake crisisparaatheid en ‑respons aan ambtenaren van de Unie en diplomatiek en consulair personeel van de lidstaten om hen beter in staat te stellen crisissituaties te beheersen en EU-burgers in het buitenland bijstand te verlenen.
Amendement 35 Voorstel voor een richtlijn Artikel 1 – alinea 1 – punt 5 Richtlijn (EU) 2015/637 Artikel 13 bis – lid 2
2. Indien nodig kunnen de lidstaten worden bijgestaan door gezamenlijke consulaire teams bestaande uit deskundigen uit de lidstaten, met name uit lidstaten die niet zijn vertegenwoordigd in het derde land dat door de crisis is getroffen, en van de EDEO en de diensten van de Commissie. Gezamenlijke consulaire teams zijn beschikbaar voor snelle inzet in derde landen die getroffen zijn door een consulaire crisis. Deelname aan gezamenlijke consulaire teams is vrijwillig.
2. Indien nodig kunnen de lidstaten worden bijgestaan door gezamenlijke consulaire teams bestaande uit deskundigen uit de lidstaten, met name uit lidstaten die niet zijn vertegenwoordigd in het derde land dat door de crisis is getroffen, en van de EDEO en de diensten van de Commissie. Gezamenlijke consulaire teams zijn beschikbaar voor snelle inzet in derde landen die getroffen zijn door een consulaire crisis. Deelname aan gezamenlijke consulaire teams is vrijwillig. De EDEO en de Commissie ondersteunen de paraatheid van die deskundigen en van de gezamenlijke consulaire teams.
Amendement 36 Voorstel voor een richtlijn Artikel 1 – alinea 1 – punt 5 Richtlijn (EU) 2015/637 Artikel 13 bis – lid 4
4. Bij het verlenen van bijstand kunnen de lidstaten in voorkomend geval om steun verzoeken van instrumenten van de Unie, zoals de structuren voor crisisbeheersing van de EDEO en zijn crisisresponscentrum en, via het bij artikel 7 van Besluit 1313/2013/EU opgerichte Coördinatiecentrum voor respons in noodsituaties, het Uniemechanisme voor civiele bescherming.
4. Bij het verlenen van bijstand kunnen de lidstaten worden ondersteund met behulp van instrumenten van de Unie, zoals de structuren voor crisisbeheersing van de EDEO en zijn crisisresponscentrum. De lidstaten kunnen ook een beroep doen op het bij artikel 7 van Besluit 1313/2013/EU opgerichte Coördinatiecentrum voor respons in noodsituaties, het Uniemechanisme voor civiele bescherming en, in voorkomend geval, EU-missies en ‑operaties in het kader van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid en de snel inzetbare EU-capaciteit waarin het “Strategisch kompas voor veiligheid en defensie” voorziet.
Amendement 37 Voorstel voor een richtlijn Artikel 1 – alinea 1 – punt 5 Richtlijn (EU) 2015/637 Artikel 13 bis – lid 4 bis (nieuw)
4 bis. in hoofdstuk 2 wordt het volgende artikel 13 bis quinquies ingevoegd: “Artikel 13 bis quinquies
Specifieke bescherming van kinderen De lidstaten nemen, met de steun van de delegaties van de Unie, specifieke maatregelen om het recht op consulaire bescherming van kinderen, die EU-burger zijn, in derde landen te waarborgen, met name wanneer het risico bestaat dat hun rechten die zijn verankerd in het Handvest van de grondrechten van de EU en het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind, worden geschonden. Bij het verlenen van consulaire bijstand aan kinderen houden de lidstaten in de eerste plaats rekening met het belang van het kind.”
Amendement 38 Voorstel voor een richtlijn Artikel 1 – alinea 1 – punt 6 Richtlijn (EU) 2015/637 Artikel 13 ter – lid 1 – alinea 1 – inleidende formule
De lidstaten verstrekken de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid ten minste eenmaal per jaar de volgende informatie:
De lidstaten verstrekken de EDEOen de Commissie ten minste om de zes maanden de volgende informatie:
Amendement 39 Voorstel voor een richtlijn Artikel 1 – alinea 1 – punt 6 Richtlijn (EU) 2015/637 Artikel 13 ter – lid 2
2. De lidstaten, de diensten van de Commissie en de EDEO maken de in lid 1, punten a), b) en c), bedoelde informatie openbaar op een wijze die de samenhang van de verstrekte informatie waarborgt.
2. De lidstaten, de diensten van de Commissie en de EDEO maken de in lid 1 bedoelde informatie openbaar op een wijze die de samenhang van de verstrekte informatie waarborgt.
Amendement 40 Voorstel voor een richtlijn Artikel 1 – alinea 1 – punt 6 Richtlijn (EU) 2015/637 Artikel 13 ter – lid 3
3. Op verzoek van de Commissie verstrekken de lidstaten de in lid 1 bedoelde informatie in een machineleesbaar formaat.
3. De lidstaten verstrekken de in lid 1 bedoelde informatie in een machineleesbaar formaat.
Amendement 41 Voorstel voor een richtlijn Artikel 1 – alinea 1 – punt 6 Richtlijn (EU) 2015/637 Artikel 13 quater – lid 1 – inleidende formule
1. De lidstaten nemen maatregelen om hun burgers te informeren over hun recht als bedoeld in artikel 20, lid 2, punt c), VWEU. Daarbij kan het met name om de volgende maatregelen gaan:
1. De lidstaten nemen maatregelen om hun burgers te informeren over hun recht als bedoeld in artikel 20, lid 2, punt c), VWEU, waarbij zij met name:
Amendement 42 Voorstel voor een richtlijn Artikel 1 – alinea 1 – punt 6 Richtlijn (EU) 2015/637 Artikel 13 quater – lid 1 – punt a
a) de eerste zin van artikel 23 VWEU vermelden op nationale paspoorten;
Schrappen
Amendement 43 Voorstel voor een richtlijn Artikel 1 – alinea 1 – punt 6 Richtlijn (EU) 2015/637 Artikel 13 quater – lid 1 – punt c bis (nieuw)
c bis) gebruikmaken van digitale technologieën en geautomatiseerde kennisgevingssystemen, zoals sms-berichten via telefoonnetwerken, om EU-burgers essentiële contactgegevens voor consulaire bescherming te verstrekken bij binnenkomst in een derde land, alsook waarschuwingsberichten tijdens crisissituaties.
Amendement 44 Voorstel voor een richtlijn Artikel 1 – alinea 1 – punt 6 Richtlijn (EU) 2015/637 Artikel 13 quater – lid 1 bis (nieuw)
1 bis. Daarnaast vermelden de lidstaten de eerste zin van artikel 23 VWEU op een zichtbare plaats op nationale paspoorten.
Amendement 45 Voorstel voor een richtlijn Artikel 1 – alinea 1 – punt 7 Richtlijn (EU) 2015/637 Artikel 14 – lid 2 – alinea 1
Indien een niet-vertegenwoordigde burger bij het indienen van een verzoek om bijstand niet in staat is de in lid 1 bedoelde kosten aan de bijstandverlenende lidstaat te betalen, kan de bijstandverlenende lidstaat van de niet-vertegenwoordigde burger verlangen dat deze een verbintenis tot terugbetaling ondertekent. Op basis daarvan kan de bijstandverlenende lidstaat de betrokken niet-vertegenwoordigde burger vier weken na de verlening van de bijstand verzoeken de betrokken kosten te betalen.
Indien een niet-vertegenwoordigde burger bij het indienen van een verzoek om bijstand niet in staat is de in lid 1 bedoelde kosten aan de bijstandverlenende lidstaat te betalen, kan de bijstandverlenende lidstaat van de niet-vertegenwoordigde burger verlangen dat deze een verbintenis tot terugbetaling ondertekent. Op basis daarvan kan de bijstandverlenende lidstaat de betrokken niet-vertegenwoordigde burger drie maanden na de verlening van de bijstand verzoeken de betrokken kosten te betalen.
Amendement 46 Voorstel voor een richtlijn Artikel 1 – alinea 1 – punt 7 Richtlijn (EU) 2015/637 Artikel 14 – lid 6
6. De Commissie kan uitvoeringshandelingen aannemen tot vaststelling van de standaardformulieren die moeten worden gebruikt voor de in lid 2 bedoelde verbintenis tot terugbetaling en voor de terugbetaling van de kosten door de lidstaat van nationaliteit als bedoeld in lid 3. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 15 bis, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
6. De Commissie kan uitvoeringshandelingen aannemen tot vaststelling van de standaardformulieren die in alle talen van de lidstaten ter beschikking worden gesteld en die moeten worden gebruikt voor de in lid 2 bedoelde verbintenis tot terugbetaling en voor de terugbetaling van de kosten door de lidstaat van nationaliteit als bedoeld in lid 3. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 15 bis, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
Amendement 47 Voorstel voor een richtlijn Artikel 1 – alinea 1 – punt 9 Richtlijn (EU) 2015/637 Artikel 16 bis – lid 1 – punt f bis (nieuw)
f bis) het waarborgen dat de bepalingen van artikel 13, lid 4, met betrekking tot de registratie en kennisgeving van reizen naar of verblijven van burgers in derde landen worden nageleefd.
Amendement 48 Voorstel voor een richtlijn Artikel 1 – alinea 1 – punt 9 Richtlijn (EU) 2015/637 Artikel 16 bis – lid 1 – punt f ter (nieuw)
f ter) het verstrekken van de in artikel 13 quater, lid 1, punt -a), bedoelde informatie en waarschuwingen;
Amendement 49 Voorstel voor een richtlijn Artikel 1 – alinea 1 – punt 9 Richtlijn (EU) 2015/637 Artikel 16 bis – lid 1 – punt f quater (nieuw)
f quater) het verwerken van overeenkomstig artikel 13, lid 4, verstrekte informatie en registraties van reizen of verblijven.
Amendement 50 Voorstel voor een richtlijn Artikel 1 – alinea 1 – punt 9 Richtlijn (EU) 2015/637 Artikel 16 bis – lid 6
6. Bij de verwerking van de in lid 5 bedoelde categorieën persoonsgegevens nemen de bevoegde instanties van de lidstaten en de instellingen en organen van de Unie passende en specifieke maatregelen om de belangen van de betrokkenen te beschermen. Zij voeren ook intern beleid in en nemen de nodige technische en organisatorische maatregelen om ongeoorloofde toegang tot en doorgifte van dergelijke persoonsgegevens te voorkomen.
6. Bij de verwerking van de in lid5 bedoelde categorieën persoonsgegevens nemen de bevoegde instanties van de lidstaten en de instellingen en organen van de Unie passende en specifieke maatregelen om de belangen en de rechten van de betrokkenen te beschermen. Zij voeren ook intern beleid in en nemen de nodige technische en organisatorische maatregelen om ongeoorloofde toegang tot en doorgifte van dergelijke persoonsgegevens te voorkomen.
Amendement 51 Voorstel voor een richtlijn Artikel 1 – alinea 1 – punt 9 Richtlijn (EU) 2015/637 Artikel 16 bis – lid 7 – alinea 1
Voor de toepassing van deze richtlijn geven de bevoegde instanties van de lidstaten persoonsgegevens uitsluitend door aan een derde land of een internationale organisatie om de in artikel 9, artikel 10 en artikel 13 bis bedoelde taken uit te voeren en overeenkomstig hoofdstuk V van Verordening (EU) 2016/679.
Voor de toepassing van deze richtlijn geven de bevoegde instanties van de lidstaten persoonsgegevens uitsluitend door aan een derde land of een internationale organisatie om de in artikel 9, artikel 10 en artikel 13 bis bedoelde taken uit te voeren en overeenkomstig hoofdstuk V van Verordening (EU) 2016/679. De in lid 5 bedoelde persoonsgegevens worden daarbij niet doorgegeven, tenzij de betrokken EU-burger daar vooraf uitdrukkelijk toestemming voor heeft gegeven.
Amendement 52 Voorstel voor een richtlijn Artikel 1 – alinea 1 – punt 9 Richtlijn (EU) 2015/637 Artikel 16 ter – alinea 1
De lidstaten zorgen ervoor dat niet-vertegenwoordigde burgers op grond van het nationale recht over een doeltreffende voorziening in rechte beschikken in geval van een schending van hun rechten uit hoofde van deze richtlijn.
De lidstaten zorgen ervoor dat niet-vertegenwoordigde burgers op grond van het nationale recht toegang hebben tot klachtenmechanismen en over een doeltreffende voorziening in rechte beschikken in geval van een schending van hun rechten uit hoofde van deze richtlijn.
Amendement 53 Voorstel voor een richtlijn Artikel 1 – alinea 1 – punt 10 Richtlijn (EU) 2015/637 Artikel 19 – lid 3 – alinea 1
“Niet eerder dan [acht jaar na de omzettingstermijn van deze wijzigingsrichtlijn] verricht de Commissie een evaluatie van deze richtlijn en brengt zij aan het Europees Parlement en de Raad verslag uit over de belangrijkste bevindingen.
“Niet later dan [vijf jaar na de omzettingstermijn van deze wijzigingsrichtlijn] verricht de Commissie een evaluatie van deze richtlijn en brengt zij aan het Europees Parlement en de Raad verslag uit over de belangrijkste bevindingen.
Overeenkomst in het kader van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee, inzake het behoud en het duurzame gebruik van de mariene biologische diversiteit van gebieden voorbij de grenzen van de nationale rechtsmacht
114k
42k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 24 april 2024 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting, namens de Europese Unie, van de Overeenkomst in het kader van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee, inzake het behoud en het duurzame gebruik van de mariene biologische diversiteit van gebieden voorbij de grenzen van de nationale rechtsmacht (07577/2024 – C9-0135/2024 – 2023/0353(NLE))
– gezien het ontwerp van besluit van de Raad (07577/2024),
– gezien de ontwerpovereenkomst in het kader van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee, inzake de instandhouding en het duurzame gebruik van de mariene biologische diversiteit van gebieden voorbij de grenzen van de nationale rechtsmacht (12126/2023),
– gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 192, lid 1, en artikel 218, lid 6, tweede alinea, punt a), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C9‑0135/2024),
– gezien artikel 105, leden 1 en 4, en artikel 114, lid 7, van zijn Reglement,
– gezien het advies van de Commissie visserij,
– gezien de aanbeveling van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A9-0177/2024),
1. hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst;
2. verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.
Bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 24 april 2024 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad ter bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (COM(2022)0105 – C9-0058/2022 – 2022/0066(COD))
– gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2022)0105),
– gezien artikel 294, lid 2, artikel 82, lid 2, en artikel 83, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C9‑0058/2022),
– gezien het advies van de Commissie juridische zaken inzake de voorgestelde rechtsgrond,
– gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
– gezien het gemotiveerde advies dat in het kader van protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid is uitgebracht door de Tsjechische Kamer van Afgevaardigden, en waarin wordt gesteld dat het ontwerp van wetgevingshandeling niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel,
– gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 13 juli 2022(1),
– gezien het overeenkomstig artikel 74, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 14 februari 2024 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,
– gezien de artikelen 59 en 40 van zijn Reglement,
– gezien de gezamenlijke beraadslagingen van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de Commissie vrouwenrechten en gendergelijkheid overeenkomstig artikel 58 van het Reglement,
– gezien de adviezen van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, de Begrotingscommissie en de Commissie juridische zaken,
– gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de Commissie vrouwenrechten en gendergelijkheid (A9‑0234/2023),
1. stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;
2. verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;
3. verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 24 april 2024 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) 2024/... van het Europees Parlement en de Raad ter bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld
(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Richtlijn (EU) 2024/1385.)
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 24 april 2024 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot invoering van de Europese gehandicaptenkaart en de Europese parkeerkaart voor personen met een handicap (COM(2023)0512 – C9-0328/2023 – 2023/0311(COD))
– gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2023)0512),
– gezien artikel 294, lid 2, artikel 53, lid 1, en artikel 62, artikel 91 en artikel 21, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C9-0328/2023),
– gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
– gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 14 december 2023(1),
– gezien het advies van het Comité van de Regio’s van 31 januari 2024(2),
– gezien het overeenkomstig artikel 74, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 16 februari 2024 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,
– gezien artikel 59 van zijn Reglement,
– gezien de adviezen van de Commissie vervoer en toerisme en de Commissie vrouwenrechten en gendergelijkheid,
– gezien de brieven van de Commissie interne markt en consumentenbescherming en de Commissie verzoekschriften,
– gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A9‑0003/2024),
1. stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;
2. verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;
3. verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 24 april 2024 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) 2024/... van het Europees Parlement en de Raad tot invoering van de Europese kaart voor personen met een handicap en de Europese parkeerkaart voor personen met een handicap
(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Richtlijn (EU) 2024/2841.)
PB C, C/2024/1981 van 18.3.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/1981/oj.
Europese gehandicaptenkaart en Europese parkeerkaart voor personen met een handicap voor onderdanen van derde landen die legaal in een lidstaat verblijven
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 24 april 2024 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot uitbreiding van Richtlijn [XXXX] tot onderdanen van derde landen die legaal in een lidstaat verblijven (COM(2023)0698 – C9-0398/2023 – 2023/0393(COD))
– gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2023)0698),
– gezien artikel 294, lid 2, en artikel 79, lid 2, punt b), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C9‑0398/2023),
– gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
– gezien het advies van het Comité van de Regio’s van 31 januari 2024(1),
– gezien het overeenkomstig artikel 74, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissies goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 15 maart 2024 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,
– gezien artikel 59 van zijn Reglement,
– gezien de gezamenlijke beraadslagingen van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken overeenkomstig artikel 58 van het Reglement,
– gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A9‑0059/2024),
1. stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;
2. verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;
3. verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 24 april 2024 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) 2024/... van het Europees Parlement en de Raad tot uitbreiding van Richtlijn (EU) 2024/2841 tot onderdanen van derde landen die legaal in een lidstaat verblijven
(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Richtlijn (EU) 2024/2842.)
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 24 april 2024 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de productie en het in de handel brengen van plantaardig teeltmateriaal in de Unie, tot wijziging van de Verordeningen (EU) 2016/2031, (EU) 2017/625 en (EU) 2018/848 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van de Richtlijnen 66/401/EEG, 66/402/EEG, 68/193/EEG, 2002/53/EG, 2002/54/EG, 2002/55/EG, 2002/56/EG, 2002/57/EG, 2008/72/EG en 2008/90/EG (verordening betreffende plantaardig teeltmateriaal) (COM(2023)0414 – C9-0236/2023 – 2023/0227(COD))
– gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2023)0414),
– gezien artikel 294, lid 2, en artikel 43, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C9‑0236/2023),
– gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
– gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité 13 december 2023(1),
– gezien artikel 59 van zijn Reglement,
– gezien het advies van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid,
– gezien het verslag van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (A9‑0149/2024),
1. stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;
2. verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;
3. verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 24 april 2024 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2024/... van het Europees Parlement en de Raad betreffende de productie en het in de handel brengen van plantaardig teeltmateriaal in de Unie, tot wijziging van de Verordeningen (EU) 2016/2031, en (EU) 2017/625 en (EU) 2018/848 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van de Richtlijnen 66/401/EEG, 66/402/EEG, 68/193/EEG, 2002/53/EG, 2002/54/EG, 2002/55/EG, 2002/56/EG, 2002/57/EG, 2008/72/EG en 2008/90/EG van de Raad (verordening betreffende plantaardig teeltmateriaal) [Am. 1]
HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 43, lid 2,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,
Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(2),
Gezien de Verklaring van de Verenigde Naties over de rechten van landbouwers en andere mensen die werkzaam zijn in plattelandsgebieden, die de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties op 28 september 2018 heeft aangenomen, [Am. 2]
Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure,
Overwegende hetgeen volgt:
(1) Sinds de jaren zestig gelden op het niveau van de Unie regels voor de productie en het in de handel brengen van plantaardig teeltmateriaal van landbouwgewassen, groenten, wijnstokken en fruitgewassen. De productie en het in de handel brengen van plantaardig teeltmateriaal op het grondgebied van de Unie is geregeld bij Richtlijn 66/401/EEG van de Raad(3), 66/402/EEG(4), 68/193/EEG(5), 2002/53/EG(6), 2002/54/EG(7), 2002/55/EG(8), 2002/56/EG(9), 2002/57/EG(10), 2008/72/EG(11) en 2008/90/EG(12) (de “richtlijnen voor het in de handel brengen van plantaardig teeltmateriaal”). Deze rechtshandelingen vormen het rechtskader voor de productie en het in de handel brengen van plantaardig teeltmateriaal en zijn daarom van groot belang geweest voor de totstandbrenging van de interne markt voor plantaardig teeltmateriaal in de Europese Unie.
(2) De effectbeoordelingen die de Commissie in 2013 en 2023 heeft uitgevoerd, hebben bevestigd dat deze richtlijnen een aanzienlijk effect hebben gehad op het vrije verkeer, de beschikbaarheid en de hoge kwaliteit van plantaardig teeltmateriaal op de markt van de Unie en aldus de handel in plantaardig teeltmateriaal binnen de Unie hebben vergemakkelijkt.
(3) De regels voor de productie en het in de handel brengen van plantaardig teeltmateriaal moeten echter worden aangepast aan de wetenschappelijke en technische ontwikkelingen wat betreft productietechnieken in de land- en tuinbouw en de plantenveredeling. Bovendien moet de wetgeving worden aangepast aan veranderingen van internationale normen en overeenkomstig de ervaring die met de toepassing van de richtlijnen inzake plantaardig teeltmateriaal is opgedaan. Deze regels moeten worden verduidelijkt om een meer geharmoniseerde uitvoering mogelijk te maken. Daarom moeten de richtlijnen voor het in de handel brengen van plantaardig teeltmateriaal worden vervangen door één verordening betreffende de productie en het in de handel brengen van plantaardig teeltmateriaal in de Unie.
(4) Plantaardig teeltmateriaal is het uitgangsmateriaal voor de plantaardige productie in de Unie. Daarom is het van cruciaal belang voor de productie van grondstoffen voor levensmiddelen en diervoeders en voor het efficiënte gebruik van plantaardige hulpbronnen. Plantaardig teeltmateriaal draagt bijheeft tot doel bij te dragen tot de bescherming van het milieu en de kwaliteit van de voedselketen en de voedselvoorziening in de Unie als geheel. In dit verband zijnis de beschikbaarheid, kwaliteit en van een diversiteit vanaan plantaardig teeltmateriaal van hoge kwaliteit, met inbegrip van plaatselijk aangepaste rassen die het voordeel kunnen hebben dat zij een grotere tolerantie hebben voor biotische en abiotische druk, van het grootste belang voor de transitie naar duurzame voedselsystemen, waar in de “van boer tot bord”-strategie(13) op ingezet wordt, en voor de landbouw, de tuinbouw, de bescherming van het milieu, de matiging van en aanpassing aan klimaatverandering, de voedsel- en diervoederzekerheid en de economie in het algemeen. [Am. 3]
(5) Om deze transitie naar duurzame voedselsystemen te kunnen verwezenlijken, moet in de wetgeving van de Unie rekening worden gehouden met de noodzaak om ervoor te zorgen dat op het niveau van de lidstaten en de Unie de productie van plantaardig teeltmateriaal kan worden aangepast aan de veranderende landbouw-, tuinbouw- en milieuomstandigheden, om de uitdagingen in verband met klimaatverandering het hoofd te bieden, om de biodiversiteit te beschermen en, te herstellen en te bevorderen en voedselzekerheid te waarborgen, om tegemoet te komen aan de groeiende verwachtingen van landbouwers en consumenten met betrekking tot de kwaliteit, diversiteit en duurzaamheid van plantaardig teeltmateriaal. Deze verordening moet innovatie stimuleren voor de ontwikkeling van robuust plantaardig teeltmateriaal dat bijdraagt tot de verbetering van gewassen die de bodemgezondheid bevorderen. [Am. 4]
(6) Deze verordening mag alleen van toepassing zijn op plantaardig teeltmateriaal van bepaalde geslachten en soorten die van groter economisch en sociaal belang zijn. Dat belang moet worden beoordeeld door te bepalen of dergelijke geslachten en soorten een significant productiegebied en een significante waarde in de Unie vertegenwoordigen, wat hun rol is voor het veiligstellen van de voedsel- en diervoederproductie in de Unie en of zij in ten minste twee lidstaten in de handel worden gebracht. Bij het productiegebied en de waarde kunnen verschillende technische aspecten worden meegewogen. Afhankelijk van de omstandigheden kunnen de berekeningen worden gebaseerd op factoren zoals de totale omvang van de productieve grond in verschillende gebieden van de Unie, de handelswaarde van plantaardig teeltmateriaal voor specifieke sectoren, of de vraag van landbouwers, eindgebruikers en de industrie naar die soorten.
(7) Die geslachten en soorten moeten in een lijst worden opgenomen en worden ingedeeld op basis van de beoogde gebruiksdoeleinden als landbouwgewassen, groenten, fruitgewassen of wijnstokken. Die indeling is noodzakelijk om een evenredige aanpak te waarborgen, aangezien sommige soorten alleen voor bepaalde toepassingen belangrijk zijn.
(8) Bovendien kunnen sommige rassen bepaalde kenmerken hebben die, wanneer zij onder bepaalde omstandigheden worden geteeld, ongewenste agronomische effecten kunnen hebben die afbreuk zouden doen aan de doelstelling van de verordening om bij te dragen tot de duurzaamheid van de landbouwproductie. Die doelstelling kan alleen worden gerealiseerd als voor de teelt van dergelijke rassen passende voorwaarden gelden om ongewenste agronomische effecten te voorkomen. Die voorwaarden moeten gelden voor de teelt van die rassen voor de productie van levensmiddelen, diervoeders of industriële materialen, en niet alleen wanneer zij bestemd zijn voor de productie en het in de handel brengen van plantaardig teeltmateriaal. Daarom moet deze verordening betrekking hebben op de voorwaarden die van toepassing zijn op de teelt van die rassen, ook voor de productie van levensmiddelen, diervoeders of andere producten.
(9) Plantaardig teeltmateriaal moet ruim worden gedefinieerd en alle planten omvatten die in staat en bedoeld zijn om volledige planten voort te brengen. Deze verordening moet daarom ook van toepassing zijn op zaad en op alle andere vormen van planten in elk groeistadium, die bedoeld en in staat zijn om volledige planten voort te brengen.
(10) Bosbouwkundig teeltmateriaal hoort niet onder deze verordening te vallen vanwege de bijzondere kenmerken ervan en de sterk verschillende concepten en terminologie in die context. Daarom geldt voor bosbouwkundig teeltmateriaal een afzonderlijke rechtshandeling, namelijk Verordening (EU).../... van het Europees Parlement en de Raad(14)(15).
(11) Teeltmateriaal van siergewassen moet niet onder deze verordening vallen, omdat na overleg met de lidstaten en belanghebbenden is geconcludeerd dat Richtlijn 98/56/EG van de Raad(16) nog steeds voldoende in de behoeften van die sector voorziet.
(12) Deze verordening moet niet van toepassing zijn op plantaardig teeltmateriaal dat naar derde landen wordt uitgevoerd, en ook niet op plantaardig teeltmateriaal dat uitsluitendwordt verkocht of op enigerlei wijze wordt gebruiktovergedragen voor officiële tests, veredeling, inspecties, tentoonstellingen of wetenschappelijke doeleinden, met inbegrip van onderzoek op landbouwbedrijven. De reden hiervoor is dat voor dergelijke categorieën plantaardig teeltmateriaal geen specifieke geharmoniseerde normen betreffende identiteit of kwaliteit vereist zijn en de identiteit en kwaliteit van ander in de Unie in de handel gebracht plantaardig teeltmateriaal hierdoor niet in het gedrang komt. [Am. 5]
(13) Deze verordening mag niet van toepassing zijn op plantaardig teeltmateriaal dat wordt verkocht of op enigerlei wijze, al dan niet kosteloos, wordt overgedragen tussen personen voor hun eigen privégebruik en buiten hun handelsactiviteiten om. Het zou onevenredig zijn om regels vast te stellen voor een dergelijk gebruik van plantaardig teeltmateriaal, aangezien dit soort overdracht doorgaans beperkt blijft tot zeer kleine hoeveelheden, geen commerciële doeleinden heeft en privéactiviteiten betreft.
(13 bis) Deze verordening mag niet van toepassing zijn op plantaardig teeltmateriaal waartoe toegang wordt verkregen of dat wordt verkocht of op enigerlei wijze, in beperkte hoeveelheden zoals vastgesteld in bijlage VII bis, al dan niet kosteloos, wordt overgedragen met het oog op dynamische instandhouding, aangezien voor dat type plantaardig teeltmateriaal geen specifieke geharmoniseerde normen betreffende identiteit of kwaliteit vereist zijn en de identiteit en kwaliteit van ander in de Unie in de handel gebracht plantaardig teeltmateriaal hierdoor niet in het gedrang komt. [Am. 6]
(14) Om de gebruikers in staat te stellen geïnformeerde keuzes te maken, mag plantaardig teeltmateriaal alleen geproduceerd en in de handel gebracht worden als het behoort tot rassen die in een nationaal rassenregister zijn geregistreerd.
(15) Het is echter passend om, waar nodig, onderstammen vrij te stellen van de verplichting om tot een ras te behoren, aangezien zij, hoewel zij wel degelijk een aanzienlijke waarde vertegenwoordigen, vaak niet onder de definitie van een ras vallen.
(16) Om de identiteit, kwaliteit en transparantie te waarborgen en om de gebruikers in staat te stellen geïnformeerde keuzes te maken, moet plantaardig teeltmateriaal in de regel geproduceerd of in de handel gebracht worden in vooraf bepaalde categorieën. Deze categorieën moeten de verschillende productiefasen en kwaliteitsniveaus weerspiegelen en, op basis van de internationaal vastgestelde terminologie, worden aangeduid als “prebasis-”, “basis-”, “gecertificeerd” en “standaardzaad”, en “prebasis-”, “basis-”, “gecertificeerd” en “standaardmateriaal” in het geval van ander plantaardig teeltmateriaal dan zaden.
(17) Plantaardig teeltmateriaal van elk van deze categorieën moet geproduceerd en in de handel gebracht worden overeenkomstig de toepasselijke internationale normen, teneinde het hoogst mogelijke niveau voor de identificatie en kwaliteit te waarborgen en in overeenstemming te zijn met de meest recente technische en wetenschappelijke ontwikkelingen. Deze normen moeten onder meer, waar van toepassing, de OESO-programma’s voor de certificering van rassen van zaaizaad in het internationale handelsverkeer(17) (hierna de “OESO-programma’s voor zaaizaad” genoemd), de normen voor pootaardappelen van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (VN/ECE) en de voorschriften voor bemonstering en tests van de International Seed Testing Association (ISTA) omvatten.
(18) Overeenkomstig die normen moet de overeenstemming van plantaardig teeltmateriaal met de voorschriften voor de categorieën prebasis-, basis- en gecertificeerd zaad of materiaal worden bevestigd door inspecties, bemonstering, tests en officiële tests met controlepercelen door de bevoegde autoriteiten (“officiële certificering”) en met een officieel etiket worden gecertificeerd.
(18 bis) Er moeten ook regels worden vastgesteld voor de in-vitroproductie van klonen en het in de handel brengen hiervan. [Am. 7]
(19) Er moeten specifieke regels worden vastgesteld voor de productie en het in de handel brengen van klonen, geselecteerde klonen, multiklonale mengsels en polyklonaal plantaardig teeltmateriaal, vanwege hun toegenomen belang en gebruik in de sector plantaardig teeltmateriaal. Om te zorgen voor transparantie, gebruikers in staat te stellen geïnformeerde keuzes te maken en doeltreffende officiële controles mogelijk te maken, moeten de geselecteerde klonen en polyklonaal plantaardig teeltmateriaal worden geregistreerd in een speciaal openbaar register dat door de bevoegde autoriteiten wordt opgezet. Er moeten ook regels voor de instandhouding van klonen worden vastgesteld om het behoud en de identificatie ervan te waarborgen. [Am. 8]
(20) Professionele exploitanten moeten door de bevoegde autoriteit gemachtigd worden om onder officieel toezicht certificering uit te voeren van plantaardig teeltmateriaal dat tot bepaalde soorten en categorieën behoort en het officiële etiket af te drukken. Er moeten regels worden vastgesteld voor het respectieve officiële toezicht door de bevoegde autoriteit en voor de intrekking of wijziging van die machtiging. Deze regels zijn noodzakelijk om ervoor te zorgen dat het hele certificeringssysteem doeltreffend functioneert.
(21) Om de maximale mate van zuiverheid en homogeniteit voor plantaardig teeltmateriaal te waarborgen, moet plantaardig teeltmateriaal in afzonderlijke partijen en gescheiden van ander materiaal dan plantaardig teeltmateriaal, zoals graan voor levensmiddelen of diervoeders, worden bewaard.
(22) Gezien de grote verscheidenheid aan plantaardig teeltmateriaal moeten professionele exploitanten de partijen plantaardig teeltmateriaal in de handel kunnen brengen in de vorm van afzonderlijke planten, verpakkingen, bundels of recipiënten, of in bulk.
(23) Er moeten voorschriften voor de etikettering van plantaardig teeltmateriaal worden vastgesteld om ervoor te zorgen dat het materiaal per categorie op passende wijze wordt geïdentificeerd aan de hand van de verklaring dat is voldaan aan de respectieve voorschriften inzake prebasis-, basis-, gecertificeerd en standaardzaad en -materiaal.
(24) In het geval van prebasis-, basis- en gecertificeerd zaad en materiaal moet door de bevoegde autoriteit een officieel etiket worden afgegeven, terwijl voor standaardzaad of -materiaal een etiket van de exploitant moet worden afgegeven. Dit is noodzakelijk om een onderscheid te kunnen maken tussen plantaardig teeltmateriaal dat onderworpen is aan certificering (officiële certificering of certificering onder officieel toezicht) en plantaardig teeltmateriaal dat onder de verantwoordelijkheid van de professionele exploitant wordt geproduceerd. Met de afgifte van een specifiek etiket wordt het professionele exploitanten en consumenten die plantaardig teeltmateriaal van verschillende normen willen selecteren, mogelijk gemaakt geïnformeerde keuzes te maken. Hiermee wordt ook het werk van de bevoegde autoriteiten vergemakkelijkt wat betreft het vormgeven van hun officiële controles overeenkomstig de respectieve voorschriften voor elke categorie.
(25) Het officiële etiket moet worden afgedrukt en aangebracht door erkende professionele exploitanten en onder officieel toezicht van de bevoegde autoriteiten. Aangezien echter sommige professionele exploitanten wellicht niet over de middelen beschikken om alle certificeringsactiviteiten uit te voeren en officiële etiketten af te drukken, moet worden bepaald dat de bevoegde autoriteiten op verzoek van professionele exploitanten ook die certificeringsstappen mag uitvoeren.
(26) Er moeten regels worden vastgesteld met betrekking tot de inhoud en de vorm van het officiële etiket en het etiket van de exploitant, om te zorgen voor een uniforme toepassing van de voorschriften voor respectievelijk de productie en het in de handel brengen van elke categorie en voor de identificatie van die etiketten.
(27) Op elk officieel etiket en elk etiket van de exploitant moet een serienummer worden weergegeven om de juiste identificatie en traceerbaarheid van het desbetreffende plantaardig teeltmateriaal en de doeltreffendheid van de officiële controles te waarborgen.
(28) De richtlijnen voor het in de handel brengen van plantaardig teeltmateriaal en de internationale praktijk en normen schrijven voor dat zaden van bepaalde soorten alleen geproduceerd en in de handel gebracht worden als prebasis-, basis- of gecertificeerd zaad, gezien het belang van die soorten voor de voedselzekerheid en de industriële verwerking, en ter bescherming van de belangen van de landbouwers die er gebruik van maken. Daarom mogen bepaalde zaden alleen als prebasis-, basis- of gecertificeerd zaad geproduceerd en in de handel gebracht worden indien de kosten voor de productie en het in de handel brengen ervan in verhouding staan tot het doel om te zorgen voor kwaliteitszaad voor de landbouwers en de voedsel- en diervoederzekerheid, of in verhouding staan tot het doel om hoogwaardige industriële verwerking te waarborgen. Deze kosten moeten ook in verhouding staan tot het bereiken van de hoogste normen inzake identiteit en kwaliteit van het zaad, in overeenstemming met de vereisten voor prebasis-, basis- en gecertificeerd zaad. Daarom moet een lijst worden opgesteld van de zaadsoorten waarvoor zaad alleen als prebasis-, basis- of gecertificeerd zaad geproduceerd en in de handel gebracht mag worden.
(29) Zaden worden vaak in mengsels van rassen van dezelfde soort of in soortenmengsels in de handel gebracht. Zaden van onder deze verordening vallende geslachten of soorten mogen echter alleen in mengsels met zaden van onder deze verordening vallende geslachten of soorten geproduceerd en in de handel gebracht worden. Dit is noodzakelijk om ervoor te zorgen dat de respectieve productie- en handelsnormen worden nageleefd. De lidstaten moeten echter de mogelijkheid hebben om de productie en het in de handel brengen van een mengsel van onder deze verordening vallende zaden en niet onder de verordening vallende zaden toe te staan, met het oog op de instandhouding van genetische hulpbronnen en het behoud van het natuurlijke milieu. Deze soorten zijn in deze gevallen de soorten die het meest geschikt zijn voor dat behoud. Er moeten regels voor die mengsels worden vastgesteld om de identiteit en kwaliteit ervan te waarborgen.
(30) Er moeten voorschriften worden vastgesteld voor het herverpakken en heretiketteren van prebasis-, basis- en gecertificeerd zaad, om te waarborgen dat de identiteit en kwaliteit van het betrokken plantaardig teeltmateriaal tijdens die handelingen niet veranderen.
(31) Er moeten tests met controlepercelen worden uitgevoerd om de rasechtheid en raszuiverheid van de afzonderlijke partijen zaad te verifiëren. Voor dergelijke tests op prebasis-, basis-, gecertificeerd zaad en standaardzaad moeten specifieke regels worden vastgesteld op basis van de toepasselijke internationale normen en de ervaring die is opgedaan met de toepassing van de richtlijnen voor het in de handel brengen van plantaardig teeltmateriaal.
(32) Bepaalde soorten rassen voldoen niet aan de vastgestelde vereisten inzake onderscheidbaarheid, homogeniteit en bestendigheid. Zij zijn echter belangrijk voor de instandhouding en het duurzame gebruik van plantgenetische hulpbronnen, die cruciaal zijn voor de genetische diversiteit van gewassen en essentieel zijn bij de aanpassing aan milieuveranderingen en toekomstige behoeften. Het gaat om van oudsher of sinds kort plaatselijk geteelde rassen die onder specifieke plaatselijke omstandigheden worden geteeld en aan die omstandigheden zijn aangepast. Zij worden met name gekenmerkt door een minder uniforme verschijning door een hoogvoldoende niveau van genetische en fenotypische diversiteit tussen afzonderlijke teelteenheden. Deze rassen worden “instandhoudingsrassen” genoemd. Er zij op gewezen dat de instandhouding van genetische hulpbronnen een dynamisch proces is en dat nieuw gekweekte rassen die zijn aangepast aan plaatselijke omstandigheden, moeten worden opgenomen. De productie en het in de handel brengen van deze rassen dragen bij tot de verwezenlijking van de doelstellingen van het Internationaal Verdrag inzake plantgenetische hulpbronnen voor voeding en landbouw om het behoud en duurzaam gebruik van plantgenetische hulpbronnen voor voeding en landbouw te bevorderen(18). Als partij bij het Verdrag heeft de Unie zich ertoe verbonden deze doelstellingen te ondersteunen. [Am. 9]
(33) In het licht van die bijzondere kenmerken van de instandhoudingsrassen en in afwijking van de vastgestelde voorschriften voor de productie en het in de handel brengen, moet de productie en het in de handel brengen van plantaardig teeltmateriaal dat tot deze rassen behoort onder minder strenge voorschriften worden toegestaan. Die doelstelling is in overeenstemming met de beginselen van de Europese Green Deal, en met name met het beginsel van bescherming van de biodiversiteit. Het is daarom passend toe te staan dat materiaal moet voldoen aan de voorschriften voor standaardmateriaal van de desbetreffende soort. Het etiket van dat plantaardig teeltmateriaal dat tot instandhoudingsrassen behoort, moet daarom de vermelding “instandhoudingsrassen” bevatten. Deze rassen moeten ook worden geregistreerd, zodat zij door de bevoegde autoriteiten kunnen worden beheerd, de gebruikers geïnformeerde keuzes kunnen maken en de doeltreffendheid van de officiële controles kan worden gewaarborgd.
(34) Uit de ervaring met de toepassing van de richtlijnen voor het in de handel brengen is gebleken dat eindgebruikers van plantaardig teeltmateriaal (amateurtuiniers en anderen) vaak geïnteresseerd zijn in het gebruik van meer divers plantaardig teeltmateriaal dat beantwoordt aan verschillende behoeften, zonder noodzakelijkerwijs dezelfde kwaliteit als de professionele exploitanten te vereisen. Daarom is het passend om, in afwijking van bepaalde regels, toe te staan dat plantaardig teeltmateriaal aan eindgebruikers wordt verhandeld zonder dat het hoeft te voldoen aan de voorschriften voor de registratie van rassen, de certificeringsvoorschriften of de voorschriften voor standaardmateriaal. Die afwijking is noodzakelijk om te zorgen voor een grotere verscheidenheid van het aanbod voor de consument, met inachtneming van de algemene kwaliteitseisen. Bovendien moeten, met het oog op de transparantie en beter beheer, regels worden vastgesteld voor de verpakking en etikettering van plantaardig teeltmateriaal dat uitsluitend bestemd is voor eindgebruikers. Om dezelfde reden moeten professionele exploitanten die gebruikmaken van deze afwijking voor het in de handel brengen aan eindgebruikers, de bevoegde autoriteiten van die activiteit in kennis stellen.
(35) Er zijn In de Unie zijn er veel genenbanken, organisaties en netwerken voor deactief die zich op dynamische instandhouding van plantgenetische hulpbronnen in de Unie actiefrichten. Om hun activiteiten te vergemakkelijken, is het passend toe te staan dat plantaardig teeltmateriaal dat aan hen, door hen of tussen hen, wordt verhandeld, afwijkt van de vastgestelde voorschriften voor de productie en het in de handel brengen daarvan, en dat het in plaats daarvan aan minder strenge regels voldoet. [Am. 10]
(36) Landbouwers wisselen regelmatig kleine hoeveelheden zaad in natura of tegen een geldelijke vergoeding uit vanuit een dynamisch beheer van hun eigen zaaigoed. Het is derhalve passend teplantaardig teeltmateriaal. Daarom moet worden voorzien in een afwijking van de vastgestelde voorschriften, voor de uitwisseling van kleine hoeveelheden zaadplantaardig teeltmateriaal tussen landbouwers, waarbij de maximumhoeveelheden op het niveau van de Unie moeten worden vastgesteld. Een dergelijke afwijking is mogelijk indien dat zaadplantaardig teeltmateriaal niet behoort tot een ras waarvoor overeenkomstig Verordening (EG) nr. 2100/94 van de Raad kwekersrechten zijn verleend(19). De lidstaten moeten de mogelijkheid krijgen om die kleine hoeveelheden voor specifieke soorten per jaarbevoegdheid om, overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), handelingen vast te stellen om ervoor te zorgen dat er geen misbruik wordt gemaakt van een dergelijke afwijking met gevolgen voor het in de handel brengen van zadenmet betrekking tot het aanvullen van deze verordening moet aan de Commissie worden gedelegeerd, teneinde voor elke soort de maximumhoeveelheid vast te stellen die mag worden uitgewisseld. [Am. 11]
(37) Volgens de richtlijnen voor het in de handel brengen van plantaardig teeltmateriaal zijn afwijkingen van de vastgestelde voorschriften toegestaan voor het in de handel brengen van plantaardig teeltmateriaal: dat tot nog niet geregistreerde rassen behoort, van rassen die nog niet volledig zijn getest, van zaad dat niet aan de toepasselijke vereisten voldoet om snel op de markt te worden aangeboden, van zaad dat nog niet definitief is gecertificeerd, van plantaardig teeltmateriaal waarvoor een tijdelijke toestemming wordt verleend om tijdelijke voorzieningsproblemen aan te pakken, en van plantaardig teeltmateriaal dat bestemd is voor het uitvoeren van tijdelijke experimenten om betere alternatieven te vinden voor sommige bepalingen van de toepasselijke wetgeving met betrekking tot de vereisten waaraan plantaardig teeltmateriaal moet voldoen om tot een geregistreerd ras te behoren, en om te voldoen aan bepaalde vereisten betreffende identiteit en kwaliteit. Deze afwijkingen zijn voor de professionele exploitanten en de bevoegde autoriteiten nuttig en noodzakelijk geweest, zonder problemen op te leveren voor de interne markt voor plantaardig teeltmateriaal. Daarom moeten zij in stand worden gehouden. Er moeten voorwaarden met betrekking tot die afwijkingen worden vastgesteld om ervoor te zorgen dat er geen misbruik van wordt gemaakt en dat zij geen negatieve gevolgen hebben voor de interne markt voor plantaardig teeltmateriaal.
(38) Het gebruik van plantaardig teeltmateriaal dat niet tot een ras behoort overeenkomstig deze verordening, maar tot een plantengroep binnen één botanisch taxon, met een hoog niveau van genetische en fenotypische diversiteit tussen afzonderlijke teelteenheden (“heterogeen materiaal”), kan voordelen opleveren, met name in de biologische productie en in landbouw die weinig productiemiddelen vraagt, doordat de veerkracht wordt verbeterd en de genetische diversiteit van de geteelde planten binnen dezelfde soort wordt vergroot. Daarom moet het toegestaan zijn plantaardig teeltmateriaal van heterogeen materiaal, met uitzondering van groenvoedergewassen, te produceren en in de handel te brengen zonder te hoeven voldoen aan de voorschriften voor de registratie van rassen of de andere voorschriften betreffende de productie en het in de handel brengen van deze verordening. Er moeten specifieke voorschriften worden vastgesteld voor de productie en het in de handel brengen van dat materiaal. [Am. 12]
(38 bis) Heterogeen materiaal mag niet bestaan uit een ggo of een NGT-plant van categorie 1 of 2 zoals gedefinieerd in Verordening (EU) .../... van het Europees Parlement en de Raad(20)(21) [NGT-verordening]. [Am. 13]
(39) De productie en het in de handel brengen van plantaardig teeltmateriaal in de Unie moeten voldoen aan de hoogst mogelijke normen. Daarom moet de invoer van plantaardig teeltmateriaal uit derde landen alleen worden toegestaan als uit een beoordeling van de toepasselijke normen inzake identiteit en kwaliteit en het certificeringssysteem blijkt, dat dit plantaardig teeltmateriaal voldoet aan voorschriften die gelijkwaardig zijn aan die welke van toepassing zijn op plantaardig teeltmateriaal dat in de Unie geproduceerd en in de handel gebracht wordt. Als basis voor deze beoordeling moet de door het derde land verstrekte informatie en de desbetreffende wetgeving grondig worden bestudeerd. Daarnaast moet, indien de Commissie dat nodig acht, in het betrokken derde land een audit worden verricht en moet die audit een bevredigend resultaat hebben.
(40) Er moeten regels worden vastgesteld met betrekking tot de etikettering en de informatie die bij het ingevoerde plantaardig teeltmateriaal moet worden verstrekt, met het oog op correcte identificatie, traceerbaarheid en geïnformeerde keuzes voor gebruikers en om officiële controles mogelijk te maken.
(41) Met het oog op de transparantie en om de productie en het in de handel brengen van plantaardig teeltmateriaal doeltreffender te kunnen controleren, moeten professionele exploitanten geregistreerd worden. Het is passend dat zij zich registreren in de registers die door de lidstaten zijn ingesteld op grond van Verordening (EU) 2016/2031 van het Europees Parlement en de Raad(22), teneinde de administratieve lasten voor die professionele exploitanten te verminderen. Dit is ook evenredig omdat de overgrote meerderheid van de professionele exploitanten die plantaardig teeltmateriaal produceren en in de handel brengen, reeds zijn ingeschreven in de registers van professionele marktdeelnemers van die verordening.
(42) Er moeten specifieke evenredige verplichtingen worden ingevoerd voor professionele exploitanten die actief zijn op het gebied van de productie met het oog op het in de handel brengen en het in de handel brengen van plantaardig teeltmateriaal, om ervoor te zorgen dat zij verantwoording afleggen, dat de officiële controles doeltreffender worden en dat deze verordening correct wordt toegepast. Er moet echter rekening worden gehouden met de specifieke kenmerken en beperkingen van micro-ondernemingen. [Am. 14]
(43) De ervaring heeft geleerd dat de betrouwbaarheid en kwaliteit van het plantaardig teeltmateriaal dat in de handel wordt gebracht, in het gedrang kunnen komen als het onmogelijk is materiaal dat niet aan de geldende normen voldoet, te traceren. Daarom moet een alomvattend traceerbaarheidssysteem worden opgezet dat het uit de handel nemen van producten of het verstrekken van informatie aan gebruikers van plantaardig teeltmateriaal of bevoegde autoriteiten mogelijk maakt. Het moet dan ook verplicht worden gesteld voor de professionele exploitanten om informatie en documentatie over overdrachten van en naar professionele gebruikers bij te houden. Een dergelijke administratie moeten bijhouden is echter niet geschikt voor de praktijk in de detailhandel.
(44) Het is belangrijk ervoor te zorgen dat in de regel voor al het plantaardig teeltmateriaal van de geslachten en soorten die binnen het toepassingsgebied van deze verordening vallen, geldt dat het ras waartoe dat plantaardig teeltmateriaal behoort, moet zijn geregistreerd, de beschrijving van dat ras moet kloppen en de overeenkomstige regels moeten worden nageleefd.
(45) Rassen moeten worden geregistreerd in een nationaal rassenregister, zodat de gebruikers geïnformeerde keuzes kunnen maken en de officiële controles doeltreffender zijn.
(46) Het nationale rassenregister moet twee soorten rassen omvatten: rassen die op basis van een officiële beschrijving zijn geregistreerd, indien zij voldoen aan de vereisten van onderscheidbaarheid, homogeniteit en bestendigheid, en rassen die zijn geregistreerd op basis van een officieel erkende beschrijving, voor instandhoudingsrassen. Het bestaan van deze twee verschillende beschrijvingen is noodzakelijk om de twee categorieën rassen te scheiden, waarbij de eerste is gebaseerd op de resultaten van de tests op onderscheidbaarheid, homogeniteit en bestendigheid, en de andere is gebaseerd op historische gegevens over het gebruik van het ras en de praktische ervaring die ermee is opgedaan. Bovendien kan een dergelijke aanpak de nodige informatie verschaffen over de kenmerken van de rassen en hun identiteit.
(47) De geregistreerde rassen moeten door de bevoegde autoriteiten via het EU-portaal voor plantenrassen EUPVP verder worden gemeld aan het EU-rassenregister, om te zorgen voor een overzicht van alle rassen die in de Unie in de handel mogen worden gebracht.
(48) Herbicidetolerante rassen zijn rassen die zodanig zijn gekweekt dat zij opzettelijk tolerant zijn voor herbiciden, zodat zij kunnen worden geteeld in combinatie met het gebruik van die herbiciden. Teelt die niet onder de juiste omstandigheden plaatsvindt, kan leiden tot het ontstaan van onkruid dat resistent is tegen die herbiciden, de verspreiding van dergelijke resistentiegenen in het milieu of de noodzaak om grotere hoeveelheden pesticide te gebruiken. Aangezien deze verordening tot doel heeft bij te dragen tot de duurzaamheid van de landbouwproductie, moeten de bevoegde autoriteiten van de lidstaten die verantwoordelijk zijn voor de registratie van rassen en de lidstaten waar de rassen zullen worden geteeld, de teelt van dergelijke rassen op hun grondgebied kunnen onderwerpen aan passende voorwaarden waarmee die ongewenste effecten kunnen worden voorkomen. Bovendien moeten rassen die andere bijzondere kenmerken dan de tolerantie voor herbiciden hebben met mogelijke ongewenste agronomische effecten, eveneens voldoen aan bepaalde voorwaarden voor de teelt, teneinde die agronomische effecten aan te pakken. Die voorwaarden moeten gelden voor de teelt van die rassen voor welk doeleinde dan ook, waaronder de productie van levensmiddelen, diervoeders en andere producten, en niet alleen wanneer zij bestemd zijn voor de productie en het in de handel brengen van plantaardig teeltmateriaal. Dit is noodzakelijk om de doelstellingen van deze verordening te verwezenlijken om bij te dragen tot een duurzame landbouwproductie na het stadium van de productie en het in de handel brengen van plantaardig teeltmateriaal. [Am. 15]
(49) Om bij te dragen tot de duurzaamheid van de landbouwproductie en tegemoet te komen aan de economische, ecologische en bredere maatschappelijke behoeften, moeten nieuwe rassen van alle geslachten en soorten met betrekking tot bepaalde aspectenagronomische, gebruiks- en milieuaspecten een verbetering vertonen ten opzichte van de andere rassen van dezelfde geslachten of soorten die in hetzelfde nationale rassenregister geregistreerd zijn. Tot die aspecten behoren de opbrengst, met inbegrip van opbrengststabiliteit en opbrengst onder omstandigheden die weinig productiemiddelen vergen; tolerantie/resistentie tegen biotische druk, onder meer tegen plantenziekten veroorzaakt door nematoden, schimmels, bacteriën, virussen, insecten en andere plaagorganismen; tolerantie voor of resistentie tegen abiotische druk, met inbegrip van aanpassing aan klimaatveranderingsgerelateerde omstandigheden; efficiënter gebruik van natuurlijke hulpbronnen, zoals water en nutriënten; verminderde behoefte aan externe productiemiddelen, zoals gewasbeschermingsmiddelen en meststoffen; kenmerken die de duurzaamheid van teelt, oogst, opslag, verwerking en, distributie en gebruik verbeteren,; en kwaliteit of voedingskenmerken (“waarde voor duurzame teelt en duurzaam gebruik”), of kenmerken die voor verwerking van belang zijn. Ten behoeve van het oordeel over de registratie van het ras en om voldoende flexibiliteit te bieden voor de registratie van rassen met de meest wenselijke kenmerken, moeten deze aspecten worden beoordeeld voor een bepaald ras in zijn geheel. Gezien de aanzienlijke middelen en voorbereiding die voor dat onderzoek nodig zijn, moet het voor soorten die zijn opgenomen in de delen B en C van bijlage I op vrijwillige basis worden uitgevoerd. [Am. 16]
(50) Aangezien voor biologische productie geschikte biologische rassen, zoals gedefinieerd in artikel 3 van Verordening (EU) 2018/848, gekenmerkt worden door een hoog niveau van genetische en fenotypische diversiteit tussen de afzonderlijke teelteenheden, is het passend dat voor de registratie ervan aangepaste normen voor hun onderscheidbaarheid, homogeniteit en bestendigheid moeten gelden, met name wat betreft de vereiste homogeniteit. Om deze rassen beter af te stemmen op de specifieke behoeften van de biologische productie, moet daarnaast de beoordeling van de waarde voor duurzame teelt en duurzaam gebruik onder biologische omstandigheden worden verricht.
(51) Met het oog op de efficiëntie en om de administratieve lasten te verlichten, moeten rassen waarvoor op grond van artikel 62 van Verordening (EG) nr. 2100/94 van de Raad of op grond van de wetgeving van een lidstaat een kwekersrecht is verleend, voor de toepassing van de deze verordening worden geacht onderscheidbaar, homogeen en bestendig te zijn en een geschikte benaming te hebben.
(52) De procedure voor de registratie van rassen moet nauwkeurig worden bepaald om rechtszekerheid voor de aanvragers en de bevoegde autoriteiten en een gelijk speelveld voor alle aanvragers te waarborgen. Daarom moeten regels worden vastgesteld betreffende de indiening, de inhoud, het formele onderzoek en de datum van indiening van de aanvragen, technische onderzoeken, de audit van de werklocaties en organisatie van de bevoegde autoriteit, aanvullende regels inzake technisch onderzoek, de vertrouwelijkheid, het voorlopig onderzoeksverslag en de voorlopige officiële beschrijving, het onderzoeksverslag en de definitieve officiële beschrijving, het onderzoek voor de benaming van een ras en het besluit over de registratie van een ras in het nationale rassenregister.
(53) Met het oog op de efficiëntie en om de administratieve lasten voor de bevoegde autoriteiten en de aanvragers te verminderen, moeten de bevoegde autoriteiten alle rassen die vóór de inwerkingtreding van deze verordening officieel zijn aanvaard of geregistreerd, in hun nationale rassenregisters registreren, in de (rassen)lijsten of registers die door hun respectieve lidstaten overeenkomstig de Richtlijnen 2002/53/EG, 2002/55/EG, 2008/90/EG en 68/193/EEG zijn opgesteld. Aangezien deze rassen al in de Unie in de handel worden gebracht en door landbouwers en andere professionele exploitanten worden gebruikt, mogen zij niet aan een nieuwe registratieprocedure worden onderworpen.
(54) Er moeten regels worden vastgesteld voor het technisch onderzoek van rassen om te kunnen vaststellen of zij onderscheidbaar, homogeen en bestendig zijn. Gezien het belang van dit onderzoek voor de rassenveredelingssector en het feit dat de resultaten worden meegenomen in de officiële beschrijving, mag dat technisch onderzoek alleen door de bevoegde autoriteit worden verricht.
(55) Het technisch onderzoek naar voldoende waarde voor duurzame teelt en duurzaam gebruik van een ras moet echter op de werklocaties van de aanvrager en onder officieel toezicht van de bevoegde autoriteit kunnen worden uitgevoerd. Dit is noodzakelijk om de administratieve lasten te verlichten, de beschikbaarheid van testfaciliteiten te waarborgen en de kosten voor de bevoegde autoriteiten te beperken. De bevoegde autoriteit moet echter de verantwoordelijkheid hebben wat betreft de testopstellingen. Bovendien hebben professionele exploitanten die betrokken zijn bij het kweken van nieuwe rassen, ook op basis van hun samenwerking met de bevoegde autoriteiten, bewezen gekwalificeerd te zijn om dergelijke onderzoeken uit te voeren, aangezien zij over de benodigde deskundigheid, kennis en passende middelen beschikken.
(56) Om de geloofwaardigheid en de hoge kwaliteit van de onderzoeken op onderscheidbaarheid, homogeniteit en bestendigheid te waarborgen, moeten de werklocaties van de bevoegde autoriteiten waar die tests plaatsvinden, worden geauditeerd door het Communautair Bureau voor plantenrassen (“CPVO”). De werklocaties van de aanvragers waar het onderzoek naar voldoende waarde voor duurzame teelt en duurzaam gebruik onder officieel toezicht plaatsvindt, moeten door de respectieve bevoegde autoriteiten worden geauditeerd om na te gaan of aan de toepasselijke voorschriften wordt voldaan.
(57) De duur van de registratie van een ras moet tien jaar bedragen om innovatie in de veredelingssector aan te moedigen, en te stimuleren dat oude rassen van de markt verdwijnen en door nieuwe rassen worden vervangen. Deze duur moet echter dertig jaar bedragen voor rassen van geslachten of soorten fruitgewassen en wijnstokken en voor instandhoudingsrassen, vanwege de langere tijd die nodig is om de productiecyclus van die geslachten of soorten te voltooien. [Am. 18]
(58) Het moet mogelijk zijn om op verzoek van een belanghebbende de duur van de registratie van een ras te verlengen om de verdere verhandeling van bepaalde rassen mogelijk te maken indien de noodzaak daarvoor wordt vastgesteld en zij nog steeds aan de toepasselijke voorschriften voldoen.
(59) Er moeten regels worden vastgesteld voor de instandhouding van rassen volgens de gebruikelijke praktijken. Dit is noodzakelijk om de rasechtheid te waarborgen voor de duur van de registratie, hetgeen alleen verzekerd is als de instandhouding van het respectieve ras wordt uitgevoerd door de aanvrager, of door andere personen die door de aanvrager aan de bevoegde autoriteit zijn gemeld, waarbij bepaalde voorschriften moeten worden gevolgd en officiële controles door de bevoegde autoriteiten moeten worden uitgevoerd.
(60) Er moeten regels worden vastgesteld met betrekking tot de inhoud van de nationale rassenregisters en het EU-rassenregister, en het bijhouden van monsters van de geregistreerde rassen (“officieel monster” of “standaardmonster”), een levende beschrijving van het ras. Dit is belangrijk om ervoor te zorgen dat de nodige informatie over het ras, de identificatie ervan voor de duur van de registratie en de beschikbaarheid van standaardmonsters voor tests met controlepercelen in het kader van de certificering van plantaardig teeltmateriaal gewaarborgd zijn.
(61) De richtlijnen voor het in de handel brengen van plantaardig teeltmateriaal moeten worden ingetrokken, aangezien zij door deze verordening worden vervangen. Bijgevolg moet Verordening (EU) 2016/2031 worden gewijzigd om verwijzingen naar die richtlijnen te schrappen en ervoor te zorgen dat door de EU gereguleerde niet-quarantaineorganismen uitsluitend bij die verordening worden geregeld.
(62) Verordening (EU) 2017/625 van het Europees Parlement en de Raad(23) moet worden gewijzigd om de productie en het in de handel brengen van plantaardig teeltmateriaal in overeenstemming met deze verordening in het toepassingsgebied ervan op te nemen. Dit is belangrijk om een uniforme aanpak van officiële controles voor de gehele plantaardige productie en voedselketen te waarborgen, aangezien Verordening (EU) 2017/625 ook van toepassing is op het toepassingsgebied van Verordening (EU) 2016/2031 en Verordening (EU) 2018/848 van het Europees Parlement en de Raad(24).
(63) In dit verband moet de Commissie de bevoegdheid krijgen om specifieke regels vast te stellen voor officiële controles en voor de acties die de bevoegde autoriteiten ondernemen met betrekking tot plantaardig teeltmateriaal, met name voor de vaststelling van regels voor de uitvoering van officiële controles op plantaardig teeltmateriaal voor de verificatie van de naleving van de regels van de Unie, voor de invoer in en het in de handel brengen van plantaardig teeltmateriaal in de Unie, en voor de activiteiten van exploitanten tijdens de productie van plantaardig teeltmateriaal.
(64) Verordening (EU) 2018/848 moet worden gewijzigd om de definities van “plantaardig teeltmateriaal” en “heterogeen materiaal” in overeenstemming te brengen met de definities van deze verordening. Bovendien moet de bevoegdheid van de Commissie om specifieke bepalingen vast te stellen voor het in de handel brengen van plantaardig teeltmateriaal van biologisch heterogeen materiaal worden uitgesloten van Verordening (EU) 2018/848, aangezien omwille van de juridische duidelijkheid alle voorschriften betreffende de productie en het in de handel brengen van plantaardig teeltmateriaal in deze verordening moeten worden opgenomen. [Am. 19]
(65) Teneinde de lijst van geslachten en soorten plantaardig teeltmateriaal dat onder deze verordening valt, aan te passen aan de ontwikkelingen met betrekking tot het belang van het productiegebied en de waarde van de productie, de voedsel- en diervoederzekerheid en het aantal lidstaten waar het wordt geteeld, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen met betrekking tot de wijziging van die lijst.
(66) Teneinde de regels betreffende de productie en het in de handel brengen van plantaardig teeltmateriaal aan te passen aan de technische en wetenschappelijke ontwikkelingen en de toepasselijke internationale normen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen ten aanzien van de wijziging van de voorschriften van deze verordening betreffende de productie en het in de handel brengen van prebasis-, basis-, gecertificeerd en standaardmateriaal en -zaad.
(67) Teneinde de regels voor de productie en het in de handel brengen van plantaardig teeltmateriaal van heterogeen materiaal aan te passen aan de technische en wetenschappelijke ontwikkelingen en rekening te houden met de ervaring die is opgedaan met de toepassing van deze verordening, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen met betrekking tot de wijziging van de voorschriften voor de productie en het in de handel brengen van heterogeen materiaal.
(68) Teneinde de inhoud van rassenregisters aan te passen aan de technische ontwikkelingen en om gevolg te geven aan de ervaring die is opgedaan met de registratie van rassen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen met betrekking tot de wijziging van de voorschriften betreffende die inhoud.
(69) Teneinde de teelt van rassen aan te passen aan de ontwikkeling van de technische en wetenschappelijke kennis, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen met betrekking tot de vaststelling van teeltvoorwaarden voor rassen die herbicidetolerant zijn of andere kenmerken hebben die tot ongewenste agronomische effecten kunnen leiden. Die voorwaarden moeten maatregelen op het veld omvatten, zoals gewasrotatie, monitoringmaatregelen, kennisgeving van die maatregelen door de lidstaten aan de Commissie en de overige lidstaten, rapportage door professionele exploitanten aan de bevoegde autoriteiten over de toepassing van die maatregelen, en de vermelding van de voorwaarden in de nationale rassenregisters.
(70) Teneinde de tests en voorschriften voor de waarde voor duurzame teelt en duurzaam gebruik aan te passen aan de potentiële technische en wetenschappelijke ontwikkelingen en de mogelijke ontwikkeling van internationale normen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen tot aanvulling van deze verordening met bepaalde elementen. Dit zijn de methoden die nodig zijn voor de teeltproeven die moeten worden uitgevoerd om de waarde voor duurzame teelt en duurzaam gebruik van bepaalde geslachten of soorten te beoordelen en verdere vereisten vast te stellen.
(71) Teneinde de regels voor rasbenaming aan te passen aan de technische en wetenschappelijke ontwikkelingen, en gevolg te geven aan de ervaring die is opgedaan met de toepassing van deze regels, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen tot aanvulling van deze verordening met specifieke criteria voor de geschiktheid van rasbenamingen.
(72) Teneinde de bepalingen van deze verordening inzake technisch onderzoek van rassen aan te passen aan de technische en wetenschappelijke ontwikkelingen en de praktische behoeften van de bevoegde autoriteiten en professionele exploitanten, en om gevolg te geven aan de ervaring die is opgedaan met de toepassing van de respectieve regels, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen tot aanvulling van deze verordening door de regels vast te stellen voor de audit van de werklocaties van professionele exploitanten die de technische onderzoeken naar voldoende waarde voor duurzame teelt en gebruik verrichten.
(73) Teneinde de bepalingen van deze verordening betreffende het onderzoek naar duurzame teelt en duurzaam gebruik aan te passen aan de technische of wetenschappelijke ontwikkelingen en aan nieuwe beleidsmaatregelen of regels van de Unie inzake duurzame landbouw, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen tot aanvulling van deze verordening met minimumvereisten voor de uitvoering van dit onderzoek, de methoden voor de beoordeling van de onderzochte kenmerken, en de normen voor de evaluatie van en de verslaglegging over de resultaten van dit onderzoek en om de onderzochte kenmerken te kunnen wijzigen.
(74) Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven(25). Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen, ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die de gedelegeerde handelingen voorbereiden.
(75) Om eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van deze verordening te waarborgen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad(26).
(76) Om eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van deze verordening te waarborgen en de prestaties van professionele exploitanten en de identiteit en kwaliteit van door hen geproduceerd en in de handel gebracht plantaardig teeltmateriaal te verbeteren, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend met betrekking tot het specificeren van de voorschriften voor de audits, opleidingen, onderzoeken, inspecties, bemonstering en tests, wat bepaalde geslachten of soorten betreft, voor het officiële toezicht op de professionele exploitanten door de bevoegde autoriteiten.
(77) Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van deze verordening met betrekking tot de behandeling en het in de handel brengen van plantaardig teeltmateriaal en de respectieve regels aan te passen aan de ervaring die is opgedaan met de toepassing van de bepalingen van deze verordening, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend voor het vaststellen van specifieke voorschriften voor alle of bepaalde soorten plantaardig teeltmateriaal betreffende het samenvoegen of opsplitsen van partijen plantaardig teeltmateriaal met betrekking tot de oorsprong ervan, de identificatie ervan, de registratie van die verrichting en de etikettering na het samenvoegen of opsplitsen van partijen plantaardig teeltmateriaal.
(78) Om eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van deze verordening te waarborgen, gevolg te geven aan de praktische ervaring die is opgedaan met de toepassing van de bepalingen ervan, en de integriteit van het in de handel gebrachte plantaardig teeltmateriaal te verbeteren, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend voor het vaststellen van specifieke voorschriften met betrekking tot de (af)sluiting, bevestiging, afmetingen en vorm van verpakkingen, bundels en recipiënten van specifieke soorten plantaardig teeltmateriaal.
(79) Om eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van deze verordening te waarborgen, en met name met betrekking tot de leesbaarheid, herkenbaarheid en waarborgen van etiketten, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend om specifieke bepalingen vast te stellen met betrekking tot de officiële etiketten, etiketten die worden gebruikt voor bepaalde afwijkingen en etiketten die worden gebruikt voor bepaalde specifieke soorten plantaardig teeltmateriaal, en moeten de inhoud, afmetingen, kleur en vorm van die etiketten voor de respectieve categorieën of soorten plantaardig teeltmateriaal worden vastgesteld.
(80) Om eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van deze verordening te waarborgen en gevolg te geven aan de praktische ervaring die met de toepassing van de respectieve voorschriften is opgedaan, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend voor het vaststellen van specifieke bepalingen betreffende mengsels van zaden.
(81) Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van deze verordening met betrekking tot het in de handel brengen van plantaardig teeltmateriaal in de detailhandel, en om het in de handel brengen van plantaardig teeltmateriaal voor elke soort zo praktisch en geschikt mogelijk te maken, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend voor de vaststelling van voorschriften betreffende de afmetingen, de vorm, de (af)sluiting en de behandeling van de kleine verpakkingen voor zaden en de verpakkingen en bundels voor ander plantaardig teeltmateriaal die aan eindgebruikers worden verhandeld.
(82) Om eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van deze verordening te waarborgen en dringende problemen bij de voorziening van plantaardig teeltmateriaal aan te pakken, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend om in geval van tijdelijke problemen bij de voorziening van plantaardig teeltmateriaal voor een periode van ten hoogste één jaar toestemming te verlenen voor het in de handel brengen van plantaardig teeltmateriaal van de categorieën prebasis-, basis- of gecertificeerd materiaal of zaad waarvoor minder strenge voorschriften gelden, of om af te wijken van de vereiste dat het tot een ras behoort, en met betrekking tot de intrekking en wijziging van die toestemming.
(83) Om eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van deze verordening te waarborgen en de lidstaten enige flexibiliteit te bieden om nationale maatregelen vast te stellen die zijn aangepast aan hun agroklimatologische omstandigheden en strengere kwaliteitsnormen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend om de lidstaten toe te staan om met betrekking tot de productie en het in de handel brengen van plantaardig teeltmateriaal strengere voorschriften vast te stellen op het gehele grondgebied of een deel van het grondgebied van de betrokken lidstaat, en met betrekking tot de intrekking of wijziging van dergelijke maatregelen die uit hoofde van de richtlijnen voor het in de handel brengen van plantaardig teeltmateriaal zijn vastgesteld.
(84) Om eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van deze verordening te waarborgen en te zorgen voor een snelle respons bij plotselinge risico’s, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend om noodmaatregelen te nemen wanneer de productie of het in de handel brengen van plantaardig teeltmateriaal waarschijnlijk een ernstig risico vormt voor de gezondheid van mensen, dieren of planten, het milieu of de teelt van andere soorten, en dat risico niet op bevredigende wijze kan worden beheerst door maatregelen van de betrokken lidstaat, en met betrekking tot de intrekking of wijziging van een dergelijke maatregel van een lidstaat.
(85) Om eenvormige voorwaarden voor de uitvoeringAan de Commissie moet de bevoegdheid worden gedelegeerd om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen ten aanzien van het aanvullen van deze verordening te waarborgen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend om te besluiten overmet specifieke regels voor de organisatie van tijdelijke experimenten om te zoeken naar betere alternatieven voor het toepassingsgebied en een aantal bepalingen van deze verordening. [Am. 20]
(86) Om eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van deze verordening met betrekking tot de invoer van plantaardig teeltmateriaal te waarborgen en ervoor te zorgen dat de voorschriften van het derde land voldoen aan de voorschriften van de Unie op datzelfde gebied, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend met betrekking tot het erkennen dat plantaardig teeltmateriaal van specifieke geslachten, soorten of categorieën dat in een derde land of in bepaalde gebieden van een derde land wordt geproduceerd, voldoet aan voorschriften die gelijkwaardig zijn aan die welke van toepassing zijn op plantaardig teeltmateriaal dat in de Unie wordt geproduceerd en in de handel gebracht, zodat het kan worden ingevoerd.
(87) Om eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van deze verordening te waarborgen en te zorgen voor een passende instandhouding van de geregistreerde rassen in derde landen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend met betrekking tot het erkennen dat de in het derde land uitgevoerde controles op de instandhouding van rassen dezelfde garanties bieden als die welke in de Unie zijn vastgesteld.
(88) Om eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van deze verordening te waarborgen en de bepalingen ervan aan te passen aan de ontwikkeling van de toepasselijke protocollen van de Internationale Unie tot bescherming van kweekproducten (UPOV) of de protocollen van het CPVO, en aan de relevante technische en wetenschappelijke ontwikkelingen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend voor het vaststellen van specifieke voorschriften inzake onderscheidbaarheid, homogeniteit en bestendigheid per geslacht of soort van elk ras.
(89) Om eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van deze verordening te waarborgen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend voor het vaststellen van specifieke regels met betrekking tot de omvang van het standaardmonster van geregistreerde rassen dat wordt gebruikt voor de officiële nacontroles van plantaardig teeltmateriaal, de regels voor de vernieuwing van die monsters en de verstrekking van die monsters aan andere lidstaten.
(90) Omdat de doelstelling van deze verordening, namelijk het waarborgen van een geharmoniseerde aanpak ten aanzien van de productie en het in de handel brengen van plantaardig teeltmateriaal, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt, maar vanwege de gevolgen, de complexiteit en het internationale karakter ervan, beter door de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken. In dit verband, en voor zover nodig, worden bij deze verordening afwijkingen of specifieke voorschriften voor bepaalde soorten plantaardig teeltmateriaal en professionele exploitanten ingevoerd.
(91) Deze verordening moet drie jaar na de inwerkingtreding ervan van toepassing worden om de bevoegde autoriteiten en de professionele exploitanten de gelegenheid te geven om zich op de bepalingen voor te bereiden en om de benodigde tijd te bieden voor de vaststelling van de respectieve gedelegeerde en uitvoeringshandelingen. De voorschriften inzake voldoende waarde voor duurzame teelt en duurzaam gebruik van rassen van groenten en fruitgewassen moeten echter vijf jaar na de inwerkingtreding ervan van toepassing worden. Deze extra termijn is nodig om de bevoegde autoriteiten en de professionele exploitanten de tijd te bieden om de nodige voorbereidingen te treffen en de eerste tests op het veld uit te voeren om aan deze nieuwe regels te voldoen,
HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
HOOFDSTUK I
ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1
Onderwerp
Bij deze verordening worden regels vastgesteld voor de productie met het oog op het in de handel brengen in de Unie van plantaardig teeltmateriaal, en vooren het in de handel brengen in de Unie van plantaardig teeltmateriaal, en met name voorschriften voor de productie van plantaardig teeltmateriaal op het veld en op andere locaties, categorieën materiaal, voorschriften inzake identiteit en kwaliteit, certificering, etikettering, verpakking, invoer, professionele exploitanten en de registratie van rassen. [Am. 21]
Bij deze verordening worden ook regels vastgesteld betreffende de voorwaarden voor de teelt van bepaalde rassen die tolerant zijn voor herbiciden of die ongewenste agronomische effecten kunnen hebben, met inbegrip van de teelt voor andere doeleinden dan de productie en het in de handel brengen van plantaardig teeltmateriaal, voor de productie van levensmiddelen, diervoeders en andere producten. [Am. 22]
Artikel 2
Toepassingsgebied en doelstellingen
1. Deze verordening is van toepassing op de geslachten en soorten die in de delen A tot en met E van bijlage I zijn opgenomen voor de respectieve vermelde gebruiksdoeleinden.
De voorschriften hebben betrekking op, respectievelijk, alle soorten plantaardig teeltmateriaal, alleen zaden of alleen ander materiaal dan zaden.
De voorschriften betreffende de productie of invoer van plantaardig teeltmateriaal zijn alleen van toepassing op de productie met het oog op het in de handel brengen van het materiaal in de Unie. [Am. 23]
2. Deze verordening heeft de volgende doelstellingen:
a) de kwaliteit en veiligheid van en de diversiteit aan plantaardig teeltmateriaal en de beschikbaarheid ervan voor professionele exploitanten, landbouwers en eindgebruikers te waarborgen; [Am. 24]
b) te zorgen voor gelijkeeerlijke concurrentievoorwaarden voor professionele exploitanten overal in de Unie en gelijke voorwaarden voor de werking van de interne markt voor plantaardig teeltmateriaal; [Am. 25]
c) de innovatie in en het concurrentievermogen van de sector plantaardig teeltmateriaal in de Unie te ondersteunen;
d) bij te dragen tot de dynamische instandhouding en het duurzame gebruik van plantgenetische hulpbronnen en tot agrobiodiversiteit; [Am. 26]
e) bij te dragen tot duurzame landbouwproductie, aangepast aan de huidige en toekomstige klimaatomstandighedenklimaat- en bodemomstandigheden; [Am. 27]
f) bij te dragen tot voedselzekerheid en voedselsoevereiniteit. [Am. 28]
3. De Commissie is overeenkomstig artikel 75 bevoegd om gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van bijlage I, teneinde dezedie bijlage aan te passen in lijn met de ontwikkeling van de technische en wetenschappelijke kennis, evenals de economische gegevens betreffende de productie en het in de handel brengen van geslachten en soorten, door geslachten en soorten toe te voegen aan of te schrappen van de lijst in die bijlage. [Am. 29]
Bij de in de eerste alinea bedoelde gedelegeerde handelingen worden geslachten of soorten toegevoegd aan de lijst in bijlage I indien zij aan ten minste twee van de volgende voorwaarden voldoen: [Am. 30 - niet van toepassing op de Nederlandse versie]
a) zij vertegenwoordigen een significant productiegebied van plantaardig teeltmateriaal en een significante waarde van het in de handel gebrachte plantaardig teeltmateriaal in de Unie;
b) zij zijn van aanzienlijk belang voor het veiligstellen van de productie van levensmiddelen en diervoeders in de Unie, in vergelijking met andere geslachten en soorten die niet in die bijlage zijn opgenomen,; en
c) zij worden in ten minste twee lidstaten in de handel gebracht.;
c bis) zij zijn van belang voor milieuduurzaamheid. [Am. 31]
Bij de in de eerste alinea bedoelde gedelegeerde handelingen worden geslachten of soorten van de lijst in bijlage I geschrapt indien zij niet langer aan ten minste twee van de in de tweede alinea genoemde voorwaarden voldoen.
4. Deze verordening is niet van toepassing op:
a) teeltmateriaal van siergewassen zoals gedefinieerd in artikel 2 van Richtlijn 98/56/EG en teeltmateriaal van de in bijlage I van deze verordening vermelde geslachten of soorten die uitsluitend voor sierdoeleinden worden gebruikt; [Am. 32]
b) bosbouwkundig teeltmateriaal zoals gedefinieerd in artikel 3 van Verordening (EU) …/... van het Europees Parlement en de Raad(27)+ en teeltmateriaal van de in bijlage I van deze verordening vermelde geslachten of soorten die uitsluitend voor bosbouwdoeleinden worden gebruikt; [Am. 33]
c) plantaardig teeltmateriaal dat uitsluitend wordt geproduceerd voor uitvoer naar derde landen; [Am. 34]
d) plantaardig teeltmateriaal dat wordt verkocht of op enigerlei wijze wordt overgedragen, al dan niet kosteloos, tussen eindgebruikers voor hun eigen privégebruik en buiten hun commerciële activiteiten om;
e) plantaardig teeltmateriaal dat uitsluitendwordt verkocht of op enigerlei wijze wordt gebruiktovergedragen, al dan niet kosteloos, voor officiële tests, veredeling, inspecties, tentoonstellingen of wetenschappelijke doeleinden., met inbegrip van onderzoek op landbouwbedrijven en activiteiten van genenbanken; [Am. 35]
e bis) de productie en het in de handel brengen van plantaardig teeltmateriaal door de in artikel 29 bedoelde instandhoudingsorganisaties en -netwerken in kleine hoeveelheden als omschreven in bijlage VII bis, al dan niet gratis, met het oog op dynamische instandhouding; [Am. 353]
e ter) plantaardig teeltmateriaal dat door landbouwers voor eigen gebruik wordt geproduceerd. [Am. 37]
Artikel 3
Definities
Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
1) “plantaardig teeltmateriaal”: planten zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 1, van Verordening (EU) 2016/2031 die volledige planten kunnen voortbrengen en daarvoor bedoeld zijn;
2) “professionele exploitant”: een natuurlijke of rechtspersoon die beroepshalve betrokken is bij een of meer van de volgende activiteiten in de Unie met betrekking tot de commerciële exploitatie van plantaardig teeltmateriaal: [Am. 38]
a) productie;
b) in de handel brengen;
c) instandhouding of vermeerdering van rassen; [Am. 39]
d) verlening van diensten betreffende identiteit en kwaliteit;
3) “in de handel brengen”: de volgende commerciële activiteiten die door een professionele exploitant worden uitgevoerd: verkoop, bezit, kosteloze overdracht, aanbieding voor verkoop, waaronder onlineverkoop; of enige andere wijze van overdracht of verspreiding binnen of invoer in de Unie met het oog op het commerciële gebruik van het plantaardig teeltmateriaal; [Am. 40]
4) “ras”: een ras zoals gedefinieerd in artikel 5, punt 2, van Verordening (EG) nr. 2100/94;
5) “kloon”: een afzonderlijke nakomeling van een plant, die oorspronkelijk van een andere afzonderlijke plant is verkregen door vegetatieve vermeerdering, en die genetisch identiek is gebleven aan die plant;
a) een afzonderlijke nakomeling van een plant, die oorspronkelijk van een andere afzonderlijke plant is verkregen door vegetatieve vermeerdering, en die genetisch identiek is gebleven aan die plant; of
b) een vegetatieve genetisch uniforme afstamming van één enkele plant; [Am. 41]
6) “geselecteerde kloon”: een kloon die is geselecteerd en gekozen omdat een aantal bijzondere, binnen het ras voorkomende, fenotypische kenmerken en zijn fytosanitaire status de geselecteerde kloon betere prestaties geven, en waarvan de beschrijving overeenkomt met het wijnstokras en die soorten fruitgewassen waarbij zich de genoemde binnen het ras voorkomende kenmerken voordoen, waartoe dedie van zijn ras, of in het geval van geselecteerde klonen die niet tot een ras behoren, met die van zijn soortkloon behoort; [Am. 42]
7) “polyklonaal plantaardig teeltmateriaal”: teeltmateriaal verkregen door selectie van een groep van meerdere afzonderlijke nakomelingen van planten die van verschillendeten minste zeven genotypen zijn afgeleid en waarvan de beschrijving van elk overeenkomt met diemet verwachte genetische winsten, aan de hand van kwantitatieve genetische instrumenten, uit dezelfde experimentele reeks van een specifiek oud ras, dat de meeste van zijn diversiteit binnen het ras bevatras; [Am. 43]
8) “multiklonaal mengsel”: een mengsel van geselecteerde klonen die allemaal tot hetzelfde ras of dezelfde soort behoren, naargelang het geval, waarbij elk van deze klonen door onafhankelijke selectie is verkregen; [Am. 44]
9) “bevoegde autoriteit” de centrale autoriteit of regionale autoriteit van een lidstaat of, indien van toepassing, de dienovereenkomstige autoriteit van een derde land, die verantwoordelijk is voor de organisatie van officiële controles, registratie, certificering en andere officiële activiteiten met betrekking tot de productie en het in de handel brengen van plantaardig teeltmateriaal, of elke andere autoriteit waaraan die verantwoordelijkheid is opgedragen overeenkomstig de wetgeving van de Unie;
10) “officiële beschrijving”: een beschrijving die is vastgesteld door een bevoegde autoriteit, de specifieke kenmerken van het ras bevat en het ras identificeerbaar maakt als gevolg van het onderzoek naar zijn onderscheidbaarheid, homogeniteit en bestendigheid;
11) “officieel erkende beschrijving”: een schriftelijke beschrijving van een instandhoudingsras, die door een bevoegde autoriteit is erkend, de specifieke kenmerken van het ras bevat en op een andere wijze is verkregen dan door middel van het onderzoek naar zijn onderscheidbaarheid, homogeniteit en bestendigheid;
12) “instandhouding van een ras”: de handelingen waarmee de rasechtheid en raszuiverheid worden gecontroleerd om ervoor te zorgen dat een rasde raskenmerken gedurende de daaropvolgende voortplantingscycli blijftblijven overeenkomen met dehun desbetreffende beschrijving; [Am. 45]
13) “zaden”: zaden in botanische zin;
14) “prebasiszaad”: zaad dat behoort tot een generatie voorafgaand aan de generatie van het basiszaad en bestemd is voor de productie en de certificering van basiszaad of gecertificeerd zaad, en waarvan bij officiële certificering of certificering onder officieel toezicht is vastgesteld dat het voldoet aan de respectieve voorwaarden van deel Ade delen A en D van bijlage II; [Am. 46]
15) “basiszaad”: zaad dat is geproduceerd uit prebasiszaad of voorafgaande generaties basiszaad en bestemd is voor de productie van latere generaties basiszaad of gecertificeerd zaad, en waarvan bij officiële certificering of certificering onder officieel toezicht is vastgesteld dat het voldoet aan de respectieve voorwaarden van deel Ade delen A en D van bijlage II; [Am. 47]
16) “gecertificeerd zaad”: zaad dat is geproduceerd uit prebasiszaad, basiszaad of voorafgaande generaties gecertificeerd zaad, en waarvan bij officiële certificering of certificering onder officieel toezicht is vastgesteld dat het voldoet aan de respectieve voorwaarden van deel Ade delen A en D van bijlage II; [Am. 48]
17) “standaardzaad”: zaad, met uitzondering van prebasiszaad, basiszaad of gecertificeerd zaad, dat niet bestemd is voor verdere vermeerdering en dat voldoet aan de respectieve voorwaarden van deel Ade delen A en D van bijlage III; [Am. 49]
18) “prebasismateriaal”: plantaardig teeltmateriaal, met uitzondering van zaden, dat behoort tot een generatie voorafgaand aan de generatie van het basismateriaal en bestemd is voor de productie en de certificering van basismateriaal of gecertificeerd materiaal, en waarvan bij officiële certificering of certificering onder officieel toezicht is vastgesteld dat het voldoet aan de respectieve voorwaarden van deel Bde delen B, C en E van bijlage II; [Am. 50]
19) “basismateriaal”: plantaardig teeltmateriaal, met uitzondering van zaden, dat is geproduceerd uit prebasismateriaal of voorafgaande generaties basismateriaal, en bestemd is voor de productie en de certificering van latere generaties basismateriaal of gecertificeerd materiaal, en waarvan bij officiële certificering of certificering onder officieel toezicht is vastgesteld dat het voldoet aan de respectieve voorwaarden van deel Bde delen B, C en E van bijlage II; [Am. 51]
20) “gecertificeerd materiaal”: plantaardig teeltmateriaal, met uitzondering van zaden, dat is geproduceerd uit prebasismateriaal, basismateriaal of voorafgaande generaties gecertificeerd materiaal, en waarvan bij officiële certificering of certificering onder officieel toezicht is vastgesteld dat het voldoet aan de respectieve voorwaarden van deel Bde delen B, C en E van bijlage II; [Am. 52]
21) “standaardmateriaal”: plantaardig teeltmateriaal, met uitzondering van zaden, en met uitzondering van prebasismateriaal, basismateriaal of gecertificeerd materiaal, dat niet bestemd is voor verdere vermeerdering en dat voldoet aan de respectieve voorwaarden van deel Bde delen B, C en E van bijlage III; [Am. 53]
22) “officiële certificering”: officiële verklaring van de bevoegde autoriteit dat prebasis-, basis- of gecertificeerd zaad of materiaal voldoet aan de respectieve voorschriften van deze verordening, waarbij alle relevante inspecties ter plaatse, bemonstering en tests, met inbegrip van, in voorkomend geval, tests op controlepercelen, door die autoriteit zijn uitgevoerd, en zij heeft geconcludeerd dat het betrokken zaad of materiaal aan die eisen voldoet;
23) “certificering onder officieel toezicht”: een verklaring van een specifiek gemachtigde professionele exploitant dat het prebasis-, basis- of gecertificeerd zaad of materiaal aan de toepasselijke voorschriften voldoet, en waarbij ten minste een of meer van de relevante inspecties, bemonstering, tests of het afdrukken van etiketten onder officieel toezicht van de bevoegde autoriteit zijn uitgevoerd door die professionele exploitant, en indien hij heeft geconcludeerd dat het betrokken zaad of materiaal aan die eisen voldoet;
24) “categorie” plantaardig teeltmateriaal: een groep of afzonderlijke eenheid plantaardig teeltmateriaal die in aanmerking komt als prebasis-, basis-, gecertificeerd of standaardzaad of -materiaal en identificeerbaar is door te voldoen aan specifieke identiteits- en kwaliteitseisen;
25) “genetisch gemodificeerd organisme”: een genetisch gemodificeerd organisme zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 2, van Richtlijn 2001/18/EG van het Europees Parlement en de Raad(28), met uitzondering van organismen die zijn verkregen met de technieken van genetische modificatie van de lijst in bijlage I B bij Richtlijn 2001/18/EG;
26) “partij”: een eenheid plantaardig teeltmateriaal die identificeerbaar is door zijn homogene samenstelling en oorsprong.
27) “heterogeen materiaal”: een plantengroep binnen één botanisch taxon van de laagst bekende rang die:
a) gemeenschappelijke fenotypische kenmerken vertoont;
b) gekenmerkt wordt door een hoog niveau van genetische en fenotypische diversiteit tussen afzonderlijke teelteenheden, zodat die plantengroep vertegenwoordigd wordt door het materiaal als geheel, en niet door een klein aantal eenheden;
c) geen ras is, en
d) geen mengsel van rassen is;
28) “eindgebruiker”: elke persoon die plantaardig teeltmateriaal verwerft, overdraagt en gebruikt voor doeleinden die buiten zijn primaire beroepsactiviteiten vallen; [Am. 54]
29) “instandhoudingsras”: een ras dat:
a) ofwel een van oudsher ofgekweekt landras, ofwel een sinds korter plaatselijk onder specifiekegekweekt ras (modern landras) is dat is verkregen door middel van selectie op het bedrijf of is gekweekt met het oog op aanpassing aan de plaatselijke omstandigheden in de Unie wordt gekweekt en aan die omstandigheden is aangepast, enhet kader van het duurzame gebruik van plantgenetische hulpbronnen voor voedsel en landbouw; [Am. 55]
a bis) geen hybrideras van het type F1 is; [Am. 56]
b) gekenmerkt wordt door een hoogvoldoende niveau van genetische en fenotypische diversiteit tussen afzonderlijke teelteenheden; [Am. 57]
b bis) niet, in zijn geheel of wat betreft de genetische bestanddelen ervan, valt onder intellectuele-eigendomsrechten die het gebruik ervan voor instandhouding, onderzoek, veredeling en onderwijs, waaronder op het landbouwbedrijf door een landbouwer die het op het landbouwbedrijf geteelde plantaardig teeltmateriaal van die soort voor die doelstellingen gebruikt, beperken; [Am. 58]
30) “kwaliteitsorganismen”: plaagorganismen die aan alle volgende voorwaarden voldoen:
a) zij zijn geen EU-quarantaineorganismen, ZP-quarantaineorganismen of gereguleerde niet-quarantaineorganismen in de zin van Verordening (EU) 2016/2031, noch plaagorganismen die onder de krachtens artikel 30, lid 1, van die verordening vastgestelde maatregelen vallen;
b) zij komen voor tijdens de productie of opslag van plantaardig teeltmateriaal, en
c) hun aanwezigheid heeft onaanvaardbare negatieve gevolgen voor de kwaliteit van het plantaardig teeltmateriaal en heeft onaanvaardbare economische gevolgen wat het gebruik van dat plantaardig teeltmateriaal in de Unie betreft; [Am. 59]
31) “nagenoeg vrij van plaagorganismen”: volledig vrij van plaagorganismen ofkwaliteitsorganismen”: een situatie waarin de aanwezigheid van kwaliteitsorganismen op het betrokken plantaardig teeltmateriaal zo beperkt is dat die plaagorganismen geen negatievebuitensporige invloed hebben op de kwaliteit van dat plantaardig teeltmateriaal; [Am. 60]
32) “pootaardappelen”: knollen van Solanum tuberosum L. die worden gebruikt voor de teelt van andere aardappelen; [Am. 61]
33) “landbouwer”: landbouwer zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 1, van Verordening (EU) 2021/2115 van het Europees Parlement en de Raad(29);
34) “afwijkend type” met betrekking tot zaad of andere planten: zaad of ander plantaardig teeltmateriaal dat niet overeenkomt met de beschrijving van het ras of de soort waartoe het overeenkomstig deze verordening geacht wordt te behoren;
35) “hybrideras”: een ras dat wordt geproduceerd door kruising van twee of meer andere rassen.;
35 bis) “dynamische instandhouding”: het behoud van genetische diversiteit binnen en tussen geteelde plantensoorten, met inbegrip van zowel het behoud in situ als het behoud ex situ, met als doel een duurzaam gebruik van plantgenetische hulpbronnen en agrobiodiversiteit op een manier die en in een tempo dat niet leidt tot de achteruitgang van de biologische diversiteit op de lange termijn, waardoor het potentieel behouden blijft om te voorzien in de behoeften en te voldoen aan de verlangens van de huidige en toekomstige generaties; [Am. 354]
35 ter) “NGT-plant”: planten die zijn verkregen met bepaalde nieuwe genomische technieken zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 2, van Verordening (EU) .../... [PB: gelieve de verwijzing naar de NGT-verordening betreffende met bepaalde nieuwe genomische technieken verkregen planten en de daarvan afgeleide levensmiddelen en diervoeder in te voegen] van het Europees Parlement en de Raad; [Am. 63]
35 quater) “handelszaad”: zaad dat is geproduceerd en in de handel wordt gebracht voor mengsels als bedoeld in artikel 21, waarvan kan worden vastgesteld dat het behoort tot een soort, maar niet tot een ras, en waarvan bij officiële certificering of certificering onder officieel toezicht is gebleken dat het voldoet aan de bij deze verordening vastgestelde voorwaarden voor gecertificeerd zaad, met uitzondering van het voorschrift van artikel 5; [Am. 64]
35 quinquies) “kleine verpakkingen”: verpakkingen met zaad of materiaal tot een maximum van: het voorstel bevat:
a) 10 kg voor granen;
b) 5 kg voor groenvoedergewassen, bieten, oliehoudende planten en vezelgewassen;
c) 10 kg voor pootaardappelen;
d) 500 g voor peulvruchten;
e) 100 g voor uien, kervel, asperges, snijbiet, rode bieten, mei- en herfstrapen, watermeloen, reuzenpompoen, pompoenen, wortelen, radijs, schorseneren, spinazie en veldsla;
f) 20 g voor andere groentesoorten;
g) 10 stuks fruit- en wijnstekken. [Am. 355]
Artikel 4
Naleving van Verordening (EU) 2016/2031
Deze verordening doet geen afbreuk aan Verordening (EU) 2016/2031.
Elke partij plantaardig teeltmateriaal die overeenkomstig deze verordening geproduceerd en in de handel gebracht wordt, moet ook voldoen aan de voorschriften betreffende EU-quarantaineorganismen, ZP-quarantaineorganismen en gereguleerde niet-quarantaineorganismen van, of krachtens, de artikelen 36, 37, 40, 41, 42, 49, 53 en 54 van Verordening (EU) 2016/2031, en aan de krachtens artikel 30, lid 1, van die verordening vastgestelde maatregelen.
Algemene voorschriften voor de productie en het in de handel brengen van plantaardig teeltmateriaal
Artikel 5
Behoren tot een geregistreerd ras
Plantaardig teeltmateriaal mag alleen in de Unie worden geproduceerd en in de handel worden gebracht indien het behoort tot een ras dat in een nationaal rassenregister als bedoeld in artikel 44 is geregistreerd, of:
a) als onderstammen, indien zij geproduceerd en in de handel gebracht worden met een in een passende etikettering opgenomen verwijzing naar de soort waartoe zij behoren;
b) als heterogeen materiaal overeenkomstig artikel 27;
c) als plantaardig teeltmateriaal voor verhandeling aan eindgebruikers overeenkomstig artikel 28;
d) als plantaardig teeltmateriaal dat geproduceerd en in de handel gebracht wordt met het oog op de instandhouding van genetische hulpbronnen overeenkomstig artikel 29;
e) als zaad dat in naturaplantaardig teeltmateriaal dat tussen landbouwers wordt uitgewisseld overeenkomstig artikel 30; [Am. 66]
f) als kwekerszaad overeenkomstig artikel 31; [Am. 67]
g) als plantaardig teeltmateriaal van nog niet geregistreerde rassen overeenkomstig artikel 32;
h) in geval van problemen bij de voorziening van plantaardig teeltmateriaal overeenkomstig artikel 33.
Artikel 6
Behoren tot bepaalde categorieën plantaardig teeltmateriaal
1. Alleen plantaardig teeltmateriaal dat tot een van de volgende categorieën behoort, mag in de Unie worden geproduceerd en in de handel worden gebracht, met uitzondering van de in lid 2 bedoelde gevallen:
a) prebasismateriaal of -zaad;
b) basismateriaal of -zaad;
c) gecertificeerd materiaal of zaad;
d) standaardmateriaal of -zaad.
Wanneer in deze verordening wordt verwezen naar lagere of hogere categorieën met betrekking tot de identiteit en de kwaliteit van plantaardig teeltmateriaal, wordt die onderverdeling gebaseerd op de rangorde van de punten a) tot en met d), waarbij punt a) de hoogste rang vertegenwoordigt en punt d) de laagste.
2. In afwijking van lid 1 mag plantaardig teeltmateriaal geproduceerd en in de handel gebracht worden zonder dat het tot een in de punten a) tot en met d) geordende categorie behoort, in de volgende gevallen:
a) het in de handel brengen van plantaardig teeltmateriaal van heterogeen materiaal overeenkomstig artikel 27;
b) verhandeling aan een eindgebruiker overeenkomstig artikel 28;
c) verhandeling aan en tussen instandhoudingsnetwerken zoals bedoeld in artikel 29;
d) als zaad dat in naturaplantaardig teeltmateriaal dat tussen landbouwers wordt uitgewisseld overeenkomstig artikel 30; [Am. 68]
e) als kwekerszaad zoals bedoeld in artikel 31. [Am. 69]
AFDELING 2
Voorschriften voor de productie en het in de handel brengen van prebasis-, basis-, gecertificeerd en standaardmateriaal en -zaad
Artikel 7
Voorschriften voor de productie en het in de handel brengen van prebasis-, basis- en gecertificeerd zaad en materiaal
1. Prebasis-, basis- en gecertificeerd zaad mag alleen in de Unie geproduceerd en in de handel gebracht worden als aan alle volgende voorwaarden is voldaan:
a) het prebasis-, basis- of gecertificeerd zaad is nagenoeg vrij van kwaliteitsorganismen;
b) het wordt geproduceerd en in de handel gebracht:
i) na officiële certificering door de bevoegde autoriteiten of certificering onder officieel toezicht door de professionele exploitant;
ii) overeenkomstig de voorschriften van deel Ade delen A en D van bijlage II, en de naleving van die voorschriften wordt bevestigd met het in artikel 15, lid 1, bedoelde officiële etiket. [Am. 70]
2. Prebasis-, basis- en gecertificeerd materiaal mag alleen in de Unie geproduceerd en in de handel gebracht worden als aan alle volgende voorwaarden is voldaan:
a) het prebasis-, basis- of gecertificeerd materiaal is nagenoeg vrij van kwaliteitsorganismen;
b) het wordt geproduceerd en in de handel gebracht:
i) na officiële certificering door de bevoegde autoriteiten of certificering onder officieel toezicht door de professionele exploitant;
ii) overeenkomstig de voorschriften van deel Bde delen B en E van bijlage II, en de naleving van die voorschriften wordt bevestigd met het in artikel 15, lid 1, bedoelde officiële etiket. [Am. 71]
3. De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 75 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van bijlage II. Die wijzigingen betreffen de aanpassing aan de ontwikkeling van internationale technische en wetenschappelijke normen en kunnenhebben uitsluitend betrekking hebben op de voorschriften voor: [Am. 72]
a) het inzaaien en planten, en de productie op het veld, van prebasis-, basis- en gecertificeerd zaad;
b) het oogsten en na het oogsten van prebasis-, basis- en gecertificeerd zaad;
c) het in de handel brengen van zaad;
d) het inzaaien en planten, en de productie op het veld, van prebasis-, basis- en gecertificeerd materiaal;
e) het oogsten en na het oogsten van prebasis-, basis- en gecertificeerd materiaal;
f) het in de handel brengen van prebasis-, basis- en gecertificeerd materiaal;
g) de productie en het in de handel brengen van prebasis-, basis- en gecertificeerd materiaal van klonen, geselecteerde klonen, multiklonale mengsels en polyklonaal plantaardig teeltmateriaal; [Am. 73]
h) de productie van prebasis-, basis- en gecertificeerd materiaal dat door in-vitrovermeerdering is geproduceerd;
i) het in de handel brengen van prebasis-, basis- en gecertificeerd materiaal dat door in-vitrovermeerdering is geproduceerd.
4. De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen tot nadere bepaling van de in de delen A en B van bijlage II bedoelde voorschriften voor de productie en het in de handel brengen voor bepaalde geslachten, soorten of categorieën plantaardig teeltmateriaal en, in voorkomend geval, van bepaalde graden, klassen, generaties of andere onderverdelingen van de betrokken categorie. Die voorschriften betreffen een of meer van de volgende punten: [Am. 74]
a) specifieke vormen van gebruik van de desbetreffende geslachten, soorten of typen van het desbetreffende plantaardig teeltmateriaal;
b) productiemethoden voor plantaardig teeltmateriaal, met inbegrip van generatieve, vegetatieve en in-vitrovermeerdering;
c) voorwaarden voor het inzaaien of planten;
d) teelt op het veld;
e) het oogsten en na de oogst;
f) kiemgetallen, zuiverheid en gehalte van ander plantaardig teeltmateriaal, vocht, groeikracht, aanwezigheid van aarde of vreemd materiaal; [Am. 75]
g) certificeringsmethoden voor plantaardig teeltmateriaal, met inbegrip van de toepassing van biomoleculaire of andere technische methoden, alsmede de goedkeuring en het gebruik ervan, en de lijst van in de Unie goedgekeurde methoden;
h) de voorwaarden voor onderstammen en andere plantendelen van andere dan de in bijlage I genoemde geslachten of soorten of hybriden daarvan wanneer teeltmateriaal van de in bijlage I genoemde geslachten en soorten of hybriden daarvan daarop wordt geënt;
i) voorwaarden voor de productie van zaden van fruitgewassen of wijnstokken;
j) voorwaarden voor de productie van fruitgewassen, wijnstokken of pootaardappelen uit zaden.
Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 76, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld om aanpassingen aan de ontwikkelingen van de desbetreffende internationale technische en wetenschappelijke normen door te voeren, waarbij rekening gehouden wordt met de mogelijke gevolgen voor de productie en beschikbaarheid van plantaardig teeltmateriaal en voor kleine exploitanten. Die uitvoeringshandelingen zijn evenredig met de categorie plantaardig teeltmateriaal. [Am. 76]
Artikel 8
Voorschriften voor de productie en het in de handel brengen van standaardzaad en -materiaal
1. Standaardzaad mag alleen in de Unie geproduceerd en in de handel gebracht worden als aan alle volgende voorwaarden is voldaan:
a) het is nagenoeg vrij van kwaliteitsorganismen;
b) het wordt geproduceerd en in de handel gebracht:
i) onder de verantwoordelijkheid van de professionele exploitant;
ii) overeenkomstig de voorschriften van deel Ade delen A en D van bijlage III, en de naleving van die voorschriften wordt bevestigd met het in artikel 16 bedoelde etiket van de exploitant. [Am. 77]
2. Standaardmateriaal mag alleen in de Unie geproduceerd en in de handel gebracht worden als aan alle volgende voorwaarden is voldaan:
a) het is nagenoeg vrij van kwaliteitsorganismen;
b) het wordt geproduceerd en in de handel gebracht:
i) onder de verantwoordelijkheid van de professionele exploitant;
ii) overeenkomstig de voorschriften van deel B en E van bijlage III, en de naleving van die voorschriften wordt bevestigd met het in artikel 16 bedoelde etiket van de exploitant. [Am. 78]
3. De professionele exploitanten dienen eenmaal per jaar bij de bevoegde autoriteit een verklaring in over de hoeveelheden standaardzaad en -materiaal die zij per soort hebben geproduceerd. [Am. 79]
4. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 75 gedelegeerde handelingen vast te stellen om bijlage III te wijzigen, teneinde de in leden 1 en 2 bedoelde voorschriften aan te passen aan de ontwikkeling van de wetenschappelijke en technische kennis en van de toepasselijke internationale normen. Die aanpassingen betreffen:
a) voorschriften voor het inzaaien en planten, en de productie op het veld, van standaardzaad;
b) voorschriften voor het oogsten en na het oogsten van standaardzaad;
c) voorschriften voor het in de handel brengen van standaardzaad;
d) voorschriften voor het inzaaien en planten, en de productie op het veld, van standaardmateriaal;
e) voorschriften voor het oogsten en na het oogsten van standaardmateriaal;
f) voorschriften voor het in de handel brengen van standaardmateriaal;
g) voorschriften voor klonen, geselecteerde klonen, multiklonale mengsels ende productie en het in de handel brengen van polyklonaal plantaardig teeltmateriaal van standaardmateriaal; [Am. 80]
h) voorschriften voor de productie van door in-vitrovermeerdering geproduceerd standaardmateriaal;
i) voorschriften voor het in de handel brengen van door in-vitrovermeerdering geproduceerd standaardmateriaal.
4 bis. Alvorens de in lid 4 bedoelde gedelegeerde handelingen betreffende de in de punten a) tot en met i) van dat lid bedoelde voorschriften vast te stellen, beoordeelt de Commissie de uitvoering van die voorschriften, rekening houdend met de mogelijke gevolgen voor de productie en beschikbaarheid van plantaardig teeltmateriaal en voor kleine exploitanten. Die gedelegeerde handelingen zijn evenredig met de categorie plantaardig teeltmateriaal. [Am. 81]
5. De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen tot nadere bepaling van de in de delen A en B van bijlage III bedoelde voorschriften voor de productie en het in de handel brengen voor bepaalde geslachten of soorten standaardzaad of -materiaal. Die voorschriften betreffen een of meer van de volgende punten: [Am. 82]
a) specifieke vormen van gebruik van de desbetreffende geslachten, soorten of typen van het desbetreffende plantaardig teeltmateriaal;
b) productiemethoden voor plantaardig teeltmateriaal, met inbegrip van generatieve, vegetatieve en in-vitrovermeerdering;
c) voorwaarden voor het inzaaien of planten;
d) teelt op het veld;
e) het oogsten en na de oogst;
f) kiemgetallen, zuiverheid en gehalte van ander plantaardig teeltmateriaal, vocht, groeikracht, aanwezigheid van aarde of vreemd materiaal; [Am. 83]
g) de toepassing van internationaal erkende biomoleculaire of andere technische methoden, alsmede de goedkeuring en het gebruik ervan, en de lijst van in de Unie goedgekeurde methoden; [Am. 84]
h) de voorwaarden voor onderstammen en andere plantendelen van andere dan de in bijlage I genoemde geslachten of soorten of hybriden daarvan wanneer teeltmateriaal van de in bijlage I genoemde geslachten en soorten of hybriden daarvan daarop wordt geënt;
i) voorwaarden voor de productie van zaden van fruitgewassen of wijnstokken;
j) voorwaarden voor de productie van fruitgewassen, wijnstokken of pootaardappelen uit zaden.
Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 76, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld om aanpassingen aan de ontwikkelingen van de desbetreffende internationale technische en wetenschappelijke normen door te voeren, rekening houdend met de mogelijke gevolgen voor de productie en beschikbaarheid van plantaardig teeltmateriaal en voor kleine exploitanten. Die uitvoeringshandelingen zijn evenredig met de categorie plantaardig teeltmateriaal. [Am. 85]
Artikel 9
Voorschriften voor de productie, en het in de handel brengen en registratie van klonen,van geselecteerde klonen, multiklonale mengsels en polyklonaal plantaardig teeltmateriaal [Am. 86]
1. Naast de in de artikelen 4 tot en met 43 bedoelde voorschriften worden Prebasismateriaal, basismateriaal, en gecertificeerd materiaal van geselecteerde klonen en standaardmateriaal van klonen, geselecteerde klonen, multiklonale mengsels en polyklonaal plantaardig teeltmateriaal worden geproduceerd en in de handel gebracht overeenkomstig de leden 2 en 3 en de voorschriften van respectievelijk deel C van bijlage II en deel C van bijlage III. [Am. 87]
2. Klonen, Geselecteerde klonen, multiklonale mengsels en polyklonaal plantaardig teeltmateriaal mogen alleen geproduceerd en in de handel gebracht worden als zij door een bevoegde autoriteit zijn geregistreerd in ten minste één door een lidstaat opgericht officieel register voor geselecteerde klonen en polyklonaal plantaardig teeltmateriaal. [Am. 88]
Dat register moet alle elementen bevatten waarnaar wordt verwezen in de aanvraag tot registratie van een kloon, geselecteerde kloon, multiklonaal mengsel en polyklonaal plantaardig teeltmateriaal, zoals beschreven in deel B, deel C, punt 2 van bijlage IIartikel 53 bis. [Am. 89]
3. Klonen, Geselecteerde klonen, multiklonale mengsels en polyklonaal plantaardig teeltmateriaal worden in stand gehouden om hun identiteit te behouden. De personen die verantwoordelijk zijn voor de instandhouding van klonen, geselecteerde klonen, multiklonale mengsels en polyklonaal plantaardig teeltmateriaal nemen alle maatregelen om ze door de bevoegde autoriteiten of enige andere persoon op basis van bijgehouden gegevens te kunnen verifiëren. [Am. 90]
3 bis. Polyklonaal plantaardig teeltmateriaal, dat is opgenomen in het in lid 2 van dit artikel bedoelde register, wordt alleen geproduceerd en in de handel gebracht als het voldoet aan alle voorschriften inzake standaardmateriaal als bedoeld in deel C van bijlage III. Polyklonaal plantaardig teeltmateriaal gaat vergezeld van een etiket van de professionele exploitant met de vermelding “polyklonaal materiaal”, overeenkomstig artikel 17. [Am. 91]
AFDELING 3
Machtiging van professionele exploitanten en officieel toezicht door de bevoegde autoriteiten
Artikel 10
Machtiging van professionele exploitanten om onder officieel toezicht certificering te verrichten
1. Een professionele exploitant kan op aanvraag door de bevoegde autoriteit gemachtigd worden om alle of bepaalde activiteiten uit te voeren die vereist zijn voor de certificering onder officieel toezicht van de bevoegde autoriteit van plantaardig teeltmateriaal voor prebasis-, basis- en gecertificeerd materiaal of zaad, en daarvoor een officieel etiket af te gevendrukken. [Am. 92]
Om in aanmerking te komen voor een dergelijke machtiging en afhankelijk van de activiteiten waarvoor een machtiging moet worden verleend, moet de professionele exploitant:
a) beschikken over de nodige kennis om aan de in artikel 7 bedoelde voorschriften te kunnen voldoen;
b) gekwalificeerd zijn om de in bijlage II bedoelde inspecties uit te voeren of personeel in dienst hebben dat voor deze inspecties gekwalificeerd is;
c) voor de uitvoering van de in bijlage II bedoelde bemonstering gekwalificeerd personeel in dienst hebben of contracten sluiten met ondernemingen of verenigingen van professionele exploitanten die voor deze activiteiten gekwalificeerd personeel in dienst hebben; [Am. 93]
d) voor de uitvoering van de in bijlage II bedoelde tests specialisten in dienst hebben en over apparatuur beschikken of gebruikmaken van laboratoria voor het testen van plantaardig teeltmateriaal die voor deze activiteiten gekwalificeerd personeel in dienst hebben; [Am. 94]
e) de kritische punten van het productieproces die van invloed kunnen zijn op de kwaliteit en de identiteit van het plantaardig teeltmateriaal hebben geïdentificeerd, in staat zijn die punten te monitoren en een administratie bijhouden van de resultaten van die monitoring;
f) beschikken over systemen om te waarborgen dat aan de voorschriften van artikel 13 betreffende de identificatie van partijen wordt voldaan;
g) beschikken over systemen om te waarborgen dat aan de traceerbaarheidsvoorschriften van artikel 42 wordt voldaan.
2. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 75 gedelegeerde handelingen vast te stellen ter aanvulling van lid 1 wat betreft een of meer van de volgende elementen: [Am. 95]
a) de procedure voor de door de professionele exploitant in te dienen aanvraag; [Am. 96]
b) specifieke activiteiten die de bevoegde autoriteit moet uitvoeren om de naleving van lid 1, punten a) tot en met g), te bevestigen. [Am. 97]
Artikel 11
Intrekking of wijziging van de machtiging van een professionele exploitant
Wanneer een gemachtigde professionele exploitant niet langer aan de eisen van artikel 10, lid 1, voldoet, verzoekt de bevoegde autoriteit die exploitant om binnen een bepaalde termijn corrigerende maatregelen te nemen.
Indien de professionele exploitant de in de eerste alinea bedoelde corrigerende maatregelen niet binnen de gestelde termijn heeft genomen, trekt de bevoegde autoriteit de machtiging onverwijld in, of wijzigt zij deze, al naar het geval. Indien wordt geconcludeerd dat de vergunning na fraude is verleend, legt de bevoegde autoriteit de professionele exploitant passende sancties op.
Artikel 12
Officieel toezicht door de bevoegde autoriteiten
1. In het kader van de certificering onder officieel toezicht verrichten de bevoegde autoriteiten regelmatig en ten minste eenmaal per jaar een auditelke 18 maanden audits om te waarborgen dat de professionele exploitant de in artikel 10, lid 1, bedoelde voorschriften naleeft. [Am. 98]
Zij organiseren ook opleidingen en examens voor het personeel dat de in deze verordening bedoelde veldinspecties, bemonstering en tests moet uitvoeren.
2. In het kader van de certificering onder officieel toezicht voeren de bevoegde autoriteiten officiële inspecties, bemonstering en tests uit op een deel van de gewassen op de productielocatie en op partijen plantaardig teeltmateriaal, om te bevestigen dat dat materiaal voldoet aan de in artikel 7 bedoelde voorschriften.
Het deel wordt vastgesteld aan de hand van de beoordeling van het potentiële risico als het plantaardig teeltmateriaal niet aan die voorschriften voldoet.
3. De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingenis bevoegd overeenkomstig artikel 75 gedelegeerde handelingen vast te stellen die deze verordening aanvullen door de voorschriften vaststellen voor de in de leden 1 en 2 bedoelde audits, opleidingen, examens, inspecties, bemonstering en tests met betrekking tot bepaalde geslachten of soorten te specificeren. [Am. 99]
Die uitvoeringshandelingengedelegeerde handelingen kunnen een of meer van de volgende punten specificeren: [Am. 100]
a) de in lid 2 bedoelde risicocriteria en het minimumaandeel van de gewassen en de partijen plantaardig teeltmateriaal dat moet worden geïnspecteerd, bemonsterd en getest, zoals bedoeld in lid 2;
b) door de bevoegde autoriteiten te verrichten monitoringactiviteiten;
c) het gebruik van specifieke accreditatieregelingen door de professionele exploitant en de mogelijkheid voor de bevoegde autoriteiten om de in dit artikel bedoelde inspecties, bemonstering en tests en monitoringactiviteiten te beperken als gevolg van het gebruik van die regelingen, als bedoeld in lid 2. [Am. 101]
Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 76, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure. [Am. 102]
AFDELING 4
Voorschriften inzake behandeling
Artikel 13
Partijen
1. Plantaardig teeltmateriaal wordt in partijen in de handel gebracht. De inhoud aan rassen en soorten in elke partij moet voldoende homogeen gemengd zijn en door de gebruikers kunnen worden geïdentificeerd en te onderscheiden zijn van andere partijen plantaardig teeltmateriaal. [Am. 103]
2. Tijdens de verwerking, verpakking of opslag of bij aflevering mogen partijen plantaardig teeltmateriaal alleen tot een nieuwe partij worden samengevoegd als zij tot hetzelfde ras behoren en hetzelfde oogstjaar hebben. [Am. 104]
Wanneer partijen die uit verschillende certificeringscategorieën bestaan, worden samengevoegd, behoort de nieuwe partij tot de categorie van de component van de laagste categorie. Het samenvoegen mag alleen gebeuren in een inrichting en door personen die daarvoor toestemming hebben gekregen van de bevoegde autoriteit.
3. Tijdens de verwerking, verpakking en opslag en bij aflevering mogen partijen plantaardig teeltmateriaal in twee of meer partijen worden opgesplitst.
4. In geval van samenvoeging of opsplitsing van partijen plantaardig teeltmateriaal als bedoeld in de leden 2 en 3, houdt de professionele exploitant een overzicht van de oorsprong van de nieuwe partijen bij.
5. De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingen specifieke voorschriften voor alle of bepaalde soorten plantaardig teeltmateriaal vaststellen met betrekking tot de maximumomvang van partijen, de identificatie en etikettering ervan, het samenvoegen of opsplitsen van partijen in verhouding met de oorsprong van de partijen plantaardig teeltmateriaal, de registratie van die handelingen en de etikettering na het samenvoegen of opsplitsen van partijen. Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 76, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
Artikel 14
Verpakkingen, bundels en recipiënten
1. Plantaardig teeltmateriaal moet in de handel worden gebracht in bevestigde verpakkingen, bundels of recipiënten, voorzien van een sluitingssysteem en markering. In het geval van ander plantaardig teeltmateriaal dan zaden en pootaardappelen mag het ook in de handel worden gebracht in de vorm van afzonderlijke planten. [Am. 105]
2. De in lid 1 bedoelde verpakkingen, bundels en recipiënten moeten op zodanige wijze zijn bevestigd dat zij niet kunnen worden geopend zonder dat de bevestiging wordt verbroken of sporen worden achtergelaten zodat zichtbaar is dat de verpakking, de bundel of de recipiënt is geopend. De doeltreffendheid van de bevestiging wordt gewaarborgd, door hetzij het aanbrengen van de in de artikelen 15 en 16 bedoelde etiketten bij die bevestiging, hetzij het gebruik van verzegeling. Verpakkingen en recipiënten zijn vrijgesteld van deze eis als de bevestiging niet opnieuw kan worden gebruikt.
3. In het geval van plantaardig teeltmateriaal in de vorm van prebasis-, basis- of gecertificeerd materiaal of zaad worden die verpakkingen, bundels en recipiënten bevestigd door de bevoegde autoriteit of door de professionele exploitant onder officieel toezicht van de bevoegde autoriteit. Deze verpakkingen en recipiënten mogen niet opnieuw worden bevestigd, tenzij dit wordt gedaan door de bevoegde autoriteit of door de professionele exploitant onder officieel toezicht van de bevoegde autoriteit. Indien een verpakking, een bundel of een recipiënt opnieuw wordt bevestigd, worden de datum van de herbevestiging en de gegevens van de verantwoordelijke bevoegde autoriteit vermeld op het in artikel 15 bedoelde etiket.
4. Partijen plantaardig teeltmateriaal in de vorm van prebasis-, basis- of gecertificeerd materiaal of zaad mogen alleen onder officiële controle ofdoor de bevoegde autoriteit of de professionele exploitant onder officieel toezicht van de bevoegde autoriteit opnieuw worden verpakt, geëtiketteerd en afgesloten. [Am. 106]
5. In afwijking van lid 1 mogen zaden en pootaardappelen van een professionele exploitant rechtstreeks aan een landbouwer worden verhandeld in bulk. [Am. 107]
Die professionele exploitant krijgt daarvoor toestemming van de bevoegde autoriteit. De exploitant stelt de bevoegde autoriteit vooraf in kennis van deze activiteit en van de partij waaruit het zaad en de pootaardappelen in kwestie afkomstig is. [Am. 108]
Wanneer zaad en pootaardappelen rechtstreeks in de machine of aanhanger van de landbouwer wordt geladen, waarborgen de professionele exploitant en de betrokken landbouwer de traceerbaarheid van dat zaad en die pootaardappelen met de afgifte en het bewaren van documenten waarin de soort en het ras, de hoeveelheid, het tijdstip van overdracht en de identificatie van de partij zijn vermeld. [Am. 109]
5 bis. De bevoegde autoriteit of de professionele exploitant houden een register bij van het volgende:
a) de machtiging, de aankoop, het laden en het vervoer van het plantaardig teeltmateriaal; en
b) de kwaliteit, de identificatie en de traceerbaarheid van het plantaardig teeltmateriaal. [Am. 110]
6. De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingen specifieke voorschriften vaststellen met betrekking tot de (af)sluiting, bevestiging, afmetingen en vorm van verpakkingen, bundels en recipiënten van specifieke soorten plantaardig teeltmateriaal, en de voorwaarden voor het in bulk verhandelen van zaden en pootaardappelen specificeren. Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 76, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure. [Am. 111]
AFDELING 5
Etiketteringsvoorschriften
Artikel 15
Officieel etiket
1. Prebasis-, basis- en gecertificeerd materiaal en zaad worden geïdentificeerd en de overeenstemming ervan met deze verordening wordt bevestigd door middel van een officieel etiket dat wordt afgegeven nadat de bevoegde autoriteit heeft geconcludeerd dat aan de in artikel 7 bedoelde voorschriften is voldaan.
2. Het officiële etiket wordt door de bevoegde autoriteit afgegeven en wordt voorzien van een door de bevoegde autoriteit toegekend serienummer.
Het wordt afgedrukt door:
a) de bevoegde autoriteit die het officiële etiket heeft afgegeven, indien de professionele exploitant daarom verzoekt of indien de professionele exploitant niet gemachtigd is door de bevoegde autoriteit om certificering onder officieel toezicht uit te voeren overeenkomstig artikel 10,; of [Am. 112]
b) de professionele exploitant of verenigingen van professionele exploitanten, onder officieel toezicht van de bevoegde autoriteit, indien de professionele exploitant gemachtigd is om certificering onder officieel toezicht uit te voeren overeenkomstig artikel 10. [Am. 113]
3. Het officiële etiket wordt op de buitenkant van de bundel, verpakking of recipiënt aangebracht door de professionele exploitant onder officieel toezicht van de bevoegde autoriteit of door een persoon die onder de verantwoordelijkheid van de professionele exploitant handelt.
4. Het officiële etiket moet nieuw worden afgegeven. Indien de bevoegde autoriteit dit toestaat, mogen zelfklevende officiële etiketten worden gebruikt wanneer er geen risico bestaat dat zij opnieuw kunnen worden gebruikt.
5. De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 75 gedelegeerde handelingen vast te stellen ter aanvulling van dit artikel met de volgende regels betreffende:
a) de digitale registratie van alle door de professionele exploitanten en de bevoegde autoriteiten uitgevoerde handelingen in het kader van de afgifte van het officiële etiket;
b) de oprichting van een gecentraliseerd platform dat de lidstaten en de Commissie verbindt om de verwerking van, de toegang tot en het gebruik van die gegevens te vergemakkelijken;
c) de technische regelingen voor de afgifte van officiële elektronische etiketten.
Na de vaststelling van een dergelijke gedelegeerde handeling kan het officiële etiket ook in elektronische vorm worden afgegeven (“elektronisch officieel etiket”).
6. In afwijking van de leden 1 tot en met 5 van dit artikel wordt prebasis- en basismateriaal en zaad, basis- en gecertificeerd materiaal en zaad dat is ingevoerd uit derde landen overeenkomstig artikel 39, in de Unie in de handel gebracht met het OESO-etiket dat ze bij invoer vergezelde. [Am. 114]
Artikel 16
Etiket van de exploitant
Standaardmateriaal en standaardzaad wordt geïdentificeerd door middel van een etiket van de exploitant. Dat etiket bevestigt op basis van inspecties, bemonstering en tests door de professionele exploitant dat het standaardmateriaal of standaardzaad aan de relevante in artikel 8 bedoelde voorschriften voor productie en het in de handel brengen voldoet.
Het etiket van de exploitant wordt afgegeven, afgedrukt en op de buitenkant van een plant, bundel, verpakking of recipiënt aangebracht door de professionele exploitant of door een persoon die onder de verantwoordelijkheid van de professionele exploitant handelt. De informatie die op het etiket van de professionele exploitant wordt opgenomen, kan ook rechtstreeks op de plant, bundel, verpakking of recipiënt worden afgedrukt door de professionele exploitant of door een persoon die onder de verantwoordelijkheid van de professionele exploitant handelt. [Am. 115]
Artikel 17
Inhoud van etiketten
1. Het officiële etiket en het etiket van de exploitant worden in ten minste een van de officiële talen van de Unie opgesteld.
2. Het officiële etiket en het etiket van de exploitant moeten leesbaar, onuitwisbaar, niet door manipulatie wijzigbaar, op één zijde afgedrukt en niet eerder gebruikt zijn en gemakkelijk zichtbaar zijn en zijn gemaakt van materiaal dat niet kan scheuren, tenzij het een zelfklevend etiket is. Het bevat, indien van toepassing, een verwijzing naar het kwekersrecht en een verwijzing naar het in artikel 46 bedoelde register in geval van verdere intellectuele-eigendomsrechten. [Am. 116]
3. Elke ruimte op het officiële etiket of op het etiket van de exploitant, met uitzondering van de ruimte voor de in lid 4 genoemde elementen, magwordt, in voorkomend geval, door de bevoegde autoriteit voor aanvullende informatie worden gebruikt. Deze informatie wordt weergegeven in letters die niet groter zijn dan die welke worden gebruikt voor de inhoud van het officiële etiket of het etiket van de exploitant als bedoeld in lid 4. Die aanvullende informatie moet strikt feitelijk van aard zijn, mag geen reclamemateriaal weergeven en mag alleen betrekking hebben op de voorschriften voor de productie of het in de handel brengen of op etiketteringsvoorschriften voor genetisch gemodificeerde organismen of NGT-planten van categorie 1 zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 7, van Verordening (EU) .../... (PB: gelieve de verwijzing naar NGT-verordening ... in te voegenOffice of Publications, please insert reference to NGT Regulation...). [Am. 117]
4. De Commissie specificeert door middel van uitvoeringshandelingen de inhoud, afmetingen, kleur en vorm van het officiële etiket of het etiket van de exploitant, naargelang het geval, met betrekking tot de respectieve categorieën of soorten plantaardig teeltmateriaal, voor:
a) het in artikel 15, lid 1, bedoelde officiële etiket;
b) het in artikel 16 bedoelde etiket van de exploitant;
c) het in artikel 21, lid 1, bedoelde etiket voor mengsels;
d) het in artikel 22, lid 1, bedoelde etiket voor instandhoudingsmengsels;
e) het in artikel 23, lid 5, bedoelde etiket voor herverpakt en geheretiketteerd zaad;
f) het in artikel 26, lid 2, bedoelde etiket voor plantaardig teeltmateriaal van instandhoudingsrassen;
g) het in artikel 28, lid 1, punt a), bedoelde etiket voor plantaardig teeltmateriaal voor verhandeling aan eindgebruikers;
h) het in artikel 29 bedoelde etiket voor het plantaardig teeltmateriaal dat door bepaalde genenbanken, organisaties en netwerken wordt verhandeld; [Am. 118]
i) het in artikel 31, lid 2, bedoelde etiket voor kwekerszaad; [Am. 119]
j) het in artikel 32, lid 5, bedoelde etiket voor plantaardig teeltmateriaal van nog niet geregistreerde rassen;
k) het in artikel 33, lid 2, bedoelde etiket voor plantaardig teeltmateriaal waarvoor een tijdelijke toestemming wordt verleend bij voorzieningsproblemen,; en
l) het in artikel 34, lid 3, bedoelde etiket voor zaad waarvoor een voorlopige toestemming voor het in de handel brengen is verleend;
m) het in artikel 35, lid 3, bedoelde etiket voor zaad dat nog niet definitief is gecertificeerd;
n) het in artikel 40, leden 1 en 2, bedoelde etiket voor uit derde landen ingevoerd plantaardig teeltmateriaal.;
n bis) het in artikel 9, lid 4, bedoelde etiket voor polyklonaal materiaal. [Am. 120]
Die uitvoeringshandeling wordt vastgesteld volgens de in artikel 76, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
5. De bevoegde autoriteit kan de professionele exploitant toestaan andere informatie dan de in lid 4 bedoelde inhoud, met uitzondering van reclamemateriaal, aan de rand van het officiële etiket te vermelden op niet meer dan 20 % van de totale oppervlakte van het officiële etiket, onder de titel “Niet-officiële informatie”. Deze informatie wordt weergegeven in letters die niet groter zijn dan die welke worden gebruikt voor de inhoud van het officiële etiket als bedoeld in lid 4.
Artikel 18
Verwijzing naar partijen
Voor elke partij worden het officiële etiket en het etiket van de exploitant afgegeven.
Indien een partij van hetzelfde ras in twee of meer nieuwe partijen wordt opgesplitst, wordt voor elke partij een nieuw officieel etiket of etiket van de exploitant afgegeven.
Indien meerdere partijen van hetzelfde ras tot één partij worden samengevoegd, wordt voor die nieuwe partij een nieuw officieel etiket of etiket van de exploitant afgegeven.
Artikel 19
Plantaardig teeltmateriaal dat niet aan de voorschriften voor de productie en het in de handel brengen voldoet
Indien uit officiële controles die tijdens het in de handel brengen van plantaardig teeltmateriaal worden uitgevoerd, blijkt dat prebasis-, basis- of gecertificeerd zaad of materiaal, of standaardzaad of -materiaal,het niet in de Unie geproduceerd of in de handel gebracht is overeenkomstig de respectieve voorschriften van artikel 7 of 8, of indien de rasechtheid en de raszuiverheid van hetop plantaardig teeltmateriaal niet zijn bevestigd bij de tests met controlepercelen overeenkomstig artikel 24van toepassing zijnde voorschriften, zorgen de bevoegde autoriteiten ervoor dat de betrokken professionele exploitant de nodige corrigerende maatregelen neemt met betrekking tot het betrokken plantaardig teeltmateriaal en de betrokken werklocaties en productiemethoden, naargelang het geval. Die maatregelen beogen een of meer van de volgende punten te bereiken: [Am. 121]
a) het betrokken plantaardig teeltmateriaal voldoet aan de respectieve voorschriften;
b) het betrokken plantaardig teeltmateriaal wordt uit de handel genomen of als ander materiaal dan plantaardig teeltmateriaal gebruikt;
c) enkel voor ander teeltmateriaal dan standaardzaad of standaardmateriaal, heterogeen zaad of heterogeen materiaal en plantaardig teeltmateriaal dat in de handel wordt gebracht krachtens de in de artikelen 27 tot en met 30 genoemde afwijkingen: het betrokken plantaardig teeltmateriaal wordt geproduceerd of in de handel gebracht in een lagere categorie, overeenkomstig de voor die categorie geldende voorschriften; [Am. 122]
d) aan de professionele exploitant wordtkan in voorkomend geval een aanvullende sanctie worden opgelegd naast de intrekking of wijziging van de machtiging zoals bedoeld in artikel 11. [Am. 123]
Artikel 20
Plantaardig teeltmateriaal dat alleen geproduceerd en in de handel gebracht mag worden als prebasis-, basis- of gecertificeerd zaad of materiaal
1. Plantaardig teeltmateriaal van de in bijlage IV vermelde geslachten of soorten mag alleen geproduceerd en in de handel gebracht worden als prebasis-, basis- of gecertificeerd zaad of materiaal.
2. De Commissie is overeenkomstig artikel 75 bevoegd om een gedelegeerde handeling vast te stellen tot wijziging van bijlage IV.
Bij de in de eerste alinea bedoelde gedelegeerde handeling wordt een geslacht of een soort toegevoegd aan bijlage IV als aan beide volgende voorwaarden is voldaan:
a) er is behoefte aan hogere garanties voor de kwaliteit van zaden van dat geslacht of die soort, en
b) de kosten van de certificeringsactiviteiten, die nodig zijn om het desbetreffende zaad als prebasis-, basis- en gecertificeerd zaad te kunnen produceren en in de handel te brengen, zijn evenredig:
i) met het oog op het waarborgen van de voedsel- en diervoederzekerheid of het waarborgen van een hoge waarde voor de industriële verwerking, en
ii) wat betreft de economische voordelen die voortvloeien uit de hoogste normen inzake identiteit en kwaliteit van het zaad als gevolg van het voldoen aan de voorschriften voor prebasis-, basis- en gecertificeerd zaad, ten opzichte van het voldoen aan de voorschriften voor standaardzaad.
Die evenredigheid is gebaseerd op een algemene beoordeling van het totaal van de volgende elementen: het belang van het geslacht of de soort in kwestie voor de voedsel- en diervoederzekerheid van de Unie; het productievolume ervan in de Unie; de vraag ernaar onder professionele exploitanten en exploitanten in de levensmiddelen- en diervoederindustrie; de productiekosten van prebasiszaad, basiszaad en gecertificeerd zaad in vergelijking met de productiekosten van ander zaad van hetzelfde geslacht of dezelfde soort, en de economische voordelen van de productie en het in de handel brengen van prebasiszaad, basiszaad en gecertificeerd zaad in vergelijking met die van ander zaad van hetzelfde geslacht of dezelfde soort.
Bij de in de eerste alinea bedoelde gedelegeerde handeling wordt een geslacht of een soort uit bijlage IV verwijderd indien niet langer wordt voldaan aan een van de voorwaarden van de tweede alinea, punt b), i) en ii).
2 bis. Op zijn verzoek kan een lidstaat door de Commissie door middel van uitvoeringshandelingen worden vrijgesteld van de verplichting om de in dit artikel vastgestelde bepalingen toe te passen op de productie en het in de handel brengen van plantaardig teeltmateriaal van een in bijlage IV opgenomen geslacht of soort dat gewoonlijk niet op zijn grondgebied wordt gereproduceerd of in de handel gebracht. Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 76, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
De in de eerste alinea van dit lid bedoelde vrijstelling is gebaseerd op een beoordeling van de in lid 2, tweede alinea, punten a) en b), vastgestelde voorwaarden.
De in de eerste alinea van dit lid bedoelde vrijstelling wordt regelmatig getoetst. De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingen besluiten dat de vrijstelling moet worden ingetrokken indien zij van oordeel is dat deze niet langer gerechtvaardigd is in het licht van de in lid 2, tweede alinea, punten a) en b), bedoelde voorwaarden. Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 76, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure. [Am. 124]
AFDELING 6
SPECIFIEKE VOORSCHRIFTEN VOOR MENGSELS VAN ZADEN, HERVERPAKKING VAN ZADEN EN TESTS MET CONTROLEPERCELEN VOOR ZADEN
Artikel 21
Mengsels van zaden
1. Mengsels van gecertificeerd zaad of mengsels van standaardzaad van verschillende in deel Ade delen A en B van bijlage I vermelde geslachten of soorten die voldoen aan de voorschriften van de artikelen 5 tot en met 8, al dan niet in combinatie met handelszaden, alsmede van verschillende rassen van die geslachten of soorten, mogen in de Unie geproduceerd en in de handel gebracht worden als zij aan de voorschriften van dit artikel voldoen. [Am. 125]
De zaden in die mengsels gaan vergezeld van:
a) een officieel etiket, indien het mengsel uitsluitend uit gecertificeerd zaad bestaat, of
b) een etiket van de exploitant, indien het mengsel uitsluitend uit standaardzaad of uit gecertificeerd en standaardzaad bestaatin alle andere gevallen. [Am. 126]
Voor de toepassing van de tweede alinea, punt a), dienen de professionele exploitanten bij de bevoegde autoriteit de lijst in van de rassen en bestanddelen van handelszaad die deel uitmaken van het mengsel en van de verhoudingen van dat mengsel, zodat kan worden nagegaan of die rassen in aanmerking komen. [Am. 127]
2. De in lid 1 bedoelde mengsels van zaden mogen alleen worden geproduceerd door professionele exploitanten die daarvoor een vergunning hebben verkregen van de bevoegde autoriteit. Om een vergunning voor de productie van dergelijke mengsels te verkrijgen, moeten professionele exploitanten aan de volgende eisen voldoen:
a) beschikken over de benodigde menginstallaties en passende procedures om ervoor te zorgen dat het eindmengsel homogeen is en de aangegeven verhouding van de verschillende bestanddelen in elke recipiënt kan worden bereikt;
b) een leidinggevende persoon de rechtstreekse verantwoordelijkheid geven over de meng- en verpakkingsverkzaamheden; en
c) een register van zaadmengsels en het beoogde gebruik ervan bijhouden.
3. Het mengen en verpakken van de in lid 1, punt a), bedoelde zaden gebeurt onder toezicht van de bevoegde autoriteit.
De mengwerkzaamheden moeten zodanig worden uitgevoerd dat er geen risico bestaat op de aanwezigheid van zaden die niet in het mengsel thuishoren en dat het uiteindelijke mengsel zo homogeen mogelijk is.
Het gewicht van het zaad in één recipiënt, of dit nu bestaat uit een mengsel van kleine soorten of van soorten waarvan het zaad groter is dan tarwe, mag niet meer bedragen dan 40 kg.
4. De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingen, op basis van technische en wetenschappelijke ontwikkelingen en de ervaring die met de toepassing van dit artikel is opgedaan, voorschriften vaststellen betreffende:
a) de mengapparatuur en -procedure;
b) de maximale omvang van de partijen voor bepaalde soorten en variëteiten.
Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 76, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
Artikel 22
Instandhoudingsmengsels
1. In afwijking van de artikelen 5 tot en met 8 en van artikel 21, lid 1, kunnen de lidstaten de productie en het in de handel brengen van een mengsel van zaden van verschillende in deel Ade delen A, B en C van bijlage I vermelde geslachten of soorten, alsmede van verschillende rassen van die geslachten of soorten, samen met zaden vanen geslachten of soorten van in andere delen van die bijlage opgenomen of van niet in die bijlage opgenomen geslachten of soorten toestaan indien een dergelijk mengseldergelijke mengsels aan alle volgende voorwaarden voldoetvoldoen: [Am. 128]
a) het draagtzij dragen bij tot de instandhouding van genetische hulpbronnen of het behoud van het natuurlijke milieu; en [Am. 129]
b) het wordtzij worden van nature geassocieerd met een bepaald gebied (“brongebiedregio van oorsprong”) dat bijdraagt tot de instandhouding van genetische hulpbronnen of het herstel van het natuurlijke milieu; [Am. 130]
c) het voldoetzij voldoen aan de voorschriften van bijlage V.; [Am. 131]
c bis) zij bestaan niet uit een ggo of een NGT-plant van categorie 1, zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 7, van Verordening (EU) .../... [NGT-verordening] of een NGT-plant van categorie 1 of 2, zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 8, van die verordening. [Am. 132]
Een dergelijk mengsel vormt een “instandhoudingsmengselDergelijke mengsels vormen “instandhoudingsmengsels” en dit wordt op het etiket vermeld. [Am. 133]
2. De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 75 een gedelegeerde handeling vast te stellen om bijlage V te wijzigen met betrekking tot de volgende elementen:
a) vergunningseisen voor mengsels van zaden die rechtstreeks zijn verzameld op een natuurlocatie die tot een bepaald brongebiedbepaalde regio van oorsprong behoort, met het oog op de instandhouding en het herstel van het natuurlijke milieu (rechtstreeks geoogste instandhoudingsmengsels); [Am. 134]
b) vergunningseisen voor als gewas geteelde instandhoudingsmengsels;
c) het gebruik en het gehalte van bepaalde soorten;
d) voorschriften inzake de verpakking en het afsluiten daarvan;
e) vereisten voor de vergunning van de professionele exploitanten.
Die wijzigingengedelegeerde handelingen moeten gebaseerd zijn op de ervaring die is opgedaan met de uitvoering van dit artikel en op technische en wetenschappelijke ontwikkelingen en de verbetering van de kwaliteit en de identificatie van instandhoudingsmengsels. Zij kunnen specifiek betrekking hebben op bepaalde geslachten of soorten. [Am. 135]
3. Professionele exploitanten moeten voor elk productieseizoen verslag uitbrengen aan de respectieve bevoegde autoriteiten over de hoeveelheid door hen geproduceerde en in de handel gebrachte instandhoudingsmengsels.
De lidstaten brengen op verzoek verslag uit aan de Commissie en de andere lidstaten over de hoeveelheid op hun grondgebied geproduceerde en in de handel gebrachte instandhoudingsmengsels en, in voorkomend geval, de namen van de bevoegde autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor plantgenetische hulpbronnen of van de erkende organisaties op dat gebied.
Artikel 23
Herverpakking en heretikettering van partijen zaadplantaardig teeltmateriaal [Am. 136]
1. Partijen zaadplantaardig teeltmateriaal van prebasis-, basis- en gecertificeerd zaad worden overeenkomstig dit artikel en de artikelen 14 en 15 herverpakt en geheretiketteerd als dit nodig is voor het opsplitsen of samenvoegen van partijen. [Am. 137]
2. De herverpakking en heretikettering van een partij zaadplantaardig teeltmateriaal wordt uitgevoerd door: [Am. 138]
a) de professionele exploitant, onder officieel toezicht van de bevoegde autoriteit; of
b) een monsternemer, die daartoe is gemachtigd door en onder het toezicht staat van, en rapporteert aan, de bevoegde autoriteit.
In het geval van punt b) stelt de bevoegde autoriteit de professionele exploitant daarvan vooraf in kennis, zodat deze de samenwerking met de monsternemer kan organiseren.
3. De professionele exploitant en de monsternemer die partijen zaad herverpakken en heretiketteren, nemen alle maatregelen om ervoor te zorgen dat de identiteit en de raszuiverheid van de partij zaad tijdens het herverpakken behouden blijven, dat er geen contaminatie plaatsvindt en dat de uiteindelijke partij zaad zo homogeen mogelijk is.
4. De professionele exploitanten en de monsternemer houden een register bij van het herverpakken en heretiketteren van partijen zaad, tot drie jaar na de respectieve heretikettering en herverpakking. De informatie in dat register omvat:
a) het referentienummer van de oorspronkelijke partij zaad;
b) het referentienummer van de herverpakte of geheretiketteerde partij zaad;
c) het gewicht van de oorspronkelijke partij zaad;
d) het gewicht van de herverpakte of geheretiketteerde partij zaad;
e) de datum van de definitieve verwijdering van de partij.
Dit register wordt bijgehouden in een vorm die het mogelijk maakt de oorspronkelijke partij zaad die wordt herverpakt en geheretiketteerd, te identificeren en de authenticiteit ervan te bevestigen. Het register moet op verzoek ter beschikking van de bevoegde autoriteit worden gesteld.
5. De originele sluiting en etiketten worden van de partij zaad verwijderd. De professionele exploitanten of de monsternemer bewaren van elke partij zaad ook het etiket dat is vervangen.
Op de nieuwe etiketten moet hetzij het referentienummer van de oorspronkelijke partij zaad, hetzij een nieuw door de bevoegde autoriteit toegekend referentienummer voor de partij zaad worden vermeld.
6. Wanneer de bevoegde autoriteit een nieuw referentienummer voor de partij zaad toekent, houdt zij het voormalige referentienummer van de partij zaad in haar administratie bij of zorgt zij ervoor dat dit voormalige nummer op de nieuwe etiketten wordt vermeld.
7. Mengsels van gecertificeerd zaad mogen alleen worden herverpakt als de professionele exploitant of de monsternemer heeft vastgesteld dat de verhouding tussen de verschillende bestanddelen van een mengsel tijdens het herverpakkingsproces behouden blijft.
Artikel 24
Tests met controlepercelen voor prebasis-, basis- en gecertificeerd zaad
1. Na de productie van prebasis-, basis- en gecertificeerd zaad voeren de bevoegde autoriteiten jaarlijks veldproeven uit, onmiddellijk na of tijdens het seizoen volgend op de bemonstering, en in aanvulling op de veldinspecties, op percelen waar het ras wordt vergeleken met een officieel gevalideerd zaadmonster van het ras om te bevestigen dat de kenmerken van rassen tijdens het productieproces ongewijzigd zijn gebleven en om de rasechtheid en raszuiverheid van de afzonderlijke partijen zaad te verifiëren.
Deze tests worden gebruikt om te beoordelen:
a) of aan de vereisten voor de volgende categorieën of generaties is voldaan. Wanneer uit dergelijke tests van de direct volgende categorie of generatie blijkt dat de rasechtheid of de raszuiverheid van het zaad niet zijn behouden, wordt zaad dat afkomstig is van uit betrokken partij niet gecertificeerd door de bevoegde autoriteit;
b) of dit zaad voldoet aan de respectieve vereisten inzake identiteit en kwaliteit en andere certificeringsvoorschriften. Wanneer uit een dergelijke test blijkt dat niet aan de voorschriften van artikel 7 is voldaan, neemt de bevoegde autoriteit de betrokken partij uit de markt of zorgt zij ervoor dat deze aan de toepasselijke voorschriften voldoet.
2. Het aandeel van deze tests met controlepercelen voor prebasis-, basis- en gecertificeerd zaad wordt bepaald op basis van een risicoanalyse waaruit blijkt dat het zaad mogelijk niet aan de desbetreffende voorschriften voldoet.
3. Op basis van de in lid 2 bedoelde risicoanalyse wordt getest met controlepercelen aan de hand van monsters die de bevoegde autoriteit van het geoogste zaad heeft genomen.
4. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 75 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot aanvulling van deze verordening met regels voor de tests met controlepercelen van zaden per geslacht of per soort. Deze regels moeten worden aangepast aan de ontwikkeling van de wetenschappelijke en technische inzichten en internationale normen, en kunnen per geslacht, soort of categorie worden vastgesteld. Zij kunnen betrekking hebben op:
a) criteria voor de uitvoering van de in lid 2 bedoelde risicoanalyse;
b) de testprocedure;
c) evaluatie van de resultaten van de tests.
5. In het geval van controle van de rasechtheid en de raszuiverheid kan het gebruik van biomoleculaire technieken als aanvullend instrument worden gebruikt wanneer de resultaten van de in lid 1 bedoelde tests met controlepercelen geen uitsluitsel bieden.
Artikel 25
Tests met controlepercelen voor standaardzaad
1. Na het in de handel brengen van standaardzaad voeren de bevoegde autoriteiten, indien de risicoanalyse daartoe aanleiding geeft, tests met controlepercelen uit om na te gaan of de zaden voldoen aan de respectieve vereisten inzake rasechtheid en raszuiverheid en aan andere voorschriftenzoals uiteengezet in artikel 8 en bijlage III, naargelang het geval. [Am. 139]
2. Het aandeel van de tests met controlepercelen wordt bepaald op basis van een risicoanalyse van de mogelijkheid dat het desbetreffende zaad niet aan die voorschriften voldoet. Deze risicoanalyse wordt verricht door de bevoegde autoriteit, op basis van territoriale kenmerken, het bestaan van risico’s voor de plantgezondheid in de regio en de staat van dienst van de professionele exploitant. [Am. 140]
3. Op basis van de risicoanalyse met betrekking tot niet-naleving van de respectieve voorschriften worden jaarlijks de in lid 1 bedoelde tests met controlepercelen uitgevoerd, met door de bevoegde autoriteit genomen monsters van homogene partijen zaad. Bij deze tests worden de identiteit en de raszuiverheid van het betrokken zaad, alsmede de kiemgetallen en de mechanische zuiverheid ervan beoordeeld.
4. In het geval van controle van de rasechtheid en de raszuiverheid kan het gebruik van biomoleculaire technieken als aanvullend instrument worden gebruikt wanneer de resultaten van de in lid 1 bedoelde tests met controlepercelen niet overtuigend zijn.
AFDELING 7
Afwijkingen van de voorschriften van de artikelen 5 tot en met 25
Artikel 26
Plantaardig teeltmateriaal van instandhoudingsrassen
1. In afwijking van artikel 20 mag plantaardig teeltmateriaal van in bijlage IV opgenomen geslachten en soorten dat behoort tot een instandhoudingsras dat is geregistreerd in een nationaal rassenregister als bedoeld in artikel 44, lid 1, punt b), in de Unie worden geproduceerd en in de handel worden gebracht als standaardzaad of -materiaal, indien het voldoet aan alle voorschriften betreffende standaardzaad en -materiaal voor de respectieve soorten, als bedoeld in artikel 8. [Am. 141]
2. Plantaardig teeltmateriaal als bedoeld in lid 1 moet vergezeld gaan van een etiket van de exploitant met de vermelding “instandhoudingsras”.
3. Een professionele exploitant die van deze afwijking gebruikmaakt, stelt de bevoegde autoriteit jaarlijks in kennis van deze activiteit, wat betreft de betrokken soorten en hoeveelheden. [Am. 142]
Artikel 27
Plantaardig teeltmateriaal van heterogeen materiaal
1. In afwijking van artikel 5 mag plantaardig teeltmateriaal van heterogeen materiaal, uitgezonderd de productie en het in de handel brengen van in bijlage I vermelde groenvoedergewassen, in de Unie geproduceerd en in de handel gebracht worden, zonder tot een ras te behoren. Het heterogenePlantaardig teeltmateriaal van heterogeen materiaal wordt vóór de productie en/of het in de handel brengen ervan door de bevoegde autoriteit gemeld en geregistreerd overeenkomstig de voorschriften van bijlage VI. [Am. 143]
2. In afwijking van artikel 7, leden 1 en 3, en artikel 8, artikel 13, leden 1 en 32 en 5, en de artikelen 18 en 20 wordt het plantaardig teeltmateriaal van het in lid 1 bedoelde heterogeen materiaal geproduceerd en in de handel gebracht overeenkomstig de voorschriften van bijlage VI. [Am. 144]
3. De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 75 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van bijlage VI. Deze wijzigingen kunnen op alle of op bepaalde geslachten of soorten betrekking hebben, en strekken tot verbetering van:
a) de informatieverstrekking met betrekking tot de kennisgeving, beschrijving en identificatie van heterogeen plantaardig teeltmateriaal, op basis van de ervaring die is opgedaan met de toepassing van de respectieve regels;
b) de regels inzake de verpakking en etikettering van heterogeen plantaardig teeltmateriaal, op basis van de ervaring die is opgedaan met de controles door de bevoegde autoriteiten;
c) de regels inzake de instandhouding van heterogeen plantaardig teeltmateriaal, indien van toepassing, op basis van de ontwikkeling van beste praktijken. [Am. 145]
Deze wijzigingen worden vastgesteld met het oog op de aanpassing aan de ontwikkeling van de respectieve technische en wetenschappelijke gegevens en de internationale normen, en om gevolg te geven aan de ervaring die is opgedaan met de toepassing van dit artikel voor alle of bepaalde geslachten of soorten.
4. Elke professionele exploitant die plantaardig teeltmateriaal van heterogeen materiaal produceert en/of voornemens is het in de handel te brengen, dient vóór het in de handel brengen een kennisgeving in bij de bevoegde autoriteit. Indien de nationale bevoegde autoriteit niet binnen een door de bevoegde autoriteit bepaalde termijndrie maanden om nadere informatie verzoekt, mag het plantaardig teeltmateriaal van heterogeen materiaal in de handel worden gebracht. [Am. 146]
5. De professionele exploitant zorgt voor de traceerbaarheid van het plantaardig teeltmateriaal van heterogeen materiaal door informatie bij te houden aan de hand waarvan kan worden vastgesteld welke professionele exploitanten het oorspronkelijke materiaal (oudermateriaal) hebben geleverd dat voor de productie van heterogeen materiaal is gebruikt.
De professionele exploitant bewaart deze informatie gedurende vijf jaar.
De professionele exploitant die plantaardig teeltmateriaal van heterogeen materiaal produceert dat bestemd is om in de handel te worden gebracht, moet de volgende informatie registreren en bewaren:
a) de naam van de soort en benaming die wordt gebruikt voor elk heterogeen materiaal waarvan kennis is gegeven;
b) het soort techniek dat wordt gebruikt voor de productie van heterogeen materiaal als bedoeld in lid 1;
c) de karakterisering van het heterogene materiaal waarvan kennisgeving is gedaan;
d) de teeltlocatieteelt- of productielocatie van het plantaardig teeltmateriaal van heterogeen materiaal evenals de productielocatie; [Am. 147]
e) de oppervlakte voor de productie van plantaardig teeltmateriaal van heterogeen materiaal en de geproduceerde hoeveelheid.
De bevoegde autoriteiten hebben in het kader van controles na het in de handel brengen toegang tot de in dit lid bedoelde informatie. [Am. 148]
6. Artikel 54 is van overeenkomstige toepassing voor de geschiktheid van de benaming van heterogeen materiaal.
7. Heterogeen materiaal waarvan overeenkomstig lid 1 kennisgeving is gedaan, wordt door de bevoegde autoriteiten geregistreerd in een speciaal register (“register van heterogeen materiaal”). De registratie is voor de professionele exploitant kosteloos. [Am. 149]
De bevoegde autoriteiten houden dat register bij en maken de inhoud bekend, die ook online toegankelijk wordt gemaakt, en stellen de Commissie onmiddellijk in kennis van de inhoud en van wijzigingen daarin. [Am. 150]
Artikel 28
Plantaardig teeltmateriaal voor verhandeling aan eindgebruikers
1. In afwijking van de artikelen 5 tot en met 12, 14, 15 en 20 mag plantaardig teeltmateriaal aan eindgebruikers worden verhandeld indien het aan alle volgende voorschriften voldoet:
a) er is een etiket van de exploitant op aangebracht met de benaming van het plantaardig teeltmateriaal en de vermelding “plantaardig teeltmateriaal voor eindgebruikers – niet officieel gecertificeerd” of, in het geval van zaad, “zaad voor eindgebruikers – niet officieel gecertificeerd”;
b) indien het niet behoort tot een ras dat is geregistreerd in een nationaal rassenregister als bedoeld in artikel 44, is er een beschrijving openbaar gemaakt, op basis van particuliere documentatie, in een door de professionele exploitant bijgehouden handelscatalogus. Deze particuliere documentatie wordt door de professionele exploitant op verzoek ter beschikking gesteld van de bevoegde autoriteit;
c) het is nagenoeg vrij van kwaliteitsorganismen en van gebreken die de kwaliteit ervan als plantaardig teeltmateriaal kunnen aantasten, en heeft voldoende groeikracht en omvang met het oog op de bruikbaarheid als plantaardig teeltmateriaal, en heeft, in het geval van zaad, voldoende kiemkracht; en
d) het wordt als afzonderlijke planten of, in het geval van zaden en knollen, in kleine verpakkingen in de handel gebracht.
Een professionele exploitant die van deze afwijking gebruikmaakt, stelt de bevoegde autoriteit jaarlijks in kennis van deze activiteit, wat betreft de betrokken soorten en hoeveelheden. [Am. 151]
2. De Commissie stelt door middel van uitvoeringshandelingen voorschriften vast betreffende de afmetingen, de vorm, het afsluiten en de behandeling van de in lid 1, punt d), bedoelde kleine verpakkingen.
Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 76, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure. [Am. 152]
Artikel 29
Plantaardig teeltmateriaal dat wordt verhandeld aan, door, en tussen genenbanken,en binnen organisaties en netwerken die zich bezighouden met dynamische instandhouding [Am. 153]
1. In afwijking van de artikelen 5 tot en met 25 mag plantaardig teeltmateriaal worden verhandeld aan, door, of tussen genenbanken,en binnen organisaties en netwerken, waaronder landbouwers, die zich bezighouden met dynamische met een statutaire doelstelling, of aan een objectieve functionaris die bij de bevoegde autoriteit is aangemeld, met het oog op de instandhouding van plantgenetische hulpbronnen, waarbij de activiteiten zonder winstoogmerk worden uitgevoerd. [Am. 154]
Het kan ook in de handel worden gebracht vanuit die genenbanken, organisatiesinstandhoudingsorganisaties en netwerken of hun leden, aan personen die zich bezighouden met de dynamische instandhouding van het plantaardig teeltmateriaal, als eindconsument in stand houden, zonder winstoogmerkof voor landbouwdoeleinden. [Am. 155]
In de in de eerste en tweede alinea bedoelde gevallen moet het plantaardig teeltmateriaal aan de volgende voorschriften voldoen:
a) het is opgenomen in een door die genenbanken, organisatiesinstandhoudingsorganisaties en netwerken bijgehouden register met een passende beschrijvingbasisbeschrijving van dat plantaardig teeltmateriaal indien het niet behoort tot een ras dat is geregistreerd in een nationaal rassenregister als bedoeld in artikel 44; [Am. 156]
b) het wordt in stand gehouden door die genenbanken, organisatiesinstandhoudingsorganisaties en netwerken, en zij stellen, indien de hoeveelheden het mogelijk maken, op verzoek monsters van dat plantaardig teeltmateriaal ter beschikking aan de bevoegde autoriteiten; en [Am. 157]
c) het is nagenoeg vrij van kwaliteitsorganismen en van gebreken die de kwaliteit ervan als plantaardig teeltmateriaal kunnen aantasten, en heeft voldoende groeikracht en omvang in de zin van de bruikbaarheid als plantaardig teeltmateriaal, en heeft, in het geval van zaad, voldoende kiemkracht. [Am. 158]
2. De genenbanken, organisatiesinstandhoudingsorganisaties en netwerken stellen de bevoegde autoriteit in kennis van het gebruik van de in lid 1 bedoelde afwijking en van de betrokken soorten. [Am. 159]
Artikel 30
Zaad dat in naturaPlantaardig teeltmateriaal dat tussen landbouwers wordt uitgewisseld. [Am. 160]
1. In afwijking van de artikelen 5 tot en met 25 mogen landbouwers zaadplantaardig teeltmateriaal in natura of tegen een financiële vergoeding uitwisselen indien dat zaadplantaardig teeltmateriaal aan alle volgende voorwaarden voldoet: [Am. 161]
1) het wordt op de eigen werklocaties van de betrokken landbouwer geproduceerd; [Am. 162 - Niet van toepassing op de Nederlandse versie]
2) het is afkomstig van de eigen oogstgewassen van de betrokken landbouwer; [Am. 163]
3) het is in het geval van zaad niet voorwerp van een dienstenovereenkomst van de betrokken landbouwer met een professionele exploitant die zaad produceert; en [Am. 164]
4) het zaadplantaardig teeltmateriaal wordt gebruikt voor een dynamisch beheer en een dynamische instandhouding van het eigen zaaigoedplantaardig teeltmateriaal van de landbouwer, teneinde bij te dragen tot de agrodiversiteit. [Am. 165]
2. Dat zaadplantaardig teeltmateriaal voldoet aan alle volgende voorschriften: [Am. 166]
a) het behoort niet tot een ras waarvoor overeenkomstig Verordening (EG) nr. 2100/94 kwekersrechten zijn verleend;
b) hethhet blijft beperkt tot kleinequa hoeveelheden, die door de bevoegde autoriteiten voor specifieke soorten per jaar en per landbouwer worden vastgesteld, beperkt en er wordt geen gebruik gemaakt van commerciële tussenpersonen of openbare aanbieding voor het in de handel brengen; en [Am. 167]
c) het is nagenoeg vrij van kwaliteitsorganismen en van gebreken die van invloed kunnen zijn op de kwaliteit ervan, en voor zaad als zaad, en het heeft het voldoende kiemkracht. [Am. 168]
3. De lidstaten stellen de Commissie en de overige lidstaten jaarlijks in kennis van de overeenkomstig lid 2, punt b), vastgestelde hoeveelheden per soort. [Am. 169]
Artikel 30 bis
Maximumhoeveelheid van elke soort die mag worden uitgewisseld
De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 75 gedelegeerde handelingen ter aanvulling van deze verordening vast te stellen om voor elke soort de in artikel 30, lid 2, punt b), bedoelde maximumhoeveelheid vast te stellen die mag worden uitgewisseld. Bij de vaststelling van die hoeveelheid wordt rekening gehouden met de behoeften van kleinschalige professionele landbouwers en met fytosanitaire risico’s, en worden de ontwikkeling en de instandhouding van diverse landbouwsystemen bevorderd. [Am. 170]
Artikel 31
Kwekerszaad
1. In afwijking van de artikelen 5 tot en met 25 kan een bevoegde autoriteit exploitanten toestaan zaad van eerdere generaties dan de prebasiscategorie, te verhandelen aan een andere exploitant met het oog op het kweken van nieuwe rassen (kwekerszaad).
De bevoegde autoriteit bepaalt bij het verlenen van de toestemming de duur ervan en de toegestane hoeveelheden per soort.
2. Het in lid 1 bedoelde plantaardig teeltmateriaal gaat vergezeld van een door de professionele exploitant afgegeven etiket met de vermelding “kwekerszaad”, dat, naargelang het geval, op de recipiënt, bundel of verpakking van dat materiaal wordt aangebracht.
Het zaad wordt afgesloten verpakt en voorzien van een partijnummer, dat moet worden gebruikt voor de identificatie en tests met controlepercelen, voordat het als prebasiszaad wordt gebruikt. [Am. 171]
Artikel 32
Plantaardig teeltmateriaal van nog niet geregistreerde rassen
1. In afwijking van artikel 5 kan een bevoegde autoriteit professionele exploitanten toestaan prebasiszaad, prebasismateriaal, basiszaad en basismateriaal, en standaardzaad en materiaal van een ras dat nog niet in een nationaal rassenregister is geregistreerd, als bedoeld in artikel 44, te produceren en in de handel te brengen met het oog op vermeerdering, indien aan alle volgende voorschriften is voldaan: [Am. 172]
a) de respectieve verhandelingssectoren verwerven dat materiaal of dat zaad van tevoren, om over voldoende voorraden te beschikken wanneer het betrokken ras wordt geregistreerd; en
b) er bestaat geen risico dat een dergelijke toestemming zal leiden tot een ontoereikende identificatie of kwaliteit van het in de handel gebrachte plantaardig teeltmateriaal; en
c) het desbetreffende plantaardig teeltmateriaal behoort tot een ras waarvoor overeenkomstig artikel 55 een aanvraag tot registratie in een nationaal rassenregister is ingediend.
Deze toestemming kan worden verleend voor een periode van ten hoogste drie jaar voor zaden en vijf jaar voor ander plantaardig teeltmateriaal dan zaden, en voor kleinebeperkte hoeveelheden per soort, zoals gespecificeerd door de bevoegde autoriteit, in verhouding tot het productievolume op het niveau van de lidstaat. [Am. 173]
Deze afwijking geldt niet voor plantaardig teeltmateriaal dat bestaat uit een genetisch gemodificeerd organisme in de zin van Richtlijn 2001/18/EG. [Am. 174]
2. In afwijking van de artikelen 5, 7, 10 tot en met 12, 15, 20, 23 en 24 kan een bevoegde autoriteit professionele exploitanten toestaan om plantaardig teeltmateriaal van een ras dat nog niet in een nationaal rassenregister als bedoeld in artikel 44 is geregistreerd, te produceren en in de handel te brengen voor een periode van ten hoogste drie jaar in het geval van zaden en vijf jaar in het geval van ander plantaardig teeltmateriaal dan zaden, en voor kleinebeperkte hoeveelheden per soort in verhouding tot het productievolume op het niveau van de lidstaat, zoals bepaald door de bevoegde autoriteit, om plantaardig teeltmateriaal van een ras te produceren en in de handel te brengen dat nog niet is geregistreerd in een nationaal rassenregister als bedoeld in artikel 44, indien aan alle volgende voorschriften is voldaan: [Am. 175]
a) het toegelaten plantaardig teeltmateriaal wordt alleen gebruikt voor tests of proeven die door professionele exploitanten worden uitgevoerd om informatie te verzamelen over de teelt of het gebruik van het betrokken ras op landbouwbedrijven;
b) het in de handel brengen vindt uitsluitend plaats ten behoeve van deze professionele exploitanten, waarna het materiaal niet verder wordt verhandeld, en die exploitanten rapporteren over de resultaten van de tests of proeven, met betrekking tot de informatie over de teelt of het gebruik van dat ras;
c) er bestaat geen risico dat een dergelijke toestemming zal leiden tot een ontoereikende identificatie of kwaliteit van het in de handel gebrachte plantaardig teeltmateriaal; en
d) het toegelaten plantaardig teeltmateriaal voldoet aan de voorschriften voor standaard plantaardig teeltmateriaal voor de respectieve soorten.
3. Om de in de leden 1 en 2 bedoelde toestemming te verkrijgen, dient de professionele exploitant bij de bevoegde autoriteiten een verzoek in, waarin hij informatie verstrekt over het volgende:
a) de productie van de voorraad prebasiszaad en -materiaal, basiszaad en -materiaal, en gecertificeerd zaad en materiaal die beschikbaar is vóór de registratie van het ras en de beoogde tests en proeven voor het standaardzaad en -materiaal; [Am. 176]
b) de referentie van de kweker van het ras, zoals vermeld in de registratieaanvraag;
c) de procedure voor de instandhouding van het ras, indien van toepassing;
d) de autoriteit waarbij de registratieaanvraag voor het ras in behandeling is, en de aan die aanvraag toegekende referentie.;
e) de locatie waar de productie zal plaatsvinden, en [Am. 177]
f) de hoeveelheden materiaal die op de markt aangeboden zullen worden. [Am. 178]
4. De lidstaten waar de bevoegde autoriteiten de in de leden 1 en 2 bedoelde toestemming hebben verleend, stellen de andere lidstaten en de Commissie daarvan jaarlijks in kennis.
5. Plantaardig teeltmateriaal zoals bedoeld in de leden 1 en 2 gaat vergezeld van een door de professionele exploitant afgegeven etiket met de vermelding “nog niet in de lijst opgenomen ras”.
Artikel 33
Toestemming in geval van tijdelijke voorzieningsproblemen
1. Om tijdelijke moeilijkheden bij de algehele voorziening van plantaardig teeltmateriaal die zich in de Unie als gevolg van ongunstige weersomstandigheden of andere onvoorziene omstandigheden kunnen voordoen, weg te nemen, kanis de Commissie bevoegd overeenkomstig artikel 75 gedelegeerde handelingen tot wijziging van deze verordening vast te stellen teneinde de lidstaten door middel van een uitvoeringshandeling voor een periode van ten hoogste een jaar toestemming verlenen om toe te staan dat de categorieën prebasis-, basis- of gecertificeerd materiaal of zaad die aan een van de volgende voorwaarden voldoen, in de handel worden gebracht: [Am. 179]
a) behoren tot een ras dat niet in een nationaal rassenregister is opgenomen, of
b) voldoen aan minder strenge voorschriften dan de in artikel 7, lid 1, bedoelde voorschriften.
Punt a) is van toepassing in afwijking van artikel 5, en punt b) is van toepassing in afwijking van artikel 7, lid 1.
In die uitvoeringshandelinggedelegeerde handeling kan per geslacht of soort de maximale hoeveelheden worden aangegeven die in de handel mogen worden gebracht. [Am. 180]
Die uitvoeringshandeling wordt vastgesteld volgens de in artikel 76, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure. [Am. 181]
2. Plantaardig teeltmateriaal als bedoeld in lid 1 gaat vergezeld van een etiket waarop, naargelang het geval, wordt vermeld dat het plantaardig teeltmateriaal in kwestie tot een niet-geregistreerd ras behoort of aan minder strenge kwaliteitseisen voldoet dan die bedoeld in artikel 7, lid 1.
3. De Commissie kan door middel van een uitvoeringshandelingis bevoegd overeenkomstig artikel 75 gedelegeerde handelingen tot wijziging van deze verordening vast te stellen om te besluiten dat de betrokken toestemming moet worden ingetrokken of gewijzigd, indien zij tot de conclusie komt dat die niet langer noodzakelijk of evenredig is met de doelstelling om de tijdelijke moeilijkheden bij de algehele voorziening van het betrokken plantaardig teeltmateriaal weg te nemen. Die uitvoeringshandeling wordt vastgesteld volgens de in artikel 76, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure. [Am. 182]
4. Zonder de in lid 1 bedoelde toestemming van de Commissie te hebben verkregen, mogen de lidstaten voor een maximumperiode van een jaar en voor een beperkte hoeveelheid per geslacht of soort, naargelang wat nodig is voor de betrokken voorzieningsproblemen, de productie en het in de handel brengen toestaan van zaad dat voldoet aan een tot 15 procentpunten lager kiemgetal dan is vastgesteld op grond van de in artikel 7, lid 3, bedoelde uitvoeringshandeling.
4 bis. De lidstaat die van de in lid 4 bedoelde afwijking gebruikmaakt, stelt de Commissie daarvan in kennis. [Am. 183]
4 ter. Deze uitzonderlijke toestemming geldt niet voor plantaardig teeltmateriaal dat bestaat uit een genetisch gemodificeerd organisme in de zin van Richtlijn 2001/18/EG. [Am. 184]
Artikel 34
Voorlopige toestemming in spoedeisende gevallen voor het in de handel brengen van zaad dat niet is gecertificeerd als in overeenstemming met de toepasselijke kwaliteitseisen
1. De bevoegde autoriteiten kunnen voor een periode van ten hoogste een maand toestaan dat zaad als prebasis-, basis- of gecertificeerd zaad in de handel wordt gebracht voordat het gecertificeerd is als in overeenstemming met de in artikel 7 bedoelde voorschriften inzake kiemkracht, maximumgehalte aan andere soorten of zuiverheid, indien dat zaad snel op de markt moet worden aangeboden om te voorzien in dringende voorzieningsbehoeften.
2. De in lid 1 bedoelde toestemming wordt verleend op basis van een analyserapport over het zaad, afgegeven door de professionele exploitant, waaruit blijkt dat het voldoet aan de overeenkomstig artikel 7, lid 1, vastgestelde voorschriften inzake kiemkracht, gehalte aan andere soorten of zuiverheid.
De naam en het adres van de eerste ontvanger van de zaden moeten door de professionele exploitant bij de bevoegde autoriteit worden ingediend. De professionele exploitant zorgt voor toegang tot de informatie over het voorlopige analyserapport voor de bevoegde autoriteit.
3. Het in lid 1 bedoelde zaad wordt voorzien van een etiket met de vermelding “voorlopige toestemming voor het in de handel brengen”.
Artikel 35
Plantaardig teeltmateriaal dat nog niet is gecertificeerd
1. Plantaardig teeltmateriaal dat in de Unie is geproduceerd, maar nog niet overeenkomstig artikel 7 als prebasis-, basis- of gecertificeerd zaad is gecertificeerd, mag in de handel worden gebracht met een verwijzing naar een van die categorieën, indien aan alle volgende voorwaarden is voldaan:
a) voor de oogst is door de bevoegde autoriteit, of door de professionele exploitant onder officieel toezicht van de bevoegde autoriteit, een veldinspectie verricht waarbij is bevestigd dat het plantaardig teeltmateriaal in overeenstemming is met de in artikel 7, lid 1, bedoelde productievoorschriften;
b) er loopt een certificeringsproces bij de bevoegde autoriteit of bij de professionele exploitant onder officieel toezicht van de bevoegde autoriteit en
c) aan de voorschriften van de leden 2 tot en met 5 bis is voldaan. [Am. 185]
2. Het plantaardig teeltmateriaal zoals bedoeld in lid 1 mag alleen door de professionele exploitant die dat plantaardig teeltmateriaal heeft geproduceerd, worden verhandeld aan de professionele exploitant die de certificering moet uitvoeren. Dit plantaardig teeltmateriaal mag niet verder aan een andere persoon worden overgedragen voordat het definitief is gecertificeerd.
3. Plantaardig teeltmateriaal zoals bedoeld in lid 1 gaat vergezeld van een door de professionele exploitant afgegeven etiket met de vermelding “zaad/materiaal dat nog niet definitief is gecertificeerd”.
4. Indien de bevoegde autoriteit waar het plantaardig teeltmateriaal is geoogst (“bevoegde autoriteit voor de productie”), en de bevoegde autoriteit waar het plantaardig teeltmateriaal overeenkomstig artikel 7 is gecertificeerd (“bevoegde autoriteit voor de certificering”), niet dezelfde zijn, wisselen zij de relevante informatie uit over de productie en het in de handel brengen van dat plantaardig teeltmateriaal.
5. Plantaardig teeltmateriaal dat in een derde land is geproduceerd, maar nog niet overeenkomstig artikel 7 als prebasis-, basis- of gecertificeerd materiaal is gecertificeerd, mag in de handel worden gebracht met een verwijzing naar een van die categorieën, indien:
a) overeenkomstig artikel 39 een gelijkwaardigheidsbesluit is vastgesteld voor dat derde land;
b) er is voldaan aan de voorschriften van lid 1, punten a) en b), en de leden 2 en 3, en de professionele exploitanten uit het betrokken derde land zijn onderworpen aan officieel toezicht door hun bevoegde autoriteiten;
c) de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat en het betrokken derde land de nodige informatie uitwisselen over het op de markt aanbieden van dat materiaal; en
d) de bevoegde autoriteiten van het betrokken derde land de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van certificering op verzoek alle relevante productie-informatie verstrekken.
Voor de toepassing van dit lid gelden verwijzingen in de leden 1 tot en met 5 naar de bevoegde autoriteit van de productie als verwijzingen naar de bevoegde autoriteit van het betrokken derde land, en gelden verwijzingen daarin naar de voorschriften van artikel 7, lid 1, als verwijzingen naar gelijkwaardige voorschriften van het derde land, zoals erkend overeenkomstig artikel 39, lid 2.
5 bis. Deze afwijking geldt niet voor plantaardig teeltmateriaal dat bestaat uit een genetisch gemodificeerd organisme in de zin van Richtlijn 2001/18/EG. [Am. 186]
Artikel 36
Strengere voorschriften voor de productie en het in de handel brengen
1. De Commissie kan de lidstaten door middel van uitvoeringshandelingen toestaan om, met betrekking tot de productie en het in de handel brengen van plantaardig teeltmateriaal, op het gehele grondgebied van de betrokken lidstaat of een deel daarvan strengere productie- of handelsvoorschriften op te leggen dan die bedoeld in de artikelen 7 en 8, op voorwaarde dat die strengere voorschriften overeenkomen met de specifieke productieomstandigheden in en de agroklimatologische behoeften van die lidstaat met betrekking tot het betrokken plantaardig teeltmateriaal en dat zij het vrije verkeer van plantaardig teeltmateriaal dat in overeenstemming is met deze verordening niet verbieden, belemmeren of beperken. [Am. 187]
Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 76, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
2. Om de in lid 1 bedoelde toestemming te verkrijgen, dienen de lidstaten bij de Commissie een verzoek in met:
a) de ontwerpbepalingen die de voorgestelde voorschriften bevatten; en
b) een motivering van de noodzaak en de evenredigheid van die voorschriften in het licht van mogelijke extra kosten voor de productie en het in de handel brengen. [Am. 188]
3. De in lid 1 bedoelde toestemming wordt uitsluitend verleend als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
a) de uitvoering van de ontwerpbepalingen als bedoeld in lid 2, punt a), waarborgt de verbetering van de identiteit en de kwaliteit van het betrokken plantaardig teeltmateriaal en is gerechtvaardigd bij de specifieke landbouw- of klimaatomstandigheden van de betrokken lidstaat; en
b) de ontwerpbepalingen zijn noodzakelijk en evenredig met het doel van de in lid 2, punt a), bedoelde maatregel.
4. In voorkomend geval evalueert elke lidstaat uiterlijk op... [one year after date of application of this Regulation] de maatregelen die hij heeft genomen uit hoofde van artikel 5 van Richtlijn 66/401/EEG, artikel 5 van Richtlijn 66/402/EEG, artikel 7 van Richtlijn 2002/54/EG, artikel 24 van Richtlijn 2002/55/EG, artikel 5 van Richtlijn 2002/56/EG en artikel 7 van Richtlijn 2002/57/EG, en trekt hij die maatregelen in of wijzigt hij deze om te voldoen aan de voorschriften voor de productie en het in de handel brengen die zijn vastgesteld in, en vastgesteld op grond van, de artikelen 7 en 8.
De betrokken lidstaat stelt de Commissie en de andere lidstaten van deze maatregelen in kennis.
De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingen besluiten dat de in de eerste alinea bedoelde maatregelen moeten worden ingetrokken of gewijzigd indien zij onnodig en/of onevenredig aan hun doel worden beschouwd. Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 76, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
Artikel 37
Noodmaatregelen
1. Indien de productie of het in de handel brengen van plantaardig teeltmateriaal waarschijnlijk een ernstig risico voor de gezondheid van mensen, dieren of planten of voor het milieu of de kweek van andere soorten inhoudt dat niet afdoende kan worden beheerst met door de betrokken lidstaat genomen maatregelen, treft de Commissie door middel van uitvoeringshandelingen onverwijld passende tijdelijke noodmaatregelen. Dergelijke maatregelen zijn van tijdelijke aard. Zij kunnen bepalingen omvatten die het in de handel brengen van het betrokken plantaardig teeltmateriaal beperken of verbieden of passende voorwaarden stellen voor de productie of het in de handel brengen ervan, afhankelijk van de ernst van de situatie.
In afwijking van de eerste alinea worden in geval van niet-naleving van de eisen inzake vluchtgewassen of andere eisen voor de teelt van rassen die geheel of gedeeltelijk uit genetisch gemodificeerde organismen bestaan, de maatregelen genomen om het in de handel brengen van het betrokken teeltmateriaal te beperken of te verbieden totdat er weer sprake is van volledige naleving. [Am. 189]
De Commissie kan de maatregelen op eigen initiatief of op verzoek van een lidstaat nemen. Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 76, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
Om naar behoren gemotiveerde dwingende redenen van urgentie die verband houden met het aanpakken van een ernstig risico voor de menselijke gezondheid, stelt de Commissie onmiddellijk toepasselijke uitvoeringshandelingen vast volgens de in artikel 76, lid 3, bedoelde procedure.
2. Wanneer een lidstaat de Commissie officieel in kennis stelt van de noodzaak om noodmaatregelen te nemen en de Commissie niet overeenkomstig lid 1 heeft gehandeld, mag die lidstaat de passende, evenredige en in de tijd beperkte tijdelijke noodmaatregelen vaststellen. Deze maatregelen kunnen bepalingen omvatten die de productie of het in de handel brengen van plantaardig teeltmateriaal op het grondgebied van die lidstaat beperken of verbieden of er passende voorwaarden voor vastleggen, afhankelijk van de ernst van de situatie. De betrokken lidstaat stelt de andere lidstaten en de Commissie onverwijld in kennis van de vastgestelde maatregelen in kennisen van de periode waarop deze betrekking hebben, met opgave van de redenen die tot zijn besluit hebben geleid. Deze aanpak stelt een lidstaat in staat om in noodsituaties snel en doeltreffend op te treden om de gezondheid, het milieu en economische belangen te beschermen. [Am. 190]
3. De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingen besluiten dat de in lid 2 bedoelde nationale tijdelijke noodmaatregelen moeten worden ingetrokken of gewijzigd, indien zij van oordeel is dat die maatregelen niet gerechtvaardigd zijn in het licht van het respectieve risico als bedoeld in lid 1. Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 76, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure. De betrokken lidstaat mag zijn nationale tijdelijke noodmaatregelen handhaven tot de datum van toepassing van de in dit lid bedoelde uitvoeringshandeling(en).
Artikel 38
Tijdelijke experimenten om betere alternatieven voor de bepalingen van deze verordening te vinden
1. In afwijking van de artikelen 2, 5, 6, 7, 8, 9, 20, 26, 27 en 47 tot en met 53 is en 20 kan de Commissie door middel van uitvoeringshandelingen besluiten over de organisatie vanbevoegd overeenkomstig artikel 75 gedelegeerde handelingen ter aanvulling van deze verordening vast te stellen door tijdelijke experimenten om te organiseren om betere alternatieven voor de bepalingen van deze verordening te vinden met betrekking tot de geslachten en soorten waarop zij van toepassing is, de voorschriften voor het behoren tot een geregistreerd ras,plantaardig teeltmateriaal of de voorschriften voor de productie en het in de handel brengen van prebasis-, basis-, gecertificeerd en standaardmateriaal of zaad, en de verplichting om tot prebasis-, basis-, basis- en gecertificeerd materiaal of zaad te behoren, de voorschriften voor de productie en het in de handel brengen van heterogeen materiaal, en de verplichting om tot prebasis-, basis-, basis- en gecertificeerd materiaal of zaad te behoren. [Am. 191]
Deze experimenten kunnen de vorm aannemen van technische of wetenschappelijke proeven waarbij de haalbaarheid en de geschiktheid van nieuwe voorschriften worden onderzocht in vergelijking met die van de artikelen 2, 5, 6, 7, 8, 9, 20, 26, 27 en 47 tot en met 53 en 20 van deze verordening. [Am. 192]
2. De in de lid 1 bedoelde uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 76, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld engedelegeerde handelingen bevatten details over een of meer van de volgende elementen: [Am. 193]
a) de betrokken geslachten of soorten;
b) de voorwaarden voor de experimenten per geslacht per soort;
c) de duur van het experiment;
d) de monitoring- en rapportageverplichtingen van de deelnemende lidstaten.
Bij die gedelegeerde handelingen worden aanpassingen doorgevoerd in lijn met de ontwikkeling van de technieken voor de productie van het betrokken teeltmateriaal, en zij worden gebaseerd op door de lidstaten uitgevoerde vergelijkende proeven. [Am. 194]
3. De Commissie evalueert de resultaten van deze experimenten en vat ze samen in een verslag, waarbij zij zo nodig aangeeft dat de artikelen 2, 5, 6, 7, 8 of 20 tot en met 9, 20, 26, 27 en 47 tot en met 53 moeten worden gewijzigd. [Am. 195]
AFDELING 8
Invoer uit derde landen
Artikel 39
Invoer op grond van EU-gelijkwaardigheid
1. Plantaardig teeltmateriaal mag alleen uit derde landen worden ingevoerd als krachtens lid 2 is vastgesteld dat het voldoet aan voorschriften die gelijkwaardig zijn aan de voorschriften die gelden voor plantaardig teeltmateriaal dat in de Unie geproduceerd en in de handel gebracht wordt.
Dergelijke invoer is echter niet toegestaan, noch wordt deze gelijkwaardigheid overeenkomstig lid 2 erkend, voor instandhoudingsmengsels als bedoeld in artikel 22, en voorhet in de artikelen 22 tot en met 29 bedoelde plantaardig teeltmateriaal zoals hetgeen onder de afwijkingen van de artikelen 26 tot en met 30 valt, behalve wanneer het van oorsprong is uit buurlanden. [Am. 196]
2. De Commissie mag door middel van uitvoeringshandelingen besluiten of in een derde land, of bepaalde gebieden van een derde land, geproduceerd plantaardig teeltmateriaal van specifieke geslachten, soorten of categorieën voldoet aan voorschriften die gelijkwaardig zijn aan de voorschriften die gelden voor plantaardig teeltmateriaal dat in de Unie geproduceerd en op de markt aangeboden wordt, aan de hand van:
a) een grondig onderzoek van de informatie en gegevens die het derde land heeft verstrekt;
b) een door de Commissie in het betrokken derde land uitgevoerde audit waaruit blijkt dat het betrokken plantaardig teeltmateriaal voldoet aan voorschriften die gelijkwaardig zijn aan die welke van toepassing zijn op plantaardig teeltmateriaal dat in de Unie geproduceerd en in de handel gebracht wordt, indien de Commissie die audit noodzakelijk acht, en
c) in het geval van zaad, het feit dat het betrokken land deelneemt aan de OESO-programma’s voor de certificering van rassen van zaaizaad in het internationale handelsverkeer en de methoden van de International Seed Testing Association (ISTA) toepast of, indien van toepassing, voldoet aan de voorschriften van de Association of Official Seed Analysts (AOSA).
Daartoe onderzoekt de Commissie:
a) de wetgeving van het derde land wat betreft de betrokken soort;
b) de structuur van de bevoegde autoriteiten van het derde land en zijn controlediensten, de bevoegdheden waarover zij beschikken, de garanties die kunnen worden verstrekt betreffende de toepassing en handhaving van de op de betrokken sector toepasselijke wetgeving van het derde land en de betrouwbaarheid van de procedures voor officiële certificering;
c) de uitvoering door de bevoegde autoriteiten van het derde land van adequate officiële controles met betrekking tot de identificatie en de kwaliteit van het plantaardig teeltmateriaal van de betrokken soort;
d) de garanties die het derde land biedt dat:
i) de voorwaarden die van toepassing zijn op de productielocaties waaruit plantaardig teeltmateriaal naar de Unie wordt uitgevoerd, voldoen aan voorschriften die gelijkwaardig zijn aan de in dit artikel bedoelde voorschriften, en
ii) die productielocaties op gezette tijden en doeltreffend worden gecontroleerd door de bevoegde autoriteiten van het derde land.
De Commissie kan ook audits uitvoeren om de naleving van de tweede alinea, punten b) tot en met d), te verifiëren.
Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 76, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
3. De in lid 2 bedoelde uitvoeringshandeling kan voorzien in een of meer van de volgende elementen, al naargelang passend is voor het betrokken plantaardig teeltmateriaal:
a) de voorwaarden met betrekking tot in derde landen uitgevoerde inspecties op de productielocatie;
b) in het geval van zaad, de voorwaarden voor de afgifte door het derde land van een door de International Seed Testing Association afgegeven certificaat;
c) voorwaarden betreffende zaad dat nog niet definitief is gecertificeerd,
d) voorwaarden betreffende de verpakking, sluiting en markering van plantaardig teeltmateriaal;
e) voorwaarden betreffende de productie, de identiteit en het in de handel brengen van plantaardig teeltmateriaal, naast die waarin de wetgeving van het derde land voorziet, indien dat nodig is om specifieke aspecten met betrekking tot de identiteit en de kwaliteit van dat plantaardig teeltmateriaal aan te pakken;
f) voorschriften waaraan de professionele exploitanten die plantaardig teeltmateriaal produceren en in de handel brengen, moeten voldoen.
4. De Commissie kan, door middel van uitvoeringshandelingen, erkennen dat de in het derde land uitgevoerde controles op de instandhouding van het ras dezelfde waarborgen bieden als de in artikel 72, leden 1, 2 en 4, vastgestelde controles, indien rassen die in een nationaal rassenregister of het EU-rassenregister geregistreerd zijn, in het betrokken derde land in stand gehouden moeten worden.
Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 76, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
Artikel 40
Etikettering en informatie voor uit derde landen ingevoerd plantaardig teeltmateriaal
1. Prebasis-, basis- en gecertificeerd zaad zoals bedoeld in artikel 39 mag alleen uit derde landen worden ingevoerd indien het vergezeld gaat van een OESO-etiket.
Prebasis-, basis- en gecertificeerd zaad zoals bedoeld in artikel 39 mag alleen uit derde landen worden ingevoerd indien het vergezeld gaat van een door de bevoegde autoriteit van het desbetreffende derde land afgegeven officieel etiket.
Die etiketten bevatten alle volgende informatie:
a) de vermelding “voldoet aan de regelgeving en normen van de EU”;
b) de soort, het ras, de categorie en het partijnummer van het plantaardig teeltmateriaal;
c) de datum van de afsluiting, in het geval van verhandeling in recipiënten of verpakkingen;
d) het derde land van productie en de desbetreffende bevoegde autoriteit;
e) in voorkomend geval, het laatste derde land waaruit het plantaardig teeltmateriaal wordt ingevoerd en het laatste derde land waar het plantaardig teeltmateriaal is geproduceerd;
f) in het geval van zaad, het opgegeven nettogewicht of brutogewicht van het ingevoerde zaad of het opgegeven aantal ingevoerde partijen zaad;
g) de naam van de persooneindgebruiker, landbouwer of professionele exploitant die het plantaardig teeltmateriaal invoert. [Am. 197]
2. Standaardzaad en -materiaal zoals bedoeld in artikel 39 mag alleen uit derde landen worden ingevoerd indien het vergezeld gaat van een etiket van de exploitant dat alle volgende gegevens bevat:
a) de vermelding “voldoet aan de regelgeving en normen van de EU”;
b) de soort, het ras, de categorie en het partijnummer van het plantaardig teeltmateriaal;
c) de datum van de afsluiting, in het geval van verhandeling in recipiënten of verpakkingen;
d) het derde land van productie;
e) in voorkomend geval, het laatste derde land waaruit het plantaardig teeltmateriaal wordt ingevoerd en het laatste derde land waar het plantaardig teeltmateriaal is geproduceerd;
f) in het geval van zaad, het opgegeven nettogewicht of brutogewicht van het ingevoerde zaad of het opgegeven aantal ingevoerde partijen zaad;
g) de naam van de persooneindgebruiker, landbouwer of professionele exploitant die het plantaardig teeltmateriaal invoert. [Am. 198]
3. Plantaardig teeltmateriaal mag pas in de Unie worden ingevoerd na elektronische indiening van de in lid 1 of lid 2 bedoelde informatie door de importeur bij de bevoegde autoriteit van de lidstaat van invoer.
4. De lidstaten stellen het in artikel 131 van Verordening (EU) 2017/625 bedoelde informatiemanagementsysteem voor officiële controles (Imsoc) onmiddellijk in kennis van alle vastgestelde gevallen waarin het ingevoerde plantaardig teeltmateriaal niet voldoet aan de voorschriften van de leden 1 en 2.
HOOFDSTUK III
VOORSCHRIFTEN VOOR PROFESSIONELE EXPLOITANTEN
Artikel 41
Verplichtingen van professionele exploitanten die plantaardig teeltmateriaal produceren
Professionele exploitanten die plantaardig teeltmateriaal produceren voor commerciële doeleinden: [Am. 199]
a) moeten in de Unie gevestigd zijn;
b) moeten zijn ingeschreven in het in artikel 65 van Verordening (EU) 2016/2031 bedoelde register, overeenkomstig artikel 66 van die verordening;
c) moeten persoonlijk beschikbaar zijn, of iemand anders aanwijzen, om met de bevoegde autoriteiten contacten te onderhouden om de officiële controles te vergemakkelijken;
d) identificeren en monitoren de kritische punten in het productieproces of het in de handel brengen, die van invloed kunnen zijn op de identiteit en kwaliteit van het plantaardig teeltmateriaal;
e) houden een register bij van de monitoring van de in punt b) d) bedoelde kritische punten, en bieden dit register op verzoek van de bevoegde autoriteiten aan voor onderzoek; [Am. 200]
f) zorgen ervoor dat partijen plantaardig teeltmateriaal afzonderlijk identificeerbaar blijven;
g) houden actuele adresinformatie bij op hun bedrijf en op andere locaties die voor de productie van plantaardig teeltmateriaal worden gebruikt;
h) zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten toegang hebben tot de werklocaties en andere productielocaties, met inbegrip van werklocaties en percelen van gecontracteerde derden, en tot de administratie van de monitoring en alle bijbehorende documenten;
i) nemen de nodige maatregelen voor de instandhouding van de identiteit van het plantaardig teeltmateriaal overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van deze verordening;
j) stellen op verzoek van de bevoegde autoriteiten alle contracten met derden ter beschikking.
De in alinea 1, punten d) en e), vastgestelde vereisten zijn niet van toepassing op micro-ondernemingen. [Am. 201]
De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing op de in de artikelen 29 en 30 bedoelde activiteiten. [Am. 202]
Artikel 42
Traceerbaarheid
1. Professionele exploitanten zorgen ervoor dat plantaardig teeltmateriaal in alle stadia van de productie en het in de handel brengen traceerbaar is.
2. Voor de toepassing van lid 1 houden professionele exploitanten informatie bij aan de hand waarvan zij kunnen identificeren:
a) welke professionele exploitanten het betrokken zaad en het betrokken materiaal aan hen hebben geleverd;
b) aan welke personen zij plantaardig teeltmateriaal hebben geleverd, en welk plantaardig teeltmateriaal dat was, behalve in het geval van eindgebruikers.
Zij stellen die informatie op verzoek ter beschikking aan de bevoegde autoriteiten.
3. Professionele exploitanten houden een register bij van het plantaardig teeltmateriaal en de in lid 2 bedoelde professionele exploitanten en personen tot drie jaar nadat dat materiaal aan of door hen is geleverd.
3 bis. De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing op de in de artikelen 29 en 30 bedoelde activiteiten. [Am. 203]
Artikel 43
Jaarlijkse kennisgeving van de voorgenomen productie en certificering van prebasis-, basis- en gecertificeerd zaad en materiaal
De professionele exploitanten stellen de bevoegde autoriteiten jaarlijks in kennis van:
a) hun voornemen om prebasis-, basis- en gecertificeerd materiaal of prebasis-, basis- en gecertificeerd zaad te produceren, ten minste één maand voor het begin van die productie; en [Am. 204]
b) de productie van prebasis-, basis- en gecertificeerd materiaal die in de jaren daarvoor van start is gegaan en in het betrokken jaar wordt voortgezet.
In die kennisgeving worden de betrokken plantensoorten, rassen en categorieën en de exacte productielocatie vermeld.
HOOFDSTUK IV
RASREGISTRATIE
AFDELING 1
RASSENREGISTERS
Artikel 44
Instelling van nationale rassenregisters
1. Elke lidstaat stelt één enkel nationaal rassenregister in (“nationaal rassenregister”), in elektronische vorm, maakt het toegankelijk en houdt het voortdurend bij, met daarin: [Am. 205]
a) alle rassen die zijn geregistreerd volgens de procedure van de artikelen 55 tot en met 68;
b) de instandhoudingsrassen zoals bedoeld in artikel 26 die zijn geregistreerd overeenkomstig artikel 53.
2. Plantaardig teeltmateriaal dat behoort tot een ras dat in ten minste één nationaal rassenregister is geregistreerd, mag overeenkomstig deze verordening in de Unie geproduceerd en in de handel gebracht worden.
3. Na de instelling van hun nationale rassenregisters en na elke bijwerking daarvan stellen de lidstaten de Commissie daarvan onmiddellijk in kennis met het oog op opneming in het in artikel 45 bedoelde EU-rassenregister.
4. Dit artikel en de artikelen 45 tot en met 74 kunnen niet van toepassing zijn op rassen die uitsluitend als kruisingspartners van hybride rassen worden gekweekt.
Artikel 45
Instelling van een EU-rassenregister
1. De Commissie stelt één enkel rassenregister in (“het EU-rassenregister”), in elektronische vorm, maakt het toegankelijk en houdt het bij.
2. Het EU-rassenregister bevat de rassen die zijn geregistreerd in de nationale rassenregisters en waarvan overeenkomstig artikel 44 kennis is gegeven, en wordt maandelijks geactualiseerd. [Am. 206]
Het EU-rassenregister kan toegankelijk zijn via een elektronisch portaal met andere registers van kwekersrechten, bosbouwkundig teeltmateriaal of andere planten.
Artikel 46
Inhoud van de nationale rassenregisters en het EU-rassenregister
1. De nationale rassenregisters en het EU-rassenregister bevatten alle in bijlage VII vermelde elementen betreffende de in artikel 44, lid 1, punt a), bedoelde rassen.
In het geval van de in artikel 44, lid 1, punt b), bedoelde instandhoudingsrassen bevatten die registers ten minste een korte samenvatting van de officieel erkende beschrijving, de regio van eerste oorsprong, de benaming en de persoon die ze bijhoudt.
2. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 75 een gedelegeerde handeling vast te stellen tot wijziging vanom bijlage VII te wijzigen door nieuwe elementen toe te voegen die in de rassenregisters moeten worden opgenomen, rekening houdend met de technische en wetenschappelijke ontwikkelingen, en op basis van opgedane ervaring waaruit blijkt dat de bevoegde autoriteiten of professionele exploitanten nauwkeurigere informatie over de geregistreerde rassen moeten verkrijgen. [Am. 207]
AFDELING 2
VOORSCHRIFTEN VOOR RASSENREGISTRATIE
Artikel 47
Voorschriften voor de registratie in nationale rassenregisters
1. Rassen worden overeenkomstig de artikelen 55 tot en met 68 alleen in een nationaal rassenregister geregistreerd indien:
a) voor die rassen:
i) een officiële beschrijving bestaat waaruit blijkt dat is voldaan aan de in de artikelen 48, 49 en 50 vastgestelde voorschriften inzake onderscheidbaarheid, homogeniteit en bestendigheid, en, in het geval van de soorten vermeld in deel A, uitgezonderd zodengras, en in de delen D en E van bijlage I, aan de in artikel 52 vastgestelde voorschriften inzake voldoende waarde voor duurzame teelt en duurzaam gebruik; of [Am. 208]
ii) een officieel erkende beschrijving bestaat overeenkomstig artikel 53, indien het instandhoudingsrassen betreft.
b) zij zijn voorzien van een benaming die krachtens artikel 54 als geschikt beschouwd wordt;
c) wanneer die rassen geheel of gedeeltelijk uit genetisch gemodificeerde organismen bestaan, het organisme in de desbetreffende lidstaat is toegelaten voor de teelt krachtens artikel 19 van Richtlijn 2001/18/EG of de artikelen 7 en 19 van Verordening (EG) nr. 1829/2003, of, indien van toepassing, in de respectieve lidstaat is toegelaten overeenkomstig artikel 26 ter van Richtlijn 2001/18/EG;
d) wanneer die rassen geheel of gedeeltelijk bestaan uit een NGT-plant van categorie 1 zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 7, van Verordening (EU).../... (PB: gelieve de verwijzing naar NGT-verordening ... in te voegenOffice of Publications, please insert reference to NGT Regulation ...), die plant een verklaring heeft verkregen met de status van NGT-plant van categorie 1 overeenkomstig artikel 6 of 7 van die verordening of een nakomeling is van dergelijke planten;
e) wanneer die rassen geheel of gedeeltelijk bestaan uit een NGT-plant van categorie 2 zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 8, van Verordening (EU).../... (PB: gelieve de verwijzing naar NGT-verordening ... in te voegenOffice of Publications, please insert reference to NGT Regulation ...), die plant is toegelaten overeenkomstig hoofdstuk III van die verordening;
f) wanneer die rassen tolerant zijn voor herbiciden, zij moeten voldoen aan bepaalde voorwaarden voor de teelt, betreffende de productie van plantaardig teeltmateriaal en voor enig ander doel, zoals vastgesteld overeenkomstig lid 3 of, indien die niet zijn vastgesteld, zoals vastgesteld door de bevoegde autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de registratie ervan en, indien de rassen in een andere lidstaat zullen worden geteeld, zoals vastgesteld door de desbetreffende bevoegde autoriteit, om de ontwikkeling van herbicideresistentie bij onkruid als gevolg van het gebruik van herbiciden te voorkomen; wanneer een lidstaat al een plan is opgesteld waarbij voorwaarden voor de teelt worden vastgesteld, worden deze voorwaarden zo nodig uitgebreid tot de registraties van latere rassen met soortgelijke kenmerken in die lidstaat; [Am. 209]
g) wanneer de rassen andere dan de in punt f) bedoelde bijzondere kenmerken hebben die tot ongewenste agronomische effecten kunnen leiden, zij moeten voldoen aan bepaalde voorwaarden voor de teelt, betreffende de productie van plantaardig teeltmateriaal en voor enig ander doel, zoals vastgesteld overeenkomstig lid 3 of, indien zij niet zijn vastgesteld, zoals vastgesteld door de bevoegde autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de registratie ervan en, indien de rassen in een andere lidstaat zullen worden geteeld, zoals vastgesteld door de desbetreffende bevoegde autoriteit in die lidstaat, ter voorkoming van die bijzondere ongewenste agronomische effecten, zoals de ontwikkeling van resistentie van plaagorganismen bij de respectieve rassen of ongewenste effecten op bestuivers; wanneer een lidstaat al voorwaarden voor de teelt heeft vastgesteld, worden die voorwaarden zo nodig uitgebreid tot de registraties van latere rassen met soortgelijke kenmerken in die lidstaat. [Am. 210]
Een ras mag niet met zowel een officiële beschrijving als een officieel erkende beschrijving worden geregistreerd.
2. De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast met specifieke voorschriften voor de uitvoering van onderzoeken met betrekking tot het ontwerp van proeven en teeltvoorwaarden betreffende: [Am. 211]
a) onderscheidbaarheid, homogeniteit en bestendigheid per geslacht of soort van elk ras, zoals bedoeld in lid 1, punt a), op basis van de toepasselijke protocollen van de Internationale Unie tot bescherming van kweekproducten (UPOV), door het CPVO vastgestelde protocollen of andere relevante technische en wetenschappelijke gegevens; en
b) specifieke vereisten inzake onderscheidbaarheid, homogeniteit en bestendigheid per geslacht en soort, zoals bedoeld in punt a), voor voor biologische productie geschikte biologische rassen, zoals gedefinieerd in artikel 3 van Verordening (EU) 2018/848, op basis van de toepasselijke protocollen die zijn vastgesteld door het UPOV of het CPVO, en met name door de vereisten betreffende homogeniteit aan te passen.
Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 76, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
Zij passen de respectieve voorschriften aan in lijn met de ontwikkeling, in voorkomend geval, van internationale normen en de nieuwe wetenschappelijke en technische inzichten.
Totdat de in punt 2, b), bedoelde voorschriften zijn vastgesteld, wordt de beoordeling van de homogeniteit van andere voor biologische productie geschikte rassen dan de in artikel 68, lid 1, bedoelde rassen uitgevoerd op basis van afwijkende typen. Voor zelfbestuivende soorten wordt een populatienorm van 10 % en een toelatingskans van ten minste 90 % toegepast. Voor vrij bestoven uitkruisende soorten wordt een populatienorm van 20 % en een toelatingskans van ten minste 80 % toegepast.
3. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 75 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot aanvulling van deze verordening met de door de bevoegde autoriteiten overeenkomstig lid 1, punten f) en g), vast te stellen minimumvoorwaardenminimumvereisten voor de voorwaarden voor de teelt met betrekking tot: [Am. 212]
i) a) maatregelen op het veld, met inbegrip van gewasrotatie; [Am. 213]
ii) b) monitoringmaatregelen; [Am. 214]
iii) c) de wijze van kennisgeving van de in punt i) a) bedoelde voorwaarden aan de Commissie en de andere lidstaten; [Am. 215]
iv) d) regels voor de rapportage door professionele exploitanten aan de bevoegde autoriteiten over de toepassing van de in punt i) a) bedoelde voorwaarden; [Am. 216]
v) e) de vermelding van de in punt i) a) bedoelde voorwaarden in de nationale rassenregisters. [Am. 217]
Deze voorwaarden moeten worden gebaseerd op de recentste wetenschappelijke en technische inzichten.
4. Met het oog op de registratie van een ras in het desbetreffende nationale rassenregister aanvaardt een bevoegde autoriteit, zonder verder onderzoek, een officiële beschrijving, een officieel erkende beschrijving of een officieel onderzoek van de voorschriften inzake de waarde voor duurzame teelt en duurzaam gebruik als bedoeld in lid 1, punt a), i), zoals voortgebracht door een bevoegde autoriteit van een andere lidstaat, indien beide bevoegde autoriteiten gelijkwaardige erkenningsmaatregelen hanteren. [Am. 218]
Artikel 48
Onderscheidbaarheid
1. In het kader van de in artikel 47, lid 1, punt a), bedoelde officiële beschrijving wordt een ras als onderscheidbaar aangemerkt, indien het door de expressie van de kenmerken die voortvloeit uit een bepaald genotype of een combinatie van genotypen, duidelijk te onderscheiden is van elk ander ras waarvan het bestaandat op de overeenkomstig artikel 58 vastgestelde datum van indiening van de aanvraag algemeen bekend is. [Am. 219]
2. Het bestaan van een ander ras als bedoeld in lid 1 wordt met name als algemeen bekend beschouwd indien aan een of meer van de volgende voorwaarden is voldaan:
a) het ras is opgenomen in een nationaal rassenregister of in documentatie die aan de bevoegde autoriteit is verstrekt door natuurlijke of rechtspersonen die betrokken zijn bij de verkoop van plantaardig teeltmateriaal aan eindgebruikers of bij dynamische instandhouding; [Am. 220]
b) in de Unie is een aanvraag ingediend tot registratie van het ras of een aanvraag tot verlening van een kwekersrecht voor dat ras; of
c) in de Unie bestaat een officiële beschrijving van dat ras, dat wereldwijd algemeen bekend is, of het technisch onderzoek is uitgevoerd overeenkomstig artikel 59.
3. Indien lid 2, punt c), van toepassing is, wordt de officiële beschrijving van het ras ter beschikking van de bevoegde autoriteiten gesteld door de persoon die verantwoordelijk is of de personen die verantwoordelijk zijn voor de technische onderzoeken van dat ras.
Artikel 49
Uniformiteit
In het kader van de officiële beschrijving wordt een ras als homogeen aangemerkt indien het, behoudens de variatie die kan worden verwacht van de bijzonderheden die eigen zijn aan de vermeerdering en het type ervan, voldoende homogeen is in de expressie van de relevante kenmerken die in aanmerking worden genomen bij het onderzoek naar de onderscheidbaarheid, alsmede in de expressie van andere kenmerken die voor de officiële beschrijving van het ras worden gebruikt.
Artikel 50
Bestendigheid
In het kader van de officiële beschrijving wordt een ras als bestendig aangemerkt, indien de expressie van de kenmerken die in aanmerking worden genomen bij het onderzoek naar de onderscheidbaarheid, alsmede van alle andere kenmerken die voor de rasbeschrijving worden gebruikt, onveranderd blijft na achtereenvolgende vermeerderingen of, in het geval van vermeerderingscycli, aan het eind van iedere cyclus.
Artikel 51
Verleende kwekersrechten
Indien aan een ras een kwekersrecht is toegekend krachtens artikel 62 van Verordening (EG) nr. 2100/1994 of krachtens de wetgeving van een lidstaat, wordt dat ras geacht onderscheidbaar, homogeen en bestendig te zijn in het kader van de officiële beschrijving en een geschikte rasbenaming te hebben voor de toepassing van artikel 47, lid 1, punt b).
Artikel 52
Waarde voor duurzame teelt en duurzaam gebruik
1. Voor de toepassing van artikel 47, lid 1, punt c), wordt de waarde van een ras voor de duurzame teelt en het duurzaam gebruik van een ras als voldoende beschouwd indien de kenmerken ervan, in vergelijking met andere rassen van dezelfde soort die in het nationale rassenregister van de betrokken lidstaatzijn geregistreerd, over het geheel genomen een duidelijke verbetering opleveren voor de duurzame teelt en het duurzaam gebruik dat van de gewassen, andere planten of daarvan afgeleide producten kan worden gemaakt.
De in de eerste alinea bedoelde kenmerken zijn, voor zover passend voor de betrokken soorten, regio’s, agro-ecologische omstandigheden en toepassingen:
a) opbrengst, met inbegrip van opbrengststabiliteit en opbrengst onder omstandigheden die weinig productiemiddelen vergen;
b) tolerantie/resistentie tegen biotische druk, onder meer tegen plantenziekten veroorzaakt door nematoden, schimmels, bacteriën, virussen, insecten en andere plaagorganismen;
c) tolerantie voor of resistentie tegen abiotische druk, met inbegrip van aanpassing aan klimaatveranderingsgerelateerde omstandigheden;
d) efficiënter gebruik van natuurlijke hulpbronnen, zoals water en nutriënten;
e) verminderde behoefte aan externe productiemiddelen, zoals gewasbeschermingsmiddelen en meststoffen;
f) kenmerken die de duurzaamheid van teelt, oogst, opslag, verwerking en, distributie en gebruik verbeteren; [Am. 221]
g) kwaliteit of voedingskenmerken. of kenmerken die van belang zijn voor de verwerking; [Am. 222]
g bis) afvalvermindering voor of na de oogst. [Am. 223]
1 bis. Het onderzoek van de waarde voor duurzame teelt en duurzaam gebruik wordt voor de in bijlage I, delen B en C, opgenomen soorten op vrijwillige basis mogelijk gemaakt. Indien het onderzoek van de waarde voor duurzame teelt en duurzaam gebruik is uitgevoerd door een officiële bevoegde autoriteit of onder het officiële toezicht en de officiële leiding van de bevoegde autoriteit overeenkomstig artikel 61, staat zij toe dat op het in artikel 17, lid 5, vermelde deel van het etiket een duurzaamheidsclaim wordt opgenomen. De claim mag alleen betrekking hebben op de kenmerken waarvan tijdens de onderzoeken is gebleken dat zij een duidelijke verbetering opleveren ten opzichte van rassen van dezelfde soorten. Het vrijwillige systeem stelt de bevoegde instanties in staat methoden te ontwikkelen om de in lid 1, tweede alinea, punten a) tot en met g), vermelde kenmerken te beoordelen. [Am. 224]
2. Met het oog op de toepassing van lid 1 kunnen de lidstaten samenwerken met andere lidstaten met vergelijkbare agro-ecologische omstandigheden. Die lidstaten kunnen gemeenschappelijke faciliteiten opzetten om het onderzoek van de waarde voor duurzame teelt en duurzaam gebruik uit te voeren.
3. De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 75 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot aanvulling van deze verordening door:
a) de minimumvereisten vast te stellen voor de uitvoering van het in lid 1 bedoelde onderzoek;
b) de methoden vast te stellen voor de beoordeling van de in lid 1, tweede alinea, punten a) tot en met g) g ter), genoemde kenmerken; [Am. 225]
c) de normen vast te stellen voor de evaluatie van en de verslaglegging over de resultaten van het onderzoek van de waarde voor duurzame teelt en duurzaam gebruik.
Bij die gedelegeerde handelingen worden de vereisten, methoden en normen van de punten a) tot en met c) aangepast aan de toepasselijke technische of wetenschappelijke ontwikkelingen en aan nieuw beleid of nieuwe regels van de Unie inzake duurzame landbouw.
Indien die nog niet zijn vastgesteld, kunnen de lidstaten dergelijke regels voor hun respectieve grondgebied vaststellen. Zij stellen de Commissie en de andere lidstaten daarvan in kennis.
Die gedelegeerde handelingen zorgen ervoor dat de in de eerste alinea, punten a), b) en c), bedoelde minimumvereisten, methoden en normen die op de delen D en E van bijlage I van toepassing zijn, worden aangepast aan de specifieke kenmerken van die soorten en het eindgebruik ervan, alsook aan de doelstellingen van diversiteit en innovatie. [Am. 226]
De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingen een besluit vaststellen waarbij een lidstaat wordt verzocht die voorschriften in te trekken of te wijzigen, indien zij op grond van de beschikbare wetenschappelijke en technische gegevens ongeschikt worden geacht voor het onderzoek van de waarde voor duurzame teelt en duurzaam gebruik van een ras. Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 76, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure. [Am. 227]
4. Voor de registratie van voor biologische productie geschikte biologische rassen, zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 19, van Verordening (EU) 2018/848, wordt de waarde voor duurzame teelt en duurzaam gebruik onder biologische omstandigheden onderzocht in lijn met die verordening, en met name artikel 5, punten d), e), f) en g), en artikel 12 van en deel I van bijlage II bij die verordening.
Wanneer de bevoegde autoriteiten niet in staat zijn om een onderzoek onder biologische omstandigheden uit te voeren of om bepaalde kenmerken, waaronder de vatbaarheid voor ziekten, te onderzoeken, mogen de tests worden uitgevoerd onder omschakelingsomstandigheden of omstandigheden die weinig productiemiddelen vergen en met alleen de voor de voltooiing van de testbehandelingenhet onderzoek absoluut noodzakelijke tests met pesticiden en andere externe productiemiddelen. In voorkomend geval brengen de lidstaten jaarlijks aan de Commissie verslag uit over de redenen waarom zij niet onder biologische omstandigheden testen en over de tenuitvoerlegging van tests onder niet-biologische omstandigheden. [Am. 228]
4 bis. De bevoegde autoriteiten kunnen het testen van conventioneel zaad onder omstandigheden die weinig productiemiddelen vergen, biologische omschakelingsomstandigheden of biologische omstandigheden opnemen. [Am. 229]
4 ter. Uiterlijk ... [10 jaar na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] evalueert de Commissie de resultaten van het in lid 1 bis bedoelde vrijwillige systeem en vat zij de resultaten van die evaluatie samen in een verslag aan het Europees Parlement en de Raad. [Am. 230]
Artikel 53
Registratie van instandhoudingsrassen
1. In afwijking van de artikelen 48, 49, 50, 52, artikel 55, lid 2, en de artikelen 56, 57 en 59 tot en met 65 wordt een instandhoudingsras geregistreerd in een nationaal rassenregister indien het aan de volgende voorwaarden voldoet:
a) het heeft een officieel erkende beschrijving waarin de kenmerken zijn gespecificeerd die het als instandhoudingsras kwalificeren, overeenkomstig de definitie in artikel 3, punt 29;
b) het heeft een aanduiding van zijn regio van eerste oorsprong of, indien bekend, de lokale omstandigheden waaronder het nieuw gekweekt is; [Am. 231]
c) het heeft een benaming die voldoet aan artikel 54;
d) het wordt in stand gehouden de Unie.
De registratie krachtens dit artikel is kosteloos voor de aanvrager. [Am. 232]
2. Een instandhoudingsras wordt op aanvraag van een in de Unie gevestigde professionele exploitant in het nationale rassenregister geregistreerd. Die aanvraag moet alle in lid 1, punten a) tot en met d), bedoelde elementen bevatten.
De bevoegde autoriteit aanvaardt of weigert de registratie van een instandhoudingsras, nadat zij heeft gecontroleerd of het in overeenstemming is met lid 1. De bevoegde autoriteit stelt de aanvrager in kennis van haar besluit. Indien de registratie wordt afgewezen, worden de redenen voor de afwijzing vermeld. [Am. 233]
3. Een ras wordt niet als instandhoudingsras in het nationale rassenregister opgenomen indien:
a) het reeds in het EU-rassenregister is opgenomen met een officiële beschrijving overeenkomstig artikel 44, lid 1, punt a), of indien het als ras met een officiële beschrijving uit het EU-rassenregister is geschrapt in de laatste twee jaar, of binnen twee jaar na het verstrijken van de krachtens artikel 71, lid 2, toegestane termijn, of
b) het wordt beschermd door een communautair kwekersrecht als bedoeld in Verordening (EG) nr. 2100/94, of door een nationaal kwekersrecht, of als een aanvraag voor een dergelijk recht in behandeling is.
4. De in lid 1, punt a), bedoelde officieel erkende beschrijving wordt gebaseerd op de resultaten van niet-officiële tests, op kennis die is opgedaan door praktische ervaring tijdens de teelt, de vermeerdering en het gebruik, of op andere informatie, met name van de autoriteiten voor plantgenetische hulpbronnen of van organisaties die daartoe door de lidstaten zijn erkend.
De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingen de kenmerken en informatie specificeren die deze beschrijving, indien passend voor specifieke soorten, moet omvatten. Dergelijke uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 76, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure. [Am. 234]
5. De persoon die verantwoordelijk is voor de instandhouding van een instandhoudingsras houdt daarvan monsters bij en stelt deze op verzoek ter beschikking van de bevoegde autoriteiten.
Artikel 53 bis
Voorschriften voor de registratie van geselecteerde klonen en polyklonaal plantaardig teeltmateriaal in het register van de lidstaat
1. De aanvrager dient bij de bevoegde autoriteit een aanvraag in met vermelding van:
a) de soort en, in voorkomend geval, het ras waartoe de geselecteerde kloon of het polyklonaal plantaardig teeltmateriaal behoort, waarbij het ras moet zijn geregistreerd in een nationaal rassenregister als bedoeld in artikel 44;
b) de voorgestelde benaming en synoniemen;
c) in voorkomend geval, een beschrijving van het polyklonaal plantaardig teeltmateriaal;
d) degene die verantwoordelijk is voor de instandhouding van de geselecteerde kloon of het polyklonaal plantaardig teeltmateriaal;
e) een verwijzing naar de beschrijving van de belangrijkste kenmerken van het ras waartoe de geselecteerde kloon of het polyklonaal teeltmateriaal behoort;
f) een beschrijving van de belangrijkste kenmerken van de waarde voor duurzame teelt en duurzaam gebruik van de geselecteerde kloon of het polyklonaal plantaardig teeltmateriaal;
g) de geschatte genetische voordelen van de geselecteerde kloon of het polyklonaal teeltmateriaal in verhouding tot de algehele prestaties van het ras in kwestie;
h) informatie over of de geselecteerde kloon of het polyklonaal teeltmateriaal al dan niet reeds in een register van een andere lidstaat is geregistreerd.
2. Om in het register van de lidstaat te worden opgenomen, voldoet de geselecteerde kloon aan de volgende vereisten:
a) hij wordt conform internationaal aanvaarde methoden op basis van methoden van de Internationale Organisatie voor Wijnbouw en Wijnbereiding geselecteerd uit het ras waartoe hij behoort omdat een aantal bijzondere, binnen het ras voorkomende, fenotypische kenmerken en zijn fytosanitaire status de geselecteerde kloon betere prestaties geven;
b) de rasechtheid van de geselecteerde kloon wordt gewaarborgd door observatie van de fenotypische kenmerken en, in voorkomend geval, door moleculaire analyse overeenkomstig internationaal aanvaarde normen.
3. Om in het register van de lidstaat te worden opgenomen, voldoet het polyklonaal teeltmateriaal aan de volgende vereisten:
a) het is geselecteerd in één veldproef met een representatief monster van de totale genetische diversiteit van het ras volgens een experimentele opzet op basis van internationaal aanvaarde methoden; die opzet is gebaseerd op methoden die zijn voorgeschreven door de Internationale Organisatie voor Wijnbouw en Wijnbereiding en het bestaat uit zeven tot twintig verschillende genotypen(30);
b) de rasechtheid van het polyklonaal teeltmateriaal wordt gewaarborgd door observatie van de fenotypische kenmerken en, in voorkomend geval, door moleculaire analyse overeenkomstig internationaal aanvaarde normen.
4. De bevoegde autoriteit neemt pas een besluit over de opname in het register van de lidstaat nadat zij tot de conclusie is gekomen dat is voldaan aan de voorwaarden vermeld in de leden 2 en 3, zoals van toepassing voor het soort materiaal. [Am. 235]
Artikel 54
Geschiktheid van rasbenamingen
1. Voor de toepassing van artikel 47, lid 1, punt b), wordt een rasbenaming niet geschikt geacht als:
a) het gebruik ervan op het grondgebied van de Unie inbreuk maakt op het oudere recht van een derde;
b) zij in het algemeen voor de gebruikers ervan moeilijk als rasbenaming herkenbaar en hanteerbaar is;
c) zij identiek is aan of kan worden verward met een rasbenaming:
i) waaronder een ander ras van dezelfde of een nauw verwante soort wordt opgenomen in een nationaal rassenregister of in het EU-rassenregister, of in het rassenregister van de Unie, of in documentatie die aan de bevoegde autoriteit is verstrekt door een natuurlijke of rechtspersoon die betrokken is bij de dynamische instandhouding; [Am. 236]
ii) waaronder materiaal van een ander ras op de markt is aangeboden in een lidstaat of bij een lid van de Internationale Unie tot bescherming van kweekproducten,
tenzij het in punt i) of ii) bedoelde ras niet langer bestaat en de benaming ervan geen bijzondere betekenis heeft verkregen; [Am. 237]
d) zij identiek is aan of kan worden verward met andere benamingen die algemeen bij het op de markt aanbieden van goederen worden gebruikt of die op grond van wetgeving van de Unie vrij gehouden moeten worden;
e) zij in een van de lidstaten aanstootgevend kan zijn of strijdig is met de openbare orde;
f) zij misleidend kan zijn of verwarring kan veroorzaken met betrekking tot de kenmerken, de waarde of de identiteit van het ras, of de identiteit van de kweker.
2. Onverminderd lid 1 wordt, indien het ras al in andere nationale rassenregisters is geregistreerd, de benaming alleen geschikt geacht als zij identiek is aan de benaming die in die registers wordt gehanteerd.
Dit lid geldt niet als:
a) de benaming in een of meer lidstaten misleidend of verwarrend kan werken wat het ras betreft, of
b) een recht van een derde het vrije gebruik van die benaming voor het betrokken ras in de weg staat.
3. Indien de bevoegde autoriteit na registratie van een ras vaststelt dat de benaming ten tijde van de registratie niet geschikt was in de zin van de leden 1 en 2, dient de aanvrager een aanvraag voor een nieuwe benaming in. De bevoegde autoriteit besluit over die aanvraag na raadpleging van het CPVO.
De bevoegde autoriteit mag toestaan dat de eerdere benaming tijdelijk wordt gebruikt.
4. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 75 gedelegeerde handelingen ter aanvulling van deze verordening vast te stellen met specifieke criteria voor de geschiktheid van rasbenamingen wat betreft:
a) de relatie van die benamingen met handelsbenamingen;
b) de relatie van die benamingen met geografische aanduidingen of oorsprongsbenamingen voor landbouwproducten;
c) schriftelijke toestemming van de houders van oudere rechten om beletsels ten aanzien van de geschiktheid van een benaming weg te nemen;
d) de bepaling of een benaming misleidend of verwarrend is als bedoeld in lid 1, punt f), en
e) het gebruik van een benaming in de vorm van een code.
AFDELING 3
PROCEDURE VOOR DE REGISTRATIE VAN RASSEN IN DE NATIONALE RASSENREGISTERS
Artikel 55
Indiening van aanvragen
Elke in de Unie gevestigde professionele exploitant mag bij de bevoegde autoriteit elektronisch een aanvraag tot registratie van een ras in het nationale rassenregister indienen.
Voor de indiening van die aanvraag kan aan de aanvrager een vergoeding worden opgelegd, zoals vastgesteld door de bevoegde autoriteit.
Artikel 56
Inhoud van de aanvraag tot registratie van een ras
1. De aanvraag tot registratie van een ras in een nationaal rassenregister moet bestaan uit:
a) een verzoek om registratie;
b) de identificatie van het botanische taxon waartoe het ras behoort;
c) in voorkomend geval, het registratienummer van de aanvrager, diens naam en adres, of waar van toepassing, de namen en adressen van de gezamenlijke aanvragers, en de bewijzen van aanstelling van een eventuele vertegenwoordiger voor de procedure;
d) een voorgesteldevoorlopige benaming; [Am. 238]
d bis) de aanvrager stelt een rasbenaming voor, die bij de aanvraag kan worden gevoegd; [Am. 239]
e) de naam en het adres van de persoon die voor de instandhouding van het ras verantwoordelijk is en, indien van toepassing, diens registratienummer;
f) een beschrijving van de belangrijkste kenmerken van het ras, informatie over of het uitsluitend aan bepaalde seizoenen van het jaar is aangepast en, indien beschikbaar, een ingevulde technische vragenlijst;
g) een beschrijving van de procedure voor de instandhouding van het ras;
h) de plaats waar het ras wordt gekweekt en, indien van toepassing, het specifieke gebied van oorsprong;
i) informatie over een eventuele registratie van het ras in een ander nationaal rassenregister en over een eventuele in behandeling zijnde aanvraag tot registratie in die registers waar de aanvrager weet van heeft;
j) wanneer dat ras geheel of gedeeltelijk uit een genetisch gemodificeerd organisme bestaat, bewijsmateriaal dat het genetisch gemodificeerde organisme is toegelaten voor de teelt in de Unie, overeenkomstig Richtlijn 2001/18/EG of Verordening (EG) nr. 1829/2003, of, indien van toepassing, in de respectieve lidstaat overeenkomstig artikel 26 ter van Richtlijn 2001/18/EG en bewijsmateriaal van de naleving van de voorschriften voor teelt en monitoring in het betreffende groeiseizoen; [Am. 240]
k) indien de aanvraag instandhoudingsrassen betreft, informatie met betrekking tot de productie van een officieel erkende beschrijving van het ras, bewijsmateriaal van die beschrijving en een document of publicatie ter staving van die beschrijving; [Am. 241]
l) in het geval van een aanvraag met betrekking tot rassen waarvoor een kwekersrecht is verleend overeenkomstig Verordening (EG) nr. 2100/94, of de wetgeving van een lidstaat, het bewijs dat het ras door zo'n kwekersrecht beschermd wordt, met de bijbehorende officiële beschrijving;
m) in het geval dat het ras geheel of gedeeltelijk bestaat uit een NGT-plant van categorie 1 zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 7, van Verordening (EU).../... van het Europees Parlement en de Raad(31) (PB: gelieve de verwijzing naar NGT-verordening ... in te voegenOffice of Publications, please insert reference to NGT Regulation ...), bewijsmateriaal dat die plant een verklaring heeft verkregen met de status van NGT-plant van categorie 1 overeenkomstig artikel 6 of 7 van die verordening of een nakomeling is van dergelijke planten;
n) in het geval dat het ras geheel of gedeeltelijk bestaat uit een NGT-plant van categorie 2 zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 8, van Verordening (EU).../... (PB: gelieve de verwijzing naar NGT-verordening ... in te voegenOffice of Publications, please insert reference to NGT Regulation ...), vermelding van dat feit;
o) het beoogde gebruik of de voorwaarden voor de teelt, indien van toepassing overeenkomstighet ras tolerant is voor herbiciden als bedoeld in artikel 47, lid 21, punt f), of bijzondere kenmerken heeft die tot ongewenste agronomische effecten kunnen leiden als bedoeld in artikel 1, punt g), een vermelding van dat feit; van het ras. [Am. 242]
o bis) de kweektechnieken die zijn gebruikt voor het ontwikkelen van het ras; [Am. 243]
o ter) het bestaan van intellectuele-eigendomsrechten die rusten op het ras, de bestanddelen en de kenmerken ervan, binnen de grenzen van de voor dat ras aangevraagde of aan de aanvrager verleende rechten, ook indien de aanvrager een contractuele licentie heeft ondertekend of een dwanglicentie heeft verkregen voor het gebruik van een octrooi dat eigendom is van een andere exploitant. [Am. 244]
2. De aanvraag tot registratie van een ras in een nationaal rassenregister moet vergezeld gaan van een monster dat voor het onderzoek van dat ras moet worden gebruikt. De bevoegde autoriteit van de respectieve lidstaat stelt een termijn vast voor de indiening van dat monster en specificeert de benodigde kwaliteit en kwantiteit.
Artikel 57
Formeel onderzoek van de aanvraag
1. De bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat registreert en onderzoekt elke in artikel 55 bedoelde aanvraag, teneinde vast te stellen of deze aan de voorschriften van artikel 56 voldoet.
2. Indien de aanvraag niet aan de voorschriften van artikel 56 voldoet, stelt de bevoegde autoriteit de aanvrager in de gelegenheid om de aanvraag binnen een bepaalde termijn dienovereenkomstig te corrigeren. Indien de aanvraag niet binnen deze termijn aan deze voorschriften voldoet, wijst de bevoegde autoriteit de aanvraag af en beëindigt zij de registratie van het ras.
Artikel 58
Datum van de registratieaanvraag
De datum van indiening van de registratieaanvraag is de datum waarop de aanvraag, die volledig voldoet aan de voorschriften van artikel 56, door de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat wordt ontvangen.
De bevoegde autoriteiten zenden de aanvrager onmiddellijk een bevestiging toe van de succesvolle indiening van de aanvraag, met inbegrip van informatie over de datum van die indiening.
Artikel 59
Technische beschrijving van het ras
1. Indien de aanvraag na het formele onderzoek blijkt te voldoen aan de voorschriften van artikel 56, wordt een technisch onderzoek van het ras uitgevoerd.
Het technisch onderzoek wordt uitgevoerd door het ras te telen, rekening houdend met het beoogde gebruik en de voorwaarden voor de teelt van het ras. Andere middelen, waaronder het gebruik van biomoleculaire technieken, kunnen worden gebruikt als aanvullend instrument, naargelang van het technisch onderzoek, de betrokken soort of de te controleren kenmerken, zoals vastgesteld overeenkomstig de in artikel 47, lid 2, bedoelde uitvoeringshandeling met betrekking tot onderscheidbaarheid, homogeniteit en bestendigheid.
Bij het technische onderzoek wordt nagegaan of:
a) wordt voldaan aan de voorschriften van de artikelen 48 tot en met 50 inzake onderscheidbaarheid, homogeniteit en bestendigheid van het ras;
b) het ras overeenkomstig artikel 52 waarde heeft voor duurzame teelt en duurzaam gebruik, in het geval van de in artikel 47, lid 1, punt a), ii), bedoelde rassen.
2. Het in lid 1 bedoelde technische onderzoek wordt uitgevoerd door de bevoegde autoriteit overeenkomstig artikel 60, tenzij de in artikel 61, lid 1, bedoelde afwijking van toepassing is.
3. Indien een door het CPVO of een andere bevoegde instantie opgesteld formeel verslag over de onderscheidbaarheid, homogeniteit en bestendigheid van het ras reeds beschikbaar is, houdt de bevoegde autoriteit bij de uitvoering van het technisch onderzoek rekening met de conclusies van dat verslag.
4. Voor de uitvoering van het technisch onderzoek van lid 1 kan aan de aanvrager een vergoeding worden opgelegd, zoals vastgesteld door de bevoegde autoriteit.
Artikel 60
Audit van de werklocaties van de bevoegde autoriteit
De bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat mag het technisch onderzoek met betrekking tot de naleving van de in de artikelen 48 tot en met 50 bedoelde voorschriften inzake onderscheidbaarheid, homogeniteit en bestendigheid pas uitvoeren nadat haar werklocaties en de werkregelingen die zij in dit kader heeft opgezet, geschikt zijn bevonden voor de uitvoering van dit onderzoek, op grond van een door het CPVO of de Commissie uitgevoerde audit.
Op basis van de in de eerste alinea bedoelde audit kan de Commissie de bevoegde autoriteit zo nodig aanbevelen maatregelen te nemen om de geschiktheid van haar werklocaties en organisatie te waarborgen. De Commissie kan verdere audits uitvoeren en zo nodig de bevoegde autoriteit corrigerende maatregelen aanbevelen om de geschiktheid van haar werklocaties en organisatie te waarborgen.
Artikel 61
Toestemming voor de aanvrager om technisch onderzoek op de waarde voor duurzame teelt en duurzaam gebruik uit te voeren
1. In afwijking van artikel 59, lid 2, en alleen voor exploitanten die deelnemen aan het in artikel 52, lid 2 bis, bedoelde vrijwillige systeem, kan de bevoegde autoriteit de aanvrager toestaankan het technische onderzoek om na te gaan of het ras van waarde is voor duurzame teelt en duurzaam gebruik, overeenkomstig artikel 52, of een deel daarvan, worden verricht door de aanvrager,uit te voeren indien: [Am. 245]
a) de aanvrager daarvoor toestemming heeft gekregen van de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat; [Am. 246]
b) het onderzoek wordt uitgevoerd onder het officiële toezicht en de officiële leiding van de betrokken bevoegde autoriteit, en
c) het onderzoek plaatsvindt op de daartoe bestemde werklocaties.;
c bis) het onderzoek komt niet in de plaats van de risicobeoordeling als bedoeld in de aanvraag voor toestemming voor het in de handel brengen uit hoofde van Richtlijn 2001/18/EG inzake genetisch gemodificeerde organismen. [Am. 247]
2. Voordat de toestemming voor het uitvoeren van het technische onderzoek op de werklocaties van de kwekers wordt verleend, voert de bevoegde autoriteit een audit van de werklocaties, de middelen en de organisatorische capaciteiten van de aanvrager uit. Bij die audit wordt nagegaan of de werklocaties, de laboratoriumvoorzieningen en de organisatie en de uitvoering van de teeltproeven geschikt zijn voor de uitvoering van het technisch onderzoek op de werklocaties van de kwekers met betrekking tot de naleving van de in artikel 52 bedoelde voorschriften inzake waarde voor duurzame teelt en duurzaam gebruik.
3. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 75 gedelegeerde handelingen ter aanvulling van deze verordening vast te stellen met voorschriften voor de in lid 2 bedoelde audit.
4. Op basis van de in lid 2 bedoelde audit kan de bevoegde autoriteit de aanvrager zo nodig aanbevelen stappen te nemen om de geschiktheid van zijn werklocaties en organisatie voor het onderzoek te waarborgen.
5. De bevoegde autoriteit kan naast de in lid 2 bedoelde audits aanvullende audits uitvoeren en, in voorkomend geval, de aanvrager aanbevelen om binnen een specifieke termijn corrigerende maatregelen te nemen met betrekking tot zijn werklocaties en de werkregelingen. Indien de bevoegde autoriteit na die termijn concludeert dat de werklocaties en werkregelingen van de aanvrager niet geschikt zijn, kan zij de in lid 1 bedoelde toestemming intrekken of wijzigen.
Artikel 62
Aanvullende voorschriften voor technische onderzoeken
1. De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 75 gedelegeerde handelingen vast te stellen ter aanvulling van de voorschriften voor technische onderzoeken in artikelen 59. Die gedelegeerde handelingen kunnen betrekking hebben op:
a) de kwalificatie, opleiding en werkzaamheden van het personeel van de bevoegde autoriteit, of van de aanvrager, voor de uitvoering van het in artikel 61 bedoelde technische onderzoek;
b) de uitrusting, met inbegrip van laboratoria voor de tests, die nodig is om het technische onderzoek uit te voeren;
c) de opstelling van een referentiecollectie van rassen om het onderzochte ras te vergelijken met andere rassen om de onderscheidbaarheid te beoordelen, en het opslagbeheer van die referentiecollectie;
d) de opstelling van kwaliteitsbeheerssystemen, inclusief de registratie van de activiteiten en protocollen of richtsnoeren, voor gebruik bij het technische onderzoek;
e) de uitvoering van veldproeven en laboratoriumtests voor bepaalde geslachten of soorten, met inbegrip van biomoleculaire technieken.
Die gedelegeerde handelingen worden aangepast aan de beschikbare internationale technische en wetenschappelijke protocollen.
2. Indien geen voorschriften zijn vastgesteld krachtens lid 1, worden de technische onderzoeken uitgevoerd overeenkomstig nationale protocollen wat betreft de in lid 1, punten a) tot en met e), genoemde aspecten.
Artikel 63
Vertrouwelijkheid
1. Indien tijdens het in artikel 59, bedoelde technische onderzoek een onderzoek van de genealogische bestanddelen nodig blijkt te zijn, worden de resultaten van dat onderzoek en de beschrijving van de genealogische bestanddelen op verzoek van de aanvrager vertrouwelijk behandeld.
2. In geval van rassen van plantaardig teeltmateriaal die uitsluitend voor de productie van landbouwgrondstoffen voor industriële doeleinden bestemd zijn, worden bepaalde elementen van het technisch onderzoek en de beoogde toepassingen van die rassen, waarvan de openbaarmaking de concurrentiepositie van de aanvrager kan aantasten, op verzoek van de aanvrager vertrouwelijk behandeld.
3. Dit artikel doet geen afbreuk aan artikel 8 van Verordening (EU) 2017/625. De bevoegde autoriteiten houden naar behoren rekening met de vertrouwelijkheid van commerciële of industriële informatie wanneer daarin wordt voorzien door het Unierecht of het nationaal recht ter bescherming van legitieme economische belangen. [Am. 248]
Artikel 64
Voorlopig onderzoeksverslag en voorlopige officiële beschrijving
1. Naar aanleiding van het bij artikel 59 geregelde technische onderzoek stelt de bevoegde autoriteit een voorlopig onderzoeksverslag op over de naleving van de voorschriften inzake onderscheidbaarheid, homogeniteit en bestendigheid, evenals de kenmerken van de waarde voor duurzame teelt en duurzaam gebruik, waar van toepassing, als bedoeld in de artikelen 48, 49, 50 en 52, en zij geeft op basis van dat verslag een voorlopige officiële beschrijving van het ras af.
2. In het voorlopige onderzoeksverslag mag worden verwezen naar bevindingen van andere onderzoeksverslagen die voor het desbetreffende ras door de betrokken bevoegde autoriteit, andere bevoegde autoriteiten of het CPVO zijn opgesteld.
3. De bevoegde autoriteit deelt het voorlopige onderzoeksverslag en de voorlopige officiële beschrijving van het ras aan de aanvrager mee. De aanvrager heeft 15 kalenderdagen de tijd om opmerkingen over deze documenten in te dienen.
4. Indien de bevoegde autoriteit van oordeel is dat het voorlopige onderzoeksverslag onvoldoende basis vormt voor een beslissing over de registratie van het ras, verzoekt zij de aanvrager om aanvullende informatie, onderzoeken of andere maatregelen, naargelang het geval, om te waarborgen dat het ras voldoet aan de voorschriften inzake onderscheidbaarheid, homogeniteit, bestendigheid en waarde voor duurzame teelt en/of duurzaam gebruik, zoals respectievelijk vastgesteld in de artikelen 48, 49, 50 en 52.
Artikel 65
Onderzoeksverslag en definitieve officiële beschrijving
Rekening houdend met eventuele opmerkingen over het voorlopige onderzoeksverslag en de voorlopige officiële beschrijving van de aanvrager, stelt de bevoegde autoriteit een definitief onderzoeksverslag en een officiële definitieve beschrijving betreffende de onderscheidbaarheid, homogeniteit en bestendigheid van het ras op, met inbegrip van een samenvatting van de onderzoeksresultaten betreffende de waarde voor duurzame teelt en duurzaam gebruik.
De bevoegde autoriteiten stellen de onderzoeksverslagen en de officiële beschrijving naar aanleiding van een met redenen omkleed verzoek ter beschikking aan derden, met inachtneming van de wetgeving van de lidstaten en de Unie inzake gegevensbescherming en de toepasselijke voorschriften inzake vertrouwelijkheid.
Artikel 66
Onderzoek van de benaming van een ras
Na het in artikel 57 bedoelde formele onderzoek van de aanvraag en voordat een ras krachtens artikel 67 in een nationaal rassenregister wordt geregistreerd, raadpleegt de bevoegde autoriteit het CPVO over de door de aanvrager voorgestelde rasbenaming.
Het CPVO doet de bevoegde autoriteit een aanbeveling inzake de geschiktheid van de door de aanvrager voorgestelde rasbenaming, overeenkomstig artikel 54. De bevoegde autoriteit stelt de aanvrager van die aanbeveling in kennis.
Artikel 67
Beslissing over de registratie van een ras in het nationale rassenregister
1. Indien op grond van de in de artikelen 55 tot en met 66 vastgelegde procedure wordt geconcludeerd dat het ras voldoet aan de voorwaarden van artikel 47, lid 1, besluit de bevoegde autoriteit van de desbetreffende lidstaat het ras in het nationale rassenregister te registreren.
2. De bevoegde autoriteit stelt een besluit tot weigering van registratie in het nationale rassenregister vast indien:
a) zij vaststelt dat niet is voldaan aan de respectieve voorschriften van artikel 47, lid 1, en artikel 48, of [Am. 249]
b) de aanvrager niet heeft voldaan aan een of meer verplichtingen zoals vastgesteld in de artikelen 55 tot en met 64.
3. Besluiten waarbij de registratie van een ras in het nationale rassenregister wordt geweigerd, worden met redenen omkleed.
4. De bevoegde autoriteit doet de aanvrager het besluit als bedoeld in de leden 1 en 2 toekomen.
5. Tegen de in de leden 1 en 2 bedoelde besluiten kan overeenkomstig de administratiefrechtelijke bepalingen van de betrokken lidstaat beroep worden aangetekend. Indien tegen een besluit zoals bedoeld in lid 1 beroep wordt aangetekend, wordt de registratie van het respectieve ras opgeschort.
6. Voor de vaststelling van het in lid 1 bedoelde besluit kan het zijn dat de aanvrager een vergoeding moet betalen, zoals vastgesteld door de bevoegde autoriteit.
Artikel 68
Overeenkomstig de Richtlijnen 68/193/EEG, 2002/53/EG, 2002/55/EG en 2008/90/EG geregistreerde rassen
1. In afwijking van de artikelen 54 tot en met 67 registreren de bevoegde autoriteiten alle rassen die officieel zijn toegelaten of geregistreerd vóór... [de datum van inwerkingtreding van deze verordeningthe date of the entry into force of this Regulation] onmiddellijk in hun nationale rassenregisters, in de (rassen)lijsten of registers die door de desbetreffende lidstaten zijn opgesteld overeenkomstig artikel 5 van Richtlijn 68/193/EEG, en artikel 3 van Richtlijn 2002/53/EG, artikel 3, lid 2, van Richtlijn 2002/55/EG, alsook rassen met een officiële beschrijving overeenkomstig en artikel 7, lid 4, van Richtlijn 2008/90/EG, zonder de registratieprocedure van die artikelen toe te passen. [Am. 250]
2. In afwijking van artikel 53 worden rassen die overeenkomstig artikel 3 van Richtlijn 2008/62/EG, artikel 3, lid 1, en artikel 321, lid 1, van Richtlijn 2009/145/EG, alsook rassen die met een officieel erkende beschrijving overeenkomstig artikel 7 van Richtlijn 2008/90/EG voor... [de datum van inwerkingtreding van deze verorderingOJ, please, insert the date of the entry into force of this Regulation] zijn toegelaten, onmiddellijk in de nationale rassenregisters geregistreerd als instandhoudingsrassen met een officieel erkende beschrijving, zonder de registratieprocedure van dat artikel toe te passen. [Am. 251]
AFDELING 4
Registratieduur en instandhouding van rassen
Artikel 69
Registratieduur
1. De duur van de registratie van een ras in een nationaal rassenregister (hierna “registratieduur” genoemd) bedraagt tien jaar.
Deze registratieduur bedraagt echter dertig jaar voor instandhoudingsrassen en rassen van de in deel C, respectievelijk deel D, van bijlage I vermelde soorten fruitgewassen en teeltmateriaal voor wijnstokken. [Am. 252]
Indien het ras geheel of gedeeltelijk bestaat uit een genetisch gemodificeerd organisme, is de registratieduur de periode waarvoor dat genetisch gemodificeerde organisme krachtens Richtlijn 2001/18/EG of Verordening (EG) nr. 1829/2003 voor de teelt is toegelaten.
In het geval van rassen die bestaan uit een NGT-plant van categorie 2 zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 8, van Verordening (EU).../... (PB: gelieve referentie van NGT-verordening ... in te voegenOffice of Publications, please insert reference to NGT Regulation...), wordt de registratieduur beperkt tot de periode waarvoor die plant krachtens die verordening is toegelaten.
2. De registratieduur van een ras in een nationaal rassenregister kan telkens met respectievelijk tien of dertig jaar worden verlengd overeenkomstig de in artikel 70 vastgelegde procedure en voorwaarden.
Indien een ras geheel of gedeeltelijk bestaat uit een genetisch gemodificeerd organisme, is de registratie geldig zolang dat genetisch gemodificeerde organisme krachtens Richtlijn 2001/18/EG of Verordening (EG) nr. 1829/2003 voor de teelt is toegelaten.
3. Voor de indiening van die aanvraag kan aan de aanvrager een jaarlijkse vergoeding worden opgelegd, zoals vastgesteld door de bevoegde autoriteit.
Artikel 70
Procedure en voorwaarden voor de verlenging van een registratie
1. Eenieder die de registratie van een ras wenst te verlengen, moet daartoe niet eerder dan twaalf maanden voor en niet later dan zes maanden na de afloop van de in artikel 69, lid 1, bedoelde registratieduur een aanvraag indienen.
2. De aanvraag wordt in elektronische vorm ingediend. Bij de aanvraag worden bewijsstukken gevoegd waaruit blijkt dat aan de voorwaarden van de lid 3 is voldaan.
3. De registratie van een ras in een nationaal rassenregister kan uitsluitend worden verlengd als:
a) de aanvrager voldoende bewijs heeft overgelegd dat het ras nog steeds voldoet aan de respectieve voorschriften van artikel 47, lid 1, en
b) de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat heeft vastgesteld dat er een persoon is die verantwoordelijk is voor de instandhouding van het ras overeenkomstig artikel 72.
4. De bevoegde autoriteit kan, op eigen initiatief, de registratie van een ras verlengen indien er bij de betrokken professionele exploitanten en landbouwers nog een grote vraag naar is, of indien deze registratie moet worden gehandhaafd in het belang van de instandhouding van plantgenetische hulpbronnen, op voorwaarde dat het ras niet langer beschermd wordt door een kwekersrecht overeenkomstig Verordening (EG) nr. 2100/94 van de Raad en dat het ras ten minste twee jaar niet meer op de lijst staat. [Am. 253]
Artikel 71
Verwijdering uit nationale rassenregisters
1. De bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat verwijdert een ras uit het nationale rassenregister als:
a) zij op grond van nieuwe aanwijzingen concludeert dat niet langer aan de voorschriften voor registratie van artikel 47, lid 1, wordt voldaan;
b) de aanvrager de vergoeding die de bevoegde autoriteit overeenkomstig artikel 55, artikel 59, lid 4, artikel 67, lid 6, en artikel 69, lid 3, heeft vastgesteld, niet betaalt;
c) de persoon die verantwoordelijk is voor de instandhouding van het ras, zoals bedoeld in artikel 72, daarom verzoekt, of die persoon de instandhouding van het ras heeft gestaakt en geen andere persoon verantwoordelijk is geworden voor de instandhouding ervan;
d) het ras niet langer overeenkomstig de voorschriften van artikel 72 in stand wordt gehouden;
e) het ras in een derde land in stand wordt gehouden en dat land geen hulp heeft verleend bij de controles op die instandhouding krachtens artikel 72, lid 7;
f) bij de aanvraag onjuiste of misleidende inlichtingen zijn verstrekt op basis waarvan tot registratie is besloten;
g) binnen de in artikel 70, lid 1, bedoelde termijn geen verlengingsaanvraag is ingediend en de in artikel 69, lid 1, bedoelde registratieduur is verstreken.
2. De bevoegde autoriteit mag op verzoek van de aanvrager toestaan dat een overeenkomstig lid 1, punt g), uit het nationale rassenregister verwijderd ras nog tot en met 30 juni van het derde jaar na de verwijdering van het ras uit het register op de markt wordt aangeboden.
Dat verzoek moet uiterlijk worden ingediend op de datum waarop de geldigheid van de registratie verloopt.
3. Nadat het ras uit een nationaal rassenregister is geschrapt zoals bedoeld in lid 1, wordt het onmiddellijk uit het EU-rassenregister verwijderd indien het niet in een ander nationaal rassenregister is geregistreerd.
Artikel 72
Instandhouding van rassen
1. In een nationaal rassenregister geregistreerde rassen worden in stand gehouden door de aanvrager, of door een andere persoon die daartoe door de aanvrager bij de bevoegde autoriteit is aangemeld. De bevoegde autoriteit machtigt die andere persoon om het ras in stand te houden, indien die persoon bewijst dat die daartoe bekwaam is, en de bevoegde autoriteit trekt die machtiging in indien die persoon daartoe niet langer in staat is. De naam en het registratienummer van de persoon worden door de aanvrager meegedeeld aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat.
2. Het ras wordt in stand gehouden overeenkomstig aanvaarde praktijken voor de desbetreffende geslachten, soorten of specifieke typen rassen.
3. De in lid 1 bedoelde personen houden een administratie bij betreffende de instandhouding van het ras. De bevoegde autoriteit moet te allen tijde de instandhouding van het ras aan de hand van die administratie kunnen controleren. Die administratie omvat ook de productie van prebasismateriaal, basismateriaal, gecertificeerd materiaal en standaardmateriaal, alsmede de productiestadia die aan prebasismateriaal voorafgaan.
Op verzoek wordt aan de bevoegde autoriteit een standaardmonster van het betrokken ras verstrekt.
4. De bevoegde autoriteit voert controles uit van de wijze waarop rassen in stand worden gehouden en mag daartoe monsters van de betrokken rassen nemen. De frequentie van die controles is gebaseerd op de waarschijnlijkheid van niet-naleving van de leden 1 tot en met 3.
5. Indien een bevoegde autoriteit constateert dat de voor de instandhouding van het ras verantwoordelijke persoon niet voldoet aan de leden 1 tot en met 3, geeft zij die persoon voldoende de tijd om corrigerende maatregelen te nemen of een andere persoon te verzoeken de instandhouding van het ras over te nemen. Indien binnen die termijn geen actie wordt ondernomen, verwijdert de bevoegde autoriteit het ras uit het nationale rassenregister overeenkomstig artikel 71.
6. Indien een ras in stand wordt gehouden in een andere lidstaat dan de lidstaat waar het ras in het rassenregister is geregistreerd, helpen de bevoegde autoriteiten van beide lidstaten elkaar bij de controles betreffende de instandhouding van het ras. Indien dergelijke hulp niet binnen een redelijke termijn wordt verleend of indien wordt geconcludeerd dat de instandhouding van het ras niet overeenkomstig dit artikel wordt uitgevoerd, verwijdert de respectieve bevoegde autoriteit het ras uit het nationale rassenregister overeenkomstig artikel 71.
7. Indien een ras in stand wordt gehouden in een derde land, vragen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat in wiens nationale rassenregister dat ras geregistreerd is, de autoriteiten van het derde land om hulp bij de controles op de instandhouding van het ras, indien die instandhouding onderworpen is aan de erkenning van gelijkwaardigheid overeenkomstig artikel 39, lid 5. Indien dergelijke hulp niet binnen een redelijke termijn wordt verleend of indien wordt geconcludeerd dat de instandhouding van het ras niet overeenkomstig dit artikel wordt uitgevoerd, verwijdert de respectieve bevoegde autoriteit het ras uit het nationale rassenregister overeenkomstig artikel 71.
AFDELING 5
BIJHOUDEN VAN DOCUMENTATIE EN MONSTERS
Artikel 73
Documentatie over de nationale rassenregisters
De bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat houdt een dossier bij over elk ras dat is geregistreerd in het nationale rassenregister, met daarin:
a) de officiële beschrijving of de officieel erkende beschrijving van het ras;
b) het onderzoeksverslag; en
c) eventuele aanvullende onderzoeksverslagen overeenkomstig artikel 64, lid 4.
In het geval van een officieel erkende beschrijving bevat het dossier alleen die beschrijving en de ondersteunende documenten.
Artikel 74
Monsters van de geregistreerde rassen
De bevoegde autoriteiten houden monsters van de in de nationale rassenregisters geregistreerde rassen bij en stellen deze op verzoek ter beschikking van derden.
De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen met betrekking tot de omvang van die monsters, de voorschriften voor de vervanging ervan, indien de omvang van het oorspronkelijke monster te beperkt is of niet langer toereikend is vanwege het gebruik ervan in andere onderzoeken, en de indiening ervan bij andere bevoegde autoriteiten. Die uitvoeringshandeling wordt vastgesteld volgens de in artikel 76, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
HOOFDSTUK V
PROCEDURELE BEPALINGEN
Artikel 75
Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie
1. De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.
2. De in artikel 2, lid 3, artikel 7, lid 3, artikel 8, lid 4, artikel 10, lid 2, artikel 12, lid 3, artikel 15, lid 5, artikel 20, lid 2, artikel 22, lid 2, artikel 24, lid 4, artikel 27, lid 3, artikel 30 bis, artikel 33, leden 1 en 3, artikel 38, leden 1 en 2, artikel 46, lid 2, artikel 47, lid 3, artikel 52, lid 3, artikel 54, lid 4, artikel 61, lid 3, en artikel 62, lid 1, bedoelde bevoegdheidsdelegatiebevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor vijf jaar met ingang van [de datum van inwerkingtreding van deze verordening]. [Am. 254]
De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van vijf jaar verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de eerste termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie.
3. Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 2, lid 3, artikel 7, lid 3, artikel 8, lid 4, artikel 10, lid 2, artikel 12, lid 3, artikel 15, lid 5, artikel 20, lid 2, artikel 22, lid 2, artikel 24, lid 4, artikel 27, lid 3, artikel 30 bis, artikel 33, leden 1 en 3, artikel 38, leden 1 en 2, artikel 46, lid 2, artikel 47, lid 3, artikel 52, lid 3, artikel 54, lid 4, artikel 61, lid 3, en artikel 62, lid 1, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Een besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheidsdelegatiebevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet. [Am. 255]
4. Voordat zij een gedelegeerde handeling vaststelt, raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.
5. Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.
6. Een overeenkomstig artikel 2, lid 3, artikel 7, lid 3, artikel 8, lid 4, artikel 10, lid 2, artikel 12, lid 3, artikel 15, lid 5, artikel 20, lid 2, artikel 22, lid 2, artikel 24, lid 4, artikel 27, lid 3, artikel 30 bis, artikel 33, leden 1 en 3, artikel 38, leden 1 en 2, artikel 46, lid 2, artikel 47, lid 3, artikel 52, lid 3, artikel 54, lid 4, artikel 61, lid 3, en artikel 62, lid 1, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien noch het Europees Parlement noch de Raad binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie heeft medegedeeld dat zij geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd. [Am. 256]
Artikel 76
Comitéprocedure
1. De Commissie wordt bijgestaan door het bij artikel 58, lid 1, van Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad(32) ingestelde Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders. Dit comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.
2. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.
Wanneer het advies van het comité via een schriftelijke procedure dient te worden verkregen, wordt die procedure zonder gevolg beëindigd indien, binnen de termijn voor het uitbrengen van het advies, door de voorzitter van het comité daartoe wordt besloten of door een eenvoudige meerderheid van de leden van het comité daarom wordt verzocht.
3. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 8 van Verordening (EU) nr. 182/2011, in samenhang met artikel 5 daarvan, van toepassing.
HOOFDSTUK VI
RAPPORTAGE, SANCTIES EN WIJZIGINGEN VAN DE VERORDENINGEN (EU) 2016/2031, (EU) 2017/625 EN (EU) 2018/848
Artikel 77
Verslaglegging
1. Uiterlijk op... [vijf jaar na de datum van toepassing van deze verordening5 years after the date of application of this Regulation], en vervolgens om de vijf jaar, dienen de lidstaten bij de Commissie een verslag in over:
a) de hoeveelheden gecertificeerd en standaard plantaardig teeltmateriaal en de voor de productie ervan gebruikte oppervlakten per jaar en per soort, met vermelding van de hoeveelheden die worden gebruikt voor voor biologische productie geschikte biologische rassen; [Am. 257]
b) de hoeveelheden in de handel gebracht plantaardig teeltmateriaal van heterogeen materiaal en de voor de productie ervan gebruikte oppervlakten per jaar en per soort;
c) de hoeveelheden in de handel gebracht plantaardig teeltmateriaal van instandhoudingsrassen per jaar en per soort;
d) het aantal professionele exploitanten dat gebruikmaakt van de afwijkingen voor verhandeling aan eindgebruikers, overeenkomstig artikel 28, met inbegrip van de betrokken soorten en de totale hoeveelheden plantaardig teeltmateriaal per soort; [Am. 258]
e) het aantal genenbanken, organisatiesinstandhoudingsorganisaties en netwerken met een wettelijke of andere verklaarde doelstelling om plantaardige genetische hulpbronnen in stand te houden, overeenkomstig artikel 29, en de betrokken soorten; [Am. 259]
f) de per soort bepaalde hoeveelheden zaad die in natura tussen landbouwers worden uitgewisseld, overeenkomstig artikel 30; [Am. 260]
g) de hoeveelheden die per soort zijn toegestaan voor plantaardig teeltmateriaal dat bestemd is voor tests en proeven voor het kweken van nieuwe rassen, overeenkomstig artikel 31; [Am. 261]
h) hoeveelheden plantaardig teeltmateriaal per geslacht en per soort waarvoor artikel 33, lid 4, is toegepast;
i) de uit derde landen ingevoerde hoeveelheden plantaardig teeltmateriaal per geslacht en per soort, overeenkomstig artikel 39;
j) de sancties die zijn opgelegd overeenkomstig artikel 78;
k) het aantal op hun grondgebied gevestigde professionele exploitanten.;
k bis) de vooruitgang die is geboekt met de instandhouding en het duurzaam gebruik van plantgenetische bronnen voor voedsel en landbouw, d.w.z. het aantal entiteiten dat heeft gemeld dat zij gebruikmaken van artikel 29 en andere gerelateerde gegevens. [Am. 331]
2. De Commissie specificeert door middel van uitvoeringshandelingen de technische formaten voor de verslaglegging uit hoofde van lid 1. Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 76, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
Artikel 78
Sancties
1. De lidstaten stellen voorschriften vast ten aanzien van de sancties die van toepassing zijn op overtredingen van deze verordening en nemen alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat deze sancties worden uitgevoerd. De sancties moeten doeltreffend, evenredig, preventief en afschrikkend zijn. De lidstaten stellen de Commissie onverwijld van die voorschriften en maatregelen alsook van alle latere wijzigingen daarvan in kennis. [Am. 262]
2. De lidstaten zorgen ervoor dat de financiële sancties die van toepassing zijn op schendingen van deze verordening die zijn begaan door middel van fraude, in overeenstemming met het nationale recht ten minste gelijk zijn aan ofwel het verworven economisch gewin voor de professionele exploitant, ofwel een percentage van de omzet van die professionele exploitant.
Artikel 79
Wijzigingen van Verordening (EU) 2016/2031
In artikel 37 van Verordening (EU) 2016/2031 wordt lid 4 vervangen door:"
“4. De Commissie stelt door middel van een uitvoeringshandeling, waar passend, maatregelen vast om de aanwezigheid van door de EU gereguleerde niet-quarantaineorganismen op de betrokken voor opplant bestemde planten, zoals bedoeld in artikel 36, punt f), te voorkomen. Die maatregelen betreffen, in voorkomend geval, het binnenbrengen in en het verkeer binnen de Unie van die planten.”.
"
Artikel 80
Wijzigingen van Verordening (EU) 2017/625
Verordening (EU) 2017/625 wordt als volgt gewijzigd:
1) aan artikel 1, lid 2, wordt het volgende punt toegevoegd:"
“k) de productie en het in de handel brengen van plantaardig teeltmateriaal.”;
"
2) aan artikel 3 wordt het volgende punt toegevoegd:"
“52) “plantaardig teeltmateriaal”: plantaardig teeltmateriaal zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 1, van Verordening (EU) …/… van het Europees Parlement en de Raad(*)+”.
_________
(*) Verordening (EU) …/… van het Europees Parlement en de Raad ... (PB..., blz....). [footnote that will be in that regulation goes here]
[+ PB: gelieve in de tekst het nummer van deze verordening in te voegen, en in de overeenkomstige voetnoot het nummer, de datum, de titel, de publicatiegegevens daarvan.OJ: Please insert in the text the number of this Regulation and insert the number, date, title and OJ reference of this Regulation in the footnote.]”;
"
3) na artikel 22 wordt het volgende artikel ingevoegd:"
“Artikel 22 bis
Specifieke regels voor officiële controles en voor de acties die de bevoegde autoriteiten ondernemen in verband met plantaardig teeltmateriaal
1. De officiële controles om naleving van de in artikel 1, lid 2, punt k), bedoelde regels te verifiëren omvatten officiële controles op plantaardig teeltmateriaal, en op exploitanten en andere personen die aan deze regels zijn onderworpen.
2. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 144 gedelegeerde handelingen ter aanvulling van deze verordening vast te stellen met regels voor de uitvoering van officiële controles op plantaardig teeltmateriaal, om te verifiëren of de in artikel 1, lid 2, punt k), bedoelde regelgeving van de Unie die op die goederen van toepassing is, wordt nageleefd, en ter uitvoering van de acties die de bevoegde autoriteiten naar aanleiding van de uitvoering van die officiële controles moeten ondernemen.
Die gedelegeerde handelingen bevatten regels betreffende de specifieke voorschriften voor de uitvoering van dergelijke officiële controles met betrekking tot:
a)
de invoer en het in de handel brengen in de Unie van bepaald plantaardig teeltmateriaal dat onderworpen is aan de in artikel 1, lid 2, punt k), bedoelde voorschriften betreffende de identificatie en de kwaliteit ervan, en
b)
specifieke voorschriften voor de uitvoering van dergelijke officiële controles van de activiteiten van exploitanten tijdens de productie van bepaald plantaardig teeltmateriaal waarop de in artikel 1, lid 2, punt k), bedoelde regels van toepassing zijn.
3. De Commissie stelt door middel van uitvoeringshandelingen regels vast betreffende eenvormige praktische regelingen voor de uitvoering van officiële controles op plantaardig teeltmateriaal, teneinde de naleving te verifiëren van de in artikel 1, lid 2, punt k), bedoelde regels van de Unie die op die goederen van toepassing zijn, en ter uitvoering van de acties die de bevoegde autoriteiten naar aanleiding van die officiële controles ondernemen inzake:
a)
eenvormige minimale frequentie van die officiële controles, waarbij een minimumniveau van officiële controles noodzakelijk is teneinde erkende eenvormige risico's van niet-naleving van de regels voor plantaardig teeltmateriaal met een bepaalde oorsprong of herkomst aan te pakken;
b)
eenvormige frequentie van de officiële controles die door de bevoegde autoriteiten worden uitgevoerd op exploitanten die gemachtigd zijn om certificering onder officieel toezicht uit te voeren overeenkomstig artikel 12, lid 1, van Verordening (EU) .../...++.
Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 145, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
_________
++ PB: gelieve in de tekst het nummer van deze verordening in te voegenOJ: Please insert in the text the number of this Regulation.
4. Voor de toepassing van artikel 30 is de delegatie van bepaalde officiële controletaken, zoals bedoeld in dit artikel, aan een of meer natuurlijke personen, toegestaan.”;
"
4) aan artikel 40, lid 1, wordt het volgende punt toegevoegd:"
“c) laboratoria die door de International Seed Testing Association zijn erkend om analyses, tests en diagnoses op zaadmonsters uit te voeren.”;
"
Artikel 81
Wijziging van Verordening (EU) 2018/848
Verordening (EU) 2018/848 wordt als volgt gewijzigd:
1) Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:
a) punt 17 wordt vervangen door:"
“17)“plantaardig teeltmateriaal”: plantaardig teeltmateriaal zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 1, van Verordening (EU) … /… van het Europees Parlement en de Raad (*)+;”;
____________
(*) Verordening (EU) …/… van het Europees Parlement en de Raad ... (PB..., blz....). [footnote that will be in that regulation goes here]
[+ OJ: Please insert in the text the number of this Regulation and insert the number, date, title and OJ reference of this Regulation in the footnote.]”
"
b) punt 18 wordt vervangen door:"
“18)“biologisch heterogeen materiaal”: heterogeen materiaal zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 27, van Verordening (EU).../... (*)++, dat overeenkomstig deze verordening is geproduceerd;”.
____________
(*) Verordening (EU) …/… van het Europees Parlement en de Raad ... (PB..., blz....). [footnote that will be in that regulation goes here]
[++ OJ: Please insert in the text the number of this Regulation.]”
"
2) Artikel 13 wordt geschrapt.
3) Deel I, punt 1.8.4, tweede alinea, van bijlage II bij Verordening (EU) 2018/848 wordt vervangen door: “Alle vermeerderingspraktijken met uitzondering van plantenweefselculturen, celculturen, kiemplasma, meristemen, chimere klonen, microvermeerderd materiaal, moeten onder gecertificeerd biologisch beheer worden uitgevoerd.”. [Am. 263]
HOOFDSTUK VII
SLOTBEPALINGEN
Artikel 82
Intrekkingen
De Richtlijnen 66/401/EEG, 66/402/EEG, 68/193/EEG, 2002/53/EG, 2002/54/EG, 2002/55/EG, 2002/56/EG, 2002/57/EG, 2008/72/EG en 2008/90/EG worden ingetrokken.
Verwijzingen naar de ingetrokken rechtshandelingen gelden als verwijzingen naar deze verordening en worden gelezen volgens de in bijlage VIII opgenomen concordantietabel.
Artikel 83
Inwerkingtreding en toepassing
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Zij is van toepassing met ingang van ... [36 months from the date of the entry into force of this Regulation].
Hierbij geldt evenwel het volgende:
a) artikel 40, lid 4, is met ingang van drie dagen na de inwerkingtreding van deze verordening van toepassing;
b) artikel 52 is van toepassing met ingang van ... [60 months from the date of the entry into force of this Regulation] wat betreftop voorwaarde dat de respectieve onderzoekseisen, methoden en normen voor de beoordeling van de in de delen B en C van bijlage I vermelde soortenartikel 52, lid 1, tweede alinea, punten a) tot en met g ter), genoemde kenmerken bestaan. Zij is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat. [Am. 264]
Gedaan te …,
Voor het Europees Parlement Voor de Raad
De voorzitter De voorzitter
Bijlage I
GESLACHTEN EN SOORTEN, EN HUN RESPECTIEVE GEBRUIKSDOELEINDEN, ZOALS BEDOELD IN ARTIKEL 2
DEEL A
Geslachten en soorten die worden gebruikt voor de productie van andere landbouwgewassen dan groenten
Agrostis canina L.
Agrostis capillaris L.
Agrostis gigantea Roth
Agrostis stolonifera L.
Alopecurus pratensis L.
Arachis hypogaea L.
Arrhenatherum elatius (L.) P. Beauv. ex J. Presl & C. Presl
Avena nuda L.
Avena sativa L. (met inbegrip vanA. byzantina K. Koch)
Avena strigosa Schreb.
Beta vulgaris L. partim
Biserrula pelecinus L.
Brassica juncea (L.) Czern.
Brassica napus L. var. napobrassica (L.) Rchb.
Brassica napus L. var. napus
Brassica nigra (L.) W.D.J. Koch
Brassica oleracea L. convar. acephala (DC.) Alef. var. medullosa Thell. + var. varidis L.
Brassica rapa L. var. silvestris (Lam.) Briggs
Bromus catharticus Vahl
Bromus sitchensis Trin.
Cannabis sativa L.
Carthamus tinctorius L.
Carum carvi L.
Cynodon dactylon (L.) Pers.
Dactylis glomerata L.
Festuca arundinacea Schreber
Festuca filiformis Pourr
Festuca ovina L.
Festuca pratensis Huds.
Festuca rubra L.
Festuca trachyphylla (Hack.) Krajina
Galega orientalis Lam.
Glycine max (L.) Merr. partim
Gossypium spp.
Hedysarum coronarium L.
Helianthus annuus L.
Hordeum vulgare L.
Lathyrus cicera L.
Linum usitatissimum L.
Lolium multiflorum Lam.
Lolium perenne L.
Lolium × hybridum Hausskn
Lotus corniculatus L.
Lupinus albus L.
Lupinus angustifolius L.
Lupinus luteus L.
Medicago doliata Carmign.
Medicago italica (Mill.) Fiori
Medicago littoralis Rohde ex Loisel.
Medicago lupulina L.
Medicago murex Willd.
Medicago polymorpha L.
Medicago rugosa Desr.
Medicago sativa L.
Medicago sativa L. nothosubsp. varia (Martyn) Arcang.
Medicago scutellata (L.) Mill.
Medicago truncatula Gaertn.
Onobrychis viciifolia Scop.
Ornithopus compressus L.
Ornithopus sativus Brot.
Oryza sativa L.
Papaver somniferum L.
Phacelia tanacetifolia Benth.
Phalaris aquatica L.
Phalaris canariensis L.
Phleum nodosum L.
Phleum pratense L.
Pisum sativum L. partim
Plantago lanceolata L.
Poa annua L.
Poa nemoralis L.
Poa palustris L.
Poa pratensis L.
Poa trivialis L.
Raphanus sativus L. var. oleiformis Pers.
Secale cereale L.
Sinapis alba L.
Sorghum bicolor (L.) Moench subsp. bicolor
Sorghum bicolor (L.) Moench subsp. bicolor × Sorghum bicolor (L.) Moench subsp. drummondii (Steud.) de Wet ex Davidse
Sorghum bicolor (L.) Moench subsp. drummondii (Steud.) de Wet ex Davidse
Trifolium alexandrinum L. Berseem
Trifolium fragiferum L.
Trifolium glanduliferum Boiss.
Trifolium hirtum All.
Trifolium hybridum L.
Trifolium incarnatum L.
Trifolium isthmocarpum Brot.
Trifolium michelianum Savi
Trifolium pratense L.
Trifolium repens L.
Trifolium resupinatum L.
Trifolium squarrosum L.
Trifolium subterraneum L.
Trifolium vesiculosum Savi
Trigonella foenum-graecum L.
Trisetum flavescens (L.) P. Beauv.
Triticum aestivum L. subsp. aestivum
Triticum aestivum L. subsp. spelta (L.) Thell.
Triticum turgidum L. subsp. durum (Desf.) van Slageren
Vicia benghalensis L.
Vicia faba L. partim
Vicia pannonica Crantz
Vicia sativa L.
Vicia villosa Roth
×Festulolium Asch. & Graebn
×Triticosecale Wittm. ex A. Camus
Zea mays L. partim
Cicer arietinum
Camelina sativa
Fagopyrum esculentu
Lens culinaris
Triticum monococcum
Chenopodium quinoa
Vicia ervilia
Vicia narbonensis
Tritordeum
Lathyrus sativus
Eragrostis tef
Ceratonia siliqua [Am. 265]
DEEL B
Geslachten en soorten die worden gebruikt voor de productie van groenten
Allium cepa L.
Allium fistulosum L.
Allium porrum L.
Allium sativum L.
Allium schoenoprasum L.
Anthriscus cerefolium (L.) Hoffm.
Apium graveolens L.
Asparagus officinalis L.
Beta vulgaris L. partim
Brassica oleracea L. partim
Brassica rapa L. partim
Capsicum annuum L.
Cichorium endivia L.
Cichorium intybus L.
Citrullus lanatus (Thunb.) Matsum. et Nakai
Cucumis melo L.
Cucumis sativus L.
Cucurbita maxima Duchesne
Cucurbita pepo L.
Cynara cardunculus L.
Daucus carota L.
Foeniculum vulgare Mill.
Lactuca sativa L.
Petroselinum crispum (Mill.) Nyman ex A. W. Hill
Phaseolus coccineus L.
Phaseolus vulgaris L.
Pisum sativum L. partim
Raphanus sativus L. partim
Rheum rhabarbarum L.
Salvia hispanica [Am. 266]
Scorzonera hispanica L.
Solanum lycopersicum L.
Solanum melongena L.
Spinacia oleracea L.
Valerianella locusta (L.) Laterr.
Vicia faba L. partim
Zea mays L. partim
Hybriden die het product zijn van de kruising van de in dit deel bedoelde soorten.
DEEL C
Geslachten en soorten die worden gebruikt voor de productie van fruitgewassen
Castanea sativa Mill.
Citrus L.
Corylus avellana L.
Cydonia oblonga Mill.
Ficus carica L.
Fortunella Swingle
Fragaria L.
Juglans regia L.
Malus Mill.
Olea europaea L.
Pistacia vera L.
Poncirus Raf.
Prunus amygdalus Batsch
Prunus armeniaca L.
Prunus avium (L.) L.
Prunus cerasus L.
Prunus domestica L.
Prunus persica (L.) Batsch
Prunus salicina Lindley
Pyrus L.
Ribes L.
Rubus L.
Vaccinium L.
DEEL D
Geslachten en soorten die worden gebruikt voor de productie van wijnstokken
Vitis L.
DEEL E
Geslachten en soorten die worden gebruikt voor de productie van aardappelen
Solanum tuberosum L.
Bijlage II
VOORSCHRIFTEN VOOR DE PRODUCTIE EN HET IN DE HANDEL BRENGEN VAN PREBASIS-, BASIS- EN GECERTIFICEERD ZAAD EN MATERIAAL, ZOALS BEDOELD IN ARTIKEL 7
DEEL A
VOORSCHRIFTEN VOOR DE PRODUCTIE EN HET IN DE HANDEL BRENGEN VAN PREBASIS-, BASIS- EN GECERTIFICEERD ZAAD VAN LANDBOUW- EN GROENTEGEWASSEN
1. Algemene voorschriften voor de productie van prebasis-, basis- en gecertificeerd zaad
A. Zaaien of planten:
a) het ras van het ingezaaide zaad, in voorkomend geval met inbegrip van moederplanten, moet op een officieel etiket of een door de professionele exploitant afgegeven etiket worden aangegeven, en geregistreerd worden om de traceerbaarheid ervan te waarborgen. Het etiket, of de documentatie over de moederplant, moet door de professionele exploitant worden bewaard tot de afgifte van het officiële etiket van het in de handel gebrachte zaad;
b) de voorvrucht die op het perceel is verbouwd, moet zich verdragen met de productie van zaad van de soort, het ras en de categorie van het betrokken gewas, en het perceel moet voldoende vrij zijn van opslag van de voorvrucht;
c) de moederplanten of het zaad moeten op dusdanige wijze worden geplant en/of gezaaid dat er:
i) voldoende afstand is tot bestuivingsbronnen van dezelfde soort en/of verschillende rassen, van ongewenste vreemdbestuiving, om kruisbestuiving met andere gewassen te voorkomen, indien van toepassing, en
ii) een adequate bestuivingsbron en een adequaat bestuivingsniveau is om vervolgens vermeerdering te waarborgen, indien van toepassing;
d) de kwaliteit van de bodem, substraten, moederplanten en directe omgeving moet worden gecontroleerd om de aanwezigheid van plaagorganismen of vectoren van dergelijke organismen te voorkomen, in overeenstemming met Verordening (EU) 2016/2031;
e) de machines en eventuele apparatuur die worden gebruikt moeten worden geïnspecteerd, en onkruid of zaad van andere soorten of rassen moeten worden verwijderd;
f) in voorkomend geval moet de productie van zaad afzonderlijk plaatsvinden van de teelt van zaad van dezelfde geslachten of soorten die voor de productie van levensmiddelen of diervoeders bestemd zijn, om ervoor te zorgen dat alleen de voorschriften die voor het betrokken plantaardig teeltmateriaal gelden worden nageleefd;
g) in voorkomend geval mag ook in-vitrovermeerdering worden gebruikt voor de reproductie van zaad.
B. Teelt op het veld:
a) er moet voor worden gezorgd dat planten van andere soorten en andere rassen die als rasonzuiverheid voorkomen en die duidelijk verschillen van het ras op een of meer kenmerken van de rasbeschrijving (“afwijkende typen”), op het veld, niet aanwezig zijn. Indien totale afwezigheid van afwijkende typen vanwege de kenmerken van de desbetreffende soort niet mogelijk is, moet de aanwezigheid ervan tot het laagst mogelijke niveau beperkt blijven.
In geval van aanwezigheid van afwijkende typen of andere plantensoorten of rassen tijdens de teeltfase, of tijdens de zaadverwerking, wordt een passende behandeling en/of eliminatie toegepast om de rasechtheid en raszuiverheid van het zaad te waarborgen en de aanwezigheid van ongewenste soorten te voorkomen;
b) planten die gebreken vertonen of in overeenstemming met Verordening (EU) 2016/2031 positief testen op plaagorganismen of visuele symptomen daarvan vertonen, moeten worden behandeld of als bron van plantaardig teeltmateriaal worden uitgesloten;
c) plantaardig teeltmateriaal, in voorkomend geval met inbegrip van moederplanten, moet zodanig in stand worden gehouden dat de rasechtheid wordt gewaarborgd. Instandhouding moet plaatsvinden op basis van de officiële beschrijving of de officieel erkende beschrijving van het ras;
d) de moederplanten moeten in alle productiefasen in stand worden gehouden onder omstandigheden die de productie van zaad en de identificatie op basis van de officiële beschrijving van het ras mogelijk maken;
e) alle gewassen op het veld moeten officieel of onder officieel toezicht worden geïnspecteerd in de groeifase(n), met de frequentie en met de methoden die relevant en passend zijn voor de betrokken soort, om naleving van de respectieve voorschriften te verifiëren. De inspectiemethoden moeten in overeenstemming zijn met de toepasselijke internationale normen. Indien het niet mogelijk is om planten die niet aan de voorschriften voldoen tijdens de groeifase te verwijderen of te scheiden, moet het gehele veld afgeschreven worden voor de zaadproductie, tenzij de ongewenste zaden in een later stadium mechanisch van de rest kunnen worden gescheiden.
C. Tijdens en na de oogst:
a) het zaad moet in bulk dan wel als individuele planten worden geoogst, al naargelang hoe de identiteit en zuiverheid en de juiste traceerbaarheid het best worden gewaarborgd;
b) van elke verzegelde partij moet een zaadmonster worden genomen. De omvang van dat monster, de bemonsteringsintensiteit, en de gebruikte apparatuur en toegepaste methode moeten geschikt zijn voor de betrokken soort en in overeenstemming zijn met de toepasselijke internationale normen;
c) alle zaadmonsters moeten aan laboratoriumtests worden onderworpen om te waarborgen dat aan de kwaliteitsvoorschriften voor de desbetreffende soorten is voldaan. De laboratoriumtests moeten worden uitgevoerd volgens methoden en met apparatuur en groeimedia die passend zijn voor de betrokken soort, en in overeenstemming met de toepasselijke internationale normen. De tests omvatten, in voorkomend geval, het opnieuw testen van de kiemkracht na een bepaalde, voor de betrokken soort passende periode;
d) alle partijen zaad die tot de categorieën prebasis- of basiszaad behoren, of gecertificeerd zaad indien het zaad zal worden gebruikt voor de productie van nieuwe zaadgeneraties en ten minste 5 % van de partijen zaad van een gecertificeerde categorie dat niet meer zal worden vermeerderd, moeten door de exploitant, onder officieel toezicht, worden getest met controlepercelen, om te verifiëren dat ze voldoen aan:
i) de rasechtheid;
ii) de normen voor de minimale raszuiverheid, en
iii) de fytosanitaire voorschriften.
Partijen zaad die tot de prebasis-, basis- of gecertificeerde categorie behoren, moeten worden onderworpen aan risicogebaseerde officiële nacontrole om na te gaan of aan de hiervoor genoemde voorschriften is voldaan. De voor de officiële nacontrole gebruikte monsters moeten officieel worden genomen.
Tests met controlepercelen moeten worden uitgevoerd overeenkomstig de toepasselijke internationale normen.
Er mogen geschikte biomoleculaire methoden worden gebruikt.
2. Voorschriften voor het in de handel brengen van zaad
Het zaad moet voldoen aan alle volgende kwaliteitsvoorschriften, afhankelijk van de kenmerken van elk geslacht of elke soort en de betrokken categorie:
a) het moet een minimale kiemkracht hebben, zodat er na het zaaien voldoende planten per vierkante meter uit groeien en de opbrengst en kwaliteit van de productie aldus worden veiliggesteld;
b) het gehalte aan hardschalige zaden moet aan een maximum gebonden zijn, zodat er voldoende planten per vierkante meter uit groeien;
c) de zuiverheid moet aan een minimum gebonden zijn, om een zo hoog mogelijke mate van rasechtheid te verzekeren;
d) het vochtgehalte moet aan een maximum gebonden zijn, om de instandhouding van het materiaal tijdens de verwerking en opslag en het op de markt aanbieden te waarborgen;
e) het gehalte aan zaad van andere geslachten of soorten moet aan een maximum gebonden zijn, om een zo gering mogelijke aanwezigheid van ongewenste planten in de partij te waarborgen;
f) de groeikracht, afmetingen en specifieke sortering moeten aan minima gebonden zijn, om de geschiktheid van het materiaal en een voldoende homogeniteit van de partij voor het zaaien of planten te waarborgen;
g) de aanwezigheid van aarde of vreemd materiaal moet aan een maximum gebonden zijn, om frauduleuze praktijken en technische onzuiverheden te voorkomen, en
h) het moet vrij zijn van specifieke gebreken en beschadigingen, om de kwaliteit en gezondheid van het materiaal te waarborgen.
DEEL B
VOORSCHRIFTEN VOOR DE PRODUCTIE EN HET IN DE HANDEL BRENGEN VAN PREBASIS-, BASIS- EN GECERTIFICEERD MATERIAAL VAN LANDBOUW-, GROENTE- EN GROENTEFRUITGEWASSEN [Am. 267]
1. Voorschriften voor de productie van prebasis-, basis- en gecertificeerd materiaal
A. Zaaien of planten:
a) de identiteit van het materiaal, in voorkomend geval met inbegrip van de moederplanten of het gezaaide zaad, moet worden vastgesteld aan de hand van een officieel etiket of een door de professionele exploitant afgegeven etiket, en door de professionele exploitant worden geregistreerd om de traceerbaarheid ervan te waarborgen. De professionele exploitant moet na het in de handel brengen van dat materiaal het etiket bewaren, of de gegevens over de moederplant;
b) het materiaal moet op dusdanige wijze worden geplant dat:
i) het prebasismateriaal wordt behouden in voorzieningen die ervoor zorgen dat zij gedurende het gehele productieproces vrij blijven van besmetting via vectoren vanuit de lucht en andere mogelijke bronnen;
ii) er voldoende afstand is tot andere planten van dezelfde geslachten of soorten, bepaald op basis van de botanische kenmerken en teelttechnieken van elke soort en voor zover relevant voor de categorie materiaal, om bescherming tegen ongewenste vreemdbestuiving te waarborgen en kruisbestuiving met andere gewassen te voorkomen, en
iii) de plantdichtheid volstaat om planten individueel te kunnen observeren.
c) in voorkomend geval moeten teeltmateriaal en tot dezelfde geslachten of soorten behorend materiaal dat bestemd is voor gebruik in levensmiddelen of diervoeders, afzonderlijk van elkaar worden geteeld.
B. Teelt op het veld:
a) in alle stadia van de teelt moeten teeltmateriaal en plantgoed gescheiden worden gehouden;
b) plantaardig teeltmateriaal dat aan de voorschriften voor een bepaalde categorie voldoet, mag niet worden gemengd met materiaal van andere categorieën;
c) afwijkende typen en misvormde of beschadigde planten moeten in alle stadia van de teelt worden verwijderd;
d) moederplanten die gebreken vertonen of in overeenstemming met Verordening (EU) 2016/2031 positief testen op plaagorganismen of visuele symptomen daarvan vertonen, moeten worden behandeld of als bron van plantaardig teeltmateriaal worden uitgesloten;
e) moederplanten moeten in alle teeltfasen in stand worden gehouden onder omstandigheden die de productie van plantaardig teeltmateriaal en de identificatie en verificatie van de conformiteit met de officiële beschrijving of de officieel erkende beschrijving van het ras mogelijk maken. In het geval van moederplanten die niet tot een ras behoren, heeft die verificatie van de conformiteit met de officiële beschrijving of de officieel erkende beschrijving betrekking op de soort waartoe die moederplanten behoren;
f) moederplanten moeten in de groeifase(n), met de frequentie en met de methoden die voor de desbetreffende geslachten of soorten relevant zijn, worden geïnspecteerd;
g) het van een partij te nemen monster moet minstens groot genoeg zijn om te kunnen beoordelen of aan de kwaliteitsvoorschriften voor de desbetreffende geslachten of soorten is voldaan. De bemonsteringsintensiteit, de apparatuur en de methode moeten geschikt zijn voor de betrokken geslachten of soorten en in overeenstemming zijn met de toepasselijke internationale normen;
h) de tests moeten worden uitgevoerd volgens de methoden en met apparatuur en groeimedia die passend zijn voor de betrokken geslachten of soorten, en in overeenstemming met de toepasselijke internationale normen, om te waarborgen dat aan de kwaliteitsvoorschriften is voldaan.
C. Tijdens en na de oogst, voor soorten en geslachten die onder deel E van bijlage I (pootaardappelen) vallen:
a) het materiaal moet in bulk dan wel als individuele planten worden geoogst, al naargelang hoe de identiteit, gezondheid en de traceerbaarheid van het oogstmateriaal het best worden gewaarborgd;
b) van elke verzegelde partij moet een knollenmonster worden genomen. De omvang van dat monster, de bemonsteringsintensiteit, en de apparatuur en methode moeten geschikt zijn voor de betrokken soort en in overeenstemming zijn met de toepasselijke internationale normen;
c) alle knollenmonsters moeten aan laboratoriumtests worden onderworpen om te waarborgen dat aan de kwaliteitsvoorschriften voor de desbetreffende soorten wordt voldaan. De laboratoriumtests moeten worden uitgevoerd volgens methoden en met apparatuur en groeimedia die passend zijn voor de betrokken soort, en in overeenstemming met de toepasselijke internationale normen;
d) alle partijen van de prebasis- of basiscategorie en ten minste 5 % van de partijen van een gecertificeerde categorie moeten door de exploitant, onder officieel toezicht van de bevoegde autoriteit, worden gecontroleerd door tests met controlepercelen om na te gaan of wordt voldaan aan:
i) de rasechtheid;
ii) de normen voor de minimale raszuiverheid,
iii) hun kiemkracht;
iv) de fytosanitaire voorschriften.
Partijen die tot de prebasis-, basis- of gecertificeerde categorie behoren, worden onderworpen aan risicogebaseerde officiële nacontrole om na te gaan of aan de hiervoor genoemde voorschriften is voldaan. De voor de officiële nacontrole gebruikte monsters moeten officieel worden genomen.
Tests met controlepercelen moeten worden uitgevoerd overeenkomstig de toepasselijke internationale normen.
Er mogen geschikte biomoleculaire methoden worden gebruikt.
2. Voorschriften voor het in de handel brengen van prebasis-, basis- en gecertificeerd materiaal
Het materiaal moet voldoen aan alle volgende voorschriften, afhankelijk van de kenmerken van elk geslacht of elke soort en de betrokken categorie:
a) de groei- of kiemkracht, afmetingen en, indien van toepassing, specifieke sortering moeten aan minima gebonden zijn, om de geschiktheid van het materiaal en een voldoende homogeniteit van de partij voor het planten te waarborgen;
b) het moet nagenoeg vrij zijn van specifieke gebreken.
DEEL C
VOORSCHRIFTEN VOOR DE PRODUCTIE, REGISTRATIE EN HET IN DE HANDEL BRENGEN VAN GESELECTEERDE KLONEN, MULTIKLONALE MENGSELS EN POLYKLONAAL PLANTAARDIG TEELTMATERIAAL VAN PRE-BASIS-, BASIS- EN GECERTIFICEERD MATERIAAL, ZOALS BEDOELD IN ARTIKEL 9, LID 1 [Am. 268]
1. Voorschriften voor de productie van de prebasis-, basis- en gecertificeerd categorieën van geselecteerde klonen, multiklonale mengsels en polyklonaal plantaardig teeltmateriaal [Am. 269]
A. Planten:
a) de identiteit van de geselecteerde klonen, multiklonale mengsels of het polyklonaal plantaardig teeltmateriaal moet worden vastgesteld aan de hand van een officieel etiket of een door de professionele exploitant afgegeven etiket, en door de professionele exploitant worden geregistreerd om de traceerbaarheid ervan te waarborgen. De professionele exploitant moet na het in de handel brengen van dat plantaardig teeltmateriaal het etiket van het materiaal, of de documentatie over de respectieve moederplanten voor de productie van elke geselecteerde kloon en de respectieve genotypen voor de productie van het polyklonaal teeltmateriaal, bewaren; [Am. 270]
b) het materiaal moet op dusdanige wijze worden geplant dat:
i) er voldoende afstand is tot andere planten van dezelfde geslachten of soorten, bepaald op basis van de botanische kenmerken voor elke soort en voor zover relevant voor de categorie materiaal, om bescherming tegen ongewenste vreemdbestuiving te waarborgen en kruisbestuiving met andere gewassen te voorkomen; [Am. 271]
ii) de plantdichtheid volstaat om elke plant individueel te kunnen observeren..
c) in voorkomend geval moeten teeltmateriaal en tot dezelfde geslachten of soorten behorend materiaal dat bestemd is voor gebruik in levensmiddelen of diervoeders, afzonderlijk van elkaar worden geteeld.
B. Teelt op het veld:
a) in alle stadia van de teelt moeten teeltmateriaal en plantgoed gescheiden worden gehouden;
b) plantaardig teeltmateriaal dat aan de voorschriften voor een bepaalde categorie voldoet, mag niet worden gemengd met materiaal van andere categorieën;
c) afwijkende typen en misvormde of beschadigde planten moeten in alle stadia van de teelt worden verwijderd om de rasechtheid en raszuiverheid te waarborgen, of, in het geval van onderstammen die niet tot een ras behoren, soortechtheid en een efficiënte productie;
d) in geval van gebreken moeten de respectieve moederplanten en de respectieve genotypen worden uitgesloten als bron van plantaardig teeltmateriaal; [Am. 272]
e) de respectieve moederplanten en de respectieve genotypen moeten in alle productiefasen in stand worden gehouden onder omstandigheden die de productie van zaad en de identificatie en verificatie van conformiteit met de officiële beschrijving van het ras mogelijk maken. In het geval van moederplanten die niet tot een ras behoren, heeft die verificatie van de conformiteit met de officiële beschrijving of de officieel erkende beschrijving betrekking op de soort waartoe die moederplanten behoren; [Am. 273]
f) moederplanten moeten in de groeifase(n), met de frequentie en met de methoden die voor de desbetreffende geslachten of soorten relevant zijn, worden geïnspecteerd;
g) het van een partij te nemen monster moet minstens groot genoeg zijn om te kunnen beoordelen of aan de kwaliteitsvoorschriften voor de desbetreffende geslachten of soorten is voldaan. De bemonsteringsintensiteit, de apparatuur en de methode moeten geschikt zijn voor de betrokken geslachten of soorten en in overeenstemming zijn met de toepasselijke internationale normen;
h) de tests moeten worden uitgevoerd volgens de methoden en met apparatuur en groeimedia die passend zijn voor de betrokken geslachten of soorten, en in overeenstemming met de toepasselijke internationale normen, om te waarborgen dat aan de kwaliteitsvoorschriften is voldaan.;
i) in het geval van multiklonale mengsels moet het mengsel van geselecteerde klonen in dat multiklonale mengsel worden gemaakt voordat dat plantaardig teeltmateriaal definitief wordt verpakt, en van alle geselecteerde klonen in dat multiklonale mengsel identieke gehaltes bevatten; [Am. 274]
j) in het geval van polyklonaal plantaardig teeltmateriaal moet het mengsel van genotypen in dat polyklonaal plantaardig teeltmateriaal worden gemaakt voordat dat plantaardig teeltmateriaal definitief wordt verpakt, en van alle genotypen in dat polyklonaal plantaardig teeltmateriaal identieke gehaltes bevatten. [Am. 275]
2. Voorschriften voor de registratie van geselecteerde klonen, multiklonale mengsels en polyklonaal plantaardig teeltmateriaal:
a) de aanvrager dient bij de bevoegde autoriteit een aanvraag in met vermelding van:
i) de soort en, in voorkomend geval, het ras waartoe de geselecteerde kloon, het multiklonale mengsel of polyklonaal teeltmateriaal behoort, waarbij het ras moet zijn geregistreerd in een nationaal rassenregister als bedoeld in artikel 44;
ii) de voorgestelde benaming en synoniemen;
iii) indien van toepassing, een beschrijving van de samenstelling van het multiklonale mengsel of het polyklonale plantaardig teeltmateriaal;
iv) degene die verantwoordelijk is voor de instandhouding van de geselecteerde kloon, het multiklonale mengsel of het polyklonaal plantaardig teeltmateriaal;
v) verwijzing naar de beschrijving van de belangrijkste kenmerken van het ras waartoe de geselecteerde kloon, het multiklonale mengsel of het polyklonaal teeltmateriaal behoort;
vi) beschrijving van de belangrijkste kenmerken van de waarde voor duurzame teelt en duurzaam gebruik van de geselecteerde kloon, het multiklonale mengsel of het polyklonaal plantaardig teeltmateriaal;
vii) de geschatte genetische winst van de geselecteerde kloon, het multiklonale mengsel of het polyklonaal teeltmateriaal in verhouding tot de algehele prestaties van het ras in kwestie;
viii) informatie over of de geselecteerde kloon, het multiklonale mengsel of het polyklonaal teeltmateriaal al dan niet reeds in een register van een andere lidstaat is geregistreerd.
b) de geselecteerde kloon, het multiklonale mengsel of het polyklonaal teeltmateriaal moet, om te kunnen worden geregistreerd, voldoen aan de volgende voorschriften, voor zover van toepassing voor het betrokken type materiaal:
i) het polyklonaal teeltmateriaal moet zijn geselecteerd in één veldproef met een representatief monster van de totale genetische diversiteit van het ras volgens een experimentele opzet op basis van internationaal aanvaarde methoden. In het geval van polyklonaal teeltmateriaal van wijnstokken moet deze opzet gebaseerd zijn op methoden die zijn voorgeschreven door de Internationale Organisatie voor Wijnbouw en Wijnbereiding;
ii) in het geval van teeltmateriaal voor wijnstokken moet het polyklonaal teeltmateriaal uit 7 tot 20 verschillende genotypen bestaan;
iii) de juistheid van de geselecteerde kloon, elke geselecteerde kloon van het multiklonale mengsel, elk genotype van het polyklonaal teeltmateriaal en de identiteit van het ras moeten worden gewaarborgd door observatie van de fenotypische kenmerken en, in voorkomend geval, door moleculaire analyse overeenkomstig internationaal aanvaarde normen.
De bevoegde autoriteit neemt pas een besluit over de registratie nadat zij tot de conclusie is gekomen dat is voldaan aan de punten i) tot en met iii), zoals van toepassing voor het soort materiaal;
c) de in deel B, punt 2, vastgestelde voorschriften voor het in de handel brengen van prebasis-, basis- en gecertificeerd materiaal zijn van overeenkomstige toepassing. [Am. 276]
DEEL D
VOORSCHRIFTEN VOOR DE PRODUCTIE EN HET IN DE HANDEL BRENGEN VAN PREBASIS-, BASIS- EN GECERTIFICEERD ZAAD VAN FRUITGEWASSEN, WIJNSTOKKEN EN POOTAARDAPPELEN [Am. 277]
1. Voorschriften voor de productie van prebasis-, basis- en gecertificeerd zaad van fruitgewassen, wijnstokken en pootaardappelen [Am. 278]
A. Zaaien of planten:
a) de moederplanten en, in voorkomend geval, de bestuivende planten, moeten zodanig worden geplant dat:
i) er voldoende afstand is tot andere planten van dezelfde geslachten of soorten, bepaald op basis van de botanische kenmerken en teelttechnieken en, voor zover relevant voor de categorie materiaal, om bescherming tegen ongewenste vreemdbestuiving te waarborgen en kruisbestuiving met andere gewassen te voorkomen, en
ii) de plantdichtheid volstaat om planten individueel te kunnen observeren.
b) in voorkomend geval moeten teeltmateriaal en tot dezelfde geslachten of soorten behorend materiaal dat bestemd is voor gebruik in levensmiddelen of diervoeders, afzonderlijk van elkaar worden geteeld.
B. Teelt op het veld:
a) in alle stadia van de teelt moeten teeltmateriaal en plantgoed gescheiden worden gehouden;
b) plantaardig teeltmateriaal dat aan de voorschriften voor een bepaalde categorie voldoet, mag niet worden gemengd met materiaal van andere categorieën;
c) de bloeiende moederplant moet worden blootgesteld aan zelfbestuiving of kruisbestuiving met stuifmeel van de omringende bestuivende planten, naargelang het geval voor de betrokken geslachten of soorten;
d) afwijkende typen en misvormde of beschadigde planten moeten in alle stadia van de teelt worden verwijderd om de rasechtheid (of, in het geval van onderstammen die niet tot een ras behoren, de soortechtheid), voldoende zuiverheid en een efficiënte productie te waarborgen;
e) in geval van gebreken moeten moederplanten en bestuivende planten worden uitgesloten als bron van zaad;
f) moederplanten moeten in alle fasen van de teelt in stand worden gehouden, onder omstandigheden die de productie van zaad mogelijk maken. Moederplanten en bestuivende planten moeten in alle productiefasen in stand worden gehouden onder omstandigheden die de identificatie op basis van en verificatie van conformiteit met de officiële beschrijving of de officieel erkende beschrijving van het ras mogelijk maken. In het geval van moederplanten en bestuivende planten die niet tot een ras behoren, heeft die verificatie van conformiteit met van de officiële beschrijving of de officieel erkende beschrijving betrekking op de soort waartoe die moederplanten en bestuivende planten behoren;
g) moederplanten en bestuivende planten moeten in de groeifase(n), met de frequentie en met de methoden die voor de betrokken geslachten of soorten relevant zijn, worden geïnspecteerd;
h) het van een partij te nemen monster moet minstens groot genoeg zijn om te kunnen beoordelen of aan de kwaliteitsvoorschriften voor de desbetreffende geslachten of soorten is voldaan. De bemonsteringsintensiteit, de apparatuur en de methode moeten geschikt zijn voor de betrokken geslachten of soorten en in overeenstemming zijn met de toepasselijke internationale normen;
i) de tests moeten worden uitgevoerd volgens de methoden en met apparatuur en groeimedia die passend zijn voor de betrokken geslachten of soorten, en in overeenstemming met de toepasselijke internationale normen, om te waarborgen dat aan de kwaliteitsvoorschriften is voldaan.
2. Voorschriften voor het in de handel brengen van prebasis-, basis- en gecertificeerd zaad van fruitgewassen, wijnstokken en pootaardappelen
Het zaad moet voldoen aan alle volgende kwaliteitsvoorschriften, afhankelijk van de kenmerken van elk geslacht of elke soort en de betrokken categorie:
a) behoren tot het ras en, in het geval van zaden die niet tot een ras behoren, tot de soort;
b) de groeikracht, afmetingen en, indien van toepassing, specifieke sortering moeten aan minima gebonden zijn, om de geschiktheid van het materiaal en een voldoende homogeniteit van de partij voor het planten te waarborgen, en
c) nagenoeg vrij zijn van specifieke gebreken en beschadigingen, om de kwaliteit van het zaad te waarborgen.
DEEL E
VOORSCHRIFTEN VOOR DE PRODUCTIE EN HET IN DE HANDEL BRENGEN VAN PREBASIS-, BASIS- EN GECERTIFICEERD MATERIAAL DAT DOOR IN-VITROVERMEERDERING IS GEPRODUCEERD
1. Voorschriften voor de productie van prebasis-, basis- en gecertificeerd materiaal dat door in-vitrovermeerdering is geproduceerd
A. In-vitrokweek:
a) de identiteit van het in-vitro- of in-vivomateriaal, naargelang het geval, moet worden bepaald door middel van een etiket en worden geregistreerd om de traceerbaarheid ervan te waarborgen. Het etiket van het materiaal moet worden bewaard;
b) monstermateriaal dat uit in-vivomateriaal afkomstig is, moet worden ontsmet.
B. In-vitroproductie:
a) klonen van het in punt A, a), bedoelde materiaal moeten worden geproduceerd door middel van in-vitrovermeerdering;
b) in alle stadia van de teelt moeten teeltmateriaal en plantgoed gescheiden worden gehouden;
c) klonen die aan de voorschriften voor een bepaalde categorie plantaardig teeltmateriaal voldoen, mogen niet worden gemengd met klonen van andere categorieën;
d) het aantal opeenvolgende vermeerderingscycli van in-vitrovermeerdering moet worden beperkt in overeenstemming met wat passend is voor de betrokken geslachten of soorten;
e) klonen moeten in alle productiefasen in stand worden gehouden onder omstandigheden die de productie van plantaardig teeltmateriaal en de identificatie en verificatie van de conformiteit met de officiële beschrijving of de officieel erkende beschrijving van het ras mogelijk maken. In het geval van klonen die niet tot een ras behoren, heeft die verificatie van de conformiteit met de officiële beschrijving of de officieel erkende beschrijving betrekking op de soort waartoe die klonen behoren;
f) klonen moeten in de groeifase(n), met de frequentie en met de methoden die voor de betrokken geslachten of soorten relevant zijn, worden geïnspecteerd;
g) het van een partij te nemen monster moet minstens groot genoeg zijn om te kunnen beoordelen of aan de kwaliteitsvoorschriften voor de desbetreffende geslachten of soorten is voldaan. De bemonsteringsintensiteit, de apparatuur en de methode moeten geschikt zijn voor de betrokken geslachten of soorten en in overeenstemming zijn met de toepasselijke internationale normen;
h) de tests moeten worden uitgevoerd volgens de methoden en met apparatuur en groeimedia die passend zijn voor de betrokken geslachten of soorten, en in overeenstemming met de toepasselijke internationale normen, om te waarborgen dat aan de kwaliteitsvoorschriften is voldaan.
2. Voorschriften voor het in de handel brengen van prebasis-, basis- en gecertificeerd materiaal dat door in-vitrovermeerdering is geproduceerd
Het in-vitro- of in-vivomateriaal moet voldoen aan alle volgende voorschriften, afhankelijk van de kenmerken van elk geslacht of elke soort en de betrokken categorie:
a) behoren tot het ras en, in het geval van materiaal dat niet tot een ras behoort, tot de soort die is vermeld op het etiket, hetgeen moet worden vastgesteld door:
i) observatie van de fenotypische kenmerken van het onder A, a), bedoelde in-vivomateriaal;
ii) het produceren van in-vivoplanten van het in punt A, a), bedoelde in-vitromateriaal en het observeren van de fenotypische kenmerken van die planten;
iii) het produceren van in-vivoplanten van de in punt B, a), bedoelde klonen en het observeren van de fenotypische kenmerken van die planten, en
iv) in voorkomend geval, moleculaire analyse van het in punt A, a), bedoelde in-vitromateriaal en/of de in punt B, a), bedoelde klonen.
b) de groeikracht, afmetingen en, indien van toepassing, specifieke sortering moeten aan minima gebonden zijn, om de geschiktheid van het materiaal en een voldoende homogeniteit van de partij voor het planten te waarborgen;
c) nagenoeg vrij zijn van specifieke gebreken en beschadigingen.
Bijlage III
VOORSCHRIFTEN VOOR DE PRODUCTIE EN HET IN DE HANDEL BRENGEN VAN STANDAARDZAAD EN -MATERIAAL, ZOALS BEDOELD IN ARTIKEL 8
DEEL A
VOORSCHRIFTEN VOOR DE PRODUCTIE EN HET IN DE HANDEL BRENGEN VAN STANDAARDZAAD VAN LANDBOUW- EN GROENTEGEWASSEN
1. Algemene voorschriften voor de productie van standaardzaad
A. Zaaien of planten:
a) het ras van het gezaaide zaad, in voorkomend geval met inbegrip van moederplanten, moet worden bepaald, zodat dat traceerbaar is. Het etiket van het materiaal, of de documentatie over de moederplant moet ten minste twee jaar worden bewaard;
b) op het perceel mag geen voorvrucht zijn verbouwd die zich niet verdraagt met de productie van zaad van de soort en het ras van het betrokken gewas, en het perceel moet voldoende vrij zijn van opslag van de voorvrucht;
c) de moederplanten of het zaad moeten op dusdanige wijze worden geplant en/of gezaaid dat er:
i) voldoende afstand is tot bestuivingsbronnen van dezelfde soort en/of de verschillende rassen, in overeenstemming met de isolatieregels die op basis van de specifieke botanische kenmerken en de teelttechnieken voor elke soort zijn vastgesteld, om te zorgen voor bescherming tegen ongewenste vreemdbestuiving en om kruisbestuiving met andere gewassen te voorkomen, indien van toepassing, en
ii) een adequate bestuivingsbron en een adequaat bestuivingsniveau is om verdere vermeerdering te waarborgen, indien van toepassing.
d) de kwaliteit van de bodem, substraten, moederplanten en directe omgeving moet worden gecontroleerd om de aanwezigheid van plaagorganismen of vectoren van dergelijke organismen te voorkomen, in overeenstemming met Verordening (EU) 2016/2031;
e) er moet voldoende aandacht worden besteed aan de machines en eventuele apparatuur die wordt gebruikt om te zorgen voor de afwezigheid van onkruid of andere bij laboratoriumtests moeilijk te onderscheiden soorten;
f) in voorkomend geval moet de productie van zaad afzonderlijk plaatsvinden van de teelt van zaad van dezelfde geslachten of soorten die voor de productie van levensmiddelen of diervoeders bestemd zijn, om de gezondheid van het betrokken materiaal te waarborgen;
g) in voorkomend geval mag ook in-vitrovermeerdering worden gebruikt voor de reproductie van zaad.
B. Productie op het veld:
a) er moet voor worden gezorgd dat er in het veld geen afwijkende typen zijn. Indien totale afwezigheid van afwijkende typen vanwege de kenmerken van de desbetreffende soort niet mogelijk is, moet de aanwezigheid ervan tot het laagst mogelijke niveau beperkt blijven.
In geval van aanwezigheid van afwijkende typen of andere plantensoorten of rassen tijdens de teeltfase, of tijdens de zaadverwerking, wordt een passende behandeling en/of eliminatie toegepast om de rasechtheid en raszuiverheid van het zaad te waarborgen en de aanwezigheid van ongewenste soorten te voorkomen;
b) planten die gebreken vertonen of in overeenstemming met Verordening (EU) 2016/2031 positief testen op plaagorganismen of visuele symptomen daarvan vertonen, moeten worden behandeld of als bron van plantaardig teeltmateriaal worden uitgesloten;
c) plantaardig teeltmateriaal, in voorkomend geval met inbegrip van moederplanten, moet zodanig in stand worden gehouden dat de rasechtheid wordt gewaarborgd. Instandhouding moet plaatsvinden op basis van de officiële beschrijving of de officieel erkende beschrijving van het ras;
d) de moederplanten moeten, in voorkomend geval, in alle productiefasen in stand worden gehouden onder omstandigheden die de productie van zaad en de identificatie op basis van de officiële beschrijving van het ras, en verificatie van de conformiteit met die beschrijving, mogelijk maken; [Am. 279]
e) alle gewassen op het veld moeten worden geïnspecteerd in de groeifase(n), met de frequentie en met de methoden die voor de betrokken soort relevant en passend zijn, om naleving van de respectieve voorschriften te verifiëren. De inspectiemethoden moeten zodanig worden vastgesteld dat de betrouwbaarheid van de waarnemingen wordt gewaarborgd. Indien het niet mogelijk is om planten die niet aan de voorschriften voldoen tijdens de groeifase te verwijderen of te scheiden, moet het gehele veld afgeschreven worden voor de zaadproductie, tenzij de ongewenste zaden in een later stadium mechanisch van de rest kunnen worden gescheiden.
C. Tijdens en na de oogst:
a) het zaad moet in bulk dan wel als individuele planten worden geoogst, al naargelang hoe de identiteit en zuiverheid en traceerbaarheid het best worden gewaarborgd;
b) van elke partij moet een zaadmonster worden genomen en in een laboratorium worden getest om te waarborgen dat aan de kwaliteitsvoorschriften voor de desbetreffende soort, met inbegrip van de kiemkracht, wordt voldaan. De tests omvatten, in voorkomend geval, het opnieuw testen van de kiemkracht na een bepaalde, voor de betrokken soort passende periode;
c) partijen zaad moeten aan risicogebaseerde officiële nacontrole worden onderworpen om na te gaan of is voldaan aan de voorschriften betreffende:
i) de rasechtheid;
ii) de normen voor de minimale raszuiverheid;
iii) hun kiemkracht, en
iv) de fytosanitaire voorschriften.
De voor de officiële nacontrole gebruikte monsters moeten officieel worden genomen.
Er mogen geschikte biomoleculaire methoden worden gebruikt.
2. Voorschriften voor het in de handel brengen van standaardzaad
Het zaad moet voldoen aan alle volgende kwaliteitsvereisten, afhankelijk van de kenmerken van elk geslacht of elke soort:
a) het moet ten minste een minimale kiemkracht hebben, zodat er na het zaaien voldoende planten per vierkante meter uit groeien en de opbrengst en kwaliteit van de productie aldus worden veiliggesteld;
b) het gehalte aan hardschalige zaden moet aan een maximum gebonden zijn, zodat er voldoende planten per vierkante meter uit groeien;
c) het moet ten minste een minimale zuiverheid hebben om een zo hoog mogelijke mate van rasechtheid te verzekeren;
d) het vochtgehalte moet aan een maximum gebonden zijn, om de instandhouding van het materiaal tijdens de verwerking en opslag en het op de markt aanbieden te waarborgen;
e) het gehalte aan zaad van andere geslachten of soorten moet aan een maximum gebonden zijn, om een zo gering mogelijke aanwezigheid van ongewenste planten in de partij te waarborgen;
f) de groeikracht, afmetingen en specifieke sortering moeten voldoende zijn om de geschiktheid van het materiaal en een voldoende homogeniteit van de partij voor het zaaien of planten te waarborgen;
g) de aanwezigheid van aarde of vreemd materiaal moet aan een maximum gebonden zijn, om frauduleuze praktijken en technische onzuiverheden te voorkomen, en
h) het moet vrij zijn van specifieke gebreken en beschadigingen, om de kwaliteit en gezondheid van het materiaal te waarborgen.
DEEL B
VOORSCHRIFTEN VOOR DE PRODUCTIE EN HET IN DE HANDEL BRENGEN VAN STANDAARDMATERIAAL VAN LANDBOUW- EN GROENTEGEWASSEN, FRUITGEWASSEN EN WIJNSTOKKEN [Am. 280]
Met uitzondering van punt b), i), is dDeel AB van bijlage IIIIIis van overeenkomstige toepassing op de productie en het in de handel brengen van standaardmateriaalstandaardteeltmateriaal,met inbegrip van instandhoudingsrassen die overeenkomstig artikel 26 in de handel worden gebracht. [Am. 281]
Onderstammen van wijnstokken mogen niet als standaardmateriaal in de handel worden gebracht. [Am. 282]
DEEL C
VOORSCHRIFTEN VOOR DE REGISTRATIE, PRODUCTIE EN HET IN DE HANDEL BRENGEN VAN GESELECTEERDE KLONEN, MULTIKLONALE MENGSELS EN POLYKLONAAL PLANTAARDIG TEELTMATERIAAL VAN STANDAARDMATERIAAL, ZOALS BEDOELD IN ARTIKEL 9, LID 1 [Am. 283]
1. BeplantingOnderstammen van wijnstokken mogen niet als standaardmateriaal in de handel worden gebracht.
Deel C, punt 1, van bijlage II is van overeenkomstige toepassing op het planten van polyklonaal teeltmateriaal. [Am. 284]
2. Teelt op het veld:Deel C van bijlage II is van overeenkomstige toepassing op de registratie, productie en het in de handel brengen van geselecteerde klonen, multiklonale mengsels en polyklonaal teeltmateriaal van standaardmateriaal.
a) in alle stadia van de teelt moeten teeltmateriaal en plantgoed gescheiden worden gehouden;
b) afwijkende typen en misvormde of beschadigde planten moeten in alle stadia van de teelt worden verwijderd om de rasechtheid en raszuiverheid te waarborgen, of, in het geval van onderstammen die niet tot een ras behoren, alsook afwijkende typen en misvormde of beschadigde planten, soortechtheid en een efficiënte productie;
c) in het geval van gebreken moeten de respectieve moederplanten worden uitgesloten als bron van plantaardig teeltmateriaal;
d) de respectieve moederplanten moeten in alle productiefasen in stand worden gehouden onder omstandigheden die de productie van zaad en de identificatie en verificatie van conformiteit met de officiële beschrijving van het ras mogelijk maken;
e) moederplanten moeten in de groeifase(n), met de frequentie en met de methoden die voor de desbetreffende geslachten of soorten relevant zijn, visueel worden geïnspecteerd. [Am. 285]
2 bis. Voorschriften voor het in de handel brengen van polyklonaal plantaardig teeltmateriaal
Het materiaal moet voldoen aan alle volgende voorschriften, afhankelijk van de kenmerken van elk geslacht of elke soort:
a) de groeikracht, afmetingen en, indien van toepassing, specifieke sortering moeten aan minima gebonden zijn, om de geschiktheid van het materiaal en een voldoende homogeniteit van de partij voor het planten te waarborgen;
b) het moet nagenoeg vrij zijn van specifieke gebreken;
c) het mengsel van genotypen in dat polyklonaal plantaardig teeltmateriaal moet worden gemaakt voordat dat plantaardig teeltmateriaal definitief wordt verpakt, en van alle genotypen in dat polyklonaal plantaardig teeltmateriaal identieke gehaltes bevatten; hoewel een zekere tolerantie is toegestaan, mag het gehalte van een genotype nooit meer dan tweemaal zo hoog zijn als het gehalte van het minst frequente genotype. [Am. 286]
DEEL D
VOORSCHRIFTEN VOOR DE PRODUCTIE EN HET IN DE HANDEL BRENGEN VAN STANDAARDZAAD VAN FRUITGEWASSEN, WIJNSTOKKEN EN POOTAARDAPPELEN [Am. 287]
Deel D van bijlage II is van overeenkomstige toepassing op de productie en het in de handel brengen van standaardzaad van fruitgewassen, wijnstokken en pootaardappelen. [Am. 288]
DEEL E
VOORSCHRIFTEN VOOR DE PRODUCTIE EN HET IN DE HANDEL BRENGEN VAN STANDAARDMATERIAAL DAT DOOR IN-VITROVERMEERDERING IS GEPRODUCEERD
Deel E van bijlage II is van overeenkomstige toepassing op de productie en het in de handel brengen van standaardzaad dat door in-vitrovermeerdering is geproduceerd.
Bijlage IV
GESLACHTEN EN SOORTEN DIE ALLEEN GEPRODUCEERD EN IN DE HANDEL GEBRACHT MOGEN WORDEN ALS PREBASIS-, BASIS- OF GECERTIFICEERD ZAAD OF MATERIAAL, OVEREENKOMSTIG ARTIKEL 20, LID 1
DEEL A
GESLACHTEN EN SOORTEN DIE WORDEN GEBRUIKT VOOR DE PRODUCTIE VAN ANDERE LANDBOUWGEWASSEN DAN GROENTEN DIE ALLEEN GEPRODUCEERD EN IN DE HANDEL GEBRACHT MOGEN WORDEN ALS PREBASIS-, BASIS- OF GECERTIFICEERD ZAAD
Agrostis canina L.
Agrostis capillaris L.
Agrostis gigantea Roth.
Agrostis stolonifera L.
Alopecurus pratensis L.
Arachis hypogaea L.
Arrhenatherum elatius (L.) P. Beauv. ex J. Presl & C. Presl.
Avena nuda L.
Avena sativa L.(including A. byzantina K. Koch.)
Avena strigosa Schreb.
Beta vulgaris L.
Brassica juncea (L.) Czern.
Brassica napus L. var. napobrassica (L.) Rchb.
Brassica napus L. var. napus
Brassica nigra (L.) W.D.J. Koch
Brassica oleracea L. convar. acephala (DC.) Alef. var. medullosa Thell. + var. varidis L.
GESLACHTEN EN SOORTEN DIE ALLEEN GEPRODUCEERD EN IN DE HANDEL GEBRACHT MOGEN WORDEN ALS PREBASIS-, BASIS- OF GECERTIFICEERD MATERIAAL
Solanum tuberosum L.
Bijlage IV bis
SOORTEN DIE ALS COMMERCIEEL ZAAD MOGEN WORDEN GEPRODUCEERD EN IN DE HANDEL MOGEN WORDEN GEBRACHT
Arachis hypogaea L.
Biserrula pelecinus
Brassica nigra (L.) W.D.J. Koch
Cynodon dactylon L.
Festuca trachyphylla (Hack.) Krajina
Festuca filiformis Pour
Hedysarum coronarium L.
Lathyrus cicera
Medicago × varia T. Martyn Sand
Medicago doliata Carmingn
Medicago italica (Mill.) Fiori
Medicago littoralis
Medicago murex
Medicago polymorpha
Medicago rugosa
Medicago scutellata
Medicago truncatula
Medicago x varia Martyn Sand
Onobrychis viciifolia Scop
Ornithopus compressus
Ornithopus sativus
Phalaris aquatica L.
Plantago lanceolata
Poa annua
Poa nemoralis
Trifolium fragiferum
Trifolium glanduliferum
Trifolium hirtum
Trifolium isthmocarpum
Trifolium michelianum
Trifolium squarrosum
Trifolium subterraneum
Trifolium vesiculosum
Trigonella foenum-graecum L.
Vicia bengahalensis L.
Vicia pannonica Crantz
xFestulolium Asch. & Graebn [Am. 289]
Bijlage V
VOORSCHRIFTEN VOOR DE PRODUCTIE EN HET IN DE HANDEL BRENGEN VAN INSTANDHOUDINGSMENGSELS, ZOALS BEDOELD IN ARTIKEL 22
1. Regio van oorsprongBrongebied [Am. 290]
De bevoegde autoriteiten kunnen specifieke regio’s van oorsprongbrongebieden voor de instandhoudingsmengsels aanwijzen waarmee de desbetreffende mengsels van nature in verband worden gebracht. Daarbij moeten zij de informatie van voor plantgenetische hulpbronnen bevoegde instanties of daartoe door de lidstaten erkende organisaties in aanmerking nemen. [Am. 291]
Wanneer de regio van oorspronghet brongebied meer dan één lidstaat betreft, moet de regio van oorspronghet brongebied in onderlinge overeenstemming tussen alle betrokken lidstaten worden vastgesteld. [Am. 292]
2. Soorten
De soorten en, in voorkomend geval, ondersoorten die in instandhoudingsmengsels worden gebruikt, moeten:
a) typisch zijn voor het habitattype van de regio van oorspronghet brongebied; [Am. 293]
b) van belang zijn voor het behoud van het natuurlijke milieu in het kader van de instandhouding van genetische hulpbronnen, als bestanddelen van het mengsel;
c) geschikt zijn om bij te dragen tot het herstel van het habitattype van de regio van oorspronghet brongebied. [Am. 294]
Het instandhoudingsmengsel mag niet de soorten Avena fatua, Avena sterilis en Cuscuta spp. bevatten.
Het maximumgehalte aan Rumex spp., met uitzondering van Rumex acetosella, Rumex maritimus, Rumex acetosa, R. thyrsiflorus en R. sanguineusRumex maritimus, mag niet meer bedragen dan 0,05 gewichtspercent. [Am. 295]
3. Toestemming voor professionele exploitanten
Professionele exploitanten moeten toestemming hebben verkregen voordat instandhoudingsmengsels mogen worden geproduceerd.
De professionele exploitant dient een aanvraag in voor de in artikel 22, lid 1, bedoelde toestemming, die alle volgende elementen moet omvatten:
a) naam en adres van de professionele exploitant;
b) de oogstmethode: of het mengsel rechtstreeks zo wordt geoogst of wordt vermeerderd;
c) bestanddelen, als soorten en, indien van toepassing, ondersoorten en rassen, van het instandhoudingsmengsel die kenmerkend zijn voor het habitattype van de regio van oorspronghet brongebied en die als bestanddelen van het mengsel van belang zijn voor het behoud van de natuurlijke omgeving in het kader van de instandhouding van genetische hulpbronnen; [Am. 296]
d) de hoeveelheid van het mengsel waarop de vergunning van toepassing is; [Am. 297]
e) de regio van oorspronghet brongebied van het mengsel; [Am. 298]
f) de verzamellocatie en, in het geval van een vermeerderd instandhoudingsmengsel, ook de vermeerderingslocatie;
g) het habitattype van de regio van oorspronghet brongebied van het mengsel, en [Am. 299]
h) het verzameljaar.
De aanvraag moet vergezeld gaan van de informatie die nodig is om na te gaan of is voldaan aan de voorschriften van lidpunt 4, in het geval van rechtstreeks geoogste instandhoudingsmengsels, of van lidpunt 5, in het geval van vermeerderde instandhoudingsmengsels. [Am. 300]
De bevoegde autoriteiten kunnen een vergunning afgeven met daarin de datum en het toepassingsgebied van de vergunning, afhankelijk van de aanvraag van de exploitant en van de naleving van de voorschriften, en de desbetreffende beperking voor het in de handel brengen in het brongebied.
Professionele exploitanten moeten aanvóór het eindbegin van ieder kalender- of boekjaar, naar gelang van het geval, elk productieseizoen de hoeveelheid zaad in instandhoudingsmengsels, waarvoor de vergunning moet worden verleend, melden, samen met de hoeveelheid zaad in toegestane instandhoudingsmengsels melden aan omvang en de locatie van de beoogde verzamellocatie(s) en de bevoegde autoriteitdatum of data van die verzameling. [Am. 301]
4. Productie van rechtstreeks geoogste instandhoudingsmengsels
Rechtstreeks geoogste instandhoudingsmengsels moeten aan de volgende voorschriften voldoen:
a) een zaadmengsel dat in de regio van oorspronghet brongebied is verzameld (“rechtstreeks geoogst instandhoudingsmengsel”) wordt verzameld op een locatie die in de veertig jaar voorafgaand aan de datum van de vergunning niet is ingezaaid; [Am. 3025]
b) de percentages van de bestanddelen van het rechtstreeks geoogste instandhoudingsmengsel aan soorten en, in voorkomend geval, ondersoorten, moeten toereikend zijn om het habitattype van het brongebied opnieuw te creëren;
c) het maximumgehalte aan soorten en, in voorkomend geval, ondersoorten die niet aan punt b) voldoen, mag niet hoger zijn dan 1 % van het gewicht;
d) de bevoegde autoriteiten kunnen tijdens de groeiperiode met passende tussenpozen, en ook tijdens de verzamelingsactiviteiten, visuele inspecties op de verzamellocatie uitvoeren, om na te gaan of het mengsel aan de voorschriften voor deze instandhoudingsmengsels voldoet. Zij moeten de bevindingen daarvan documenteren;
e) er moeten officiële tests, of tests onder officieel toezicht van de bevoegde autoriteit, worden uitgevoerd om na te gaan of het instandhoudingsmengsel aan de gestelde voorschriften voldoet. Deze tests moeten worden uitgevoerd volgens de gangbare internationale methoden of, indien deze niet bestaan, volgens geschikte methoden;
f) monsters moeten worden afgenomen van homogene partijen en voldoende zijn voor de uitvoering van de in punt e) bedoelde test.
5. Productie van vermeerderde instandhoudingsmengsels
Zaden in instandhoudingsmengsels mogen, door een exploitant die daarvoor toestemming heeft gekregen, ook worden vermeerderd volgens de volgende procedure:
a) zaad van afzonderlijke soorten wordt in de regio van oorspronghet brongebied verzameld, of rechtstreeks geoogste instandhoudingsmengsels worden bij een andere exploitant aangekocht; [Am. 303]
b) het in punt a) bedoelde zaad wordt als enkele soort buiten het brongebied vermeerderd. Vermeerdering mag vijf generaties lang plaatsvinden; [Am. 304]
c) de zaden van die soorten worden vervolgens gemengd om een mengsel te creëren dat bestaat uit die geslachten, soorten en, indien van toepassing, ondersoorten die kenmerkend zijn voor het habitattype van het brongebied;
d) dit mengsel mag ook zaad van in deel A van bijlage I opgenomen soorten omvatten dat conventioneel is geproduceerd, mits het voldoet aan punt c); [Am. 305]
e) het verzamelde zaad in het instandhoudingsmengsel dat wordt vermeerderd, moet in het brongebied zijn verzameld op een verzamellocatie die niet is ingezaaid in de veertig jaar voorafgaand aan de datum van de in punt 3 bedoelde toestemming voor de exploitant;
f) het zaad van het vermeerderde instandhoudingsmengsel is afkomstig van soorten en, indien van toepassing, ondersoorten die kenmerkend zijn voor het habitattype van het brongebied en die als bestanddelen van het mengsel van belang zijn voor het behoud van de natuurlijke omgeving in het kader van de instandhouding van genetische hulpbronnen;
g) de kiemkracht van de bestanddelen, zoals bedoeld in punt f), is voldoende om het habitattype van het brongebied te recreëren;
h) het maximumgehalte aan soorten en, in voorkomend geval, ondersoorten die niet aan punt fg) voldoen, mag niet hoger zijn dan 1 % van het gewicht; [Am. 306]
i) bestanddelen van een vermeerderd instandhoudingsmengsel die zaden zijn van de in deel A van bijlage I vermelde soorten, moeten, alvorens zij in het mengsel worden opgenomen, ten minste voldoen aan de voorschriften voor standaardzaad voor de desbetreffende soort;
j) er worden officiële tests, of tests onder officieel toezicht van de lidstaat, uitgevoerd om na te gaan of het instandhoudingsmengsel aan de gestelde voorschriften voldoet. Deze tests moeten worden uitgevoerd volgens de gangbare internationale methoden of, indien deze niet bestaan, volgens geschikte methoden;
k) monsters moeten worden afgenomen van homogene partijen en voldoende zijn voor de uitvoering van de in punt j) bedoelde test.
Bijlage VI
VOORSCHRIFTEN VOOR DE PRODUCTIE EN HET IN DE HANDEL BRENGEN VAN PLANTAARDIG TEELTMATERIAAL VAN HETEROGEEN MATERIAAL, ZOALS BEDOELD IN ARTIKEL 27, LID 2
A. Kennisgeving van heterogeen materiaal
Plantaardig teeltmateriaal van heterogeen materiaal, zoals bedoeld in artikel 27, lid 2, mag in de handel worden gebracht na kennisgeving van het heterogeen materiaal door de professionele exploitant aan de bevoegde autoriteiten, op basis van een dossier dat het volgende bevat:
a) de contactgegevens van de aanvrager;
b) de soort en benaming van het heterogene materiaal;
c) de beschrijving van het heterogene materiaal, zoals bedoeld in punt B;
d) een verklaring van de aanvrager betreffende de waarachtigheid van de elementen in de punten a), b) en c);
e) een representatief monster.
De kennisgeving wordt aangetekend verzonden, of via enig ander communicatiemiddel dat door de bevoegde autoriteiten wordt aanvaard, met verzoek om een ontvangstbevestiging. Drie maanden na de datum op de ontvangstbevestiging wordt de bevoegde autoriteit geacht kennis te hebben genomen van de kennisgeving en de inhoud ervan, mits er geen aanvullende informatie werd gevraagd of aan de leverancier niet werd meegedeeld dat het dossier werd geweigerd op grond van onvolledigheid van de kennisgeving, en wordt het heterogene materiaal opgenomen in het register van heterogeen materiaal. Dat register is kosteloos voor de officiële exploitant. [Am. 307]
B. Beschrijving van het heterogeen materiaal
1. De beschrijving van heterogeen materiaal moet elk van de volgende elementen omvatten:
a) een beschrijving van de kenmerken, met inbegrip van:
i) de fenotypische karakterisering van de belangrijkste gemeenschappelijke kenmerken van het materiaal, samen met de beschrijving van de heterogeniteit van het materiaal door de karakterisering van de fenotypische diversiteit die waarneembaar is tussen individuele teelteenheden;
ii) documentatie van de relevante kenmerken, met inbegrip van agronomische aspecten, zoals opbrengst, opbrengststabiliteit, geschiktheid voor systemen met lage input, prestaties, weerstand tegen abiotische stress, ziektebestendigheid, kwaliteitsparameters, smaak of kleur;
iii) beschikbare testresultaten met betrekking tot de in punt ii) bedoelde kenmerken.
b) een beschrijving van het soort techniek dat wordt gebruikt voor de teelt- of productiemethode van het heterogene materiaal;
c) een beschrijving van het oudermateriaal dat wordt gebruikt voor het telen of produceren van het heterogene materiaal en het eigen productiecontroleprogramma dat door de betrokken exploitant wordt gebruikt, met een verwijzing naar de praktijken zoals bedoeld in deel B, punt 2, a), en, indien van toepassing, in deel B, punt 2, c);
d) een beschrijving van de beheers- en selectiepraktijken op het bedrijf met een verwijzing naar deel B, punt 2, b), en, indien van toepassing, van het oudermateriaal met een verwijzing naar deel B, punt 2, c);
e) een verwijzing naar het land van teelt of productie, met informatie over het productiejaar en een beschrijving van de bodemklimaatomstandigheden.
2. Het heterogene materiaal kan het resultaat zijn vanmag worden gegenereerd met een van de volgende technieken: [Am. 308]
a) het kruisen van verschillende soorten oudermateriaal, waarbij gebruik wordt gemaakt van kruisingsprotocollen om divers heterogeen materiaal te produceren door de opbrengst samen te voegen, waarbij het plantgoed herhaaldelijk opnieuw wordt ingezaaid en wordt blootgesteld aan natuurlijke en/of menselijke selectie, op voorwaarde dat dit materiaal een hoog niveau van genetische diversiteit vertoont;
b) beheerspraktijken op het bedrijf, met inbegrip van de selectie, ontwikkeling of instandhouding van het materiaal, dat wordt gekenmerkt door een hoog niveau van genetische diversiteit;
c) elke andere techniek die wordt gebruikt voor het kweken of produceren van heterogeen materiaal, rekening houdend met specifieke kenmerken van de vermeerdering.
C. Voorschriften betreffende de identiteit van partijen plantaardig teeltmateriaal van heterogeen materiaal
Plantaardig teeltmateriaal van biologisch heterogeen materiaal is identificeerbaar aan de hand van elk van de volgende elementen:
a) het oorspronkelijke materiaal en de regeling voor de productie die bij de kruising worden gebruikt voor het creëren van het heterogene materiaal, zoals bedoeld in deel B, punt 2, a), of, indien van toepassing, in deel B, punt 2, c), of de geschiedenis van het materiaal en de beheerspraktijken op het bedrijf, waaronder de vraag of de selectie op natuurlijke wijze en/of via menselijk ingrijpen heeft plaatsgevonden, in de gevallen bedoeld in deel B, punt 2, b), en deel B, punt 2, c);
b) het land van teelt of productie; en
c) de karakterisering van de belangrijkste gemeenschappelijke kenmerken en van de fenotypische heterogeniteit van het materiaal.
D. Vereisten inzake de gezondheidskwaliteit, mechanische zuiverheid en kiemkracht van plantaardig teeltmateriaal van heterogeen materiaal
1. Plantaardig teeltmateriaal van heterogeen materiaal moet wat betreft de mechanische zuiverheid en kiemkracht voor zaad enin het geval van zaad voldoen aan de voorschriften inzake de kwaliteitseisen voor ander materiaal voldoen aan voorschriften die gelijk zijnmechanische zuiverheid en kiemkracht, en bij ander materiaal aan die welke zijn vastgesteld voorde kwaliteitsvereisten van de laagste categorie voor de respectieve soorten, met inbegrip van voor de in bijlage IV vermelde soorten vastgestelde voorschriften. [Am. 309]
Planten die gebreken vertonen of in overeenstemming met Verordening (EU) 2016/2031 positief testen op plaagorganismen of visuele symptomen daarvan vertonen, moeten worden behandeld of als bron van plantaardig teeltmateriaal worden uitgesloten.
2. In afwijking van deel D, punt 1, mogen exploitanten plantaardig teeltmateriaal van heterogeen materiaal in de handel brengen dat niet aan de voorwaarden voor kiemkracht voldoet, op voorwaarde dat de exploitant het kiemgetal van het betrokken plantaardig teeltmateriaal op het etiket of rechtstreeks op de verpakking vermeldt.
E. Voorschriften voor de verpakking en etikettering van plantaardig teeltmateriaal van heterogeen materiaal
1. Teeltmateriaal van heterogeen materiaal moet in kleine verpakkingen en in maximale hoeveelheden, zoals bepaald in deel H, worden verpakt. Zij mogen ook in andere verpakkingen of recipiënten worden verpakt, maar alleen als deze zodanig worden gesloten dat zij niet kunnen worden geopend zonder dat op de verpakking of recipiënt zichtbaar blijft dat ermee geknoeid is.
2. De professionele exploitant moet op de verpakkingen of recipiënten met plantaardig teeltmateriaal van heterogeen materiaal een etiket aanbrengen in ten minste een van de officiële talen van de Unie.
Dat etiket:
i) moet leesbaar, op één zijde bedrukt of beschreven, nieuw afgegeven en gemakkelijk zichtbaar zijn;
ii) moet de in deel G van deze bijlage bedoelde informatie bevatten, tenzij die informatie rechtstreeks op de verpakking of de recipiënt is gedrukt of geschreven, en
iii) moet geel zijn met een groen diagonaal kruis.
3. In het geval van kleine, doorzichtige verpakkingen mag het etiket zich in de verpakking bevinden, op voorwaarde dat het duidelijk leesbaar is.
4. In afwijking van deel E, punten 1 en 2, mag plantaardig teeltmateriaal van biologisch heterogeen materiaal dat zich in een gesloten en geëtiketteerde verpakking of container bevindt, in een niet-gemarkeerde en niet-verzegelde verpakking tot aan de in deel H bepaalde maximumhoeveelheden worden verkocht aan eindgebruikers, op voorwaarde dat de koper bij levering desgevraagd schriftelijk in kennis wordt gesteld van de soort en benaming van het heterogene materiaal en het referentienummer van de partij.
F. Instandhouding van heterogeen materiaal
1. Indien instandhouding mogelijk is, moet de professionele exploitant die de bevoegde instanties van het heterogeen materiaal in kennis heeft gesteld, de belangrijkste kenmerken van het materiaal ten tijde van de kennisgeving behouden door het zolang het in de handel blijft in stand te houden.
2. Die instandhouding moet plaatsvinden volgens erkende praktijken die zijn afgestemd op de instandhouding van dergelijk heterogeen materiaal. De voor de instandhouding verantwoordelijke professionele exploitant moet de duur en de inhoud van de instandhouding documenteren.
3. De bevoegde instanties moeten te allen tijde toegang hebben tot alle documentatie die door de voor het materiaal verantwoordelijke professionele exploitant wordt bijgehouden, om de instandhouding ervan te controleren. De professionele exploitant moet die gegevens tot vijf jaar na het moment waarop het heterogeen materiaal niet meer in de handel wordt gebracht bewaren.
G. Op het etiket van de verpakkingen te vermelden informatie
Plantaardig teeltmateriaal van biologisch heterogeen materiaal wordt in de handel gebracht in verpakkingen die moeten zijn voorzien van een etiket met de volgende elementen:
1) de benaming van het heterogeen materiaal, samen met de vermelding “heterogeen materiaal”;
2) de vermelding “EU-regelgeving en -normen”;
3) de naam en het adres dan wel de registratiecode van de exploitant die verantwoordelijk is voor het aanbrengen van het etiket;
4) het land van productie;
5) het referentienummer van de partij, volgens de exploitant die verantwoordelijk is voor het aanbrengen van de etiketten;
6) maand en jaar van sluiting, voorafgegaan door de woorden: “gesloten in”;
7) de soort, aangegeven met ten minste de botanische benaming, eventueel in verkorte vorm en zonder de namen van de auteurs;
8) het opgegeven netto- of brutogewicht of de opgegeven hoeveelheid plantaardig teeltmateriaal, behalve voor kleine verpakkingen;
9) wanneer het gewicht wordt vermeld en omhullingen of andere toevoegingsmiddelen in vaste staat worden gebruikt, de vermelding van de aard van het toevoegingsmiddel, alsmede de verhouding, bij benadering, tussen het gewicht van de zuivere zaden en het totaalgewicht, en
10) de kiemkracht, indien van toepassing.
H. Maximale hoeveelheden plantaardig teeltmateriaal van heterogeen materiaal in kleine verpakkingen
Soorten
Maximale netto-massa (kg)
Groenvoedergewassen
10 [Am. 310]
Bieten
10
Granen
30
Oliehoudende planten en vezelgewassen
10
Aardappel
30
Groenten:
Peulvruchten
5
Uien, kervel, asperges, snijbiet, rode bieten, mei- en herfstrapen, watermeloen, reuzenpompoen, pompoenen, wortelen, radijs, schorseneren, spinazie en veldsla
0,5
Alle andere groentegewassen
0,1
Bijlage VII
INHOUD VAN DE NATIONALE EN EU-RASSENREGISTERS, ZOALS BEDOELD IN ARTIKEL 46
De nationale rassenregisters en het EU-rassenregister moeten alle volgende elementen bevatten:
(a) de naam van het geslacht of de soort waartoe het ras behoort;
(b) de benaming van het ras en, voor rassen die vóór de inwerkingtreding van deze verordening in de handel zijn gebracht, in voorkomend geval, andere alternatieve benamingen die voor dat ras worden gebruikt;
(c) de naam en in voorkomend geval het referentienummer van de aanvrager;
(d) de datum van registratie van het ras en in voorkomend geval van de verlenging van de registratie;
(e) de datum waarop de geldigheid van de registratie verloopt;
(f) een verwijzing naar de link naar het dossier, waarin de officiële beschrijving van het ras of, indien van toepassing, de officieel erkende beschrijving van het ras kan worden gevonden;
(g) in het geval van instandhoudingsrassen,rassen met een officieel erkende beschrijving en, waar van toepassing, een vermelding van de regio of regio’s waar het ras van oudshervanouds is geteeld en, inwaaraan het geval van nieuw gekweekte instandhoudingsrassen, waar het zich aanzich op natuurlijke wijze heeft aangepast (de plaatselijke teeltomstandigheden heeft aangepastregio of regio’s van oorsprong); [Am. 311]
(h) de naam van de persoon die voor de instandhouding van het ras verantwoordelijk is;
(i) de namen van de lidstaten die de desbetreffende nationale rassenregisters hebben ingesteld;
(j) de referentie waaronder het ras in die nationale rassenregisters is geregistreerd;
(k) indien van toepassing, de vermelding dat het ras een “voor biologische productie geschikt biologisch ras” is;
(l) indien van toepassing, de vermelding dat het ras geheel of gedeeltelijk uit een genetisch gemodificeerd organisme bestaat;
(m) indien van toepassing, de vermelding dat het ras een kruisingspartner van een ander geregistreerd ras is;
(n) indien van toepassing, de vermelding dat het plantaardig teeltmateriaal dat tot het ras behoort, alleen in de vorm van onderstammen geproduceerd en in de handel gebracht wordt;
(o) indien van toepassing, een verwijzing naar de link naar het dossier waar de resultaten van de onderzoeken naar waarde voor duurzame teelt en duurzaam gebruik, als bedoeld in artikel 52, kunnen worden gevonden;
(p) indien van toepassing, een vermelding van de reproductiemethode voor het ras, met inbegrip van informatie over of het een hybride of een kunstmatig verkregen ras betreft;
(q) indien van toepassing, de vermelding dat het ras geheel of gedeeltelijk bestaat uit een NGT-plant van categorie 1 zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 7, van Verordening (EU) .../... [PB: gelieve de verwijzing naar NGT-verordening ... in te voegenOffice of Publications, please insert reference to NGT Regulation] en de in artikel 9, lid 1, punt e), van [NGT-proposal] bedoelde identificatienummers die zijn toegekend aan NGT-planten van categorie 1 waaruit het verkregen is;
(r) indien van toepassing, de vermelding dat het ras geheel of gedeeltelijk bestaat uit een NGT-plant van categorie 2 zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 8, van Verordening (EU) .../... (PB: gelieve de verwijzing naar NGT-verordening ... in te voegenOffice of Publications, please insert reference to NGT Regulation...);
(s) indien van toepassing, vermelding dat het ras herbicidetolerant is en vermelding van de toepasselijke teeltvoorwaarden;
(t) indien van toepassing, vermelding dat het ras bepaalde andere kenmerken heeft die tot ongewenste agronomische effecten kunnen leidendan die bedoeld in punt s), en vermelding van de toepasselijke teeltvoorwaarden;. [Am. 312]
(t bis) indien van toepassing, de respectieve intellectuele-eigendomsrechten die rusten op het ras en de bestanddelen, de eigenschappen of het ontwikkelingsproces daarvan, met inbegrip van, indien van toepassing en passend, het aantal betreffende verleende of aangevraagde octrooien die de bevoegde autoriteit moet verstrekken en bijwerken; [Am. 313]
(t ter) indien van toepassing, een beschrijving van de kweektechnieken die voor de ontwikkeling van het ras zijn toegepast. [Am. 314]
Bijlage VII bis
MAXIMALE HOEVEELHEDEN VOOR DYNAMISCHE INSTANDHOUDING
De hoeveelheid geldt per natuurlijke of rechtspersoon, jaar en ras/accessie/ecotype/plantgenetische hulpbron.
Soorten
Maximale nettomassa (kg)
Groenvoedergewassen
20
Bieten
20
Granen
200
Oliehoudende planten en vezelgewassen
20
Aardappel
1 000
Groenten:
Peulvruchten
75
Uien, kervel, asperges, snijbiet, rode bieten, mei- en herfstrapen, watermeloen, reuzenpompoen, pompoenen, wortelen, radijs, schorseneren, spinazie en veldsla
1
Zaad van alle andere groenten
0,5
Vegetatief geteelde groenten
500 planten
Teeltmateriaal van fruitgewassen en wijnstokken
150 stammen
[Am. 315]
Bijlage VIII
CONCORDANTIETABELLEN
Richtlijn 66/401/EEG van de Raad
Deze verordening
Artikel 1
Artikel 1
Artikel 1 bis
Artikel 2, artikel 3
Artikel 2, lid 1, A.
Artikel 2, artikel 3, artikel 7
Artikel 2, lid 1, B.1
Artikel 3, artikel 7
Artikel 2, lid 1, C.
Artikel 3, artikel 7
Artikel 2, lid 1, D.
-
Artikel 2, lid 1, E.
Artikel 3
Artikel 2, lid 1, F.
-
Artikel 2, lid 1, G.
-
Artikel 2, lid 1, punt a)
Artikel 2
Artikel 2, lid 1, punt b)
Artikel 7
Artikel 2, lid 1, punt d)
Artikel 36
Artikel 2, lid 2
Artikel 83
Artikel 2, lid 3, A.
Artikel 10
Artikel 2, lid 3, B.
Artikel 10
Artikel 2, lid 4
Artikel 10
Artikel 3, lid 1
Artikel 20
Artikel 3, lid 1, punt a)
-
Artikel 3, lid 2
-
Artikel 3, lid 3
Artikel 20
Artikel 3, lid 4
Artikel 7
Artikel 3 bis
Artikel 7, artikel 35
Artikel 4
Artikel 34
Artikel 4 bis
Artikel 31, artikel 32
Artikel 5
-
Artikel 5 bis
-
Artikel 6
Artikel 63
Artikel 7, lid 1
Artikel 7
Artikel 7, lid 1 bis
Artikel 10, artikel 12
Artikel 7, lid 1 ter
Artikel 10, artikel 12
Artikel 7, lid 2
Artikel 7
Artikel 8, lid 1
Artikel 14
Artikel 8, lid 2
-
Artikel 9, lid 1
Artikel 14
Artikel 9, lid 2
Artikel 23
Artikel 9, lid 3
-
Artikel 10, lid 1, punt a)
Artikel 15
Artikel 10 bis
Artikel 15
Artikel 10 ter
Artikel 15
Artikel 10 quater
Artikel 15
Artikel 10 quinquies
Artikel 14
Artikel 11
Artikel 15
Artikel 11 bis
Artikel 17
Artikel 12
Artikel 12
Artikel 13
Artikel 21, artikel 22
Artikel 13 bis
Artikel 38
Artikel 14
Artikel 36
Artikel 14 bis
Artikel 7, artikel 15
Artikel 15, lid 1
Artikel 35, artikel 39
Artikel 15, lid 2
Artikel 35
Artikel 15, lid 3
Artikel 35, artikel 39
Artikel 16
Artikel 39
Artikel 17
Artikel 33
Artikel 18
Artikel 2
Artikel 19, lid 1
Artikel 24
Artikel 19, lid 2
Artikel 40
Artikel 20
Artikel 24
Artikel 21
Artikel 76
Artikel 21 bis
Artikel 7
Artikel 22
-
Artikel 22 bis
Artikel 7, artikel 26, artikel 22
Artikel 23
Artikel 83
Artikel 23 bis
-
Artikel 24
-
Bijlage I
Artikel 7
Bijlage II
Artikel 7
Bijlage III
Artikel 7, artikel 13
Bijlage IV
Artikel 17
Bijlage V
Artikel 35
Richtlijn 66/402/EEG van de Raad
Deze verordening
Artikel 1
Artikel 1
Artikel 1 bis
Artikel 2
Artikel 2, lid 1, A.
Artikel 2
Artikel 2, lid 1, B.
Artikel 3, artikel 7
Artikel 2, lid 1, C.
Artikel 3, artikel 7
Artikel 2, lid 1, C bis.
Artikel 3, artikel 7
Artikel 2, lid 1, C.
Artikel 3, artikel 7
Artikel 2, lid 1, D.
Artikel 3, artikel 7
Artikel 2, lid 1, E.
Artikel 3, artikel 7
Artikel 2, lid 1, F.
Artikel 3, artikel 7
Artikel 2, lid 1, H.
Artikel 3, artikel 10
Artikel 2, lid 1, punt a)
Artikel 2
Artikel 2, lid 1, punt b)
Artikel 7
Artikel 2, lid 1, punt c)
Artikel 7
Artikel 2, lid 1, punt e)
-
Artikel 2, lid 2
-
Artikel 2, lid 3
Artikel 10
Artikel 2, lid 4
Artikel 10
Artikel 3
Artikel 20, artikel 7
Artikel 3 bis
Artikel 7, artikel 35
Artikel 4
Artikel 34
Artikel 4 bis
Artikel 31, artikel 32
Artikel 5
-
Artikel 5 bis
-
Artikel 6
Artikel 63
Artikel 7, lid 1
Artikel 7
Artikel 7, lid 1 bis
Artikel 10, artikel 12
Artikel 7, lid 1 ter
Artikel 10, artikel 12
Artikel 7, lid 2
Artikel 7
Artikel 8, lid 1
Artikel 14
Artikel 8, lid 2
-
Artikel 9, lid 1
Artikel 14
Artikel 9, lid 2
Artikel 23
Artikel 9, lid 3
-
Artikel 10, lid 1, punt a)
Artikel 15
Artikel 10, lid 1, punt b)
-
Artikel 10, lid 2
Artikel 14
Artikel 10, lid 3
-
Artikel 10 bis
Artikel 14
Artikel 11
Artikel 15
Artikel 11 bis
Artikel 15
Artikel 12
Artikel 17
Artikel 13
Artikel 21
Artikel 13 bis
Artikel 38
Artikel 14
Artikel 36
Artikel 14 bis
Artikel 7, artikel 15
Artikel 15, lid 1
Artikel 35, artikel 39
Artikel 15, lid 2
Artikel 35
Artikel 15, lid 3
Artikel 35, artikel 39
Artikel 16
Artikel 39
Artikel 17
Artikel 33
Artikel 18
Artikel 2
Artikel 19, lid 1
Artikel 24
Artikel 19, lid 2
Artikel 40
Artikel 20
Artikel 24
Artikel 21
Artikel 76
Artikel 21 bis
Artikel 7
Artikel 21 ter
Artikel 7
Artikel 22
-
Artikel 22 bis
Artikel 7
Artikel 23
Artikel 83
Artikel 23 bis
-
Artikel 24
-
Bijlage I
Artikel 7
Bijlage II
Artikel 7
Bijlage III
Artikel 7
Bijlage IV
Artikel 17
Bijlage V
Artikel 35
Richtlijn 68/193/EEG van de Raad
Deze verordening
Artikel 1
Artikel 1
Artikel 2
Artikel 3
Artikel 2, lid 1, A.
-
Artikel 2, lid 1, B.
-
Artikel 2, lid 1, C.
-
Artikel 2, lid 1, D.
Artikel 7
Artikel 2, lid 1, E.
Artikel 7
Artikel 2, lid 1, F.
Artikel 7
Artikel 2, lid 1, G.
Artikel 8
Artikel 2, lid 1, H.
-
Artikel 2, lid 1, punt I
Artikel 3, punt 3)
Artikel 2, lid 2
-
Artikel 3, lid 1
Artikel 7, artikel 8
Artikel 3, lid 2
-
Artikel 3, lid 3
Artikel 2
Artikel 3, lid 4
Artikel 7, leden 3 en 4, bijlage II, deel E, bijlage III, deel E
Artikel 3, lid 5
Artikel 7, lid 4, artikel 8, lid 5
Artikel 4
Artikel 36
Artikel 5
Artikel 44
Artikel 5 bis
Artikel 47, lid 1
Artikel 5 ter, lid 1
Artikel 48
Artikel 5 ter, lid 2
Artikel 50
Artikel 5 ter, lid 3
Artikel 49
Artikel 5 ter bis, lid 1
-
Artikel 5 ter bis, lid 2
-
Artikel 5 ter bis, lid 3
Artikel 47, lid 1
Artikel 5 quater
Artikel 47, lid 4
Artikel 5 quinquies
Artikel 47, lid 1
Artikel 5 sexies
Artikel 71, lid 1
Artikel 5 septies
Artikel 47, lid 1, bijlage VII
Artikel 5 octies
Artikel 72
Artikel 7
Artikel 14
Artikel 8, lid 1
Artikel 13
Artikel 8, lid 2
Artikel 28
Artikel 9
Artikel 14
Artikel 10
Artikel 15
Artikel 10 bis
Artikel 17
Artikel 11, lid 1
Artikel 80
Artikel 11, lid 2
Artikel 40
Artikel 12
-
Artikel 12 bis
-
Artikel 13
Artikel 7, lid 2
Artikel 14
Artikel 33
Artikel 14 bis
Artikel 38
Artikel 15, lid 1
Artikel 2
Artikel 15, lid 2
Artikel 39
Artikel 16
Artikel 38
Artikel 16 bis
Artikel 7, lid 4, artikel 8, lid 5
Artikel 16 ter
Artikel 7, lid 4, artikel 8, lid 5
Artikel 17
Artikel 76
Artikel 17 bis
Artikel 7, leden 3 en 4, artikel 8, leden 4 en 5
Artikel 18
-
Artikel 18 bis
-
Artikel 18 ter
-
Artikel 19
-
Artikel 20
Artikel 83
Bijlage I
Artikel 7, lid 4, artikel 8, lid 5
Bijlage II
Artikel 7, lid 4, artikel 8, lid 5
Bijlage III
Artikel 14, lid 6
Bijlage IV
Artikel 17
Richtlijn 2002/53/EG van de Raad
Deze verordening
Artikel 1, lid 1
Artikel 1
Artikel 1, lid 2
Artikel 44, lid 3, artikel 45
Artikel 1, lid 3
Artikel 2, lid 4
Artikel 2
-
Artikel 3, lid 1
Artikel 44, lid 1
Artikel 3, lid 2
Artikel 44, lid 4
Artikel 3, lid 3
Artikel 44, lid 2
Artikel 4, lid 1
Artikel 47, lid 1
Artikel 4, lid 2
Artikel 44, lid 4
Artikel 5, lid 1
Artikel 47, lid 1, artikel 48
Artikel 5, lid 2
Artikel 50
Artikel 5, lid 3
Artikel 49
Artikel 5, lid 4
Artikel 52
Artikel 6
Artikel 44, lid 2
Artikel 7, lid 1
Artikel 59
Artikel 7, lid 2
-
Artikel 7, lid 3
Artikel 63
Artikel 7, lid 4
Artikel 47, lid 1
Artikel 7, lid 5
-
Artikel 8
-
Artikel 9, lid 1
Artikel 44, artikel 46, bijlage VII
Artikel 9, leden 2 en 3
Artikel 47, lid 1, punt b), artikel 54
Artikel 9, lid 4
Artikel 47, lid 1, punt a), bijlage VII
Artikel 9, lid 5
Artikel 46, bijlage VII
Artikel 10
Artikel 44, lid 3, artikel 45, artikel 46, lid 1, bijlage VII
Artikel 11
Artikel 72
Artikel 12, lid 1
Artikel 69, lid 1
Artikel 12, lid 2
Artikel 69, lid 2
Artikel 13
-
Artikel 14
Artikel 71
Artikel 15
Artikel 71
Artikel 16, lid 1
Artikel 44, lid 2
Artikel 16, lid 2
Artikel 47, lid 1, punten f) en g)
Artikel 17
Artikel 45
Artikel 18
Artikel 37
Artikel 19
-
Artikel 20, lid 1
Artikel 47, lid 4
Artikel 20, leden 2 en 3
Artikel 26
Artikel 21
-
Artikel 22
Artikel 39
Artikel 23
Artikel 76
Artikel 24
-
Artikel 25
-
Artikel 26
-
Artikel 27
Artikel 83
Artikel 28
Artikel 83
Richtlijn 2002/54/EG van de Raad
Deze verordening
Artikel 1
Artikel 1
Artikel 1, lid 2
Artikel 2, lid 4
Artikel 2
Artikel 3, artikel 7, lid 4
Artikel 3, lid 2
Artikel 6
Artikel 3, lid 2
Artikel 80
Artikel 4
Artikel 6, artikel 7, lid 4
Artikel 5
Artikel 34, artikel 35
Artikel 6
Artikel 2, lid 4
Artikel 7
Artikel 36
Artikel 8
Artikel 63
Artikel 9, lid 1
Artikel 24, artikel 25
Artikel 9, lid 2
Artikel 13, lid 5
Artikel 10, lid 1
Artikel 13, artikel 14
Artikel 10, lid 2
Artikel 28
Artikel 11
Artikel 14
Artikel 12
Artikel 15, artikel 17, lid 4
Artikel 13
Artikel 14
Artikel 14, lid 1
Artikel 28
Artikel 14, lid 2
Artikel 17, lid 4
Artikel 15
Artikel 13, artikel 14, artikel 23
Artikel 16
Artikel 18
Artikel 17
Artikel 15, artikel 17, lid 3
Artikel 18
Artikel 15, artikel 17
Artikel 19
Artikel 38
Artikel 20
-
Artikel 21, lid 1
Artikel 7, leden 1 en 3, artikel 15, bijlage II
Artikel 21, lid 2
Artikel 15, artikel 17, lid 4
Artikel 21, lid 3
Artikel 39
Artikel 22, lid 1
Artikel 6, artikel 7, lid 4
Artikel 22, lid 2
Artikel 35
Artikel 23, lid 1
Artikel 39
Artikel 23, lid 2
-
Artikel 24
Artikel 33
Artikel 25, lid 1
Artikel 80
Artikel 25, lid 2
Artikel 39
Artikel 26
-
Artikel 27
Artikel 7, lid 3
Artikel 28
Artikel 76
Artikel 29
-
Artikel 30
Artikel 7, lid 4
Artikel 30 bis
-
Artikel 31
-
Artikel 32
-
Artikel 33
-
Artikel 34
Artikel 83
Artikel 35
Artikel 83
Bijlage I
Artikel 17, lid 4
Bijlage II
Artikel 13, lid 5
Bijlage III
Artikel 17, lid 4
Bijlage IV
Artikel 17, lid 4, punt m), artikel 35
Bijlage V
-
Bijlage VI
-
Richtlijn 2002/55/EG van de Raad
Deze verordening
Artikel 1
Artikel 1
Artikel 2
Artikel 2, lid 1, artikel 3, artikel 7, lid 4, artikel 8, lid 5
Artikel 3, lid 1
Artikel 5
Artikel 3, lid 2
Artikel 44
Artikel 3, lid 3
Artikel 45
Artikel 3, lid 4
Artikel 44, lid 2
Artikel 4, lid 1
Artikel 47, lid 1, punt a)
Artikel 4, lid 2
Artikel 47, lid 1, punt c)
Artikel 4, lid 3
-
Artikel 4, lid 4
Artikel 26
Artikel 5, lid 1
Artikel 48
Artikel 5, lid 2
Artikel 50
Artikel 5, lid 3
Artikel 49
Artikel 6
Artikel 44, lid 2
Artikel 7, leden 1 en 2
Artikel 59
Artikel 7, lid 3
Artikel 63
Artikel 7, lid 4
Artikel 47, lid 1, punt c)
Artikel 8
Artikel 56
Artikel 9, lid 1
Artikel 44, artikel 72
Artikel 9, lid 2
Artikel 47, lid 1, punt b), artikel 54
Artikel 10
Artikel 44, lid 3, bijlage VII
Artikel 11
Artikel 72
Artikel 12, lid 1
Artikel 69
Artikel 12, lid 2
Artikel 70
Artikel 13
-
Artikel 14
Artikel 71
Artikel 15
Artikel 71
Artikel 16, lid 1
Artikel 44, lid 2
Artikel 16, lid 2
Artikel 47, lid 1, punten f) en g)
Artikel 17
Artikel 45
Artikel 18
Artikel 37
Artikel 19
Artikel 44, lid 2
Artikel 20
Artikel 20
Artikel 21
Artikel 2, lid 4, artikel 6, artikel 7, lid 4
Artikel 22
Artikel 34, artikel 35
Artikel 23, lid 1
Artikel 2, lid 4
Artikel 23, lid 2
-
Artikel 24
Artikel 36
Artikel 25
Artikel 7, lid 4, artikel 8, lid 5, artikel 24, artikel 25
Artikel 26
Artikel 13
Artikel 27
Artikel 14
Artikel 28
Artikel 15, artikel 16, artikel 17, lid 4
Artikel 29
Artikel 14, artikel 28
Artikel 30
Artikel 14, artikel 28
Artikel 31
Artikel 17, lid 3
Artikel 32
Artikel 17, lid 4
Artikel 33
Artikel 38
Artikel 34
-
Artikel 35
Artikel 7, lid 4
Artikel 36, lid 1
Artikel 6, artikel 7
Artikel 36, lid 2
Artikel 15, artikel 17
Artikel 36, lid 3
Artikel 39
Artikel 37
Artikel 39
Artikel 38
Artikel 33
Artikel 39, lid 1
Artikel 80
Artikel 39, lid 2
Artikel 39
Artikel 40
Artikel 24, artikel 25
Artikel 41
Artikel 8, lid 5
Artikel 42
Artikel 19
Artikel 43
-
Artikel 44, lid 1
-
Artikel 44, lid 2
Artikel 26
Artikel 45
Artikel 2, lid 2, artikel 7, lid 3, artikel 8, lid 4
Richtlijn 66/401/EEG van de Raad van 14 juni 1966 betreffende het in de handel brengen van zaaizaad van groenvoedergewassen (PB 125 van 11.7.1966, blz. 2298).
Richtlijn 68/193/EEG van de Raad van 9 april 1968 betreffende het in de handel brengen van vegetatief teeltmateriaal voor wijnstokken (PB L 93 van 17.4.1968, blz. 15).
Richtlijn 2002/57/EG van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het in de handel brengen van zaaizaad van oliehoudende planten en vezelgewassen (PB L 193 van 20.7.2002, blz. 74).
Richtlijn 2008/72/EG van de Raad van 15 juli 2008 betreffende het in de handel brengen van teeltmateriaal en plantgoed van groentegewassen, met uitzondering van zaad (PB L 205 van 1.8.2008, blz. 28).
Richtlijn 2008/90/EG van de Raad van 29 september 2008 betreffende het in de handel brengen van teeltmateriaal van fruitgewassen, alsmede van fruitgewassen die voor de fruitteelt worden gebruikt (PB L 267 van 28.10.2008, blz. 8).
Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s — Een “van boer tot bord”-strategie voor een eerlijk, gezond en milieuvriendelijk voedselsysteem, COM(2020) 381 final.
+PB: gelieve in de tekst het nummer van de verordening in document (...(COD)) in te voegen, en in de overeenkomstige voetnoot het nummer, de datum, de titel, de publicatiegegevens daarvan.
Richtlijn 98/56/EG van de Raad van 20 juli 1998 betreffende het in de handel brengen van teeltmateriaal van siergewassen (PB L 226 van 13.8.1998, blz. 16).
Decision Revising the OECD Schemes for the Varietal Certification or the Control of Seed Moving in International Trade [OECD/LEGAL/0308] (OESO-programma’s voor zaaizaad).
Besluit 2004/869/EG van de Raad van 24 februari 2004 betreffende de sluiting namens de Europese Gemeenschap van het Internationaal Verdrag inzake plantgenetische hulpbronnen voor voeding en landbouw (PB L 378 van 23.12.2004, blz. 1).
+PB: gelieve in de tekst het nummer van de richtlijn in document (...(COD)) in te voegen, en in de overeenkomstige voetnoot het nummer, de datum, de titel, de publicatiegegevens en de ELI-referentie daarvan.
Verordening (EU) 2016/2031 van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen plaagorganismen bij planten, tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 228/2013, (EU) nr. 652/2014 en (EU) nr. 1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van de Richtlijnen 69/464/EEG, 74/647/EEG, 93/85/EEG, 98/57/EG, 2000/29/EG, 2006/91/EG en 2007/33/EG van de Raad (PB L 317 van 23.11.2016, blz. 4).
Verordening (EU) 2017/625 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2017 betreffende officiële controles en andere officiële activiteiten die worden uitgevoerd om de toepassing van de levensmiddelen- en diervoederwetgeving en van de voorschriften inzake diergezondheid, dierenwelzijn, plantgezondheid en gewasbeschermingsmiddelen te waarborgen, tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 999/2001, (EG) nr. 396/2005, (EG) nr. 1069/2009, (EG) nr. 1107/2009, (EU) nr. 1151/2012, (EU) nr. 652/2014, (EU) 2016/429 en (EU) 2016/2031 van het Europees Parlement en de Raad, de Verordeningen (EG) nr. 1/2005 en (EG) nr. 1099/2009 van de Raad en de Richtlijnen 98/58/EG, 1999/74/EG, 2007/43/EG, 2008/119/EG en 2008/120/EG van de Raad, en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 854/2004 en (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad, de Richtlijnen 89/608/EEG, 89/662/EEG, 90/425/EEG, 91/496/EEG, 96/23/EG, 96/93/EG en 97/78/EG van de Raad en Besluit 92/438/EEG van de Raad (verordening officiële controles) (PB L 95 van 7.4.2017, blz. 1).
Verordening (EU) 2018/848 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad (PB L 150 van 14.6.2018, blz. 1).
Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).
Verordening (EU) …/… van het Europees Parlement en de Raad ... (PB..., blz....).+ PB: gelieve in de tekst het nummer van de richtlijn in document PE-CONS 69/23 (2016/0222(COD)) in te voegen, en in de overeenkomstige voetnoot het nummer, de datum, de titel en de publicatiegegevens daarvan.
Richtlijn 2001/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 maart 2001 inzake de doelbewuste introductie van genetisch gemodificeerde organismen in het milieu en tot intrekking van Richtlijn 90/220/EEG van de Raad (PB L 106 van 17.4.2001, blz. 1).
Verordening (EU) 2021/2115 van het Europees Parlement en de Raad van 2 december 2021 tot vaststelling van voorschriften inzake steun voor de strategische plannen die de lidstaten in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid opstellen (strategische GLB-plannen) en die uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) worden gefinancierd, en tot intrekking van Verordeningen (EU) nr. 1305/2013 en (EU) nr. 1307/2013 (PB L 435 van 6.12.2021, blz. 1).
Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1).
Productie en in de handel brengen van bosbouwkundig teeltmateriaal
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 24 april 2024 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de productie en het in de handel brengen van bosbouwkundig teeltmateriaal, tot wijziging van de Verordeningen (EU) 2016/2031 en (EU) 2017/625 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 1999/105/EG van de Raad (verordening betreffende bosbouwkundig teeltmateriaal) (COM(2023)0415 – C9-0237/2023 – 2023/0228(COD))
– gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2023)0415),
– gezien artikel 294, lid 2, en artikel 43, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C9‑0237/2023),
– gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
– gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 13 december 2023(1),
– gezien artikel 59 van zijn Reglement,
– gezien het advies van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid,
– gezien het verslag van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (A9-0142/2024),
1. stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;
2. verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;
3. verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de nationale parlementen.
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 24 april 2024 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2024/... van het Europees Parlement en de Raad betreffende de productie en het in de handel brengen van bosbouwkundig teeltmateriaal, tot wijziging van de Verordeningen (EU) 2016/2031 en (EU) 2017/625 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 1999/105/EG van de Raad (verordening betreffende bosbouwkundig teeltmateriaal)
Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,
Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(3),
[Gezien het advies van het Comité van de Regio’s,]
Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure(4),
Overwegende hetgeen volgt:
(1) Richtlijn 1999/105/EG van de Raad(5) bevat voorschriften voor de productie en het in de handel brengen van bosbouwkundig teeltmateriaal.
(2) Bossen bedekken ongeveer 45 % van het landoppervlak in de Unie en vervullen een multifunctionele rol die sociale, economische, ecologische en culturele functies omvat. Bossen vervullen, naast andere functies, als koolstofput een primaire functie in het klimaatmitigatiebeleid. Hoogwaardig, klimaataangepast en diversgediversifieerd bosbouwkundig teeltmateriaal is van essentieel belang om in deze behoeften te voorzien. [Am. 1]
(3) In het licht van nieuwe technische en wetenschappelijke ontwikkelingen, de actualisering van de voorschriften van de regeling van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) voor de certificering van bosbouwkundig teeltmateriaal in de internationale handel(6) (“de OESO-regeling voor bosbouwkundig zaaizaad en plantgoed”), de nieuwe beleidsprioriteiten van de Unie met betrekking tot duurzaamheid, aanpassing aan de klimaatverandering en biodiversiteit, en met name de Europese Green Deal(7), alsook van de ervaring die is opgedaan bij de uitvoering van Richtlijn 1999/105/EG, moet die richtlijn door een nieuwe handeling worden vervangen. Met het oog op de uniforme toepassing van de nieuwe regels in de hele Unie moet de handeling de vorm krijgen van een verordening.
(4) Het doel van de OESO-regeling voor bosbouwkundig zaaizaad en plantgoed is het stimuleren van de productie en het gebruik van zaden, plantendelen en planten die zijn verzameld, verwerkt en in de handel gebracht op een wijze die een hoge kwaliteit en beschikbaarheid van bosbouwkundig teeltmateriaal waarborgt. Gezien de lengte van de boscycli en de kosten van aanplantingen en langetermijninvesteringen in bossen is het van essentieel belang dat bosbouwers volledig betrouwbare informatie krijgen over de oorsprong en de genetische kenmerken van het bosbouwkundig teeltmateriaal dat zij in aanplantingen gebruiken. De OESO-regeling voor bosbouwkundig zaaizaad en plantgoed voldoet aan deze behoefte door middel van certificering en traceerbaarheid. De regeling speelt een belangrijke rol bij het aanpassen van de bossen in de wereld aan veranderende klimaatomstandigheden. De nadruk wordt gelegd op het behoud van de diversiteit van soorten en het waarborgen van een hoge genetische diversiteit binnen soorten en zaadpartijen, waardoor het aanpassingspotentieel van bosbouwkundig teeltmateriaal voor de toekomstige herbeplanting van een gebied met bomen (“herbebossing”) en de aanleggen van nieuwe bossen (“bebossing”) wordt vergroot. Herbebossing kan nodig zijn wanneer delen van een bestaand bos zijn getroffen door extreme weersomstandigheden, bosbranden, uitbraken van ziekten en plagen of andere rampen.
(5) In de Europese Green Deal verbindt de Commissie zich ertoe uitdagingen in verband met klimaatverandering en het milieu aan te pakken. Het doel is de economie van de Unie om te vormen met het oog op een duurzame toekomst. De regels van de Unie inzake de productie en het in de handel brengen van bosbouwkundig teeltmateriaal moeten in overeenstemming zijn met Verordening (EU) 2021/1119 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een kader voor de verwezenlijking van klimaatneutraliteit(8) en met de drie strategieën voor de uitvoering van de Europese Green Deal: de nieuwe EU-strategie voor aanpassing aan de klimaatverandering(9), de nieuwe EU-bosstrategie voor 2030(10) en de EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030(11).
(6) Verordening (EU) 2021/1119 vereist dat de desbetreffende instellingen van de Unie en de lidstaten zorgen voor voortdurende vooruitgang bij het vergroten van het vermogen tot aanpassing aan, en het versterken van de veerkracht en het verminderen van de kwetsbaarheid voor klimaatverandering. Een van de doelstellingen van de nieuwe EU-strategie voor aanpassing aan de klimaatverandering is daarom het vermogen van de Unie om zich aan te passen aan de klimaatverandering te versnellen door onder meer de regels inzake bosbouwkundig teeltmateriaal te wijzigen. De wetgeving van de Unie moet de productie en het in de handel brengen van bosbouwkundig teeltmateriaal in de hele Unie aanmoedigen. Daartoe moet de mogelijkheid voor de lidstaten om de goedkeuring van bepaald uitgangsmateriaal te beperken en het verhandelen van bepaald bosbouwkundig teeltmateriaal aan eindgebruikers te verbieden, zoals opgenomen in Richtlijn 1999/105/EG, worden afgeschaft.
(7) De nieuwe EU-bosstrategie voor 2030 is vooral gericht op de effectieve bebossing en de instandhouding en het herstel van bossen in de Unie, teneinde te helpen de absorptie van CO2 te bevorderen, het aantal bosbranden en de omvang daarvan terug te dringen en de bio-economie te bevorderen, met volledige inachtneming van de ecologische beginselen die gunstig zijn voor de biodiversiteit. Zorgen voor bosherstel en versterkt duurzaam bosbeheer is cruciaal met het oog op klimaatadaptatie en bosveerkracht In dit verband wordt in de nieuwe EU-bosstrategie gesteld dat voor de aanpassing van bossen aan de klimaatverandering en het herstel van bossen na klimaatschade, grote hoeveelheden geschikt bosbouwkundig teeltmateriaal nodig zullen zijn. Daartoe zijn inspanningen nodig om de genetische hulpbronnen in de bosbouw, waarvan een klimaatbestendiger bosbouw afhankelijk is, veilig te stellen en duurzaam te gebruiken. Er zijn ook inspanningen nodig om de productie en beschikbaarheid van dergelijk bosbouwkundig teeltmateriaal te verhogen, betere informatie te verstrekken over de geschiktheid ervan voor klimatologische en ecologische omstandigheden en de gezamenlijke productie en overdracht ervan over de nationale grenzen binnen de Unie te verbeteren. Professionele exploitanten moeten dus worden verplicht vooraf informatie aan de gebruikers te verstrekken over de geschiktheid van bosbouwkundig teeltmateriaal voor de klimatologische en ecologische omstandigheden.
(8) De EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030 moet ervoor zorgen dat de biodiversiteit in de Unie tegen 2030 op weg is naar herstel. In het kader van die strategie moet in de wetgeving van de Unie de nadruk worden gelegd op het behoud van de soortendiversiteit en moet worden gezorgd voor een hoge genetische kwaliteit en diversiteit binnen soorten en binnen partijen zaden. Zo moet de voorziening van hoogwaardig en genetisch diversgediversifieerd bosbouwkundig teeltmateriaal dat is aangepast aan de huidige en verwachte toekomstige klimaatomstandigheden, worden vergemakkelijkt. De instandhouding en de verbetering van de biologische diversiteit van de bossen, met inbegrip van de genetische diversiteit van de bomen, zijn van essentieel belang voor een duurzaam bosbeheer en voor het aanpassen van de bossen aan klimaatverandering. Boomsoorten en kunstmatige hybriden die onder deze verordening vallen, moeten genetisch geschikt zijn voor de plaatselijke omstandigheden en van hoge kwaliteit zijn. [Am. 2]
(9) Er is een grensoverschrijdende dimensie op de lange termijn omdat de noordwaartse migratie van vegetatiezones die reeds kan worden waargenomen, de komende decennia naar verwachting aanzienlijk zal versnellen. Daarom zou het voor bosbouwers zeer gunstig zijn als in deze verordening een vereiste wordt opgenomen om informatie te verstrekken over de zones waar zaad kan worden aangeplant of waar bosbouwkundig teeltmateriaal aan de plaatselijke omstandigheden is aangepast. Daarom moeten de bevoegde autoriteiten voor bepaald zaad aanwijzen in welke zones dat zaad geschikt is voor de plaatselijke omstandigheden en kan worden ingezaaid (“zaadoverdrachtszones”). Evenzo moeten zij voor bepaald bosbouwkundig teeltmateriaal aanwijzen in welke gebieden dat teeltmateriaal aangepast is aan de plaatselijke omstandigheden (“inzetgebieden”).
(10) In Richtlijn 1999/105/EG wordt bosbouwkundig teeltmateriaal gedefinieerd in verband met het belang ervan voor bosbouwdoeleinden in de gehele Unie of een deel daarvan, maar wat die bosbouwdoeleinden zijn, wordt niet duidelijk. Duidelijkheidshalve worden in het toepassingsgebied van deze verordening de doeleinden opgesomd waarvoor het gebruik van bosbouwkundig teeltmateriaal van hoogwaardige kwaliteit belangrijk is.
(11) Bosbouwkundig teeltmateriaal kan worden geproduceerd voor gebruik bij bebossing/herbebossing en andere soorten boomaanplanting en voor verschillende doeleinden, zoals de productie van hout en biomaterialen, het behoud van de biodiversiteit, het herstel van bosecosystemen, aanpassing aan en mitigatie van de klimaatverandering en instandhouding en duurzaam gebruik van genetische hulpbronnen in de bosbouw.
(12) Uit onderzoek is gebleken dat de beoordeling en goedkeuring van uitgangsmateriaal met betrekking tot het specifieke doeleinde van het gebruik van bosbouwkundig teeltmateriaal van het grootste belang zijn. Daarnaast heeft de aanplant van bosbouwkundig teeltmateriaal van hoogwaardige kwaliteit op de juiste plaats een positief effect op het doeleinde waarvoor dat teeltmateriaal wordt gebruikt. Onder “op de juiste plaats” wordt verstaan dat het bosbouwkundig teeltmateriaal genetisch en fenotypisch geschikt is voor de locatie waar het wordt geteeld, met inbegrip van de relevante klimaatprognoses voor die locatie.
(13) Om een toereikende voorziening van bosbouwkundig teeltmateriaal te waarborgen in reactie op de toegenomen vraag naar bosbouwkundig teeltmateriaal, moeten bestaande of potentiële handelsbelemmeringen die het vrije verkeer van teeltmateriaal binnen de Unie kunnen belemmeren, worden weggenomen. Dit doel kan alleen worden bereikt als de respectieve Unieregels inzake bosbouwkundig teeltmateriaal de hoogst mogelijke normen opleggen.
(14) De voorschriften van de Unie inzake de productie en het in de handel brengen van bosbouwkundig teeltmateriaal moeten rekening houden met de praktische behoeften en mogen alleen van toepassing zijn op bepaalde soorten en kunstmatige hybriden die in bijlage I bij deze verordening zijn opgenomen. Deze soorten en kunstmatige hybriden zijn belangrijk voor de productie van bosbouwkundig teeltmateriaal voor bebossing, herbebossing en andere soorten boomaanplanting met het oog op de productie van hout en biomaterialen, het behoud van de biodiversiteit, het herstel van bosecosystemen, aanpassing aan en mitigatie van de klimaatverandering en instandhouding en duurzaam gebruik van genetische hulpbronnen in de bosbouw.
(15) Het doel van deze verordening is de productie en het in de handel brengen van bosbouwkundig teeltmateriaal van hoogwaardige kwaliteit te waarborgen. Om veerkrachtige bossen te helpen aanleggen en bosecosystemen te herstellen, moeten de gebruikers voorafgaand aan de aankoop van bosbouwkundig teeltmateriaal worden geïnformeerd over de geschiktheid van dat bosbouwkundig teeltmateriaal voor de klimatologische en ecologische omstandigheden van het gebied waar het zal worden gebruikt.
(16) Om ervoor te zorgen dat gecertificeerd bosbouwkundig teeltmateriaal aangepast zal zijn aan de klimatologische en ecologische omstandigheden van het gebied waar het wordt aangeplant, moeten de bevoegde autoriteiten de duurzaamheidskenmerken van het uitgangsmateriaal beoordelen tijdens de procedure voor de goedkeuring van dat uitgangsmateriaal. Die duurzaamheidskenmerken moeten betrekking hebben op de aanpassing van dat uitgangsmateriaal aan de klimatologische en ecologische omstandigheden en de afwezigheid van voor bomen schadelijke plaagorganismen en symptomen daarvan.
(17) Bosbouwkundig teeltmateriaal mag alleen worden geoogst van uitgangsmateriaal dat door de bevoegde autoriteiten is beoordeeld en goedgekeurd, zodat de hoogst mogelijke kwaliteit van dat bosbouwkundig teeltmateriaal wordt gewaarborgd. Goedgekeurd uitgangsmateriaal moet worden geregistreerd in een nationaal register met een uniek registratienummer en met verwijzing naar een goedgekeurde eenheid.
(17 bis) Om de kwaliteit van zaden te behouden moeten de verpakkingen zodanig worden ontworpen dat ze na het openen onbruikbaar worden, waardoor wordt gewaarborgd dat gebruikers zich bewust zijn van eventuele manipulatie van de zaden en worden aangemoedigd om de volledige inhoud correct te gebruiken, waarbij wordt voorkomen dat zaden onjuist worden opgeslagen of worden gebruikt wanneer deze waarschijnlijk bedorven zijn. [Am. 3]
(18) Met het oog op de aanpassing aan de wetenschappelijke en technische ontwikkelingen van internationale normen moet het gebruik van biomoleculaire technieken als aanvullende methode worden opgenomen in de procedure voor goedkeuring van uitgangsmateriaal. Deze biomoleculaire technieken moeten worden toegestaan voor het beoordelen van de oorsprong van het uitgangsmateriaal of voor het screenen van het uitgangsmateriaal op de aanwezigheid van ziekteresistente kenmerken door middel van moleculaire markers.
(19) De bevoegde autoriteiten van de respectieve lidstaten moeten een basiscertificaat afgeven voor al het bosbouwkundig teeltmateriaal dat van goedgekeurd uitgangsmateriaal is afgeleid (d.w.z. geoogst). Een dergelijk basiscertificaat waarborgt de identificatie van het bosbouwkundig teeltmateriaal, bevat informatie over de oorsprong ervan en bevat de meest geschikte informatie voor de gebruikers ervan en de bevoegde autoriteiten die belast zijn met de officiële controle ervan. Het moet worden toegestaan het basiscertificaat in elektronische vorm af te geven.
(19 bis) Elke lidstaat moet een nationale lijst van afgegeven basiscertificaten opstellen en bijhouden, en deze lijst ter beschikking stellen van de Commissie en de nationale bevoegde autoriteiten van alle andere lidstaten. [Am. 4]
(20) Alleen teeltmateriaal dat van goedgekeurd uitgangsmateriaal is geoogst, mag vervolgens worden gecertificeerd en in de handel worden gebracht. Bosbouwkundig teeltmateriaal moet door de bevoegde autoriteiten worden gecertificeerd als “van bekende origine”, “geselecteerd”, “gekeurd” en “getest” en onder verwijzing naar die categorieën in de handel worden gebracht. De categorieën tonen aan welke van de kenmerken van het uitgangsmateriaal zijn beoordeeld en geven de kwaliteit van het bosbouwkundig teeltmateriaal aan. Voor de categorieën bosbouwkundig teeltmateriaal van lagere kwaliteit (“van bekende origine” en “geselecteerd”) worden de basiskenmerken van het uitgangsmateriaal gecontroleerd. Voor de categorieën bosbouwkundig teeltmateriaal van hogere kwaliteit (“gekeurd” en “getest”) worden ouderbomen geselecteerd op basis van uitstekende kenmerken en kruisingsschema’s. In het geval van bosbouwkundig teeltmateriaal van de categorie “gekeurd”, wordt de superieure kwaliteit van het bosbouwkundig teeltmateriaal geschat op basis van de kenmerken van de ouderbomen. In het geval van de categorie “getest” moet de superieure kwaliteit van dat bosbouwkundig teeltmateriaal worden aangetoond in vergelijking met hetzij het uitgangsmateriaal waaruit dat bosbouwkundig teeltmateriaal is geoogst, hetzij een referentiepopulatie. De categorieën bosbouwkundig teeltmateriaal “van bekende origine”, “geselecteerd”, “gekeurd” en “getest” moeten worden onderworpen aan uniforme productie- en handelsvoorschriften om transparantie, gelijke mededingingsvoorwaarden en de integriteit van de interne markt te waarborgen.
(21) De certificeringsvoorschriften moeten worden verduidelijkt voor bosbouwkundig teeltmateriaal dat is geproduceerd door middel van innovatieve productieprocessen en met name productietechnieken voor de productie van een specifiek type bosbouwkundig teeltmateriaal, namelijk klonen. Aangezien de plaats van productie van die klonen kan verschillen van de plaats van de oorspronkelijke boom (het uitgangsmateriaal) waarvan de klonen zijn afgeleid, moeten de regels worden gewijzigd om de traceerbaarheid te waarborgen.
(22) De eisen voor uitgangsmateriaal dat bestemd is voor de instandhouding en het duurzame gebruik van genetische hulpbronnen in de bosbouw verschillen van die voor uitgangsmateriaal dat bestemd is voor de productie van bosbouwkundig teeltmateriaal voor commerciële doeleinden, vanwege de verschillende selectiecriteria die voor deze twee soorten uitgangsmateriaal worden toegepast. Met het oog op de instandhouding en het duurzame gebruik van genetische hulpbronnen in de bosbouw moeten allemoet een zo groot mogelijk aantal bomen van een opstand in het bos worden behouden. Dit is noodzakelijk om de genetische diversiteit binnen één enkele boomsoort te helpen vergroten. Anderzijds mogen voor uitgangsmateriaal dat bestemd is voor de productie van bosbouwkundig teeltmateriaal voor commerciële doeleinden, alleen bomen met superieure kenmerken worden geselecteerd. Daarom moet het de lidstatenprofessionele exploitanten worden toegestaan af te wijken van de toepasselijke voorschriften met betrekking tot de goedkeuring van uitgangsmateriaal, en bij de bevoegde autoriteit kennisgeving te doen van dit uitgangsmateriaal dat bestemd is voor de instandhouding van genetische hulpbronnen in de bosbouw bij de bevoegde autoriteit. [Am. 5]
(23) De categorie “van bekende origine” is de minimumnorm die vereist is voor het in de handel brengen van bosbouwkundig teeltmateriaal, omdat er weinig of geen fenotypische selectie heeft plaatsgevonden van het uitgangsmateriaal dat bestemd is voor de productie van bosbouwkundig teeltmateriaal van die categorie. Om de traceerbaarheid te waarborgen, moet de professionele exploitant de locatie registreren van het uitgangsmateriaal (d.w.z. de herkomst) waarvan het bosbouwkundig teeltmateriaal wordt verzameld. De oorsprong van dat uitgangsmateriaal moet worden vermeld, indien bekend. Dit is in overeenstemming met de OESO-regeling voor bosbouwkundig zaaizaad en plantgoed en de ervaring die is opgedaan met Richtlijn 1999/105/EG.
(24) Overeenkomstig de OESO-regeling voor bosbouwkundig zaaizaad en plantgoed en in navolging van de toepassing van Richtlijn 1999/105/EG moet de bevoegde autoriteit het uitgangsmateriaal dat bestemd is voor de productie van bosbouwkundig teeltmateriaal van de categorie “geselecteerd” beoordelen op basis van de observatie van de kenmerken van dat uitgangsmateriaal, rekening houdend met het specifieke doeleinde waarvoor het van dat uitgangsmateriaal geoogste bosbouwkundig teeltmateriaal moet worden gebruikt. De algemene kwaliteit van die categorie moet worden gewaarborgd. Aangezien de populatie een hoge mate van uniformiteit moet vertonen, moeten bomen met inferieure kenmerken (bv. kleinere grootte) ten opzichte van de gemiddelde boomgrootte in de totale populatie, worden verwijderd.
(25) Om bosbouwkundig teeltmateriaal van de categorie “gekeurd” te produceren, moet de professionele exploitant de componenten van het uitgangsmateriaal selecteren die op individueel niveau bij het kruisingsschema zullen worden gebruikt vanwege hun uitstekende kenmerken, bijvoorbeeld wat betreft de aanpassing aan de plaatselijke klimatologische en ecologische omstandigheden. De bevoegde autoriteit moet de samenstelling en het voorgestelde kruisingsschema van die componenten, de inrichting van de percelen, de mate van isolatie en de locatie van dat uitgangsmateriaal goedkeuren. Dit is belangrijk om in overeenstemming te zijn met de toepasselijke internationale normen uit hoofde van de OESO-regeling voor bosbouwkundig zaaizaad en plantgoed en om rekening te houden met de ervaring die is opgedaan met Richtlijn 1999/105/EG.
(26) Uitgangsmateriaal dat bestemd is voor de productie van bosbouwkundig teeltmateriaal van de categorie “getest” moet aan de strengst mogelijke voorschriften worden onderworpen. De superieure kwaliteit van bosbouwkundig teeltmateriaal moet worden bepaald door het te vergelijken met een of, bij voorkeur, meerdere goedgekeurde of vooraf gekozen normen. De professionele exploitant selecteert die normen op basis van het doeleinde waarvoor het bosbouwkundig teeltmateriaal van de categorie “getest” zal worden gebruikt. Als het doeleinde van dat bosbouwkundig teeltmateriaal de aanpassing aan de klimaatverandering is, zal het bosbouwkundig teeltmateriaal worden vergeleken aan de hand van normen voor goede prestaties op het gebied van aanpassing aan de lokale klimatologische en ecologische omstandigheden (bv. praktisch vrij zijn van plagen en de symptomen ervan). Na de selectie van de componenten van het uitgangsmateriaal moet de professionele exploitant de superioriteit van het bosbouwkundig teeltmateriaal aantonen door middel van vergelijkende tests of door een schatting op basis van een evaluatie van de genetische bestanddelen van dat uitgangsmateriaal. De bevoegde autoriteit moet bij elke stap van dit proces worden betrokken. Zij moet de experimentele opzet en tests van de goedkeuringsprocedure voor het uitgangsmateriaal goedkeuren, de door de professionele exploitant verstrekte gegevens verifiëren en de resultaten van de tests betreffende de superioriteit van het bosbouwkundig teeltmateriaal of de genetische evaluatie daarvan goedkeuren, naargelang het geval. Dit is noodzakelijk om te voldoen aan de toepasselijke internationale normen uit hoofde van de OESO-regeling voor bosbouwkundig zaaizaad en plantgoed en andere toepasselijke internationale normen en om rekening te houden met de ervaring die is opgedaan met Richtlijn 1999/105/EG.
(27) De beoordeling van uitgangsmateriaal dat bestemd is voor de productie van bosbouwkundig teeltmateriaal van de categorie “getest”, duurt gemiddeld tien jaar. Om te zorgen voor een snellere markttoegang voor bosbouwkundig teeltmateriaal van de categorie “getest”, moeten de lidstaten de mogelijkheid hebben om, terwijl de beoordeling van het uitgangsmateriaal nog loopt, dat uitgangsmateriaal tijdelijk voor een periode van ten hoogste tien jaar op hun gehele grondgebied of een deel daarvan goed te keuren. Die goedkeuring mag alleen worden verleend indien uit de voorlopige resultaten van de genetische evaluatie of vergelijkende tests blijkt dat het uitgangsmateriaal aan de voorschriften van deze verordening zal voldoen na afronding van de tests. Deze vroegtijdige beoordeling moet na een periode van ten hoogste tien jaar worden herzien.
(28) De overeenstemming van bosbouwkundig teeltmateriaal met de voorschriften voor de categorieën “van bekende origine”, “geselecteerd”, “gekeurd” en “getest” moet worden bevestigd door inspecties die door de bevoegde autoriteiten naar gelang van het geval voor elke categorie worden uitgevoerd (“officiële certificering”) en met een officieel etiket moet worden gecertificeerd.
(29) Genetisch gemodificeerd bosbouwkundig teeltmateriaal mag alleen in de handel worden gebracht als het veilig is voor de menselijke gezondheid en het milieu en overeenkomstig Richtlijn 2001/18/EG van het Europees Parlement en de Raad(12) of Verordening (EG) nr. 1829/2003(13) voor de teelt is toegelaten, en als dat bosbouwkundig teeltmateriaal tot de categorie “getest” behoort. Met bepaalde nieuwe genomische technieken verkregen bosbouwkundig teeltmateriaal mag alleen in de handel worden gebracht als het voldoet aan de voorschriften van Verordening (EU) [PB: gelieve de verwijzing naar Verordening (EU) van het Europees Parlement en de Raad betreffende met bepaalde nieuwe genomische technieken verkregen planten en de daarvan afgeleide levensmiddelen en diervoeders in te voegenPublications Office, please insert reference to Regulation (EU) of the European Parliament and of the Council on plants obtained by certain new genomic techniques and their food and feed](14), en als dat bosbouwkundig teeltmateriaal tot de categorie “getest” behoort.
(30) Het officiële etiket moet informatie bevatten over uitgangsmateriaal dat geheel of gedeeltelijk uit een genetisch gemodificeerd organisme bestaat of met bepaalde nieuwe genomische technieken is geproduceerd.
(31) Professionele exploitanten moeten van de bevoegde autoriteit toestemming krijgen om het officiële etiket voor bepaalde soorten en categorieën bosbouwkundig teeltmateriaal onder officieel toezicht af te geven en af te drukken. Dit zal de professionele exploitanten vervolgens flexibeler maken wat het in de handel brengen van dat bosbouwkundig teeltmateriaal betreft. Professionele exploitanten kunnen echter pas beginnen met het afdrukken van het etiket, als aan alle door de bevoegde autoriteit vastgestelde vereisten is voldaan en nadat uit een audit door de bevoegde autoriteit het desbetreffende bosbouwkundig teeltmateriaal heeft gecertificeerdis gebleken dat zij over de nodige bekwaamheid, infrastructuur en middelen beschikken. Die toestemming is noodzakelijk vanwege het officiële karakter van het officiële etiket en om de hoogst mogelijke kwaliteitsnormen voor de gebruikers van bosbouwkundig teeltmateriaal te waarborgen. Dit zal de professionele exploitanten vervolgens flexibeler maken wat het in de handel brengen van dat bosbouwkundig teeltmateriaal betreft. Er moeten regels worden vastgesteld voor de intrekking of wijziging van die toestemming. [Am. 6]
(32) De lidstaten moet worden toegestaan om, na toestemming van de Commissie, voor de goedkeuring van op hun eigen grondgebied geproduceerd uitgangsmateriaal aanvullende of strengere eisen te stellen. Dit zou de uitvoering van nationale of regionale benaderingen van de productie en het in de handel brengen van bosbouwkundig teeltmateriaal mogelijk maken met het oog op de verbetering van de kwaliteit van het betrokken bosbouwkundig teeltmateriaal, de bescherming van het milieu of de bijdrage aan de bescherming van de biodiversiteit en het herstel van bosecosystemen.
(33) Met het oog op transparantie en doeltreffendere controles van de productie en het in de handel brengen van bosbouwkundig teeltmateriaal moeten professionele exploitanten worden geregistreerd in de registers die de lidstaten overeenkomstig Verordening (EU) 2016/2031 van het Europees Parlement en de Raad(15) hebben ingesteld. Een dergelijke registratie vermindert de administratieve lasten voor die professionele exploitanten. Ook is het noodzakelijk voor een doeltreffende werking van het officiële register voor exploitanten en om dubbele inschrijving te voorkomen. De professionele exploitanten die binnen het toepassingsgebied van deze verordening vallen, vallen grotendeels ook binnen het toepassingsgebied van het officiële register van professionele marktdeelnemers in het kader van Verordening (EU) 2016/2031.
(34) Voorafgaand aan de aankoop van bosbouwkundig teeltmateriaal moeten professionele exploitanten de bevoegde autoriteit en de potentiële kopers van hun bosbouwkundig teeltmateriaal alle nodige informatie verstrekken over de identiteit en geschiktheid ervanvan het bosbouwkundig teeltmateriaal voor de respectieve klimatologische en ecologische omstandigheden, zodat zij het voor huneen specifieke regio meest geschikte bosbouwkundig teeltmateriaal kunnen selecteren. [Am. 7]
(35) In het geval van uitgangsmateriaal dat bestemd is voor de productie van bosbouwkundig teeltmateriaal van de categorieën “van bekende origine” en “geselecteerd”, moeten de lidstaten voor de betrokken soorten de herkomstgebieden afbakenen om een gebied of groepen gebieden met voldoende uniforme ecologische omstandigheden te kunnen identificeren die uitgangsmateriaal met vergelijkbare fenotypische of genetische kenmerken bevatten. Dit is noodzakelijk omdat het uit dat uitgangsmateriaal vervaardigde bosbouwkundig teeltmateriaal onder verwijzing naar die herkomstgebieden in de handel moet worden gebracht.
(36) Om te zorgen voor een doeltreffend overzicht en transparantie met betrekking tot het bosbouwkundig teeltmateriaal dat in de hele Unie wordt geproduceerd en in de handel wordt gebracht, moet elke lidstaat een nationaal register in elektronische vorm opstellen, publiceren en actualiseren, voor de registratie van het uitgangsmateriaal van de verschillende soorten en kunstmatige hybriden die op zijn grondgebied zijn goedgekeurd, en een nationale lijst opstellen die als samenvatting van dat nationale register moet worden gepresenteerd.
(37) Om dezelfde reden moet de Commissie op basis van de door elke lidstaat verstrekte nationale lijsten een Unielijst van goedgekeurd uitgangsmateriaal voor de productie van bosbouwkundig teeltmateriaal publiceren in elektronische vorm. Die Unielijst moet informatie bevatten over uitgangsmateriaal dat geheel of gedeeltelijk uit een genetisch gemodificeerd organisme bestaat of met bepaalde nieuwe genomische technieken is geproduceerd.
(38) Elke lidstaat moet een noodplan opstellen en bijwerken om te zorgen voor een toereikende voorziening van bosbouwkundig teeltmateriaal, voor de herbebossing van gebieden die zijn getroffen door extreme weersomstandigheden, bosbranden, uitbraken van ziekten en plagen, rampen of andere gebeurtenissen. Er moeten regels worden vastgesteld met betrekking tot de inhoud van dat plan, zodat snel proactief en doeltreffend tegen dergelijke risico’s wordt opgetreden indien deze zich voordoen. Het moet de lidstaten worden toegestaan de inhoud van dat plan aan te passen aanvast te stellen overeenkomstig de specifieke klimatologische en ecologische omstandigheden op hun grondgebied, alsook dergelijke inhoud aan te passen in het licht van nieuwe wetenschappelijke kennis. Deze vereiste weerspiegelt ook de algemene paraatheidsmaatregelen die de lidstaten op vrijwillige basis moeten nemen in het kader van het Uniemechanisme voor civiele bescherming(16). De Commissie moet, op verzoek van de betrokken lidstaat, door middel van technische bijstand ondersteuning bieden bij het opstellen en indien nodig bijwerken van het plan. [Am. 8]
(39) Bosbouwkundig teeltmateriaal moet in alle stadia van de productie gescheiden worden gehouden naar individuele goedgekeurde eenheden. De goedgekeurde eenheden moeten worden geproduceerd en in de handel worden gebracht in partijen die voldoende homogeen zijn en als verschillend van andere partijen bosbouwkundig teeltmateriaal zijn geïdentificeerd. Er moet een onderscheid worden gemaakt tussen partijen zaad en partijen planten om het type bosbouwkundig teeltmateriaal te kunnen identificeren en de traceerbaarheid tot het goedgekeurde uitgangsmateriaal waarvan teeltmateriaal is geoogst, te waarborgen. Zo wordt het behoud van de identiteit en de kwaliteit van dat bosbouwkundig teeltmateriaal gewaarborgd.
(40) Zaad mag alleen in de handel worden gebracht als het aan bepaalde kwaliteitsnormen voldoet. Het mag alleen in verzegelde verpakkingen worden geëtiketteerd en in de handel worden gebracht om de correcte identificatie, kwaliteit en traceerbaarheid mogelijk te maken en fraude te voorkomen.
(41) Met het oog op de verwezenlijking van de doelstelling van de digitale strategie van de Unie(17) om ervoor te zorgen dat de transformatie naar digitale technologieën werkt voor mensen en bedrijven, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden verleend om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) handelingen vast te stellen ten aanzien van regels inzake de digitale registratie van alle ondernomen acties, met het oog op de afgifte van een basiscertificaat en een officieel etiket en de oprichting van een gecentraliseerd platform dat de verwerking van, de toegang tot en het gebruik van die gegevens vergemakkelijkt.
(42) In perioden waarin het tijdelijk moeilijk is om voldoende voorraden bosbouwkundig teeltmateriaal van bepaalde soorten te oogsten, moet uitgangsmateriaal dat aan minder strenge eisen voldoet, onder bepaalde voorwaarden tijdelijk worden goedgekeurd. Deze minder strenge eisen moeten betrekking hebben op de goedkeuring van uitgangsmateriaal dat bestemd is voor de productie van bosbouwkundige teeltmaterialen van verschillende categorieën. Dit is noodzakelijk om te zorgen voor een flexibele aanpak in ongunstige omstandigheden en om verstoringen van de interne markt voor bosbouwkundig teeltmateriaal te voorkomen.
(43) Bosbouwkundig teeltmateriaal mag alleen uit derde landen worden ingevoerd indien is vastgesteld dat het voldoet aan voorschriften die gelijkwaardig zijn aan die welke van toepassing zijn op in de Unie geproduceerd en in de handel gebracht bosbouwkundig teeltmateriaal. Dit is noodzakelijk om ervoor te zorgen dat dergelijk ingevoerd bosbouwkundig teeltmateriaal dezelfde kwaliteit heeft als het in de Unie geproduceerde bosbouwkundig teeltmateriaal. Deze aanpak zal ervoor zorgen dat de invoer van bosbouwkundig teeltmateriaal aan de EU-normen voldoet en bovendien bijdraagt aan de genetische diversiteit en duurzaamheid van planten. [Am. 9]
(44) Wanneer bosbouwkundig teeltmateriaal uit een derde land in de Unie wordt ingevoerd, moet de betrokken professionele exploitant de respectieve bevoegde autoriteit vooraf in kennis stellen van de invoer van bosbouwkundig teeltmateriaal via het bij Verordening (EU) 2017/625 van het Europees Parlement en de Raad(18) opgezette informatiemanagementsysteem voor officiële controles (Imsoc). Bovendien moet ingevoerd bosbouwkundig teeltmateriaal vergezeld gaan van een door het derde land van oorsprong afgegeven basiscertificaat of officieel certificaat en van gegevens over dat bosbouwkundig teeltmateriaal die door de professionele exploitant in dat derde land worden verstrekt. Dat bosbouwkundig teeltmateriaal moet voorzien zijn van een officieel etiket, aangezien dit noodzakelijk is om te zorgen voor geïnformeerde keuzes voor de gebruikers van dat bosbouwkundig teeltmateriaal en om de uitvoering van de respectieve officiële controles door de bevoegde autoriteiten te vergemakkelijken.
(45) Om het effect van deze verordening te monitoren en de Commissie in staat te stellen de ingevoerde maatregelen te beoordelen, moeten de lidstaten om de vijf jaar verslag uitbrengen over de jaarlijkse hoeveelheden gecertificeerd bosbouwkundig teeltmateriaal, de vastgestelde nationale noodplannen, de voor de gebruikers via websites en/of gidsen voor plantersgidsen beschikbare informatie over de vraag waar het bosbouwkundig teeltmateriaal het beste kan worden geplant, de hoeveelheden ingevoerd bosbouwkundig teeltmateriaal en de opgelegde sancties.
(46) Met het oog op de aanpassing aan de verplaatsing van vegetatiezones en de verspreidingsgebieden van boomsoorten als gevolg van de klimaatverandering en andere ontwikkelingen van technische of wetenschappelijke kennis, onder meer over klimaatverandering, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden verleend om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen tot wijziging van de lijst van boomsoorten en kunstmatige hybriden daarvan waarop deze verordening van toepassing is.
(47) Met het oog op de aanpassing aan de ontwikkeling van de wetenschappelijke en technische kennis en van OESO-regeling voor bosbouwkundig zaaizaad en plantgoed en andere toepasselijke internationale normen, en om rekening te houden met Verordening (EU) 2018/848 van het Europees Parlement en de Raad(19), moet aan de Commissie de bevoegdheid worden verleend om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen tot wijziging van i) de voorschriften betreffende uitgangsmateriaal dat bestemd is voor de productie van bosbouwkundig teeltmateriaal dat moet worden gecertificeerd als “van bekende origine”, “geselecteerd”, “gekeurd” en “getest”, en ii) de categorieën volgens welke bosbouwkundig teeltmateriaal van de verschillende soorten uitgangsmateriaal in de handel mag worden gebracht.
(48) Om een flexibelere aanpak voor de lidstaten mogelijk te maken, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden verleend om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen met betrekking tot de voorwaarden voor het tijdelijk toestaan van het in de handel brengen van bosbouwkundig teeltmateriaal dat niet aan alle vereisten van de desbetreffende categorie voldoet.
(49) Met het oog op de aanpassing aan de technische en wetenschappelijke ontwikkelingen moet aan de Commissie de bevoegdheid worden verleend om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen met betrekking tot de voorschriften waaraan partijen vruchten en zaden van de onder deze verordening vallende soorten alsmede planten of plantendelen van de onder deze verordening vallende soorten en kunstmatige hybriden daarvan moeten voldoen, en met betrekking tot externe kwaliteitsnormen voor door middel van houtstekken of poten vermeerderde Populus spp. waaraan moet worden voldaan door plantgoed van de onder deze verordening vallende soorten en kunstmatige hybriden daarvan alsmede plantgoed dat in de handel wordt gebracht aan eindgebruikers in gebieden met een mediterraan klimaat.
(50) Met het oog op aanpassing aan de digitale strategie van de Unie en de technische ontwikkelingen op het gebied van de digitalisering van diensten moet aan de Commissie de bevoegdheid worden verleend om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen met betrekking tot de vaststelling van regels voor de digitale registratie van alle maatregelen die door de professionele exploitant en de bevoegde autoriteiten worden genomen met het oog op de afgifte van het basiscertificaat, en met betrekking tot de oprichting van een gecentraliseerd platform dat alle lidstaten en de Commissie verbindt.
(51) Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden van die gedelegeerde handelingen tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven(20). Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen, ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die de gedelegeerde handelingen voorbereiden.
(52) Om eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van deze verordening te waarborgen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden verleend met betrekking tot de vaststelling van specifieke voorwaarden wat de vereisten en de inhoud van de kennisgeving van het uitgangsmateriaal betreft.
(53) Om eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van deze verordening te waarborgen en de herkenbaarheid en het gebruik van basiscertificaten te vergemakkelijken, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden verleend met betrekking tot de vaststelling van de inhoud en het model voor het basiscertificaat van de identiteit voor bosbouwkundig teeltmateriaal dat afkomstig is van zaadbronnen en opstanden, van zaadgaarden of van ouderplanten van families, en van van klonen en mengsels van klonen afgeleid bosbouwkundig teeltmateriaal.
(54) Om eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van deze verordening te waarborgen en te zorgen voor een geharmoniseerd kader voor de etikettering van en verstrekking van informatie over bosbouwkundig teeltmateriaal, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden verleend met betrekking tot de vaststelling van de inhoud van het officiële etiket, de aanvullende informatie in het geval van zaden en kleine hoeveelheden zaden, de kleur van het etiket voor specifieke categorieën of andere soorten bosbouwkundig teeltmateriaal, en aanvullende informatie in het geval van specifieke geslachten of soorten.
(55) Om eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van deze verordening te waarborgen en met het oog op de aanpassing aan de ontwikkelingen met betrekking tot de digitalisering van de sector bosbouwkundig teeltmateriaal, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden verleend met betrekking tot het vaststellen van de technische regelingen voor de afgifte van elektronische basiscertificaten.
(56) Om eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van deze verordening te waarborgen en dringende voorzieningsproblemen in verband met bosbouwkundig teeltmateriaal aan te pakken, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden verleend met betrekking tot de tijdelijke goedkeuring voor het in de handel brengen van bosbouwkundig teeltmateriaal van een of meer soorten die aan minder strenge eisen voldoen dan die welke in deze verordening voor de goedkeuring van uitgangsmateriaal zijn vastgesteld.
(57) Om eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van deze verordening te waarborgen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden verleend met betrekking tot de organisatie van tijdelijke experimenten om betere alternatieven voor de bepalingen van deze verordening te vinden wat betreft de beoordeling en goedkeuring van uitgangsmateriaal en de productie en het in de handel brengen van bosbouwkundig teeltmateriaal.
(58) Om de consistentie van de voorschriften inzake bosbouwkundig teeltmateriaal met de fytosanitaire wetgeving van de Unie te verbeteren, moeten de artikelen 36, 37, 40, 41, 49, 53 en 54 van Verordening (EU) 2016/2031 van toepassing zijn op de productie en het in de handel brengen van bosbouwkundig teeltmateriaal krachtens deze verordening. Om te zorgen voor consistentie met de voorschriften van Verordening (EU) 2016/2031 inzake plantenpaspoorten, moet worden toegestaan het officiële etiket voor bosbouwkundig teeltmateriaal met het plantenpaspoort te combineren.
(59) Verordening (EU) 2017/625 moet worden gewijzigd om in het toepassingsgebied ervan voorschriften inzake officiële controles met betrekking tot bosbouwkundig teeltmateriaal op te nemen. Dit moet zorgen voor consistentere officiële controles en handhaving van de regels inzake bosbouwkundig teeltmateriaal in de lidstaten, en voor consistentie met andere handelingen van de Unie betreffende de officiële controles van planten, met name Verordening (EU) 2016/2031 en Verordening (EU) .../... van het Europees Parlement en de Raad.
(60) De Verordeningen (EU) 2016/2031 en (EU) 2017/625 moeten daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.
(61) Omwille van de juridische duidelijkheid en transparantie moet Richtlijn 1999/105/EG worden ingetrokken.
(62) Aangezien de doelstelling van deze verordening, namelijk het waarborgen van een geharmoniseerde aanpak ten aanzien van de productie en het in de handel brengen van bosbouwkundig teeltmateriaal, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt, maar vanwege de gevolgen, de complexiteit en het internationale karakter ervan, beter door de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken. In dit verband en voor zover nodig worden afwijkingen of specifieke vereisten ingevoerd voor bepaalde soorten bosbouwkundig teeltmateriaal en professionele exploitanten.
(63) Gezien de tijd en middelen die de bevoegde autoriteiten en de betrokken professionele exploitanten nodig hebben om zich aan de nieuwe voorschriften van deze verordening aan te passen, moet deze verordening van toepassing zijn met ingang van... [3 jaar vanaf de datum van inwerkingtreding van deze verordeningyears from the date of entry into force of this Regulation],
HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
HOOFDSTUK I
ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1
Voorwerp
In deze verordening worden voorschriften vastgesteld betreffende de productie en het in de handel brengen van bosbouwkundig teeltmateriaal, en met name voorschriften voor de goedkeuring van uitgangsmateriaal dat bestemd is voor de productie van bosbouwkundig teeltmateriaal, de oorsprong en traceerbaarheid van dat uitgangsmateriaal, de categorieën bosbouwkundig teeltmateriaal, voorschriften voor de identiteit en kwaliteit van bosbouwkundig teeltmateriaal, certificering, etikettering, verpakking, invoer, professionele exploitanten, de registratie van uitgangsmateriaal, officiële controles en de nationale noodplannen. [Am. 10]
Artikel 2
Toepassingsgebied
1. Deze verordening is van toepassing op bosbouwkundig teeltmateriaal van de in bijlage I vermelde boomsoorten en kunstmatige hybriden, met het oog op het in de handel brengen ervan daarvan. [Am. 11]
2. Deze verordening heeft de volgende doelstellingen:
a) het waarborgen van de productie en het in de handel brengen van hoogwaardig bosbouwkundig teeltmateriaal in de Unie en van de goede werking van de interne markt voor bosbouwkundig teeltmateriaal; [Am. 12]
b) helpen veerkrachtige en productieve bossen te creëren, de biodiversiteit in stand te houden, het gebruik van invasieve soorten te voorkomen en bosecosystemen en hun werking te herstellen door onder meer interspecifieke en intraspecifieke genetische diversiteit te bevorderen; [Am. 13]
c) het ondersteunen van de productie van hout en biomaterialen, de aanpassing aan de klimaatverandering, de mitigatie van de klimaatverandering en de instandhouding en het duurzame gebruik van genetische hulpbronnen in de bosbouw.
3. De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 26 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van de lijst in bijlage I, zoals gespecificeerd in lid 3, rekening houdend met:
a) de verplaatsing van vegetatiezones en de verspreidingsgebieden van boomsoorten als gevolg van de klimaatverandering;
b) alle relevante ontwikkelingen van de technische of wetenschappelijke kennis. [Am. 14]
In die gedelegeerde handelingen worden soorten en kunstmatige hybriden toegevoegd aan de lijst in bijlage I indien die soorten en kunstmatige hybriden aan ten minste een van de volgende elementen voldoen:
a) zij vertegenwoordigen een aanzienlijk gebied en een aanzienlijke economische waarde van de productie van bosbouwkundig teeltmateriaal in de Unie;
b) zij worden in ten minste twee lidstaten in de handel gebracht;
c) zij worden belangrijk geacht vanwege hun bijdrage aan de aanpassing aan de klimaatverandering, en
d) zij worden belangrijk geacht vanwege hun bijdrage aan het behoud van de biodiversiteit.
Bij de in de eerste alinea bedoelde gedelegeerde handelingen worden soorten en kunstmatige hybriden van de lijst in bijlage I geschrapt indien zij niet langer aan een van de in de eerste alinea genoemde elementen voldoen.
4. Deze verordening is niet van toepassing op:
a) plantaardig teeltmateriaal als bedoeld in artikel 2 van Verordening (EU) .../... [PB: gelieve de verwijzing naar de verordening betreffende de productie en het in de handel brengen van plantaardig teeltmateriaal in te voegenOffice of Publications, please insert reference to Regulation on production and marketing of plant reproductive material];
b) teeltmateriaal van siergewassen als gedefinieerd in artikel 2 van Richtlijn 98/56/EG;
c) bosbouwkundig teeltmateriaal dat wordt geproduceerd voor uitvoer naar derde landen;
d) bosbouwkundig teeltmateriaal dat wordt gebruikt voor officiële tests, wetenschappelijke doeleinden of veredelingsactiviteiten.
Artikel 3
Definities
Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
1) “bosbouwkundig teeltmateriaal”: kegels, vruchtgestellen, vruchten en zaden bestemd voor de productie vanzaadeenheden, plantendelen en plantgoed, die behoren tot de in bijlage I bij deze verordening vermelde boomsoorten en kunstmatige hybriden daarvan en die worden gebruikt voor bebossing, herbebossing en andere boomaanplant alsook directzaai voor een van de volgende doeleinden: [Am. 15]
a) productie van hout en biomaterialen;
b) instandhouding van genetische hulpbronnen in de bosbouw en behoud en verbetering van de biodiversiteit; [Am. 16]
c) herstel van bosecosystemen en andere beboste gebieden, en ondersteuning van hun werking; [Am. 17]
c bis) invoering of herstel van agrobosbouwsystemen; [Am. 18]
d) aanpassing aan de klimaatverandering;
e) mitigatie van de klimaatverandering;
f) instandhouding en duurzaam gebruik van genetische hulpbronnen in de bosbouw;
2) “bebossing”: het aanleggen van bossen door het aanplanten en/of doelbewust zaaien van regionaal aangepaste boomsoorten op land dat tot dan toe onder een ander landgebruik viel, hetgeen een omzetting van landgebruik van niet-bos tot bos inhoudt(21); [Am. 19]
3) “herbebossing”: het opnieuw aanleggen van bos door het aanplanten en/of doelbewust zaaien van regionaal aangepaste boomsoorten op land dat wordt aangemerkt als bos(22); [Am. 20]
3 bis) “agrobosbouw”: het planten van bomen op landbouwgrond zonder de classificatie van deze grond te wijzigen; [Am. 120]
4) “zaadeenheid”: kegels, vruchtgestellen, vruchten en zaden bestemd voor de productie van plantgoed of voor directzaai; [Am. 21]
5) “plantgoed”: elke plant of elk plantendeel die of dat wordt gebruikt bij plantvermeerdering en bestaat uit planten die zijn geteeld uit zaadeenheden, plantendelen of uit natuurlijke zaailingen geteelde planten;
6) “plantendelen”: houtstekken, blad- en wortelstekken, explantaten of embryo’s voor microvermeerdering, knoppen, afleggers, wortels, enten, poten en andere plantendelen die voor de productie van plantgoed bestemd zijn;
7) “productie”: alle stadia van het voortbrengen van het zaad en de planten, de omzetting van zaadeenheid naar zaad en de teelt vanzaden, plantendelen en planten uitalsmede de stadia die nodig zijn om geschikt plantgoed te verkrijgen, met het oog op het in de handel brengen van het respectieve bosbouwkundige teeltmateriaalervan; [Am. 22]
8) “zaadbron”: de bomen binnen een afgebakend gebied waar zaadeen zaadeenheid wordt verzameld; [Am. 23]
9) “opstand”: een afgebakende, wat samenstelling betreft voldoende uniforme populatie bomen;
10) “zaadgaarde”: een aanplant van geselecteerde bomen, waarbij elke boom wordt geïdentificeerd aan de hand van een kloon, familie of herkomst, die wordt geïsoleerd of beheerd teneinde bestuiving door externe stuifmeelbronnen te voorkomen of te beperken en die wordt beheerd om veelvuldige, overvloedige en gemakkelijke zaadoogsten te verkrijgen;
11) “ouderplanten van families”: bomen die ter verkrijging van nakomelingschap als ouderplanten worden gebruikt door gecontroleerde of vrije bestuiving van één geïdentificeerde, als moederplant fungerende ouderplant met het stuifmeel van één vaderplant (“full-sib”-nakomelingschap) respectievelijk van een aantal al dan niet geïdentificeerde vaderplanten (“half-sib”-nakomelingschap);
12) “kloon”: een groep individuen (ramets) die door vegetatieve vermeerdering, bijvoorbeeld door stekken, microvermeerdering, enten, afleggen of delen, van één oorspronkelijke uitgangsplant (ortet) zijn afgeleid;
13) “mengsel van klonen”: een mengsel van geïdentificeerde klonen in bepaalde verhoudingen;
14) “uitgangsmateriaal”: een zaadbron, opstand, zaadgaarde, ouderplanten van families, klonen of mengsels van klonen;
15) “goedgekeurde eenheid”: het volledige gebied van uitgangsmateriaal of exemplaren daarvan voor de productie van bosbouwkundig teeltmateriaal waarvoor door de bevoegde autoriteiten goedkeuring is verleend; [Am. 24]
16) “eenheid van kennisgeving”: het volledige gebied van uitgangsmateriaal of een of meer exemplaren daarvan voor de productie van bosbouwkundig teeltmateriaal dat bestemd is voor de instandhouding en het duurzame gebruik van genetische hulpbronnen in de bosbouw waarvan bij de bevoegde autoriteiten kennisgeving is gedaan; [Am. 25]
17) “partij zaden”: een verzameling gewonnen en/of schoongemaakte zaden die uit goedgekeurd uitgangsmateriaal zijn verzameld en op eenvormige wijze zijn verwerkt; [Am. 26]
18) “partij planten”: een geheel van plantgoed dat is geteeldplanten die zijn gekweekt uit één enkele zaadpartij of een geheel van vegetatief vermeerderd plantgoed datvermeerderde planten die in een afgebakend gebied iszijn gekweekt en op eenvormige wijze iszijn verwerkt; [Am. 27]
19) “partijnummer”: het identificatienummerpartijcode”: de identificatiecode van de partij zaden of planten, naar gelangnaargelang van het geval; [Am. 28]
20) “herkomst”: de groeiplaats van een opstand;
21) “ondersoort”: een groep binnen een soort die fenotypisch en genetisch enigszins verschilt van de rest van de groep;
22) “herkomstgebied” van een soort of ondersoort: het gebied of de groep gebieden waar voldoende uniforme ecologische omstandigheden heersen en waar opstanden of zaadbronnen met soortgelijke fenotypische of genetische kenmerken worden aangetroffen, zo nodig rekening houdend met de hoogtegrenzen;
23) “autochtone opstand”: een opstand van inheemse boomsoorten die ofwel door natuurlijke regeneratie ofwel kunstmatig continu is vernieuwd met behulp van bosbouwkundig teeltmateriaal dat in dezelfde opstand of opstanden van inheemse boomsoorten in de nabije omgeving is verzameld;
24) “inheemse opstand”: een autochtone opstand of een opstand die kunstmatig is gekweekt uit zaad waarvan de oorsprong zich in hetzelfde herkomstgebied bevindt als de opstand zelf;
25) “oorsprong”:
a) voor een autochtone zaadbron of opstand, de plaats waar de bomen groeien;
b) voor een niet-autochtone zaadbron of opstand, de plaats van waar de zaden of planten oorspronkelijk zijn binnengebracht;
c) voor een zaadgaarde, de plaatsen waar de componenten zich oorspronkelijk bevonden, zoals de herkomsten of andere relevante geografische informatie;
d) voor de ouderplanten van families, de plaatsen waar de componenten ervan zich oorspronkelijk bevonden, zoals de herkomsten of andere relevante geografische informatie;
e) voor een kloon, de plaats waar het ortet zich bevindt of oorspronkelijk bevond of waar het is geselecteerd;
f) voor een mengsel van klonen, de plaatsen waar de ortets zich bevinden of oorspronkelijk bevonden of waar ze zijn geselecteerd;
26) “locatie van het uitgangsmateriaal”: het geografische gebied of de geografische positie(s) van het uitgangsmateriaal, naargelang het geval voor elke categorie bosbouwkundig teeltmateriaal;
27) “productieplaats van klonen of mengsels van klonen of ouderplanten van families”: de plaats of exacte geografische positie waar het bosbouwkundig teeltmateriaal is geproduceerd;
28) “basismateriaal”: een plant, groep planten, bosbouwkundig teeltmateriaal, DNA-materiaal of genetische informatie van de kloon, of klonen in geval van een mengsel van klonen, die of dat dient als referentiemateriaal voor de controle van de identiteit van de kloon of klonen;
29) “poot”: een houtstek zonder wortels;
30) “in de handel brengen”: de volgende commerciële handelingen die door een professionele exploitant worden uitgevoerd: het al dan niet tegen betaling verkopen, voor verkoopdoeleinden of enige andere vorm van overdracht in bezit hebben of aanbieden of in de Unie verspreiden, met inbegrip van verzenden, of invoeren van bosbouwkundig teeltmateriaal; [Am. 29]
31) “professionele exploitant”: elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die zich, met de toestemming van de bevoegde autoriteiten, beroepshalve bezighoudt met één of meer van de volgende activiteiten, met het oog op de commerciële exploitatie van het bosbouwkundig teeltmateriaal: [Am. 30]
a) het produceren, waaronder telen, vermenigvuldigen en onderhouden van bosbouwkundig teeltmateriaal;
b) het in de handel brengen van het bosbouwkundig teeltmateriaal;
c) de opslag, verzameling, verzending en verwerking van het bosbouwkundig teeltmateriaal;
32) “bevoegde autoriteit”: de centrale of regionale autoriteit van een lidstaat of, indien van toepassing, de overeenkomstige autoriteit van een derde land, die verantwoordelijk is voor de organisatie van officiële controles, de registratie van uitgangsmateriaal, de certificering van bosbouwkundig teeltmateriaal en andere officiële activiteiten met betrekking tot de productie en het in de handel brengen van bosbouwkundig teeltmateriaal, of elke andere autoriteit waaraan die verantwoordelijkheid is opgedragen, overeenkomstig de wetgeving van de Unie;
33) “van bekende origine”: een categorie van bosbouwkundig teeltmateriaal dat is afgeleid van uitgangsmateriaal bestaande uit een binnen één herkomstgebied gelegen zaadbron of opstand, en dat aan de eisen van bijlage II voldoet;
34) “geselecteerd”: een categorie van bosbouwkundig teeltmateriaal dat is afgeleid van uitgangsmateriaal, bestaande uit een binnen één enkel herkomstgebied gelegen opstand, dat op populatieniveau aan fenotypische selectie is onderworpen en dat aan de eisen van bijlage III voldoet;
35) “gekeurd”: een categorie van bosbouwkundig teeltmateriaal dat is afgeleid van uitgangsmateriaal, bestaande uit zaadgaarden, ouderplanten van families, klonen of mengsels van klonen, waarvan de componenten individueel aan fenotypische selectie zijn onderworpen en die aan de eisen van bijlage IV voldoen;
36) “getest”: een categorie van bosbouwkundig teeltmateriaal dat is afgeleid van uitgangsmateriaal, bestaande uit opstanden, zaadgaarden, ouderplanten van families, klonen of mengsels van klonen, die aan de eisen van bijlage V voldoen;
37) “officiële certificering”: certificering van geselecteerd, gekeurd en getest bosbouwkundig teeltmateriaal van bekende origine, indien alle relevante inspecties en, in voorkomend geval, bemonstering en tests door de bevoegde autoriteit zijn uitgevoerd en is geconcludeerd dat het bosbouwkundig teeltmateriaal voldoet aan de desbetreffende voorschriften van deze verordening;
38) “categorie”: bosbouwkundig teeltmateriaal dat als materiaal van bekende origine of als geselecteerd, gekeurd of getest materiaal kan worden beschouwd;
39) “genetisch gemodificeerd organisme”: een genetisch gemodificeerd organisme zoals omschreven in artikel 2, punt 2, van Richtlijn 2001/18/EG, met uitzondering van organismen die zijn verkregen door middel van de genetische modificatietechnieken opgesomd in bijlage I B van Richtlijn 2001/18/EG;
40) “NGT-plant”: planten die zijn verkregen met bepaalde nieuwe genomische technieken zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 2, van Verordening (EU) [PB: gelieve de verwijzing naar de verordening betreffende met bepaalde nieuwe genomische technieken verkregen planten en de daarvan afgeleide levensmiddelen en diervoeders in te voegenOffice of Publications, please insert reference to Regulation on plants obtained by certain new genomic techniques and their food and feed] van het Europees Parlement en de Raad(23);
41) “zones voor de overdracht van zaad”: een gebied en/of hoogtegebieden die door de bevoegde autoriteiten zijn aangewezen voor de verplaatsing van bosbouwkundig teeltmateriaal dat tot de categorieën “van bekende origine” en “geselecteerd” behoort, naargelang van het geval rekening houdend met de oorsprong en herkomst van het bosbouwkundig teeltmateriaal, herkomstproeven, de omgevingsomstandigheden en prognoses voor klimaatverandering in de toekomst;
42) “inzetgebied voor zaadgaarden en ouderplanten van familie(s)”: het door de bevoegde autoriteiten aangewezen gebied waar bosbouwkundig teeltmateriaal dat tot de categorieën “gekeurd” en “getest” behoort, is aangepast aan de klimatologische en ecologische omstandigheden van dat gebied, naargelang van het geval rekening houdend met de locatie van de zaadgaarden, ouderplanten van familie(s) en de componenten ervan, de resultaten van herkomst- en nakomelingenproeven, de omgevingsomstandigheden en prognoses voor klimaatverandering in de toekomst; [Am. 31]
43) “inzetgebied voor klonen en mengsels van klonen”: het door de bevoegde autoriteiten aangewezen gebied waar bosbouwkundig teeltmateriaal dat tot de categorieën “gekeurd” en “getest” behoort, is aangepast aan de klimatologische en ecologische omstandigheden van dat gebied, naargelang van het geval rekening houdend met de oorsprong of herkomst van de kloon of klonen, de resultaten van herkomst-, nakomelingen- en kloonproeven en nakomelingenproeven, de omgevingsomstandigheden en prognoses voor klimaatverandering in de toekomst; [Am. 32]
44) “Forematis”: het informatiesysteem voor bosbouwkundig teeltmateriaal van de Commissie;
45) “natuurlijke regeneratie”: de vernieuwing van een bos door bomen die groeien uit zaden die ter plaatse zijn gevallen en gekiemdnatuurlijke processen, door natuurlijke inzaaiing, ontkieming, uitbotting of aflegging; [Am. 33]
46) “kwaliteitsorganismen”: plaagorganismen die aan alle volgende voorwaarden voldoen:
a) zij zijn geen EU-quarantaineorganismen, ZP-quarantaineorganismen of gereglementeerde niet-quarantaineorganismen in de zin van Verordening (EU) 2016/2031, noch plaagorganismen die onder de krachtens artikel 30, lid 1, van die verordening getroffen maatregelen vallen;
b) zij komen voor tijdens de productie of opslag van bosbouwkundig teeltmateriaal, en
c) hun aanwezigheid heeft een onaanvaardbaar negatief effect op de kwaliteit van het bosbouwkundig teeltmateriaal en een onaanvaardbaar economisch effect wat betreft het gebruik van dat teeltmateriaal in de Unie;
47) “nagenoeg vrij van plaagorganismen”: volledigkwaliteitsorganismen”: vrij van plaagorganismenkwaliteitsorganismen of een situatie waarin de aanwezigheid van kwaliteitsorganismen op het desbetreffende bosbouwkundig teeltmateriaal zo gering is dat die plaagorganismen geen negatief effect hebben op de kwaliteit van dat teeltmateriaal. [Am. 34]
HOOFDSTUK II
UITGANGSMATERIAAL EN DAARVAN AFGELEID BOWSBOUWKUNDIG TEELTMATERIAAL
Artikel 4
Goedkeuring van uitgangsmateriaal voor de productie van bosbouwkundig teeltmateriaal
1. Voor de productie van bosbouwkundig teeltmateriaal mag alleen door de bevoegde autoriteiten goedgekeurd uitgangsmateriaal worden gebruikt.
2. Uitgangsmateriaal dat bestemd is voor de productie van bosbouwkundig teeltmateriaal dat als “van bekende origine” moet worden gecertificeerd, wordt goedgekeurd indien het voldoet aan de voorschriften van bijlage II.
Uitgangsmateriaal dat bestemd is voor de productie van bosbouwkundig teeltmateriaal dat als “geselecteerd” moet worden gecertificeerd, wordt goedgekeurd indien het voldoet aan de voorschriften van bijlage III.
Uitgangsmateriaal dat bestemd is voor de productie van bosbouwkundig teeltmateriaal dat als “gekeurd” moet worden gecertificeerd, wordt goedgekeurd indien het voldoet aan de voorschriften van bijlage IV.
Uitgangsmateriaal dat bestemd is voor de productie van bosbouwkundig teeltmateriaal dat als “getest” moet worden gecertificeerd, wordt goedgekeurd indien het voldoet aan de voorschriften van bijlage V.
De beoordeling van de in de bijlagen II tot en met V vastgestelde voorschriften voor de goedkeuring van uitgangsmateriaal kan naast visuele inspecties, documentencontroles, tests en analysen of andere aanvullende methoden, ook het gebruik van biomoleculaire technieken omvatten, indien deze met het oog op de goedkeuring geschikter worden geacht.
Om rekening te houden met de klimatologische en ecologische omstandigheden wordt het uitgangsmateriaal voor alle categorieën beoordeeld op de in de bijlagen II tot en met V vermelde duurzaamheidskenmerken.
De goedkeuring van het uitgangsmateriaal wordt uitgevoerd onder verwijzing naar de goedgekeurde eenheid.
De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 26 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van de bijlagen II, III, IV en V wat betreft de voorschriften voor de goedkeuring van uitgangsmateriaal bestemd voor de productie van:
a) bosbouwkundig teeltmateriaal van de categorie “van bekende origine”, en met name de voorschriften inzake de typen uitgangsmateriaal, de effectieve populatieomvang, de oorsprong en het gebied van herkomst, en duurzaamheidskenmerken;
b) bosbouwkundig teeltmateriaal van de categorie “geselecteerd”, en met name de voorschriften inzake oorsprong, isolatie, effectieve populatieomvang, leeftijd en ontwikkelingsstadium, uniformiteit, duurzaamheidskenmerken, houtmassaproductie, houtkwaliteit en groeivorm of habitus;
c) bosbouwkundig teeltmateriaal van de categorie “gekeurd”, en met name de voorschriften inzake boomgaarden, ouderplanten van families, klonen en mengsels van klonen;
d) bosbouwkundig teeltmateriaal van de categorie “getest”, en met name de voorschriften inzake te onderzoeken eigenschappen, documentatie, opzet van de tests, analyse en geldigheid van de tests, genetische evaluatie van de componenten van het uitgangsmateriaal, vergelijkende tests van bosbouwkundig teeltmateriaal, voorlopige goedkeuring en verkennende tests.
e) bosbouwkundig teeltmateriaal overeenkomstig de voorschriften van Verordening (EU) 2018/848 van het Europees Parlement en de Raad. [Am. 35]
Bij die wijzigingen worden de regels voor de goedkeuring van uitgangsmateriaal aangepast aan de ontwikkeling van de wetenschappelijke en technische kennis en de ontwikkeling van de OESO-regeling voor bosbouwkundig zaaizaad en plantgoed en van andere toepasselijke internationale normen.
3. Alleen goedgekeurd uitgangsmateriaal wordt overeenkomstig artikel 12 in de vorm van een goedgekeurde eenheid in het nationale register opgenomen. Iedere goedgekeurde eenheid wordt met een uniek registratienummer in een nationaal register geïdentificeerd.
4. De goedkeuring van uitgangsmateriaal wordt ingetrokken indien niet langer aan de voorschriften van deze verordening wordt voldaan.
5. Het uitgangsmateriaal dat is bestemd voor de productie van bosbouwkundig teeltmateriaal van de categorieën “geselecteerd”, “gekeurd” en “getest”, wordt na de goedkeuring op regelmatige tijdstippen opnieuw onderzocht.
6. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 26 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van de bijlagen II, III, IV en V, met het oog op de aanpassing daarvan aan de ontwikkeling van de wetenschappelijke en technische kennis, in het bijzonder wat het gebruik van biomoleculaire technieken betreft, en van toepasselijke internationale normen.
Artikel 5
Voorschriften voor het in de handel brengen van bosbouwkundig teeltmateriaal dat is afgeleid van goedgekeurd uitgangsmateriaal
1. Bosbouwkundig teeltmateriaal dat is afgeleid van goedgekeurd uitgangsmateriaal wordt door professionele exploitanten overeenkomstig de volgende voorschriften in de handel gebracht: [Am. 36]
a) bosbouwkundig teeltmateriaal van de in bijlage I vermelde soorten mag alleen in de handel worden gebracht als het behoort tot de categorieën “van bekende origine”, “geselecteerd”, “gekeurd” of “getest” en is afgeleid van uitgangsmateriaal dat overeenkomstig artikel 4 is goedgekeurd en dat voldoet aan de voorschriften van respectievelijk de bijlagen II, III, IV en V;
b) bosbouwkundig teeltmateriaal van de in bijlage I vermelde kunstmatige hybriden mag alleen in de handel worden gebracht als het behoort tot de categorieën “geselecteerd”, “gekeurd” of “getest” en is afgeleid van uitgangsmateriaal dat overeenkomstig artikel 4 is goedgekeurd en dat voldoet aan de voorschriften van respectievelijk de bijlagen III, IV en V;
c) bosbouwkundig teeltmateriaal van de in bijlage I vermelde boomsoorten en kunstmatige hybriden die vegetatief worden vermeerderd, mag alleen in de handel worden gebracht als:
i) het behoort tot de categorieën “geselecteerd”, “gekeurd” of “getest”, en
ii) het is afgeleid van uitgangsmateriaal dat overeenkomstig artikel 4 is goedgekeurd en voldoet aan de voorschriften van respectievelijk de bijlagen III, IV en V;
iii) bosbouwkundig teeltmateriaal van de categorie “geselecteerd” mag alleen in de handel worden gebracht als het massaal uit zaad is geteeld;
d) bosbouwkundig teeltmateriaal van de in bijlage I vermelde boomsoorten en kunstmatige hybriden, dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit genetisch gemodificeerde organismen, mag alleen in de handel worden gebracht als:
i) het behoort tot de categorie “getest”; en
ii) het is afgeleid van uitgangsmateriaal dat overeenkomstig artikel 4 is goedgekeurd en voldoet aan de voorschriften van bijlage V; en
iii) het overeenkomstig artikel 19 van Richtlijn 2001/18/EG of de artikelen 7 en 19 van Verordening (EG) nr. 1829/2003 of, in voorkomend geval, in de respectieve lidstaat overeenkomstig artikel 26 ter van Richtlijn 2001/18/EG is toegelaten voor teelt in de Unie;
iii bis) het materiaal door de bevoegde autoriteit is goedgekeurd; [Am. 121]
iii ter) het is voorzien van een etiket met de woorden “Nieuwe genomische technieken” overeenkomstig artikel 10 van [PB: gelieve een verwijzing naar de op handen zijnde NGT-verordening in te voegen]. [Am. 122]
e) bosbouwkundig teeltmateriaal van de in bijlage I vermelde boomsoorten en kunstmatige hybriden dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit een NGT-plant van categorie 1 zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 7, van Verordening (EU) .../... [PB: gelieve de verwijzing naar NGT-verordening in te voegenOffice of Publications, please insert reference to NGT Regulation...], mag alleen in de handel worden gebracht indien:
i) het behoort tot de categorie “getest”, en
ii) het is afgeleid van uitgangsmateriaal dat overeenkomstig artikel 4 is goedgekeurd en voldoet aan de voorschriften van bijlage V, en
iii) de plant overeenkomstig artikel 6 of 7 van Verordening (EU) .../... [PB: gelieve de verwijzing naar NGT-verordening in te voegenOffice of Publications, please insert reference to NGT Regulation...] een verklaring betreffende de status van NGT-plant van categorie 1 heeft verkregen of nakomeling is van een dergelijk plant;
f) bosbouwkundig teeltmateriaal van de in bijlage I vermelde boomsoorten en kunstmatige hybriden mag alleen in de handel worden gebracht als het vergezeld gaat van een verwijzing naar het nummer van het basiscertificaat;
g) het voldoet aan de artikelen 36, 37, 40, 41, 42, 49, 53 en 54 van Verordening (EU) 2016/2031 betreffende EU-quarantaineorganismen, ZP-quarantaineorganismen, gereglementeerde niet-quarantaineorganismen en plaagorganismen waarop de maatregelen uit hoofde van artikel 30 van die verordening van toepassing zijn;
h) in het geval van zaden mag bosbouwkundig teeltmateriaal van de in bijlage I vermelde boomsoorten en kunstmatige hybriden alleen in de handel worden gebracht indien, naast de naleving van de punten a) tot en met g), informatie beschikbaar is over:
i) de zuiverheid;
ii) het kiempercentage van het zuivere zaad; indien er testprocedures worden uitgevoerd, kunnen de bevoegde autoriteiten een vergunning verlenen voor het in de handel brengen voordat de testresultaten bekend zijn; de leverancier is verplicht de testresultaten aan de koper mee te delen zodra deze beschikbaar zijn; [Am. 37]
iii) het duizendkorrelgewicht van het zuivere zaad;
iv) het aantal kiemkrachtige zaden per kilogram als zaad in de handel gebracht product, of, indien het aantal kiemkrachtige zaden niet of niet gemakkelijk binnen een beperkt tijdsbestek kan worden bepaald, het aantal levensvatbare zaden per kilogram, aan de hand van een specifieke methode. [Am. 38]
2. De categorieën waarin bosbouwkundig teeltmateriaal, verkregen uit de diverse typen uitgangsmateriaal, in de handel mag worden gebracht, zijn die van de tabel in bijlage VI.
3. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 26, lid 2, gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van de tabel in bijlage VI met betrekking tot de categorieën waaronder bosbouwkundig teeltmateriaal van de verschillende soorten uitgangsmateriaal in de handel mag worden gebracht.
Daarbij worden die categorieën aangepast aan de ontwikkeling van de wetenschappelijke en technische kennis en van de relevante internationale normen.
Artikel 6
Voorschriften voor bosbouwkundig teeltmateriaal dat is afgeleid van uitgangsmateriaal dat bestemd is voor de instandhouding van genetische hulpbronnen in de bosbouw
Bosbouwkundig teeltmateriaal dat is afgeleid van uitgangsmateriaal waarop de afwijking van artikel 18 van toepassing is, mag in de handel worden gebracht indien aan alle volgende voorwaarden is voldaan:
a) bosbouwkundig teeltmateriaal van de in bijlage I vermelde soorten mag alleen in de handel worden gebracht als het behoort tot de categorie “van bekende origine”;
b) de oorsprong van het bosbouwkundig teeltmateriaal is van nature aangepast aan de lokale en regionale omstandigheden, of in voorkomend geval aangepast aan de doelstelling van ondersteunde migratie; en [Am. 39]
c) het bosbouwkundig teeltmateriaal is verzameld van alleeen maximaal aantal exemplaren van het uitgangsmateriaal waarvan kennisgeving is gedaan., die voldoende talrijk zijn om de genetische diversiteit van de soort te beschermen; [Am. 40]
c bis) voor soorten waarbij vegetatieve vermeerdering in het algemeen wordt gebruikt voor de instandhouding van de genetische hulpbronnen van bossen, wordt een mengsel van een voldoende gevarieerd scala aan klonen gebruikt teneinde de genetische diversiteit te behouden. [Am. 124]
Artikel 7
Tijdelijke vergunning voor het in de handel brengen van bosbouwkundig teeltmateriaal dat is afgeleid van uitgangsmateriaal dat niet aan de categorievereisten voldoet
1. Na de vaststelling van de in lid 2 bedoelde gedelegeerde handeling kunnen de bevoegde autoriteiten een tijdelijke vergunning verlenen voor het in de handel brengen van bosbouwkundig teeltmateriaal dat is afgeleid van goedgekeurd uitgangsmateriaal dat niet aan alle voorschriften betreffende de passende categorie zoals bedoeld in artikel 5, lid 1, punten a), b) en c), voldoet. [Am. 41]
De bevoegde autoriteiten van de desbetreffende lidstaat stellen de Commissie en de andere lidstaten in kennis van die tijdelijke vergunningen en van de redenen voor het verlenen ervan.
2. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 26 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot aanvulling van dit artikel door de voorwaarden vast te stellen voor het verlenen van de tijdelijke vergunning aan de desbetreffende lidstaat.
Deze voorwaarden omvatten:
a) de rechtvaardiging van het verlenen van die vergunning om de verwezenlijking van de doelstellingen van deze verordening te waarborgen;
b) de maximale duurtermijn van de vergunning; [Am. 42]
c) verplichtingenminimumeisen met betrekking tot officiële controles van de professionele exploitanten die die vergunning aanvragen; [Am. 43]
d) de vorm en inhoud van de in lid 1 bedoelde kennisgeving.
Artikel 8
Bijzondere voorschriften voor bepaalde soorten, categorieën en typen bosbouwkundig teeltmateriaal
De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 26 gedelegeerde handelingen vast te stellen ter aanvulling, waar nodig, van deze verordening wat betreft de voorschriften voor elk type, elke soort of elke categorie bosbouwkundig teeltmateriaal:
a) met betrekking tot partijen vruchten en zaden van de in bijlage I vermelde soorten, wat de soortzuiverheid betreft;
b) met betrekking tot delen van planten van de in bijlage I vermelde soorten en kunstmatige hybriden, wat de kwaliteit in verband met de algemene eigenschappen, gezondheidstoestand en omvang betreft;
c) voor de normen voor de uitwendige kwaliteit van door middel van houtstekken of poten vermeerderde Populus spp., wat gebreken en minimumafmetingen voor houtstekken en poten betreft;
d) met betrekking tot plantgoed van de in bijlage I vermelde soorten en kunstmatige hybriden, wat de kwaliteit in verband met de algemene eigenschappen, gezondheidstoestand, vitaliteit en fysiologische kwaliteit betreft;
e) met betrekking tot plantgoed dat bestemd is te worden verhandeld aan gebruikers in gebieden met een mediterraan klimaat, wat gebreken, omvang en leeftijd van de planten en, in voorkomend geval, omvang van de recipiënt betreft.
Die gedelegeerde handeling is gebaseerd op de ervaring die is opgedaan bij de toepassing van de voorschriften naargelang van elk type, elke soort of elke categorie bosbouwkundig teeltmateriaal wat betreft de bepalingen inzake inspecties, bemonstering en tests, en isolatieafstanden. Zij past die voorschriften aan op basis van de ontwikkeling van de respectieve internationale normen, de technische en wetenschappelijke ontwikkelingen of de klimatologische en ecologische ontwikkelingen.
Artikel 9
Noodplan en nationaal register
1. Elke lidstaat stelt een of meer noodplannen op om te zorgen voor een toereikende levering van bosbouwkundig teeltmateriaal voor de herbebossing van gebieden die zijn getroffen door extreme weersomstandigheden, bosbranden, uitbraken van ziekten en plagen, rampen of andere gebeurtenissen, voor zover deze relevant zijn en geïdentificeerd zijn in de nationale risicobeoordelingen die overeenkomstig artikel 6, lid 1, van Besluit 1313/2013/EU(24) zijn ontwikkeld. Op verzoek van de lidstaat stelt de Commissie technische ondersteuning ter beschikking voor het opstellen van het noodplan. [Am. 44]
Dat noodplan wordt opgesteld voor de in bijlage I vermelde boomsoorten en kunstmatige hybriden daarvan die door de lidstaten geschikt worden geacht voor dehun huidige en voorspelde klimatologische en ecologische omstandigheden van de betrokken lidstaat. [Am. 45]
In het noodplan wordt rekening gehouden met de voorspelde toekomstige verspreiding van de desbetreffende boomsoorten en kunstmatige hybriden daarvan, op basis van nationale en/of regionale simulatiemodellen voor klimaatverandering voor de betrokken lidstaat.
In het noodplan wordt rekening gehouden met de mogelijkheid dat de getroffen gebieden de nationale grenzen overschrijden, en de betrokken lidstaat werkt samen met andere lidstaten om te zorgen voor een toereikende preventieve voorziening van bosbouwkundig teeltmateriaal voor getroffen gebieden die de grenzen overschrijden. [Am. 46]
2. De lidstaten raadplegen in een passend stadium alle betrokken belanghebbenden bij het opstellen en actualiseren van de noodplannen.
3. Elk noodplan bevat informatie betreffende:
a) de taken en verantwoordelijkheden van de instanties die betrokken zijn bij de uitvoering van het noodplan bij elke gebeurtenis die een ernstig tekort aan bosbouwkundig teeltmateriaal tot gevolg heeft, alsmede de hiërarchische opbouw en de procedures voor de coördinatie van de maatregelen die worden genomen door de bevoegde autoriteiten, andere openbare autoriteiten, gemachtigde instanties of betrokken natuurlijke personen, laboratoria en professionele exploitanten, in voorkomend geval met inbegrip van de coördinatie met aangrenzende lidstaten en aangrenzende derde landen;
a bis) vaststelling van de kwetsbaarheden en preventieve maatregelen, zoals de beveiliging van zaadopslaglocaties en kwekerijen en de uitbreiding van het aantal opslaglocaties en kwekerijen; [Am. 47]
b) toegang van de bevoegde autoriteiten tot voorraden bosbouwkundig teeltmateriaal die in stand zijn gehouden met het oog op noodplanning, bedrijfsruimten van professionele exploitanten, met name boskwekerijen en laboratoria die bosbouwkundig teeltmateriaal produceren, andere relevante exploitanten en natuurlijke personen;
c) de toegang van bevoegde autoriteiten, indien nodig, tot uitrusting, personeel, externe expertise en middelen die nodig zijn voor de snelle en doeltreffende activering van het noodplan;
d) maatregelen met betrekking tot het verstrekken van informatie aan de Commissie, de overige lidstaten, de betrokken professionele exploitanten en het publiek over het ernstige tekort aan bosbouwkundig teeltmateriaal en de maatregelen ter verhelping van het tekort indien een ernstig tekort aan bosbouwkundig teeltmateriaal officieel wordt bevestigd of wordt vermoed;
e) de regelingen voor het registreren van bevindingen over ernstige tekorten aan bosbouwkundig teelmateriaal;
f) de beschikbare beoordelingen van de lidstaat met betrekking tot het risico op een ernstig tekort aan bosbouwkundig teeltmateriaal voor zijn grondgebied en de mogelijke gevolgen daarvan voor de gezondheid van mensen, dieren en planten, en voor het milieu;
g) beginselen voor de geografische afbakening van het gebied of de gebieden waar zich een ernstig tekort aan bosbouwkundig teeltmateriaal heeft voorgedaan;
h) de beginselen inzake de opleiding van het personeel van de bevoegde autoriteiten en, in voorkomend gevalvoor zover aanwezig en relevant, de instanties, openbare autoriteiten, laboratoria, professionele exploitanten en andere personen zoals bedoeld in punt a). [Am. 48]
De lidstaten evalueren hun noodplannen regelmatig en actualiseren deze waar nodig, om rekening te houden met de technische en wetenschappelijke ontwikkelingen met betrekking tot simulatiemodellen voor klimaatverandering met het oog op de voorspelde toekomstige verspreiding van de desbetreffende boomsoorten en kunstmatige hybriden daarvan.
4. De lidstaten zetten een nationaal register als bedoeld in artikel 12, op dat: [Am. 49]
a) de in bijlage I vermelde boomsoorten en kunstmatige hybriden bevat die relevant zijn voor de huidige klimatologische en ecologische omstandigheden van de betrokken lidstaat;
b) rekening houdt met de verwachte toekomstige verspreiding van die boomsoorten en kunstmatige hybriden daarvan.
Binnen vier jaar na de datum van oprichting van de nationale registers stellen de lidstaten noodplannen op voor de soorten en kunstmatige hybriden die in hun registers zijn opgenomen.
5. De lidstaten werken met elkaar en met alle relevante belanghebbenden samen bij de opstelling van hun noodplannen, op basis van een uitwisseling van beste praktijken en ervaringen die bij de ontwikkeling van die plannen zijn opgedaan.
6. De lidstaten stellen hun noodplannen door middel van bekendmaking in Forematis ter beschikking van de Commissie, de andere lidstaten en alle relevante professionele exploitanten.
HOOFDSTUK III
REGISTRATIE VAN PROFESSIONELE EXPLOITANTEN EN UITGANGSMATERIAAL, EN AFBAKENING VAN DE HERKOMSTGEBIEDEN
Artikel 10
Verplichtingen voor professionele exploitanten
1. Professionele exploitanten zijn overeenkomstig artikel 65 van Verordening (EU) 2016/2031 ingeschreven in een register zoals bedoeld in artikel 66 van die verordening.
Zij zijn gevestigd in de Uniebetrokken lidstaat en zijn toegestaan door de bevoegde autoriteit. [Am. 50]
2. Professionele exploitanten stellen allede nodige informatie over de geschiktheididentiteit van hun bosbouwkundig teeltmateriaal voor de huidige en verwachte toekomstigealsook informatie over de geschiktheid ervan voor klimatologische en ecologische omstandigheden op basis van de beschikbare kennis en gegevens, ter beschikking van de bevoegde autoriteit en de gebruikers van dat teeltmateriaal. Voorafgaand aan de overdracht van het desbetreffende teeltmateriaal wordt Die informatie wordt in overeenstemming met de richtsnoeren van de bevoegde autoriteiten via websites, plantersgidsen en andere passende middelen aan de potentiële koper verstrekt, voorafgaand aan de overdracht van het desbetreffende teeltmateriaal. [Am. 51]
Artikel 11
Afbakening van herkomstgebieden voor bepaalde categorieën
Voor de desbetreffende soorten uitgangsmateriaal dat voor de productie van bosbouwkundig teeltmateriaal van de categorieën “van bekende origine” en “geselecteerd” is bestemd, bakenen de lidstaten de herkomstgebieden af.
De bevoegde autoriteiten stellen kaarten op die zij op hun website publiceren, waarop de afbakening van de herkomstgebieden is aangegeven. Zij stellen die kaarten via Forematis ter beschikking van de Commissie en de andere lidstaten.
Artikel 12
Nationaal register en nationale lijsten van uitgangsmateriaal
1. Elke lidstaat zorgt voor de opstelling, bekendmaking en actualisering van een nationaal register, in elektronische vorm, van het uitgangsmateriaal van de verschillende soorten die overeenkomstig de artikelen 4 en 19 op zijn grondgebied zijn goedgekeurd en waarvan overeenkomstig artikel 18 kennis is gegeven.
Dat register bevat alle gegevens van elke goedgekeurde eenheid uitgangsmateriaal, samen met het unieke registratienummer.
In afwijking van artikel 4 registreren de bevoegde autoriteiten het uitgangsmateriaal dat vóór... [PB: gelieve de datum van inwerkingtreding van deze verordening in te voegenOJ, please, insert the date of the of this Regulation] was opgenomen in hun respectieve nationale registers zoals bedoeld in artikel 10, lid 1, van Richtlijn 1999/105/EG, onmiddellijk in hun nationale registers, zonder de registratieprocedure van dat artikel toe te passen.
2. Elke lidstaat zorgt voor de opstelling, bekenmaking en actualisering van een nationale lijst van uitgangsmateriaal, die als samenvatting van het nationale register wordt gepresenteerd. Elke lidstaat stelt die lijst via Forematis ter beschikking van de Commissie en de andere lidstaten.
3. De lidstaten stellen de nationale lijst op volgens een gemeenschappelijk model voor elke goedgekeurde eenheid van uitgangsmateriaal. Voor de categorieën “van bekende origine” en “geselecteerd” mag deze slechts een beknopte beschrijving van het uitgangsmateriaal bevatten, op basis van de herkomstgebieden.
De nationale plannen moeten met name de volgende gegevens bevatten:
a) de botanische naam;
b) de categorie;
c) het type uitgangsmateriaal: [Am. 52]
d) de vermelding in het register of, in voorkomend geval, de samenvatting dan wel de individuele code van het herkomstgebied;
e) de locatie van het uitgangsmateriaal; in voorkomend geval een bondige aanduiding, en de volgende bijzonderheden:
i) voor de categorie “van bekende origine”: het herkomstgebied en het geografische lengte-, breedte- en hoogte-interval;
ii) voor de categorie “geselecteerd”: het herkomstgebied en de geografische ligging ervan, zoals bepaald door de lengte-, breedte- en hoogtecoördinaat of door het lengte-, breedte- en hoogte-interval;
iii) voor de categorie “gekeurd”: de exacte geografische ligging van de plaats(en) waar het uitgangsmateriaal wordt gehouden, zoals bepaald door de lengte-, breedte- en hoogtecoördinaat;
iv) voor de categorie “getest”: de exacte geografische ligging van de plaats(en) waar het uitgangsmateriaal wordt gehouden, zoals bepaald door de lengte-, breedte- en hoogtecoördinaat;
f) oppervlakte: de omvang van de zaadbron(nen), opstand(en) of zaadgaarde(n);
g) oorsprong:
i) vermelding of het uitgangsmateriaal al dan niet autochtoon/inheems is, dan wel of de oorsprong ervan onbekend is;
ii) bij niet-autochtoon/niet-inheems uitgangsmateriaal, een vermelding van de oorsprong, indien bekend;
h) doel van het gebruik van het bosbouwkundig teeltmateriaal;
i) voor bosbouwkundig teeltmateriaal van de categorie “getest”: een vermelding of het teeltmateriaal:
i) genetisch gemodificeerd is, of
ii) een NGT-plant is;
j) voor de categorieën “gekeurd’ en “getest”: informatie over het oogstgebied dat is gebruikt voor de plaats van productie van de kloon of het mengsel van klonen, indien van toepassing.; [Am. 53]
j ter) indien van toepassing, de intellectuele-eigendomsrechten die op het bosbouwkundig teeltmateriaal rusten. [Am. 134]
Artikel 13
Unielijst van goedgekeurd uitgangsmateriaal
1. Op basis van de door de lidstaten overeenkomstig artikel 12 verstrekte nationale lijsten kan de Commissie een lijst publiceren, met als titel: “Unielijst van goedgekeurd uitgangsmateriaal voor de productie van bosbouwkundig teeltmateriaal”.
Die lijst wordt in elektronische vorm beschikbaar gesteld via Forematis.
2. De lijst bevat de gegevens van de in artikel 12, lid 1, bedoelde nationale lijsten en geeft het gebruiksgebied aan. [Am. 55]
Artikel 13 bis
Productie van uitgangsmateriaal
1. De traceerbaarheid wordt gewaarborgd vanaf het verzamelen van bosbouwkundig teeltmateriaal tot het in de handel brengen ten behoeve van de eindgebruiker.
2. Professionele exploitanten stellen de bevoegde autoriteit voor het oogsten van bosbouwkundig teeltmateriaal in kennis van hun voornemen om te oogsten zodat de bevoegde autoriteit controles kan verrichten.
3. Professionele exploitanten dienen gegevens in bij de bevoegde autoriteit om de oogst van bosbouwkundig teeltmateriaal te documenteren.
4. Verwijdering van de oogstplaats is alleen toegestaan met een basiscertificaat.
5. Met het oog op een zo groot mogelijke genetische diversiteit in de volledige partij zaden zorgt degene die de zaden oogst ervoor dat de partij zaden in alle stadia van de verwerking grondig wordt gemengd vóór het in de handel brengen of zaaien. [Am. 56]
HOOFDSTUK IV
BASISCERTIFICAAT, ETIKETTERING EN VERPAKKING
Artikel 14
Basiscertificaat van identiteit
1. De bevoegde autoriteiten geven, op aanvraag van een professionele exploitant, na het oogsten van het bosbouwkundig teeltmateriaal van goedgekeurd uitgangsmateriaal, voor al het geoogste bosbouwkundig teeltmateriaal een basiscertificaat van identiteit af met het unieke registratienummer van het uitgangsmateriaal.
In het basiscertificaat wordt bevestigd dat aan de eisen van artikel 4, lid 2, is voldaan en dat het bosbouwkundig teeltmateriaal is afgeleid van goedgekeurd uitgangsmateriaal. [Am. 57]
De Commissie stelt door middel van een uitvoeringshandeling de inhoud en het model voor het basiscertificaat van identiteit voor bosbouwkundig teeltmateriaal vast:
a) model van het basiscertificaat voor bosbouwkundig teeltmateriaal dat is afgeleid van zaadbronnen en opstanden;
b) model van het basiscertificaat voor bosbouwkundig teeltmateriaal dat is afgeleid van zaadgaarden of ouderplanten of families; en
c) model van het basiscertificaat voor bosbouwkundig teeltmateriaal dat is afgeleid van klonen en mengsels van klonen;.
c bis) model van het basiscertificaat voor bosbouwkundig teeltmateriaal dat is afgeleid van een mengsel. [Am. 58]
Die uitvoeringshandeling wordt volgens de in artikel 27, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
2. Wanneer een lidstaat overeenkomstig artikel 15, lid 2, maatregelen neemt met betrekking tot verdere vegetatieve vermeerdering, wordt een nieuw basiscertificaat afgegeven.
3. Wanneer overeenkomstig artikel 15, lid 3, menging plaatsvindt, dragen de lidstaten er zorg voor dat de registervermeldingen van de componenten van het mengsel identificeerbaar blijven, en wordt voor het mengsel een nieuw basiscertificaat of een ander document ter identificatie van het mengsel afgegeven.
4. Wanneer een partij als bedoeld in artikel 15, lid 1, wordt onderverdeeld in kleinere partijen die niet uniform worden verwerkt en vervolgens vegetatief worden vermeerderd, wordt een nieuw basiscertificaat afgegeven waarin het vorige referentienummer van het basiscertificaat wordt vermeld.
4 bis. In het geval van een mengsel doet de professionele exploitant vooraf een kennisgeving van de menging aan de bevoegde autoriteit zodat de bevoegde autoriteit toezicht kan uitoefenen op het mengproces. [Am. 59]
5. Een basiscertificaat kan ook in elektronische vorm worden afgegeven (“elektronisch basiscertificaat”).
De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingen technische regelingen bepalen voor de afgifte van elektronische basiscertificaten, om ervoor te zorgen dat zij voldoen aan dit artikel en om een passende, geloofwaardige en doeltreffende procedure voor de afgifte van die elektronische basiscertificaten te verzekeren. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 27, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
6. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 26 gedelegeerde handelingen vast te stellen die dit artikel aanvullen door het vastleggen van voorschriften inzake:
a) de digitale registratie van alle maatregelen die de professionele exploitant en de bevoegde autoriteiten hebben genomen bij het afgeven van het basiscertificaat, en
b) de oprichting van een gecentraliseerd platform dat alle lidstaten en de Commissie met elkaar verbindt, om de verwerking van, de toegang tot en het gebruik van die geregistreerde gegevens te vergemakkelijken.
6 bis. Elke lidstaat stelt een nationale lijst op van afgegeven basiscertificaten, werkt deze regelmatig bij en stelt deze lijst ter beschikking van de Commissie en de bevoegde autoriteiten. [Am. 60]
Artikel 15
Partijen
1. Het bosbouwkundig teeltmateriaal wordt in alle stadia van de productie gescheiden gehouden naar individuele goedgekeurde eenheden van het uitgangsmateriaal en het basiscertificaat, indien dit is afgegeven, om te waarborgen dat het bosbouwkundig teeltmateriaal kan worden herleid tot het goedgekeurde uitgangsmateriaal waarvan het is geoogst. Het bosbouwkundig teeltmateriaal wordt geoogst van die afzonderlijke goedgekeurde eenheden en in de handel gebracht in partijen die voldoende homogeen zijn en als verschillend van andere partijen bosbouwkundig teeltmateriaal zijn geïdentificeerd. [Am. 61]
Iedere partij bosbouwkundig teeltmateriaal wordt geïdentificeerd aan de hand van:
a) het partijnummerde partijcode; [Am. 62]
a bis) beoogde toepassing; [Am. 63]
b) de code en het nummer van het basiscertificaat;
c) de botanische naam;
d) de categorie bosbouwkundig teeltmateriaal;
e) het type uitgangsmateriaal: [Am. 64]
f) de vermelding in het register of de individuele code van het herkomstgebied;
g) het herkomstgebied voor bosbouwkundig teeltmateriaal van de categorieën “van bekende origine” en “geselecteerd” en, indien passend, voor ander bosbouwkundig teeltmateriaal;
h) zo nodig, de vermelding of de oorsprong van het uitgangsmateriaal autochtoon/inheems dan wel niet-autochtoon/niet-inheems is, dan wel of de oorsprong ervan onbekend is;
i) in het geval van zaadeenheden, het rijpingsjaar, de zuiverheid, het kiempercentage van het zuivere zaad, het duizendkorrelgewicht van het zuivere zaad, het aantal kiemkrachtige zaden per kilogram en de naam van het station voor zaadcontrole; [Am. 65]
j) de leeftijd en het type van het uit zaailingen of stekken bestaande plantgoed en de vermelding of het afgepende, verspeende of in een container verpakte exemplaren betreft;
k) voor de categorie “getest”, of het bosbouwkundig teeltmateriaal:
i) genetisch gemodificeerd is,
ii) een NGT-plant is;.
k bis) indien van toepassing, de intellectuele-eigendomsrechten die op het bosbouwkundig teeltmateriaal rusten. [Am. 135]
2. Onverminderd lid 1 van dit artikel en artikel 5, lid 1, punt c), houden de lidstaten bosbouwkundig teeltmateriaal dat later verder zal worden vermeerderd, gescheiden en duiden zij het als zodanig aan. Dergelijk bosbouwkundig teeltmateriaal is geoogst uit één enkele goedgekeurde eenheid van de categorieën “geselecteerd”, “gekeurd” en “getest”. In dergelijke gevallen behoort het geproduceerde bosbouwkundig teeltmateriaal tot dezelfde categorie als het oorspronkelijke bosbouwkundig teeltmateriaal.
3. Onverminderd lid 1 gelden voor het mengen van bosbouwkundig teeltmateriaal de volgende voorwaarden, naargelang het geval:
a) binnen de categorieën “van bekende origine” of “geselecteerd” is menging van toepassing op teeltmateriaal dat afkomstig is van twee of meer goedgekeurde eenheden binnen één enkel gebied van herkomst;
b) in geval van menging van bosbouwkundig teeltmateriaal binnen één enkel herkomstgebied dat verkregen is uit zaadbronnen en opstanden van de categorie “van bekende origine”, wordt de nieuwe gecombineerde partij gecertificeerd als “teeltmateriaal afgeleid van een zaadbron”;
c) in geval van menging van bosbouwkundig teeltmateriaal dat van niet-autochtoon of van niet-inheems uitgangsmateriaal is afgeleid, met teeltmateriaal dat uit uitgangsmateriaal van onbekende oorsprong is verkregen, wordt de nieuwe gecombineerde partij als “van onbekende oorsprong” gecertificeerd;
d) in geval van menging van bosbouwkundig teeltmateriaal dat in verschillende rijpingsjaren van één enkele goedgekeurde eenheid is afgeleid, worden de werkelijke rijpingsjaren en het relatieve aandeel van het bosbouwkundig teeltmateriaal van elk jaar geregistreerd.
In geval van menging overeenkomstig lid 1, punten a), b) of c), mag de identiteitscode van het herkomstgebied worden vervangen door de in lid 1, punt f), bedoelde vermelding in het register.
Artikel 16
Officieel etiket
1. De bevoegde autoriteit of de professionele exploitant onder officieel toezicht van een bevoegde autoriteit geeft voor elke partij bosbouwkundig teeltmateriaal een officieel etiket af waaruit blijkt dat dat bosbouwkundig teeltmateriaal voldoet aan de in artikel 5 bedoelde eisen. [Am. 66]
1 bis. Het officiële etiket wordt afgedrukt door:
a) de bevoegde autoriteit, op verzoek van de professionele exploitant; of
b) de professionele exploitant, onder officieel toezicht van de bevoegde autoriteit. [Am. 67]
2. De bevoegde autoriteiten staan de professionele exploitant toe het officiële etiket af te drukken nadat de bevoegde autoriteit heeft bevestigd dat dat bosbouwkundig teeltmateriaal aan de in artikel 5 bedoelde eisen voldoet. De professionele exploitant wordt toegestaan dathet officiële etiket af te geven en/of af te drukken indien de bevoegde autoriteit op basis van een audit tot de conclusie is gekomen dat de exploitant over devoldoende bekwaamheid, infrastructuur en middelen beschikt om het officiële etiket af te drukken. [Am. 68]
3. De bevoegde autoriteit voert regelmatig controles uit om na te gaan of de professionele exploitant voldoet aan de in lid 2 bedoelde eisen.
Indien de bevoegde autoriteit na het verlenen van de in lid 2 bedoelde toestemming vaststelt dat een professionele exploitant niet aan de in dat lid bedoelde eisen voldoet, trekt zij de toestemming onverwijld in of wijzigt zij deze, naargelang van het geval.
4. Naast de uit hoofde van artikel 15, lid 1, vereiste informatie bevat het officiële etiket of een ander document van de leverancier met de krachtens dat artikel vereiste informatie, alle volgende informatie: [Am. 69]
a) de nummers van de overeenkomstig artikel 14 afgegeven basiscertificaten of een verwijzing naar het in artikel 14, lid 3, bedoelde andere document ter identificatie van het mengsel;
b) de naamnamen van de professionele exploitantexploitanten die leveren, met inbegrip van hun adres en registratienummer, en de namen van de ontvangers met inbegrip van hun adres; [Am. 70]
c) de geleverde hoeveelheid;
d) in het geval van bosbouwkundig teeltmateriaal van de categorie “getest” waarvan het uitgangsmateriaal krachtens artikel 4 is goedgekeurd, de woorden: “voorlopig goedgekeurd”;
e) of het bosbouwkundig teeltmateriaal vegetatief vermeerderd is.;
e bis) een QR-code met instructies voor het verzorgen, opslaan en planten van het bosbouwkundig teeltmateriaal. [Am. 71]
5. De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingen de volgende elementen van het officiële etiket vaststellen:
a) de inhoud van het officiële etiket;
b) aanvullende informatie in het geval van zaad en kleine hoeveelheden zaad;
c) de kleur van het etiket voor specifieke categorieën of andere soorten bosbouwkundig teeltmateriaal; [Am. 72]
d) aanvullende informatie in het geval van specifieke geslachten of soorten;.
d bis) een aanduiding of het materiaal het product is van genetische modificatie in het kader van Richtlijn 2001/18/EG. [Am. 136]
Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 27, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
5 bis. Indien de professionele exploitant een gekleurd etiket of document gebruikt met betrekking tot een categorie bosbouwkundig teeltmateriaal, komt de kleur van het etiket of document van de leverancier overeen met de in bijlage VI aangegeven kleur. [Am. 73]
6. Een officieel etiket kan ook in elektronische vorm worden afgegeven (“elektronisch officieel etiket”).
De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingen technische regelingen bepalen voor de afgifte van elektronische officiële etiketten, om ervoor te zorgen dat zij voldoen aan dit artikel en om een passende, geloofwaardige en doeltreffende procedure voor de afgifte van die officiële etiketten te verzekeren. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 27, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
7. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 26 gedelegeerde handelingen vast te stellen die dit artikel aanvullen door het vastleggen van voorschriften inzake:
a) de digitale registratie van alle maatregelen die de professionele exploitanten en de bevoegde autoriteiten hebben genomen bij het afgeven van de officiële etiketten;
b) de oprichting van een gecentraliseerd platform dat de lidstaten en de Commissie met elkaar verbindt, om de verwerking van, de toegang tot en het gebruik van die geregistreerde gegevens te vergemakkelijken.
Artikel 17
Verpakkingen van zaadeenheden
Zaadeenheden mogen alleen in de handel worden gebracht in verzegelde verpakkingen die na het openen ervan onbruikbaar worden. Om verrotting van het bosbouwkundig teeltmateriaal te voorkomen mag het verpakkingsmateriaal van de verzegelde verpakking worden aangepast aan de behoeften van het bosbouwkundig teeltmateriaal in kwestie. [Am. 74]
HOOFDSTUK V
AFWIJKINGEN VAN ARTIKEL 4
Artikel 18
Afwijking van de goedkeuringsverplichting voor uitgangsmateriaal dat bestemd is voor de instandhouding van genetische hulpbronnen in de bosbouw
1. In afwijking van artikel 4, leden 1 en 2, is de registratie in het nationale register van uitgangsmateriaal dat bestemd is voor de instandhouding van genetische hulpbronnen in de bosbouw niet onderworpen aan goedkeuring door de bevoegde autoriteiten.
2. Elke professionele exploitant die uitgangsmateriaal registreert dat is bestemd voor de instandhouding van genetische hulpbronnen in de bosbouw, stelt de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat daarvan in kennis.
3. De kennisgeving van uitgangsmateriaal aan de bevoegde autoriteiten als bedoeld in lid 1 gebeurt volgens het formaat van Forematis.
De kennisgeving van het uitgangsmateriaal gebeurt onder verwijzing naar de eenheid van kennisgeving.
Iedere eenheid van kennisgeving wordt met een uniek registratienummer in een nationaal register geïdentificeerd.
Die kennisgeving bevat de volgendein artikel 12, lid 3, bedoelde informatie:.
a) de botanische naam;
b) de categorie;
c) het uitgangsmateriaal:
d) de vermelding in het register of, in voorkomend geval, de samenvatting dan wel de individuele code van het herkomstgebied;
e) de locatie: een korte naam, indien van toepassing, het herkomstgebied en het lengte-, breedte- en hoogte-interval;
f) oppervlakte: de omvang van de zaadbronnen of opstanden;
g) oorsprong: vermelding of het uitgangsmateriaal al dan niet autochtoon/inheems is, dan wel of de oorsprong ervan onbekend is. Bij niet-autochtoon/niet-inheems uitgangsmateriaal, een vermelding van de oorsprong, indien bekend;
h) de beoogde toepassing: instandhouding en duurzaam gebruik van genetische hulpbronnen. [Am. 75]
4. De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingen de specifieke voorwaarden met betrekking tot de vereisten en de inhoud van die kennisgeving vaststellen. Bij de vaststelling van die uitvoeringshandelingen wordt rekening gehouden met de ontwikkeling van toepasselijke internationale normen en wordt de in artikel 27, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure gevolgd.
Artikel 19
Goedkeuring door professionele exploitanten van uitgangsmateriaal dat bestemd is voor de productie van bosbouwkundig teeltmateriaal van de categorie “van bekende origine”
In afwijking van artikel 4, leden 1 en 2, mogen de lidstaten professionele exploitanten toestaan om, voor bepaalde soorten, uitgangsmateriaal dat bestemd is voor de productie van bosbouwkundig teeltmateriaal van de categorie “van bekende origine” goed te keuren indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:
a) het gebied van herkomst waar het uitgangsmateriaal zich bevindt, is onderhevig aan extreme weersomstandigheden, en
b) die weersomstandigheden hebben gevolgen voor de voortplantingscyclus van het uitgangsmateriaal en verlagen de frequentie van het oogsten van bosbouwkundig teeltmateriaal uit dat uitgangsmateriaal.
De Commissie moet van de toestemming van de lidstaten moet door de Commissiein kennis worden goedgekeurdgesteld. [Am. 76]
Artikel 20
Voorlopige goedkeuring van uitgangsmateriaal dat bestemd is voor de productie van bosbouwkundig teeltmateriaal van de categorie “getest”
In afwijking van artikel 4, lid 2, mogen de lidstaten voor een periode van ten hoogste tien jaar op hun gehele grondgebied of op een gedeelte daarvan de goedkeuring van uitgangsmateriaal voor de productie van bosbouwkundig teeltmateriaal van de categorie “getest” toestaan indien op basis van de voorlopige resultaten van de in bijlage V bedoelde genetische waardebepaling of vergelijkende tests mag worden verondersteld dat dat uitgangsmateriaal, wanneer de tests zullen zijn voltooid, aan de toelatingseisen van deze verordening zal voldoen.
Artikel 21
Tijdelijke moeilijkheden bij de levering
1. Om tijdelijke moeilijkheden bij de algemene voorziening met bosbouwkundig teeltmateriaal in een of meer lidstaten te overwinnen, kan de Commissie, op verzoek van ten minste één getroffen lidstaat, de lidstaten tijdelijk toestaan om door middel van een uitvoeringshandeling toestemming te verlenen voor het in de handel brengen van bosbouwkundig teeltmateriaal van een of meer soorten die zijn afgeleid van uitgangsmateriaal dat aan minder strenge eisen voldoet dan die van artikel 4, leden 1 en 2.
2. Wanneer de Commissie handelt overeenkomstig lid 1, wordt op het overeenkomstig artikel 16, lid 1, afgegeven officiële etiket vermeld dat het desbetreffende bosbouwkundig teeltmateriaal is afgeleid van uitgangsmateriaal dat aan minder strenge eisen voldoet dan die van artikel 4, leden 1 en 2.
3. De in lid 1 bedoelde uitvoeringshandeling wordt overeenkomstig de in artikel 27, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
Artikel 22
Tijdelijke experimenten om voor de bepalingen van deze verordening betere alternatieven te vinden
1. In afwijking van de artikelen 1, 4 en 5 kan de Commissie besluiten om door middel van uitvoeringshandelingen tijdelijke experimenten te organiseren om betere alternatieven voor de bepalingen van deze verordening te vinden met betrekking tot de soorten of kunstmatige hybriden waarop zij van toepassing is, de voorschriften voor de goedkeuring van uitgangsmateriaal en de productie en het in de handel brengen van bosbouwkundig teeltmateriaal.
Deze experimenten kunnen de vorm aannemen van technische of wetenschappelijke proeven waarbij de haalbaarheid en geschiktheid van nieuwe eisen ten opzichte van die van de artikelen 1, 4 en 5 van deze verordening worden onderzocht.
2. De in lid 1 bedoelde uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 27, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld en hebben betrekking op een van de volgende elementen:
a) de betrokken soorten of kunstmatige hybriden;
b) de omstandigheden van de experimenten per soort of kunstmatige hybride;
c) de duur van het experiment;
d) de monitoring- en rapportageverplichtingen van de deelnemende lidstaten.
In de handelingen wordt rekening gehouden met de ontwikkeling van:
a) de methoden voor het bepalen van de oorsprong van het uitgangsmateriaal, met inbegrip van het gebruik van biomoleculaire technieken;
b) de methoden voor de instandhouding en het duurzame gebruik van genetische hulpbronnen in de bosbouw, rekening houdend met de toepasselijke internationale normen;
c) de methoden voor reproductie en productie, met inbegrip van het gebruik van innovatieve productieprocessen;
d) de methoden voor het ontwerpen van kruisingsschema’s van componenten van uitgangsmateriaal;
e) de methoden voor de beoordeling van de kenmerken van uitgangsmateriaal en bosbouwkundig teeltmateriaal;
f) de methoden voor de controle van het desbetreffende bosbouwkundig teeltmateriaal.
Die handelingen worden aangepast aan de ontwikkeling van de productietechnieken voor het desbetreffende bosbouwkundig teeltmateriaal en gebaseerd op eventuele vergelijkende proeven en tests die door de lidstaten worden uitgevoerd.
3. De Commissie evalueert de resultaten van deze experimenten en vat ze samen in een verslag, waarbij zij zo nodig aangeeft dat de artikelen 1, 4 of 5 moeten worden gewijzigd.
Artikel 23
Toestemming om strengere eisen vast te stellen
1. In afwijking van artikel 4 kan de Commissie de lidstaten door middel van uitvoeringshandelingen toestemming verlenen om, wat betreft de voorschriften voor de goedkeuring van uitgangsmateriaal en de productie van bosbouwkundig teeltmateriaal, op het gehele grondgebied of een deel van het grondgebied van de betrokken lidstaat strengere voorschriften vast te stellen dan de voorschriften van dat artikel, op voorwaarde dat deze voorschriften het vrije verkeer van bosbouwkundig teeltmateriaal dat strookt met deze verordening, niet verbieden, belemmeren of beperken. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 27, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure. [Am. 77]
2. Met het oog op de in lid 1 bedoelde toestemming dienen de lidstaten bij de Commissie een verzoek in met:
a) de ontwerpbepalingen die de voorgestelde voorschriften bevatten;
b) een motivering van de noodzaak en de evenredigheid van die voorschriften.
3. De in lid 1 bedoelde toestemming wordt uitsluitend verleend als aan alle van de volgende voorwaarden wordt voldaan:
a) de gevraagde maatregelen waarborgen ten minste een van de volgende doelen:
i) de verbetering van de kwaliteit van het desbetreffende bosbouwkundig teeltmateriaal;
ii) de bescherming van het milieu: aanpassing aan de klimaatverandering of de bijdrage aan de bescherming, verbetering van de biodiversiteit, of herstel van bosecosystemen en ondersteuning van hun werking; [Am. 78]
b) de gevraagde maatregelen zijn noodzakelijk en staan in verhouding tot hun doelstelling overeenkomstig punt a), en
c) de maatregelen zijn gerechtvaardigd op grond van de specifieke klimatologische en ecologische omstandigheden in de betrokken lidstaat.
4. Indien de lidstaten aanvullende of strengere eisen hebben vastgesteld overeenkomstig artikel 7 van Richtlijn 1999/105/EG, herzien de betrokken lidstaten die maatregelen uiterlijk op ... [één jaar na de datum van toepassing van deze verordeningone year after the date of application of this Regulation] en trekken zij die maatregelen in of wijzigen zij die maatregelen om aan deze verordening te voldoen.
De lidstaten stellen de Commissie en de andere lidstaten daarvan in kennis.
HOOFDSTUK VI
INVOER VAN BOSBOUWKUNDIG TEELTMATERIAAL
Artikel 24
Invoer op grond van EU-gelijkwaardigheid
1. Bosbouwkundig teeltmateriaal mag alleen uit derde landen in de Unie worden ingevoerd indien overeenkomstig lid 2 is vastgesteld dat het voldoet aan voorschriften die gelijkwaardig zijn aan die welke van toepassing zijn op in de Unie geproduceerd en in de handel gebracht bosbouwkundig teeltmateriaal. Het proces voor het beoordelen en vaststellen van de gelijkwaardigheid gebeurt op basis van een uitvoerig onderzoek van de identiteit en kwaliteitsnormen en andere voorschriften die op bosbouwkundig teeltmateriaal van toepassing zijn. [Am. 79]
2. De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingen besluiten of in een derde land geproduceerd bosbouwkundig teeltmateriaal van specifieke geslachten, soorten of categorieën voldoet aan voorschriften die gelijkwaardig zijn aan die welke van toepassing zijn op in de Unie geproduceerd en in de handel gebracht bosbouwkundig teeltmateriaal, op basis van al het volgende:
a) een grondig onderzoek van de door het betrokken derde land verstrekte informatie en gegevens, en
b) een bevredigend resultaat van een door de Commissie in het betrokken derde land uitgevoerde audit, indien de Commissie die audit noodzakelijk acht;
c) de deelname van dat derde land aan de OESO-regeling voor de certificering van bosbouwkundig teeltmateriaal in de internationale handel.
Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 27, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
3. Bij de vaststelling van de in lid 1 bedoelde besluiten gaat de Commissie na of de in het betrokken derde land toegepaste systemen voor de goedkeuring en registratie van uitgangsmateriaal en de daaropvolgende productie van bosbouwkundig teeltmateriaal uit dat uitgangsmateriaal dezelfde garanties bieden als die waarin de artikelen 4, 5 en, indien van toepassing, artikel 11 voorzien voor de categorieën “van bekende origine”, “geselecteerd”, “gekeurd” en “getest”.
Artikel 25
Kennisgeving en certificaten van ingevoerd bosbouwkundig teeltmateriaal
1. De professionele exploitanten die bosbouwkundig teeltmateriaal in de Unie invoeren, stellen de desbetreffende bevoegde autoriteit vooraf van die invoer in kennis via het in artikel 131 van Verordening (EU) 2017/625 bedoelde informatiemanagementsysteem voor officiële controles (Imsoc).
2. Ingevoerd bosbouwkundig teeltmateriaal gaat vergezeld van al het volgende:
a) een door het derde land van oorsprong afgegeven basiscertificaat of ander officieel certificaat;
b) een officieel etiket, en
c) door de professionele exploitant in dat derde land verstrekte gegevens over dat bosbouwkundig teeltmateriaal;
c bis) een door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van invoer afgegeven nieuw basiscertificaat, dat na de invoer het in punt a), bedoelde basiscertificaat of officieel certificaat vervangt, of een certificaat waaruit het bestaan van dit nieuwe certificaat blijkt. [Am. 80]
3. Na de in lid 1 bedoelde invoer vervangt de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat:
a) het in lid 2, punt a), bedoelde basiscertificaat of officieel certificaat door een nieuw basiscertificaat dat in de betrokken lidstaat is afgegeven, en
b) het in lid 2, punt b), bedoelde officiële etiket door een nieuw officieel etiket dat in de betrokken lidstaat is afgegeven.
HOOFDSTUK VII
PROCEDUREBEPALINGEN
Artikel 26
Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie
1. De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.
2. De in de artikel 2, lid 2, artikel 4, leden 2 en 6, artikel 5, lid 3, artikel 7, lid 2, artikel 8, lid 1, artikel 14, lid 6, en artikel 16, lid 7, bedoelde bevoegdheidsdelegatie wordt aan de Commissie toegekend voor een periode van vijf jaar met ingang van … [datum van inwerkingtreding van deze verordeningdate of entry into force of this Regulation]. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.
3. Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 2, lid 2, artikel 4, leden 2 en 6, artikel 5, lid 3, artikel 7, lid 2, artikel 8, lid 1, artikel 14, lid 6, en artikel 16, lid 7, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.
4. Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.
5. Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad. De betrokkenheid van door de lidstaten aangewezen deskundigen maakt het mogelijk een brede waaier van nationale expertise en perspectieven in te brengen, hetgeen bijdraagt tot een geïnformeerde en evenwichtige besluitvorming met betrekking tot gedelegeerde handelingen. [Am. 81]
6. Een overeenkomstig artikel 2, lid 2, artikel 4, leden 2 en 6, artikel 5, lid 3, artikel 7, lid 2, artikel 8, lid 1, artikel 14, lid 6, en artikel 16, lid 7, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben meegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.
Artikel 27
Comitéprocedure
1. De Commissie wordt bijgestaan door het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders ingesteld bij artikel 58, lid 1, van Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad(25). Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011(26).
2. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.
Wanneer het advies van het comité via een schriftelijke procedure moet worden verkregen, wordt die procedure zonder gevolg beëindigd indien, binnen de termijn voor het uitbrengen van het advies, de voorzitter van het comité daartoe besluit of een eenvoudige meerderheid van de leden van het comité daarom verzoekt.
3. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 8 van Verordening (EU) nr. 182/2011, in samenhang met artikel 5 daarvan, van toepassing.
HOOFDSTUK VIII
Verslaglegging, sancties en wijzigingen van de Verordeningen (EU) 2016/2031 en (EU) 2017/625
Artikel 28
Verslaglegging
Uiterlijk op ... [PB: gelieve de datum in te voegen - 5 jaar na de datum van toepassing van deze verordeningOffice of Publications, please insert date of 5 years after the date of application of this Regulation], en vervolgens om de vijf jaar, dienen de lidstaten bij de Commissie een verslag in over het volgende:
a) de hoeveelheden gecertificeerd bosbouwkundig teeltmateriaal per jaar waarvoor een basiscertificaat is afgegeven; [Am. 82]
b) het aantal door lidstaten vastgestelde nationale noodplannen ter voorbereiding op problemen met de levering van bosbouwkundig teeltmateriaal en de tijd en middelen die nodig iszijn om die noodplannen te activeren; [Am. 83]
c) het aantal websites en/of nationale plantersgidsen met informatie over de vraag waar het bosbouwkundig teeltmateriaal het beste kan worden geplant;
d) hoeveelheden bosbouwkundig teeltmateriaal per geslacht en soort die in het kader van de Unie-gelijkwaardigheid uit derde landen zijn ingevoerd;
De Commissie stelt door middel van uitvoeringshandelingen de technische formaten voor het in lid 1 van dit artikel bedoelde verslag vast. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 27, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
Artikel 29
Sancties
1. De lidstaten stellen regels vast voor doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties die van toepassing zijn op inbreuken op deze verordening en nemen alle noodzakelijke maatregelen om ervoor te zorgen dat die sancties worden toegepast. De lidstaten stellen de Commissie onverwijld van die voorschriften en maatregelen alsook van alle latere wijzigingen daarvan in kennis.
2. De lidstaten zorgen ervoor dat de financiële sancties die van toepassing zijn op schendingen van deze verordening, begaan door middel van frauduleuze of bedrieglijke praktijken, in overeenstemming met het nationale recht ten minste, ofwel het economisch gewin voor de professionele exploitant weerspiegelen, ofwel, waar passend, een percentage van zijn omzet.
Artikel 30
Wijziging van Verordening (EU) 2016/2031
Verordening (EU) 2016/2031 wordt als volgt gewijzigd:
1) artikel 37, lid 4, wordt vervangen door:"
“4. De Commissie stelt door middel van een uitvoeringshandeling, waar passend, maatregelen vast om de aanwezigheid van door de EU gereguleerde niet-quarantaineorganismen op de betrokken voor opplant bestemde planten, als bedoeld in artikel 36, punt f), van deze verordening te voorkomen. Die maatregelen betreffen, in voorkomend geval, het binnenbrengen in en het verkeer binnen de Unie van die planten.”;
"
2) aan artikel 83 wordt het volgende lid toegevoegd:"
“5 bis. In het geval van voor opplant bestemde planten die zijn geproduceerd of op de markt worden aangeboden als behorende tot de categorieën “van bekende origine”, “geselecteerd”, “gekeurd” of “getest”, zoals bedoeld in Verordening (EU).../...*+, wordt het plantenpaspoort afzonderlijk opgenomen in het officiële etiket, dat wordt geproduceerd overeenkomstig de betrokken bepalingen van die verordening.
Indien dit lid van toepassing is,
a)
bevat het plantenpaspoort voor het verkeer binnen het grondgebied van de Unie de in de delen E en F van bijlage VII beschreven gegevens;
b)
bevat het plantenpaspoort voor het binnenbrengen in en het verkeer binnen een beschermd gebied bevat de in deel H van bijlage VII beschreven gegevens.”.
______________________
* Verordening (EU) …/… van het Europees Parlement en de Raad van ... ... (PB...).”.
+ PB: gelieve in de tekst het nummer en instellingen van deze verordening in te voegen, en in de overeenkomstige voetnoot het nummer, de datum en de publicatiegegevens daarvanOJ: Please insert in the text the number of this Regulation and institutions and insert the number, date, title and OJ reference of this Regulation in the footnote.”
"
3) bijlage VII wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage VII bij deze verordening.
Artikel 31
Wijziging van Verordening (EU) 2017/625
Verordening (EU) 2017/625 wordt als volgt gewijzigd:
1) aan artikel 1, lid 2, wordt het volgende punt toegevoegd:"
“l) productie en in de handel brengen van bosbouwkundig teeltmateriaal.”;
"
2) aan artikel 3 wordt het volgende punt toegevoegd:"
“52. “bosbouwkundig teeltmateriaal”: materiaal zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 1, van Verordening (EU) .../... van ...*+
______________________
* Verordening (EU) …/… van het Europees Parlement en de Raad van ... ... (PB...).”.
+ PB: gelieve in de tekst het nummer en instellingen van deze verordening in te voegen, en in de overeenkomstige voetnoot het nummer, de datum en de publicatiegegevens daarvanOJ: Please insert in the text the number of this Regulation and institutions and insert the number, date, title and OJ reference of this Regulation in the footnote.”;
"
3) na artikel 22 bis wordt het volgende artikel ingevoegd:"
“Artikel 22 ter
Specifieke regels voor officiële controles en voor de acties die de bevoegde autoriteiten ondernemen in verband met bosbouwkundig teeltmateriaal
1. Officiële controles om naleving van de in artikel 1, lid 2, punt l), bedoelde regels te verifiëren, omvatten officiële controles op de productie en het in de handel brengen van bosbouwkundig teeltmateriaal en op exploitanten die aan deze regels zijn onderworpen.
2. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 144 gedelegeerde handelingen ter aanvulling van deze verordening vast te stellen met regels voor de uitvoering van officiële controles op bosbouwkundig teeltmateriaal, om te controleren of de in artikel 1, lid 2, punt l), bedoelde regelgeving van de Unie die op die goederen van toepassing is, wordt nageleefd, en ter uitvoering van de acties die de bevoegde autoriteiten naar aanleiding van de uitvoering van die officiële controles moeten ondernemen.
Die gedelegeerde handelingen bevatten regels betreffende:
a)
specifieke voorschriften voor de uitvoering van dergelijke officiële controles op de productie en het in de handel brengen binnen de Unie van bepaald bosbouwkundig teeltmateriaal waarop de in artikel 1, lid 2, punt l), bedoelde regels van toepassing zijn, om te reageren op niet-naleving van de regelgeving van de Unie inzake bosbouwkundig teeltmateriaal van een bepaalde oorsprong of herkomst;
b)
specifieke voorschriften voor de uitvoering van dergelijke officiële controles van de activiteiten van professionele exploitanten in verband met de productie van bepaald bosbouwkundig teeltmateriaal waarop de in artikel 1, lid 2, punt l), bedoelde regels van toepassing zijn, om te reageren op niet-naleving van de regelgeving van de Unie inzake bosbouwkundig teeltmateriaal van een bepaalde oorsprong of herkomst, en
c)
de gevallen waarin de bevoegde autoriteiten een of meer maatregelen als bedoeld in artikel 137, lid 2, en artikel 138, lid 2, moeten nemen in verband met specifieke gevallen van niet-naleving.
3. De Commissie stelt door middel van uitvoeringshandelingen regels vast betreffende eenvormige praktische regelingen voor de uitvoering van officiële controles op bosbouwkundig teeltmateriaal, teneinde de naleving te verifiëren van de in artikel 1, lid 2, punt l), bedoelde regels van de Unie die op die goederen van toepassing zijn, en ter uitvoering van de acties die de bevoegde autoriteiten naar aanleiding van die officiële controles ondernemen inzake:
a)
eenvormige minimale frequentie van die officiële controles, waarbij een minimumniveau van officiële controles noodzakelijk is teneinde erkende eenvormige risico’s van niet-naleving met de regelgeving inzake bosbouwkundig teeltmateriaal met een bepaalde oorsprong of herkomst aan te pakken;
b)
frequentie van de officiële controles die door de bevoegde autoriteiten worden uitgevoerd op exploitanten die toestemming hebben om onder officieel toezicht officiële etiketten af te geven overeenkomstig artikel 16, lid 1, van Verordening (EU) .../...*+
Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 145, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
______________________
* Verordening (EU) …/… van het Europees Parlement en de Raad van ... ... (PB...).”.
+ PB: gelieve in de tekst het nummer en instellingen van deze verordening in te voegen, en in de overeenkomstige voetnoot het nummer, de datum en de publicatiegegevens daarvanOJ: Please insert in the text the number of this Regulation and institutions and insert the number, date, title and OJ reference of this Regulation in the footnote.”.
"
HOOFDSTUK IX
SLOTBEPALINGEN
Artikel 32
Intrekking van Richtlijn 1999/105/EG
Richtlijn 1999/105/EG wordt ingetrokken.
Verwijzingen naar die ingetrokken handeling gelden als verwijzingen naar deze verordening en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage VIII.
Artikel 33
Inwerkingtreding en toepassing
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Zij is van toepassing met ingang van … [3 years after the date of entry into force of this Regulation].
Zij is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te …,
Voor het Europees Parlement Voor de Raad
De voorzitter De voorzitter
Bijlage I
LIJST VAN BOOMSOORTEN EN KUNSTMATIGE HYBRIDEN
Abies alba Mill.
Picea abies Karst.
Abies bornmulleriana
Picea sitchensis Carr.
Abies cephalonica Loud.
Pinus brutia Ten.
Abies grandis Lindl.
Pinus canariensis C. Smith
Abies pinsapo Boiss.
Pinus cembra L.
Acer campestre
Pinus contorta Loud
Acer platanoides L.
Pinus halepensis Mill.
Acer pseudoplatanus L.
Pinus leucodermis Antoine
Alnus cordata - Juglans regia
Pinus nigra Arnold
Alnus glutinosa Gaertn.
Pinus pinaster Ait.
Alnus incana Moench.
Pinus pinea L.
Betula pendula Roth.
Pinus radiata D. Don
Betula pubescens Ehrh.
Pinus sylvestris L.
Carpinus betulus L.
Pinus taeda
Castanea sativa Mill.
Populus nigra
Cedrus atlantica Carr.
Populus spp. and artificial hybrids between those species
Cedrus libani A. Richard
Populus tremula
Eucalyptus globulus
Prunus avium L.
Eucalyptus gunnii
Pseudotsuga menziesii Franco
Eucalyptus hybride gunnii x dalrympleana
Quercus cerris L.
Eucalyptus nitens
Quercus ilex L.
Fagus sylvatica L.
Quercus petraea Liebl.
Fraxinus angustifolia Vahl.
Quercus pubescens Willd.
Fraxinus excelsior L.
Quercus robur L.
Juglans major x regia
Quercus rubra L.
Juglans nigra
Quercus suber L.
Juglans nigra x regia
Robinia pseudoacacia L.
Larix decidua Mill.
Sorbus domestica
Larix x eurolepis Henry
Sorbus torminalis
Larix kaempferi Carr.
Tilia cordata Mill.
Larix sibirica Ledeb.
Tilia platyphyllos Scop.
Malus sylvestris
[Am. 84]
Bijlage II
VOORSCHRIFTEN VOOR DE GOEDKEURING VAN UITGANGSMATERIAAL BESTEMD VOOR DE PRODUCTIE VAN BOSBOUWKUNDIG TEELTMATERIAAL VAN DE CATEGORIE “VAN BEKENDE ORIGINE”
Deel I
A. Algemeen voorschrift: De zaadbron of opstand moet beantwoorden aan de door de bevoegde autoriteiten vastgestelde criteria.
Deel II
B. Specifieke voorschriften:
1. Type uitgangsmateriaal
Het uitgangsmateriaal moet een binnen één herkomstgebied gelegen zaadbron of opstand zijn.
2. Effectieve populatieomvang
De zaadbron of opstand bestaat uit een of meer groepen bomen (opstanden) of een afzonderlijke opstand. Die bomen van de zaadbron of opstand moeten goed verspreid zijn en voldoende talrijk zijn om de genetische diversiteit in stand te houden en een adequate kruisbestuiving tussen de bomen in die zaadbronnen of opstanden te waarborgen. [Am. 85]
3. Oorsprong en gebied van herkomst
a) Het herkomstgebied, de ligging en het breedtegraads-, lengtegraads- en hoogtebereik van de plaats(en) waar het bosbouwkundig teeltmateriaal wordt gewonnen, moeten in het basiscertificaat worden vermeld.
b) De professionele exploitant bepaalt hetzij aan de hand van historische gegevens (bibliografie, documentatie die wordt bijgehouden door bevoegde autoriteiten, onderzoeksinstellingen of andere organisaties) hetzij op andere passende wijze (herkomstonderzoek), met inbegrip van internationaal erkende biomoleculaire technieken, of het uitgangsmateriaal:
i) autochtoon;
ii) niet- autochtoon;
iii) inheems;
iv) niet-inheems;, of
v) onbekend is.
In het geval van niet-autochtoon of niet-inheems uitgangsmateriaal moet de oorsprong van het uitgangsmateriaal worden aangegeven, voor zover bekend.
De bevoegde autoriteit moet de door de professionele exploitant verstrekte informatie verifiëren.
4. Duurzaamheidseigenschappen
a) De bomen moeten goed aangepast zijn aan de klimatologische en ecologischeomstandighedenecologische omstandigheden, met inbegrip van de in het herkomstgebied heersende biotische en abiotische factoren alsook marginale populaties die blijk geven van lokale aanpassing aan extremere biotische en abiotische factoren. [Am. 86]
b) De bomen moeten nagenoeg vrij zijn van plagenkwaliteitsorganismen en hun symptomen. [Am. 87]
Bijlage III
VOORSCHRIFTEN VOOR DE GOEDKEURING VAN UITGANGSMATERIAAL BESTEMD VOOR DE PRODUCTIE VAN BOSBOUWKUNDIG TEELTMATERIAAL VAN DE CATEGORIE “GESELECTEERD”
Deel I
A. Algemeen voorschrift: De bevoegde autoriteit moet de opstand beoordelen met betrekking tot het specifieke doeleinde waarvoor het bosbouwkundig teeltmateriaal zal worden gebruikt en het nodige gewicht geven aan de voorschriften van afdeling B, afhankelijk van dat doeleinde. De bevoegde autoriteit moet de selectiecriteria vaststellen op basis van het specifieke doeleinde waarvoor het bosbouwkundig teeltmateriaal zal worden gebruikt. Dat doeleinde wordt vermeld in het nationale register van de betrokken lidstaat.
Deel II
B. Specifieke voorschriften:
1. Oorsprong: de oorsprong wordt hetzij aan de hand van historische gegevens (bibliografie, documentatie die wordt bijgehouden door bevoegde autoriteiten, onderzoeksinstellingen of andere organisaties) hetzij op een andere passende wijze (herkomstonderzoek), met inbegrip van internationaal erkende biomoleculaire technieken, bepaald, ongeacht of de opstand autochtoon/inheems, niet-autochtoon/niet-inheems is, of de oorsprong ervan onbekend is. Voor niet-autochtoon/niet-inheems uitgangsmateriaal moet, indien bekend, de oorsprong worden aangegeven.
2. Isolatie: de opstanden moeten voldoende ver verwijderd zijn van minderwaardige opstanden van dezelfde of een verwante soort en van opstanden van verwante soorten waarmee de betrokken soort kan hybridiseren. Aan deze eis moet bijzondere aandacht worden besteed wanneer autochtone/inheemse opstanden door niet-autochtone of niet-inheemse opstanden of door opstanden van onbekende oorsprong worden omringd. [Am. 88]
3. Effectieve populatieomvang: om de genetische diversiteit in stand te houden en een adequate kruisbestuiving te waarborgen, moeten de opstanden uit een of meer groepen bomen bestaan. Die bomen moeten goed verspreid zijn en in een bepaald gebied voldoende talrijk zijn om de genetische diversiteit in stand te houden, de ongunstige effecten van inteelt te voorkomen en te zorgen voor een adequate kruisbestuiving tussen die bomen.
4. Leeftijd en ontwikkelingsstadium: de leeftijd of het ontwikkelingsstadium van de bomen in de opstanden moet zodanig zijn dat de voor de selectie van die bomen vastgestelde criteria goed kunnen worden beoordeeld.
5. Uniformiteit: de opstanden moeten een normale mate van individuele morfologische variatie vertonen. Indien nodig moeten minderwaardige bomen worden verwijderd.
6. Duurzaamheidseigenschappen:
a) de opstanden moeten goed aangepast zijn aan de klimatologische en ecologische omstandigheden, met inbegrip van de biotische en abiotische factoren in het herkomstgebied;
b) de bomen moeten nagenoeg vrij zijn van plagenkwaliteitsorganismen en hun symptomen en bestand zijn tegen ongunstige klimatologische en locatiespecifieke omstandigheden op de plaats waar zij groeien. [Am. 89]
7. Houtmassaproductie: voor de goedkeuring van geselecteerde opstanden moet de houtmassaproductie ervan normaliter hoger zijn dan het algemeen aanvaarde gemiddeld geproduceerde volume in vergelijkbare ecologische en beheerstechnische omstandigheden.
8. Houtkwaliteit: de kwaliteit van het hout moet in aanmerking worden genomen. De kwaliteit van het hout is een essentieel criterium indien het bosbouwkundig teeltmateriaal in de bosbouwsector wordt gebruikt voor de productie van hout, meubels of pulp. In dat geval geeft de bevoegde autoriteit meer gewicht aan dit criterium.
9. Groeivorm of habitus: de bomen in de opstanden moeten bijzonder gunstige morfologische kenmerken vertonen, met name wat betreft de rechtheid en rolrondheid van de stam, een gunstig vertakkingspatroon, fijnheid van de takken en een goede natuurlijke takafstoting. Verder moet het percentage gevorkte bomen en bomen met draaigroei gering zijn.
Bijlage IV
VOORSCHRIFTEN VOOR DE GOEDKEURING VAN UITGANGSMATERIAAL BESTEMD VOOR DE PRODUCTIE VAN BOSBOUWKUNDIG TEELTMATERIAAL VAN DE CATEGORIE “GEKEURD”
1. Zaadgaarden
a) De bevoegde autoriteit is belast met de eventuele goedkeuring van het type en de doelstelling van het kruisingschema, het kruisingsschema van de deelnemende klonen of families en de inrichting van de percelen, de deelnemende klonen of families, de isolatie en locatie en eventuele wijzigingen daarvan en de registratie daarvan.
b) De professionele exploitant selecteert deelnemende klonen of families worden geselecteerd op grond van hun uitstekende eigenschappen en geefter wordt het nodige gewicht toegekend aan de voorschriften van bijlage III, deel B, punten 4 en 6 tot en met 9, en houdt daarbij rekening gehouden met het specifieke doeleinde waarvoor het resulterende bosbouwkundig teeltmateriaal zal worden gebruikt. [Am. 90]
c) De klonen of families die deel uitmaken van een zaadgaarde, worden of zijn aangeplant volgens een schema dat door de bevoegde autoriteit is goedgekeurd en zodanig is opgezet dat iedere component identificeerbaar is.
d) De in de zaadgaarden uitgevoerde dunningen worden beschreven; die beschrijvingen worden, met de daarbij toegepaste selectiecriteria, door de bevoegde autoriteit in een register opgenomen.
e) De professionele exploitant beheert De zaadgaarden worden zodanig beheerd en oogst het zaad op zodanige wijzewordt zodanig geoogst dat de doelstellingen van de zaadgaarden worden behaald. Indien een zaadgaarde bestemd is voor de productie van een kunstmatige hybride, moet het percentage hybride exemplaren in het bosbouwkundig teeltmateriaal aan de hand van een verificatiestest worden bepaald. [Am. 91]
2. Ouderplanten van families
a) De professionele exploitant selecteert ouderplanten worden geselecteerd op hun uitstekende eigenschappen of hun combineerbaarheid. In het geval van een selectie op basis van uitstekende eigenschappen wordt het nodige gewicht toegekend aan de voorschriften van bijlage III, deel B, punten 4 en 6 tot en met 9, en wordt rekening gehouden met het specifieke doel waarvoor het resulterende bosbouwkundig teeltmateriaal zal worden gebruikt. [Am. 92]
b) Doel, kruisingsschema en bestuivingssysteem, componenten, isolatie en locatie, alsmede alle significante wijzigingen daarvan, moeten door de bevoegde autoriteit zijn goedgekeurd en in een register zijn opgenomen.
c) De identiteit van de ouderplanten alsmede de absolute en relatieve aantallen daarvan in een mengsel moeten door de bevoegde autoriteit zijn goedgekeurd en in een register zijn opgenomen.
d) Indien de ouderplanten bestemd zijn voor de productie van een kunstmatige hybride, moet het percentage hybride exemplaren in het bosbouwkundig teeltmateriaal aan de hand van een verificatietest worden bepaald.
3. Klonen
a) Klonen moeten identificeerbaar zijn aan de hand van onderscheidende eigenschappen die door de bevoegde autoriteit zijn goedgekeurd en in een register zijn opgenomen.
b) De waarde van de afzonderlijke klonen wordt door de waarneming en kwalitatieve beoordeling van de eigenschappen van die klonen bepaald, of wordt door experimenten van voldoende lange duur aangetoond.
c) Voor de productie van klonen gebruikte ortets worden geselecteerd op grond van hun uitstekende eigenschappen en er wordt het nodige gewicht toegekend aan de voorschriften van bijlage III, deel B, punt 4 en de punten 6 tot en met 9, en rekening gehouden met het specifieke doeleinde waarvoor het resulterende bosbouwkundig teeltmateriaal zal worden gebruikt.
d) De goedkeuring wordt door de bevoegde autoriteit beperkt tot een maximum aantal jaren of een maximum aantal geproduceerde ramets.
4. Mengsels van klonen
a) Mengsels van klonen moeten voldoen aan de voorschriften van punt 3, a), b) en c).
b) De identiteit van de klonen die deel uitmaken van een mengsel, het aantal klonen en het relatieve aandeel daarvan in een mengsel, alsmede de selectiemethode en het basismateriaal moeten door de bevoegde autoriteit zijn goedgekeurd en in een register zijn opgenomen. De genetische diversiteit van ieder mengsel moet toereikend zijn.
c) De goedkeuring wordt door de bevoegde autoriteit beperkt tot een maximum aantal jaren of een maximum aantal geproduceerde ramets.
Bijlage V
VOORSCHRIFTEN VOOR DE GOEDKEURING VAN UITGANGSMATERIAAL BESTEMD VOOR DE PRODUCTIE VAN BOSBOUWKUNDIG TEELTMATERIAAL VAN DE CATEGORIE “GETEST”
1. VOORSCHRIFTEN DIE VOOR ALLE TESTS GELDEN
a) Algemene opmerkingen
Indien het uitgangsmateriaal een opstand is, moet het voldoen aan de desbetreffende voorschriften van bijlage III. Indien het uitgangsmateriaal een of meerdere zaadgaarden, ouderplanten van familie(s), klonen of mengsels van klonen is, moet het voldoen aan de desbetreffende eisen van bijlage IV. De bevoegde autoriteit bepaalt de selectiecriteria op basis van het beoogde doeleinde waarvoor het bosbouwkundig teeltmateriaal zal worden gebruikt.
De professionele exploitanten zorgen voor de voorbereiding, opstelling en uitvoeringbrengen verslag uit over het materiaal, de methoden en de resultaten van tests aan de bevoegde autoriteit die verantwoordelijk is voor de goedkeuring van het uitgangsmateriaal. Zij moeten De gepresenteerde resultaten van die tests interpreterenworden geanalyseerd volgens internationaal erkende procedures. In geval vanBij vergelijkende tests moet de professionele exploitant het te testen bosbouwkundig teeltmateriaal vergelijken metworden een of bij voorkeur meerdere goedgekeurde of vooraf gekozen standaarden zoals beschreven in punt 3, b), gebruikt. [Am. 93]
a bis) Er wordt een minimumaantal testgebieden met een minimumgrootte per boomsoort als vermeld in bijlage I gebruikt. [Am. 94]
b) Te onderzoeken eigenschappen
i) De professionele exploitant moet tests ontwerpenworden ontworpen om de in punt ii) gespecificeerde relevante eigenschappen te beoordelen en deze worden voor elke test in de testverslagen vermeldenvermeld. [Am. 95]
ii) Er moet het nodige gewicht worden gegeven aan aanpassing en de groei, en aan de rol van belangrijke biotische en abiotische factoren. Bovendien moeten andere eigenschappen die met het oog op het beoogde specifieke doeleinde van belang worden geacht, worden geëvalueerd in het licht van de ecologische omstandigheden in het gebied waar de test wordt uitgevoerd, met inbegrip van de huidige en toekomstige klimatologische omstandigheden.
c) Documentatie
De professionele exploitant moet een register bijhouden waarin de testlocaties worden beschrevenalle nodige informatie voor de evaluatie van de testresultaten verstrekken, met inbegrip van de locatie, het klimaat, de bodem, het gebruik in het verleden, de inrichting, het beheer en alle schade als gevolg van abiotische/biotische factoren. De professionele exploitant stelt die administratie op verzoek ter beschikking aan de bevoegde autoriteit. De bevoegde autoriteit moet de ouderdom van het uitgangsmateriaal en het bosbouwkundig teeltmateriaal en de resultaten op het moment van de evaluatie registreren. [Am. 96]
d) Opzet van de tests
i) De professionele exploitant moet Elk monster van bosbouwkundig teeltmateriaal wordt op identieke wijze telen, planten en beherengeteeld, geplant en beheerd, voor zover de soorten plantaardig materiaal dit toelaten. [Am. 97]
ii) De professionele exploitant moet Ieder experiment wordt volgens een geldig statistisch schema opzetten, met een voldoende aantal bomenopgezet om de individuele eigenschappen van iedere onderzochte component te kunnen evalueren. [Am. 98]
e) Analyse en geldigheid van de resultaten
i) De professionele exploitant moet De gegevens van de experimenten analyserenworden geanalyseerd met behulp van internationaal erkende statistische methoden en de resultaten worden gepresenteerd voor elke onderzochte eigenschap presenteren. [Am. 99]
ii) De bij de test toegepaste methodiek en alle verkregen resultaten moeten openbaar worden gemaakt.
iii) De bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de test is uitgevoerd, stelt het gebied vast waar het materiaal kan worden uitgezet en informeert over alle eigenschappen van het bosbouwkundig teeltmateriaal die het nut ervan kunnen beperken.
iv) Indien tijdens de tests wordt aangetoond dat het bosbouwkundig teeltmateriaal niet ten minste de eigenschappen bezit van het uitgangsmateriaal waaruit dat bosbouwkundig teeltmateriaal is geproduceerd, waaronder met name de resistentie/tolerantie ten aanzien van plantenplagen van economisch belang, mag dat teeltmateriaal niet als getest materiaal worden gecertificeerd.
2. VOORSCHRIFTEN TEN AANZIEN VAN DE GENETISCHE EVALUATIE VAN DE COMPONENTEN VAN HET UITGANGSMATERIAAL
a) De componenten van de volgende typen uitgangsmateriaal kunnen aan een genetische waardebepaling worden onderworpen: zaadgaarden, ouderplanten van families, klonen en mengsels van klonen.
b) Documentatie
Voor de goedkeuring van uitgangsmateriaal zijn de volgende aanvullende gegevens vereist:
i) de identiteit, oorsprong en afstamming van de beoordeelde componenten;
ii) het kruisingsschema dat werd gebruikt ter verkrijging van het bosbouwkundig teeltmateriaal dat in het kader van de tests wordt geëvalueerd.
c) Testprocedures
Aan de volgende voorschriften moet worden voldaan:
i) De genetische waarde van iedere component moet worden bepaald op twee of meer testlocaties, waarvan ten minste één moet worden gekenmerkt door milieuomstandigheden die relevant zijn voor het gebied waarbinnen het bosbouwkundig teeltmateriaal uitgezet zal worden.
ii) De testperiode moet lang genoeg zijn om de geteste eigenschappen tot uitdrukking te laten komen.
iii) De geschatte mate van superioriteit van het bosbouwkundig teeltmateriaal dat in de handel zal worden gebracht, wordt berekend op basis van deze genetische waarden en het specifieke kruisingsschema.
iv) De tests waarop de evaluatie wordt gebaseerd alsmede de genetische berekeningen moeten door de bevoegde autoriteit zijn goedgekeurd.
d) Interpretatie
i) De berekening van de geschatte mate van superioriteit van het bosbouwkundig teeltmateriaal geschiedt ten opzichte van een referentiepopulatie voor de betrokken eigenschap of reeks eigenschappen. De professionele exploitant moet de referentiepopulatie in het teeltprogramma definiëren en deze referentiepopulatiewordt gedefinieerd en beschreven in de testverslagen beschrijven. [Am. 100]
ii) Als de geschatte genetische waarde van het bosbouwkundig teeltmateriaal voor enige belangrijke eigenschap lager is dan die van de referentiepopulatie, moet dit worden aangegeven.
3. VOORSCHRIFTEN BETREFFENDE DE VERGELIJKENDE TESTS VAN BOSBOUWKUNDIG TEELTMATERIAAL
a) Bemonstering van het bosbouwkundig teeltmateriaal
i) Het voor vergelijkende tests bestemde monster bosbouwkundig teeltmateriaal moet werkelijk representatief zijn voor het bosbouwkundig teeltmateriaal dat wordt afgeleid van het goed te keuren uitgangsmateriaal.
ii) Het voor vergelijkende tests bestemde bosbouwkundig teeltmateriaal dat langs geslachtelijke weg werd verkregen, moet:
— in jaren van goede bloei en goede vrucht-/zaadzetting zijn geoogst, en
— geoogst zijn volgens methoden die garanderen dat de verkregen monsters representatief zijn.
Voor de productie van dergelijk bosbouwkundig teeltmateriaal mag kunstmatige bestuiving worden gebruikt.
b) Standaarden
i) Van de standaarden die in de tests als vergelijkingsmateriaal worden gebruikt, moeten de prestaties in de streek waar de test wordt gepland, indien mogelijk, reeds voldoende lang bekend zijn. De standaarden bestaan in principe uit uitgangsmateriaal dat op het moment waarop de test wordt begonnen, zijn deugdelijkheid voor het beoogde doel van de bosbouw heeft bewezen in de ecologische omstandigheden waarvoor het te testen bosbouwkundig uitgangsmateriaal moet worden gecertificeerd. De standaarden die voor vergelijkingsdoeleinden bij de tests worden gebruikt, zijn, voor zover mogelijk:
— opstanden die zijn geselecteerd volgens de criteria van bijlage III, of
— uitgangsmateriaal dat officieel is goedgekeurd voor de productie van bosbouwkundig teeltmateriaal van de categorie “getest”.
ii) Indien kunstmatige hybriden aan vergelijkende tests worden onderworpen, moeten beide ouderboomsoorten, voor zover mogelijk, deel uitmaken van de standaarden.
iii) Waar mogelijk worden meerdere standaarden gebruikt. Wanneer dat te verantwoorden valt, mag in plaats van de standaarden het meest geschikte van het geteste bosbouwkundig teeltmateriaal of het gemiddelde van de geteste componenten worden gebruikt.
iv) Dezelfde standaarden worden in alle tests in een zo breed mogelijk spectrum van plaatselijke omstandigheden gebruikt.
c) Interpretatie
i) Voor ten minste één belangrijke eigenschap moet een statistisch significante superioriteit ten opzichte van de standaarden worden aangetoond.
ii) Indien er eigenschappen van economisch of ecologisch belang zijn waarvoor bij het geteste materiaal significant minder goede resultaten worden vastgesteld dan bij de standaarden, geeft de professionele exploitantwordt dat duidelijk aanaangegeven, en moeten de effecten daarvan door de gunstige eigenschappen worden gecompenseerd. [Am. 101]
4. VOORLOPIGE GOEDKEURING
Een voorlopige evaluatie van de resultaten van proeven met jonge aanplant kan de basis vormen van een voorlopige goedkeuring. Beweringen betreffende de superioriteit van enig materiaal die op een dergelijke vroegtijdige evaluatie berusten, moeten na ten hoogste tien jaar opnieuw worden getoetst.
5. VERKENNENDE TESTS
Tests in kwekerijen, kassen en laboratoria kunnen door de bevoegde autoriteit met het oog op voorlopige of definitieve goedkeuring worden aanvaard indien kan worden aangetoond dat er een nauwe correlatie bestaat tussen de in die omstandigheden gemeten eigenschappen en de eigenschappen die normaliter in het kader van de evaluatie van opstanden in situ worden beoordeeld. Het materiaal moet, wat de overige te testen eigenschappen betreft, voldoen aan de voorschriften van punt 3.
Bijlage VI
CATEGORIEËN WAARONDER BOSBOUWKUNDIG TEELTMATERIAAL DAT VAN DE DIVERSE TYPEN UITGANGSMATERIAAL IS AFGELEID, IN DE HANDEL MAG WORDEN GEBRACHT
Uitgangsmateriaal
Categorie bosbouwkundig teeltmateriaal (Kleur van het etiket, bij gebruik van een officieel etiket in kleur)
Van bekende origine (geel)
Geselecteerd (groen)
Gekeurd (roze)
Getest (blauw)
Zaadbron
x
Opstand
x
x
x
Zaadgaarde
x
x
Ouderplanten van families
x
x
Kloon
x
x
Mengsels van klonen
x
x
Bijlage VII
Wijziging van bijlage VII bij Verordening (EU) 2016/2031
Aan bijlage VII bij Verordening (EU) 2016/2031 worden de volgende delen toegevoegd:
“DEEL G
Plantenpaspoorten voor verkeer binnen het grondgebied van de Unie, gecombineerd met het officiële etiket, zoals bedoeld in artikel 83, lid 5, tweede alinea
1) Het plantenpaspoort voor verkeer binnen het grondgebied van de Unie, in een gezamenlijk etiket gecombineerd met het in artikel 83, lid 5, bedoelde officiële etiket, moet de volgende elementen bevatten:
a) in de rechterbovenhoek van het gezamenlijke etiket het woord “Plantenpaspoort” in één van de officiële talen van de Unie en, als deze niet het Engels is, ook in het Engels, gescheiden door een schuine streep;
b) in de linkerbovenhoek van het gezamenlijke etiket de vlag van de Unie, in kleur of in zwart-wit. Het plantenpaspoort wordt op het gezamenlijke etiket direct boven het officiële etiket en met dezelfde breedte als dat officiële etiket aangebracht.
2) Deel A, punt 2, is van overeenkomstige toepassing.
DEEL H
Plantenpaspoorten voor het binnenbrengen in en het verkeer binnen beschermde gebieden, gecombineerd met het officiële etiket, als bedoeld in artikel 83, lid 5, derde alinea
1) Het plantenpaspoort voor het binnenbrengen in en het verkeer binnen beschermde gebieden, gecombineerd in een gezamenlijk etiket met het officiële etiket voor bosbouwkundig teeltmateriaal als bedoeld in artikel 83, lid 5, moet de volgende elementen bevatten:
a) in de rechterbovenhoek van het gezamenlijk etiket de woorden “Plantenpaspoort — PZ” in één van de officiële talen van de Unie en, als deze niet het Engels is, ook in het Engels, gescheiden door een schuine streep;
b) direct onder die woorden de wetenschappelijke benaming(en) of code(s) van het (de) betrokken quarantaineorganisme(n);
c) in de linkerbovenhoek van het gezamenlijke etiket de vlag van de Unie, in kleur of in zwart-wit.
Het plantenpaspoort wordt op het gezamenlijke etiket direct boven het officiële etiket en met dezelfde breedte als dat officiële etiket aangebracht.
2) Deel B, punt 2, is van overeenkomstige toepassing.”.
Bijlage VIII
Concordantietabel
Richtlijn 1999/105/EG van de Raad
Deze verordening
Artikel 1
Artikel 1, eerste alinea
Artikel 2
Artikel 3
Artikel 3, lid 1
Artikel 2, lid 1
Artikel 3, lid 2
Artikel 2, lid 5
Artikel 3, lid 3
Artikel 3, lid 4
Artikel 2, lid 4, punt c)
Artikel 4, lid 1
Artikel 4, lid 1
Artikel 4, lid 2, punt a)
Artikel 4, lid 2, eerste tot en met vierde alinea
Artikel 4, lid 2, punt b)
Artikel 4, lid 2, zevende alinea, en Artikel 4, lid 3
Artikel 4, lid 3, punt a)
Artikel 4, lid 4
Artikel 4, lid 3, punt b)
Artikel 4, lid 5
Artikel 4, lid 4
Artikelen 6 en 18
Artikel 4, lid 5
Artikel 21
Artikel 5
Artikel 6, lid 1
Artikel 5, lid 1
Artikel 6, lid 2
Artikel 5, lid 2
Artikel 6, lid 3, eerste alinea
Artikel 8, lid 1
Artikel 6, lid 3, tweede alinea
Artikel 8, lid 2
Artikel 6, lid 4
Artikel 10, lid 1
Artikel 6, lid 5, punt a)
Artikel 2, lid 4, punt d)
Artikel 6, lid 5, punt b)
Artikel 6, lid 6
Artikel 6, lid 7
Artikel 7
Artikel 6, lid 8
Artikel 4, lid 6
Artikel 7
Artikel 23
Artikel 8
Artikel 9
Artikel 11
Artikel 10
Artikel 12
Artikel 11
Artikel 13
Artikel 12
Artikel 14
Artikel 13
Artikel 15
Artikel 14, lid 1, eerste alinea
Artikel 16, lid 1
Artikel 14, lid 1, punten a) tot en met e)
Artikel 16, lid 4
Artikel 14, leden 2 tot en met 6
Artikel 14, lid 7
Artikel 15, lid 1, punt j)
Artikel 15
Artikel 17
Artikel 16
Artikel 31
Artikel 17
Artikel 18
Artikel 21
Artikel 19
Artikel 24
Artikel 20
Artikel 21
Artikel 22
Artikel 22
Artikel 5, lid 1, punt g)
Artikel 23
Artikel 2, lid 2, artikel 4, leden 2 en 6, artikel 5, lid 3
Artikel 24
Artikel 14, leden 1 en 5, artikel 16, leden 5 en 6, artikel 18, lid 4, artikel 21, lid 3, artikel 22, lid 1, artikel 23, lid 1
Standpunt van het Europees Parlement van... en standpunt van de Raad in eerste lezing van... Besluit van het Europees Parlement van … en besluit van de Raad van ....
Richtlijn 1999/105/EG van de Raad van 22 december 1999 betreffende het in de handel brengen van bosbouwkundig teeltmateriaal (PB L 11 van 15.1.2000, blz. 17).
Besluit van de Raad tot vaststelling van de OESO-regeling voor de certificering van bosbouwkundig teeltmateriaal in de internationale handel [OESO/LEGAL/0355].
Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Europese Raad, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s “De Europese Green Deal”, COM(2019) 640 final.
Verordening (EU) 2021/1119 van het Europees Parlement en de Raad van 30 juni 2021 tot vaststelling van een kader voor de verwezenlijking van klimaatneutraliteit, en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 401/2009 en Verordening (EU) 2018/1999 (“Europese klimaatwet”) (PB L 243 van 9.7.2021, blz. 1).
Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s “Een klimaatveerkrachtig Europa tot stand brengen — de nieuwe EU-strategie voor aanpassing aan de klimaatverandering”, COM(2021) 82 final.
Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Europese Raad, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s “Nieuwe EU-bosstrategie voor 2030”, (COM(2021) 572 final).
Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, De Europese Raad, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s “EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030 — De natuur terug in ons leven brengen”, (COM(2020) 380 final).
Richtlijn 2001/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 maart 2001 inzake de doelbewuste introductie van genetisch gemodificeerde organismen in het milieu en tot intrekking van Richtlijn 90/220/EEG van de Raad (PB L 106 van 17.4.2001, blz. 1).
Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (PB L 268 van 18.10.2003, blz. 1).
Verordening (EU) 2016/2031 van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen plaagorganismen bij planten, tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 228/2013, (EU) nr. 652/2014 en (EU) nr. 1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van de Richtlijnen 69/464/EEG, 74/647/EEG, 93/85/EEG, 98/57/EG, 2000/29/EG, 2006/91/EG en 2007/33/EG van de Raad (PB L 317 van 23.11.2016, blz. 4).
Besluit nr. 1313/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende een Uniemechanisme voor civiele bescherming (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 924).
Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Europese Raad, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s “Digitaal kompas 2030: de Europese aanpak voor het digitale decennium”, COM(2021) 118 final.
Verordening (EU) 2017/625 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2017 betreffende officiële controles en andere officiële activiteiten die worden uitgevoerd om de toepassing van de levensmiddelen- en diervoederwetgeving en van de voorschriften inzake diergezondheid, dierenwelzijn, plantgezondheid en gewasbeschermingsmiddelen te waarborgen, tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 999/2001, (EG) nr. 396/2005, (EG) nr. 1069/2009, (EG) nr. 1107/2009, (EU) nr. 1151/2012, (EU) nr. 652/2014, (EU) 2016/429 en (EU) 2016/2031 van het Europees Parlement en de Raad, de Verordeningen (EG) nr. 1/2005 en (EG) nr. 1099/2009 van de Raad en de Richtlijnen 98/58/EG, 1999/74/EG, 2007/43/EG, 2008/119/EG en 2008/120/EG van de Raad, en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 854/2004 en (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad, de Richtlijnen 89/608/EEG, 89/662/EEG, 90/425/EEG, 91/496/EEG, 96/23/EG, 96/93/EG en 97/78/EG van de Raad en Besluit 92/438/EEG van de Raad (verordening officiële controles) (PB L 95 van 7.4.2017, blz. 1).
Verordening (EU) 2018/848 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad (PB L 150 van 14.6.2018, blz. 1).
Verordening (EU) .../... van het Europees Parlement en de Raad betreffende met bepaalde nieuwe genomische technieken verkregen planten en de daarvan afgeleide levensmiddelen en diervoeders, en tot wijziging van Verordening (EU) 2017/625 (PB ...).
Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1).
Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).
Oprichting van de hervormings- en groeifaciliteit voor de Westelijke Balkan
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 24 april 2024 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de hervormings- en groeifaciliteit voor de Westelijke Balkan (COM(2023)0692 – C9-0408/2023 – 2023/0397(COD))
– gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2023)0692),
– gezien artikel 294, lid 2, artikel 212, en artikel 322, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C9‑0408/2023),
– gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
– gezien het advies van de Rekenkamer van 30 januari 2024(1),
– gezien het overeenkomstig artikel 74, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 8 april 2024 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,
– gezien artikel 59 van zijn Reglement,
– gezien het gezamenlijk overleg van de Commissie buitenlandse zaken en de Begrotingscommissie overeenkomstig artikel 58 van zijn Reglement,
– gezien de adviezen van de Commissie internationale handel en de Commissie regionale ontwikkeling,
– gezien de brief van de Commissie begrotingscontrole,
– gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken en de Begrotingscommissie (A9-0085/2024),
1. stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;
2. hecht zijn goedkeuring aan de gemeenschappelijke verklaring van het Europees Parlement en de Raad die als bijlage bij onderhavige resolutie is gevoegd en die in de C-reeks van het Publicatieblad van de Europese Unie zal worden bekendgemaakt;
3. verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;
4. verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 24 april 2024 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2024/... van het Europees Parlement en de Raad tot oprichting van de hervormings- en groeifaciliteit voor de Westelijke Balkan
(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2024/1449.)
BIJLAGE BIJ DE WETGEVINGSRESOLUTIE
Gemeenschappelijke verklaring van het Europees Parlement en de Raad over de geschikte begrotingsnomenclatuur voor de faciliteit voor de Westelijke Balkan
Het Europees Parlement en de Raad nemen nota van de verklaring van de Europese Commissie over de verslaglegging. Onverminderd de prerogatieven van de begrotingsautoriteit uit hoofde van de Verdragen zijn het Europees Parlement en de Raad voornemens de nomenclatuur van de faciliteit, bijvoorbeeld wat de kredieten per begunstigde betreft, te herzien om een passend politiek en budgettair toezicht te waarborgen. Het Europees Parlement en de Raad verzoeken de Europese Commissie deze verklaring in voorkomend geval in overweging te nemen bij de voorbereiding van de ontwerpbegroting 2025.
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 24 april 2024 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van de Verordeningen (EU) 2021/2115 en (EU) 2021/2116 wat betreft de normen voor een goede landbouw- en milieuconditie, regelingen voor klimaat, milieu en dierenwelzijn, wijzigingen van de strategische GLB-plannen, herziening van de strategische GLB-plannen en vrijstellingen van controles en sancties (COM(2024)0139 – C9-0120/2024 – 2024/0073(COD))
(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)
Het Europees Parlement,
– gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2024)0139),
– gezien artikel 294, lid 2, en artikel 43, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C9-0120/2024),
– gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
– gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 24 april 2024(1),
– gezien de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 26 maart 2024 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,
– gezien de artikelen 59 en 163 van zijn Reglement,
1. stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;
2. verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;
3. verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de nationale parlementen.
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 24 april 2024 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2024/... van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van de Verordeningen (EU) 2021/2115 en (EU) 2021/2116 wat betreft de normen voor een goede landbouw- en milieuconditie, regelingen voor klimaat, milieu en dierenwelzijn, wijzigingen van de strategische GLB-plannen, herziening van de strategische GLB-plannen en vrijstellingen van controles en sancties
(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2024/1468.)
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 24 april 2024 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op niet voor de weg bestemde mobiele machines die deelnemen aan het verkeer op de openbare weg en tot wijziging van Verordening (EU) 2019/1020 (COM(2023)0178 – C9-0120/2023 – 2023/0090(COD))
– gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2023)0178),
– gezien artikel 294, lid 2, en artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C9‑0120/2023),
– gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
– gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 14 juni 2023(1),
– gezien het overeenkomstig artikel 74, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 15 maart 2024 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,
– gezien artikel 59 van zijn Reglement,
– gezien het verslag van de Commissie interne markt en consumentenbescherming (A9‑0382/2023),
1. stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;
2. verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;
3. verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de nationale parlementen.
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 24 april 2024 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2025/... van het Europees Parlement en de Raad betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op niet voor de weg bestemde mobiele machines die deelnemen aan het verkeer op de openbare weg en tot wijziging van Verordening (EU) 2019/1020
(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2025/14.)
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 24 april 2024 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) 2016/2031 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft meerjarige onderzoeksprogramma’s, kennisgevingen inzake de aanwezigheid van gereguleerde niet-quarantaineorganismen, tijdelijke afwijkingen van invoerverboden en bijzondere invoervoorschriften en de vaststelling van procedures voor het toekennen daarvan, tijdelijke invoervoorschriften voor planten, plantaardige producten en andere materialen met een hoog risico, de vaststelling van procedures voor het in een lijst opnemen van planten met een hoog risico, de inhoud van fytosanitaire certificaten, het gebruik van plantenpaspoorten en wat betreft bepaalde rapportageverplichtingen voor afgebakende gebieden en onderzoeken met betrekking tot plaagorganismen (COM(2023)0661 – C9-0391/2023 – 2023/0378(COD))
– gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2023)0661),
– gezien artikel 294, lid 2, en artikel 43, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C9‑0391/2023),
– gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
– gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 13 december 2023(1),
– gezien het overeenkomstig artikel 74, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 13 maart 2024 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,
– gezien artikel 59 van zijn Reglement,
– gezien het verslag van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (A9‑0035/2024),
1. stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;
2. verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;
3. verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de nationale parlementen.
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 24 april 2024 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2024/... van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) 2016/2031 wat betreft meerjarige onderzoeksprogramma’s, kennisgevingen inzake de aanwezigheid van gereguleerde niet-quarantaineorganismen, tijdelijke afwijkingen van invoerverboden en bijzondere invoervoorschriften en de vaststelling van procedures voor het toekennen daarvan, tijdelijke invoervoorschriften voor planten, plantaardige producten en andere materialen met een hoog risico, de vaststelling van procedures voor het in een lijst opnemen van planten met een hoog risico, de inhoud van fytosanitaire certificaten en het gebruik van plantenpaspoorten, en wat betreft bepaalde rapportagevereisten voor afgebakende gebieden en onderzoeken met betrekking tot plaagorganismen, en tot wijziging van Verordening (EU) 2017/625 wat betreft bepaalde kennisgevingen van niet-naleving
(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2024/3115.)
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 24 april 2024 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de transparantie en integriteit van op ecologische, sociale en governancefactoren gebaseerde ratingactiviteiten (COM(2023)0314 – C9-0203/2023 – 2023/0177(COD))
– gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2023)0314),
– gezien artikel 294, lid 2, en artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C9‑0203/2023),
– gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
– gezien het advies van de Europese Centrale Bank van 4 oktober 2023(1),
– gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 25 oktober 2023(2),
– gezien het overeenkomstig artikel 74, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 14 februari 2024 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,
– gezien artikel 59 van zijn Reglement,
– gezien het schrijven van de Commissie juridische zaken,
– gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A9-0417/2023),
1. stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;
2. verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;
3. verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 24 april 2024 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2024/... van het Europees Parlement en de betreffende de transparantie en integriteit van op ecologische, sociale en governancefactoren (ESG) gebaseerde ratingactiviteiten, en tot wijziging van Verordeningen (EU) 2019/2088 en (EU) 2023/2859
(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2024/3005.)
PB C, C/2024/883 van 6.2.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/883/oj.
Maatregelen ter beperking van buitensporige blootstellingen aan centrale tegenpartijen uit derde landen en ter verbetering van de efficiëntie van de clearingmarkten in de Unie
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 24 april 2024 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 648/2012, (EU) nr. 575/2013 en (EU) 2017/1131 voor wat betreft maatregelen ter beperking van buitensporige blootstellingen aan centrale tegenpartijen uit derde landen en ter verbetering van de efficiëntie van de clearingmarkten in de Unie (COM(2022)0697 – C9-0412/2022 – 2022/0403(COD))
– gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2022)0697),
– gezien artikel 294, lid 2, en artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C9‑0412/2022),
– gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
– gezien het advies van de Europese Centrale Bank van 26 april 2023(1),
– gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 22 maart 2023(2),
– gezien het overeenkomstig artikel 74, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 14 februari 2024 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,
– gezien artikel 59 van zijn Reglement,
– gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A9‑0398/2023),
1. stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;
2. verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;
3. verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 24 april 2024 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2024/... van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 648/2012, (EU) nr. 575/2013 en (EU) 2017/1131 voor wat betreft maatregelen ter beperking van buitensporige blootstellingen aan centrale tegenpartijen uit derde landen en ter verbetering van de efficiëntie van de clearingmarkten in de Unie
(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2024/2987.)
Behandeling van het concentratierisico dat voortvloeit uit blootstellingen aan centrale tegenpartijen en het risico van tegenpartijen bij centraal geclearde derivatentransacties
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 24 april 2024 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van de Richtlijnen 2009/65/EU, 2013/36/EU en (EU) 2019/2034 wat betreft de behandeling van het concentratierisico met betrekking tot centrale tegenpartijen en het risico van tegenpartijen bij centraal geclearde derivatentransacties (COM(2022)0698 – C9-0411/2022 – 2022/0404(COD))
– gezien het voorstel van de Commissie aan het Parlement en de Raad (COM(2022)0698),
– gezien artikel 294, lid 2, en artikel 53, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C9‑0411/2022),
– gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
– gezien het advies van de Europese Centrale Bank van 26 april 2023(1),
– gezien het overeenkomstig artikel 74, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 14 februari 2024 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,
– gezien artikel 59 van zijn Reglement,
– gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A9-0399/2023),
1. stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;
2. verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;
3. verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de nationale parlementen.
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 24 april 2024 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) 2024/... van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van de Richtlijnen 2009/65/EG, 2013/36/EU en (EU) 2019/2034 wat betreft de behandeling van het concentratierisico dat voortvloeit uit blootstellingen aan centrale tegenpartijen en het risico van tegenpartijen bij centraal geclearde derivatentransacties
(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Richtlijn (EU) 2024/2994.)
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 24 april 2024 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van de Verordeningen (EU) 2017/1129, (EU) nr. 596/2014 en (EU) nr. 600/2014 om publieke kapitaalmarkten in de Unie aantrekkelijker te maken voor ondernemingen en de toegang tot kapitaal voor kleine en middelgrote ondernemingen te vergemakkelijken (COM(2022)0762 – C9-0417/2022 – 2022/0411(COD))
– gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2022)0762),
– gezien artikel 294, lid 2, en artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C9-0417/2022),
– gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
– gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 23 maart 2023(1),
– gezien het overeenkomstig artikel 74, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 14 februari 2024 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,
– gezien artikel 59 van zijn Reglement,
– gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A9-0302/2023),
1. stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;
2. verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;
3. verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 24 april 2024 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2024/... van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van de Verordeningen (EU) 2017/1129, (EU) nr. 596/2014 en (EU) nr. 600/2014 om publieke kapitaalmarkten in de Unie aantrekkelijker te maken voor ondernemingen en de toegang tot kapitaal voor kleine en middelgrote ondernemingen (mkb-ondernemingen) te vergemakkelijken
(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2024/2809.)
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 24 april 2024 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2014/65/EU met als doel de publieke kapitaalmarkten in de Unie aantrekkelijker te maken voor ondernemingen en de toegang tot kapitaal voor kleine en middelgrote ondernemingen te vergemakkelijken, en tot intrekking van Richtlijn 2001/34/EG (COM(2022)0760 – C9-0415/2022 – 2022/0405(COD))
– gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2022)0760),
– gezien artikel 294, lid 2, en artikel 50, artikel 51, lid 2, artikel 62 en artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C9‑0415/2022),
– gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
– gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 23 maart 2023(1),
– gezien het overeenkomstig artikel 74, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 14 februari 2024 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,
– gezien artikel 59 van zijn Reglement,
– gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A9-0303/2023),
1. stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;
2. verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;
3. verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 24 april 2024 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) 2024/... van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2014/65/EU met als doel de publieke kapitaalmarkten in de Unie aantrekkelijker te maken voor ondernemingen en de toegang tot kapitaal voor kleine en middelgrote ondernemingen (mkb-ondernemingen) te vergemakkelijken, en tot intrekking van Richtlijn 2001/34/EG
(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Richtlijn (EU) 2024/2811.)
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 24 april 2024 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de aandelenstructuur met meervoudig stemrecht in ondernemingen die om de toelating tot de handel van hun aandelen op een mkb-groeimarkt verzoeken (COM(2022)0761 – C9-0416/2022 – 2022/0406(COD))
– gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2022)0761),
– gezien artikel 294, lid 2, artikel 50, lid 1, artikel 50, lid 2, punt g), en artikel 114, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan de Commissie het voorstel bij het Parlement heeft ingediend (C9‑0416/2022),
– gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
– gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 23 maart 2023(1),
– gezien het overeenkomstig artikel 74, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 14 februari 2024 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,
– gezien artikel 59 van zijn Reglement,
– gezien het advies van de Commissie juridische zaken,
– gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A9-0300/2023),
1. stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;
2. verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;
3. verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 24 april 2024 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) 2024/... van het Europees Parlement en de Raad betreffende structuren met aandelen met meervoudig stemrecht in ondernemingen die om de toelating tot de handel van hun aandelen op een multilaterale handelsfaciliteit verzoeken
(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Richtlijn (EU) 2024/2810.)
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 24 april 2024 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende kwaliteits- en veiligheidsnormen voor stoffen van menselijke oorsprong die bestemd zijn voor toepassing op de mens en tot intrekking van Richtlijn 2002/98/EG en Richtlijn 2004/23/EG (COM(2022)0338 – C9-0226/2022 – 2022/0216(COD))
– gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2022)0338),
– gezien artikel 294, lid 2, en artikel 168, lid 4, punt a), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C9‑0226/2022),
– gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
– gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 27 oktober 2022(1),
– na raadpleging van het Comité van de Regio’s,
– gezien het overeenkomstig artikel 74, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 30 januari 2024 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,
– gezien artikel 59 van zijn Reglement,
– gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A9-0250/2023),
1. stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast(2);
2. verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;
3. verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 24 april 2024 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2024/... van het Europees Parlement en de Raad betreffende kwaliteits- en veiligheidsnormen voor lichaamsmaterialen die bedoeld zijn voor toepassing op de mens en tot intrekking van Richtlijn 2002/98/EG en Richtlijn 2004/23/EG
(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2024/1938.)
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 24 april 2024 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) 2019/881 wat betreft beheerde beveiligingsdiensten (COM(2023)0208 – C9-0137/2023 – 2023/0108(COD))
– gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2023)0208),
– gezien artikel 294, lid 2, en artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C9‑0137/2023),
– gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
– gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 13 juli 2023(1),
– gezien het overeenkomstig artikel 74, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 21 maart 2024 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,
– gezien artikel 59 van zijn Reglement,
– gezien de brief van de Commissie interne markt en consumentenbescherming,
– gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie (A9-0307/2023),
1. stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;
2. neemt kennis van de verklaring van de Commissie die als bijlage bij onderhavige resolutie is gevoegd en die in de C-reeks van het Publicatieblad van de Europese Unie zal worden bekendgemaakt;
3. verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;
4. verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 24 april 2024 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2025/... van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) 2019/881 wat betreft beheerde beveiligingsdiensten
(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2025/37.)
BIJLAGE BIJ DE WETGEVINGSRESOLUTIE
Politieke verklaring van de Commissie naar aanleiding van de vaststelling van Verordening (EU) 2025/37 van het Europees Parlement en de Raad van 19 december 2024 tot wijziging van Verordening (EU) 2019/881 wat betreft beheerde beveiligingsdiensten(2)
Deze verordening tot wijziging van de cyberbeveiligingsverordening voegt de mogelijkheid toe om Europese cyberbeveiligingscertificeringsregelingen voor beheerde beveiligingsdiensten te ontwikkelen. Tegelijkertijd wordt erkend dat een grondige toetsing van de cyberbeveiligingsverordening van het grootste belang is, met inbegrip van de beoordeling van de procedures die leiden tot de opstelling, vaststelling en herziening van Europese cyberbeveiligingscertificeringsregelingen. Die toetsing moet gebaseerd zijn op een grondige analyse en brede raadpleging in verband met de gevolgen, de doeltreffendheid en de efficiëntie van de werking van het Europees cyberbeveiligingscertificeringskader. De analyse die in het kader van de in artikel 67 van de cyberbeveiligingsverordening vastgestelde evaluatie wordt uitgevoerd, moet lopende activiteiten voor de ontwikkeling van regelingen omvatten, zoals die betreffende de Europese cyberbeveiligingscertificeringsregeling voor clouddiensten (EUCS), en activiteiten inzake vastgestelde regelingen, zoals die betreffende de Europese op gemeenschappelijke criteria gebaseerde cyberbeveiligingscertificeringsregeling (EUCC).
Bij de toetsing moeten met name de sterke en zwakke punten van de procedures die tot cyberbeveiligingscertificeringregelingen leiden, in kaart worden gebracht en moeten aanbevelingen voor toekomstige verbeteringen worden gedaan. Er moet ook aandacht worden besteed aan aspecten die verband houden met de raadpleging van belanghebbenden en de transparantie van het proces.
Dienovereenkomstig zorgt de Commissie, die verantwoordelijk is voor de toetsing van de cyberbeveiligingsverordening, ervoor dat bij de toetsing in voorkomend geval rekening wordt gehouden met de in het licht van artikel 67 genoemde noodzakelijke elementen wanneer zij de toetsing aan de medewetgevers voorlegt.
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 24 april 2024 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van maatregelen ter versterking van de solidariteit en de capaciteit in de Unie om cyberdreigingen en -incidenten op te sporen, zich erop voor te bereiden en erop te reageren (COM(2023)0209 – C9-0136/2023 – 2023/0109(COD))
– gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2023)0209),
– gezien artikel 294, lid 2, artikel 173, lid 3 en artikel 322, lid 1, punt a), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C9‑0136/2023),
– gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
– gezien het advies van de Rekenkamer van 18 april 2023(1),
– gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 13 juli 2023(2),
– gezien het advies van het Comité van de Regio’s van 30 november 2023(3),
– gezien het overeenkomstig artikel 74, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 21 maart 2024 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,
– gezien artikel 59 van zijn Reglement,
– gezien de adviezen van de Commissie buitenlandse zaken en de Commissie vervoer en toerisme,
– gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie (A9-0426/2023),
1. stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;
2. neemt kennis van de verklaring van de Commissie die als bijlage bij onderhavige resolutie is gevoegd en die in de C-reeks van het Publicatieblad van de Europese Unie zal worden bekendgemaakt;
3. verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;
4. verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 24 april 2024 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2025/... van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van maatregelen ter versterking van de solidariteit en de capaciteit in de Unie om cyberdreigingen en -incidenten op te sporen, zich erop voor te bereiden en erop te reageren en tot wijziging van Verordening (EU) 2021/694 (verordening cybersolidariteit)
(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2025/38.)
BIJLAGE BIJ DE WETGEVINGSRESOLUTIE
Verklaring van de Commissie betreffende de begroting inzake Verordening (EU) 2025/38 van het Europees Parlement en de Raad van 19 december 2024 tot vaststelling van maatregelen ter versterking van de solidariteit en de capaciteit in de Unie om cyberdreigingen en -incidenten op te sporen, zich erop voor te bereiden en erop te reageren (Verordening cybersolidariteit)(4)
(1) Het financieel memorandum van de Commissie bij het voorstel voor de verordening cybersolidariteit is in april 2023 gepubliceerd. Sindsdien zijn de desbetreffende ramingen gewijzigd als gevolg van de vaststelling of verwachte vaststelling van andere wetgevingshandelingen.
(2) Op 5 maart 2024 bereikten de medewetgevers een voorlopig politiek akkoord om de hertoewijzing van specifieke doelstelling 4, “geavanceerde digitale vaardigheden” naar specifieke doelstelling 3, “cyberbeveiliging en vertrouwen” van het programma Digitaal Europa, zoals voorzien in het financieel memorandum, te beperken tot 22 miljoen EUR.
(3) Teneinde rekening te houden met de bepalingen van het voorlopige politieke akkoord en de door de medewetgevers overeengekomen hertoewijzingen heeft de Commissie het financieel memorandum bij de verordening cybersolidariteit aangepast wat betreft de financiële middelen voor de specifieke doelstellingen 2, “artificiële intelligentie”, 3 “cyberbeveiliging en vertrouwen” en 4 “geavanceerde digitale vaardigheden”.
(4) De financiële middelen voor de periode 2025-2027 die in het bijgewerkte financieel memorandum worden gepresenteerd, onverminderd de bevoegdheden van de Commissie in het kader van de jaarlijkse begrotingsprocedure, zijn derhalve als volgt:
— [544 726 000 EUR] voor specifieke doelstelling 2, “artificiële intelligentie”, rekening houdend met de overheveling van 65 miljoen EUR naar specifieke doelstelling 3, “cyberbeveiliging en vertrouwen”;
— [44 451 000 EUR] voor specifieke doelstelling 3 “cyberbeveiliging en vertrouwen”, deel onder direct beheer van de Commissie, met inbegrip van de overheveling van 26 miljoen EUR uit de specifieke doelstellingen 2 en 4;
— [353 190 613 EUR] voor specifieke doelstelling 3 “cyberbeveiliging en vertrouwen”, deel beheerd door het Europees kenniscentrum voor cyberbeveiliging, met inbegrip van de overheveling van 61 miljoen EUR uit de specifieke doelstellingen 2 en 4;
— [167 162 423 EUR] voor specifieke doelstelling 4 “geavanceerde digitale vaardigheden”, rekening houdend met de overheveling van 22 miljoen EUR naar specifieke doelstelling 3 “cyberbeveiliging en vertrouwen”.
(5) De EU-cyberbeveiligingsreserve zal worden gefinancierd uit de financiële middelen van specifieke doelstelling 3 “cyberbeveiliging en vertrouwen”, deel onder direct beheer van de Commissie, (volgens de geactualiseerde AKE geraamd op [44 451 000] EUR).
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 24 april 2024 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende arbeidsmarktstatistieken van de Europese Unie over ondernemingen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 530/1999 van de Raad en de Verordeningen (EG) nr. 450/2003 en (EG) nr. 453/2008 van het Europees Parlement en de Raad (COM(2023)0459 – C9-0316/2023 – 2023/0288(COD))
– gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2023)0459),
– gezien artikel 294, lid 2, en artikel 338, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C9‑0316/2023),
– gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
– gezien het advies van de Europese Centrale Bank van 24 november 2023(1),
– gezien artikel 59 van zijn Reglement,
– gezien het advies van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken,
– gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A9-0054/2024),
1. stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;
2. verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;
3. verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 24 april 2024 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2024/... van het Europees Parlement en de Raad betreffende arbeidsmarktstatistieken van de Europese Unie over ondernemingen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 530/1999 van de Raad en de Verordeningen (EG) nr. 450/2003 en (EG) nr. 453/2008 van het Europees Parlement en de Raad(2)
HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 338, lid 1,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,
Gezien het advies van de Europese Centrale Bank(3),
▐
Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure,
Overwegende hetgeen volgt:
(1) Nauwkeurige, tijdige, betrouwbare en vergelijkbare arbeidsmarktstatistieken over ondernemingen in de Europese Unie zijn nodig voor het ontwerp, de uitvoering en de evaluatie van het beleid van de Unie, met name het beleid dat gericht is op economische, sociale en territoriale cohesie, de Europese werkgelegenheidsstrategie, de Europese pijler van sociale rechten (EPSR) en het Europees Semester, alsmede het beleid in verband met de uitvoering van het actieplan voor de EPSR en het actieplan voor de sociale economie.De Unie heeft deze statistieken tevens nodig om de haar krachtens de artikelen 2, 3 en 4 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) opgedragen taken te vervullen. [Am. 2]
(2) Voor de voorkoming en correctie van macro-economische onevenwichtigheden overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1176/2011(4) en de monitoring van toereikende minimumlonen overeenkomstig Richtlijn (EU) 2022/2041 van het Europees Parlement en de Raad(5) is nauwkeurige informatie nodig over de ontwikkeling van de loonkosten per uur en de loonniveaus, de dekkingsgraad van collectieve onderhandelingen, de hoogte van het wettelijk minimumloon en het percentage werknemers dat het wettelijk minimumloon ontvangt in de lidstaten.
(3) De Europese Centrale Bank maakt in het kader van het gemeenschappelijk monetair beleid gebruik van Europese arbeidsmarktstatistieken over ondernemingen, met name over de ontwikkeling van de loonkosten en stijging van de lonen, om de inflatie- en deflatierisico’s als gevolg van arbeidskosten te monitoren. Daarom zijn nauwkeurige, tijdige en vergelijkbare statistieken van de Unie over de ontwikkeling van de loonkosten noodzakelijk. Het is belangrijk dat deze analyse wordt aangevuld met monitoring van de inflatie- en deflatierisico’s als gevolg van winsten.
(4) De dekking van de vacaturestatistieken en de tijdigheid van de loonkostenindex moeten worden uitgebreid, aangezien beide indicatoren zijn opgenomen in de voornaamste Europese economische indicatoren (VEEI’s)(6), die nodig zijn om het monetaire en economische beleid te monitoren.
(4 bis) Voor analytische doeleinden is het belangrijk over een passende hoeveelheid historische gegevens te beschikken om de loonkostenindex over een langere periode te kunnen beoordelen. Om de lasten voor de lidstaten evenwel te beperken, moet de toezending worden beperkt tot historische gegevens met betrekking tot ten minste de kalenderjaren 2024 en 2025.
(5) Er is een rechtsgrondslag nodig voor het reguleren van de overdracht van de jaarlijkse loonkloof tussen mannen en vrouwen voor het monitoren van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen in het kader van de Agenda 2030 van de Verenigde Naties (VN), met name doelstelling 5 inzake gendergelijkheid en doelstelling 8 inzake eerlijk werk en economische groei, en voor het monitoren van het effect van Richtlijn (EU) 2023/970 van het Europees Parlement en de Raad(7) (richtlijn beloningstransparantie) [Am. 3].
(6) Voor de toepassing, monitoring en beoordeling van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep(8) zijn vergelijkbare gegevens over de door mannen en vrouwen ontvangen lonen nodig. Richtlijn (EU) 2023/970 van het Europees Parlement en de Raad ter versterking van de toepassing van het beginsel van gelijke beloning van mannen en vrouwen voor gelijke of gelijkwaardige arbeid(9) vereist dat de lidstaten de Commissie jaarlijks en tijdig actuele gegevens over de loonkloof tussen mannen en vrouwen verstrekken, overeenkomstig Richtlijn (EU) 2023/970. Deze verplichting moet worden aangevuld met een passend statistisch kader voor het verzamelen en doorgeven van gegevens over de loonkloof tussen mannen en vrouwen.
(6 bis) Overeenkomstig het actieplan voor de sociale economie(10) en de doelstellingen van de strategie inzake de rechten van personen met een handicap 2021-2030, met name de doelstelling om gelijke kansen te creëren en ervoor te zorgen dat deze personen gelijke toegang hebben tot de samenleving en de economie, zijn tijdige, vergelijkbare en nauwkeurige gegevens nodig over de participatie op de arbeidsmarkt van personen met een handicap. Deze gegevens zullen de dringend noodzakelijke beoordeling mogelijk maken van de voortgang bij de gezamenlijke inspanningen ter verkleining van de verschillen in arbeidsparticipatie en ter verhoging van de arbeidsparticipatie van personen met een handicap.
(6 ter) Voor de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling ongeacht ras of etnische afstamming zijn tijdige, vergelijkbare en nauwkeurige gegevens nodig over lonen en de kenmerken van het werk dat personen doen, uitgesplitst naar ras of etnische afstamming. Deze gegevens zullen de dringend noodzakelijke beoordeling mogelijk maken van de voortgang bij de inspanningen ter verkleining van discriminatie op het vlak van werk en arbeidsomstandigheden, met inbegrip van ontslag en beloning.
(6 quater) De genderpensioenkloof is het relatieve verschil tussen de gemiddelde brutopensioenen van vrouwen en mannen. Deze kloof is het gevolg van verschillende loopbanen; loopbanen van vrouwen worden vaak minder betaald, zijn korter, kennen meer onderbrekingen en bestaan vaak uit een lager aantal gewerkte uren. Bijgevolg lopen vrouwen in hun latere leven een groter risico op armoede dan mannen. De gegevens die zijn verzameld in het kader van arbeidsmarktstatistieken over ondernemingen met betrekking tot de loonstructuur, de loonkloof tussen mannen en vrouwen en de structuur van de arbeidskosten kunnen ook bijdragen tot een beter begrip van de genderpensioenkloof in de lidstaten.
(7) Om de bestaande wetgeving te vereenvoudigen en harmonisatie op het gebied van toepassingsgebied, concepten, definities en kwaliteitsrapportage te bevorderen, moet deze verordening betrekking hebben op alle Europese arbeidsmarktstatistieken over ondernemingen.
(7 bis) Ter verbetering van de arbeidsmarktstatistieken over ondernemingen is het van essentieel belang dat de gegevens aan de kwaliteitseisen voldoen. De Commissie (Eurostat) moet derhalve nadere richtsnoeren verstrekken met betrekking tot het beheer van de gegevens uit bronnen van lage kwaliteit.
(8) Deze verordening moet rekening houden met nieuwe behoeften die zijn ontstaan bij de ontwikkeling en verdieping van de Unie en de eurozone, op voorwaarde dat de bepalingen ervan geen onevenredige belasting vormen voor de respondenten of de nationale statistische instanties.
(9) Om de administratieve en financiële lasten voor ondernemingen, vooral voor sociale ondernemingen, kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s) en micro-ondernemingen, te beperken, moeten de nationale statistische instanties de voorkeur geven aan administratieve en innovatieve bronnen die reeds beschikbaar zijn voor nationale, regionale of lokale autoriteiten en die de verstrekking van statistieken niet als hoofddoel hebben, als vervanging voor of aanvulling op statistische enquêtes, met inachtneming van de kwaliteitseisen voor officiële statistieken. De meest recente technologische en digitale ontwikkelingen kunnen tot deze doelstelling bijdragen. Het aantal bronnen dat voor de verzameling en indiening van gegevens kan worden gebruikt, moet evenwel worden beperkt tot hetgeen noodzakelijk en evenredig is voor het verwezenlijken van de doelstelling van deze verordening. Derhalve moet de Commissie de bevoegdheid krijgen om gedelegeerde handelingen vast te stellen ter nadere bepaling van de bronnen, naast enquêtegegevens en administratieve bestanden, die voor de verzameling en indiening van gegevens zoals bedoeld in deze verordening kunnen worden gebruikt. In ieder geval geldt dat elke verwerking van gegevens uit die andere bronnen Richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad(11) onverlet moet laten.
(9 bis) De nationale statistische autoriteiten moeten in het kader van hun omgang met ondernemingen rekening houden met het beginsel van kosteneffectiviteit en economische actoren geen buitensporige lasten opleggen, zoals vastgesteld in artikel 338, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. De lidstaten moeten zich inspanningen getroosten om ervoor te zorgen dat relevante gegevens op adequate wijze worden gedeeld tussen autoriteiten, teneinde de rapportagelasten voor ondernemingen zo klein mogelijk te houden.
(9 ter) Het kader voor arbeidsmarktstatistieken over ondernemingen moet voortdurend worden verbeterd. Dit geldt voor aspecten in verband met de kwaliteit van gegevens, alsook voor het verminderen van buitensporige economische lasten. Nieuwe methoden en procedures moeten echter goed worden getest voordat ze in de dagelijkse activiteiten van de nationale statistische autoriteiten worden geïntegreerd. Met het oog daarop moeten de Commissie (Eurostat) en de nationale bureaus voor de statistiek haalbaarheids- en pilotstudies verrichten. Dergelijke studies moeten door de Commissie worden geïnitieerd en moeten openstaan voor de deelname, op vrijwillige basis, van de nationale bureaus voor de statistiek. Teneinde de juiste conclusies te trekken, moeten de resultaten van die studies door de Commissie en de nationale bureaus voor de statistiek zorgvuldig worden geanalyseerd. Die analyse moet ter beschikking worden gesteld aan de statistische gemeenschap en het brede publiek.
(10) Met het oog op de verbetering van de efficiëntie van de productieprocessen voor arbeidsmarktstatistieken en de vermindering van de responslast hebben de nationale statistische autoriteiten en de Commissie (Eurostat) recht op onmiddellijke en kosteloze toegang tot en gebruikmaking van die administratieve bestanden en moeten zij deze administratieve bestanden kunnen integreren in statistieken, voor zover dit noodzakelijk is voor de ontwikkeling, productie en verspreiding van arbeidsmarktstatistieken van de Europese Unie over ondernemingen, in overeenstemming met de bepalingen van artikel 17 bis van Verordening (EG) nr. 223/2009 van het Europees Parlement en de Raad(12).
(11) Verordening (EG) nr. 223/2009 is het referentiekader voor onderhavige verordening, ook wat betreft de bescherming van vertrouwelijke gegevens, alsmede de verwerking en uitwisseling van persoonsgegevens, met inbegrip van gegevens van de particuliere sector.
(11 bis) Het gebruik van webscrapingtechnieken voor het verzamelen van gegevens van websites, die doorgaans bestaan uit het ongestructureerd doorzoeken van op internet openbaar toegankelijke gegevens, is mogelijk niet in overeenstemming met het gegevensbeschermingsbeginsel van nauwkeurigheid, wanneer de bronnen niet op betrouwbaarheid worden beoordeeld. Dezelfde kwaliteitseisen voor officiële statistieken (bijv. het beginsel van statistische nauwkeurigheid en betrouwbaarheid van brongegevens) kunnen in het gedrang komen.
(12) Aangezien de doelstelling van deze verordening, namelijk de vaststelling van een gemeenschappelijk kader voor de systematische productie van hoogwaardige arbeidsmarktstatistieken van de Europese Unie over ondernemingen, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt en daarom, op grond van redenen van consistentie en vergelijkbaarheid, beter door de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken.
(13) De Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming is geraadpleegd overeenkomstig artikel 42, lid 1, van Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad(13) en heeft een advies uitgebracht op 25 september 2023.
(14) Voor een passende uitvoering van deze verordening in de lidstaten is een termijn van ten minste twaalf maanden na de datum van inwerkingtreding nodig vóór de eerste gegevensverzameling. Vandaar dat de verordening ten vroegste vanaf 1 januari 2026 moet worden toegepast.
(15) Het Comité voor het Europees statistisch systeem is geraadpleegd.
HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Voorwerp
Deze verordening stelt een gemeenschappelijk rechtskader vast voor de ontwikkeling, productie en verspreiding van arbeidsmarktstatistieken over ondernemingen in de Unie.
Artikel 2
Definities
Voor de toepassing van deze verordening gelden de volgende definities:
1) “statistische eenheid”: de natuurlijke of rechtspersoon waarover de gegevens worden verzameld of samengesteld;
2) “onderneming”: een geheel van juridische eenheden in de zin van Verordening (EEG) nr. 696/93 van de Raad(14); Dit omvat niet-marktproducenten en andere institutionele eenheden die tot de sector overheid behoren;
2 bis) “sociale onderneming”: een privaatrechtelijke entiteit, die in verschillende rechtsvormen kan worden ingesteld, die op zakelijke wijze en in overeenstemming met de beginselen en kenmerken van de sociale economie goederen en diensten levert om in de handel gebracht te worden, met sociale of milieudoelstellingen als reden voor haar commerciële activiteit(15);
3) “lokale eenheid”: een onderneming die of een deel van een onderneming dat zich op een geografisch geïdentificeerde plaats bevindt;
4) “ingezeten onderneming”, respectievelijk “ingezeten lokale eenheid”: een onderneming, respectievelijk een lokale eenheid, die economische activiteiten verricht die bijdragen tot het bruto binnenlands product (bbp);
5) “werknemer”: elke persoon, ongeacht zijn nationaliteit, ingezetenschap of hoe lang hij/zij in de lidstaat heeft gewerkt, die een rechtstreekse arbeidsverhouding heeft met een onderneming die door een formele of een informele overeenkomst tot stand is gebracht en daarvoor een beloning ontvangt, ongeacht de aard van het werk, het aantal gewerkte uren (voltijds of in deeltijd) en de duur van de overeenkomst (vast of tijdelijk, met inbegrip van seizoenswerk); de beloning van een werknemer kan bestaan uit lonen, met inbegrip van bonussen, stukloon, toeslagen voor ploegendienst, toelagen, honoraria, fooien, provisies of beloningen in natura; [Am. 4]
6) “werkgever”: een onderneming of een lokale eenheid die een rechtstreekse arbeidsverhouding met een werknemer heeft, die door een formele of een informele overeenkomst tot stand is gebracht; [Am. 5]
7) “domein”: een of meer gegevensreeksen die specifieke onderwerpen bestrijken;
8) “onderwerp”: de inhoud van de te verzamelen informatie over de statistische eenheden in een gegevensverzameling, waarbij elk onderwerp verschillende gedetailleerde onderwerpen bestrijkt;
9) “gedetailleerd onderwerp”: de gedetailleerde inhoud van de te verzamelen informatie over de statistische eenheden met betrekking tot een onderwerp; elk gedetailleerd onderwerp bestrijkt een of meer variabelen;
10) “variabele”: een kenmerk van een eenheid dat kan uitgaan van meer dan één van een reeks waarden, dat een absoluut getal, een aandeel of een verwijzing naar een positie in een classificatie kan zijn;
11) “uitsplitsing”: een vooraf bepaalde, afzonderlijke, uitputtende reeks waarden die kan worden toegekend aan een variabele die kenmerkend is voor statistische eenheden;
12) “microgegevens”: gegevens die slechts betrekking hebben op één statistische eenheid zonder directe identificatiecode;
13) “geaggregeerde gegevens”: gegevens betreffende een reeks van verschillende statistische eenheden;
14) “statistische populatie”: de reeks statistische eenheden waarover informatie wordt gevraagd en schattingen zijn vereist;
15) “steekproefkader”: lijst, kaart of andere specificatie van de eenheden die een populatie afbakent die volledig wordt onderzocht of waaruit een steekproef wordt getrokken;
16) “steekproef”: een deelverzameling van een steekproefkader waarvan de elementen worden geselecteerd op basis van een proces waarvan de waarschijnlijkheid van selectie bekend is, zodat geldige schattingen voor de statistische populatie kunnen worden afgeleid;
17) “respondent”: de rapporterende eenheid die informatie verstrekt aan de autoriteit die de enquête verricht;
18) “enquêtegegevens”: gegevens die zijn verzameld over een steekproef van respondenten en geëxtrapoleerd naar de statistische populatie met behulp van passende wiskundige methoden;
19) “administratieve bestanden”: door een administratieve eenheid, gewoonlijk een publiekrechtelijk orgaan, gegenereerde gegevens die niet voornamelijk voor de verstrekking van statistieken worden verzameld;
20) “andere bronnen”: hoogwaardige en betrouwbare gegevens die door een niet-administratieve entiteit zijn gegenereerd, met inbegrip van privébestanden, websites en databanken, die niet voornamelijk voor de verstrekking van statistieken zijn bedoeld;
21) “statistische classificatie”: een geordende lijst, met een of meer niveaus van gedetailleerdheid, van verwante, maar elkaar uitsluitende categorieën die worden gebruikt om informatie in een bepaald statistisch domein te structureren op basis van de gelijkenissen ervan;
22) “referentieperiode”: de periode waarop de gegevens betrekking hebben;
23) “gegevensverzamelingsperiode”: de periode waarin de gegevens worden verzameld;
24) “metagegevens”: informatie die nodig is om statistieken te gebruiken en te interpreteren en waarmee gegevens op een gestructureerde manier worden beschreven;
25) “vooraf gecontroleerde gegevens”: gegevensreeksen die door de lidstaten zijn geverifieerd op basis van overeengekomen gemeenschappelijke validatieregels;
26) “kwaliteitsverslag”: verslag dat informatie geeft over de kwaliteit van een statistisch product of proces;
26 bis) “historische gegevens”: gegevens met betrekking tot een periode van ten minste twee jaar voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding van deze verordening.
Artikel 3
Bronnen en methoden
1. Voor het opstellen van statistieken uit hoofde van deze verordening gebruiken of hergebruiken de lidstaten een van de volgende bronnen of een combinatie hiervan, mits deze aan de in artikel 8 bedoelde kwaliteitsnormen voldoen:
a) enquêtegegevens;
b) administratieve bestanden;
c) overige bronnen.
1 bis. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 13 gedelegeerde handelingen vast te stellen in aanvulling op deze verordening door nader te bepalen uit welke andere bronnen als bedoeld in lid 1, punt c), van dit artikel gegevens mogen worden verzameld en ingediend. Bij de uitoefening van de bevoegdheid om dergelijke gedelegeerde handelingen vast te stellen, zorgt de Commissie ervoor dat het gebruik van die andere bronnen noodzakelijk en evenredig is voor het verwezenlijken van de doelstelling van deze verordening, met inachtneming van de gevoeligheid van de desbetreffende gegevens en onverminderd Richtlijn 2002/58/EG.
2. Enquêtes die worden gebruikt voor arbeidsmarktstatistieken over ondernemingen, moeten worden gebaseerd op steekproeven die representatief zijn voor de statistische populatie. De steekproeven van ondernemingen of lokale eenheden worden getrokken uit de nationale statistische ondernemingsregisters zoals gedefinieerd in artikel 8, lid 4, van Verordening (EU) 2019/2152.
3. De lidstaten verstrekken de Commissie (Eurostat) gedetailleerde informatie over de bronnen en methoden die zijn gebruikt in de in artikel 8, lid 4, bedoelde kwaliteitsverslagen.
Artikel 3 bis
Voorschriften inzake de verwerking van persoonsgegevens
1. Wanneer de krachtens deze verordening uit te voeren activiteiten gepaard gaan met de verwerking van persoonsgegevens, moet die verwerking evenredig zijn en in overeenstemming zijn met Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad(16) en Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad(17). Overeenkomstig het in deze verordeningen neergelegde beginsel van gegevensminimalisatie worden de in het kader van deze verordening verstrekte gegevens zodanig geaggregeerd dat personen niet kunnen worden geïdentificeerd.
2. Voor de verwerking van persoonsgegevens ten behoeve van statistieken, hetgeen van algemeen belang wordt geacht, gelden passende waarborgen overeenkomstig artikel 89 van Verordening (EU) 2016/679 en artikel 13 van Verordening (EU) 2018/1725. Met name wordt gezorgd voor naleving van het beginsel van anonimisering van persoonsgegevens.
Artikel 4
Gegevensvereisten
1. Arbeidsmarktstatistieken over ondernemingen hebben betrekking op de volgende gebieden en onderwerpen:
a) inkomsten:
i) de structuur van de inkomsten;
ii) de loonkloof tussen mannen en vrouwen;
iii) de dekkingsgraad van collectieve onderhandelingen;
iv) de hoogte van het wettelijk minimumloon, indien van toepassing;
v) de dekkingsgraad van het wettelijk minimumloon, indien van toepassing;
b) loonkosten:
i) de structuur van de loonkosten;
ii) de loonkostenindex;
c) vraag naar arbeid:
i) vacatures.
De onderwerpen loonkostenindex als bedoeld punt b), ii), en vacatures als bedoeld in punt c), i), omvatten de respectieve vroegtijdige schattingen ervan als bedoeld in artikel 5.
2. Voor elk in lid 1 genoemd onderwerp worden de gedetailleerde onderwerpen, de bijbehorende periodiciteit, referentieperioden en indieningstermijnen vastgesteld in de bijlage.
3. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 13 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van de in de bijlage opgenomen lijst van gedetailleerde onderwerpen, frequentie, referentieperioden en indieningstermijnen.
4. Bij de uitoefening van de bevoegdheid om overeenkomstig lid 3 gedelegeerde handelingen vast te stellen, zorgt de Commissie ervoor dat de wijzigingen geen aanzienlijke en onevenredige lasten met zich meebrengen voor lidstaten en respondenten. Daartoe worden haalbaarheidsstudies als bedoeld in artikel 9 gestart en worden de resultaten ervan naar behoren beoordeeld en in aanmerking genomen vóór de vaststelling van de gedelegeerde handelingen.
5. De gegevens worden bij de Commissie (Eurostat) ingediend in de vorm van geaggregeerde gegevens, behalve voor het in lid 1, punt a), i), bedoelde onderwerp thematische loonstructuur, waarvoor microgegevens moeten worden ingediend voor individuele werknemers en lokale eenheden.
6. De lidstaten dienen de vooraf gecontroleerde gegevens en de daarmee samenhangende metagegevens in met gebruikmaking van een technisch formaat dat door de Commissie (Eurostat) voor elke gegevensreeks wordt voorgeschreven. De diensten van het centrale toegangspunt worden gebruikt om de gegevens bij de Commissie (Eurostat) in te dienen.
7. De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast waarin voor elk onderwerp de volgende elementen worden gespecificeerd:
a) de lijst en de beschrijving van variabelen;
b) statistische classificaties en uitsplitsingen van gegevens;
c) nauwkeurigheidsdoelstellingen;
d) de metagegevens die moeten worden ingediend met dezelfde periodiciteit, referentieperiode en termijnen als de gegevens waarop zij betrekking hebben;
e) de gegevensverzamelingsperioden.
Deze uitvoeringshandelingen worden minstens twaalf maanden vóór het begin van de relevante referentieperiode vastgesteld overeenkomstig de in artikel 14, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
Artikel 5
Vroegtijdige schattingen
1. Vroegtijdige schattingen van de loonkostenindex als bedoeld in artikel 4, lid 1, punt b), ii), en vacatures als bedoeld in artikel 4, lid 1, punt c), i), worden verstrekt:
a) door lidstaten waarvan het jaarlijkse aantal werknemers meer dan 3 % van het totaal voor de EU uitmaakt, voor elk van de laatste drie opeenvolgende jaren; en
b) door lidstaten van de eurozone waarvan het jaarlijkse aantal werknemers meer dan 3 % van het totaal van de eurozone uitmaakt, voor elk van de laatste drie opeenvolgende jaren;
2. Het aandeel werknemers in het totaal van de EU en het totaal van de eurozone als bedoeld in lid 1 wordt door de Commissie (Eurostat) beoordeeld op basis van de beschikbare jaarlijkse gegevens van de EU-arbeidskrachtenenquête.
3. Indien de lijst van lidstaten waarvan het jaarlijkse aantal werknemers hoger is dan de in lid 1, punten a) en b), bedoelde drempels, wordt gewijzigd, stelt de Commissie (Eurostat) de betrokken lidstaat (lidstaten) daarvan in kennis binnen zes maanden na het einde van de periode die is gebruikt om de drempel van 3 % te beoordelen. Indien de geactualiseerde werknemersaandelen onder respectieve de in lid 1, punt a) en b), bedoelde drempels vallen, mogen de betrokken lidstaten met ingang van het referentiekwartaal van het eerste kalenderjaar volgend op de datum van kennisgeving geen vroegtijdige schattingen meer indienen. Indien de geactualiseerde aandelen deze drempels overschrijden, dienen de betrokken lidstaten de vroegtijdige schattingen in vanaf het eerste referentiekwartaal van het derde kalenderjaar volgend op de datum van de kennisgeving.
Artikel 6
Statistische eenheden en statistische populatie
1. In het kader van deze verordening worden statistieken opgesteld voor een of meer van de volgende statistische eenheden:
a) ondernemingen;
b) lokale eenheden;
c) werknemers.
2. Voor de in artikel 4, lid 1, punt b), ii), bedoelde loonkostenindex en de in artikel 4, lid 1, punt c), i), bedoelde vacatures bestaat de statistische populatie uit alle ondernemingen of alle lokale eenheden die ingezetene van de lidstaat zijn en die aan de volgende voorwaarden voldoen:
a) hun belangrijkste economische activiteit is opgenomen in elke sectie van de NACE-classificatie(18), met uitzondering van “Landbouw, bosbouw en visserij”, “Huishoudens als werkgever en niet-gedifferentieerde productie van goederen en diensten door huishoudens voor eigen gebruik” en “Activiteiten van extraterritoriale organisaties en lichamen”, en
b) zij hebben een of meer werknemers.
3. Voor de onderwerpen structuur van de inkomsten als bedoeld in artikel 4, lid 1, punt a), i), en loonverschil tussen mannen en vrouwen als bedoeld in artikel 4, lid 1, punt a), ii), bestaat, wat de gegevens over de werkgever betreft, de statistische populatie uit alle lokale eenheden die ingezetene van de lidstaat zijn en die aan de volgende voorwaarden voldoen:
a) hun economische activiteit is opgenomen in een van de secties van de NACE-classificatie, met uitzondering van “Landbouw, bosbouw en visserij”, “Diensten van huishoudens als werkgever en ongedifferentieerde goederen en diensten – producerende activiteiten van huishoudens voor eigen gebruik” en “Activiteiten van extraterritoriale organisaties en lichamen”; en
b) zij hebben een of meer werknemers.
Wat de onderwerpen loonstructuur en de loonkloof tussen mannen en vrouwen betreft, bestaat, wat de gegevens over de werknemer betreft, de statistische populatie uit alle werknemers wier lokale eenheid tot de in de eerste alinea, punt a) en b), gedefinieerde statistische populatie behoort.
4. In afwijking van lid 3, punten a) en b), heeft de indiening, wat de gegevens over de loonkloof tussen mannen en vrouwen voor referentieperiode 2026 betreft, betrekking op alle lokale eenheden die deel uitmaken van ondernemingen met tien of meer werknemers en die, naast de in lid 3, punt a), uitgesloten activiteiten, niet behoren tot de afdeling “Openbaar bestuur en defensie”; verplichte sociale zekerheid” van de NACE-classificatie.
5. Voor het onderwerp structuur van de loonkosten als bedoeld in artikel 4, lid 1, punt b), i), bestaat de statistische populatie uit alle lokale eenheden die ingezetene van de lidstaat zijn en die aan de volgende voorwaarden voldoen:
a) hun economische activiteit is opgenomen in een van de secties van de NACE-classificatie, met uitzondering van “Landbouw, bosbouw en visserij”, “Diensten van huishoudens als werkgever en ongedifferentieerde goederen en diensten – producerende activiteiten van huishoudens voor eigen gebruik” en “Activiteiten van extraterritoriale organisaties en lichamen”; en
b) zij behoren tot de ondernemingen met tien of meer werknemers.
5 bis. De lidstaten verzamelen en verstrekken met betrekking tot alle in de bijlage vermelde onderwerpen afzonderlijke gegevens over sociale ondernemingen.
Artikel 7
Vereisten voor ad-hocgegevens
1. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 13 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot aanvulling van deze verordening door het nader bepalen van de informatie die op ad-hocbasis door de lidstaten moet worden verstrekt, indien binnen het toepassingsbereik van deze verordening het verzamelen van aanvullende gegevens noodzakelijk wordt geacht om te voorzien in aanvullende behoeften aan statistische gegevens waarin op andere wijze niet kan worden voorzien. In die gedelegeerde handelingen wordt het volgende gespecificeerd:
a) de gedetailleerde onderwerpen die in de ad-hocgegevensverzameling moeten worden verstrekt met betrekking tot de in artikel 4 genoemde gebieden en onderwerpen en de redenen voor die aanvullende behoeften;
b) de referentieperioden en indieningstermijnen.
2. De Commissie is bevoegd de in lid 1 bedoelde gedelegeerde handelingen vast te stellen met ingang van het referentiejaar 2028 en met een minimum van twee jaar tussen elke ad-hocverzameling.
3. De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast om de in lid 1 bedoelde ad-hocinformatie en metagegevens te specificeren. In die uitvoeringshandelingen worden, in voorkomend geval, de volgende technische elementen gespecificeerd:
a) de lijst en de beschrijving van variabelen;
b) statistische classificaties en uitsplitsingen van gegevens;
c) gedetailleerde specificaties van de bestreken statistische eenheden;
d) de in te dienen metagegevens;
e) de gegevensverzamelingsperioden.
Deze uitvoeringshandelingen worden uiterlijk 24 maanden vóór het begin van de toepasselijke referentieperiode vastgesteld overeenkomstig de in artikel 14, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
Artikel 8
Kwaliteitsvereisten en kwaliteitsrapportage
1. De lidstaten nemen de nodige maatregelen ter waarborging van de kwaliteit van de toegezonden gegevens en metagegevens.
2. De lidstaten zorgen ervoor dat de gegevens, waaronder de historische gegevens, die met behulp van de in artikel 3 genoemde bronnen zijn verkregen, een volledige dekking en nauwkeurige schattingen bieden van de in artikel 6 gedefinieerde statistische eenheden en bevolking.
3. Voor de toepassing van deze verordening zijn de kwaliteitscriteria van artikel 12, lid 1, van Verordening (EG) nr. 223/2009 van toepassing.
4. De lidstaten dienen kwaliteitsverslagen in over de bronnen en methoden voor elk van de in artikel 4 genoemde onderwerpen.
5. De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast waarin de praktische regelingen voor de kwaliteitsverslagen en de inhoud ervan worden bepaald. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 14, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
6. De lidstaten stellen de Commissie (Eurostat) in kennis van elke relevante informatie of wijziging in verband met de uitvoering van deze verordening die van invloed zou zijn op de kwaliteit van de ingediende gegevens. De informatie wordt zo snel mogelijk verstrekt en in elk geval niet later dan drie maanden nadat een dergelijke verandering in werking is getreden.
7. Op ▐verzoek van de Commissie (Eurostat) verstrekken de lidstaten aanvullende informatie die nodig is om de kwaliteit van de statistische informatie te beoordelen.
8. De Commissie (Eurostat) beoordeelt de kwaliteit van de ingediende gegevens, de gebruikte bronnen en methoden en de steekproefkaders. De Commissie (Eurostat) produceert en publiceert verslagen over de kwaliteit van de toegezonden gegevens, de bronnen en de gebruikte methoden. In die verslagen neemt de Commissie (Eurostat) aanbevelingen op over de manier waarop moet worden omgegaan met bronnen die van lage kwaliteit worden beschouwd, alsook met de van die bronnen verzamelde gegevens.
Artikel 9
Haalbaarheids- en pilotstudies
1. Om de arbeidsmarktstatistieken over ondernemingen te verbeteren of de administratieve en financiële lasten voor ondernemingen, met name kmo’s en micro-ondernemingen, te beperken, kan de Commissie (Eurostat) haalbaarheids- en pilotstudies initiëren. Het doel van dergelijke studies omvat ten minste een van de volgende elementen:
a) het verbeteren van de kwaliteit en vergelijkbaarheid van gegevens;
b) het verkennen van nieuwe mogelijkheden en het invoeren van nieuwe kenmerken om in te spelen op de behoeften van gebruikers;
c) het verbeteren van de integratie tussen enquêtes en andere gegevensbronnen;
d) het verminderen van de lasten voor de respondenten;
e) het verbeteren van de kosteneffectiviteit van de gegevensverzameling.
In de studies wordt rekening gehouden met technologische en digitale ontwikkelingen.
1 bis. De gegevens die worden verzameld in het kader van de in lid 1 van dit artikel bedoelde pilotstudies zijn beperkt tot de gebieden en onderwerpen als bedoeld in artikel 4, lid 1, alsmede de gedetailleerde onderwerpen als bedoeld in de bijlage.
2. De lidstaten kunnen op vrijwillige basis aan deze studies deelnemen. In samenwerking met de Commissie (Eurostat) zorgen zij ervoor dat de studies representatief zijn op het niveau van de Unie.
3. De resultaten van die studies worden geëvalueerd door de Commissie (Eurostat), in samenwerking met de lidstaten en de voornaamste stakeholders, waaronder de sociale partners. De Commissie (Eurostat) stelt in samenwerking met de lidstaten verslagen op over de resultaten van de studies. Die verslagen worden voor het publiek toegankelijk gemaakt.
In de verslagen als bedoeld in de eerste alinea kan de Commissie (Eurostat) aanbevelingen doen over de wijze waarop pilotstudies als permanente oplossingen kunnen worden geïntegreerd.
3 bis. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 13 gedelegeerde handelingen vast te stellen ter aanvulling op deze verordening door de rol en de verantwoordelijkheden te bepalen van de actoren die de in lid 1 van dit artikel bedoelde studies uitvoeren voor zover voor de doeleinden van die studies verwerking van persoonsgegevens plaatsvindt.
Artikel 10
Financiering
1. Uit de algemene begroting van de Unie kan een financiële bijdrage worden verstrekt aan de nationale bureaus voor de statistiek en andere nationale instanties als bedoeld in artikel 5, lid 2, van Verordening (EG) nr. 223/2009, aan:
a) de bronnen, met inbegrip van steekproefkaders, voor de arbeidsmarktstatistieken over ondernemingen vanaf de datum van inwerkingtreding van deze verordening tot uiterlijk 31 december 2029 te verbeteren;
b) de methoden voor de arbeidsmarktstatistieken over ondernemingen verbeteren, met inbegrip van de in artikel 9 bedoelde haalbaarheids- en pilotstudies.
De Unie financiert geen kosten voor de regelmatige opstelling van statistieken die uit hoofde van deze verordening moeten worden ingediend.
2. Het bedrag van de financiële bijdrage van de Unie mag niet hoger zijn dan 80 % van de voor financiële steun in aanmerking komende kosten.
Artikel 11
Bescherming van de financiële belangen van de Unie
1. De Commissie neemt passende maatregelen om ervoor te zorgen dat bij de uitvoering van uit hoofde van deze verordening gefinancierde acties de financiële belangen van de Unie worden beschermd door de toepassing van preventieve maatregelen tegen fraude, corruptie en andere onwettige activiteiten, door doeltreffende controles en, indien onregelmatigheden worden ontdekt, door de terugvordering van de ten onrechte betaalde bedragen en, voor zover van toepassing, door doeltreffende, evenredige en afschrikkende administratieve en financiële sancties.
2. De Commissie of haar vertegenwoordigers en de Rekenkamer zijn bevoegd om op basis van documenten en controles ter plaatse audits uit te voeren bij alle begunstigden van subsidies, contractanten en subcontractanten die uit hoofde van deze verordening middelen van de Unie hebben ontvangen.
3. Het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) kan, overeenkomstig de bepalingen en procedures van Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad(19) en Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad(20), onderzoeken instellen, met inbegrip van controles en verificaties ter plaatse, om vast te stellen of er sprake is geweest van fraude, corruptie of andere onwettige activiteiten in verband met een subsidieovereenkomst of -besluit of een uit hoofde van deze verordening gefinancierd contract, waardoor de financiële belangen van de Unie zijn geschaad.
4. Onverminderd de leden 1, 2 en 3, bevatten de samenwerkingsovereenkomsten met derde landen en met internationale organisaties, contracten en subsidieovereenkomsten en -besluiten die voortvloeien uit de toepassing van deze verordening, bepalingen die de Commissie, de Rekenkamer, het Europees Openbaar Ministerie en OLAF uitdrukkelijk de bevoegdheid geven dergelijke audits en onderzoeken binnen hun respectieve bevoegdheden te verrichten.
Artikel 12
Afwijkingen
1. Indien de toepassing van deze verordening of van de op grond daarvan vastgestelde gedelegeerde of uitvoeringshandelingen ingrijpende veranderingen aan het nationale statistische systeem van een lidstaat vereist, kan de Commissie de lidstaat door middel van uitvoeringshandelingen naar behoren gemotiveerde afwijkingen toestaan voor een periode van ten hoogste één jaar. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 14, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
Bij het toestaan van de afwijkingen houdt de Commissie rekening met de vergelijkbaarheid van de statistieken van de lidstaten en de tijdige berekening van de vereiste representatieve en betrouwbare Europese aggregaten. De Commissie zorgt er ook voor dat zonder onderbreking wordt voldaan aan de voorschriften met betrekking tot statistieken, metagegevens en kwaliteit die onder deze verordening vallen en die voorheen onder de ingetrokken verordeningen vielen.
2. De betrokken lidstaat dient binnen drie maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening of van de op grond daarvan vastgestelde gedelegeerde of uitvoeringshandelingen een naar behoren gemotiveerd verzoek in bij de Commissie.
Artikel 13
Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie
1. De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.
2. De in artikel 3, lid 1 bis, artikel 4, lid 3, artikel 7, lid 1, en artikel 9, lid 3 bis, bedoelde bevoegdheid tot vaststelling van gedelegeerde handelingen wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van vijf jaar vanaf [Publications Office: please insert exact date of entry into force of the Regulation]. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.
3. De in artikel 3, lid 1 bis, artikel 4, lid 3, artikel 7, lid 1, en artikel 9, lid 3 bis, bedoelde bevoegdheidsdelegatie kan te allen tijde door het Europees Parlement of de Raad worden ingetrokken. Een besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.
4. Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.
5. Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.
6. Een overeenkomstig artikel 3, lid 1 bis, artikel 4, lid 3, artikel 7, lid 1, en artikel 9, lid 3 bis, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van drie maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met drie maanden verlengd.
Artikel 14
Comitéprocedure
1. De Commissie wordt bijgestaan door het Comité voor het Europees statistisch systeem ingesteld bij Verordening (EG) nr. 223/2009. Dit comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.
2. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.
Artikel 15
Intrekking
1. De Verordeningen (EG) nr. 530/1999, (EG) nr. 450/2003 en (EG) nr. 453/2008 worden ingetrokken met ingang van 1 januari 2026.
2. Verwijzingen naar de ingetrokken verordeningen gelden als verwijzingen naar onderhavige verordening.
Artikel 16
Inwerkingtreding en toepassing
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Zij is van toepassing vanaf 1 januari 2026.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te ...,
Voor het Europees Parlement Voor de Raad
De voorzitter De voorzitter
BIJLAGE
Domeinen, onderwerpen en gedetailleerde onderwerpen; periodiciteit van de gegevensverstrekking, referentieperioden en termijn voor de indiening van gegevens per onderwerp
Domein
Onderwerp
Gedetailleerd onderwerp
Periodiciteit
Referentieperiode
Termijn voor de indiening van gegevens(1) (2)
Eerste referentieperiode
Loon
Loonstructuur
Loon
Totaal jaar- en maandloon en alle componenten daarvan, alsmede uurloon betaald aan elke in de steekproef opgenomen werknemer.
Om de vier jaar
Kalenderjaar
T+16 maanden
2026
Kenmerken van de werkgever
Economische, juridische, geografische en werkgelegenheidsinformatie over de lokale eenheid waaraan elke in de steekproef opgenomen werknemer is verbonden, en over zijn onderneming.
Kenmerken van de werknemer
Individuele demografische, geografische informatie, met inbegrip van de vraag of de werknemer een migrerende of een grensoverschrijdende werknemer is,
educatieve, contractuele en beroepsinformatie over elke in de steekproef opgenomen werknemer.
Werkperioden
Informatie over de betaalde werkperioden voor iedere werknemer in de steekproef.
Technische aspecten van de enquête
Informatie over bemonstering en gegevensverzameling voor elke bemonsterde werknemer en zijn/haar werkgever (bv. gewichten).
Loonkloof tussen mannen en vrouwen
Uurloon
Uurloon van mannelijke en vrouwelijke werknemers naar voornaamste kenmerken van de werkgever en van de werknemer en overeenkomstige relatieve verschillen tussen het uurloon van mannelijke en vrouwelijke werknemers.
Elk jaar
Kalenderjaar
T+13 maanden
2026
Werknemers
Aantal mannelijke en vrouwelijke werknemers naar kenmerken van de werkgever en van de werknemer.
Minimumloon
De hoogte van het wettelijk minimumloon
Om de twee jaar
Kalenderjaar
T+13 maanden
2026
Het aantal en het percentage werknemers dat het wettelijk minimumloon ontvangt
Om de twee jaar
Kalenderjaar
T+13 maanden
2026
Dekkingsgraad van collectieve onderhandelingen
Aantal werknemers dat onder collectieve overeenkomsten valt
Om de twee jaar
Kalenderjaar
T+13 maanden
2026
Loonkosten
Structuur van de loonkosten
Loonkosten
Totale door de werkgever gedragen kosten voor het in dienst nemen van arbeidskrachten en componenten van deze kosten.
Om de vier jaar
Kalenderjaar
T+18 maanden
2028
Gewerkte uren
Werkelijk gewerkte uren per hoofdtype werknemers.
Betaalde uren
Betaalde uren per hoofdtype werknemers.
Werknemers
Aantal werknemers per hoofdtype.
Lokale eenheden
Informatie over lokale eenheden in de steekproef.
Loonkostenindex
Kwartaalindex van loonkosten per gewerkt uur
Kwartaalindex van loonkosten per gewerkt uur, per type kosten; niet-aangepaste en aangepaste tijdreeksen.
Elk kwartaal
Kalenderkwartaal
— Vroegtijdige schattingen: T+45 dagen
— Uiterste datum: T+65 dagen
Eerste kwartaal van jaar 2026
Kwartaalindex van de totale loonkosten
Niet-aangepaste en aangepaste tijdreeksen.
Kwartaalindex van gewerkte uren
Niet-aangepaste en aangepaste tijdreeksen.
Loonkosten per jaar
Jaarlijkse loonkostenniveaus (gewichten) per type kosten.
Elk jaar
Kalenderjaar
Einde van het eerste kwartaal van jaar T + 1 + 65 dagen
Vraag naar arbeid
Vacatures
Vacante posten
Informatie over geregistreerde vacante posten; niet-aangepaste en aangepaste tijdreeksen.
Elk kwartaal
Kalenderkwartaal
— Vroegtijdige schattingen: T+45 dagen
— Uiterste datum: T+70 dagen
Eerste kwartaal van jaar 2026
Bezette posten
Gegevens over geregistreerde bezette posten; niet-aangepaste en aangepaste tijdreeksen.
1) Na het einde van de referentieperiode “T”.
2) Wanneer bovengenoemde termijnen op een zaterdag of een zondag vallen, is de effectieve termijn de volgende maandag vóór 12.00 uur (MET).
*De wijzigingen in de tekst zijn het gevolg van de aanneming van amendement 1. Nieuwe of vervangende tekst staat in vet en cursief, schrappingen zijn met het symbool ▐ aangegeven.
Verordening (EU) nr. 1176/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 betreffende de preventie en correctie van macro-economische onevenwichtigheden (PB L 306 van 23.11.2011, blz. 25).
Richtlijn (EU) 2022/2041 van het Europees Parlement en de Raad van 19 oktober 2022 betreffende toereikende minimumlonen in de Europese Unie (PB L 275 van 25.10.2022, blz. 33).
Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad over statistieken betreffende de eurozone “naar betere methodieken voor statistieken en indicatoren betreffende de eurozone”, COM/2002/0661 def. van 27 november 2002.
Richtlijn (EU) 2023/970 van het Europees Parlement en de Raad van 10 mei 2023 ter versterking van de toepassing van het beginsel van gelijke beloning van mannen en vrouwen voor gelijke of gelijkwaardige arbeid door middel van beloningstransparantie en handhavingsmechanismen (PB L 132 van 17.5.2023, blz. 21, http://data.europa.eu/eli/dir/2023/970/oj).
Richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep (PB L 204 van 26.7.2006, blz. 23).
Richtlijn (EU) 2023/970 van het Europees Parlement en de Raad van 10 mei 2023 ter versterking van de toepassing van het beginsel van gelijke beloning van mannen en vrouwen voor gelijke of gelijkwaardige arbeid door middel van beloningstransparantie en handhavingsmechanismen (PB L 132 van 17.5.2023, blz. 21).
Richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2002 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie (richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie) (PB L 201 van 31.7.2002, blz. 37,http://data.europa.eu/eli/dir/2002/58/oj).
Verordening (EG) nr. 223/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2009 betreffende de Europese statistiek en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1101/2008 betreffende de toezending van onder de statistische geheimhoudingsplicht vallende gegevens aan het Bureau voor de Statistiek van de Europese Gemeenschappen, Verordening (EG) nr. 322/97 van de Raad betreffende de communautaire statistiek en Besluit 89/382/EEG, Euratom van de Raad tot oprichting van een Comité statistisch programma van de Europese Gemeenschappen (PB L 87 van 31.3.2009, blz. 164).
Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen, organen en instanties van de Unie en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 45/2001 en Besluit nr. 1247/2002/EG (PB L 295 van 21.11.2018, blz. 39).
Verordening (EEG) nr. 696/93 van de Raad van 15 maart 1993 inzake de statistische eenheden voor waarneming en analyse van het productiestelsel in de Gemeenschap (PB L 76 van 30.3.1993, blz. 1), BIJLAGE Deel III-A.
Aanbeveling van de Raad van 27 november 2023 over de ontwikkeling van voorwaarden voor een kader voor de sociale economie (C/2023/1344) (PB C, C/2023/1344, 29.11.2023, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2023/1344/oj).
Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen, organen en instanties van de Unie en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 45/2001 en Besluit nr. 1247/2002/EG (PB L 295 van 21.11.2018, blz. 39http://data.europa.eu/eli/reg/2018/1725/oj).
Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1, ELI:http://data.europa.eu/eli/reg/2016/679/oj).
Verordening (EG) nr. 1893/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 tot vaststelling van de statistische classificatie van economische activiteiten NACE Rev. 2 en tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 3037/90 van de Raad en enkele EG-verordeningen op specifieke statistische gebieden (PB L 393 van 30.12.2006, blz. 1).
Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 september 2013 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (Euratom) nr. 1074/1999 van de Raad (PB L 248 van 18.9.2013, blz. 1).
Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad van 11 november 1996 betreffende de controles en verificaties ter plaatse die door de Commissie worden uitgevoerd ter bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen tegen fraudes en andere onregelmatigheden (PB L 292 van 15.11.1996, blz. 2).
Wijziging van Verordening (EU) 2016/1011 wat betreft het toepassingsgebied van de voorschriften voor benchmarks, het gebruik in de Unie van benchmarks aangeboden door een in een derde land gevestigde beheerder, en bepaalde verslaggevingsverplichtingen
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 24 april 2024 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) 2016/1011 wat betreft het toepassingsgebied van de voorschriften voor benchmarks, het gebruik in de Unie van benchmarks aangeboden door een in derde land gevestigde beheerder, en bepaalde verslaggevingsverplichtingen (COM(2023)0660 – C9-0389/2023 – 2023/0379(COD))
– gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2023)0660),
– gezien artikel 294, lid 2, en artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C9‑0389/2023),
– gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
– gezien artikel 59 van zijn Reglement,
– gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A9-0076/2024),
1. stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;
2. verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;
3. verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 24 april 2024 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2024/... van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) 2016/1011 wat betreft het toepassingsgebied van de voorschriften voor benchmarks, het gebruik in de Unie van benchmarks aangeboden door een in derde land gevestigde beheerder, en bepaalde verslaggevingsverplichtingen(1)
HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 114,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,
Gezien het advies van de Europese Centrale Bank(2),
Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(3),
Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure(4),
Overwegende hetgeen volgt:
(1) Verslaggevingsvereisten zijn van essentieel belang voor een goede monitoring en correcte handhaving van wetgeving. Het is echter van belang om deze vereisten te stroomlijnen om ervoor te zorgen dat deze beantwoorden aan het beoogde doel, en om de regeldruk te beperken.
(2) Op grond van Verordening (EU) 2016/1011 van het Europees Parlement en de Raad(5) moeten alle beheerders van benchmarks, ongeacht de systeemrelevantie van die benchmarks of het bedrag aan financiële instrumenten of overeenkomsten die deze benchmarks als referentiepercentages of prestatiebenchmarks gebruiken, voldoen aan diverse zeer gedetailleerde vereisten, daaronder begrepen vereisten wat betreft hun organisatie, de governance en belangenconflicten, toezichtfuncties, inputgegevens, gedragscodes, melding van inbreuken en openbaarmakingen inzake methodologie en benchmarkverklaringen. Die zeer gedetailleerde vereisten hebben voor beheerders van kleinere benchmarks in de Unie een onevenredige regeldruk gecreëerd bezien vanuit de doelstellingen van Verordening (EU) 2016/1011, nl. de financiële stabiliteit veiligstellen en negatieve economische gevolgen vermijden die uit de onbetrouwbaarheid van benchmarks voortkomen. Daarom moet die regeldruk worden verminderd door de klemtoon te leggen op de benchmarks met de grootste economische relevantie voor de Uniemarkt, d.w.z. significante en cruciale benchmarks, en op de benchmarks die bijdragen aan het bevorderen van essentieel Uniebeleid, d.w.z. EU-klimaattransitiebenchmarks en op de Overeenkomst van Parijs afgestemde EU-benchmarks. Om die reden moet het toepassingsgebied van de titels II, III, IV en VI van Verordening (EU) 2016/1011 worden beperkt tot die specifieke benchmarks.
(2 bis) Benchmarkbeheerders die binnen het toepassingsgebied van Verordening (EU) 2016/1011 wensen te blijven, moeten de mogelijkheid hebben te vragen om vrijwillig toezicht, zelfs als hun benchmarks niet voldoen aan de drempel van een significante benchmark of zij niet als significant worden aangemerkt. Evenzo mag het benchmarkbeheerders waarvan de benchmarks niet voldoen aan de drempel van een significante benchmark en die een regelgevende licentie op grond van Verordening (EU) 2016/1011 wensen te verkrijgen, niet worden verboden dit te doen.
(3) Op grond van artikel 18 bis van Verordening (EU) 2016/1011 kan de Commissie bepaalde benchmarks voor contante wisselkoersen (spotkoersen) vrijstellen van het toepassingsgebied van die verordening zodat deze voor gebruik in de Unie beschikbaar blijven. Gezien de noodzaak van een herziene en engere focus van Verordening (EU) 2016/1011 op cruciale benchmarks, significante benchmarks, EU-klimaattransitiebenchmarks en op de Overeenkomst van Parijs afgestemde EU-benchmarks, is er niet langer behoefte aan de specifieke vrijstellingsregeling voor benchmarks voor contante wisselkoersen.
(4) Overeenkomstig artikel 19 quinquies van Verordening (EU) 2016/1011 moeten beheerders van significante benchmarks ernaar streven een EU-klimaattransitiebenchmark of een op de Overeenkomst van Parijs afgestemde EU-benchmark aan te bieden om minimumnormen voor klimaatbenchmarks vast te stellen en een alomvattend aanbod van klimaatindices in de Unie samen te stellen.
(5) De criteria om te beoordelen of een benchmark een significante benchmark is, zijn momenteel vastgesteld in artikel 24 van Verordening (EU) 2016/1011. Benchmarks zullen als significant worden beschouwd, onder meer wanneer zij voldoen aan de drempel die is bepaald in artikel 24, lid 1, punt a), van die verordening.
(6) Benchmarkbeheerders moeten het gebruik in de Unie van de benchmarks die zij aanbieden, monitoren en de betrokken bevoegde autoriteit of de Europese Autoriteit voor effecten en markten (“ESMA”), afhankelijk van waar de beheerder is gevestigd, kennisgeven van het feit dat het geaggregeerde gebruik van een van hun benchmarks de drempel van artikel 24, lid 1, punt a), van Verordening (EU) 2016/1011 heeft overschreden. Het is echter moeilijk om een dergelijke drempel te berekenen, met name op het niveau van de Unie. Om te zorgen voor de consistente toepassing van die drempel moet ESMA ontwerpen van technische reguleringsnormen ontwikkelen om de berekeningsmethode nader te bepalen. Daarnaast moeten beheerders van in de Unie gebruikte benchmarks ernaar streven om een wereldwijd overeengekomen identificatiecode te verkrijgen om hun benchmarks te identificeren.
(6 bis) Om benchmarkbeheerders voldoende tijd te geven om zich aan te passen aan de verplichtingen die voor significante benchmarks gelden, moeten die verplichtingen voor hen pas zestig werkdagen vanaf de dag van de indiening van die kennisgeving gelden. Daarnaast moeten benchmarkbeheerders de betrokken bevoegde autoriteiten of ESMA, op hun verzoek, alle informatie verschaffen die noodzakelijk is om het geaggregeerde gebruik van die benchmarks in de Unie te beoordelen.
(6 ter) Wanneer een benchmarkbeheerder nalaat of weigert de bevoegde autoriteiten in kennis te stellen van het feit dat het gebruik van een van zijn benchmarks de drempel van artikel 24, lid 1, punt a), van Verordening (EU) 2016/1011 heeft overschreden, en wanneer de bevoegde autoriteiten over duidelijke en aantoonbare gronden beschikken om te oordelen dat de drempel is overschreden, moeten de betrokken bevoegde autoriteiten of ESMA, naargelang het geval, de mogelijkheid hebben te verklaren dat de drempel is overschreden, nadat zij de beheerder eerst in de gelegenheid hebben gesteld te worden gehoord. Die verklaring moet voor de benchmarkbeheerder dezelfde verplichtingen met zich brengen als een kennisgeving door de benchmarkbeheerder. Een en ander laat voor bevoegde autoriteiten of ESMA de mogelijkheid onverlet om bestuurlijke sancties op te leggen aan beheerders die geen kennis geven van het feit dat een van hun benchmarks de toepasselijke drempel heeft overschreden.
(7) Markten, prijzen en de regelgevingsomgeving evolueren mettertijd. Om met deze evoluties rekening te houden, moet de Commissie worden gemachtigd tot het verder uitwerken van de methodologie die beheerders en bevoegde autoriteiten gebruiken om de totale waarde te berekenen van financiële instrumenten, financiële overeenkomsten of beleggingsfondsen die aan een benchmark refereren.
(8) In uitzonderlijke omstandigheden echter kunnen er benchmarks zijn met een geaggregeerd gebruik dat de drempel van artikel 24, lid 1, punt a), van Verordening (EU) 2016/1011 onderschrijdt, maar die door de specifieke situatie op de markt van een lidstaat, niettemin voor die lidstaat van zodanig belang zijn dat een gebrek aan betrouwbaarheid een impact zou hebben die vergelijkbaar is met die van een benchmark waarvan het gebruik die drempel overschrijdt. Om die reden moet de bevoegde autoriteit van die lidstaat de mogelijkheid hebben om dit soort benchmark, wanneer deze wordt aangeboden door een EU-beheerder, op basis van een reeks kwalitatieve criteria als significant aan te merken. Voor benchmarks die door een niet-EU-beheerder worden aangeboden, moet het ESMA zijn die, op verzoek van een of meer bevoegde autoriteiten, dit soort benchmark aanmerkt als een significante benchmark.
(9) Om de consistentie en coördinatie van nationale aanmerkingen van benchmarks als significante benchmarks te borgen, moeten bevoegde autoriteiten die voornemens zijn een benchmark als significant aan te merken, ESMA raadplegen. Om dezelfde reden moet een bevoegde autoriteit van een lidstaat die voornemens is om een door een in een andere lidstaat gevestigde beheerder aangeboden benchmark als significant aan te merken, ook met de bevoegde autoriteit van die andere lidstaat overleggen. Wanneer bevoegde autoriteiten het niet eens geraken over de vraag wie van hen een benchmark moet aanmerken en daarop toezicht moet houden, moet ESMA dat meningsverschil beslechten overeenkomstig artikel 19 van Verordening (EU) nr. 1095/2010 van het Europees Parlement en de Raad(6).
(10) Om het recht te worden gehoord in acht te nemen, moet een bevoegde autoriteit of ESMA, voordat zij een benchmark als significant aanmerken, de beheerder van die benchmark de gelegenheid geven alle voor die aanmerking dienstige informatie te verschaffen.
(11) Wil de aanmerking van een significante benchmark zo transparant mogelijk zijn, dan moeten bevoegde autoriteiten of ESMA een aanmerkingsbesluit nemen dat de redenen geeft waarom die benchmark als significant wordt beschouwd. Bevoegde autoriteiten moeten het aanmerkingsbesluit op hun website bekendmaken en moeten ESMA van dat besluit in kennis stellen. Om dezelfde redenen moet ESMA, wanneer zij een benchmark op verzoek van een bevoegde autoriteit als significant aanmerkt, het aanmerkingsbesluit op haar website bekendmaken en de verzoekende bevoegde autoriteit daarvan in kennis stellen.
(12) EU-klimaattransitiebenchmarks (“EU-CTB’s”) en op de Overeenkomst van Parijs afgestemde EU-benchmarks (“EU-PAB’s”) zijn specifieke categorieën benchmarks die worden gekenmerkt door hun inachtneming van voorschriften inzake hun methodologie en de vereisten betreffende openbaarmaking van de beheerders ervan▌. Om die reden, en om beweringen te voorkomen die gebruikers kunnen laten denken dat die benchmarks voldoen aan de normen die aan die labels verbonden zijn, moeten die benchmarks onderworpen worden aan verplichte registratie, vergunningverlening, erkenning of bekrachtiging, naargelang het geval, en aan toezicht.
(12 bis) De regelgeving ten aanzien van grondstoffenbenchmarks moet worden afgestemd op de specifieke kenmerken ervan. Grondstoffenbenchmarks waarop de algemene voorschriften voor financiële benchmarks van toepassing zijn, moeten op identieke wijze worden behandeld als andere financiële benchmarks en mogen alleen onder Verordening (EU) 2016/1011 vallen als zij significante of cruciale benchmarks zijn en niet van het toepassingsgebied van deze verordening zijn vrijgesteld. Grondstoffenbenchmarks die onder de specifieke regeling van bijlage II bij Verordening (EU) 2016/1011 vallen, moeten altijd onder die verordening vallen om de robuustheid en betrouwbaarheid van hun beoordelingen te waarborgen.
(13) Om de tijdige aanvang van het toezicht op significante benchmarks te verzekeren, moeten beheerders van benchmarks die significant zijn geworden omdat zij de toepasselijke kwantitatieve drempel hebben bereikt of als dusdanig zijn aangemerkt, binnen zestig werkdagen een vergunning of registratie aanvragen of, in het geval van benchmarks aangeboden door een in een derde land gevestigde beheerder, bekrachtiging of erkenning.
(14) Om de risico’s te mitigeren die verbonden zijn aan het gebruik van benchmarks die potentieel niet veilig zijn voor gebruik in de Unie, en om potentiële gebruikers te waarschuwen, moet het voor bevoegde autoriteiten en ESMA mogelijk zijn een waarschuwing te doen uitgaan in de vorm van een openbare kennisgeving dat de beheerder van een significante benchmark niet voldoet aan de toepasselijke voorwaarden, en met name wat betreft de inachtneming van de verplichting voor de benchmarkbeheerder tot het aanvragen van een vergunning, registratie, bekrachtiging of erkenning, naargelang het geval. Nadat dit soort waarschuwing is uitgegaan, mag het voor ondertoezichtstaande entiteiten niet langer mogelijk zijn om nieuwe referenties aan die benchmarks of combinaties van benchmarks toe te voegen. Evenmin mag het, om de risico’s te voorkomen die verbonden zijn aan het gebruik van benchmarks die beweren zich te houden aan de EU-klimaattransitielabels en op de Overeenkomst van Parijs afgestemde EU-labels zonder dat zij aan afdoende toezicht onderworpen zijn, voor ondertoezichtstaande entiteiten niet mogelijk zijn nieuwe referenties aan een EU-klimaattransitiebenchmark of een op de Overeenkomst van Parijs afgestemde EU-benchmark, of een combinatie van die benchmarks, in de Unie toe te voegen wanneer de beheerder van die benchmarks niet is opgenomen in het ESMA-register van beheerders en benchmarks.
(15) Om potentieel buitensporige marktverstoringen na het verbod op het gebruik van een benchmark te vermijden, moeten bevoegde autoriteiten of ESMA de mogelijkheid hebben om het verdere gebruik van dit soort benchmarks tijdelijk toe te staan. Om een voldoende mate van transparantie en bescherming te garanderen ten aanzien van eindbeleggers, moeten gebruikers van de benchmarks die voorwerp zijn van een waarschuwing in de vorm van een openbare kennisgeving, binnen zes maanden na de bekendmaking van die openbare kennisgeving een geschikt alternatief vermelden ter vervanging van die benchmarks, of anders ervoor zorgen dat cliënten afdoende geïnformeerd zijn over het ontbreken van een alternatieve benchmark.
(16) Op grond van artikel 32 van Verordening (EU) 2016/1011 dient erkenning van in een derde land gevestigde benchmarkbeheerders als een tijdelijk middel voor toegang tot de Uniemarkt in afwachting van de vaststelling van een gelijkwaardigheidsbesluit door de Commissie. Gezien echter het zeer beperkte aantal benchmarks uit derde landen dat onder gelijkwaardigheidsbesluiten valt, moet die erkenning voor dit soort benchmarkbeheerders een permanent middel voor toegang tot de Uniemarkt worden.
(17) Benchmarks die onder een gelijkwaardigheidsbesluit vallen, worden geacht op gelijkwaardige wijze te worden gereguleerd en onder toezicht te staan als Uniebenchmarks. De verplichting om bekrachtiging of erkenning aan te vragen, moet derhalve niet gelden voor in een derde land gevestigde beheerders van significante benchmarks die onder een gelijkwaardigheidsbesluit vallen.
(18) Omwille van de transparantie en om rechtszekerheid te garanderen, moeten bevoegde autoriteiten die een benchmark als significant aanmerken, de potentiële gebruiksrestricties vermelden die optreden wanneer de beheerder van dit soort benchmark geen vergunning of registratie krijgt of niet aan de bekrachtigings- of erkenningsvoorwaarden voldoet, naargelang het geval.
(19) Om de risico’s te mitigeren die verbonden zijn aan het gebruik van significante benchmarks waarop onvoldoende toezicht wordt gehouden, moet, wanneer de beheerder van een benchmark die significant wordt, binnen de voorgeschreven termijn geen vergunning, registratie, erkenning of bekrachtiging aanvraagt of wanneer geen vergunning, registratie, erkenning of bekrachtiging aan die benchmarkbeheerders kan worden afgegeven, of wanneer een beheerder zijn vergunning, registratie, bekrachtiging of erkenning wordt ontnomen, de bevoegde autoriteit of ESMA, naargelang het geval, een openbare kennisgeving doen dat de door die beheerder aangeboden significante benchmarks niet geschikt zijn voor gebruik in de Unie.
(20) Benchmarkgebruikers vertrouwen op transparantie over de wettelijke status van benchmarks die zij gebruiken of voornemens zijn te gebruiken. Om die reden moet ESMA in het register van beheerders en benchmarks de benchmarks opnemen die onderworpen zijn aan de meest gedetailleerde voorwaarden van Verordening (EU) 2016/1011, hetzij omdat het gebruik ervan in de Unie de voor significante benchmarks vastgestelde drempel overschrijdt, hetzij omdat zij door een nationale toezichthouder of ESMA als significant zijn aangemerkt, hetzij omdat zij cruciale benchmarks zijn. Om diezelfde reden moet ESMA in dat register ook de EU-klimaattransitiebenchmarks en op de Overeenkomst van Parijs afgestemde EU-benchmarks opnemen die worden aangeboden door beheerders met een vergunning of registratie. Ten slotte moet ESMA in het register ook de benchmarks opnemen waarvoor een bevoegde autoriteit of ESMA een openbare kennisgeving heeft gedaan die het verdere gebruik van die benchmark verbiedt. Om de lasten voor gebruikers verder te verminderen, moet al die informatie ook gemakkelijk beschikbaar worden gesteld via het Europees centraal toegangspunt (ESAP).
(20 bis) Twee categorieën ESG-gerelateerde benchmarks zijn onderworpen aan de naleving van de in het Unierecht vastgestelde minimumnormen, namelijk EU-klimaattransitiebenchmarks (EU-CTB’s) en op de Overeenkomst van Parijs afgestemde EU-benchmarks (EU-PAB’s). Bij Verordening (EU) 2019/2089 zijn voorschriften ingevoerd met betrekking tot de transparantie van beweringen over benchmarks, in de bijbehorende juridische of marketingdocumentatie, dat ecologische, sociale en governancefactoren (ESG) bij de opzet ervan in aanmerking zijn genomen. Om een hoog niveau van transparantie met betrekking tot ESG-gerelateerde beweringen en een passend beschermingsniveau voor gebruikers te handhaven, is het passend te verlangen dat gebruikers geen benchmarks gebruiken die ESG-gerelateerde beweringen doen wanneer deze benchmarks de in artikel 13, lid 1, punt d), en artikel 27, lid 2 bis, van Verordening (EU) 2016/1011 bedoelde informatie niet verstrekken. Dit moet gelden voor het gebruik van alle benchmarks die beweren rekening te houden met ESG-factoren bij de opzet ervan, ongeacht of die benchmarks in de Unie of in een derde land worden beheerd.
Andere categorieën benchmarks die ESG-gerelateerde beweringen doen, die niet als EU-klimaattransitiebenchmarks en op de Overeenkomst van Parijs afgestemde EU-benchmarks worden beschouwd, kunnen echter bijdragen tot of risico’s inhouden voor de bevordering van essentieel Uniebeleid inzake duurzame financiering en de verwezenlijking van daarmee verband houdende doelstellingen of de uitvoering van de Europese Green Deal.
Daarom is het passend dat de Commissie uiterlijk op 31 december 2028 op basis van de input van ESMA een verslag indient waarin de beschikbaarheid van ESG-benchmarks op de Europese en mondiale markten en de marktpenetratie ervan worden beoordeeld, en waarin wordt geanalyseerd of zij als significante benchmarks zouden worden beschouwd, en waarin de kosten en effecten op de beschikbaarheid van de markt en de steeds veranderende aard van de duurzame indicatoren en de methoden die worden gebruikt om deze te meten, worden onderzocht. Voorts moet zij beoordelen of het nodig is benchmarks voor ESG-gerelateerde claims te reguleren, teneinde een passend niveau van bescherming van gebruikers van die benchmarks en een hoog niveau van transparantie te handhaven, het risico op greenwashing te verminderen en te zorgen voor samenhang met andere EU-wetgeving inzake vereisten betreffende openbaarmaking over duurzaamheid. Dat verslag moet vergezeld gaan van een effectbeoordeling en, in voorkomend geval, een wetgevingsvoorstel.
(21) Om voor een naadloze overgang te zorgen naar de toepassing van de voorschriften die op grond van deze verordening worden ingevoerd, moeten beheerdersdie voorheen uit hoofde van Verordening (EU) 2019/2089 onder toezicht stonden, bestaande registraties, vergunningen, erkenningen of bekrachtigingen gedurende zes maanden na de inwerkingtreding van deze wijzigingsverordening bewaren. Die termijn is bedoeld om de bevoegde autoriteiten en ESMA voldoende tijd te geven om te beslissen of een van de voorheen onder toezicht staande beheerders overeenkomstig deze wijzigingsverordening wordt aangewezen. Indien zij worden aangewezen, moeten beheerders die voorheen over een vergunning, registratie, erkenning of bekrachtiging beschikten, of beheerders die deze verordening vrijwillig toepassen, hun eerdere status kunnen behouden en hoeven zij niet opnieuw een aanvraag in te dienen. Beheerders van significante benchmarks moeten in ieder geval hun status als benchmarkbeheerder met een vergunning, registratie, erkenning of bekrachtiging kunnen behouden.
(22) Om bevoegde autoriteiten en ESMA de nodige tijd te gunnen om informatie te verzamelen over potentiële significante benchmarks en om bestaande infrastructuur aan te passen aan het op grond van deze wijzigingsverordening voorgestelde nieuwe raamwerk, moet de toepassingsdatum van deze verordening worden uitgesteld.
(23) Verordening (EU) 2016/1011 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd,
HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Wijzigingen van Verordening (EU) 2016/1011
Verordening (EU) 2016/1011 wordt als volgt gewijzigd:
1) Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:
a) het volgende lid wordt ingevoegd:"
“1 bis. De titels II, III, behoudens de artikelen 23 bis tot en met 23 quater, IV en VI zijn uitsluitend van toepassing ten aanzien van cruciale benchmarks, significante benchmarks, EU-klimaattransitiebenchmarks en op de Overeenkomst van Parijs afgestemde EU-benchmarks. Artikel 10 in titel II en de titels III, IV en VI zijn van toepassing op grondstoffenbenchmarks die onder bijlage II vallen.”;
"
b) in lid 2, punt g),wordt punt i) geschrapt;
2) In artikel 3 wordt lid 1 als volgt gewijzigd:
-a) in punt 17 wordt punt m) vervangen door:"
“m) een beheerder die overeenkomstig artikel 34 over een vergunning of registratie beschikt;”;
"
a) punt 22 bis wordt geschrapt;
b) punt 27 wordt geschrapt;
3) Artikel 5 wordt als volgt gewijzigd:
a) in lid 5, tweede alinea, wordt de laatste zin geschrapt;
b) lid 6 wordt geschrapt;
4) Artikel 11 wordt als volgt gewijzigd:
a) in lid 5, eerste alinea, wordt de laatste zin geschrapt;
b) lid 6 wordt geschrapt;
5) Artikel 13 wordt als volgt gewijzigd:
a) in lid 3, eerste alinea, wordt de laatste zin geschrapt;
b) lid 4 wordt geschrapt;
6) Artikel 16 wordt als volgt gewijzigd:
a) in lid 5, tweede alinea, wordt de laatste zin geschrapt;
b) lid 6 wordt geschrapt;
7) In Titel III wordt de titel van hoofdstuk 2 vervangen door:"
“Rentebenchmarks”;
"
7 bis) In artikel 18, lid 1, wordt de tweede alinea vervangen door:"
“Artikel 25 is niet van toepassing op het aanbieden van en het bijdragen aan rentebenchmarks.”;
"
8) Artikel 18 bis wordt geschrapt;
8 bis) In artikel 19, lid 1, wordt de tweede alinea vervangen door:"
“Artikel 25 is niet van toepassing op het aanbieden van en het bijdragen aan grondstoffenbenchmarks.”;
"
9) Aan artikel 19 bis worden de volgende leden toegevoegd:"
“4. Beheerders die niet in het ESMA-register als bedoeld in artikel 36 zijn opgenomen:
a)
bieden geen EU-klimaattransitiebenchmarks of op de Overeenkomst van Parijs afgestemde EU-benchmarks aan, of bekrachtigen deze niet;
b)
geven in de naam van de benchmarks die zij voor gebruik in de Unie beschikbaar stellen of in de juridische of marketingdocumentatie voor die benchmarks, niet aan of suggereren daarin niet dat de benchmarks die zij beschikbaar stellen, de voorwaarden in acht nemen die van toepassing zijn op het aanbieden van EU-klimaattransitiebenchmarks of op de Overeenkomst van Parijs afgestemde EU-benchmarks.”.
4 bis. Beheerders vermelden de term “EU-CTB” in de naam van de EU-klimaattransitiebenchmarks en de term “EU-PAB” in de naam van de op de Overeenkomst van Parijs afgestemde EU-benchmarks.;
"
10) Artikel 19 quinquies wordt vervangen door:"
“Artikel 19 quinquies
Streven om EU-klimaattransitiebenchmarks en op de Overeenkomst van Parijs afgestemde EU-benchmarks aan te bieden
In de Unie gevestigde beheerders die significante benchmarks aanbieden, vastgesteld op basis van de waarde van een of meer onderliggende activa of prijzen, streven ernaar een of meer EU-klimaattransitiebenchmarks en op de Overeenkomst van Parijs afgestemde EU-benchmarks aan te bieden.”;
"
11) Artikel 24 wordt vervangen door:"
“Artikel 24
Significante benchmarks
1. Een benchmark die geen cruciale benchmark is, is significant wanneer aan een van deze beide voorwaarden is voldaan:
a)
de benchmark wordt in de Unie binnen een combinatie van benchmarks direct of indirect als referentie gebruikt voor financiële instrumenten of financiële overeenkomsten of voor het meten van de prestatie van beleggingsfondsen met een totale gemiddelde waarde van ten minste 50 miljard EUR op basis van de kenmerken van de benchmark, met inbegrip van:
i)
de looptijden van de benchmark, indien van toepassing, over een periode van zes maanden;
ii)
alle valuta’s of andere meeteenheden van de benchmark, indien van toepassing, over een periode van zes maanden; en
iii)
alle methoden voor de berekening van het rendement, indien van toepassing, over een periode van zes maanden;
b)
de benchmark is als significant aangemerkt overeenkomstig de in de leden 3, 4 en 5 vastgestelde procedure of de in lid 6 vastgestelde procedure.
2. Een beheerder stelt ESMA en, indien hij in een EU-lidstaat is gevestigd, de bevoegde autoriteit van die lidstaat▌ onmiddellijk in kennis wanneer een of meer van de benchmarks van die beheerder de in lid 1, punt a), genoemde drempel overschrijden. Na ontvangst van die kennisgeving maakt ▌ESMA▌ een verklaring bekend op haar website, waarin wordt verklaard dat die benchmark significant is in één lidstaat dan wel binnen de Unie.
Een beheerder verschaft, op verzoek, ESMA en de bevoegde autoriteit van zijn lidstaat van vestiging ▌informatie over de vraag of de in lid 1, punt a), genoemde drempel daadwerkelijk is overschreden.
Wanneer een bevoegde autoriteit of▌ ESMA duidelijke en aantoonbare gronden heeft om te oordelen dat een benchmark de in lid 1, punt a), genoemde drempel overschrijdt, kan de bevoegde autoriteit of ESMA een kennisgeving doen waarin dat feit wordt vermeld. Die kennisgeving brengt voor de benchmarkbeheerder dezelfde verplichtingen met zich mee als een in lid 2 bedoelde kennisgeving. Ten minste tien werkdagen vóór de publicatie van die kennisgeving stelt de bevoegde autoriteit of ESMA de beheerder van de betrokken benchmark in kennis van haar bevindingen, en nodigt zij die beheerder uit eventuele opmerkingen te maken.
3. Een bevoegde autoriteit kan, na raadpleging van ESMA overeenkomstig lid 4 en rekening houdende met het advies van ESMA, een benchmark die door een in de Unie gevestigde beheerder wordt aangeboden en die niet aan de voorwaarde uit lid 1, punt a), voldoet, als significant aanmerken wanneer die benchmark aan alle volgende voorwaarden voldoet:
a)
voor de benchmark zijn er weinig of geen passende marktgestuurde substituten;
b)
indien de benchmark niet langer wordt aangeboden of indien deze wordt aangeboden op basis van inputgegevens die niet langer volledig representatief zijn voor de onderliggende markt of economische realiteit of op basis van onbetrouwbare inputgegevens, zou dit significante en negatieve gevolgen hebben voor▌ de financiële stabiliteit, de consumenten, de reële economie of de financiering van huishoudens en ondernemingen in de lidstaat van die autoriteit of in de Unie;
c)
de benchmark is niet door een bevoegde autoriteit van een andere lidstaat of ESMA aangewezen.
Wanneer een bevoegde autoriteit tot de conclusie komt dat een benchmark aan de in de eerste alinea bepaalde criteria voldoet, stelt de bevoegde autoriteit een ontwerpbesluit op om de benchmark als significant aan te merken en geeft zij de betrokken beheerder en, in voorkomend geval, de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst van de beheerder kennis van het ontwerpbesluit. De betrokken bevoegde autoriteit raadpleegt ook ESMA over het ontwerpbesluit.
De betrokken beheerders en de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst van de beheerder hebben vanaf de datum van de kennisgeving van het ontwerpbesluit van de aanmerkende bevoegde autoriteit 15 werkdagen de tijd om schriftelijk opmerkingen te maken. De betrokken aanmerkende bevoegde autoriteit stelt ESMA in kennis van de ontvangen opmerkingen en houdt terdege rekening met die opmerkingen voordat zij een eindbesluit vaststelt.
De aanmerkende bevoegde autoriteit geeft ESMA kennis van haar besluit en maakt het besluit, samen met de redenen waarom dat besluit is genomen en de gevolgen van deze aanmerking, onverwijld op haar website bekend.
4. Wanneer ESMA door een bevoegde autoriteit wordt geraadpleegd over de voorgenomen aanmerking van een benchmark als significant overeenkomstig lid 3, eerste alinea, brengt zij binnen drie maanden een advies uit dat rekening houdt met de volgende factoren, in het licht van de specifieke kenmerken van de betrokken benchmark:
a)
de vraag of de raadplegende bevoegde autoriteit haar beoordeling dat de in lid 3, eerste alinea, genoemde voorwaarden vervuld zijn, voldoende heeft onderbouwd;
b)
de vraag of er, indien de benchmark niet langer wordt aangeboden of indien deze wordt aangeboden op basis van inputgegevens die niet langer volledig representatief zijn voor de onderliggende markt of economische realiteit of die onbetrouwbaar zijn, significante en negatieve gevolgen zouden zijn voor▌ de financiële stabiliteit, de consumenten, de reële economie of de financiering van huishoudens en ondernemingen elders in de Unie of de lidstaten dan in de lidstaat van de raadplegende bevoegde autoriteit.
Voor de toepassing van punt b) houdt ESMA, in voorkomend geval, afdoende rekening met de informatie die de raadplegende autoriteit overeenkomstig lid 3, derde alinea, heeft verschaft.
5. Wanneer ESMA tot de bevinding komt dat een benchmark in de Unie of in meer dan één lidstaat aan de voorwaarden van lid 3, eerste alinea, punten a) en b), voldoet, stelt zij de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten daarvan in kennis. ▌
ESMA stelt een ontwerpbesluit op om de benchmark als significant binnen de Unie aan te wijzen en stelt de betrokken beheerder en de relevante bevoegde autoriteiten in kennis van dat ontwerpbesluit wanneer punt b) van toepassing is. De betrokken beheerders en de relevante bevoegde autoriteiten hebben vanaf de datum van kennisgeving van het ontwerpbesluit van ESMA 15 werkdagen de tijd om schriftelijk opmerkingen te maken. ESMA houdt naar behoren rekening met die opmerkingen alvorens een definitief besluit vast te stellen en bekend te maken.
6. ESMA kan, op verzoek van een bevoegde autoriteit of op eigen initiatief, een benchmark die door een in een derde land gevestigde beheerder wordt aangeboden en die niet aan de drempel uit lid 1, punt a), voldoet, als significant aanmerken wanneer die benchmark aan alle volgende voorwaarden voldoet:
a)
voor de benchmark zijn er weinig of geen passende marktgestuurde substituten;
b)
indien de benchmark niet meer zou worden aangeboden of indien deze zou worden aangeboden op basis van inputgegevens die niet meer volledig representatief zijn voor de onderliggende markt of economische realiteit of die onbetrouwbaar zijn, zou dit significante en negatieve gevolgen hebben voor ▌de financiële stabiliteit, de consumenten, de reële economie of de financiering van huishoudens en ondernemingen in de Unie of in een of meer lidstaten.
ESMA stelt, vóór het aanwijzingsbesluit en zo spoedig mogelijk, de beheerder van de benchmark in kennis van haar voornemen en nodigt die beheerder uit om ESMA binnen 15 werkdagen een met redenen omklede verklaring te verschaffen met daarin alle informatie die relevant is voor de beoordeling wat betreft de aanmerking van de benchmark als significant.
In voorkomend geval nodigt ESMA, zo spoedig mogelijk, de bevoegde autoriteit van de jurisdictie waar de beheerder is gevestigd, uit om alle informatie te verschaffen die relevant is voor de beoordeling wat betreft de aanmerking van de benchmark.
ESMA onderbouwt haar aanmerkingsbesluit, rekening houdende met de vraag of er voldoende bewijs voorhanden is dat de voorwaarden uit de eerste alinea van dit lid zijn vervuld, in het licht van de specifieke kenmerken van de betrokken benchmark.
ESMA maakt haar met redenen omklede besluit bekend op haar website en stelt de verzoekende bevoegde autoriteit of autoriteiten onverwijld daarvan in kennis.
6 bis. Beheerders van benchmarks die niet voldoen aan de vereisten om te worden beschouwd als cruciale benchmarks, significante benchmarks, grondstoffenbenchmarks die onder bijlage II vallen, EU-klimaattransitiebenchmarks of op de Overeenkomst van Parijs afgestemde EU-benchmarks, kunnen vrijwillig toegang tot het in artikel 36 bedoelde register aanvragen door middel van een vergunning, registratie, erkenning of bekrachtiging.
Beheerders die deze verordening vrijwillig toepassen, opteren hiervoor schriftelijk bij hun huidige toezichthoudende autoriteit, per benchmark, en al deze benchmarks worden geacht significant te zijn op grond van deze verordening.
De vrijwillige ontheffing van deze regeling belet niet dat de overeenkomstige administratieve verantwoordelijkheden worden opgelegd in geval van niet-naleving of schending van Verordening (EU) 2016/1011 tijdens hun vrijwillige opneming in het in artikel 36 bedoelde register.
7. ESMA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot bepaling van:
i)
de berekeningsmethode, met inbegrip van potentiële gegevensbronnen, die moet worden gebruikt om de in lid 1, punt a), van dit artikel genoemde drempel te bepalen;
ii)
de criteria om te beoordelen wanneer een benchmark de in artikel 24, lid 1, punt a), bedoelde drempel overschrijdt in één lidstaat of in de hele Unie;
iii)
de informatie die bevoegde autoriteiten verstrekken wanneer zij ESMA raadplegen, zoals vereist overeenkomstig artikel 24, lid 3;
iv)
de criteria in artikel 24, lid 4, punt b), rekening houdend met eender welke gegevens die ertoe bijdragen om het significante en nadelige effect te beoordelen van de stopzetting of de onbetrouwbaarheid van de benchmark op de marktintegriteit, de financiële stabiliteit, de consumenten, de reële economie of de financiering van huishoudens en ondernemingen in een of meer lidstaten;
ESMA dient die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op ... [twaalf maanden na de inwerkingtreding van deze verordening] in bij de Commissie.
Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend om deze verordening aan te vullen door de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1095/2010.
7 bis. Uiterlijk op ... [twee jaar na de datum van inwerkingtreding van deze wijzigingsverordening] dient de Commissie, in nauwe samenwerking met ESMA, bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in over de toereikendheid van de in lid 1, punt a), van dit artikel bedoelde drempel in het licht van markt-, prijs- en regelgevingsontwikkelingen. Dat verslag gaat, in voorkomend geval, vergezeld van een wetgevingsvoorstel. Die herziening wordt minstens om de drie jaar verricht.
7 ter. Indien ESMA van oordeel is dat de in lid 1, punt a), bedoelde drempel eerder wordt herzien in het licht van markt-, prijs- en regelgevingsontwikkelingen, dient zij bij de Commissie een verzoek in om de drempel te herzien. Na ontvangst van dat verzoek evalueert de Commissie of het nodig is de drempel opnieuw te beoordelen en te handelen overeenkomstig lid 7 bis.”;
"
12) Het volgende artikel wordt ingevoegd:"
“Artikel 24 bis
Verplichtingen voor beheerders van significante benchmarks
1.
Binnen zestig werkdagen na de in artikel 24, lid 2, bedoelde kennisgeving doet de beheerder van een benchmark die aan het in lid 1, punt a), van dat artikel genoemde criterium voldoet, bij de bevoegde autoriteit van de lidstaat, wanneer die significant is in die lidstaat, of bij ESMA, wanneer de benchmark significant is binnen de Unie, een aanvraag voor een vergunning of registratie. Wanneer die beheerder in een derde land is gevestigd, en behoudens wanneer de betrokken benchmark onder een overeenkomstig artikel 30 vastgesteld gelijkwaardigheidsbesluit valt, doet die beheerder binnen zestig werkdagen na de in artikel 24, lid 2, bedoelde kennisgeving een aanvraag bij ESMA voor een van deze beide:
a)
erkenning ▌overeenkomstig de procedure van artikel 32;
b)
bekrachtiging overeenkomstig de procedure van artikel 33.
2.
Binnen zestig werkdagen na een in artikel 24, lid 3, bedoelde aanmerking doet de beheerder van de betrokken benchmark, tenzij die beheerder reeds over een vergunning of registratie van een nationale bevoegde autoriteit beschikt, overeenkomstig artikel 34 een aanvraag voor een vergunning of registratie bij de aanmerkende bevoegde autoriteit.
2 bis.
Binnen zestig werkdagen na een in artikel 24, lid 5, bedoelde aanmerking doet de beheerder van de betrokken benchmark, tenzij die beheerder reeds over een vergunning of registratie beschikt, overeenkomstig artikel 34 een aanvraag voor een vergunning of registratie bij ESMA. Indien die beheerder reeds over een vergunning of registratie in een lidstaat beschikt, wordt die vergunning of registratie aan ESMA overgedragen.
3.
Binnen zestig werkdagen na een in artikel 24, lid 6, bedoelde aanmerking, doet de beheerder van de betrokken benchmark bij ESMA een aanvraag voor een van deze beide:
a)
erkenning▌ overeenkomstig de procedure van artikel 32;
b)
bekrachtiging overeenkomstig de procedure van artikel 33.
In een derde land gevestigde benchmarkbeheerders kiezen de bekrachtigende beheerder in de Unie uit.
4.
ESMA of bevoegde autoriteiten maken van de hun op grond van deze verordening toevertrouwde toezicht- en sanctiebevoegdheden gebruik om ervoor te zorgen dat de betrokken beheerders hun verplichtingen nakomen.
5.
De bevoegde autoriteit of ESMA doet een openbare kennisgeving dat een significante benchmark die door een beheerder wordt aangeboden, niet aan deze verordening voldoet en dat gebruikers van het gebruik van die benchmark moeten afzien, wanneer een van de volgende voorwaarden is vervuld:
a)
binnen zestig werkdagen na de in artikel 24, lid 2, bedoelde kennisgeving, na de in artikel 24, lid 3, bedoelde aanmerking of na de in artikel 24, lid 6, bedoelde aanmerking heeft de betrokken beheerder geen procedures ingeleid om lid 2 van dit artikel in acht te nemen;
b)
de procedures voor vergunningverlening, registratie, erkenning of erkenning leverden een negatief resultaat op;
c)
ESMA heeft de registratie van de beheerder overeenkomstig artikel 31 ingetrokken;
d)
ESMA heeft de registratie van de beheerder overeenkomstig artikel 32, lid 8, ingetrokken of geschorst;
e)
de bekrachtiging van de betrokken beheerder is afgelopen;
f)
de bevoegde autoriteit heeft de vergunning of de registratie van de betrokken beheerder ingetrokken of geschorst.
Bevoegde autoriteiten stellen ESMA onverwijld in kennis van alle openbare kennisgevingen die zijn gedaan. ESMA maakt alle openbare kennisgevingen die zijn gedaan, op haar website bekend. ESMA of de bevoegde autoriteit verwijdert de openbare kennisgeving onverwijld zodra de redenen waarom die kennisgeving is gedaan, niet langer geldig is.”;
"
13) In titel III wordt hoofdstuk 6 geschrapt;
13 bis) Artikel 28, lid 2, wordt als volgt gewijzigd:"
“2. Onder toezicht staande entiteiten, anders dan een beheerder als bedoeld in lid 1, die een benchmark gebruiken, stellen solide schriftelijke plannen op en houden deze bij waarin de maatregelen zijn vermeld die zij nemen indien een benchmark inhoudelijk wordt gewijzigd of niet langer wordt aangeboden. Waar mogelijk en passend, worden in die plannen een of meer alternatieve benchmarks aangewezen die als referentie kunnen worden gebruikt ter vervanging van benchmarks die niet meer worden aangeboden, waarbij wordt aangegeven waarom die benchmarks geschikte alternatieven zouden zijn. De onder toezicht staande entiteiten verstrekken de relevante bevoegde autoriteit op verzoek en zonder onnodige vertraging die plannen en alle actualiseringen en geven deze weer in contractuele terugvalbepalingen die van toepassing zijn op financiële contracten, financiële instrumenten en beleggingsfondsen.”;
"
14) Artikel 29 wordt als volgt gewijzigd:
a) de titel wordt vervangen door:"
“Gebruik van cruciale benchmarks, significante benchmarks, grondstoffenbenchmarks die onder bijlage II vallen, EU-klimaattransitiebenchmarks en op de Overeenkomst van Parijs afgestemde EU-benchmarks”;
"
b) lid 1 wordt vervangen door:"
“1. Een onder toezicht staande entiteit voegt geen nieuwe referenties naar een cruciale benchmark, een significante benchmark of een combinatie van dit soort benchmarks in de Unie toe wanneer die benchmark of combinatie van benchmarks het voorwerp uitmaakt van een openbare kennisgeving door ESMA of een bevoegde autoriteit overeenkomstig artikel 24 bis, lid 5. Een onder toezicht staande entiteit voegt geen nieuwe referenties naar een cruciale benchmark, een grondstoffenbenchmark die onder bijlage II valt, een EU-klimaattransitiebenchmark, een op de Overeenkomst van Parijs afgestemde EU-benchmark of een combinatie van die benchmarks in de Unie toe wanneer de beheerder van die benchmarks niet is opgenomen in het in artikel 36 bedoelde register.
Onder toezicht staande entiteiten raadplegen regelmatig het Europees centraal toegangspunt (ESAP) als bedoeld in artikel 28 bis, of het ESMA-register als bedoeld in artikel 36, om de wettelijke status na te gaan van de beheerders van cruciale benchmarks, significante benchmarks, grondstoffenbenchmarks die onder bijlage II vallen, EU-klimaattransitiebenchmarks of op de Overeenkomst van Parijs afgestemde EU-benchmarks die zij voornemens zijn te gebruiken.
In afwijking van de eerste alinea kunnen ESMA of de bevoegde autoriteit, naargelang het geval, het gebruik van een benchmark die het voorwerp uitmaakt van een openbare kennisgeving overeenkomstig artikel 24 bis, lid 5, toestaan voor een periode van zes maanden na de bekendmaking van die openbare kennisgeving, eenmaal verlengbaar, wanneer zulks noodzakelijk is om ernstige marktverstoringen te vermijden, of voor een niet-verlengbare periode van 24 maanden, voor:
a)
marketmaking ten behoeve van klantactiviteit in verband met transacties die werden uitgevoerd op de ingangsdatum van het verbod;
b)
transacties of andere activiteiten waarmee de blootstelling aan de verboden benchmark van de onder toezicht staande entiteit of een klant van de onder toezicht staande entiteit wordt verminderd of afgedekt;
c)
novatie van transacties;
d)
transacties die werden uitgevoerd om deel te nemen aan een veilingprocedure van een centrale tegenpartij in het geval van wanbetaling door een lid, met inbegrip van transacties om de daaruit voortvloeiende blootstelling af te dekken;
e)
interpolatie of ander gebruik overeenkomstig contractuele terugvalovereenkomsten in verband met de verboden benchmark.”;
"
c) ▌De nieuwe leden 1 ter, 1 ter bis, 1 ter ter en 1 ter quater worden ingevoegd:"
“1 ter. Een onder toezicht staande entiteit die in bestaande financiële overeenkomsten of voor het meten van de prestatie van beleggingsfondsen of financiële instrumenten gebruikmaakt van een benchmark die het voorwerp uitmaakt van een openbare kennisgeving op grond van artikel 24 bis, lid 5, vervangt die benchmark door een passend alternatief binnen zes maanden na de bekendmaking van die kennisgeving, of doet een verklaring uitgaan en maakt deze op haar website bekend waarin zij cliënten een met redenen omklede verklaring geven om dit niet te kunnen doen.
1 ter bis. Een onder toezicht staande entiteit mag alleen gebruikmaken van een benchmark die in haar juridische of marketingdocumentatie of benaming beweert in haar methodologie ESG-factoren in aanmerking te nemen, indien haar beheerder de in artikel 13, lid 1, punt d), en artikel 27, lid 2 bis, bedoelde informatie bekendmaakt. Bij alle vereisten betreffende openbaarmaking van de methodologie wordt gestreefd naar samenhang met artikel 10 van Verordening (EU) 2019/2088.
Dit lid is van toepassing op zowel EU- als niet-EU-benchmarks.
"
c bis) Lid 2 wordt als volgt gewijzigd:"
2. Indien een prospectus dat moet worden gepubliceerd uit hoofde van Richtlijn 2003/71/EG of Richtlijn 2009/65/EG betrekking heeft op effecten of andere beleggingsproducten die verwijzen naar een cruciale benchmark, een significante benchmark, een grondstoffenbenchmark die onder bijlage II valt, een EU-klimaattransitiebenchmark of een op de Overeenkomst van Parijs afgestemde EU-benchmark, draagt de uitgevende instelling, de aanbieder of de aanvrager van toelating tot de handel op een gereglementeerde markt ervoor zorg dat wanneer een openbare kennisgeving over de gebruikte benchmark is opgenomen in het in artikel 36 van deze verordening bedoelde register, binnen negen maanden na de bekendmaking van de openbare kennisgeving, het prospectus deze informatie ook op duidelijke en in het oog springende wijze vermeldt.
"
c ter) Een nieuw lid 2 bis wordt ingevoegd:"
2 bis. Beheerders van in de EU gebruikte benchmarks streven ernaar een wereldwijd overeengekomen identificatiecode aan te vragen voor elk van de benchmarks die zij voor gebruik in de Unie aanbieden.”;
"
15) Artikel 32 wordt als volgt gewijzigd:
a) lid 1 wordt geschrapt;
b) de leden 2 en 3 worden vervangen door:"
“2. Een in een derde land gevestigde beheerder die voornemens is erkenning te verkrijgen in de zin van artikel 24 bis, leden 1 en 3, voldoet aan de in deze verordening gestelde vereisten, met uitzondering van artikel 11, lid 4, en de artikelen 16, 20, 21 en 23. De in een derde land gevestigde beheerder kan aan die voorwaarde voldoen door, naargelang het geval, de IOSCO-beginselen voor financiële benchmarks of de IOSCO-beginselen voor PRA’s toe te passen, op voorwaarde dat die toepassing gelijkwaardig is aan de naleving van deze verordening, met uitzondering van artikel 11, lid 4, en de artikelen 16, 20, 21 en 23.
Wanneer moet worden bepaald of de in het eerste lid bedoelde voorwaarde is vervuld en de inachtneming van de IOSCO-beginselen voor financiële benchmarks of de IOSCO-beginselen voor PRA’s, naargelang het geval, moet worden beoordeeld, kan ESMA rekening houden met:
a)
een beoordeling van de in een derde land gevestigde beheerder door een onafhankelijke externe auditor;
b)
een certificering door de bevoegde autoriteit van het derde land waar die beheerder is gevestigd.
Wanneer en voor zover een beheerder in staat is aan te tonen dat een benchmark die deze aanbiedt, een benchmark op basis van gereguleerde gegevens of een grondstoffenbenchmark is die niet is gebaseerd op informatie aangeleverd door contribuanten waarvan de meerderheid ondertoezichtstaande entiteiten zijn, is de beheerder niet verplicht de voorwaarden in acht te nemen die, overeenkomstig artikel 17 en artikel 19, lid 1, niet van toepassing zijn op het aanbieden van benchmarks op basis van gereguleerde gegevens en grondstoffenbenchmarks.
3. Een in een derde land gevestigde beheerder die voornemens is erkenning te verkrijgen, heeft een wettelijke vertegenwoordiger. De wettelijke vertegenwoordiger is een in de Unie gevestigde ▌rechtspersoon en is uitdrukkelijk door die beheerder aangewezen om namens die beheerder te handelen ten aanzien van de verplichtingen van de beheerder op grond van deze verordening. De wettelijke vertegenwoordiger vervult, samen met de beheerder, de toezichtfunctie met betrekking tot het aanbieden van benchmarks door de beheerder op grond van deze verordening en▌ is verantwoording verschuldigd aan ESMA. ESMA kan overeenkomstig artikel 48 sexies een toezichthoudende maatregel opleggen aan de wettelijke vertegenwoordiger en de beheerder voor een van de in artikel 42, lid 1, punt a), genoemde inbreuken, of in verband met het verzuim om samen te werken of mee te werken aan een onderzoek of een inspectie of verzoek als bedoeld in hoofdstuk 4, afdeling 1.”;
"
c) in lid 5 wordt de eerste alinea vervangen door:"
“Een in een derde land gevestigde beheerder die voornemens is erkenning te verkrijgen als bedoeld in lid 2, dient een aanvraag tot erkenning in bij ESMA. De beheerder die een aanvraag indient, verschaft alle informatie die noodzakelijk is om ten genoegen van ESMA aan te tonen dat hij, op het tijdstip van erkenning, alle noodzakelijke regelingen had opgezet om te voldoen aan de voorwaarden van lid 2 ten aanzien van zijn benchmark of benchmarks die overeenkomstig artikel 24 zijn aangemerkt. Indien van toepassing, vermeldt de beheerder die een aanvraag indient, de bevoegde autoriteit in het derde land die met het toezicht op deze beheerder is belast.
Binnen 15 werkdagen na ontvangst van de aanvraag beoordeelt ESMA of de aanvraag volledig is en stelt zij de aanvrager dienovereenkomstig in kennis. Wanneer de aanvraag onvolledig is, dient de aanvrager de aanvullende informatie in waar ESMA om vraagt. De in deze alinea bedoelde termijn is van toepassing vanaf de datum waarop de aanvrager deze aanvullende informatie heeft verstrekt.”;
"
15 bis) De inleidende formule van artikel 33, lid 1, wordt als volgt gewijzigd:"
“1. Een in de Unie gevestigde beheerder die over een vergunning beschikt of is geregistreerd overeenkomstig artikel 34, met een heldere en welomschreven rol binnen het controle- of verantwoordingskader van een beheerder uit een derde land, die in staat is daadwerkelijk toezicht uit te oefenen op het aanbieden van de benchmark, kan aan ESMA vragen om een in een derde land aangeboden benchmark of benchmarkgroep voor gebruik daarvan in de Unie te bekrachtigen, op voorwaarde dat aan elk van de volgende voorwaarden is voldaan:”;
"
15 ter) Artikel 33, lid 3, wordt als volgt gewijzigd:"
3. Binnen 90 werkdagen na ontvangst van de in lid 1 bedoelde bekrachtigingsaanvraag beoordeelt ESMA de aanvraag en neemt zij een besluit om de bekrachtiging goed te keuren dan wel te weigeren.”.
"
15 quater) Artikel 33, lid 6, wordt als volgt gewijzigd:"
6. Wanneer de bevoegde autoriteit van de bekrachtigende beheerder gegronde redenen heeft om aan te nemen dat niet meer wordt voldaan aan de in lid 1 van dit artikel vastgestelde voorwaarden, heeft zij de bevoegdheid om van de bekrachtigende beheerder te eisen dat de bekrachtiging wordt ingetrokken en brengt zij ESMA hiervan op de hoogte. Artikel 28 is van toepassing wanneer de bekrachtiging wordt stopgezet.
"
16) Artikel 34 wordt als volgt gewijzigd:
a) lid 1 wordt vervangen door:"
“1. Een in de Unie gevestigde natuurlijke persoon of rechtspersoon die optreedt als of voornemens is op te treden als beheerder, dient bij de krachtens artikel 40 aangewezen bevoegde autoriteit van de lidstaat van vestiging van die persoon of bij ESMA een aanvraag in om het volgende te verkrijgen:
a)
een vergunning wanneer deze persoon indices aanbiedt of voornemens is aan te bieden die worden gebruikt of bedoeld zijn om te worden gebruikt als cruciale benchmarks, als significante benchmarks, als grondstoffenbenchmarks die onder bijlage II vallen, als EU-klimaattransitiebenchmarks of als op de Overeenkomst van Parijs afgestemde EU-benchmarks;
b)
een registratie wanneer deze persoon een ondertoezichtstaande entiteit niet zijnde een beheerder is die indices aanbiedt of voornemens is aan te bieden die worden gebruikt of bedoeld zijn om te worden gebruikt als significante benchmarks, als EU-klimaattransitiebenchmarks of als op de Overeenkomst van Parijs afgestemde EU-benchmarks, op voorwaarde dat de activiteit van het aanbieden van een benchmark niet wordt verhinderd door de sectorale discipline die op de ondertoezichtstaande entiteit van toepassing is en dat geen van de aangeboden indices als een cruciale benchmark zou kwalificeren.”;
"
a bis) Artikel 34, lid 1 bis, wordt als volgt gewijzigd:"
1 bis. Wanneer een of meer van de door de in lid 1 genoemde persoon aangeboden indices worden aangemerkt als cruciale benchmark, als bedoeld in artikel 20, lid 1, punten a) en c), of als significante benchmarks, als bedoeld in artikel 24, leden 2, 5 en 6, of indien de persoon voornemens is benchmarks te bekrachtigen, als bedoeld in artikel 33, wordt de aanvraag tot ESMA gericht.
"
b) lid 3 wordt vervangen door:"
“3. De in lid 1 bedoelde aanvraag wordt ingediend binnen dertig werkdagen na een overeenkomst die een ondertoezichtstaande entiteit is aangegaan om een door de aanvrager aangeboden index als referentie te gebruiken in een financieel instrument of een financiële overeenkomst of om de prestatie van een beleggingsfonds te meten, of binnen de in de artikel 24 bis, leden 2 en 3, genoemde termijnen, naargelang het geval.”;
"
16 bis) In artikel 36, lid 1, worden de punten a) tot en met d) vervangen door:"
“1. ESMA legt een openbaar register aan en houdt dit bij, waarin de volgende gegevens zijn opgenomen:
a)
de identiteit, met inbegrip van, indien beschikbaar, de identificatiecode voor juridische entiteiten (LEI), van de beheerders met een vergunning of registratie krachtens artikel 34, en de bevoegde autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor het toezicht daarop;
b)
de identiteit, met inbegrip van, indien beschikbaar, de LEI, van beheerders die voldoen aan de in artikel 30, lid 1, neergelegde voorwaarden, de lijst van benchmarks, met inbegrip van, indien beschikbaar, hun internationale effectenidentificatienummers (ISIN’s), als bedoeld in artikel 30, lid 1, punt c), en de bevoegde autoriteiten van het derde land die verantwoordelijk zijn voor het toezicht daarop;
c)
de identiteit, met inbegrip van, indien beschikbaar, de LEI, van de beheerders die zijn erkend overeenkomstig artikel 32, de lijst van benchmarks, met inbegrip van hun ISIN’s, als bedoeld in artikel 32, lid 7, en, indien beschikbaar, de bevoegde autoriteiten van het derde land die verantwoordelijk zijn voor het toezicht daarop;
d)
de overeenkomstig de procedure in artikel 33 bekrachtigde benchmarks, de identiteit van de beheerders ervan en de identiteit van de bekrachtigende beheerders of bekrachtigende onder toezicht staande entiteiten.”;
"
17) In artikel 36, lid 1:
a) worden de punten e) tot en met j) gewijzigd:"
“e) de benchmarks, met inbegrip van, indien beschikbaar, hun ISIN’s, die het voorwerp uitmaken van een door ESMA of een bevoegde autoriteit overeenkomstig artikel 24, lid 2, bekendgemaakte verklaring, en de hyperlinks naar die verklaringen;
f)
de benchmarks, met inbegrip van, indien beschikbaar, hun ISIN’s, die het voorwerp van aanmerkingen door bevoegde autoriteiten uitmaken en waarvan aan ESMA overeenkomstig artikel 24, lid 4, is kennisgegeven, en de hyperlinks naar die verklaringen;
g)
de benchmarks, met inbegrip van, indien beschikbaar, hun ISIN’s, die het voorwerp van aanmerkingen door ESMA uitmaken, en de hyperlinks naar die verklaringen;
h)
de benchmarks, met inbegrip van, indien beschikbaar, hun ISIN’s, die het voorwerp uitmaken van openbare kennisgevingen door ESMA of bevoegde autoriteiten overeenkomstig artikel 24 bis, lid 5, en de hyperlinks naar die openbare kennisgevingen;
i)
de lijst van EU-klimaattransitiebenchmarks en op de Overeenkomst van Parijs afgestemde EU-benchmarks, met inbegrip van, indien beschikbaar, hun ISIN’s, die voor gebruik in de Unie beschikbaar zijn;
j)
de lijst van cruciale benchmarks, met inbegrip van, indien beschikbaar, hun ISIN’s.”;
"
b) wordt punt j bis) toegevoegd:"
“j bis) de lijst van grondstoffenbenchmarks die onder bijlage II vallen, met inbegrip van hun ISIN’s, die voor gebruik in de Unie beschikbaar zijn.”;
"
17 bis) Artikel 40, lid 1, wordt als volgt gewijzigd:"
“1. Voor de toepassing van deze verordening is ESMA de bevoegde autoriteit voor:
a)
de beheerders van cruciale benchmarks zoals bedoeld in artikel 20, lid 1, punten a) en c);
b)
de beheerders van de in artikel 32 bedoelde benchmarks;
c)
de beheerders van de benchmarks die significant zijn binnen de Unie als bedoeld in artikel 24, leden 2, 5 en 6;
d)
de beheerders die benchmarks bekrachtigen die in een derde land worden aangeboden overeenkomstig artikel 33;
e)
de beheerders van EU-klimaattransitiebenchmarks en op de Overeenkomst van Parijs afgestemde EU-benchmarks als bedoeld in artikel 3, lid 23 bis en lid 23 ter.”;
"
18) In artikel 41, lid 1, worden de volgende punten k) en l) toegevoegd:"
“k) een benchmark als significant aanmerken overeenkomstig artikel 24, lid 3;
l)
in het geval van redelijke gronden voor vermoedens van een inbreuk op een van de in hoofdstuk 3 bis bepaalde verplichtingen: eisen dat een beheerder voor een periode van maximaal twaalf maanden stopt met:
i)
het aanbieden van EU-klimaattransitiebenchmarks of op de Overeenkomst van Parijs afgestemde EU-benchmarks;
ii)
het in de naam van de door hen voor gebruik in de Unie beschikbaar gestelde benchmarks of in de juridische of marketingdocumentatie voor die benchmarks gebruiken van “EU-klimaattransitiebenchmarks” of “op de Overeenkomst van Parijs afgestemde EU-benchmarks”;
iii)
het in de naam van de door hen voor gebruik in de Unie beschikbaar gestelde benchmarks of in de juridische of marketingdocumentatie voor die benchmarks aangeven dat de voorwaarden voor het aanbieden van dit soort benchmarks in acht worden genomen;”;
"
19) Artikel 42 wordt als volgt gewijzigd:
a) in lid 1 wordt punt a) vervangen door:"
“a) inbreuken op de artikelen 4 tot en met 16, de artikelen 19 bis, 19 ter, 19 quater en 21, de artikelen 23 tot en met 29 of artikel 34 wanneer die artikelen van toepassing zijn; en”;
"
b) lid 2 wordt als volgt gewijzigd:
i) punt g), i), wordt vervangen door:"
“i) voor inbreuken op de artikelen 4 tot en met 10, artikel 11, lid 1, punten a), b), c) en e), op artikel 11, leden 2 en 3, op de artikelen 12 tot en met 16, artikel 21, op de artikelen 23 tot en met 29 en op artikel 34: 500 000 EUR, of in de lidstaten waar de euro niet de officiële valuta is, de overeenkomstige waarde in de nationale valuta op 31 december 2023; of”;
"
ii) punt h), i), wordt vervangen door:"
“i) voor inbreuken op de artikelen 4 tot en met 10, op artikel 11, lid 1, punten a), b), c) en e), op artikel 11, leden 2 en 3, op de artikelen 12 tot en met 16, op artikel 21, op de artikelen 23 tot en met 29 en op artikel 34: 1 000 000 EUR of, in de lidstaten waar de euro niet de officiële valuta is, de overeenkomstige waarde in de nationale valuta op 31 december 2023, of 10 % van hun totale jaaromzet overeenkomstig de laatst beschikbare door het bestuursorgaan goedgekeurde jaarrekening, afhankelijk van welk bedrag het hoogst is; of”;
"
19 bis) De inleidende formule van artikel 48 sexies, lid 1, wordt als volgt gewijzigd:"
“Wanneer ESMA, overeenkomstig artikel 48 decies, lid 5, tot de bevinding komt dat een persoon, opzettelijk of uit onachtzaamheid, zich schuldig heeft gemaakt aan een of meer van de in artikel 42, lid 1, punt a), genoemde inbreuken, of dat sprake is van verzuim om samen te werken of mee te werken aan een onderzoek of een inspectie of verzoek als bedoeld in afdeling 1 van dit hoofdstuk, stelt zij een besluit vast waarbij overeenkomstig lid 2 van dit artikel een geldboete wordt opgelegd. Een inbreuk wordt geacht opzettelijk te zijn gepleegd indien ESMA objectieve factoren vaststelt waaruit blijkt dat een persoon opzettelijk heeft gehandeld om de inbreuk te plegen.”;
"
19 ter) De inleidende formule van artikel 48 septies, lid 1, wordt als volgt gewijzigd:"
“Wanneer ESMA, overeenkomstig artikel 48 decies, lid 5, tot de bevinding komt dat een persoon, opzettelijk of uit onachtzaamheid, één of meer van de in artikel 42, lid 1, punt a), genoemde inbreuken heeft gepleegd, of dat sprake is van verzuim om samen te werken of mee te werken aan een onderzoek of een inspectie of verzoek als bedoeld in afdeling 1 van dit hoofdstuk, stelt zij een besluit vast waarbij overeenkomstig lid 2 van dit artikel een geldboete wordt opgelegd. Een inbreuk wordt geacht opzettelijk te zijn gepleegd indien ESMA objectieve factoren vaststelt waaruit blijkt dat een persoon opzettelijk heeft gehandeld om de inbreuk te plegen.;
"
19 quater) Aan artikel 54 wordt een nieuw lid toegevoegd:"
“7 bis. Uiterlijk op 31 december 2028 dient de Commissie, na raadpleging van ESMA, bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in over de noodzaak om benchmarks met ESG-gerelateerde claims te reguleren, naast EU-klimaattransitiebenchmarks en op de Overeenkomst van Parijs afgestemde EU-benchmarks, rekening houdend met de situatie en beschikbaarheid van ESG-benchmarks op de Europese en mondiale markten en de marktpenetratie ervan, en waarin wordt geanalyseerd of zij als significante benchmarks zouden worden beschouwd, en waarin de kosten en effecten op de beschikbaarheid van de markt en de steeds veranderende aard van de duurzame indicatoren en de methoden die worden gebruikt om deze te meten, worden onderzocht. In het verslag wordt ook rekening gehouden met de noodzaak van samenhang en consistentie met andere Uniewetgeving, met name Verordening (EU) 2019/2088, Richtlijn 2011/61/EU en Richtlijn 2009/65/EG, alsook met de ESMA-richtsnoeren inzake de namen van fondsen waarin ESG-of duurzaamheidsgerelateerde termen worden gebruikt. Dat verslag gaat vergezeld van een effectbeoordeling en, in voorkomend geval, een wetgevingsvoorstel.”;
"
20) Artikel 49 wordt als volgt gewijzigd:
a) de leden 2 en 3 worden vervangen door:"
“2. De in artikel 3, lid 2, artikel 13, lid 2 bis, artikel 19 bis, lid 2, artikel 19 quater, lid 1, artikel 20, lid 6, artikel 24, lid 7, artikel 27, lid 2 ter, artikel 33, lid 7, artikel 51, lid 6, en artikel 54, lid 3, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van vijf jaar met ingang van 30 juni 2024. De Commissie stelt uiterlijk 31 december 2028 een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden vóór het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.
3. Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 3, lid 2, artikel 13, lid 2 bis, artikel 19 bis, lid 2, artikel 19 quater, lid 1, artikel 20, lid 6, artikel 24, lid 7, artikel 27, lid 2 ter, artikel 30, lid 2 bis, artikel 30, lid 3 bis, artikel 33, lid 7, artikel 48 decies, lid 10, artikel 48 terdecies, lid 3, artikel 51, lid 6, en artikel 54, lid 3, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.”;
"
b) lid 6 wordt vervangen door:"
“6. Een overeenkomstig artikel 3, lid 2, artikel 13, lid 2 bis, artikel 19 bis, lid 2, artikel 19 quater, lid 1, artikel 20, lid 6, artikel 24, lid 7, artikel 27, lid 2 ter, artikel 30, lid 2 bis, artikel 30, lid 3 bis, artikel 33, lid 7, artikel 48 decies, lid 10, artikel 48 terdecies, lid 3, artikel 51, lid 6, of artikel 54, lid 3, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van drie maanden na de kennisgeving van die handeling aan het Europees Parlement en aan de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad vóór het verstrijken van die termijn de Commissie heeft meegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zal maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met drie maanden verlengd.”.
"
21) In artikel 51 wordt het volgende lid ingevoegd:"
“4 quater. Bevoegde nationale autoriteiten die voornemens zijn een benchmark aan te wijzen die wordt aangeboden door een beheerder die op [datum van inwerkingtreding van deze wijzigingsverordening – 1 dag] in het ESMA-register is opgenomen en ESMA die voornemens is een benchmark aan te wijzen die is opgenomen in het ESMA-register of waarvan de beheerder op [datum van inwerkingtreding van deze wijzigingsverordening – 1 dag] in het ESMA-register is opgenomen, doen dit uiterlijk op [negen maanden na de inwerkingtreding van deze wijzigingsverordening].
Benchmarkbeheerders die op [datum van inwerkingtreding van deze wijzigingsverordening] over een vergunning, registratie, bekrachtiging of erkenning beschikten, behouden deze status tot negen maanden na de inwerkingtreding van deze wijzigingsverordening. Wanneereen of meer van hun benchmarks binnen negen maanden na [datum van inwerkingtreding van deze wijzigingsverordening] worden aangewezen, zijn de aangewezen beheerders niet verplicht tot het opnieuw indienen van een aanvraag tot vergunning, registratie, erkenning of bekrachtiging overeenkomstig artikel 24 bis, leden 1, 2 of 3, naargelang het geval.
Beheerders van significante benchmarks die op [datum van inwerkingtreding van deze wijzigingsverordening] over een vergunning, registratie, bekrachtiging of erkenning beschikten, zijn niet verplicht tot het opnieuw indienen van een aanvraag tot vergunning, registratie, erkenning of bekrachtiging overeenkomstig artikel 24 bis, lid 1, wanneer een of meer van hun benchmarks significant zijn overeenkomstig artikel 24, lid 1, punt a).
Benchmarkbeheerders die op [datum van inwerkingtreding van deze wijzigingsverordening] over een vergunning, registratie, bekrachtiging of erkenning beschikken en die uiterlijk op [negen maanden na de datum van inwerkingtreding van deze wijzigingsverordening] deze verordening vrijwillig toepassen, worden niet verplicht opnieuw een aanvraag voor een vergunning, registratie, erkenning of bekrachtiging in te dienen.”;
"
21 bis) Artikel 53, lid 1, wordt geschrapt;
Artikel 2
Inwerkingtreding en toepassing
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Zij is van toepassing vanaf 1 januari 2026.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
* De wijzigingen in de tekst zijn het gevolg van de aanneming van amendement 1. Nieuwe of vervangende tekst staat in vet en cursief, schrappingen zijn met het symbool ▐ aangegeven.
Verordening (EU) 2016/1011 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende indices die worden gebruikt als benchmarks voor financiële instrumenten en financiële overeenkomsten of om de prestatie van beleggingsfondsen te meten en tot wijziging van Richtlijnen 2008/48/EG en 2014/17/EU en Verordening (EU) nr. 596/2014 (PB L 171 van 29.6.2016, blz. 1).
Verordening (EU) nr. 1095/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/77/EG van de Commissie (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 84).
Oppervlaktewater- en grondwaterverontreinigende stoffen
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 24 april 2024 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2000/60/EG tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid, Richtlijn 2006/118/EG betreffende de bescherming van het grondwater tegen verontreiniging en achteruitgang van de toestand en Richtlijn 2008/105/EG inzake milieukwaliteitsnormen op het gebied van het waterbeleid (COM(2022)0540 – C9-0361/2022 – 2022/0344(COD))
– gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2022)0540),
– gezien artikel 294, lid 2, en artikel 192, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C9‑0361/2022),
– gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
– gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 22 februari 2023(1),
– na raadpleging van het Comité van de Regio’s,
– gezien artikel 59 van zijn Reglement,
– gezien de adviezen van de Commissie industrie, onderzoek en energie en de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling,
– gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A9‑0238/2023),
1. stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast(2);
2. verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;
3. verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 24 april 2024 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) 2024/... van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2000/60/EG tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid, Richtlijn 2006/118/EG betreffende de bescherming van het grondwater tegen verontreiniging en achteruitgang van de toestand en Richtlijn 2008/105/EG inzake milieukwaliteitsnormen op het gebied van het waterbeleid
HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, met name artikel 192, lid 1,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,
Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(3),
Gezien het advies van het Comité van de Regio’s(4),
Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure,
Overwegende hetgeen volgt:
(-1) Water is geen gewone handelswaar, maar een erfgoed dat als zodanig beschermd, verdedigd en behandeld moet worden, om ervoor te zorgen dat ecosystemen worden behouden en er universele toegang tot schoon water is. [Am. 1]
(-1 bis) Op 28 juli 2010 erkende de Algemene Vergadering van de VN het recht op veilig en schoon drinkwater en sanitaire voorzieningen als een mensenrecht dat van wezenlijk belang is dat essentieel is om het leven en alle mensenrechten ten volle te kunnen genieten. Na het succes van het Europees burgerinitiatief “Right2Water” van 2014 heeft de Commissie in 2018 een voorstel tot herziening van de drinkwaterrichtlijn aangenomen en is de desbetreffende gewijzigde richtlijn op 12 januari 2021 in werking getreden. Die richtlijn voorziet in een verplichting voor de lidstaten om de toegang tot voor menselijke consumptie bestemd water te verbeteren en zich daarbij te baseren op de in het kader van Richtlijn 2000/60/EG verworven kennis en uitgevoerde maatregelen. Tevens moeten de lidstaten zorgen voor de doeltreffendheid van het recht op schoon water en sanitaire voorzieningen door de kwaliteit van zowel oppervlaktewater als grondwater te verbeteren. [Am. 2]
(1) Chemische verontreiniging van het oppervlakte- en grondwater vormt een bedreiging voor het aquatisch milieu, waarbij effecten optreden als acute en chronische toxiciteit voor in het water levende organismen, accumulatie van verontreinigende stoffen in het ecosysteem en verlies van habitats en biodiversiteit, alsook voor de gezondheid van de mens. De vaststelling van milieukwaliteitsnormen draagt bij tot de verwezenlijking van de ambitie om alle verontreiniging tot nul terug te dringen voor een gifvrij milieu als een van de prioritaire doelstellingen van het achtste milieuactieprogramma(5). [Am. 3]
(1 bis) Volgens het Europees Milieuagentschap bevindt ongeveer 90 % van het oppervlakte van grondwaterlichamen zich in een goede kwantitatieve toestand, bevindt ongeveer 75 % van het oppervlakte van grondwaterlichamen zich in een goede chemische toestand, bevindt 40 % van de oppervlaktewaterlichamen zich in een ecologisch goede of zeer goede toestand, en bevindt 38 % van de oppervlaktewaterlichamen zich in een goede chemische toestand, terwijl uit het rapport van het Europees Milieuagentschap van 4 december 2019 getiteld “The European environment - state and outlook 2020: Knowledge for transition to a sustainable Europe” blijkt dat de waterkwaliteit door een afname van de vervuiling weliswaar is verbeterd, maar dat de Unie medio 2020 ver verwijderd was van het bereiken van een goede ecologische toestand voor alle waterlichamen. [Am. 4]
(1 ter) Uit de geschiktheidscontrole van de kaderrichtlijn water van 2019 (“de Fitness Check”) is gebleken dat de volgende ronde van maatregelenprogramma’s een cruciale rol zal spelen bij het waarborgen van de noodzakelijke vooruitgang bij de verwezenlijking van de milieudoelstellingen van Richtlijn 2000/60/EG binnen de gestelde termijn van 2027, en dat momenteel meer dan de helft van alle Europese waterlichamen is vrijgesteld op grond van Richtlijn 2000/60/EG, waardoor de uitdagingen voor de lidstaten om binnen een passend tijdsbestek te streven naar de verwezenlijking van de milieukwaliteitsnormen voor prioritaire stoffen meer dan substantieel zijn. Bovendien kwam uit de geschiktheidscontrole naar voren dat de milieudoelstellingen niet helemaal zijn verwezenlijkt, grotendeels door ontoereikende financiering, trage uitvoering en onvoldoende integratie van milieudoelstellingen in sectoraal beleid, en niet door een tekortkoming in de wetgeving. [Am. 5]
(1 quater) Sommige bevolkingsgroepen, waaronder inheemse volken, zijn vanwege geografische en sociaaleconomische factoren kwetsbaarder voor waterverontreiniging. De mijnbouwsector in de Europese Unie zal naar verwachting groeien om de ontwikkeling van de nettonulindustrie te waarborgen. Zoals in rapport 09/2021 van het Europees Milieuagentschap(6) nogmaals wordt benadrukt, heeft de mijnbouwsector directe gevolgen voor de waterkwaliteit en -kwantiteit; Derhalve is het nodig de bestaande wetgevingskaders beter te implementeren en watergebruik en -lozing ook bij mijnbouwactiviteiten te plannen en te controleren. [Am. 6]
(1 quinquies) Veel gebieden in de Unie worden geteisterd door ernstige - en steeds ernstigere - waterschaarste. De ernstige en aanhoudende droogten van de afgelopen jaren, met name in het Middellandse Zeegebied, vormen een risico voor de landbouwproductie en veroorzaken een sterke afname van de oppervlakte- en grondwaterreserves(7). [Am. 7]
(1 sexies) Water is een publiek goed voor iedereen, en is, als essentiële natuurlijke hulpbron, onvervangbaar en onmisbaar voor alle leven. Er moet daarom terdege rekening worden gehouden met de sociale, economische en milieudimensie ervan. De klimaatverandering, met inbegrip van steeds frequentere natuurrampen en extreme weersomstandigheden, en de achteruitgang van de biodiversiteit hebben een negatieve invloed op de waterkwaliteit en -kwantiteit en leiden tot druk op sectoren die afhankelijk zijn van de beschikbaarheid van water, in het bijzonder de landbouw. [Am. 8]
(1 septies) Het Europees Milieuagentschap (EEA) merkt in zijn verslag “European waters – assessment of status and pressures” uit 2018 bepaalde landbouwpraktijken aan als obstakels voor het bereiken van een goede chemische toestand van grondwater in de Unie omdat zij leiden tot verontreiniging door nitraten en bestrijdingsmiddelen, maar de afgelopen decennia zijn het gebruik van minerale meststoffen en de nutriëntenoverschotten in de Unie gestaag gedaald(8). Andere belangrijke bronnen van vervuiling zijn lozingen buiten de riolering, verontreinigde locaties of verlaten industrieterreinen. [Am. 9]
(1 octies) Een goede toestand van waterlichamen en efficiënt beheer van waterbronnen zijn van prioritair belang voor de landbouw, aangezien landbouwers water nodig hebben om hun activiteiten uit te voeren en er als zodanig rechtstreeks belang bij hebben dat deze hulpbron duurzaam wordt aangewend. [Am. 10]
(1 nonies) Ter bevordering van een transitie naar een duurzamere en productievere landbouwsector die veerkrachtig is met betrekking tot waterschaarste, moeten stimuleringsmaatregelen voor landbouwers worden ingevoerd om het waterbeheer te verbeteren en irrigatiesystemen en -technieken te moderniseren. [Am. 11]
(1 decies) Het gebruik van bestrijdingsmiddelen kan ernstige gevolgen hebben voor de kwaliteit en kwantiteit van het water dat voor de landbouwsector beschikbaar is, en kan leiden tot een vermindering van zowel de aquatische als de terrestrische biodiversiteit. Het is derhalve gepast om de effecten en de ecotoxicologische aanwezigheid van bestrijdingsmiddelen en hun metabolieten in waterlichamen te meten. [Am. 12]
(1 undecies) Het is essentieel dat rekening wordt gehouden met wat er al is bereikt in sectoren als de landbouw, waar de fytosanitaire verontreiniging ten opzichte van 2015-2017 al met 14 % is verminderd en het percentage voor de schadelijkste verontreinigende stoffen zelfs met 26 % is gedaald. De cijfers duiden dan ook op een constante vermindering van het gebruik en het risico van chemicaliën en 2020 was het tweede jaar op rij waarin het gebruik van bestrijdingsmiddelen, met name de gevaarlijkste, aanzienlijk daalde(9). [Am. 13]
(1 duodecies) De chemische verontreiniging van oppervlakte- en grondwater vormt ook een gevaar voor de landbouwsector doordat deze leidt tot beperkingen in de beschikbaarheid van water dat geschikt is voor de irrigatie van gewassen, waardoor de waterschaarste verergert. De Unie en de lidstaten moeten daarom meer steun verlenen voor onderzoek en innovatie om snel oplossingen door te voeren om de schaarste en verontreiniging van oppervlakte- en grondwater aan te pakken, met inbegrip van digitalisering, precisielandbouw, geoptimaliseerde en gemoderniseerde irrigatie en een circulair gebruik van hulpbronnen, een verbeterd klimaatbestendig waterbeheer en een gerichtere toepassing van bestrijdingsmiddelen en meststoffen voor gewassen, minder vervuilende en veiligere alternatieven voor landbouwproductiemiddelen, meer resistente en nutriëntenefficiënte variëteiten van gewassen en een intensiever gebruik van gezuiverd afvalwater voor landbouwirrigatie. Dit moet bijdragen tot de totstandbrenging van een duurzaam en veerkrachtig voedselsysteem in de Unie, waarbij ook de diffuse verontreiniging door de landbouw en de behoefte aan grondwateronttrekking in de landbouwsector worden beperkt. [Am. 14]
(2) Ingevolge artikel 191, lid 2, tweede zin, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) moet het milieubeleid van de Unie berusten op het voorzorgsbeginsel en op het beginsel van preventief handelen, alsmede op de beginselen dat milieuaantastingen bij voorrang aan de bron moeten worden bestreden en dat de vervuiler moet betalen.
(2 bis) Bij het streven naar een hoog niveau van milieubescherming en bij de uitvoering van het actieplan om de verontreiniging tot nul terug te brengen, moet de Unie rekening houden met de uiteenlopende situaties in de verschillende regio’s van de Unie, de gevolgen voor de voedselzekerheid, de voedselproductie en de betaalbaarheid van voedsel, alsook met gezonde en duurzame voedingspatronen. [Am. 15]
(3) De Europese Green Deal(10) is de strategie van de Unie om tegen 2050 een klimaatneutrale, schone en circulaire economie te garanderen, waarbij het beheer van hulpbronnen wordt geoptimaliseerd en verontreiniging tot een minimum wordt beperkt. De EU-strategie voor duurzame chemische stoffen(11) en het actieplan Verontreiniging naar nul(12) hebben specifiek betrekking op de verontreinigingsaspecten van de Europese Green Deal. Andere bijzonder relevante en aanvullende beleidsmaatregelen zijn de EU-strategie voor kunststoffen van 2018(13), de farmaceutische strategie voor Europa van 2021(14), de biodiversiteitsstrategie(15), de “van boer tot bord”-strategie(16), de EU-bodemstrategie voor 2030(17), de digitale strategie van de EU(18) en de datastrategie van de EU(19).
(3 bis) De doelstellingen om een “goede toestand van waterlichamen” te bereiken en de beschikbaarheid van water te waarborgen, zijn overlappend, en worden vaak niet op voldoende coherente wijze nagestreefd. Goed waterbeheer moet worden geïntegreerd in alle beleidsmaatregelen van de Unie die betrekking hebben op waterverbruikende sectoren. [Am. 16]
(3 ter) Uit de Fitness Check kwam naar voren dat waterdoelstellingen beter moeten worden geïntegreerd in het landbouwbeleid. Met het nieuwe GLB werden maatregelen ingevoerd om het waterbeheer duurzamer te maken. Voor een betere samenhang tussen landbouw- en waterbeleid moeten de lidstaten de mogelijkheden die het nieuwe GLB biedt, ten volle benutten, waterkwesties volledig in hun strategische plannen integreren, met inbegrip van het gebruik van het kennis- en innovatiesysteem voor de landbouw (AKIS), en de ontwikkeling van adviesdiensten faciliteren die beste praktijken op het gebied van waterbeheer bevorderen. [Am. 17]
(4) Bij Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad(20) wordt een kader vastgesteld voor de bescherming van binnenlandse oppervlaktewateren, overgangswateren, kustwateren en grondwater. Dat kader houdt in dat op het niveau van de Unie prioritaire stoffen worden geselecteerd uit stoffen die een significant risico vormen voor of via het aquatisch milieu. Bij Richtlijn 2008/105/EG van het Europees Parlement en de Raad(21) zijn voor de hele Unie geldende milieukwaliteitsnormen vastgesteld voor de 45 prioritaire stoffen die zijn opgenomen in bijlage X bij Richtlijn 2000/60/EG en voor acht andere verontreinigende stoffen die reeds vóór de invoering van bijlage X bij Beschikking nr. 2455/2001/EG van het Europees Parlement en de Raad(22) op het niveau van de Unie waren gereglementeerd. Bij Richtlijn 2006/118/EG van het Europees Parlement en de Raad(23) zijn voor de hele Unie geldende grondwaterkwaliteitsnormen vastgesteld voor nitraten en voor werkzame stoffen in bestrijdingsmiddelen, alsook criteria voor de vaststelling van nationale drempelwaarden voor andere grondwaterverontreinigende stoffen. De richtlijn bevat ook een minimumlijst van twaalf verontreinigende stoffen en de bijbehorende indicatoren waarvoor de lidstaten moeten overwegen dergelijke nationale drempelwaarden vast te stellenmoeten vaststellen. De grondwaterkwaliteitsnormen zijn opgenomen in bijlage I bij Richtlijn 2006/118/EG. [Am. 18]
(4 bis) De lidstaten moeten ervoor zorgen dat verontreiniging door lozing, emissie of verlies van prioritaire gevaarlijke stoffen binnen een gepaste tijdspanne en in elk geval uiterlijk twintig jaar nadat een bepaalde prioritaire stof als gevaarlijk is opgenomen in deel A van bijlage I bij Richtlijn 2008/105/EG, wordt stopgezet of geleidelijk wordt beëindigd. Die tijdspanne dient de toepassing van striktere termijnen in andere toepasselijke Uniewetgeving onverlet te laten. [Am. 19]
(5) De overweging om stoffen op te nemen in bijlage X bij Richtlijn 2000/60/EG of in bijlage I of II bij Richtlijn 2006/118/EG wordt gebaseerd op een beoordeling van het risico dat zij inhouden voor de mens en voor het aquatisch milieu. De belangrijkste onderdelen van die beoordeling zijn kennis van de concentraties van de stoffen in het milieu, met inbegrip van informatie die is verzameld via monitoring van de aandachtstoffenlijst, en van de (eco)toxicologische kenmerken van de stoffen, alsook van hun persistentie, bioaccumulatie, toxiciteit, mobiliteit, carcinogeniteit, mutageniteit, reproductieve toxiciteit, en hormoonontregelend vermogen. [Am. 20]
(6) De Commissie heeft de lijst van prioritaire stoffen in bijlage X bij Richtlijn 2000/60/EG getoetst overeenkomstig artikel 16, lid 4, van die richtlijn en artikel 8 van Richtlijn 2008/105/EG, en de lijsten van stoffen in de bijlagen I en II bij Richtlijn 2006/118/EG herzien overeenkomstig artikel 10 van die richtlijn, en is in het licht van nieuwe wetenschappelijke gegevens tot de conclusie gekomen dat het passend is die lijsten aan te passen door er nieuwe stoffen aan toe te voegen, milieukwaliteitsnormen of grondwaterkwaliteitsnormen voor die nieuwe stoffen vast te stellen, de milieukwaliteitsnormen voor sommige bestaande stoffen te herzien in overeenstemming met de wetenschappelijke vooruitgang, en milieukwaliteitsnormen voor biota vast te stellen voor sommige bestaande en de nieuw toegevoegde stoffen. Zij heeft ook vastgesteld welke bijkomende stoffen waarschijnlijk zullen accumuleren in sediment of biota, en verduidelijkt dat trendbewaking van dergelijke stoffen in sediment of biota moet worden uitgevoerd. De toetsingen van de lijsten van stoffen werden ondersteund door een uitgebreide raadpleging van deskundigen van de diensten van de Commissie, de lidstaten, groepen belanghebbenden en het Wetenschappelijk Comité voor gezondheids-, milieu- en opkomende risico’s.
(7) Er is een combinatie van beheersingsmaatregelen aan de bron en “end-of-pipe”-maatregelen nodig om de meeste verontreinigende stoffen gedurende hun levenscyclus doeltreffend aan te pakken, met inbegrip van, in voorkomend geval, het ontwerp, de toelating of de goedkeuring van chemische stoffen, de beheersing van emissies tijdens de vervaardiging en het gebruik of andere processen, en de behandeling van afval. De vaststelling van nieuwe of strengere kwaliteitsnormen voor waterlichamen vormt derhalve een aanvulling op en is in overeenstemming met andere Uniewetgeving waarin het vervuilingsprobleem in een of meer van die stadia wordt aangepakt of zou kunnenmoet worden aangepakt, waaronder Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad(24), Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad(25), Verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad(26), Verordening (EU) 2019/6 van het Europees Parlement en de Raad(27), Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad(28), Richtlijn 2009/128/EG van het Europees Parlement en de Raad(29), Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad(30) en Richtlijn 91/271/EEG van de Raad.(31). Opdat de lidstaten de in artikel 4 van Richtlijn 2000/60/EG vastgestelde milieudoelstellingen op de best mogelijke en meest kosteneffectieve wijze kunnen verwezenlijken, moeten zij er bij de vaststelling van hun maatregelenprogramma’s voor zorgen dat beheersingsmaatregelen aan de bron voorrang krijgen boven “end-of-pipe”-maatregelen en dat die maatregelen in overeenstemming zijn met de relevante sectorale wetgeving van de Unie inzake verontreiniging. Indien het risico bestaat dat beheersingsmaatregelen aan de bron niet tot een goede toestand van waterlichamen leiden, moeten “end-of-pipe”-maatregelen worden toegepast. De Commissie moet richtsnoeren ontwikkelen voor beste praktijken voor beheersingsmaatregelen aan de bron en de complementariteit van “end-of-pipe”-maatregelen. [Am. 21]
(7 bis) Waterverontreiniging is voornamelijk het gevolg van industriële en landbouwactiviteiten, lozingen van afvalwater en stedelijk afvalwater, met inbegrip van regenwater. De Commissie en de lidstaten moeten in hun acties prioriteit geven aan maatregelen ter vermindering van de verontreiniging aan de bron en aan de handhaving van die maatregelen. Daartoe moet worden gezorgd voor samenhang tussen alle onderdelen van de wetgeving van de Unie en van de lidstaten die betrekking hebben op verontreinigende emissies aan de bron, zodat de verontreiniging wordt teruggebracht tot niveaus die niet langer als schadelijk voor de gezondheid en de natuurlijke ecosystemen worden beschouwd. [Am. 22]
(7 ter) Om ervoor te zorgen dat de wetgeving ter voorkoming van verontreiniging van oppervlaktewater en grondwater gelijke tred houdt met de snel plaatsvindende ontwikkelingen op het gebied van nieuwe en opkomende chemische stoffen, die als verontreinigende stoffen aanzienlijke risico’s met zich mee kunnen brengen voor de menselijke gezondheid of het aquatisch milieu, moeten de beleidsmechanismen voor het opsporen en beoordelen van dergelijke zorgwekkend wordende stoffen worden versterkt. In dit opzicht moet een benadering worden ontwikkeld voor monitoring en analyse van extra aantallen van dergelijke stoffen of groepen stoffen in de aandachtstoffenlijsten voor oppervlaktewater en grondwater. De in de aandachtstoffenlijst op te nemen stoffen of groepen stoffen moeten worden geselecteerd uit de stoffen waarvoor de beschikbare informatie erop wijst dat zij op het niveau van de Unie een significant risico voor of via het aquatisch milieu kunnen betekenen en waarvoor de monitoringgegevens onvoldoende zijn. Het aantal stoffen of groepen stoffen dat moet worden gemonitord en geanalyseerd in het kader van de toezichtlijsten voor oppervlaktewater en grondwater, mag niet worden beperkt. [Am. 23]
(8) De nieuwe wetenschappelijke kennis wijst op een aanzienlijk risico van diverse andere verontreinigende stoffen die in waterlichamen worden aangetroffen, naast de reeds gereglementeerde verontreinigende stoffen. In het grondwater is een specifiek probleem geconstateerd door middel van vrijwillige monitoring van poly- en perfluoralkylstoffen (PFAS) en geneesmiddelen. PFAS zijn aangetroffen in meer dan 70 % van de grondwatermeetpunten in de Unie en de bestaande nationale drempelwaarden worden op een aanzienlijk aantal locaties duidelijk overschreden, en ook worden op grote schaal farmaceutische stoffen aangetroffen. Een subset van specifieke PFAS alsook PFAS totaal moeten derhalve aan de lijst van grondwaterverontreinigende stoffen worden toegevoegd. Voor oppervlaktewateren zijn perfluoroctaansulfonzuur en derivaten daarvan reeds als prioritaire stoffen aangewezen, maar andere PFAS worden nu ook als een risico beschouwd. Een subset van specifieke PFAS alsook PFAS totaal moeten derhalve aan de lijst van prioritaire stoffen worden toegevoegd. Om een geharmoniseerde aanpak en een gelijk speelveld in de Unie te garanderen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden verleend om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen om bijlage I bij Richtlijn 2006/118/EG te wijzigen door een kwaliteitsnorm voor PFAS totaal vast te stellen. Uit de monitoring van de aandachtstoffenlijst op grond van artikel 8 ter van Richtlijn 2008/105/EG is ook gebleken dat een aantal farmaceutische stoffen in oppervlaktewateren een risico vormen en derhalve moeten zij aan de lijst van prioritaire stoffen worden toegevoegd. [Am. 24]
(8 bis) Glyfosaat is het voor landbouwdoeleinden meest gebruikte onkruidbestrijdingsmiddel in de Unie. Met betrekking tot deze werkzame stof is ernstige bezorgdheid ontstaan vanwege de gevolgen ervan voor de menselijke gezondheid en de aquatische toxiciteit. In december 2022 heeft de Commissie besloten de vergunning voor het in de handel brengen van glyfosaat met nog eens één jaar te verlengen, in afwachting van de in juli 2023 door de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid geplande herbeoordeling van de werkzame stof. Uit verschillende recente wetenschappelijke studies(32) blijkt echter dat, gezien de aquatische toxiciteit van glyfosaat, AMPA en onkruidbestrijdingsmiddelen op basis van glyfosaat, een milieukwaliteitsnorm (MKN) van minder dan 0,1 μg/l voor alle oppervlaktewaterlichamen moet worden overwogen. Gezien de lopende beoordelingen door de bevoegde regelgevende instanties van de Unie en de bevindingen uit relevante wetenschappelijke studies naar de effecten van glyfosaat op in het water levende organismen, en ter waarborging van een goede chemische toestand van de meeste wateren van de Unie op basis van het voorzorgsbeginsel moet met betrekking tot glyfosaat een gemeenschappelijke en uniforme JG-MKN voor landoppervlaktewateren en afzonderlijk voor andere oppervlaktewateren worden vastgesteld. [Am. 25]
(8 ter) Atrazine is een onkruidbestrijdingsmiddel dat wordt gebruikt voor eenjarige breedbladige onkruiden en eenjarige grassoorten in granen. Het gebruik van atrazine in gewasbeschermingsmiddelen is niet langer toegelaten in de Unie overeenkomstig Beschikking 2004/248/EG van de Commissie(33). Atrazine is bewezen een hormoonontregelaar te zijn, met bewijs dat het de voortplanting en ontwikkeling verstoort, en het kan kanker veroorzaken. Het Europees Milieuagentschap, dat tussen 2013 en 2020 heeft beoordeeld of bestrijdingsmiddelen de effect- of kwaliteitsdrempels haalden, heeft vastgesteld dat overschrijdingen van een of meer bestrijdingsmiddelen, voornamelijk overschrijdingen van atrazine en de metabolieten ervan, op 4 % tot 11 % van de locaties voor grondwatermonitoring zijn geconstateerd. Gezien de aanhoudende aanwezigheid ervan in het oppervlakte- en grondwater van de Unie en om ervoor te zorgen dat de drempelwaarden voor atrazine de milieukwaliteitsnormen voor totale bestrijdingsmiddelen en metabolieten niet overschrijden, moet de drempelwaarde voor atrazine in bijlage I bij Richtlijn 2008/105/EG worden aangepast, ook overeenkomstig de in Richtlijn (EU) 2020/2184 vastgestelde drempelwaarde voor dezelfde stof(34). [Am. 26]
(8 quater) Volgens SCHEER(35) en het EMA(36) werd de generieke kwaliteitsnorm van 0,1 μg/l en 0,5 µg/l voor grondwater, die respectievelijk werd voorgesteld voor afzonderlijke bestrijdingsmiddelen en voor de som van alle bestrijdingsmiddelen, zoals gespecificeerd in Richtlijn 2006/118/EG, in de jaren tachtig vastgesteld op basis van de op dat moment beschikbare chemisch-analytische gevoeligheid. De standaardwaarde van 0,1 μg/l voor afzonderlijke bestrijdingsmiddelen is niet voldoende beschermend gebleken voor de menselijke gezondheid en het grondwaterecosysteem en is soms aanzienlijk hoger dan de drempelwaarden voor tal van bestrijdingsmiddelen en fungiciden op de lijst van prioritaire stoffen in bijlage I bij Richtlijn 2008/105/EG. Eveneens rekening houdend met het advies van SCHEER dat geen grondwaterdrempelwaarden hoger mogen zijn dan de milieukwaliteitsnormen voor oppervlaktewater, moet de Commissie de drempelwaarden voor afzonderlijke bestrijdingsmiddelen en de som van alle bestrijdingsmiddelen, met inbegrip van de relevante metabolieten, in bijlage I bij Richtlijn 2006/118/EG herzien door moderne analysemethoden toe te passen en deze te vergelijken met de beste beschikbare toxicologische kennis. In afwachting van deze evaluatie en in overeenstemming met de voorzorgsbenadering die drinkwaterleveranciers in het Europees grondwatermemorandum(37) hebben geformuleerd, moeten op basis van het beste wetenschappelijke bewijs dat beschikbaar is tussentijdse drempelwaarden worden vastgesteld. [Am. 27]
(8 quinquies) Bisfenol A moet als een prioritaire gevaarlijke stof worden behandeld en moet aan de lijst in bijlage I bij Richtlijn 2008/105/EG worden toegevoegd. Uit wetenschappelijke rapporten blijkt dat ook andere bisfenolen dan bisfenol A bewezen hormoonontregelend vermogen hebben en dat mengsels van die bisfenolen een ecotoxicologisch risico vormen. Aangezien deze wetenschappelijke bevindingen aanleiding geven tot bezorgdheid over het veilige gebruik van alternatieven voor bisfenolen die een negatief effect kunnen hebben op de gezondheid van de mens en het milieu, moet de Commissie een parameter “Bisfenolen totaal” en een passende milieukwaliteitsnorm voor het totaal van bisfenolen vaststellen. [Am. 28]
(8 sexies) Volgens het Europees Geneesmiddelenbureau (EMA)(38) zijn grondwaterecosystemen fundamenteel anders en kunnen ze daarom kwetsbaarder zijn voor stressfactoren dan oppervlaktewaterecosystemen omdat ze niet kunnen herstellen van verstoringen. Daarom moet bij het vaststellen van grondwaterdrempelwaarden een voorzorgsbenadering worden toegepast voor de bescherming van de menselijke gezondheid, grondwaterecosystemen en van grondwater afhankelijke ecosystemen. Overeenkomstig het advies van het EMA moeten de drempelwaarden voor grondwater, als gevolg van deze kwetsbaarheid, normaal gesproken 10 keer lager liggen dan de overeenkomstige drempelwaarden voor oppervlaktewateren. Wanneer echter het werkelijke risico voor de ecosystemen van het grondwater kan worden vastgesteld, kan het passend zijn de drempelwaarden voor grondwater op een ander niveau vast te stellen. [Am. 29]
(9) Richtlijn 2000/60/EG schrijft voor dat de lidstaten de waterlichamen aanwijzen die voor de onttrekking van voor menselijke consumptie bestemd water worden gebruikt, deze monitoren, de nodige maatregelen nemen om te voorkomen dat de kwaliteit ervan achteruitgaat, en het niveau van zuivering dat voor de productie van voor menselijke consumptie geschikt water vereist is verlagen. In dit verband zijn microplastics aangemerkt als een potentieel risico voor de gezondheid van de mens, maar er zijn meer monitoringgegevens nodig om te bevestigen dat een milieukwaliteitsnorm voor microplastics in oppervlakte- en grondwateren moet worden vastgesteld. Microplastics moeten daarom in de aandachtstoffenlijsten voor oppervlakte- en grondwater worden opgenomen en moeten worden gemonitord zodra de Commissie geschikte monitoringmethoden heeft vastgesteld. In dit verband moet rekening worden gehouden met de methoden voor het monitoren en beoordelen van de risico’s van microplastics in drinkwater die zijn ontwikkeld in het kader van Richtlijn (EU) 2020/2184 van het Europees Parlement en de Raad(39).
(9 bis) Krachtens het toepasselijke Unierecht zijn de lidstaten verplicht aangetaste wateren en wateren die gevaar lopen te identificeren, nitraatgevoelige gebieden aan te wijzen, actieprogramma’s te ontwikkelen en relevante maatregelen te treffen. In dit opzicht moeten de controlemaatregelen en systemen voor waterkwaliteitsmeting van de lidstaten beter worden geharmoniseerd, zodat in de Unie homogene normen kunnen worden gebruikt die vergelijkingen tussen de lidstaten mogelijk maken en mededingingsproblemen binnen de Europese landbouwsector, die de interne markt verstoren, kunnen worden voorkomen. [Am. 30]
(10) HoewelNaar schatting waren in 2019 wereldwijd tussen 900 000 en 1,7 miljoen sterfgevallen toe te schrijven aan infecties door antimicrobiële resistentie (AMR)(40). Tegelijkertijd is er bezorgdheid is geuit over het risico dat resistentie tegen antimicrobiële stoffen zich ontwikkelt als gevolg van de aanwezigheid van micro-organismen met resistentie tegen antimicrobiële middelen en van genen voor een dergelijke resistentie in het aquatisch milieu, is ermaar er is tot dusver weinig monitoring uitgevoerd. Relevante genen voor resistentie tegen antimicrobiële middelen moeten ook worden opgenomen in de aandachtstoffenlijsten voor oppervlakte- en grondwater en moeten worden gemonitord zodra geschikte monitoringmethoden zijn ontwikkeld. Dit is in overeenstemming met het Europees “één gezondheid”-actieplan tegen resistentie tegen antimicrobiële middelen, dat in juni 2017 door de Commissie is goedgekeurd, en met de farmaceutische strategie voor Europa, waarin dit probleem ook wordt aangepakt. [Am. 31]
(10 bis) Uitvoeringsbesluit (EU) 2020/1729 van de Commissie tot intrekking van Uitvoeringsbesluit 2013/652/EU1 bis bevat het kader voor het verkrijgen van vergelijkbare en betrouwbare gegevens over antimicrobiële resistentie in de Europese Unie, onder meer door het afvalwater van slachthuizen - een potentiële drager van antibioticaresistente bacteriën en derhalve een mogelijke route van milieuverontreiniging - te monitoren. Er zijn al antibioticaresistente bacteriën aangetroffen in water dat door slachthuizen wordt geloosd. [Am. 32]
(10 ter) Er is bezorgdheid geuit over het risico op sulfaten en xanthaten in het aquatisch milieu. Sulfaten tasten niet alleen de drinkwaterkwaliteit aan, ze beïnvloeden ook de materiaalcycli van koolstof, stikstof en fosfor. Dit verhoogt onder andere de belasting met voedingsstoffen in waterlichamen en daarmee de groei van planten en algen en vergroot ook het voedselaanbod voor waterorganismen en leidt tot een afname van zuurstof in het water. Sulfaten en hun afbraakproducten, vooral sulfide, kunnen onder bepaalde omstandigheden een toxisch effect hebben op het waterleven. Standaard testresultaten geven aan dat sommige xanthaten en hun afbraakproducten toxisch zijn voor ongewervelde waterdieren en vissoorten en dat ze kunnen bioaccumuleren. Sulfaten zijn al opgenomen als grondwaterverontreinigende stof, maar er heeft te weinig monitoring plaatsgevonden. Sulfaten moeten daarom in de aandachtstoffenlijsten voor oppervlakte- en grondwater worden opgenomen. Xanthaten moeten in de aandachtstoffenlijst voor oppervlaktewater worden opgenomen. [Am. 33]
(10 quater) Stoffen als microplastics vormen duidelijk een risico voor de volksgezondheid en het milieu, maar ook voor basisactiviteiten zoals de ontwikkeling van de landbouw. De aanwezigheid van dergelijke stoffen en andere deeltjes kan niet alleen gevolgen hebben voor het water dat wordt gebruikt voor vee en gewassen, maar ook voor de vruchtbaarheid van de grond, waardoor de gezondheid en goede ontwikkeling van huidige en toekomstige gewassen in gevaar komt(41). [Am. 34]
(11) De bestaande en conventionele monitoringmethoden voor het bepalen van de chemische toestand van waterlichamen zijn over het algemeen minder doeltreffend voor het vaststellen van de gevolgen van complexe mengsels van chemische stoffen voor de waterkwaliteit. Gezien het toenemende bewustzijn van de relevantie van mengsels en derhalve van effectgerichte monitoring voor het bepalen van de chemische toestand, en gezien het feit dat er reeds voldoende robuuste, effectgerichte monitoringmethoden bestaan voor oestrogene stoffen, moeten de lidstaten die methoden toepassen om de cumulatieve effecten van oestrogene stoffen in oppervlaktewateren te beoordelen over een periode van ten minste twee jaar. Dit zal het mogelijk maken de effectgerichte resultaten te vergelijken met de resultaten die zijn verkregen met behulp van de conventionele methoden voor de monitoring van de drie oestrogene stoffen die zijn opgenomen in bijlage I bij Richtlijn 2008/105/EG. Die vergelijking zalmoet worden gebruikt om te beoordelenopgenomen in een door de Commissie gepubliceerd evaluatieverslag waarin zij beoordeelt of effectgerichte monitoringmethoden betrouwbare en accurate gegevens leveren en als betrouwbare screeningmethoden kunnen worden gebruikt. Het gebruik van dergelijke screeningsmethoden zou als voordeel hebben dat de effecten van alle oestrogene stoffen met vergelijkbare effecten kunnen worden bestreken, en niet alleen die welke zijn opgenomen in bijlage I bij Richtlijn 2008/105/EG. De Commissie moet de bevoegdheid krijgen tot het vaststellen van gedelegeerde handelingen ter aanvulling van Richtlijn 2008/105/EG voor de vaststelling van de wijze waarop de lidstaten in afwachting van een mogelijke toekomstige vaststelling van effectgerichte triggerwaarden effectgerichte monitoring kunnen uitvoeren voor het beoordelen van de aanwezigheid van andere stoffen in waterlichamen. De definitie van milieukwaliteitsnormen in Richtlijn 2000/60/EG moet worden gewijzigd om ervoor te zorgen dat hieronder in de toekomst ook triggerwaarden kunnen vallen die zouden kunnen worden vastgesteld om de resultaten van effectgerichte monitoring te beoordelen. [Am. 35]
(11a) Er moeten strengere drempelwaarden worden vastgesteld wanneer kwaliteitsnormen voor grondwater ertoe kunnen leiden dat de uit hoofde van Richtlijn 2006/118/EG vereiste milieudoelstellingen van Richtlijn 2000/60/EG voor de betrokken waterlichamen niet worden gehaald. Die eis uit hoofde van Richtlijn 2006/118/EG moet verder worden uitgebreid om kwetsbare gebieden beter tegen verontreiniging te beschermen. [Am. 36]
(12) In de evaluatie van de waterwetgeving van de Unie(42) (de “evaluatie”) werd geconcludeerd dat het proces voor het vaststellen en in een lijst opnemen van verontreinigende stoffen die van invloed zijn op oppervlakte- en grondwater en voor het vaststellen of herzien van kwaliteitsnormen voor die stoffen in het licht van nieuwe wetenschappelijke kennis, kan worden versneld. Indien die taken door de Commissie zouden worden uitgevoerd, in plaats vanDaarom moet in het kader van de gewone wetgevingsprocedure waarin momenteel is voorzien in de artikelen 16 en 17 vantoekomstige herzieningen van bijlage I bij Richtlijn 2000/60/EG en in artikel 10 vann 2008/105/EG wat betreft de lijst van prioritaire stoffen en overeenkomstige milieukwaliteitsnormen vastgesteld in deel A van die bijlage en van bijlage I bij Richtlijn 2006/118/EG, zou de werking van de aandachtstoffenlijstmechanismen voor oppervlakte- en grondwater, met name wat betreft het tijdschema en de volgorde van opneming in de lijst, monitoring en beoordeling van de resultaten, kunnen worden verbeterd, zoudenmoeten de verbanden tussen het aandachtstoffenlijstmechanisme en de toetsingen van de lijsten van verontreinigende stoffen kunnen worden versterkt, en zou er bij wijzigingen vanmoet de evaluatieperiode voor de lijsten van verontreinigende stoffen worden aangepast om sneller rekening te kunnen worden gehouden met de wetenschappelijke vooruitgang. Daarom, en gezien de noodzaak om de lijsten van verontreinigende stoffen en de bijbehorende milieukwaliteitsnormen onverwijld te wijzigen in het licht van nieuwe wetenschappelijke en technische kennis, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden verleend om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen om bijlage I bij Richtlijn 2008/105/EG te wijzigen met betrekking tot de lijst van prioritaire stoffen en overeenkomstige milieukwaliteitsnormen in deel A van die bijlage en om bijlage I bij Richtlijn 2006/118/EG te wijzigen met betrekking tot de lijst van grondwaterverontreinigende stoffen en kwaliteitsnormen in die bijlage. In dit verband moet de Commissie rekening houden met de resultaten van de monitoring van stoffen op de aandachtstoffenlijsten voor oppervlakte- en grondwater. Bijgevolg moeten de artikelen 16 en 17 van Richtlijn 2000/60/EG en bijlage X bij die richtlijn, alsook artikel 10 van Richtlijn 2006/118/EG worden geschrapt, met behoud van de verplichting maatregelen te nemen die gericht zijn op de stopzetting of geleidelijke beëindiging van lozingen, emissies en verliezen van prioritaire gevaarlijke stoffen. [Am. 37]
(12 bis) In het algemeen blijkt uit de conclusies van de geschiktheidscontrole dat de richtlijnen in grote lijnen geschikt zijn voor het beoogde doel, met ruimte voor verbetering, onder meer door de correcte verwezenlijking van de doelstellingen ervan te versnellen, wat met meer EU-financiering kan worden bereikt. Uit de controle blijkt dat de richtlijnen tot dusver over het algemeen hebben geleid tot een hoger beschermingsniveau voor waterlichamen en een beter overstromingsrisicobeheer. [Am. 38]
(13) In de evaluatie werd ook geconcludeerd dat er te grote verschillen tussen de lidstaten bestaan wat betreft de kwaliteitsnormen en drempelwaarden die op nationaal niveau zijn vastgesteld voor respectievelijk stroomgebiedspecifieke verontreinigende stoffen en grondwaterverontreinigende stoffen. Tot dusver moesten stroomgebiedspecifieke verontreinigende stoffen die niet zijn aangemerkt als prioritaire stoffen op grond van Richtlijn 2000/60/EG aan nationale milieukwaliteitsnormen voldoen en zijn zij als fysisch-chemische kwaliteitselementen in aanmerking genomen ter ondersteuning van de beoordeling van de ecologische toestand van oppervlaktewateren. Voor grondwater hebben de lidstaten ook hun eigen drempelwaarden kunnen vaststellen, zelfs voor door de mens vervaardigde synthetische stoffen. Deze flexibiliteit heeft geresulteerd in suboptimale resultaten wat betreft de vergelijkbaarheid van de toestand van waterlichamen tussen de lidstaten, en op het gebied van milieubescherming. Daarom moet worden voorzien in een procedure die het mogelijk maakt op het niveau van de Unie overeenstemming te bereiken over milieukwaliteitsnormen en drempelwaarden die voor die stoffen moeten worden toegepast indien deze worden aangemerkt als stoffen die op nationaal niveau aanleiding geven tot bezorgdheid, en moeten registers van de toepasselijke milieukwaliteitsnormen en drempelwaarden worden opgezet.
(13 bis) Beslissingen met betrekking tot de selectie en herziening van stoffen en de vaststelling van milieukwaliteitsnormen moeten worden gebaseerd op een risicobeoordeling en hierbij moet een evenredige, transparante en wetenschappelijk gestaafde benadering worden gevolgd en aanbevelingen van het Europees Parlement, de lidstaten en relevante belanghebbenden in acht worden genomen. [Am. 39]
(13 ter) Hoewel in Richtlijn 2000/60/EG regels zijn vastgesteld die nodig zijn om vooruitgang te boeken op het gebied van waterkwantiteit en -kwaliteit, is uit de Fitness Check gebleken dat de trage vooruitgang bij de verwezenlijking van de doelstellingen van deze richtlijn onder meer kan worden toegeschreven aan een gebrek aan financiële middelen en aan de complexiteit van de regelgeving en het milieu, met inbegrip van mogelijk vertraagde reacties van het grondwater op de maatregelen en vertragingen met betrekking tot de rapportagetermijnen. Maatregelen die de toestand van waterlichamen verbeteren door middel van het herstel van rivieren en ecosysteemdiensten leveren financiële baten op die veel groter zijn dan de kosten en kunnen onnodige uitgaven van de lidstaten verminderen. Voorts wijst de controle op een ontoereikende uitvoering, een ontoereikend toepassingsgebied en onvoldoende of ontoereikende herstelmaatregelen om hydrologische en ecologische connectiviteit te waarborgen(43). [Am. 40]
(14) Bovendien zorgt de opneming van stroomgebiedspecifieke verontreinigende stoffen in de definitie van de chemische toestand van oppervlaktewateren voor een meer gecoördineerde, coherente en transparante aanpak wat betreft de monitoring en beoordeling van de chemische toestand van oppervlaktewaterlichamen en de daarmee samenhangende informatie aan het publiek. Ook biedt dit meer mogelijkheden voor een meer gerichte aanpak bij het vaststellen en uitvoeren van maatregelen om alle “chemische” kwesties op een meer holistische, doeltreffende en efficiënte manier aan te pakken. Derhalve moeten de definities “ecologische toestand” en “chemische toestand” worden gewijzigd en moet het toepassingsgebied van “chemische toestand” worden uitgebreid tot de stroomgebiedspecifieke verontreinigende stoffen, die tot dusver onderdeel vormden van de definitie “ecologische toestand” in bijlage V bij Richtlijn 2000/60/EG. Bijgevolg moeten het concept milieukwaliteitsnormen voor stroomgebiedspecifieke verontreinigende stoffen en de daarmee verband houdende procedures worden opgenomen in Richtlijn 2008/105/EG.
(15) Om een geharmoniseerde aanpak en een gelijk speelveld in de Unie te garanderen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden verleend om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen om deel B van bijlage II bij Richtlijn 2006/118/EG te wijzigen door de lijst van verontreinigende stoffen waarvoor de lidstaten moeten overwegen nationale drempelwaarden vast te stellenmoeten vaststellen, aan te passen. [Am. 41]
(16) Gezien de noodzaak om zich snel aan te passen aan de wetenschappelijke en technische kennis en een geharmoniseerde aanpak en een gelijk speelveld in de Unie met betrekking tot stroomgebiedspecifieke verontreinigende stoffen te waarborgen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden verleend om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen om bijlage II bij Richtlijn 2008/105/EG aan te passen met betrekking tot de lijst van categorieën verontreinigende stoffen in deel A van die bijlage en om deel C van bijlage II met betrekking tot de geharmoniseerde milieukwaliteitsnormen voor stroomgebiedspecifieke verontreinigende stoffen of groepen daarvan aan te passen. Die geharmoniseerde milieukwaliteitsnormen moeten door de lidstaten worden toegepast bij de beoordeling van de toestand van hun oppervlaktewaterlichamen wanneer is vastgesteld dat die verontreinigende stoffen een risico vormen.
(17) Bij de toetsing van de lijst van prioritaire stoffen in deel A van bijlage I bij Richtlijn 2008/105/EG is geconcludeerd dat verscheidene prioritaire stoffen niet langer in de hele Unie aanleiding geven tot bezorgdheid en daarom niet langer in deel A van bijlage I bij die richtlijn moeten worden vermeld. Die stoffen moeten daarom als stroomgebiedspecifieke verontreinigende stoffen worden beschouwd en in deel C van bijlage II bij Richtlijn 2008/105/EG worden opgenomen, samen met hun overeenkomstige milieukwaliteitsnormen. Aangezien die verontreinigende stoffen niet langer als zorgwekkend voor de hele Unie worden beschouwd, hoeven de milieukwaliteitsnormen alleen te worden toegepast wanneer die verontreinigende stoffen nog steeds op nationaal, regionaal of lokaal niveau aanleiding zouden kunnen geven tot bezorgdheid.
(18) Om een gelijk speelveld te waarborgen en het mogelijk te maken de toestand van waterlichamen tussen de lidstaten te vergelijken, moeten de nationale drempelwaarden voor bepaalde grondwaterverontreinigende stoffen worden geharmoniseerd. Daarom moet als nieuw deel D van bijlage II bij Richtlijn 2006/118/EG een register van geharmoniseerde drempelwaarden voor grondwaterverontreinigende stoffen die op nationaal, regionaal of lokaal niveau aanleiding geven tot bezorgdheid worden ingevoerd. De geharmoniseerde drempels in dat register moeten alleen worden toegepast in de lidstaten waar de verontreinigende stoffen waarop die drempelwaarden van toepassing zijn van invloed zijn op de grondwatertoestand. Voor de som van de twee synthetische verontreinigende stoffen trichloorethyleen en tetrachloorethyleen moeten de nationale drempelwaarden worden geharmoniseerd, aangezien niet alle lidstaten waar de verontreinigende stoffen relevant zijn een drempelwaarde hanteren voor de som van deze verontreinigende stoffen en de vastgestelde nationale drempelwaarden niet allemaal dezelfde zijn. De geharmoniseerde drempelwaarde moet in overeenstemming zijn met de parameterwaarde die krachtens Richtlijn (EU) 2020/2184 is vastgesteld voor de som van die verontreinigende stoffen in drinkwater.
(19) Om een geharmoniseerde aanpak en een gelijk speelveld in de Unie te garanderen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden verleend om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen om deel D van bijlage II bij Richtlijn 2006/118/EG te wijzigen om het register van geharmoniseerde drempelwaarden voor de vermelde verontreinigende stoffen en de geharmoniseerde drempelwaarden aan te passen aan de technische en wetenschappelijke vooruitgang.
(20) Alle bepalingen van Richtlijn 2006/118/EG met betrekking tot de beoordeling van de chemische toestand van grondwater moeten worden aangepast aan de invoering van de derde categorie geharmoniseerde drempelwaarden in deel D van bijlage II bij die richtlijn, naast de kwaliteitsnormen in bijlage I bij die richtlijn en de nationale drempelwaarden die zijn vastgesteld overeenkomstig de in deel A van bijlage II bij die richtlijn beschreven methode.
(20 bis) Om te voorzien in adequate beschermingsnormen voor gebieden met een grote ecologische waarde, kwetsbaarheid of verontreiniging, zoals grotten en karstgebieden, die ecosystemen bevatten die bijzonder gevoelig zijn voor verontreiniging en een belangrijke drinkwatervoorziening vormen, alsook voor voormalige industrieterreinen en andere gebieden met bekende historische verontreiniging, moet de Commissie een beoordeling van de chemische toestand van dergelijke gebieden publiceren en zo nodig een wetgevingsvoorstel indienen om Richtlijn 2006/118/EG dienovereenkomstig te herzien. [Am. 42]
(21) Om doeltreffende en coherente besluitvorming te waarborgen en synergieën tot stand te brengen met de werkzaamheden in het kader van andere wetgeving van de Unie inzake chemische stoffen, moet aan het Europees Agentschap voor chemische stoffen (“ECHA”) een permanente en duidelijk afgebakende rol worden toegekend bij de prioriteitstelling voor de stoffen die moeten worden opgenomen in de aandachtstoffenlijsten en in de lijsten van stoffen in de bijlagen I en II bij Richtlijn 2008/105/EG en de bijlagen I en II bij Richtlijn 2006/118/EG, en bij de vaststelling van passende wetenschappelijk onderbouwde kwaliteitsnormen. Het Comité risicobeoordeling (RAC) en het Comité sociaaleconomische analyse (SEAC) van het ECHA moeten de uitvoering van bepaalde aan het ECHA opgedragen taken vergemakkelijken door adviezen te verstrekken. Het ECHA moet ook zorgen voor een betere coördinatie tussen de verschillende onderdelen van het milieurecht door middel van meer transparantie met betrekking tot de verontreinigende stoffen die op een aandachtstoffenlijst staan of de ontwikkeling van Uniebrede of nationale milieukwaliteitsnormen of drempelwaarden, door relevante wetenschappelijke verslagen openbaar te maken. In verband met de beoordeling van drempelwaarden voor farmaceutische stoffen moet het ECHA samenwerken met het Europees Geneesmiddelenbureau (EMA). [Am. 43]
(22) In de evaluatie werd geconcludeerd dat frequentere en beter gestroomlijnde elektronische verslaglegging nodig is om een betere uitvoering en handhaving van de waterwetgeving van de Unie te bevorderen. Gezien zijn taak om ook de toestand van de verontreiniging, zoals beschreven in het actieplan om alle verontreiniging tot nul terug te dringen, regelmatiger te monitoren, moet het Europees Milieuagentschap (EEA) deze frequentere en beter gestroomlijnde verslaglegging door de lidstaten vergemakkelijken. Het is belangrijk dat milieu-informatie over de toestand van oppervlaktewater en grondwater in de Unie tijdig ter beschikking van het publiek en de Commissie wordt gesteld. De lidstaten moeten daarom worden verplicht de in het kader van Richtlijn 2000/60/EG verzamelde monitoringgegevens ter beschikking te stellen van de Commissie en het EEA, waarbij gebruik wordt gemaakt van geautomatiseerde mechanismen voor verslaglegging en gegevensverstrekking op basis van application programming interfaces (API’s), of gelijkwaardige mechanismen. De administratieve last zal naar verwachting beperkt zijn voor zover de lidstaten al verplicht zijn om thematische categorieën ruimtelijke gegevens openbaar te maken binnen het toepassingsgebied van Richtlijn 2007/2/EG van het Europees Parlement en de Raad(44) en van Richtlijn (EU) 2019/1024 van het Europees Parlement en de Raad(45). Die thematische categorieën ruimtelijke gegevens omvatten de locatie en de werking van milieubewakingsvoorzieningen, de daarmee verband houdende metingen van emissies en de staat van de milieucompartimenten.
(23) Een betere integratie van de gegevensstromen die aan het EEA worden gerapporteerd in het kader van de waterwetgeving van de Unie, en met name van de inventarissen van emissies zoals vereist bij Richtlijn 2008/105/EG, met de gegevensstromen die overeenkomstig Richtlijn 2010/75/EU en Verordening (EG) nr. 166/2006 van het Europees Parlement en de Raad(46) op het portaal voor industriële emissies worden gerapporteerd, zal de rapportage van de inventarissen overeenkomstig artikel 5 van Richtlijn 2008/105/EG eenvoudiger en efficiënter maken. Tegelijkertijd zullen de administratieve last en de werkdruk op piekmomenten bij de voorbereiding van de stroomgebiedbeheerplannen worden verminderd. In combinatie met de afschaffing van de tussentijdse verslaglegging over de voortgang van maatregelenprogramma’s, die niet doeltreffend is gebleken, zal deze vereenvoudigde verslaglegging de lidstaten in staat stellen zich meer te richten op het rapporteren van emissies die niet onder de wetgeving inzake industriële emissies vallen, maar wel onder de rapportage van emissies uit hoofde van artikel 5 van Richtlijn 2008/105/EG. [Am. 44]
(24) Het Verdrag van Lissabon maakt een onderscheid tussen aan de Commissie overgedragen bevoegdheden om niet-wetgevingshandelingen van algemene strekking vast te stellen ter aanvulling of wijziging van bepaalde niet-essentiële onderdelen van een wetgevingshandeling (gedelegeerde handelingen), en aan de Commissie overgedragen bevoegdheden om handelingen vast te stellen teneinde eenvormige voorwaarden ter uitvoering van juridisch bindende handelingen van de Unie te waarborgen (uitvoeringshandelingen). De Richtlijnen 2000/60/EG en 2006/118/EG moeten worden afgestemd op het bij het Verdrag van Lissabon ingevoerde rechtskader.
(25) De bevoegdheden in artikel 20, lid 1, eerste alinea, van Richtlijn 2000/60/EG en in punt 1.4.1, ix), van bijlage V bij die richtlijn, die voorzien in het gebruik van de regelgevingsprocedure met toetsing, voldoen aan de criteria van artikel 290, lid 1, VWEU, aangezien zij betrekking hebben op aanpassingen van de bijlagen bij die richtlijn en de vaststelling van regels ter aanvulling ervan. Zij moeten daarom worden omgezet in bevoegdheden voor de Commissie om gedelegeerde handelingen vast te stellen.
(26) De bevoegdheid in artikel 8 van Richtlijn 2006/118/EG, die voorziet in het gebruik van de regelgevingsprocedure met toetsing, voldoet aan de criteria van artikel 290, lid 1, VWEU, aangezien het aanpassingen van de bijlagen bij die richtlijn betreft. Zij moet daarom worden omgezet in een bevoegdheid voor de Commissie om gedelegeerde handelingen vast te stellen.
(27) Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij het opstellen van gedelegeerde handelingen en bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016. Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.
(28) De bevoegdheidsverlening in artikel 8, lid 3, van Richtlijn 2000/60/EG, die voorziet in het gebruik van de regelgevingsprocedure met toetsing, voldoet aan de criteria van artikel 290, lid 2, VWEU, aangezien het gaat om de vaststelling van technische specificaties en gestandaardiseerde methoden voor de analyse en monitoring van de watertoestand en derhalve wordt gestreefd naar uniforme voorwaarden voor de geharmoniseerde uitvoering van die richtlijn. Zij moet daarom worden omgezet in een bevoegdheidsverlening op grond waarvan de Commissie uitvoeringshandelingen kan vaststellen. Om de vergelijkbaarheid van gegevens te waarborgen, moet de bevoegdheidsverlening ook worden uitgebreid tot de vaststelling van opmaakvoorschriften voor de rapportage van monitoring- en toestandgegevens overeenkomstig artikel 8, lid 4. De aan de Commissie toegekende bevoegdheden moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad(47).
(29) Om eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van Richtlijn 2000/60/EG te waarborgen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend om technische opmaakvoorschriften vast te stellen voor de rapportage van monitoringgegevens en gegevens over de watertoestand overeenkomstig artikel 8, lid 3, van Richtlijn 2000/60/EG. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011.
(30) Om eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van Richtlijn 2008/105/EG te waarborgen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend om gestandaardiseerde opmaakvoorschriften vast te stellen voor de rapportage aan het EEA van puntbronemissies die niet onder Verordening (EU) …/… van het Europees Parlement en de Raad(48) vallen. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011.
(31) Er moet rekening worden gehouden met de wetenschappelijke en technische vooruitgang en de best beschikbare methoden op het gebied van monitoring van de toestand van waterlichamen overeenkomstig de monitoringvoorschriften van bijlage V bij Richtlijn 2000/60/EG. Daarom moet het de lidstaten worden toegestaan gebruik te maken van de gegevens en diensten van teledetectietechnologieën, aardobservatie (Copernicusdiensten), sensoren en apparaten ter plaatse of gegevens van burgerwetenschap, door gebruik te maken van de mogelijkheden die artificiële intelligentie en geavanceerde analyse en verwerking van gegevens bieden. [Am. 45]
(31 bis) Industriële activiteiten in verband met de energietransitie kunnen de negatieve effecten op de waterkwaliteit verergeren. Om dergelijke toekomstige effecten, zoals veranderingen in natuurlijke stromingspatronen en temperatuur, en de waterverontreiniging te beperken, moet het volledige scala aan potentiële factoren worden beoordeeld, evenals de maatregelen die moeten worden genomen om een goede waterkwaliteit te bereiken en te behouden. Daarom moeten de lidstaten regelmatig de effecten van industriële activiteiten in verband met de energietransitie op de waterkwaliteit evalueren en de Commissie op de hoogte stellen van nieuwe bedreigingen, zodat de aandachtstoffenlijst dienovereenkomstig kan worden bijgewerkt. De evaluatie moet eenvoudig openbaar toegankelijk zijn en de actualisering moet buiten de algemene actualiseringscycli kunnen plaatsvinden om te zorgen voor een voortdurende verbetering van de waterkwaliteitsbeoordeling. [Am. 46]
(31 ter) In haar mededeling van 11 december 2019 over de Europese Green Deal en haar mededeling van 14 oktober 2020 over de verbetering van de toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden heeft de Commissie zich ertoe verbonden maatregelen te nemen om de toegang tot nationale rechterlijke instanties in alle lidstaten te verbeteren voor burgers en niet-gouvernementele milieuorganisaties die de verenigbaarheid met het milieurecht van administratieve handelingen met gevolgen voor het milieu om specifieke redenen in twijfel trekken. In de laatstgenoemde mededeling stelt de Commissie dat “[d]e toegang tot de rechter in milieuaangelegenheden, zowel via het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU), als via de nationale rechters als Unierechters, [...] een belangrijke ondersteunende rol [speelt] bij het realiseren van de transitie in het kader van de Europese [Green] Deal, en [...] de rol van waakhond [versterkt] die het maatschappelijk middenveld speelt in de democratische ruimte”. Deze verbintenissen moeten ook ten uitvoer worden gelegd in het kader van Richtlijn 2000/60/EG. [Am. 47]
(31c) Zoals bevestigd in de jurisprudentie van het HvJ-EU(49), moeten niet-gouvernementele milieuorganisaties en rechtstreeks betrokken personen procesbevoegdheid krijgen om een besluit van een overheidsinstantie aan te vechten dat in strijd is met de milieudoelstellingen van artikel 4 van Richtlijn 2000/60/EG. Teneinde de toegang tot nationale rechterlijke instanties in de betrokken zaken in de hele Unie te verbeteren en niet-gouvernementele milieuorganisaties en rechtstreeks betrokken personen in staat te stellen zich op het nationale recht te beroepen bij het aanvechten van besluiten die in strijd zijn met Richtlijn 2000/60/EG, moeten in Richtlijn 2000/60/EG bepalingen worden vastgesteld om de toegang tot de rechter te waarborgen. [Am. 48]
(32) Gezien de steeds vaker voorkomende onvoorziene weersomstandigheden, met name extreme overstromingen en langdurige droogten, en het toenemende aantal aanzienlijke verontreinigingsincidenten die grensoverschrijdende onopzettelijk veroorzaakte verontreiniging tot gevolg hebben of verergeren, moeten de lidstaten worden verplicht ervoor te zorgen dat onmiddellijk informatie over dergelijke incidenten wordt verstrekt aan andere potentieel getroffen lidstaten, en doeltreffend samen te werken met de potentieel getroffen lidstaten om de gevolgen van het voorval of incident te beperken. Ook moet de samenwerking tussen de lidstaten worden versterkt en moeten de procedures voor grensoverschrijdende samenwerking worden gestroomlijnd in geval van problemen van meer structurele aard, d.w.z. grensoverschrijdende, opzettelijk veroorzaakte en langetermijnproblemen die niet op het niveau van de lidstaten kunnen worden geregeld, overeenkomstig artikel 12 van Richtlijn 2000/60/EG. Indien Europese bijstand nodig is, kunnen de bevoegde nationale autoriteiten verzoeken om bijstand indienen bij het Coördinatiecentrum voor respons in noodsituaties van de Commissie, dat eventueel aangeboden bijstand en de inzet ervan via het Uniemechanisme voor civiele bescherming zal coördineren, overeenkomstig artikel 15 van Besluit 1313/2013nr. 1313/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad(50). Aangezien stroomgebiedsdistricten zich ook tot buiten het grondgebied van de Unie kunnen uitstrekken, zou het waarborgen van een doeltreffende uitvoering van de relevante bepalingen voor waterbescherming in het kader van Richtlijn 2000/60/EG, alsmede een passende coördinatie met de betrokken niet-lidstaten, ook bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van Richtlijn 2000/60/EG voor die specifieke stroomgebiedsdistricten, als bedoeld in artikel 3, lid 5, van Richtlijn 2000/60/EG. Daarnaast moeten gewapende conflicten die plaatsvinden in de onmiddellijke geografische nabijheid van de Unie ook worden beschouwd als uitzonderlijke gebeurtenissen vanwege hun omvangrijke negatieve grensoverschrijdende milieueffecten, met inbegrip van lucht-, bodem- en waterverontreiniging. Aangezien de door dergelijke conflicten getroffen stroomgebieden zich binnen de grenzen van de Unie uitstrekken, moeten de Commissie en de lidstaten hun inspanningen opvoeren om een passende coördinatie tot stand te brengen met de betrokken niet-lidstaten als bedoeld in artikel 3, lid 5, van Richtlijn 2000/60/EG. [Am. 49]
(32a) De Europese Rekenkamer merkt in haar Speciaal verslag van 19 mei 2021 getiteld “Het beginsel “de vervuiler betaalt”: inconsistente toepassing in de milieubeleidslijnen en -acties van de EU” op dat de lidstaten al ongeveer 100 miljard EUR per jaar uitgeven aan watervoorziening en waterzuivering en dat die uitgaven naar verwachting met meer dan 25 % zullen stijgen om de doelstellingen van de Uniewetgeving inzake afvalwaterzuivering en drinkwater te halen; dit is exclusief de investeringen die nodig zijn om bestaande infrastructuur te vernieuwen of te voldoen aan de doelstellingen van de kaderrichtlijn water en de overstromingsrichtlijn. Bovendien betalen de gebruikers in de Unie via de watertarieven gemiddeld ongeveer 70 % van de kosten voor het leveren van waterdiensten, terwijl de overheid de resterende 30 % financiert, hoewel er aanzienlijke verschillen zijn tussen regio’s en lidstaten. Meestal worden de kosten voor watervoorziening en waterzuivering worden voornamelijk gedragen door huishoudens, hoewel ze slechts 10 % van het water verbruiken, terwijl de economische sectoren die de grootste druk leggen op hernieuwbare zoetwaterbronnen, het minst bijdragen tot het dekken van die kosten. [Am. 50]
(32 ter) De kosten van monitoringprogramma’s voor het bepalen van de toestand van oppervlaktewater en grondwater worden uitsluitend gefinancierd uit de begrotingen van de lidstaten. Die monitoringkosten zullen naar verwachting nog verder stijgen, aangezien het aantal chemische stoffen dat in het aquatisch milieu wordt aangetroffen voortdurend verandert, er steeds meer opkomende verontreinigende stoffen zijn die pas sinds kort in het aquatisch milieu terechtkomen, de methoden voor chemische analyse voortdurend moeten worden verbeterd om deze opkomende en nieuwe verontreinigende stoffen op te sporen en de milieu-impact ervan correct te kunnen beoordelen, en er ook nieuwe monitoringmethoden moeten worden ontwikkeld om de effecten van chemische mengsels beter te kunnen beoordelen. Om die kosten te dekken, en in overeenstemming met het beginsel dat de vervuiler betaalt, vastgelegd in artikel 191, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), is het van essentieel belang dat producenten die in de Unie producten in de handel brengen die stoffen bevatten waarvan is aangetoond dat zij negatieve gevolgen hebben voor de gezondheid van de mens en het aquatisch milieu, de financiële verantwoordelijkheid dragen voor de maatregelen die nodig zijn voor de controle op de in het kader van hun commerciële activiteiten gegenereerde stoffen die in het oppervlaktewater en het grondwater worden aangetroffen. Een regeling voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid is waarschijnlijk het meest geschikte middel om dit te bereiken, aangezien het de financiële lasten voor de belastingbetaler zou beperken en tegelijkertijd een stimulans zou bieden om groenere producten te ontwikkelen. De Commissie moet daarom een effectbeoordeling opstellen waarin wordt onderzocht of in Richtlijn 2006/118/EG en Richtlijn 2008/105/EG een regeling voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid moet worden opgenomen dat van toepassing is op prioritaire stoffen in de zin van Richtlijn 2006/118/EG en Richtlijn 2008/105/EG, alsook op opkomende en nieuwe verontreinigende stoffen, zoals gedefinieerd in de aandachtstoffenlijsten uit hoofde van Richtlijn 2006/118/EG en Richtlijn 2008/105/EG. De effectbeoordeling moet waar nodig vergezeld gaan van een wetgevingsvoorstel om de Richtlijnen 2006/118/EG en 2008/105/EG te herzien. [Am. 51]
(32 quater) De monitoring van een groter aantal stoffen of groepen stoffen brengt hogere kosten met zich mee, maar ook de behoefte aan meer administratieve capaciteit in de lidstaten, vooral in de lidstaten met schaarsere middelen. In het licht hiervan moet de Commissie een gezamenlijke Europese monitoringfaciliteit opzetten voor het beheer van de monitoringvoorschriften indien de lidstaten daar om verzoeken, om zo hun financiële en administratieve lasten te verlichten. De Commissie moet de werkmethodes van de monitoringfaciliteit vaststellen. Het gebruik van een dergelijke faciliteit moet vrijwillig zijn en geen afbreuk doen aan de door de lidstaten reeds getroffen regelingen. [Am. 52]
(32d) Gebleken is dat er behoefte is aan investeringen in de watersector en dat EU-financiering van vitaal belang is voor sommige lidstaten om te voldoen aan de wettelijke verplichtingen die zijn vastgelegd in Richtlijn 2000/60/EG, Richtlijn 2008/105/EG en Richtlijn 2006/118/EG. Alle lidstaten moeten hun uitgaven met ten minste 20 % verhogen om aan de waternormen van de Unie te voldoen en er is een geaggregeerd financieringstekort van 289 miljard EUR tegen 2030(51). Om die reden moet ervoor worden gezorgd dat er voldoende financiële en personele middelen beschikbaar zijn om de monitoring en inspecties van waterlichamen in alle lidstaten uit te voeren, onder meer via relevante structuurfondsen en -programma’s van de Unie en via bijdragen van de particuliere sector, onder meer in het kader van de regeling voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid, zodra dat is ingevoerd. [Am. 53]
(33) Richtlijnen 2000/60/EG, 2006/118/EG en 2008/105/EG moeten derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.
(34) Aangezien de doelstellingen van deze richtlijn, namelijk een hoog niveau van milieubescherming en een verbetering van de milieukwaliteit van het zoet water in Europa te garanderen, niet voldoende door de lidstaten alleen kunnen worden verwezenlijkt maar, vanwege het grensoverschrijdende karakter van waterverontreiniging, beter door de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie maatregelen nemen overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.
(34 bis) De lidstaten moeten synergieën bevorderen tussen de vereisten van de relevante richtlijnen voor zowel gegevensverzameling als de inzet van digitale instrumenten zoals teledetectietechnologieën of aardobservatie (Copernicusdiensten). [Am. 54]
(34 ter) De bevoegde autoriteiten moeten opleidingen, programma’s voor de ontwikkeling van vaardigheden en investeringen in menselijk kapitaal ondersteunen om een doeltreffende toepassing van de beste technologieën en innovatieve oplossingen in het kader van de richtlijnen te ondersteunen. Om de relevante gegevens in heel Europa toegankelijker te maken voor de betrokken lokale actoren en burgers moet de informatie beschikbaar zijn in de verschillende nationale talen, [Am. 55]
HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:
Artikel 1
Wijzigingen van Richtlijn 2000/60/EG
Richtlijn 2000/60/EG wordt als volgt gewijzigd:
1) in artikel 1, punt e), wordt het vierde streepje vervangen door: [Am. 56]"
“— het bereiken van de doelstellingen van de relevante internationale overeenkomsten, met inbegrip van die welke tot doel hebben de verontreiniging van het mariene milieu te voorkomen en te elimineren, door maatregelen van de Unie tot stopzetting of geleidelijke beëindiging van lozingen, emissies en verliezen van prioritaire gevaarlijke stoffen, om uiteindelijk te komen tot concentraties in het mariene milieu die voor in de natuur voorkomende stoffen dichtbij de achtergrondwaarden liggen en voor door de mens vervaardigde synthetische stoffen vrijwel nul bedragen.”.
"
2) artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:
a) punt 24 wordt vervangen door:"
“24) “goede chemische toestand van oppervlaktewater”: de chemische toestand die vereist is om te voldoen aan de milieudoelstellingen voor oppervlaktewater, vastgesteld in artikel 4, lid 1, punt a), van deze richtlijn, d.w.z. de chemische toestand van een oppervlaktewaterlichaam waarin de concentraties van verontreinigende stoffen niet boven de milieukwaliteitsnormen voor prioritaire stoffen liggen die zijn opgenomen in deel A van bijlage I bij Richtlijn 2008/105/EG van het Europees Parlement en de Raad* en de milieukwaliteitsnormen voor stroomgebiedspecifieke verontreinigende stoffen die zijn vastgesteld overeenkomstig artikel 8, lid 2, punt c), en artikel 8 quinquies, lid 1, van die richtlijn.”;
"
b) punt 30 wordt vervangen door:"
“30) “prioritaire stoffen”: stoffen die zijn opgenomen in deel A van bijlage I bij Richtlijn 2008/105/EG, d.w.z. stoffen die in een groot aantal lidstaten een significant risico voor of via het aquatisch milieu inhouden.”;
"
c) de volgende punten 30 bis en 30 ter worden ingevoegd:"
“30 bis) “prioritaire gevaarlijke stoffen”: prioritaire stoffen die als “gevaarlijk” zijn aangemerkt op grond van het feit dat zij in wetenschappelijke verslagen, in relevante wetgeving van de Unie of in relevante internationale overeenkomsten zijn erkend als toxisch, persistent en bioaccumuleerbaar (PBT), of zeer persistent en zeer bioaccumulerend (VPVB), of persistent, mobiel en toxisch (PMT), of zeer persistent en zeer mobiel (VPVM), of als stoffen die aanleiding geven tot evenveel bezorgdheid, wanneer deze bezorgdheid betrekking heeft op het aquatisch milieu, en waarvoor maatregelen moeten worden genomen overeenkomstig artikel 4, lid 1, punt a), iv). [Am. 57]
30 ter)
“stroomgebiedspecifieke verontreinigende stoffen”: verontreinigende stoffen die niet of niet langer als prioritaire stoffen worden aangewezen, maar waarvan de lidstaten op basis van de overeenkomstig bijlage II bij deze richtlijn uitgevoerde beoordeling van de belastingen en effecten op oppervlaktewaterlichamen hebben vastgesteld dat zij een significant risico vormen voor of via het aquatisch milieu op hun grondgebied.”;
"
d) punt 35 wordt vervangen door:"
“35) “milieukwaliteitsnorm”: de concentratie van een bepaalde verontreinigende stof of groep van verontreinigende stoffen in water, in sediment of in biota die ter bescherming van de gezondheid van de mens en het milieu niet mag worden overschreden, of een triggerwaarde voor het schadelijke - effect van een dergelijke verontreinigende stof of groep verontreinigende stoffen op de gezondheid van de mens of het milieu, gemeten met behulp van een passende en wetenschappelijk vastgestelde effectgerichte methode.”. [Am. 58]
* Richtlijn 2008/105/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de voorkoming en beheersing van grondwaterverontreiniging, tot wijziging en vervolgens intrekking van de Richtlijnen 82/176/EEG, 83/513/EEG, 84/156/EEG, 84/491/EEG en 86/280/EEG van de Raad, en tot wijziging van Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 348 van 24.12.2008, blz. 84).”;
"
d bis) punt 37 wordt vervangen door:"
“37)“voor menselijke consumptie bestemd water”: dezelfde betekenis als in Richtlijn (EU) 2020/2184;”; [Am. 59]
"
d ter) in punt 40, wordt de eerste alinea vervangen door:"
“40)“emissiegrenswaarde”: de massa, uitgedrukt in bepaalde specifieke parameters, de concentratie en/of het niveau van een emissie, die of dat gedurende één of meer vastgestelde perioden niet mag worden overschreden. De emissiegrenswaarden kunnen ook voor bepaalde groepen, families of categorieën van stoffen, in het bijzonder die welke in bijlage I bij Richtlijn 2008/105/EG worden aangewezen, worden vastgesteld.”. [Am. 60]
"
3) i artikel 3 wordt het volgende lid 4 bis ingevoegd:"
“4 bis4 bis. In geval van uitzonderlijke omstandigheden die het gevolg zijn van natuurlijke oorzaken of overmacht, met name omvangrijke overstromingen of lange droogteperioden, of significante incidentele verontreiniging, die gevolgen kunnen hebben voor stroomafwaarts gelegen waterlichamen in andere lidstaten, zorgen de lidstaten ervoor dat de bevoegde autoriteiten voor stroomafwaarts gelegen waterlichamen in die lidstaten, alsmede de Commissie, onmiddellijk op de hoogte worden gebracht en dat de nodige samenwerking tot stand wordt gebracht om de oorzaken van de uitzonderlijke omstandigheden of incidenten te onderzoeken en de gevolgen ervan aan te pakken.
De lidstaten stellen andere lidstaten in kennis die nadelige gevolgen kunnen ondervinden van het betreffende verontreinigingsincident.
Om de samenwerking en de informatieuitwisseling in de internationale stroomgebiedsdistricten verder te verbeteren, moeten voor alle internationale stroomgebiedsdistricten procedures voor noodcommunicatie en -respons worden vastgesteld.”. [Am. 61]
"
4) artikel 4, lid 1, wordt als volgt gewijzigd:
a) punt a), iv), wordt vervangen door:"
“iv) leggen de lidstaten de nodige maatregelen ten uitvoer met de bedoeling de verontreiniging door en lozingen, emissies en verliezen van prioritaire stoffen en stroomgebiedspecifieke verontreinigende stoffen geleidelijk te verminderen en emissies, lozingen en verliezen van prioritaire gevaarlijke stoffen stop te zetten of geleidelijk te beëindigen binnen een gepaste tijdspanne en in elk geval uiterlijk twintig jaar nadat een bepaalde prioritaire stof als gevaarlijk is opgenomen in deel A van bijlage I bij Richtlijn 2008/105/EG. Die tijdspanne laat de toepassing van striktere termijnen in andere toepasselijke Uniewetgeving onverlet;”; [Am. 62]
"
b) in punt b), iii), wordt de tweede alinea vervangen door:"
“Maatregelen gericht op de ombuiging van de stijgende tendens worden ten uitvoer gelegd overeenkomstig artikel 5 van Richtlijn 2006/118/EG en bijlage IV bij die richtlijn, onder voorbehoud van de toepassing van de leden 6 en 7 van dit artikel en onverminderd lid 8 van dit artikel.”;
"
b bis) in punt c) wordt de volgende alinea toegevoegd:"
“De lidstaten stellen strengere normen of drempelwaarden vast indien dat nodig is voor een adequate bescherming van de in bijlage IV bij deze richtlijn genoemde gebieden, met inbegrip van speciale beschermingszones uit hoofde van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad. De in verband met dergelijke drempelwaarden vereiste programma’s en maatregelen gelden ook voor activiteiten die onder de werkingssfeer van Richtlijn 91/676/EEG vallen.”. [Am. 63]
"
5) in artikel 7 wordt lid 2 vervangen door:"
“2. Voor elk overeenkomstig lid 1 aangewezen waterlichaam dragen de lidstaten er zorg voor dat de doelstellingen van artikel 4 overeenkomstig de voorschriften van deze richtlijn voor oppervlaktewaterlichamen met inbegrip van de op Unieniveau vastgestelde kwaliteitsnormen worden bereikt en dat het met de toegepaste waterbehandelingsmethode verkregen water in overeenstemming met de Uniewetgeving voldoet aan de eisen van Richtlijn (EU) 2020/2184 van het Europees Parlement en de Raad*.
* Richtlijn (EU) 2020/2184 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2020 betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water (PB L 435 van 23.12.2020, blz. 1).”.
"
6) artikel 8 wordt als volgt gewijzigd:
a) lid 3 wordt vervangen door:"
“3. De Commissie is overeenkomstig artikel 20 bis bevoegd uitvoeringshandelingengedelegeerde handelingen vast te stellen omter aanvulling van deze richtlijn door technische specificaties en gestandaardiseerde methoden vast te stellen voor de analyse en monitoring van de watertoestand overeenkomstig bijlage V. De Commissie is bevoegd uitvoeringshandelingen vast te stellen en voor de vaststelling van opmaakvoorschriften voor de rapportage van monitoring- en toestandgegevens overeenkomstig lid 4. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 21, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure. vastgesteld.”; [Am. 64]
"
a bis) Het volgende lid wordt toegevoegd:"
“3 bis. Uiterlijk ... [twee jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn] publiceert de Commissie een uitvoerige beoordeling van de mogelijke toepassing van systemen voor continue, nauwkeurige en real-time (online) bewaking van de waterkwaliteit, met inbegrip van economische en technische haalbaarheidsaspecten van dergelijke systemen die relevant zijn voor de lidstaten, alsmede het gebruik van geharmoniseerde normen.
In voorkomend geval stelt de Commissie volgens de in artikel 21, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure een uitvoeringshandeling vast om geharmoniseerde normen voor online watermonitoring te bepalen.”; [Am. 65]
"
b) de volgende leden 4 en 5 worden toegevoegd:"
“4. De lidstaten zien erop toe dat de beschikbare individuele monitoringgegevens die zijn verzameld overeenkomstig puntde punten 1.3.4 en 2.4.3 van bijlage V en de daaruit voortvloeiende toestand overeenkomstig bijlage V ten minste eenmaal per jaar elektronisch beschikbaar worden gesteld aan het publiek en aan het Europees Milieuagentschap (EEA) en, zo spoedig mogelijk en in een eenvoudig toegankelijk formaat, aan het publiek, in een machineleesbaar formaat overeenkomstig Richtlijn 2003/4/EG van het Europees Parlement en de Raad*, Richtlijn 2007/2/EG van het Europees Parlement en de Raad** en Richtlijn (EU) 2019/1024 van het Europees Parlement en de Raad***. Daartoe gebruiken de lidstaten de overeenkomstig lid 3 van dit artikel vastgestelde opmaakvoorschriften. [Am. 66]
5. Het EEA zorgt ervoor dat de overeenkomstig lid 4 beschikbaar gestelde informatie regelmatig wordt verwerkt en geanalyseerd om deze via relevante portaalsites van de Unie beschikbaar te stellen voor hergebruik door de Commissie en de betrokken agentschappen van de Unie en om de Commissie, de lidstaten en het publiek actuele, objectieve, betrouwbare en vergelijkbare informatie te verstrekken, met name over de toestand, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 401/2009 van het Europees Parlement en de Raad****.
* Richtlijn 2003/4/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 inzake de toegang van het publiek tot milieu-informatie en tot intrekking van Richtlijn 90/313/EEG van de Raad (PB L 41 van 14.2.2003, blz. 26).
** Richtlijn 2007/2/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 maart 2007 tot oprichting van een infrastructuur voor ruimtelijke informatie in de Gemeenschap (Inspire) (PB L 108 van 25.4.2007, blz. 1).
*** Richtlijn (EU) 2019/1024 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 inzake open data en het hergebruik van overheidsinformatie (PB L 172 van 26.6.2019, blz. 56).
**** Verordening (EG) nr. 401/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 inzake het Europees Milieuagentschap en het Europees milieuobservatie- en -informatienetwerk (PB L 126 van 21.5.2009, blz. 13).”.
"
7) artikel 10 wordt als volgt gewijzigd:
a) lid 2 wordt vervangen door:"
“2. Met het oog op de naleving van de krachtens deze richtlijn vastgestelde doelstellingen, kwaliteitsnormen en drempelwaarden garanderen de lidstaten de vaststelling en uitvoering van:
a)
op de beste beschikbare techniek gebaseerde emissiebeheersingsmaatregelen;
b)
toepasselijke emissiegrenswaarden;
c)
in geval van diffuse effecten, de beheersingsmaatregelen, met inbegrip van, indien van toepassing, de beste milieupraktijken, zoals uiteengezet in:
—
Richtlijn 2009/128/EG van het Europees Parlement en de Raad*;
—
Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad**;
—
Richtlijn 91/271/EEG van de Raad***;
—
Richtlijn 91/676/EEG van de Raad****;
—
alle andere Uniewetgeving die relevant is voor het aanpakken van puntbron- of diffuse verontreiniging.
* Richtlijn 2009/128/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van een kader voor communautaire actie ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van pesticiden (PB L 309 van 24.11.2009, blz. 71).
** Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (PB L 334 van 17.12.2010, blz. 17).
*** Richtlijn 91/271/EEG van de Raad van 21 mei 1991 inzake de behandeling van stedelijk afvalwater (PB L 135 van 30.5.1991, blz. 40).
**** Richtlijn 91/676/EEG van de Raad van 12 december 1991 inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen (PB L 375 van 31.12.1991, blz. 1).”;
"
b) lid 3 wordt vervangen door:"
“3. Wanneer op grond van een kwaliteitsdoelstelling, kwaliteitsnorm of drempelwaarde, vastgesteld overeenkomstig deze richtlijn, de Richtlijnen 2006/118/EG of 2008/105/EG, of overeenkomstig andere Uniewetgeving, strengere voorwaarden vereist zijn dan die welke zouden voortvloeien uit de toepassing van lid 2, worden er dienovereenkomstig strengere emissiebeheersingsmaatregelen vastgesteld.”.
"
7 bis) artikel 11, lid 1, komt als volgt te luiden:"
“1.Elke lidstaat draagt er zorg voor dat voor elk stroomgebiedsdistrict of voor het op zijn grondgebied gelegen deel van een internationaal stroomgebiedsdistrict, een maatregelenprogramma wordt opgesteld waarin rekening is gehouden met de resultaten van de krachtens artikel 5 voorgeschreven analyses, teneinde de doelstellingen van artikel 4 te verwezenlijken. In deze maatregelenprogramma’s wordt prioriteit gegeven aan beheersingsmaatregelen aan de bron in overeenstemming met de desbetreffende sectorale wetgeving van de Unie inzake verontreiniging. “End-of-pipe”-maatregelen worden toegepast naast de beheersingsmaatregelen aan de bron indien het risico bestaat dat beheersingsmaatregelen aan de bron niet tot een goede toestand van waterlichamen leiden. Maatregelenprogramma’s kunnen verwijzen naar maatregelen die voortvloeien uit de nationale wetgeving en op geheel het grondgebied van een lidstaat betrekking hebben. Een lidstaat kan zo nodig maatregelen nemen die op alle stroomgebiedsdistricten en/of de op zijn grondgebied gelegen delen van internationale stroomgebiedsdistricten van toepassing zijn. De Commissie ontwikkelt richtsnoeren voor beste praktijken voor beheersingsmaatregelen aan de bron en de complementariteit van “end-of-pipe”-maatregelen.”. [Am. 67]
"
7 ter) in artikel 11, lid 3, wordt punt c) vervangen door:"
“c) maatregelen om duurzaam en efficiënt watergebruik te bevorderen, met inbegrip van de landbouw, teneinde te voorkomen dat de in artikel 4 genoemde doelstellingen niet worden bereikt;”. [Am. 68]
"
8) in artikel 11, lid 3, wordt punt k) vervangen door:"
“k) maatregelen ter beëindiging van de verontreiniging van wateren door prioritaire gevaarlijke stoffen en ter progressieve vermindering van de verontreiniging door andere stoffen, welke de lidstaten anders zouden beletten de voor de oppervlaktewaterlichamen beoogde milieudoelstellingen te verwezenlijken die zijn vervat in artikel 4;”.
"
8 bis) artikel 11, lid 5, tweede streepje wordt vervangen door:"
“— de betrokken vergunningen en toestemmingen onderzocht, herzien en, in ter dege gerechtvaardigde gevallen, ingetrokken worden, al naar gelang het geval;”. [Am. 9]
"
9) Artikel 12 wordt vervangen door:"
“Artikel 12
Problemen die niet op het niveau van de lidstaten kunnen worden geregeld
1. Indien een lidstaat een probleem constateert dat voor zijn waterbeheer gevolgen heeft, maar niet door die lidstaat kan worden opgelost, meldt hij dat probleem bij de Commissie en eventuele andere betrokken lidstaten en doet hij daarbij aanbevelingen voor de oplossing ervan.
De Commissie reageert binnen zes maanden op een kennisgeving van een lidstaat. Indien het probleem betrekking heeft op het niet bereiken van een goede chemische toestand, dan handelt de Commissie in overeenstemming met artikel 7 bis van Richtlijn 2008/105/EG. [Am. 70]
2. De betrokken lidstaten werken samen om de oorzaken van de in lid 1 bedoelde problemen in kaart te brengen en de maatregelen die nodig zijn om die problemen aan te pakken, vast te stellen.
De lidstaten reageren tijdig en uiterlijk drietwee maanden na de kennisgeving door een andere lidstaat op elkaar overeenkomstig lid 1. [Am. 71]
3. De Commissie wordt in kennis gesteld van de in lid 2 bedoelde samenwerking en uitgenodigd daaraan haar medewerking te verlenen. In voorkomend geval gaat de Commissie, rekening houdend met de krachtens artikel 13 opgestelde verslagen, na of op het niveau van de Unie verdere maatregelen moeten worden genomen om de grensoverschrijdende effecten op waterlichamen te verminderen.”.
"
9 bis) in artikel 13 wordt het volgende lid ingevoegd:"
“4 bis. De Commissie verwerpt de door de lidstaten ingediende stroomgebiedbeheerplannen wanneer deze plannen niet de in bijlage VII vermelde elementen bevatten.” [Am. 72]
"
9 ter) het volgende artikel wordt ingevoegd:"
“Artikel 14 bis
Toegang tot de rechter
1. De lidstaten zorgen ervoor dat, in overeenstemming met het toepasselijke nationale rechtsstelsel, leden van het publiek die voldoende belang hebben of die beweren dat inbreuk is gemaakt op een recht, in beroep kunnen gaan bij een rechtbank of een ander bij wet ingesteld onafhankelijk en onpartijdig orgaan om de materiële of formele rechtmatigheid van enig besluit, handelen of nalaten uit hoofde van deze richtlijn aan te vechten, onder meer met betrekking tot:
a)
plannen en projecten die mogelijk in strijd zijn met de vereisten van artikel 4, onder meer om de achteruitgang van de toestand van waterlichamen te voorkomen en een goede watertoestand, een goed ecologisch potentieel en/of een goede chemische toestand van water te bereiken, voor zover die voorschriften niet reeds zijn vastgesteld in artikel 11 van Richtlijn 2011/92/EU;
b)
de in artikel 11 bedoelde maatregelenprogramma’s, de in artikel 13, lid 1, bedoelde stroomgebiedsbeheersplannen van de lidstaten en de in artikel 13, lid 5, bedoelde aanvullende programma’s of beheersplannen van de lidstaten.
2. De lidstaten bepalen wat voldoende belang en inbreuk op een recht vormt, op een wijze die strookt met de doelstelling om het publiek ruime toegang tot de rechter te bieden. Voor de toepassing van lid 1 wordt elke niet-gouvernementele organisatie die zich inzet voor milieubescherming en voldoet aan de desbetreffende vereisten krachtens de nationale wetgeving, geacht rechten te hebben waarop inbreuk kan worden gemaakt, en voldoende belang te hebben.
3. De in lid 1 bedoelde beroepsprocedures zijn eerlijk en billijk, worden tijdig afgerond en mogen niet buitensporig duur zijn. Deze procedures omvatten ook het bieden van adequate en doeltreffende verhaalmechanismen, met inbegrip van, in voorkomend geval, stakingsbevelen.
4. De lidstaten zorgen ervoor dat het publiek praktische informatie wordt verstrekt over de toegang tot de in dit artikel bedoelde administratieve en gerechtelijke beroepsprocedures.”. [Am. 73]
"
10) In artikel 15 wordt lid 3 geschrapt. [Am. 74]
10 bis) aan artikel 15, lid 3, wordt de volgende alinea toegevoegd:"
“De Commissie stelt uiterlijk op ... [zes maanden na de inwerkingtreding van deze richtlijn] richtsnoeren en templates vast betreffende de inhoud, structuur en vorm van de in de eerste alinea bedoelde tussentijdse verslagen.”. [Am. 75]
"
11) de artikelen 16 en 17 worden geschrapt.
12) artikel 18 wordt als volgt gewijzigd:
a) lid 2, punt e), wordt vervangen door:"
“e) een samenvatting van voorstellen, beheersingsmaatregelen en strategieën om chemische verontreiniging te beheersen of gevaarlijke stoffen stop te zetten of geleidelijk te beëindigen;”.
"
b) lid 4 wordt geschrapt. [Am. 76]
13) artikel 20 wordt vervangen door:"
“Artikel 20
Technische aanpassingen en uitvoering van deze richtlijn
1. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 20 bis gedelegeerde handelingen vast te stellen om de bijlagen I en III en punt 1.3.6 van bijlage V te wijzigen teneinde de informatievereisten met betrekking tot respectievelijk de bevoegde autoriteiten, de inhoud van de economische analyse en de geselecteerde monitoringnormen aan te passen aan de wetenschappelijke en technische vooruitgang.
2. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 20 bis gedelegeerde handelingen vast te stellen teneinde deze richtlijn aan te vullen door de waarden te bepalen voor de klassen van het monitoringsysteem van elke lidstaat overeenkomstig de in bijlage V, punt 1.4.1, beschreven intercalibratieprocedure.
3. De Commissie is bevoegd uitvoeringshandelingen vast te stellen om de technische opmaakvoorschriften voor de transmissie van de in artikel 8, lid 4, bedoelde gegevens vast te stellen. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 21, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld. Bij het vaststellen van deze opmaakvoorschriften wordt de Commissie, indien nodig, bijgestaan door de EEA.”.
"
14) het volgende artikel 20 bis wordt ingevoegd:"
“Artikel 20 bis
Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie
1. De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.
2. De in artikel 20, lid 1, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor onbepaalde tijd met ingang van [Publicatiebureau: gelieve de datum in te voegen = de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn].
3. Het Europees Parlement en de Raad kunnen de in artikel 20, lid 1, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Een besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het besluit laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.
4. Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016.
5. Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.
6. Een overeenkomstig artikel 20, lid 1, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van deze termijn de Commissie hebben meegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.”.
"
15) artikel 21 wordt vervangen door:"
“Artikel 21
Comitéprocedure
1. De Commissie wordt bijgestaan door een comité. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad*.
2. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.
Indien door het comité geen advies wordt uitgebracht, neemt de Commissie de ontwerpuitvoeringshandeling niet aan en is artikel 5, lid 4, derde alinea, van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.
* Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).”.
"
16) in artikel 22 wordt lid 4 vervangen door:"
“4. De milieudoelstellingen van artikel 4, de milieukwaliteitsnormen van deel A van bijlage I bij Richtlijn 2008/105/EG en de overeenkomstig de artikelen 8 en 8 quinquies van die richtlijn vastgestelde drempelwaarden voor stroomgebiedspecifieke verontreinigende stoffen worden voor de toepassing van Richtlijn 2010/75/EU als milieukwaliteitsnormen beschouwd.”.
"
17) bijlage V wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage I bij deze richtlijn.
18) in bijlage VII, deel A, wordt punt 7.7 vervangen door:"
“7.7. een samenvatting van de maatregelen die zijn genomen om de emissies van prioritaire stoffen te verminderen en de emissies van prioritaire gevaarlijke stoffen geleidelijk te beëindigen;”.
"
18 bis) in bijlage VII (deel A) wordt het volgende punt ingevoegd:"
“7.7 bis. Een samenvatting van de maatregelen die zijn genomen om de monitoringaspecten van de watersector te digitaliseren;”. [Am. 77]
"
19) bijlage VIII wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage II bij deze richtlijn.
20) Bijlage X wordtde bijlagen IX en X worden geschrapt. [Am. 78]
Artikel 2
Wijzigingen van Richtlijn 2006/118/EG
Richtlijn 2006/118/EG wordt als volgt gewijzigd:
1) de titel wordt vervangen door:"
“Richtlijn 2006/118/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende de voorkoming en beheersing van grondwaterverontreiniging.”.
"
2) in artikel 1 wordt lid 1 vervangen door:"
“1. Bij deze richtlijn worden specifieke maatregelen ter voorkoming en beheersing van grondwaterverontreiniging vastgesteld met het oog op de verwezenlijking van de milieudoelstellingen van artikel 4, lid 1, punt b), van Richtlijn 2000/60/EG. In de hiërarchie van de te nemen maatregelen wordt voorrang gegeven aan beperkingen en andere maatregelen voor beheersing aan de bron, onverminderd het belang van end-of-pipe-maatregelen, indien van toepassing. Deze maatregelen omvatten: [Am. 79]
a)
criteria voor de beoordeling van de goede chemische toestand van het grondwater;
b)
criteria voor het vaststellen van significante en aanhoudende stijgende trends en de omkering daarvan, en voor het bepalen van de beginpunten voor omkeringen in trends..;
b bis)
criteria voor de beoordeling van de goede ecologische toestand van het grondwater.”. [Am. 80]
"
3) artikel 2, punt 2, wordt vervangen door:"
“2) “drempelwaarde”: door de lidstaten conform artikel 3, lid 1, punt b), of op het niveau van de Unie overeenkomstig artikel 8, lid 3, vastgestelde grondwaterkwaliteitsnorm;”.
"
4) artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:
a) in lid 1, eerste alinea, wordt het volgende punt c) toegevoegd:"
“c) overeenkomstig artikel 8, lid 3, op het niveau van de Unie vastgestelde en in deel D van bijlage II bij deze richtlijn vermelde drempelwaarden;”;
"
a bis) in lid 1 wordt de volgende alinea ingevoegd:"
“De drempelwaarden voor grondwater zijn 10 keer lager dan de overeenkomstige milieukwaliteitsnormen voor oppervlaktewater. In gevallen waarin het werkelijke risico voor de ecosystemen van het grondwater kan worden vastgesteld, kan het echter passend zijn de drempelwaarden voor grondwater op een ander niveau vast te stellen.”; [Am. 81]
"
b) lid 2 wordt vervangen door:"
“2. De in lid 1, punt b), genoemde drempelwaarden kunnen worden vastgesteld op nationaal niveau, op het niveau van het stroomgebieddistrict of het deel van het internationaal stroomgebieddistrict dat binnen het grondgebied van een lidstaat ligt, of op het niveau van een grondwaterlichaam of een groep grondwaterlichamen.”;
"
c) lid 5 wordt vervangen door:"
“5. Alle in lid 1 genoemde drempelwaarden worden bekendgemaakt in de overeenkomstig artikel 13 van Richtlijn 2000/60/EG op te stellen stroomgebiedbeheerplannen, samen met een samenvatting van de in deel C van bijlage II bij deze richtlijn omschreven gegevens.
De lidstaten stellen het Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA) uiterlijk op [Publicatiebureau: gelieve de datum in te voegen = de eerste dag van de maand na 18 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] in kennis van de in lid 1, punt b), bedoelde nationale drempelwaarden. Het ECHA maakt die informatie openbaar.”;
"
c bis) in lid5 wordt de volgende alinea ingevoegd:"
“De lidstaten zorgen ervoor dat de inwoners van het betrokken stroomgebiedsdistrict of van het deel van het internationale stroomgebiedsdistrict dat tot het grondgebied van een lidstaat behoort, adequaat en tijdig worden geïnformeerd.”; [Am. 82]
"
d) in lid 6 wordt de eerste alinea vervangen door:"
“De lidstaten wijzigen de op hun grondgebied toegepaste lijst van drempelwaarden indien uit nieuwe informatie over verontreinigende stoffen, groepen verontreinigende stoffen of indicatoren van verontreiniging, waarbij ook het voorzorgsbeginsel in acht wordt genomen, blijkt dat een drempelwaarde moet worden vastgesteld voor een nieuwe stof of een bestaande drempelwaarde moet worden gewijzigd, dan wel dat een eerder van de lijst geschrapte drempelwaarde opnieuw moet worden opgenomen. Indien op het niveau van de Unie relevante drempelwaarden worden vastgesteld of gewijzigd, passen de lidstaten de lijst van op hun grondgebied toegepaste drempelwaarden aan die waarden aan. .”; [Am. 83]
"
e) lid 7 wordt vervangen door:"
“7. De Commissie publiceert een verslag over de in lid 1, punt b), bedoelde nationale drempelwaarden, één jaar nadat de lidstaten die informatie overeenkomstig lid 5 aan het ECHA hebben verstrekt.”. [Am. 84]
"
5) in artikel 4, lid 2, wordt punt b) vervangen door:"
“b) de waarden voor de in bijlage I vermelde grondwaterkwaliteitsnormen en de in artikel 3, lid 1, punten b) en c), genoemde drempelwaarden in geen enkel monitoringpunt in dat grondwaterlichaam of in die groep van grondwaterlichamen worden overschreden; of”.
"
6) het volgende artikel 6 bis wordt ingevoegd:"
“Artikel 6 bis
Aandachtstoffenlijst
1. De Commissie is bevoegd uitvoeringshandelingen vast te stellen om, rekening houdend met door het ECHA opgestelde wetenschappelijke verslagen, een aandachtstoffenlijst op te stellen van stoffen waarvoor de lidstaten voor de gehele Unie geldende monitoringgegevens moeten verzamelen, en om de opmaakvoorschriften vast te stellen die de lidstaten moeten gebruiken om de resultaten van die monitoring en de daarmee verband houdende informatie aan de Commissie te rapporteren. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 9, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
De aandachtstoffenlijst bevat maximaal vijften minste vijf zorgwekkend wordende stoffen of groepen van dergelijke stoffen en vermeldt voor elke stof de monitoringmatrices en de mogelijke analysemethode. Die monitoringmatrices en -methoden mogen voor de bevoegde autoriteiten geen buitensporige kosten met zich meebrengen. De in de aandachtstoffenlijst op te nemen stoffendie worden geselecteerd uit de stoffen waarvoor de beschikbare informatie, ook overeenkomstig de vierde alinea hieronder, erop wijst dat zij op het niveau van de Unie een significant risico voor of via het aquatisch milieu kunnen betekenen en waarvoor de monitoringgegevens onvoldoende zijn. DezeIndien echter het aantal stoffen of groepen van stoffen waarvoor de beschikbare informatie erop wijst dat zij een significant risico voor of via het aquatisch milieu kunnen betekenen lager is dan vijf, worden al die stoffen op de aandachtstoffenlijst bevat zorgwekkend wordende stoffengeplaatst.
Naast het minimum aantal stoffen of groepen van stoffen kunnen op de aandachtstoffenlijst ook indicatoren van verontreiniging worden opgenomen.
De aandachtstoffenlijst specificeert voor elke stof de monitoringmatrices en de mogelijke analysemethode. Die monitoringmatrices en -methoden mogen voor de bevoegde autoriteiten geen buitensporige kosten met zich meebrengen.
ZodraZo snel mogelijk doch uiterlijk [de eerste dag van de maand volgend op de 18 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze wijzigingsrichtlijn] moeten geschikte monitoringmethoden worden vastgesteld voor microplastics en geselecteerde genen voor resistentie tegen antimicrobiële middelen. Zodra die monitoringmethoden zijn vastgesteld, worden die stoffenmicroplastics en geselecteerde genen voor resistentie tegen antimicrobiële middelen in de aandachtstoffenlijst opgenomen overeenkomstig artikel 6 bis, lid 2, alinea 1. De Commissie beoordeelt ook of de opname van sulfaten op de eerste aandachtstoffenlijst noodzakelijk is om de beschikbaarheid van gegevens over hun aanwezigheid te verbeteren met betrekking tot het toepassingsgebied van deze richtlijn. [Am. 86]
Het ECHA stelt wetenschappelijke verslagen op om de Commissie te helpen bij het selecteren van de stoffen en indicatoren van verontreiniging voor de aandachtstoffenlijst, rekening houdend met de volgende informatie: [Am. 87]
a)
bijlage I bij Richtlijn 2008/105/EG van het Europees Parlement en de Raad* en de resultaten van de meest recente herziening van die bijlage;
b)
de overeenkomstig Richtlijn 2008/105/EG en Richtlijn (EU) 2020/2184 van het Europees Parlement en de Raad** opgestelde aandachtstoffenlijsten;
c)
voorschriften om bodemverontreiniging aan te pakken, met inbegrip van daarmee verband houdende monitoringgegevens;
d)
de karakterisering van stroomgebiedsdistricten door de lidstaten overeenkomstig artikel 5 van Richtlijn 2000/60/EG en de resultaten van de overeenkomstig artikel 8 van die richtlijn vastgestelde monitoringprogramma’s;
e)
informatie over productievolumen, gebruikspatronen, intrinsieke eigenschappen (met inbegrip van mobiliteit in de bodem en, in voorkomend geval, deeltjesgrootte), concentraties in het milieu en schadelijke gevolgen voor de gezondheid van de mens en het aquatisch milieu van een bepaalde stof of groep stoffen, met inbegrip van informatie die is verzameld overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad***, Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad****, Verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad*****, Verordening (EU) 2019/6 van het Europees Parlement en de Raad******, Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad******* en Richtlijn 2009/128/EG van het Europees Parlement en de Raad********;
f)
onderzoeksprojecten en wetenschappelijke publicaties en bewijs, met inbegrip van informatie over het effect van materiële en thermische verontreinigingen en de effecten van bovengrondse en ondergrondse winnings- en infrastructuuractiviteiten op grondwaterecosystemen en van grondwater afhankelijke ecosystemen en hun biodiversiteit, op modellen of andere voorspellende evaluaties gebaseerde informatie over trends en voorspellingen, en de gegevens enalsook informatie vanen gegevens die worden verzameld door teledetectietechnologieën, aardobservatie (Copernicusdiensten), sensoren en apparaten ter plaatse of gegevens van burgerwetenschap, door gebruik te makente profiteren van de mogelijkheden die voortvloeien uit artificiële intelligentie en geavanceerde analyse en verwerking van gegevens bieden; [Am. 88]
g)
aanbevelingen van belanghebbenden.
Het ECHA stelt om de drie jaar een verslag op met een samenvatting van de bevindingen van de krachtens de vierde alinea opgestelde wetenschappelijke verslagen en maakt dat verslag openbaar. Het eerste verslag wordt uiterlijk op X [Publicatiebureau: gelieve de datum in te voegen = de eerste dag van de eenentwintigste maand na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] beschikbaar gesteld.
2. De eerste aandachtstoffenlijst wordt uiterlijk op [Publicatiebureau: gelieve de datum in te voegen = de eerste dag van de maand na 24 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] opgesteld. De aandachtstoffenlijst wordt vervolgens uiterlijk om de 36 maanden bijgewerkt, of vaker indien nieuw wetenschappelijk bewijs naar voren komt dat het noodzakelijk maakt om de lijst bij te werken in de periodes tussen de afzonderlijke herzieningen. [Am. 89]
De lidstaten evalueren om de twee jaar het effect op de waterkwaliteit van de industriële activiteiten die verband houden met de energietransitie, en stellen de Commissie in kennis van nieuw geïdentificeerde bedreigingen om de aandachtstoffenlijst dienovereenkomstig te kunnen actualiseren. De evaluatie is gemakkelijk toegankelijk voor het publiek. [Am. 90]
De Commissie schrapt bij het bijwerken van de aandachtstoffenlijst elke stof of groep stoffen van de bestaande aandachtstoffenlijst waarvoor zij het mogelijk acht het risico ervan voor het aquatisch milieu te beoordelen zonder aanvullende monitoringgegevens. Wanneer de aandachtstoffenlijst wordt bijgewerkt, mag een afzonderlijke stof of groep stoffen nog eens drie jaar op de toezichtlijst blijven staan wanneer aanvullende monitoringgegevens nodig zijn om het risico voor het aquatisch milieu te beoordelen. De bijgewerkte aandachtstoffenlijst bevat ook een of meer aanvullende stoffen waarvoor de Commissie, gezien de wetenschappelijke verslagen van het ECHA, van oordeel is dat er sprake kan zijn van een risico voor het aquatisch milieu.
3. De lidstaten monitoren elke stof of groep stoffen op de aandachtstoffenlijst op geselecteerde representatieve meetstations gedurende 24 maanden. De monitoringperiode begint binnen zes maanden na de opstelling van de aandachtstoffenlijst.
Elke lidstaat selecteert ten minste één meetstationtwee meetstations, plus het aantal stations dat gelijk is aan het totale gebied van de grondwaterlichamen ervan in km² gedeeld door 60 00030 000 (afgerond op het dichtstbijzijnde gehele getal). [Am. 91]
Bij het selecteren van representatieve meetstations en het vastleggen van de meetfrequentie en de seizoensgebonden meettijdstippen voor elke stof of groep stoffen houden de lidstaten rekening met de gebruikspatronen en het mogelijk voorkomen van de stof of groep stoffen. De meetfrequentie mag niet lager liggen dan eenmaal per jaar.
Wanneer een lidstaat uit bestaande monitoringprogramma’s of studies voor een bepaalde stof of groep stoffen voldoende, vergelijkbare, representatieve en recente monitoringgegevens kan verkrijgen, kan hij besluiten voor die stof of groep stoffen geen aanvullende monitoring in het kader van het aandachtstoffenlijstmechanisme uit te voeren, mits de stof of groep stoffen is gemonitord met behulp van een methode die in overeenstemming is met de monitoringmatrices en de analysemethoden als bedoeld in de uitvoeringshandeling tot vaststelling van de aandachtstoffenlijst.
4. De lidstaten stellen de resultaten van de in lid 3 van dit artikel bedoelde monitoring beschikbaar overeenkomstig artikel 8, lid 4, van Richtlijn 2000/60/EG en de overeenkomstig lid 1 vastgestelde uitvoeringshandeling tot vaststelling van de aandachtstoffenlijst. Ook stellen zij de informatie over de representativiteit van de meetstations en over de monitoringstrategie ter beschikking.
5. Het ECHA evalueert de monitoringresultaten aan het einde van de in lid 3 bedoelde termijn van 24 maanden en beoordeelt welke stoffen of groepen stoffen nog eens 24 maanden moeten worden gemonitord en daarom op de aandachtstoffenlijst moeten blijven staan en welke stoffen of groepen stoffen van de aandachtstoffenlijst kunnen worden verwijderd.
Indien de Commissie, rekening houdend met de in de eerste alinea bedoelde beoordeling door het ECHA, tot de conclusie komt dat er geen verdere monitoring nodig is om het risico voor het aquatisch milieu verder te beoordelen, wordt die beoordeling in aanmerking genomen bij de in artikel 8 bedoelde herziening van bijlage I of II.
* Richtlijn 2008/105/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de voorkoming en beheersing van grondwaterverontreiniging, tot wijziging en vervolgens intrekking van de Richtlijnen 82/176/EEG, 83/513/EEG, 84/156/EEG, 84/491/EEG en 86/280/EEG van de Raad, en tot wijziging van Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 348 van 24.12.2008, blz. 84).
** Richtlijn (EU) 2020/2184 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2020 betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water (PB L 435 van 23.12.2020, blz. 1).
*** Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (PB L 396 van 30.12.2006, blz. 1).
**** Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (PB L 309 van 24.11.2009, blz. 1).
***** Verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het op de markt aanbieden en het gebruik van biociden (PB L 167 van 27.6.2012, blz. 1).
****** Verordening (EU) 2019/6 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 betreffende diergeneesmiddelen (PB L 4 van 7.1.2019, blz. 43).
******* Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik (PB L 311 van 28.11.2001, blz. 67).
******** Richtlijn 2009/128/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van een kader voor communautaire actie ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van pesticiden (PB L 309 van 24.11.2009, blz. 71).”.
"
6 bis) het volgende artikel wordt ingevoegd:"
“Artikel 6 bis bis
Verbetering van de bescherming van grondwaterecosystemen
De Commissie publiceert uiterlijk ... [PB: datum invoegen = vier jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] een beoordeling van de invloed van fysisch-chemische elementen, zoals pH, zuurstofgehalte en temperatuur, op de toestand van grondwaterecosystemen, in voorkomend geval vergezeld van een wetgevingsvoorstel om deze richtlijn dienovereenkomstig te wijzigen, teneinde de desbetreffende parameters vast te stellen, de monitoringmethoden te harmoniseren en te bepalen wat een “goede ecologische toestand” van het grondwater precies inhoudt.”. [Am. 92]
"
6 ter) het volgende artikel wordt ingevoegd:"
“Artikel 6 bis ter
Specifieke behandeling van gebieden met een grote ecologische waarde, kwetsbaarheid of verontreiniging
De Commissie publiceert uiterlijk ... [PB: datum invoegen = vier jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] een beoordeling van de chemische toestand van gebieden gekenmerkt door een grote ecologische waarde, kwetsbaarheid of verontreiniging, zoals grotten en karstgebieden, voormalige industrieterreinen en andere gebieden met een bekende historische verontreiniging, waar passend vergezeld van een wetgevingsvoorstel tot herziening van deze richtlijn.”. [Am. 93]
"
6 quater) het volgende artikel wordt ingevoegd:"
“Artikel 6 bis quater
De Commissie presenteert uiterlijk ... [een jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] een effectbeoordeling van de opname in deze richtlijn van een mechanisme voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat producenten die producten in de handel brengen die een van de in bijlage I vermelde stoffen of verbindingen bevatten, alsook zorgwekkend wordende stoffen die zijn opgenomen in de aandachtstoffenlijst uit hoofde van die richtlijn, bijdragen aan de kosten voor monitoringprogramma’s die zijn opgezet uit hoofde van artikel 8 van Richtlijn 2000/60/EG. Deze effectbeoordeling gaat in voorkomend geval vergezeld van een wetgevingsvoorstel tot wijziging van deze richtlijn.”. [Am. 94]
"
6 quinquies) het volgende artikel wordt ingevoegd:"
“Artikel 6 bis quinquies
Europese monitoringfaciliteit
De Commissie zet uiterlijk ... [een jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] een gemeenschappelijke monitoringfaciliteit op voor het beheer van de monitoringvereisten, indien de lidstaten daarom verzoeken.
De Commissie specificeert de werking van de monitoringfaciliteit, met onder meer de volgende elementen:
a)
de vrijwillige aard van het gebruik van de monitoringfaciliteit, die geen afbreuk doet aan de door de lidstaten reeds getroffen regelingen;
b)
de operationele procedures voor lidstaten die voornemens zijn gebruik te maken van de monitoringfaciliteit, die onder meer de vereiste kennisgeving aan de Commissie omvatten van hun exacte monitoringbehoeften of -mogelijkheden, de exacte protocollen voor het beheer van monsters, alsmede de periode gedurende welke zij voornemens zijn deel te blijven uitmaken van het mechanisme;
c)
de financieringsbronnen, onder meer relevante structuurfondsen en -programma’s van de Unie en bijdragen van de particuliere sector, onder meer in het kader van de regeling voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid, zodra dat is ingevoerd overeenkomstig artikel 6 bis, punt c.”. [Am. 95]
"
7) Artikel 8 wordt vervangen door:"
“Artikel 8
Herziening van de bijlagen I tot en met IV
1. De Commissie evalueert, voor het eerst uiterlijk op … [Publicatiebureau: gelieve de datum in te voegen = zesvier jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] en vervolgens om de zesvier jaar, de lijst van verontreinigende stoffen in bijlage I en de kwaliteitsnormen voor die verontreinigende stoffen in die bijlage, alsmede de lijst van verontreinigende stoffen en indicatoren in deel B van bijlage II. [Am. 96]
2. Op basis van die evaluatie dient de Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 8 bis gedelegeerde handelingen vast te stellen omin voorkomend geval wetgevingsvoorstellen in tot wijziging van bijlage I te wijzigen teneinde deze aan te passen aan de technische en wetenschappelijke vooruitgang door grondwaterverontreinigende stoffen en kwaliteitsnormen voor de in die bijlage opgenomen verontreinigende stoffen toe te voegen of te schrappen, en. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 8 bis gedelegeerde handelingen vast te stellen om deel B van bijlage II te wijzigen teneinde dit aan te passen aan de technische en wetenschappelijke vooruitgang door verontreinigende stoffen of indicatoren toe te voegen waarvoor de lidstaten moeten overwegen nationale drempelwaarden vast te stellen. [Am. 97]
3. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 8 bis gedelegeerde handelingen vast te stellen om deel D van bijlage II te wijzigen teneinde deze aan te passen aan de wetenschappelijke en technische vooruitgang door voor een of meer in deel B van die bijlage vermelde verontreinigende stoffen geharmoniseerde drempelwaarden toe te voegen of te wijzigen.
4. Bij de vaststelling van de in de leden 2 en 3 bedoelde wetgevingsvoorstellen en gedelegeerde handelingen houdt de Commissie rekening met de door het ECHA overeenkomstig lid 6 van dit artikel opgestelde wetenschappelijke verslagen. [Am. 98]
5. De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 8 bis gedelegeerde handelingen vast te stellen om de delen A en C van bijlage II en de bijlagen III en IV te wijzigen teneinde deze aan te passen aan de wetenschappelijke en technische vooruitgang.
6. Om de Commissie bij te staan bij de herziening van de bijlagen I en II, stelt het ECHA wetenschappelijke verslagen op. In die verslagen wordt rekening gehouden met:
a)
het advies van het Comité risicobeoordeling en het Comité sociaaleconomische analyse van het ECHA;
b)
de resultaten van de overeenkomstig artikel 8 van Richtlijn 2000/60/EG vastgestelde monitoringprogramma’s;
c)
de overeenkomstig artikel 6 bis, lid 4, van deze richtlijn verzamelde monitoringgegevens;
d)
het resultaat van de herziening van de bijlagen bij Richtlijn 2008/105/EG en Richtlijn (EU) 2020/2184;
e)
informatie en voorschriften om bodemverontreiniging aan te pakken;
f)
onderzoeksprogramma’s en wetenschappelijke publicaties van de Unie, met inbegrip van actuele informatie die afkomstig is van teledetectietechnologieën, aardobservatie (Copernicusdiensten), sensoren en apparaten ter plaatse en/of gegevens van burgerwetenschap, door gebruik te maken van de mogelijkheden die de best beschikbare technieken, zoals artificiële intelligentie en geavanceerde analyse en verwerking van gegevens, bieden; [Am. 99]
g)
de opmerkingen en informatie van relevante belanghebbenden, met inbegrip van nationale regelgevende instanties en andere relevante instanties. [Am. 100]
6 bis. De Commissie stelt uiterlijk 12 januari 2025 technische richtsnoeren op voor analysemethoden voor de monitoring van per- en polyfluoralkylstoffen onder de parameter “PFAS totaal”. De Commissie heeft de bevoegdheid om overeenkomstig artikel 8 bis gedelegeerde handelingen vast te stellen om deze richtlijn te wijzigen door een kwaliteitsnorm voor “PFAS totaal” vast te stellen en bijlage I dienovereenkomstig te wijzigen. De Commissie stelt die gedelegeerde handeling uiterlijk op 12 januari 2026 vast. [Am. 101]
7. Het ECHA stelt om de zesvier jaar een verslag op met een samenvatting van de bevindingen van de in de leden 2 en 3 bedoelde herziening en maakt dit openbaar. Het eerste verslag wordt bij de Commissie ingediend op … [Publicatiebureau: gelieve de datum in te voegen = vijfdrie jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn]..”. [Am. 102]
"
8) het volgende artikel 8 bis wordt ingevoegd:"
“Artikel 8 bis
Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie
1. De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.
2. De in artikel 8, leden 1 en 22, 3 en 6 bis, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor onbepaalde tijdeen termijn van zes jaar met ingang van [Publicatiebureau: gelieve de datum in te voegen = de ... [datum van inwerkingtreding van deze richtlijn]. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van zes jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet. [Am. 103]
3. De in artikel 8, leden 1 en 22, 3 en 6 bis, bedoelde bevoegdheidsdelegatie kan te allen tijde door het Europees Parlement en de Raad worden ingetrokken. Een besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het besluit laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet. [Am. 104]
4. Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016. [Am. 105 - Niet van toepassing op de Nederlandse versie]
5. Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.
6. Een op grond van artikel 8, lid 1 of 22, 3 of 6 bis, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie heefthebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd..”. [Am. 106]
"
9) artikel 9 wordt vervangen door:"
“Artikel 9
Comitéprocedure
1. De Commissie wordt bijgestaan door een comité. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad*.
2. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.
Indien door het comité geen advies wordt uitgebracht, neemt de Commissie de ontwerpuitvoeringshandeling niet aan en is artikel 5, lid 4, derde alinea, van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.
* Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).”.
"
10) artikel 10 wordt geschrapt.
11) bijlage I wordt vervangen door bijlage III bij deze richtlijn.
12) bijlage II wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage IV bij deze richtlijn.
13) in bijlage III wordt punt 2, c), vervangen door:"
“c) alle andere relevante informatie, waaronder een vergelijking van de over een jaar rekenkundig gemiddelde concentratie van de relevante verontreinigende stoffen in een monitoringpunt met de in bijlage I vastgestelde grondwaterkwaliteitsnormen en de in artikel 3, lid 1, punten b) en c), vermelde drempelwaarden.”.
"
14) In bijlage IV, deel B, wordt de inleidende zin van punt 1 vervangen door:"
“het beginpunt voor de toepassing van maatregelen om een significante en aanhoudende stijgende trend, waaronder de seizoengebonden stijgende trend die onder meer door geringe afvoer van een waterlichaam wordt veroorzaakt, om te keren is dat de concentratie van de verontreinigende stof 75 % bedraagt van de parameterwaarden van de grondwaterkwaliteitsnormen van bijlage I en van de in artikel 3, lid 1, punten b) en c), vermelde drempelwaarden, tenzij:.”. [Am. 107]
"
Artikel 3
Wijzigingen van Richtlijn 2008/105/EG
Richtlijn 2008/105/EG wordt als volgt gewijzigd:
1) de titel wordt vervangen door:"
“Richtlijn 2008/105/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 betreffende de voorkoming en beheersing van grondwaterverontreiniging, tot wijziging en vervolgens intrekking van de Richtlijnen 82/176/EEG, 83/513/EEG, 84/156/EEG, 84/491/EEG en 86/280/EEG van de Raad, en tot wijziging van Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad”.
"
1 bis) artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:"
“Artikel 1
Onderwerp
Met de bedoeling een goede chemische toestand van het oppervlaktewater te bereiken, en in overeenstemming met de bepalingen en doelstellingen van artikel 4 van Richtlijn 2000/60/EG, worden in deze richtlijn milieukwaliteitsnormen (MKN) voor prioritaire stoffen en prioritaire gevaarlijke stoffen vastgelegd.”. [Am. 108]
"
2) artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:
a) in lid 1 bis wordt aan de eerste alinea het volgende punt iii) toegevoegd:"
“iii) de stoffen met nummer 5, 9, 13, 15, 17, 21, 23, 24, 28, 30, 34, 37, 41 en 44 in bijlage I, deel A, waarvoor herziene milieukwaliteitsnormen zijn vastgesteld, en de nieuw geselecteerde stoffen met de nummers 46 tot en met 70 in bijlage I, deel A, met ingang van … [Publicatiebureau: gelieve de datum in te voegen = de eerste dag van de maand na 18 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn], teneinde verslechtering van de chemische toestand van oppervlaktewaterlichamen te voorkomen en een goede chemische toestand van het oppervlaktewater te bereiken met betrekking tot die stoffen.”;
"
b) lid 2 wordt vervangen door:"
“2. Met betrekking tot stoffen waarvoor in deel A van bijlage I een milieukwaliteitsnorm voor biota of sediment is vastgesteld, passen de lidstaten die milieukwaliteitsnorm voor biota of sediment toe.
Met betrekking tot de andere dan in de eerste alinea bepaalde stoffen passen de lidstaten de milieukwaliteitsnorm voor water zoals vastgesteld in deel A van bijlage I toe.”;
"
c) in lid 6, eerste alinea, wordt de eerste zin vervangen door:"
“De lidstaten treffen regelingen voor de analyse van langetermijntendensen met betrekking tot de concentraties van de prioritaire stoffen die in deel A van bijlage I zijn aangewezen als stoffen die de tendens hebben te accumuleren in sediment en/of biota, op basis van monitoring van sediment of biota in het kader van de monitoring van de toestand van oppervlaktewater van de watertoestand, uitgevoerd overeenkomstig artikel 8 van Richtlijn 2000/60/EG.”;
"
d) lid 7 wordt geschrapt;
e) lid 8 wordt vervangen door:"
“8. De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 9 bis gedelegeerde handelingen vast te stellen om deel B, punt 3, van bijlage I te wijzigen teneinde rekening te houden met de wetenschappelijke of technische vooruitgang.”.
"
3) artikel 5 wordt als volgt gewijzigd:
a) lid 1 wordt vervangen door:"
“1. Op basis van de overeenkomstig de artikelen 5 en 8 van Richtlijn 2000/60/EG en Verordening (EU) .../... van het Europees Parlement en de Raad1 bis verzamelde informatie, alsmede andere beschikbare gegevens, stellen de lidstaten voor elk stroomgebiedsdistrict of het op hun grondgebied gelegen deel daarvan een inventaris op, met inbegrip van kaarten indien deze beschikbaar zijn, van de emissies, lozingen en verliezen van alle in deel A van bijlage I vermelde prioritaire stoffen en alle in deel A van bijlage II vermelde verontreinigende stoffen, waar passend, met inbegrip van hun concentraties in sedimenten en biota. [Am. 109]
______________
1 bis PB: gelieve in de tekst het nummer van de verordening in document COM (2022) 157 in te voegen.
De inventarissen van emissies worden beschikbaar gesteld in een elektronische databank, die regelmatig wordt bijgewerkt en eenvoudig toegankelijk is voor het publiek. [Am. 110]
De eerste alinea is niet van toepassing op emissies, lozingen en verliezen die langs elektronische weg aan de Commissie worden gemeld overeenkomstig Verordening (EU) …/… van het Europees Parlement en de Raad. ;” [Am. 111]
"
b) de leden 2 en 3 worden geschrapt;
c) lid 4 wordt vervangen door:"
“4. De lidstaten werken hun inventarissen bij in het kader van de toetsingen van de in artikel 5, lid 2, van Richtlijn 2000/60/EG bedoelde analyses en zorgen ervoor dat de emissies, met inbegrip van die welke die niet op het bij Verordening (EU) …/…++ ingestelde portaal voor industriële emissies zijn gerapporteerd, worden gepubliceerd in hun stroomgebiedbeheerplannen zoals bijgesteld overeenkomstig artikel 13, lid 7, van die richtlijn. [Am. 112]
De referentieperiode voor de vaststelling van de waarden in de bijgewerkte inventarissen is het jaar vóór het jaar waarin de in de eerste alinea genoemde analyses moeten worden afgerond.
Voor prioritaire stoffen of verontreinigende stoffen die onder Verordening (EG) nr. 1107/2009 vallen, mogen de waarden worden berekend als het gemiddelde van de drie jaren vóór de afronding van de in de eerste alinea bedoelde analyse. [Am. 113]
Voor puntbronemissies die niet overeenkomstig Verordening (EU) …/… +++ worden gerapporteerd omdat zij niet onder het toepassingsgebied van die verordening vallen of omdat zij onder de in die verordening vastgestelde drempels voor jaarlijkse melding liggen, wordt aan de rapportageverplichting van de eerste alinea van dit artikel voldaan door middel van elektronische rapportage op het bij die verordening ingestelde portaal voor industriële emissies.
De Commissie stelt, bijgestaan door het Europees Milieuagentschap, een uitvoeringshandeling vast waarin de vorm, de mate van granulariteit en de frequentie van de in de vierde alinea bedoelde rapportage worden vastgesteld. Die uitvoeringshandeling wordt volgens de in artikel 9, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.”;
"
d) lid 5 wordt geschrapt.
4) in artikel 7 bis, lid 1, wordt de eerste alinea vervangen door:"
“1. Voor prioritaire stoffen die binnen het toepassingsgebied van Verordening (EG) nr. 1907/2006, Verordening (EG) nr. 1107/2009, Verordening (EU) nr. 528/2012, Verordening (EU) 2019/6 van het Europees Parlement en de Raad*, of binnen het toepassingsgebied van Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad**, Richtlijn 2009/128/EG van het Europees Parlement en de Raad*** of Richtlijn 2010/75/EU vallen, beoordeelt de Commissie, in het kader van het in artikel 18, lid 1, van Richtlijn 2000/60/EG bedoelde verslag, om de twee jaar of de bestaande maatregelen op het niveau van de Unie en de lidstaten toereikend zijn ter verwezenlijking van de milieukwaliteitsnormen voor de prioritaire stoffen en de doelstelling om lozingen, emissies en verliezen van prioritaire gevaarlijke stoffen stop te zetten of geleidelijk te beëindigen, in overeenstemming met artikel 4, lid 1, punt a), van Richtlijn 2000/60/EG. [Am. 114]
In de hiërarchie van te nemen maatregelen wordt prioriteit gegeven aan beperkingen en andere beheersingsmaatregelen aan de bron. In dit verband dient de Commissie waar passend voorstellen in tot wijziging van rechtshandelingen van de Unie om ervoor te zorgen dat lozingen, emissies en verliezen van prioritaire stoffen aan de bron voorkomen worden. [Am. 115]
* Verordening (EU) 2019/6 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 betreffende diergeneesmiddelen en tot intrekking van Richtlijn 2001/82/EG (PB L 4 van 7.1.2019, blz. 43).
** Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik (PB L 311 van 28.11.2001, blz. 67).
*** Richtlijn 2009/128/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van een kader voor communautaire actie ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van pesticiden (PB L 309 van 24.11.2009, blz. 71).”.
"
4 bis) in artikel 7 bis wordt lid 2 vervangen door:"
“2. De Commissie brengt uiterlijk zes maanden na haar beoordeling aan het Europees Parlement en de Raad verslag uit over het resultaat van de in lid 1 van dit artikel bedoelde beoordeling en doet haar verslag vergezeld gaan van passende voorstellen, met inbegrip van beheersingsmaatregelen.”. [Am. 116]
"
5) Artikel 8 wordt vervangen door:"
“Artikel 8
Herziening van de bijlagen I en II
1. De Commissie evalueert, voor het eerst uiterlijk op … [Publicatiebureau: gelieve de datum in te voegen = zesvier jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] en vervolgens om de zesvier jaar, de lijst van prioritaire stoffen en de overeenkomstige kwaliteitsnormen voor die stoffen in deel A van bijlage I, alsmede de lijst van verontreinigende stoffen in deel A van bijlage II. [Am. 117]
2. Op basis van de evaluatie presenteert de Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 9 bis gedelegeerde handelingen vast te stellenwaar passend wetgevingsvoorstellen, rekening houdend met de wetenschappelijke verslagen die het Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA) overeenkomstig lid 6 van dit artikel heeft opgesteld, om bijlage I te wijzigen teneinde deze aan de wetenschappelijke en technologische vooruitgang aan te passen door: [Am. 118]
a)
stoffen aan de lijst van prioritaire stoffen toe te voegen of ervan te schrappen;
b)
geselecteerde stoffen al dan niet aan te wijzen als prioritaire gevaarlijke stoffen en/of als alomtegenwoordige persistente bioaccumulerende en toxische stoffen (uPBT’s) en/of als stoffen die de tendens hebben te accumuleren in sediment en/of biota;
c)
overeenkomstige milieukwaliteitsnormen voor oppervlaktewater sediment of biota, vast te stellen, naargelang het geval.
3. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 9 bis gedelegeerde handelingen vast te stellen, rekening houdend met de wetenschappelijke verslagen die het ECHA overeenkomstig lid 6 van dit artikel heeft opgesteld, om bijlage II te wijzigen teneinde deze aan de wetenschappelijke en technologische vooruitgang aan te passen door:
a)
verontreinigende stoffen aan de lijst van categorieën verontreinigende stoffen in deel A van bijlage II toe te voegen of ervan te schrappen;
b)
de methodologie in deel B van bijlage II te actualiseren;
c)
in bijlage II, deel C, bij deze richtlijn de stroomgebiedspecifieke verontreinigende stoffen op te nemen waarvoor zij heeft vastgesteld dat de op het niveau van de Unie vastgestelde milieukwaliteitsnormen in voorkomend geval moeten worden toegepast om ervoor te zorgen dat de doelstellingen van artikel 4 van Richtlijn 2000/60/EG op geharmoniseerde en wetenschappelijk onderbouwde wijze worden uitgevoerd, en door de overeenkomstige milieukwaliteitsnormen voor die verontreinigende stoffen op te nemen in deel C van bijlage II bij deze richtlijn.
4. Bij het vaststellen van stroomgebiedspecifieke verontreinigende stoffen waarvoor op het niveau van de Unie mogelijk milieukwaliteitsnormen moeten worden vastgesteld, houdt de Commissie rekening met de volgende criteria:
a)
het risico van de verontreinigende stoffen, met inbegrip van het gevaar, de concentraties in het milieu en de concentratie waarboven effecten kunnen worden verwacht, met inbegrip ervan; [Am. 119]
b)
het verschil tussen de nationale milieukwaliteitsnormen die voor stroomgebiedspecifieke verontreinigende stoffen door de verschillende lidstaten zijn vastgesteld en de mate waarin dit verschil te rechtvaardigen is;
c)
het aantal lidstaten waar reeds een milieukwaliteitsnorm wordt toepast voor de betrokken stroomgebiedspecifieke verontreinigende stoffen.
5. Prioritaire stoffen die, naar aanleiding van de in lid 1 bedoelde evaluatie, van de lijst van prioritaire stoffen zijn geschrapt omdat zij niet langer voor de gehele Unie een risico vormen, worden opgenomen in deel C van bijlage II, met een lijst van de stroomgebiedspecifieke verontreinigende stoffen en de daarmee verband houdende geharmoniseerde milieukwaliteitsnormen die moeten worden toegepast indien de verontreinigende stoffen op nationaal of regionaal niveau aanleiding geven tot bezorgdheid, overeenkomstig artikel 8 quinquies.
6. Om de Commissie bij te staan bij de herziening van de bijlagen I en II, stelt het ECHA wetenschappelijke verslagen op. In die wetenschappelijke verslagen wordt rekening gehouden met:
a)
de adviezen van het Comité risicobeoordeling en het Comité sociaaleconomische analyse van het ECHA;
b)
de resultaten van de overeenkomstig artikel 8 van Richtlijn 2000/60/EG vastgestelde monitoringprogramma’s;
c)
de overeenkomstig artikel 8 ter, lid 4, van deze richtlijn verzamelde monitoringgegevens;
d)
de resultaten van de evaluaties van de bijlagen bij Richtlijn 2006/118/EG van het Europees Parlement en de Raad* en Richtlijn (EU) 2020/2184 van het Europees Parlement en de Raad**;
e)
voorschriften om bodemverontreiniging aan te pakken, met inbegrip van daarmee verband houdende monitoringgegevens;
f)
onderzoeksprogramma’s en wetenschappelijke publicaties van de Unie, met inbegrip van informatie die afkomstig is van teledetectietechnologieën, aardobservatie (Copernicusdiensten), sensoren en apparaten ter plaatse en/of gegevens van burgerwetenschap, door gebruik te maken van de mogelijkheden die artificiële intelligentie en geavanceerde analyse en verwerking van gegevens bieden;
g)
de opmerkingen en informatie van relevante belanghebbenden.
6 bis. De Commissie stelt uiterlijk op 12 januari 2025 technische richtsnoeren op voor analysemethoden voor de monitoring van per- en polyfluoralkylstoffen onder de parameter “PFAS totaal”. De Commissie heeft stelt uiterlijk op 12 januari 2026 een gedelegeerde handeling vast overeenkomstig artikel 9 bis om deze richtlijn te wijzigen door een kwaliteitsnorm voor “PFAS totaal” vast te stellen en bijlage I dienovereenkomstig te wijzigen. [Am. 120]
6 ter. Uiterlijk ... [twee jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn], stelt de Commissie technische richtsnoeren op voor de methode van analyse van bisfenolen, met inbegrip van ten minste bisfenol A, bisfenol B en bisfenol S, onder de parameter “Bisfenolen totaal”. Uiterlijk ... [drie jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn] stelt de Commissie een gedelegeerde handeling vast overeenkomstig artikel 9 bis tot wijziging van deze richtlijn door een milieukwaliteitsnorm vast te stellen voor “Bisfenolen totaal”, met behulp van een benadering van relatieve potentiefactor, en herziet zij bijlage I dienovereenkomstig. [Am. 121]
7. Het ECHA stelt om de zesvier jaar een verslag op met een samenvatting van de bevindingen van de overeenkomstig lid 6 opgestelde wetenschappelijke verslagen en maakt dit openbaar. Het eerste verslag wordt bij de Commissie ingediend op … [Publicatiebureau: gelieve de datum in te voegen = vijfdrie jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn].”. [Am. 122]
* Richtlijn 2006/118/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende de voorkoming en beheersing van grondwaterverontreiniging (PB L 372 van 27.12.2006, blz. 19).
** Richtlijn (EU) 2020/2184 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2020 betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water (PB L 435 van 23.12.2020, blz. 1).”.
"
6) artikel 8 bis wordt vervangen door:"
“Artikel 8 bis
Specifieke bepalingen voor bepaalde stoffen
1. De lidstaten kunnen in de overeenkomstig artikel 13 van Richtlijn 2000/60/EG opgestelde stroomgebiedbeheerplannen aanvullende kaarten opnemen waarin de informatie over de chemische toestand van een of meer van de volgende stoffen afzonderlijk van informatie voor de overige in deel A van bijlage I bij deze richtlijn vermelde stoffen wordt weergegeven, onverminderd de voorschriften van punt 1.4.3 van bijlage V bij die richtlijn betreffende de weergave van de algemene chemische toestand en de doelstellingen en verplichtingen vastgelegd in artikel 4, lid 1, punt a), van die richtlijn:
a)
stoffen die in deel A van bijlage I zijn aangewezen als stoffen die zich gedragen als alomtegenwoordige PBT’s;
b)
stoffen die bij de meest recente evaluatie nieuw geselecteerd zijn overeenkomstig artikel 8;
c)
stoffen waarvoor bij de meest recente evaluatie een strengere milieukwaliteitsnorm is vastgesteld overeenkomstig artikel 8.
De lidstaten kunnenvermelden in de overeenkomstig artikel 13 van Richtlijn 2000/60/EG opgestelde stroomgebiedbeheerplannen vermelden in hoeverre mag worden afgeweken van de waarde van de milieukwaliteitsnorm voor de in de eerste alinea, punten a), b) en c), bedoelde stoffen. De lidstaten die aanvullende kaarten als bedoeld in de eerste alinea verstrekken, zien erop toe dat zij op het niveau van het stroomgebied en op het niveau van de Unie onderling kunnen worden vergeleken en stellen de gegevens beschikbaar overeenkomstig Richtlijn 2003/4/EG, Richtlijn 2007/2/EG van het Europees Parlement en de Raad* en Richtlijn (EU) 2019/1024 van het Europees Parlement en de Raad**. [Am. 123]
2. De lidstaten kunnen de stoffen die in deel A van bijlage I zijn aangewezen als stoffen die zich gedragen als alomtegenwoordige PBT’s en die niet meer zijn toegelaten in de Unie en daar niet meer worden gebruikt, minder intensief monitoren dan vereist voor prioritaire stoffen krachtens artikel 3, lid 4, van deze richtlijn en bijlage V bij Richtlijn 2000/60/EG, op voorwaarde dat de monitoring representatief is en reeds een statistisch robuust referentiekader beschikbaar is met betrekking tot de aanwezigheid van die stoffen in het aquatisch milieu. Als richtsnoer geldt dat de monitoring overeenkomstig artikel 3, lid 6, tweede alinea, van deze richtlijn, elke drie jaar wordt uitgevoerd, tenzij technische kennis en het oordeel van deskundigen een ander interval rechtvaardigen. [Am. 124]
3. De lidstaten monitoren vanaf … [Publicatiebureau: gelieve de datum in te voegen = de eerste dag van de maand na 18 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] gedurende twee jaar de aanwezigheid van oestrogene stoffen in waterlichamen, met gebruikmaking van effectgerichte monitoringmethoden. Zij voeren de monitoring in elk van die twee jaren ten minste viermaal uit op plaatsen waar de drie in deel A van bijlage I bij deze richtlijn vermelde oestrogene hormonen 17ß-estradiol (E2), estron (E1) en 17α-ethinylestradiol (EE2) worden gemonitord met behulp van conventionele analysemethoden overeenkomstig artikel 8 van Richtlijn 2000/60/EG en bijlage V bij die richtlijn. De lidstaten kunnen gebruikmaken van het netwerk van monitoringlocaties die zijn aangewezen voor de bewaking van representatieve oppervlaktewaterlichamen overeenkomstig punt 1.3.1 van bijlage V bij Richtlijn 2000/60/EG.
3 bis. Binnen 12 maanden na de in lid 3 bedoelde periode van twee jaar publiceert de Commissie een verslag over de betrouwbaarheid van de effectgerichte methodes door de effectgerichte resultaten te vergelijken met de resultaten die zijn verkregen met behulp van de conventionele methode voor het monitoren van de drie in lid 3 genoemde oestrogene stoffen, in afwachting van een mogelijke toekomstige vaststelling van effectgerichte triggerwaarden.
Zodra de effectgerichte methoden ook voor andere stoffen kunnen worden gebruikt, krijgt de Commissie de bevoegdheid om overeenkomstig artikel 9 bis gedelegeerde handelingen vast te stellen ter aanvulling van deze richtlijn met een verplichting voor de lidstaten om de effectgerichte monitoringmethoden te gebruiken, naast de conventionele monitoringmethoden, voor het beoordelen van de aanwezigheid van die stoffen in waterlichamen. [Am. 125]
* Richtlijn 2007/2/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 maart 2007 tot oprichting van een infrastructuur voor ruimtelijke informatie in de Gemeenschap (Inspire) (PB L 108 van 25.4.2007, blz. 1).
** Richtlijn (EU) 2019/1024 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 inzake open data en het hergebruik van overheidsinformatie (PB L 172 van 26.6.2019, blz. 56).”.
"
7) artikel 8 ter wordt vervangen door:"
“Artikel 8 ter
Aandachtstoffenlijst
1. De Commissie is bevoegd uitvoeringshandelingen vast te stellen om, rekening houdend met door het ECHA opgestelde wetenschappelijke verslagen, een aandachtstoffenlijst op te stellen van stoffen waarvoor voor de gehele Unie geldende monitoringgegevens moeten worden verkregen van de lidstaten, en om de opmaakvoorschriften vast te stellen die de lidstaten moeten gebruiken om de resultaten van die monitoring en de daarmee verband houdende informatie aan de Commissie te rapporteren. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 9, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
De aandachtstoffenlijst bevat nooit meer dan tienten minste vijf zorgwekkend wordende stoffen of groepen van dergelijke stoffen en vermeldt dieworden geselecteerd uit de stoffen waarvoor de beschikbare informatie, ook overeenkomstig de vierde alinea, erop wijst dat zij op het niveau van de Unie een significant risico voor of via het aquatisch milieu kunnen betekenen en waarvoor de monitoringgegevens onvoldoende zijn. Indien echter het aantal stoffen of groepen van stoffen waarvoor de beschikbare informatie erop wijst dat zij een significant risico voor of via het aquatisch milieu kunnen betekenen lager is dan vijf, worden al die stoffen op de aandachtstoffenlijstgeplaatst.
Naast het minimum aantal stoffen of groepen van stoffen kunnen op de aandachtstoffenlijst ook indicatoren van verontreiniging worden opgenomen.
De aandachtstoffenlijst specificeert voor elke stof de monitoringmatrices en de mogelijke analysemethoden. Die monitoringmatrices en -methoden mogen voor de bevoegde autoriteiten geen buitensporige kosten met zich meebrengen. De in de aandachtstoffenlijst op te nemen stoffen worden geselecteerd uit de stoffen waarvoor de beschikbare informatie erop wijst dat zij op het niveau van de Unie een significant risico voor of via het aquatisch milieu kunnen betekenen en waarvoor de monitoringgegevens onvoldoende zijn. De aandachtstoffenlijst bevat zorgwekkend wordende stoffen.[Am. 126]
ZodraZo snel mogelijk doch uiterlijk [de eerste dag van de maand volgend op de 18 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze wijzigingsrichtlijn] moeten er geschikte monitoringmethoden worden vastgesteld voor microplastics en geselecteerde genen voor resistentie tegen antimicrobiële middelen. Zodra die monitoringmethoden zijn vastgesteld, worden die stoffenmicroplastics en geselecteerde genen voor resistentie tegen antimicrobiële middelen in de aandachtstoffenlijst opgenomen overeenkomstig lid 2. De Commissie evalueert tevens of de opname van sulfaten, xanthaten en niet-relevante metabolieten van bestrijdingsmiddelen op de aandachtstoffenlijst noodzakelijk is om de beschikbaarheid van gegevens over hun aanwezigheid te verbeteren met betrekking tot het toepassingsgebied van deze richtlijn. [Am. 127]
Het ECHA stelt wetenschappelijke verslagen op om de Commissie te helpen bij het selecteren van de stoffen en indicatoren van verontreiniging voor de aandachtstoffenlijst, rekening houdend met de volgende informatie: [Am. 128]
a)
de resultaten van de meest recente regelmatige herziening van bijlage I bij deze richtlijn;
b)
aanbevelingen van betrokkenen als bedoeld in artikel 8 van Richtlijn 2008/105/EG;
c)
de karakterisering van stroomgebiedsdistricten door de lidstaten overeenkomstig artikel 5 van Richtlijn 2000/60/EG en de resultaten van de overeenkomstig artikel 8 van die richtlijn vastgestelde monitoringprogramma’s;
d)
informatie over productievolumen, gebruikspatronen, intrinsieke eigenschappen (met inbegrip van, in voorkomend geval, deeltjesgrootte), concentraties in het milieu en schadelijke gevolgen voor de gezondheid van de mens en het aquatisch milieu van een stof, met inbegrip van informatie die is verzameld overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1907/2006, Verordening (EG) nr. 1107/2009, Verordening (EU) nr. 528/2012, Verordening (EU) 2019/6, Richtlijn 2001/83/EG en Richtlijn 2009/128/EG;
e)
onderzoeksprojecten en wetenschappelijke publicaties en bewijs, met inbegrip van op modellen of andere voorspellende evaluaties gebaseerde informatie over trends en voorspellingen, en de gegevens enalsmede informatie vanen gegevens vergaard door teledetectietechnologieën, aardobservatie (Copernicusdiensten), sensoren en apparaten ter plaatse of gegevens van burgerwetenschap, door gebruik te maken van de mogelijkheden die artificiële intelligentie en geavanceerde analyse en verwerking van gegevens bieden. [Am. 129]
Het ECHA stelt om de drie jaar een verslag op met een samenvatting van de bevindingen van de krachtens de vierde alinea opgestelde wetenschappelijke verslagen en maakt dat verslag openbaar. Het eerste ECHA-verslag wordt uiterlijk op … [Publicatiebureau: gelieve de datum in te voegen = de eerste dag van de eenentwintigste maand na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] ter beschikking worden gesteld.
2. De aandachtstoffenlijst wordt uiterlijk op X [Publicatiebureau: gelieve de datum in te voegen = de laatste dag van de drieëntwintigste maand na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] en daarna uiterlijk om de 36 maanden geactualiseerd, of vaker indien nieuw wetenschappelijk bewijs naar voren komt dat het noodzakelijk maakt om de lijst bij te werken in de periodes tussen deafzonderlijkeherzieningen.
De lidstaten evalueren om de twee jaar het effect op de waterkwaliteit van de industriële activiteiten die verband houden met de energietransitie, en stellen de Commissie in kennis van nieuw geïdentificeerde bedreigingen om de aandachtstoffenlijst dienovereenkomstig te kunnen actualiseren. De evaluatie is gemakkelijk toegankelijk voor het publiek.
De Commissie schrapt bij het bijwerken van de aandachtstoffenlijst elke stof van de bestaande aandachtstoffenlijst waarvoor zij het mogelijk acht het risico ervan voor het aquatisch milieu te beoordelen zonder aanvullende monitoringgegevens. Wanneer de aandachtstoffenlijst wordt bijgewerkt, mag een afzonderlijke stof of groep stoffen nog eens maximaal drie jaar op de toezichtlijst blijven staan wanneer aanvullende monitoringgegevens nodig zijn om het risico voor het aquatisch milieu te beoordelen. Elke bijgewerkte aandachtstoffenlijst bevat ook een of meer nieuwe stoffen waarvoor de Commissie, op basis van de wetenschappelijke verslagen van het ECHA, van oordeel is dat er sprake is van een risico voor het aquatisch milieu. [Am. 130]
3. De lidstaten monitoren elke stof of groep stoffen op de aandachtstoffenlijst op geselecteerde representatieve meetstations gedurende 24 maanden. De monitoringperiode begint binnen zes maanden na de opneming van de stof in de lijst.
Elke lidstaat selecteert ten minste één meetstation, plus één station indien hij meer dan een miljoen inwoners heeft, plus het aantal stations dat gelijk is aan zijn geografische oppervlakte in km2 gedeeld door 60 000 (afgerond op het dichtstbijzijnde gehele getal), plus het aantal stations dat gelijk is aan zijn bevolking gedeeld door vijf miljoen (afgerond op het dichtstbijzijnde gehele getal).
Bij het selecteren van representatieve meetstations en het vastleggen van de meetfrequentie en de seizoensgebonden meettijdstippen voor elke stof of groep stoffen houden de lidstaten rekening met de gebruikspatronen en het mogelijk voorkomen van de stof of groep stoffen. De monitoringfrequentie bedraagt ten minste tweemaal per jaar, behalve voor stoffen die gevoelig zijn voor klimaatvariabiliteit of seizoensveranderingen, waarvoor de monitoring vaker wordt uitgevoerd. De frequentie is hoger, zoals bepaald in de overeenkomstig lid 1 vastgestelde uitvoeringshandeling tot vaststelling van de aandachtstoffenlijst, voor stoffen die gevoelig zijn voor variabiliteit van het klimaat, zoals neerslag, en voor stoffen waarvan de concentratie gedurende korte perioden waarschijnlijk een piek vertoont als gevolg van seizoensgebonden schommelingen in het gebruik van die stoffen. [Am. 131]
Wanneer een lidstaat uit bestaande monitoringprogramma’s of studies voor een bepaalde stof of groep stoffen voldoende, vergelijkbare, representatieve en recente monitoringgegevens kan verkrijgen en aan de Commissie kan verstrekken, kan hij besluiten om voor die stof of groep stoffen geen aanvullende monitoring in het kader van het aandachtstoffenlijstmechanisme uit te voeren, mits de stof of groep stoffen is gemonitord met behulp van een methodologie die in overeenstemming is met de monitoringmatrices en analysemethoden als bedoeld in de uitvoeringshandeling tot vaststelling van de aandachtstoffenlijst, alsook met Richtlijn 2009/90/EG*.
4. De lidstaten stellen de resultaten van de in lid 3 van dit artikel bedoelde monitoring beschikbaar overeenkomstig artikel 8, lid 4, van Richtlijn 2000/60/EG en de overeenkomstig lid 1 vastgestelde uitvoeringshandeling tot vaststelling van de aandachtstoffenlijst. Ook stellen zij de informatie over de representativiteit van de meetstations en over de monitoringstrategie ter beschikking.
5. Het ECHA evalueert de monitoringresultaten aan het einde van de in lid 3 bedoelde termijn van 24 maanden en beoordeelt welke stoffen of groepen stoffen nog eens 24 maanden moeten worden gemonitord en daarom op de aandachtstoffenlijst moeten blijven staan en welke stoffen of groepen stoffen van de aandachtstoffenlijst kunnen worden verwijderd.
Indien de Commissie, rekening houdend met de in de eerste alinea bedoelde beoordeling door het ECHA, tot de conclusie komt dat er geen verdere monitoring nodig is om het risico voor het aquatisch milieu verder te beoordelen, wordt die beoordeling in aanmerking genomen bij de in artikel 8 bedoelde herziening van bijlage I of II.
* Richtlijn 2009/90/EG van de Commissie van 31 juli 2009 tot vaststelling van technische specificaties voor de chemische analyse en monitoring van de watertoestand krachtens Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 201 van 1.8.2009, blz. 36).”.
"
7 bis) het volgende artikel 8 ter bis wordt ingevoegd:"
“Artikel 8 ter bis
De Commissie presenteert uiterlijk [een jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] een effectbeoordeling van de opname in deze richtlijn van een mechanisme voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat producenten die producten in de handel brengen die een van de in bijlage I vermelde stoffen of verbindingen bevatten, alsook zorgwekkend wordende stoffen die zijn opgenomen in de aandachtstoffenlijst uit hoofde van die richtlijn, bijdragen aan de kosten voor monitoringprogramma’s die zijn opgezet uit hoofde van artikel 8 van Richtlijn 2000/60/EG. Deze verslagen gaan in voorkomend geval vergezeld van een wetgevingsvoorstel tot wijziging van deze richtlijn.”. [Am. 132]
"
7 ter) het volgende artikel wordt ingevoegd:"
“Artikel 8 ter ter
Europese monitoringfaciliteit
De Commissie zet uiterlijk ... [een jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] een gemeenschappelijke monitoringfaciliteit op voor het beheer van de monitoringvereisten, indien de lidstaten daarom verzoeken.
De Commissie specificeert de werking van de monitoringfaciliteit, met onder meer de volgende elementen:
a)
het gebruik van een dergelijke faciliteit is vrijwillig en doet geen afbreuk aan de door de lidstaten reeds getroffen regelingen;
b)
de operationele procedures voor lidstaten die voornemens zijn gebruik te maken van de monitoringfaciliteit, die onder meer de vereiste kennisgeving aan de Commissie omvatten van hun exacte monitoringbehoeften of -mogelijkheden, de exacte protocollen voor het beheer van monsters, alsmede de periode gedurende welke zij voornemens zijn deel te blijven uitmaken van het mechanisme;
c)
de financieringsbronnen, onder meer relevante structuurfondsen en -programma’s van de Unie en bijdragen van de particuliere sector, onder meer in het kader van de regeling voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid, zodra dat is ingevoerd overeenkomstig artikel 8 ter bis.”. [Am. 133]
"
8) het volgende artikel 8 quinquies wordt ingevoegd:"
“Artikel 8 quinquies
Stroomgebiedspecifieke verontreinigende stoffen
1. De lidstaten stellen milieukwaliteitsnormen vast en passen deze toe voor de stroomgebiedspecifieke verontreinigende stoffen die vallen onder de categorieën van deel A van bijlage II bij deze richtlijn, wanneer die verontreinigende stoffen een risico inhouden voor waterlichamen in een of meer van hun stroomgebiedsdistricten op basis van de analyses en beoordelingen uit hoofde van artikel 5 van Richtlijn 2000/60/EU, overeenkomstig de procedure van deel B van bijlage II bij deze richtlijn.
De lidstaten stellen het ECHA uiterlijk op [Publicatiebureau: gelieve de datum in te voegen = de eerste dag van de maand na 18 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] in kennis van de in de eerste alinea bedoelde milieukwaliteitsnormen. Het ECHA maakt die informatie openbaar.
2. Wanneer overeenkomstig artikel 8 milieukwaliteitsnormen voor stroomgebiedspecifieke verontreinigende stoffen op het niveau van de Unie zijn vastgesteld en in deel C van bijlage II zijn opgenomen, hebben die milieukwaliteitsnormen voorrang op milieukwaliteitsnormen voor stroomgebiedspecifieke verontreinigende stoffen die overeenkomstig lid 1 op nationaal niveau zijn vastgesteld. Die op het niveau van de Unie vastgestelde milieukwaliteitsnormen worden ook door de lidstaten toegepast om vast te stellen of de in bijlage II, deel C, vermelde stroomgebiedspecifieke verontreinigende stoffen een risico vormen.
3. In voorkomend geval moeten de toepasselijke nationale of op het niveau van de Unie vastgestelde milieukwaliteitsnormen worden nageleefd opdat een waterlichaam in een goede chemische toestand kan verkeren, overeenkomstig de definitie in artikel 2, lid 24, van Richtlijn 2000/60/EG.
3 bis. Bij het vaststellen en aanvragen van milieukwaliteitsnormen voor stroomgebiedspecifieke verontreinigende stoffen kunnen de lidstaten rekening houden met de biobeschikbaarheid van metalen.”. [Am. 134]
"
8 bis) artikel 9 bis, lid 2, wordt als volgt gewijzigd:"
“2. De in artikel 3, lid 8, artikel 8, leden 3, 6 bis en 6 ter, en artikel 8 bis, lid 3 bis, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van zes jaar met ingang van [Publicatiebureau: gelieve de datum in te voegen = de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn]. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van zes jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De delegatie van bevoegdheid wordt stilzwijgend verlengd met termijnen van dezelfde duur, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van een termijn tegen deze verlenging verzet.”. [Am. 135]
"
8 ter) artikel 9 bis, lid 3, wordt als volgt gewijzigd:"
“3. Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 3, lid 8, artikel 8, leden 3, 6 bis en 6 ter, en artikel 8 bis, lid 3 bis, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Een besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.”. [Am. 136]
"
8 quater) in artikel 9 bis wordt het volgende lid 3 bis ingevoegd:"
“3 bis. Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016.”. [Am. 137]
"
8 quinquies) artikel 9 bis, lid 5, wordt als volgt gewijzigd:"
“5. Een volgens artikel 3, lid 8, artikel 8, leden 3, 6 bis, 6 ter, of artikel 8 bis, lid 3 bis, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van de termijn van twee maanden de Commissie heeft medegedeeld daartegen geen bezwaar te zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.”. [Am. 138]
"
9) Artikel 10 wordt geschrapt.
10) Bijlage I wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage V bij deze richtlijn.
11) De tekst van bijlage VI bij deze richtlijn wordt als bijlage II toegevoegd.
Artikel 4
1. De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op [PB: gelieve de datum in te vullen = de eerste dag van de maand na 18 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] aan deze richtlijn te voldoen.
2. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onmiddellijk mee. Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking ervan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten. De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.
Artikel 5
Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Artikel 6
Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.
Gedaan te ...,
Voor het Europees Parlement Voor de Raad
De voorzitter De voorzitter
Bijlage I
Bijlage V bij Richtlijn 2000/60/EG wordt als volgt gewijzigd:
(1) De punten 1.1.1 tot en met 1.1.4. worden vervangen door:
“1.1.1. “Rivieren
Biologische elementen
Samenstelling en abundantie van de waterflora
Samenstelling en abundantie van de bentische ongewervelde fauna
Samenstelling, abundantie en leeftijdsopbouw van de visfauna
Hydromorfologische elementen die mede bepalend zijn voor de biologische elementen
Hydrologisch regime
Kwantiteit en dynamiek van de waterstroming
Verbinding met grondwaterlichamen
Riviercontinuïteit
Morfologische omstandigheden
Variaties in rivierdiepte en -breedte
Structuur en substraat van de rivierbedding
Structuur van de oeverzone
Algemene fysisch-chemische elementen die mede bepalend zijn voor de biologische elementen
Thermische omstandigheden
Zuurstofhuishouding
Zoutgehalte
Verzuringstoestand
Nutriënten
1.1.2. Meren
Biologische elementen
Samenstelling, abundantie en biomassa van het fytoplankton
Samenstelling en abundantie van de overige waterflora
Samenstelling en abundantie van de bentische ongewervelde fauna
Samenstelling, abundantie en leeftijdsopbouw van de visfauna
Hydromorfologische elementen die mede bepalend zijn voor de biologische elementen
Hydrologisch regime
Kwantiteit en dynamiek van de waterstroming
Verblijftijd
Verbinding met het grondwaterlichaam
Morfologische omstandigheden
Variatie van de meerdiepte
Kwantiteit, structuur en substraat van de meerbodem
Structuur van de meeroever
Algemene fysisch-chemische elementen die mede bepalend zijn voor de biologische elementen
Doorzicht
Thermische omstandigheden
Zuurstofhuishouding
Zoutgehalte
Verzuringstoestand
Nutriënten
1.1.3. Overgangswateren
Biologische elementen
Samenstelling, abundantie en biomassa van het fytoplankton
Samenstelling en abundantie van de overige waterflora
Samenstelling en abundantie van de bentische ongewervelde fauna
Samenstelling en abundantie van de visfauna
Hydromorfologische elementen die mede bepalend zijn voor de biologische elementen
Morfologische omstandigheden
Dieptevariatie
Kwantiteit, structuur en substraat van de bodem
Structuur van de getijdenzone
Getijdenregime
Zoetwaterstroming
Golfslag
Algemene fysisch-chemische elementen die mede bepalend zijn voor de biologische elementen
Doorzicht
Thermische omstandigheden
Zuurstofhuishouding
Zoutgehalte
Nutriënten
1.1.4. Kustwater
Biologische elementen
Samenstelling, abundantie en biomassa van het fytoplankton
Samenstelling en abundantie van de overige waterflora
Samenstelling en abundantie van de bentische ongewervelde fauna
Hydromorfologische elementen die mede bepalend zijn voor de biologische elementen
Morfologische omstandigheden
Dieptevariatie
Structuur en substraat van de kustbodem
Structuur van de getijdenzone
Getijdenregime
Overheersende stroomrichtingen
Golfslag
Algemene fysisch-chemische elementen die mede bepalend zijn voor de biologische elementen
Doorzicht
Thermische omstandigheden
Zuurstofhuishouding
Zoutgehalte
Nutriënten.”
(2) In punt 1.2.1. wordt de tabel “Fysisch-chemische kwaliteitselementen” vervangen door:
“Algemene fysisch-chemische kwaliteitselementen
Element
Zeer goed
Goed
Matig
Algemene omstandigheden
De waarden van de algemene fysisch-chemische elementen komen geheel of vrijwel geheel overeen met de onverstoorde staat. De nutriëntenconcentraties blijven binnen de grenzen die normaal zijn voor de onverstoorde staat. Zoutgehalte, pH, zuurstofbalans, zuurneutraliserend vermogen en temperatuur vertonen geen tekenen van antropogene verstoring en blijven binnen de grenzen die normaal zijn voor de onverstoorde staat.
Temperatuur, zuurstofbalans, pH, zuurneutraliserend vermogen en zoutgehalte bereiken geen niveau dat buiten de grenzen ligt die zijn vastgesteld om te waarborgen dat het typespecifieke ecosysteem functioneert en dat de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen worden bereikt. De nutriëntenconcentraties liggen niet boven het niveau dat is vastgesteld om te waarborgen dat het ecosysteem functioneert en dat de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen worden bereikt.
Omstandigheden die erop wijzen dat de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen zijn bereikt.”.
”
(3) In punt 1.2.2. wordt de tabel “Fysisch-chemische kwaliteitselementen” vervangen door:
“Algemene fysisch-chemische kwaliteitselementen
Element
Zeer goed
Goed
Matig
Algemene omstandigheden
De waarden van de algemene fysisch-chemische elementen komen geheel of vrijwel geheel overeen met de onverstoorde staat. De nutriëntenconcentraties blijven binnen de grenzen die normaal zijn voor de onverstoorde staat. Zoutgehalte, pH, zuurstofbalans, zuurneutraliserend vermogen, doorzicht en temperatuur vertonen geen tekenen van antropogene verstoring en blijven binnen de grenzen die normaal zijn voor de onverstoorde staat.
Temperatuur, zuurstofbalans, pH, zuurneutraliserend vermogen, doorzicht en zoutgehalte bereiken geen niveau dat buiten de vastgestelde grenzen ligt waarbij het ecosysteem functioneert en waarbij de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen worden bereikt. De nutriëntenconcentraties liggen niet boven het niveau dat is vastgesteld om te waarborgen dat het ecosysteem functioneert en dat de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen worden bereikt.
Omstandigheden die erop wijzen dat de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen zijn bereikt.”.
”
(4) In punt 1.2.3. wordt de tabel “Fysisch-chemische kwaliteitselementen” vervangen door:
“Algemene fysisch-chemische kwaliteitselementen
Element
Zeer goed
Goed
Matig
Algemene omstandigheden
De algemene fysisch-chemische elementen komen geheel of vrijwel geheel overeen met de onverstoorde staat. De nutriëntenconcentraties blijven binnen de grenzen die normaal zijn voor de onverstoorde staat. Temperatuur, zuurstofbalans en doorzicht vertonen geen tekenen van antropogene verstoring en blijven binnen de grenzen die normaal zijn voor de onverstoorde staat.
Temperatuur, zuurstofomstandigheden en doorzicht bereiken geen niveau dat buiten de grenzen ligt die zijn vastgesteld om te waarborgen dat het ecosysteem functioneert en dat de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen worden bereikt. De nutriëntenconcentraties liggen niet boven het niveau dat is vastgesteld om te waarborgen dat het ecosysteem functioneert en dat de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen worden bereikt.
Omstandigheden die erop wijzen dat de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen zijn bereikt.”.
”
(5) In punt 1.2.4. wordt de tabel “Fysisch-chemische kwaliteitselementen” vervangen door:
“Algemene fysisch-chemische kwaliteitselementen
Element
Zeer goed
Goed
Matig
Algemene omstandigheden
De algemene fysisch-chemische elementen komen geheel of vrijwel geheel overeen met de onverstoorde staat. De nutriëntenconcentraties blijven binnen de grenzen die normaal zijn voor de onverstoorde staat. Temperatuur, zuurstofbalans en doorzicht vertonen geen tekenen van antropogene verstoring en blijven binnen de grenzen die normaal zijn voor de onverstoorde staat.
Temperatuur, zuurstofomstandigheden en doorzicht bereiken geen niveau dat buiten de grenzen ligt die zijn vastgesteld om te waarborgen dat het ecosysteem functioneert en dat de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen worden bereikt. De nutriëntenconcentraties liggen niet boven het niveau dat is vastgesteld om te waarborgen dat het ecosysteem functioneert en dat de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen worden bereikt.
Omstandigheden die erop wijzen dat de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen zijn bereikt.”.
”
(6) In punt 1.2.5. wordt de tabel als volgt gewijzigd:
a) de vijfde rij, die de vermelding voor “Specifieke synthetische verontreinigende stoffen” bevat, wordt geschrapt;
b) de zesde rij, die de vermelding voor “Specifieke niet-synthetische verontreinigende stoffen” bevat, wordt geschrapt;
c) de zevende rij, die voetnoot (1) bevat, wordt geschrapt.
(7) Punt 1.2.6. wordt geschrapt.
(8) Aan punt 1.3. worden de volgende vierde en vijfde alinea toegevoegd:
“Indien het meetnet aardobservatie en teledetectie omvat in plaats van lokale bemonsteringspunten, of andere innovatieve technieken, moet de kaart van het meetnet informatie bevatten over de kwaliteitselementen en de waterlichamen of groepen waterlichamen die met behulp van dergelijke monitoringmethoden zijn gemonitord. Er wordt verwezen naar CEN, ISO of andere internationale of nationale normen die zijn toegepast om ervoor te zorgen dat de verkregen temporele en ruimtelijke gegevens even betrouwbaar zijn als die welke met behulp van conventionele monitoringmethoden op lokale bemonsteringspunten zijn verkregen.
De lidstaten kunnen, naar gelang het geval, passieve bemonsteringsmethoden toepassen om chemische verontreinigende stoffen te monitoren, met name voor screeningsdoeleinden, op voorwaarde dat met deze bemonsteringsmethoden de concentraties van verontreinigende stoffen waarop milieukwaliteitsnormen van toepassing zijn, niet worden onderschat en “het niet bereiken van een goede toestand” op die manier betrouwbaar kan worden vastgesteld en dat er telkens wanneer wordt waargenomen dat een goede toestand niet wordt bereikt, een chemische analyse van monsters van water, biota of sediment wordt uitgevoerd overeenkomstig de toegepaste milieukwaliteitsnormen. De lidstaten kunnen onder dezelfde voorwaarden ook op gevolgen gebaseerde steekproefmethoden toepassen.”.
(9) In punt 1.3.1. wordt de laatste alinea “Keuze van kwaliteitselementen” vervangen door:
“Keuze van kwaliteitselementen
Monitoring met het oog op toezicht wordt gedurende één jaar in de door het stroomgebiedsbeheersplan bestreken periode voor elke monitoringslocatie verricht. De monitoring met het oog op toezicht omvat het volgend:
a) de parameters voor alle biologische kwaliteitselementen;
b) de parameters voor alle hydromorfologische kwaliteitselementen;
c) de parameters voor alle algemene fysisch-chemische kwaliteitselementen;
d) verontreinigende stoffen op de lijst van prioritaire stoffen die in het stroomgebied of het deelstroomgebied geloosd of op andere wijze worden afgezet;
e) andere in significante hoeveelheden in het stroomgebied of deelstroomgebied geloosde of op andere wijze afgezette verontreinigende stoffen.
Wanneer echter bij de vorige monitoring met het oog op toezicht is aangetoond dat het betrokken waterlichaam een goede toestand heeft bereikt en uit de beoordeling van de effecten van menselijke activiteiten zoals bedoeld in bijlage II niet is gebleken dat de effecten op het waterlichaam zijn veranderd, wordt de monitoring met het oog op toezicht in de periode die door drie opeenvolgende stroomgebiedbeheersplannen wordt bestreken, één keer uitgevoerd.”.
(10) Punt 1.3.2. wordt als volgt gewijzigd:
“a) in de derde alinea, “Keuze van monitoringslocaties”, wordt de eerste zin vervangen door:
“Operationele monitoring wordt verricht voor alle waterlichamen die volgens de effectbeoordeling overeenkomstig bijlage II, dan wel volgens de monitoring met het oog op toezicht, gevaar lopen de op grond van artikel 4 bepaalde milieudoelstellingen niet te bereiken, alsmede voor waterlichamen waarin op de lijst van prioritaire stoffen voorkomende stoffen worden geloosd of op andere wijze afgezet of waarin stroomgebiedspecifieke verontreinigende stoffen in aanzienlijke hoeveelheden worden geloosd of op andere wijze afgezet.”;
b) in de vierde alinea, “Keuze van de kwaliteitselementen”, wordt het tweede streepje vervangen door:
“— alle in waterlichamen geloosde of op andere wijze afgezette prioritaire stoffen, evenals alle in significante hoeveelheden in waterlichamen geloosde of op andere wijze afgezette stroomgebiedspecifieke verontreinigende stoffen;”.
10 bis) In punt 1.3.4 wordt alinea 4 als volgt gewijzigd:
“Bij de keuze van de meetfrequenties wordt rekening gehouden met de variabiliteit van parameters ten gevolge van natuurlijke en antropogene factoren en deze frequenties worden zo nodig verhoogd. Bovendien worden de monitoringstijdstippen zo gekozen dat rekening wordt gehouden met de invloed op de statusbeoordeling van seizoenvariaties van het gebruik van stoffen en van variaties van waterniveaus om ervoor te zorgen dat de resultaten een beeld geven van veranderingen in het waterlichaam veroorzaakt door antropogene belasting en variabiliteit van het klimaat. Wat betreft prioritaire stoffen die gevoelig zijn voor klimaatschommelingen en prioritaire stoffen waarvan de concentratie gedurende korte perioden pieken kan vertonen als gevolg van seizoensgebonden schommelingen in het gebruik van deze stoffen, moet de monitoring vaker worden uitgevoerd dan voor andere stoffen.”. [Am. 139]
(11) In punt 1.3.4. worden in de zesde rij van de tabel onder het kopje “Fysisch-chemisch” de woorden “Andere verontreinigende stoffen” vervangen door “Stroomgebiedspecifieke verontreinigende stoffen”.
(12) Punt 1.4.1. wordt als volgt gewijzigd:
a) in punt vii) wordt de tweede zin geschrapt;
b) punt viii) wordt geschrapt;
c) punt ix) wordt vervangen door:
“ix) De resultaten van de intercalibratie en de waarden voor de klassen van het monitoringssysteem van elke lidstaat, vastgesteld overeenkomstig de punten i) tot en met viii), worden binnen zes maanden na de vaststelling van de gedelegeerde handeling gepubliceerd in overeenstemming met artikel 20;”.
(13) In punt 1.4.2. wordt punt iii) geschrapt.
(14) In punt 1.4.3, eerste alinea, wordt de eerste zin vervangen door:
“Voor een waterlichaam moet een goede chemische toestand worden geregistreerd indien het voldoet aan alle milieukwaliteitsnormen die in deel A van bijlage I bij Richtlijn 2008/105/EG zijn bepaald, en aan de milieukwaliteitsnormen die uit hoofde van de artikelen 8 en 8 quinquies van die richtlijn zijn vastgesteld.”.
(15) Aan punt 2.2.1. wordt de volgende alinea toegevoegd:
“Indien het meetnet aardobservatie en teledetectie omvat in plaats van lokale bemonsteringspunten, of andere innovatieve technieken, moet worden verwezen naar CEN, ISO of andere internationale of nationale normen die zijn toegepast om ervoor te zorgen dat de verkregen temporele en ruimtelijke gegevens even betrouwbaar zijn als die welke met behulp van conventionele monitoringmethoden op lokale bemonsteringspunten zijn verkregen.”.
(16) Punt 2.3.2. wordt vervangen door:
“2.3.2. “Definitie van goede chemische toestand van grondwater
Element
Goed
Algemeen
De chemische samenstelling van het grondwaterlichaam is zodanig dat de concentraties van verontreinigende stoffen: — als hierna vermeld geen effecten van zout of andere intrusies vertonen; — de grondwaterkwaliteitsnormen zoals bedoeld in bijlage I bij Richtlijn 2006/118/EG, de drempelwaarden voor grondwaterverontreinigende stoffen zoals bepaald uit hoofde van artikel 3, lid 1, punt b), van die richtlijn en de Uniebrede drempelwaarden zoals bepaald uit hoofde van artikel 8, lid 3, van die richtlijn, niet overstijgen; — niet zodanig zijn dat de ingevolge artikel 4 voor bijbehorende oppervlaktewateren aangegeven milieudoelstellingen niet worden bereikt, een significante vermindering van de ecologische of chemische kwaliteit van die waterlichamen optreedt of significante schade wordt toegebracht aan terrestrische ecosystemen die rechtstreeks afhankelijk zijn van het grondwaterlichaam.
Geleidbaarheid
Veranderingen in de geleidbaarheid wijzen niet op intrusies van zout of andere stoffen in het grondwaterlichaam.”.
(17) Aan punt 2.4.1. wordt de volgende alinea toegevoegd:
“Indien het meetnet aardobservatie en teledetectie omvat in plaats van lokale bemonsteringspunten, of andere innovatieve technieken, moet worden verwezen naar CEN, ISO of andere internationale of nationale normen die zijn toegepast om ervoor te zorgen dat de verkregen temporele en ruimtelijke gegevens even betrouwbaar zijn als die welke met behulp van conventionele monitoringmethoden op lokale bemonsteringspunten zijn verkregen.”.
(18) Punt 2.4.5. wordt vervangen door:
“2.4.5. Interpretatie en presentatie van de chemische toestand van grondwater
Voor de beoordeling van de chemische toestand van het grondwater worden de resultaten van de verschillende meetpunten in een grondwaterlichaam samengevoegd tot een eindresultaat voor het waterlichaam in zijn geheel. De gemiddelde waarde van de monitoringsresultaten moeten voor elk punt in het grondwaterlichaam of de groep grondwaterlichamen berekend worden voor de volgende parameters:
a) chemische parameters waarvoor in bijlage I bij Richtlijn 2006/118/EG kwaliteitsnormen zijn vastgesteld;
b) chemische parameters waarvoor uit hoofde van artikel 3, lid 1, punt b), van Richtlijn 2006/118/EG nationale drempelwaarden zijn vastgesteld;
c) chemische parameters waarvoor uit hoofde van artikel 8, lid 3, van Richtlijn 2006/118/EG Uniebrede drempelwaarden zijn vastgesteld.
De in de eerste alinea bedoelde gemiddelde waarden worden gebruikt om aan te tonen dat er aan de definitie van goede chemische toestand van het grondwater gebaseerd op de in de eerste alinea bedoelde kwaliteitsnormen en drempelwaarden wordt voldaan.
Overeenkomstig punt 2.5 verstrekken de lidstaten een kaart van de chemische toestand van het grondwater met de volgende kleurcodering:
goed: groen;
ontoereikend: rood.
Voorts duiden de lidstaten met een zwarte stip op de kaart de grondwaterlichamen aan, die onderhevig zijn aan een significante en aanhoudende stijgende tendens, waaronder de seizoengebonden stijgende tendens die onder meer door geringe afvoer van een waterlichaam wordt veroorzaakt, van de concentratie van een verontreinigende stof ten gevolge van menselijke activiteiten. Een omkering van een tendens wordt met een blauwe stip op de kaart aangeduid. [Am. 140]
Deze kaarten worden in de stroomgebiedsbeheersplannen opgenomen.”.
Bijlage II
Bijlage VIII bij Richtlijn 2000/60/EG wordt als volgt gewijzigd:
1) Punt 10 wordt vervangen door:
“10. Stoffen in suspensie, met inbegrip van micro-/nanoplastics., alsook materialen waarvan bekend is dat zij kunnen leiden tot micro-/nanoplastics.”. [Am. 141]
2) Het volgende punt 13 wordt toegevoegd:
“13. Micro-organismen, genetisch materiaal of genen die de aanwezigheid weergeven van micro-organismen die resistent zijn tegen antimicrobiële stoffen, met name micro-organismen die pathogeen zijn voor mensen en vee.”.
Bijlage III
“BIJLAGE I
GRONDWATERKWALITEITSNORMEN
Opmerking 1: De kwaliteitsnormen voor de verontreinigende stoffen die bij vermeldingen 3 tot en met 7 zijn aangegeven, zijn van toepassing vanaf … [Publicatiebureau: gelieve de datum in te voegen: de eerste dag van de maand na 18zes maanden na de datum van inwerkingtreding van deze wijzigingsrichtlijn] teneinde ten laatste tegen 22 december 2033 een goede chemische toestand van het water te bereiken. [Am. 142]
Indien voor een gegeven grondwaterlichaam, met name een grondwaterlichaam in het ecologische netwerk van speciale beschermingszones uit hoofde van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad, het vermoeden bestaat dat de toepassing van deze grondwaterkwaliteitsnormen ertoe kan leiden dat de in artikel 4 van Richtlijn 2000/60/EG gespecificeerde milieudoelstellingen voor de bijbehorende oppervlaktewateren niet worden bereikt, of kan resulteren in een significante verslechtering van de ecologische of chemische kwaliteit van die lichamen of in significante schade aan grondwater- of terrestrische ecosystemen die rechtstreeks van het grondwaterlichaam afhankelijk zijn, worden overeenkomstig artikel 3 van en bijlage II bij deze richtlijn stringentere drempelwaarden vastgesteld. De in verband met dergelijke drempelwaarden vereiste programma’s en maatregelen gelden ook voor activiteiten die onder de werkingssfeer van Richtlijn 91/676/EEG vallen. [Am. 143]
1)
2)
3)
4)
5)
6)
[Vermelding] nr.
Naam van de stof
Categorie stoffen
CAS-nummer (1)
EU-nummer (2)
Kwaliteitsnorm (3) [µg/l tenzij anders aangegeven]
1
Nitraten
Nutriënten
niet van toepassing
niet van toepassing
50 mg/l
2 [Am. 144]
Werkzame stoffen in bestrijdingsmiddelen, met inbegrip van de relevante metabolieten, afbraak- en reactieproducten daarvan (4)
Bestrijdingsmiddelen
niet van toepassing
niet van toepassing
0,10.05 (afzonderlijk)
0,50,25 (totaal) (5)
3
Per- en polyfluoralkylstoffen (PFAS) - som van 24 (6)
Industriële stoffen
Zie voetnoot 6
Zie voetnoot 6
0,0044 (7)
3 bis [Am. 145]
PFAS – totaal
Industriële stoffen
niet van toepassing
niet van toepassing
(7bis)
4 [Am. 146]
Carbamazepine
Geneesmiddelen
298-46-4
niet van toepassing
0,250.025
5
Sulfamethoxazol
Geneesmiddelen
723-46-6
niet van toepassing
0,01
6 [Am. 147]
Farmaceutische werkzame stoffen – totaal (8)
Geneesmiddelen
niet van toepassing
niet van toepassing
0,250,025
7 [Am. 148]
Niet-relevante metabolieten van bestrijdingsmiddelen
Bestrijdingsmiddelen
niet van toepassing
niet van toepassing
0,1 (9) of 1 (10) of 2,5 of 5 (11) (afzonderlijk)
0,5 (9) of 5 (10) of 12,5 (11) (totaal) (12)
(1) CAS: Chemical Abstracts Service.
(2) EU-nummer: Europese inventaris van bestaande chemische handelsstoffen (Einecs) of de Europese lijst van chemische stoffen waarvan kennisgeving is gedaan (Elincs).
(3) Deze parameter is de kwaliteitsnorm uitgedrukt als jaargemiddelde. Tenzij anders is aangegeven, is deze van toepassing op de totale concentratie van alle stoffen en isomeren.
(4) “Bestrijdingsmiddelen”: gewasbeschermingsmiddelen en biociden zoals bedoeld in respectievelijk artikel 2 van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen, en artikel 3 van Verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het op de markt aanbieden en het gebruik van biociden.
(4bis) Deze drempelwaarde geldt alleen in afwachting van de toetsing door de Commissie. [Am. 144]
(5) Onder “totaal” wordt verstaan, de som van alle tijdens de monitoringprocedure opgespoorde en gekwantificeerde afzonderlijke bestrijdingsmiddelen, met inbegrip van de relevante metabolieten, afbraak- en reactieproducten daarvan. De voor de som van alle afzonderlijke bestrijdingsmiddelen vastgestelde drempelwaarde geldt alleen in afwachting van de toetsing door de Commissie. [Am. 144]
(6) Dit heeft betrekking op de volgende verbindingen, die met hun CAS-nummer, EU-nummer en relatieve potentiefactor (RPF) worden vermeld: perfluoroctaanzuur (PFOA) (CAS 335-67-1, EU 206-397-9) (RPF 1), perfluoroctaansulfonzuur (PFOS) (CAS 1763-23-1, EU 217-179-8) (RPF 2), perfluorhexaansulfonzuur (PFHxS) (CAS 355-46-4, EU 206-587-1) (RPF 0,6), perfluornonaanzuur (PFNA) (CAS 375-95-1, EU 206-801-3) (RPF 10), perfluorbutaansulfonzuur (PFBS) (CAS 375-73-5, EU 206-793-1) (RPF 0,001), perfluorhexaanzuur (PFHxA) (CAS 307-24-4, EU 206-196-6) (RPF 0,01), perfluorbutaanzuur (PFBA) (CAS 375-22-4, EU 206-786-3) (RPF 0,05), perfluorpentaanzuur (PFPeA) (CAS 2706-90-3, EU 220-300-7) (RPF 0,03), perfluorpentaansulfonzuur (PFPeS) (CAS 2706-91-4, EU 220-301-2) (RPF 0,3005), perfluordecaanzuur (PFDA) (CAS 335-76-2, EU 206-400-3) (RPF 7), perfluordodecaanzuur (PFDoDA of PFDoA) (CAS 307-55-1, EU 206-203-2) (RPF 3), perfluorundecaanzuur (PFUnDA of PFUnA) (CAS 2058-94-8, EU 218-165-4) (RPF 4), perfluorheptaanzuur (PFHpA) (CAS 375-85-9, EU 206-798-9) (RPF 0,505), perfluortridecaanzuur (PFTrDA) (CAS 72629-94-8, EU 276-745-2) (RPF 1,65), perfluorheptaansulfonzuur (PFHpS) (CAS 375-92-8, EU 206-800-8) (RPF 1,3), perfluordecaansulfonzuur (PFDS) (CAS 335-77-3, EU 206-401-9) (RPF 2), perfluortetradecaanzuur (PFTeDA) (CAS 376-06-7, EU 206-803-4) (RPF 0,3), perfluorhexadecaanzuur (PFHxDA) (CAS 67905-19-5, EU 267-638-1) (RPF 0,02), perfluoroctodecaanzuur (PFODA) (CAS 16517-11-6, EU 240-582-5) (RPF 0,02), ammonium perfluor-(2-methyl-3-oxahexanoaat) (HFPO-DA of GenX) (CAS 62037-80-3) (RPF 0,06), propionzuur / ammonium 2,2,3-trifluor-3-(1,1,2,2,3,3,-hexafluor-3-(trifluormethoxy)propoxyl)propanoaat (ADONA) (CAS 958445-44-8) (RPF 0,03), 2-(perfluorhexyl)ethylalcohol (6:2 FTOH) (CAS 647-42-7, EU 211-477-1) (RPF 0,02), 2-(perfluoroctyl)ethanol (8:2 FTOH) (CAS 678-39-7, EU 211-648-0) (RPF 0,04) en azijnzuur / 2,2-difluor-2-((2,2,4,5-tetrafluor-5-(trifluormethoxy)-1,3-dioxolaan-4-yl)oxy)- (C6O4) (CAS 1190931-41-9) (RPF 0,06).
(7) De kwaliteitsnorm verwijst naar de som van de 24 PFAS die in voetnoot 6 worden vermeld en die als PFOA-equivalenten worden uitgedrukt op basis van de potenties van de stoffen in vergelijking met die van PFOA, dat wil zeggen de RPF’s in voetnoot 6.
(7bis) De kwaliteitsnorm wordt door de Commissie bij gedelegeerde handeling vastgesteld. [Am. 145]
(8) Onder “totaal” wordt de som verstaan van alle tijdens de monitoringprocedure opgespoorde en gekwantificeerde afzonderlijke geneesmiddelen, met inbegrip van de relevante metabolieten en afbraakproducten.
(9) Toepasbaar op niet-relevante metabolieten waarover weinig gegevens bestaan, dat wil zeggen waarover geen betrouwbare experimentele gegevens beschikbaar zijn met betrekking tot de chronische of acute effecten van de niet-relevante metaboliet op de taxonomische groep waarvan betrouwbaar wordt voorspeld dat deze het gevoeligst is.
(10) Toepasbaar op niet-relevante metabolieten waarover een redelijke hoeveelheid gegevens bestaat, dat wil zeggen waarover betrouwbare experimentele gegevens beschikbaar zijn met betrekking tot de chronische of acute effecten van de niet-relevante metaboliet op de taxonomische groep waarvan betrouwbaar wordt voorspeld dat deze het gevoeligst is, maar waarbij deze gegevens niet voldoende zijn om de stoffen als stoffen waarover veel gegevens zijn aan te merken.
(11) Toepasbaar op niet-relevante metabolieten waarover veel gegevens bestaan, dat wil zeggen waarover betrouwbare experimentele gegevens of even betrouwbare gegevens die door middel van alternatieve wetenschappelijk gevalideerde methoden zijn verkregen, beschikbaar zijn met betrekking tot de chronische of acute effecten van de niet-relevante metaboliet op ten minste één soort algen, ongewervelden en vissen, waarmee de gevoeligste taxonomische groep betrouwbaar kan worden bevestigd en waarmee een kwaliteitsnorm kan worden berekend aan de hand van een deterministische benadering op basis van betrouwbare experimentele toxiciteitsgegevens over die taxonomische groep. De lidstaten kunnen daartoe de meest recente richtsnoeren toepassen die zijn vastgesteld in het kader van de gemeenschappelijke uitvoeringsstrategie voor Richtlijn 2000/60/EG (bijgewerkt richtsnoer nr. 27). De kwaliteitsnorm van 2,5 voor afzonderlijke niet-relevante metabolieten is van toepassing tenzij de volgens de deterministische benadering berekende kwaliteitsnorm hoger is, in welk geval een kwaliteitsnorm van 5 van toepassing is.[Am. 148]
(12) Onder “totaal” wordt de som verstaan van alle afzonderlijke niet-relevante metabolieten in iedere gegevenscategorie, die bij de monitoringprocedure worden opgespoord en gekwantificeerd.”.
Bijlage IV
Bijlage II bij Richtlijn 2006/118/EG wordt als volgt gewijzigd:
(1) In deel A wordt na de eerste alinea de volgende alinea ingevoegd:
“De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten het Europees Agentschap voor chemische stoffen, ECHA, in kennis stellen van drempelwaarden voor verontreinigende stoffen en indicatoren van verontreiniging. Het ECHA maakt die informatie onverwijld bekend.”.
(1 bis) In deel B wordt de titel vervangen door:
“Minimumlijsten van verontreinigende stoffen en indicatoren ten aanzien waarvan de lidstaten drempelwaarden overeenkomstig artikel 3 moeten vaststellen”. [Am. 149]
(2) In deel B wordt punt 2 vervangen door:
“2. Synthetische (door de mens gemaakte) stoffen
Primidon
Trichloorethyleen
Tetrachloorethyleen.”.
(3) In deel C wordt de titel vervangen door:
“Door de lidstaten te verstrekken informatie met betrekking tot de verontreinigende stoffen en de indicatoren daarvan waarvoor de lidstaten drempelwaarden hebben bepaald.”.
(4) Het volgende deel D wordt toegevoegd:
“Deel D
Register van geharmoniseerde drempelwaarden voor grondwaterverontreinigende stoffen van nationaal, regionaal of lokaal belang
1)
2)
3)
4)
5)
6)
[Vermelding] nr.
Naam van de stof
Categorie stoffen
CAS-nummer(1)
EU-nummer(2)
Drempelwaarde [µg/l tenzij anders aangegeven]
1
Trichloorethyleen en tetrachloorethyleen (de som van deze twee)
Industriële stoffen
79-01-6 en 127-18-4
201-167-4 en 204-825-9
10 (totaal) (3)
(1) CAS: Chemical Abstracts Service.
(2) EU-nummer: Europese inventaris van bestaande chemische handelsstoffen (Einecs) of de Europese lijst van chemische stoffen waarvan kennisgeving is gedaan (Elincs).
(3) Onder “totaal” wordt de som van de concentraties van trichloorethyleen en tetrachloorethyleen verstaan.”.
Bijlage V
Bijlage I bij Richtlijn 2008/105/EG wordt als volgt gewijzigd:
(1) De titel wordt vervangen door:
“MILIEUKWALITEITSNORMEN (MKN) VOOR PRIORITAIRE STOFFEN IN OPPERVLAKTEWATEREN.”
(2) Deel A wordt vervangen door:
“DEEL A: MILIEUKWALITEITSNORMEN
Opmerking 1: Wanneer een milieukwaliteitsnorm tussen [] wordt vermeld, moet deze waarde in het licht van het gevraagde advies van het Wetenschappelijk Comité voor gezondheids-, milieu- en opkomende risico’s worden bevestigd.
1)
2)
3)
4)
5)
6)
7)
8)
9)
10)
11)
12)
13)
[Vermelding] nr.
Naam van de stof
Categorie stoffen
CAS-nummer (1)
EU-nummer (2)
JG-MKN (3) Landoppervlaktewateren (4)
[µg/l]
JG-MKN (3)
Andere oppervlaktewateren
[µg/l]
MAC-MKN (5)
Landoppervlaktewateren (4)
[µg/l]
MAC-MKN (5)
Andere oppervlaktewateren
[µg/l]
MKN
Biota (6)
[µg/kg nat gewicht]
of MKN voor sediment [µg/kg drooggewicht], wanneer dat wordt vermeld
Aangewezen als een prioritaire gevaarlijke stof
Aangewezen als een alomtegenwoordige, persistente, bioaccumulerende en toxische stof
Aangewezen als een stof die meestal in sediment en/of in biota accumuleert
1)
De stof alachloor is verplaatst naar deel C van bijlage II
2)
Antraceen
Industriële stoffen
120-12-7
204-371-1
0,1
0,1
0,1
0,1
X
X
3) [Am. 150]
Atrazine
Onkruidbestrijdingsmiddelen
1912-24-9
217-617-8
0,60,1
0,60,01
2,0
2,0
4)
Benzeen
Industriële stoffen
71-43-2
200-753-7
10
8
50
50
5)
Gebromeerde difenylethers
Industriële stoffen
niet van toepassing
niet van toepassing
0,14 (7)
0,014 (7)
[0,00028] (7)
X (8)
X
X
6)
Cadmium en cadmiumverbindingen
(afhankelijk van de waterhardheidsklasse) (9)
Metalen
7440-43-9
231-152-8
≤ 0,08 (klasse 1)
0,08 (klasse 2)
0,09 (klasse 3)
0,15 (klasse 4)
0,25 (klasse 5)
0,2
≤ 0,45 (klasse 1)
0,45 (klasse 2)
0,6 (klasse 3)
0,9 (klasse 4)
1,5 (klasse 5)
≤ 0,45 (klasse 1)
0,45 (klasse 2)
0,6 (klasse 3)
0,9 (klasse 4)
1,5 (klasse 5)
X
X
(6a)
De stof tetrachloorkoolstof is verplaatst naar deel C van bijlage II
7)
C10-13-chlooralkanen (10)
Industriële stoffen
85535-84-8
287-476-5
0,4
0,4
1,4
1,4
X
X
8)
De stof chloorfenvinfos is verplaatst naar deel C van bijlage II
Vallen onder stofgroep 65 (per- en polyfluoralkylstoffen (PFAS) — som van 24)
36)
Quinoxyfen
Gewasbeschermingsmiddelen
124495-18-7
niet van toepassing
0,15
0,015
2,7
0,54
X
X
37)
Dioxinen en dioxineachtige verbindingen (21)
Industriële bijproducten
niet van toepassing
niet van toepassing
niet van toepassing
niet van toepassing
Som van PCDD’s+ PCDF’s+ PCB-DL’s
Equivalenten [3,5 10-5] (22)
X
X
X
38)
Aclonifen
Onkruidbestrijdingsmiddelen
74070-46-5
277-704-1
0,12
0,012
0,12
0,012
39)
Bifenox
Onkruidbestrijdingsmiddelen
42576-02-3
255-894-7
0,012
0,0012
0,04
0,004
40)
Cybutryne
Biociden
28159-98-0
248-872-3
0,0025
0,0025
0,016
0,016
41)
Cypermethrin (23)
Pyrethroide bestrijdingsmiddelen
52315-07-8
257-842-9
3 × 10-5
3 × 10-6
6 × 10-4
6 × 10-5
X
42)
Dichloorvos
Organofosfaatbestrijdingsmiddelen
62-73-7
200-547-7
6 × 10-4
6 × 10-5
7 × 10-4
7 × 10-5
43)
Hexabroom-cyclododecaan (HBCDD) (24)
Industriële stoffen
Zie voetnoot 24
Zie voetnoot 24
[4,6 × 10-4]
[2 × 10-5]
0,5
0,05
[3,5]
X
X
X
44)
Heptachloor en heptachloorepoxide
Organochloorbestrijdingsmiddelen
76-44-8/1024-57-3
200-962-3/213-831-0
[1,7 × 10-7]
[1,7 × 10-7]
3 × 10-4
3 × 10-5
[0,013]
X
X
X
45)
Terbutryn
Onkruidbestrijdingsmiddelen
886-50-0
212-950-5
0,065
0,0065
0,34
0,034
46)
17-alfa-ethinylestradiol (EE2)
Geneesmiddelen (oestrogene hormonen)
57-63-6
200-342-2
1,7 × 10-5
1,6 × 10-6
niet afgeleid
niet afgeleid
47)
17-bèta-estradiol (E2)
Geneesmiddelen (oestrogene hormonen)
50-28-2
200-023-8
0,00018
9 × 10-6
niet afgeleid
niet afgeleid
48)
Acetamiprid
Neonicotinoïde bestrijdingsmiddelen
135410-20-7/160430-64-8
603-921-1
0,037
0,0037
0,16
0,016
49)
Azitromycine
Geneesmiddelen (macrolide-antibiotica)
83905-01-5
617-500-5
0,019
0,0019
0,18
0,018
X
50)
Bifentrin
Pyrethroide bestrijdingsmiddelen
82657-04-3
617-373-6
9,5 × 10-5
9,5 × 10-6
0,011
0,001
X
51)
Bisfenol-A (BPA)
Industriële stoffen
80-05-7
201-245-8
3,4 × 10-5
3,4 × 10-5
130
51
0,005
X
52)
Carbamazepine
Geneesmiddelen
298-46-4
206-062-7
2,5
0,25
1,6 × 103
160
53)
Clarytromycine
Geneesmiddelen (macrolide-antibiotica)
81103-11-9
658-034-2
0,13
0,013
0,13
0,013
X
54)
Clothianidine
Neonicotinoïde bestrijdingsmiddelen
210880-92-5
433-460-1
0,01
0,001
0,34
0,034
55)
Deltamethrin
Pyrethroide bestrijdingsmiddelen
52918-63-5
258-256-6
1,7 × 10-6
1,7 × 10-7
1,7 × 10-5
3,4 × 10-6
X
56)
Diclofenac
Geneesmiddelen
15307-86-5/15307-79-6
239-348-5/239-346-4
0,04
0,004
250
25
X
57)
Erytromycine
Geneesmiddelen (macrolide-antibiotica)
114-07-8
204-040-1
0,5
0,05
1
0,1
X
58)
Esfenvaleraat
Pyrethroide bestrijdingsmiddelen
66230-04-4
613-911-9
1,7 × 10-5
1,7 × 10-6
0,0085
0,00085
X
59)
Estron (E1)
Geneesmiddelen (oestrogene hormonen)
53-16-7
200-164-5
3,6 × 10-4
1,8 × 10-5
niet afgeleid
niet afgeleid
60) [Am. 151]
Glyfosaat
Onkruidbestrijdingsmiddelen
1071-83-6
213-997-4
0,1 (25)
86,7 (26)
8,670,01
398,6
39,86
61)
Ibuprofen
Geneesmiddelen
15687-27-1
239-784-6
0,22
0,022
X
62)
Imidacloprid
Neonicotinoïde bestrijdingsmiddelen
138261-41-3/105827-78-9
428-040-8
0,0068
6,8 × 10-4
0,057
0,0057
63)
Nicosulfuron
Onkruidbestrijdingsmiddelen
111991-09-4
601-148-4
0,0087
8,7 × 10-4
0,23
0,023
64)
Permethrin
Pyrethroide bestrijdingsmiddelen
52645-53-1
258-067-9
2,7× 10-4
2,7 × 10-5
0,0025
2,5 × 10-4
X
65)
Per- en polyfluoralkylstoffen (PFAS) — som van 24 (27)
Industriële stoffen
niet van toepassing
niet van toepassing
Som van PFOA-equivalenten 0,0044 (28)
Som van PFOA-equivalenten 0,0044 (28)
niet van toepassing
niet van toepassing
Som van PFOA-equivalenten 0,077 (28)
X
X
X
66)
Zilver
Metalen
7440-22-4
231-131-3
0,01
0,006 (10 % zoutgehalte)
0,17 (30 % zoutgehalte)
0,022
niet afgeleid
67)
Thiacloprid
Neonicotinoïde bestrijdingsmiddelen
111988-49-9
601-147-9
0,01
0,001
0,05
0,005
68)
Thiamethoxam
Neonicotinoïde bestrijdingsmiddelen
153719-23-4
428-650-4
0,04
0,004
0,77
0,077
69)
Triclosan
Biociden
3380-34-5
222-182-2
0,02
0,002
0,02
0,002
70)
Totaal aan werkzame stoffen in bestrijdingsmiddelen, met inbegrip van de relevante metabolieten, afbraak- en reactieproducten daarvan (29)
Gewasbeschermingsmiddelen en pesticiden
0,5 (30)
0,5 (30)
70 bis) [Am. 152]
Bisfenol
Industriële stoffen
niet van toepassing
niet van toepassing
*
*
*
*
70 ter) [Am. 153]
PFAS - totaal
Industriële stoffen
niet van toepassing
niet van toepassing
*
*
*
*
70 quater) [Am. 154]
Farmaceutische werkzame stoffen
Geneesmiddelen
niet van toepassing
niet van toepassing
0,25
0,025
* De kwaliteitsnorm wordt door de Commissie bij gedelegeerde handeling vastgesteld.
(1) CAS: Chemical Abstracts Service.
(2) EU-nummer: Europese inventaris van bestaande chemische handelsstoffen (Einecs) of de Europese lijst van chemische stoffen waarvan kennisgeving is gedaan (Elincs).
(3) Deze parameter is de MKN uitgedrukt als jaargemiddelde (JG-MKN). Tenzij anders is aangegeven, is deze van toepassing op de totale concentratie van alle stoffen en isomeren.
(4) Landoppervlaktewateren omvatten rivieren en meren en de bijbehorende kunstmatige of sterk veranderde waterlichamen.
(5) Deze parameter is de MKN uitgedrukt als maximaal aanvaardbare concentratie (MAC-MKN). Wanneer voor de MAC-MKN “niet van toepassing” wordt aangegeven, worden de JG-MKN-waarden verondersteld bescherming te bieden tegen kortdurende verontreinigingspieken in continue lozingen, aangezien deze aanzienlijk lager zijn dan de op basis van de acute toxiciteit afgeleide waarde.
(6) Als er een MKN voor biota wordt gegeven dan wordt deze, in plaats van de MKN voor water, toegepast onverminderd de bepaling in artikel 3, lid 3, van deze richtlijn waarin wordt toegestaan dat er in plaats daarvan een alternatief biotataxon of een andere matrix wordt gemonitord, voor zover de toegepaste MKN een gelijkwaardig beschermingsniveau biedt. Tenzij anders vermeld, gelden de biota-MKN voor vissen. Voor de stoffen met nummer 15 (fluorantheen), 28 (PAK’s) en 51 (bisfenol A) heeft de biota-MKN betrekking op schaal- en weekdieren. Voor de beoordeling van de chemische toestand is de monitoring van fluoranteen, PAK’s en bisfenol A in vissen niet geschikt. Voor stof nummer 37 (dioxinen en dioxineachtige verbindingen) heeft de biota-MKN betrekking op vis, schaal- en weekdieren, in overeenstemming met afdeling 5.3 van de bijlage bij Verordening (EU) nr. 1259/2011 van de Commissie*.
(7) Voor de groep prioritaire stoffen die vallen onder gebromeerde difenylethers (nr. 5), verwijzen de MKN naar de som van de concentraties voor de congeneren nr. 28, 47, 99, 100, 153 en 154.
(9) Voor cadmium en cadmiumverbindingen (nr. 6) zijn de MKN-waarden afhankelijk van de hardheid van het water, ingedeeld in vijf klassen (klasse 1: < 40 mg CaCO3/l, klasse 2: 40 tot < 50 mg CaCO3/l, klasse 3: 50 tot < 100 mg CaCO3/l, klasse 4: 100 tot < 200 mg CaCO3/l, klasse 5: ≥ 200 mg CaCO3/l.
(10) Er wordt geen indicatieve parameter opgegeven voor deze groep stoffen. De indicatieve parameter(s) moet(en) door de analysemethode worden bepaald.
(11) DDT totaal omvat de som van de isomeren 1,1,1-trichloor-2,2-bis(p-chloorfenyl)ethaan (CAS-nummer 50-29-3, EU-nummer 200-024-3); 1,1,1-trichloor-2-(o-chloorfenyl)-2-(pchloorfenyl)ethaan (CAS-nummer 789 02 6, EU-nummer 212 332 5); 1,1-dichloor-2,2-bis(p-chloorfenyl)ethyleen (CAS-nummer 72 55 9, EU-nummer 200 784 6); en 1,1-dichloor-2,2-bis(p-chloorfenyl)ethaan (CAS-nummer 72 54 8, EU-nummer 200 783 0).
(12) Deze MKN hebben betrekking op de biologisch beschikbare concentraties van de stoffen.
(13) De MKN voor biota hebben betrekking op methylkwik.
(14) Nonylfenol (CAS 25154-52-3, EU 246-672-0) met inbegrip van isomeren 4-nonylfenol (CAS 104-40-5, EU 203-199-4) en 4-nonylfenol (vertakt) (CAS 84852-15-3, EU 284-325-5).
(15) Octylfenol (CAS 1806-26-4, EU 217-302-5) met inbegrip van isomeer 4-(1,1’,3,3’-tetramethylbutyl)-fenol (CAS 140-66-9, EU 205-426-2).
(17) Voor de groep polyaromatische koolwaterstoffen (PAK’s) (nr. 28) hebben de biota-MKN betrekking op de som van de concentraties van zeven van de acht in voetnoot 17 vermelde PAK’s, uitgedrukt als benzo[a]pyreenequivalenten op basis van de kankerverwekkende eigenschappen van de stoffen ten opzichte van die van benzo[a]pyreen, dat wil zeggen de RPF’s in voetnoot 16. Benzo[g,h,i]peryleen hoeft niet in biota te worden gemeten om te bepalen of aan de totale MKN voor biota wordt voldaan.
(18) Tributyltin-verbindingen met inbegrip van tributyltin-kation (CAS 36643-28-4).
(19) Sediment-MKN.
(20) Er is onvoldoende informatie beschikbaar om een MAC-MKN vast te stellen voor deze stoffen.
12 dioxineachtige polychloorbifenylen (PCB-DL’s): 3,3’,4,4’-T4CB (PCB 77, CAS 32598-13-3), 3,3’,4’,5-T4CB (PCB 81, CAS 70362-50-4), 2,3,3’,4,4’-P5CB (PCB 105, CAS 32598-14-4), 2,3,4,4’,5-P5CB (PCB 114, CAS 74472-37-0), 2,3’,4,4’,5-P5CB (PCB 118, CAS 31508-00-6), 2,3’,4,4’,5’-P5CB (PCB 123, CAS 65510-44-3), 3,3’,4,4’,5-P5CB (PCB 126, CAS 57465-28-8), 2,3,3’,4,4’,5-H6CB (PCB 156, CAS 38380-08-4), 2,3,3’,4,4’,5’-H6CB (PCB 157, CAS 69782-90-7), 2,3’,4,4’,5,5’-H6CB (PCB 167, CAS 52663 72-6), 3,3’,4,4’,5,5’-H6CB (PCB 169, CAS 32774-16-6), 2,3,3’,4,4’,5,5’-H7CB (PCB 189, CAS 39635-31-9).
(22) Voor de groep dioxinen en dioxineachtige verbindingen (nr. 37) hebben de biota-MKN betrekking op de som van de concentraties van de in voetnoot 20 vermelde stoffen, uitgedrukt als toxische equivalenten op basis van de toxische-equivalentiefactoren van de Wereldgezondheidsorganisatie van 2005.
(23) CAS 52315-07-8 betreft een mengsel van isomeren van cypermethrin, alpha-cypermethrin (CAS 67375-30-8, EU 257-842-9), bèta-cypermethrin (CAS 65731-84-2, EU 265-898-0), thèta-cypermethrin (CAS 71691-59-1) en zèta-cypermethrin (CAS 52315-07-8, EU 257-842-9).
(24) Dit betreft 1,3,5,7,9,11-hexabroomcyclododecaan (CAS 25637-99-4, EU 247-148-4), 1,2,5,6,9,10-hexabroomcyclododecaan (CAS 3194-55-6, EU 221-695-9), α-hexabroomcyclododecaan (CAS 134237-50-6), β-hexabroomcyclododecaan (CAS 134237-51-7) en γ-hexabroomcyclododecaan (CAS 134237-52-8).
(25) Voor zoet water dat wordt gebruikt voor de onttrekking en bereiding van drinkwater.
(26) Voor zoet water dat niet wordt gebruikt voor de onttrekking en bereiding van drinkwater.
(27) Dit heeft betrekking op de volgende verbindingen, die met hun CAS-nummer, EU-nummer en relatieve potentiefactor (RPF) worden vermeld:
perfluoroctaanzuur (PFOA) (CAS 335-67-1, EU 206-397-9) (RPF 1), perfluoroctaansulfonzuur (PFOS) (CAS 1763-23-1, EU 217-179-8) (RPF 2), perfluorhexaansulfonzuur (PFHxS) (CAS 355-46-4, EU 206-587-1) (RPF 0,6), perfluornonaanzuur (PFNA) (CAS 375-95-1, EU 206-801-3) (RPF 10), perfluorbutaansulfonzuur (PFBS) (CAS 375-73-5, EU 206-793-1) (RPF 0,001), perfluorhexaanzuur (PFHxA) (CAS 307-24-4, EU 206-196-6) (RPF 0,01), perfluorbutaanzuur (PFBA) (CAS 375-22-4, EU 206-786-3) (RPF 0,05), perfluorpentaanzuur (PFPeA) (CAS 2706-90-3, EU 220-300-7) (RPF 0,03), perfluorpentaansulfonzuur (PFPeS) (CAS 2706-91-4, EU 220-301-2) (RPF 0,3005), perfluordecaanzuur (PFDA) (CAS 335-76-2, EU 206-400-3) (RPF 7), perfluordodecaanzuur (PFDoDA of PFDoA) (CAS 307-55-1, EU 206-203-2) (RPF 3), perfluorundecaanzuur (PFUnDA of PFUnA) (CAS 2058-94-8, EU 218-165-4) (RPF 4), perfluorheptaanzuur (PFHpA) (CAS 375-85-9, EU 206-798-9) (RPF 0,505), perfluortridecaanzuur (PFTrDA) (CAS 72629-94-8, EU 276-745-2) (RPF 1,65), perfluorheptaansulfonzuur (PFHpS) (CAS 375-92-8, EU 206-800-8) (RPF 1,3), perfluordecaansulfonzuur (PFDS) (CAS 335-77-3, EU 206-401-9) (RPF 2), perfluortetradecaanzuur (PFTeDA) (CAS 376-06-7, EU 206-803-4) (RPF 0,3), perfluorhexadecaanzuur (PFHxDA) (CAS 67905-19-5, EU 267-638-1) (RPF 0,02), perfluoroctodecaanzuur (PFODA) (CAS 16517-11-6, EU 240-582-5) (RPF 0,02), ammonium perfluor-(2-methyl-3-oxahexanoaat) (HFPO-DA of GenX) (CAS 62037-80-3) (RPF 0,06), propionzuur / ammonium 2,2,3-trifluor-3-(1,1,2,2,3,3,-hexafluor-3-(trifluormethoxy)propoxyl)propanoaat (ADONA) (CAS 958445-44-8) (RPF 0,03), 2-(perfluorhexyl)ethylalcohol (6:2 FTOH) (CAS 647-42-7, EU 211-477-1) (RPF 0,02), 2-(perfluoroctyl)ethanol (8:2 FTOH) (CAS 678-39-7, EU 211-648-0) (RPF 0,04) en azijnzuur / 2,2-difluor-2-((2,2,4,5-tetrafluor-5-(trifluormethoxy)-1,3-dioxolaan-4-yl)oxy- (C6O4) (CAS 1190931-41-9) (RPF 0,06).
(28) Voor de groep van PFAS (nr. 65) hebben de MKN betrekking op de som van de concentraties van de 24 PFAS die in voetnoot 27 worden vermeld en die als PFOA-equivalenten worden uitgedrukt op basis van de potenties van de stoffen in vergelijking met die van PFOA, dat wil zeggen de RPF’s in voetnoot 27.
(29) Onder “bestrijdingsmiddelen” worden gewasbeschermingsmiddelen verstaan zoals bedoeld in artikel 2 van Verordening (EG) nr. 1107/2009 en biociden zoals omschreven in artikel 3 van Verordening (EU) nr. 528/2012.
(30) Onder “totaal” wordt verstaan, de som van alle tijdens de monitoringprocedure opgespoorde en gekwantificeerde afzonderlijke bestrijdingsmiddelen, met inbegrip van de relevante metabolieten, afbraak- en reactieproducten daarvan.”.
(3) Deel B wordt als volgt gewijzigd:
a) in punt 1 wordt de eerste alinea vervangen door:
“Voor elk oppervlaktewaterlichaam wordt onder toepassing van de JG-MKN verstaan dat voor elk representatief meetpunt in dit waterlichaam het rekenkundig gemiddelde van de op verschillende tijdstippen in de loop van het jaar gemeten concentraties niet boven de norm ligt.;”
b) in punt 2 wordt de eerste alinea vervangen door:
“Voor elk oppervlaktewaterlichaam wordt onder de toepassing van de MAC-MKN verstaan dat de gemeten concentratie op enig representatief meetpunt in het waterlichaam niet boven de norm ligt.”.
Bijlage VI
“BIJLAGE II
MILIEUKWALITEITSNORMEN VOOR STROOMGEBIEDSPECIFIEKE VERONTREINIGENDE STOFFEN
DEEL A: LIJST VAN CATEGORIEËN STROOMGEBIEDSPECIFIEKE VERONTREINIGENDE STOFFEN
1. Organische halogeenverbindingen en stoffen die in het aquatische milieu dergelijke verbindingen kunnen vormen.
2. Organische fosforverbindingen.
3. Organische tinverbindingen.
4. Stoffen en preparaten, of de afbraakproducten daarvan, waarvan is aangetoond dat zij carcinogene of mutagene eigenschappen hebben, of eigenschappen die in of via het aquatische milieu gevolgen kunnen hebben voor steroïdogene functies, schildklierfuncties, de voortplanting of andere hormonale functies.
5. Persistente koolwaterstoffen en persistente en bioaccumuleerbare organische toxische stoffen.
6. Cyaniden.
7. Metalen en metaalverbindingen.
8. Arseen en arseenverbindingen.
9. Biociden en gewasbeschermingsmiddelen.
10. Stoffen in suspensie, met inbegrip van micro-/nanoplastics, alsook materialen waarvan bekend is dat zij kunnen leiden tot micro-/nanoplastics. [Am. 155]
11. Stoffen die bijdragen tot eutrofiëring (met name nitraten en fosfaten).
12. Stoffen die een ongunstige invloed uitoefenen op de zuurstofbalans en die kunnen worden gemeten met behulp van parameters zoals BZV, CZV, enz.
13. Micro-organismen, genetisch materiaal of genen die de aanwezigheid weergeven van micro-organismen die resistent zijn tegen antimicrobiële stoffen, met name micro-organismen die pathogeen zijn voor mensen en vee.
DEEL B: DE PROCEDURE VOOR DE AFLEIDING VAN MILIEUKWALITEITSNORMEN VOOR STROOMGEBIEDSPECIFIEKE VERONTREINIGENDE STOFFEN
De methoden die worden gebruikt voor de vaststelling van MKN voor stroomgebiedspecifieke verontreinigende stoffen omvatten de volgende stappen:
a) vaststelling van de receptoren en compartimenten of matrices met een risico op blootstelling aan de tot bezorgdheid aanleiding gevende stof;
b) ordening en kwaliteitsbeoordeling van de gegevens over de eigenschappen van de tot bezorgdheid aanleiding gevende stof, met inbegrip van de (eco)toxiciteit ervan, met name op basis van laboratorium-, mesokosmos- en veldonderzoeken die zowel betrekking hebben op de chronische als de acute effecten in zoet- en zoutwateromgevingen;
c) extrapolatie van de (eco)toxiciteitsgegevens naar concentraties zonder effect of gelijkaardige concentraties waarbij gebruik wordt gemaakt van deterministische of probabilistische methoden, en selectie en toepassing van passende beoordelingsfactoren om onzekerheden aan te pakken en MKN af te leiden;
d) vergelijking van MKN voor verschillende receptoren en compartimenten, en selectie van kritische MKN, dat wil zeggen de MKN die bescherming biedt aan de gevoeligste receptor in het meest relevante compartiment of de meest relevante matrix.
d bis) bij het vaststellen van milieukwaliteitsnormen voor metalen worden biobeschikbaarheidsmodellen overwogen om rekening te houden met verschillende waterkwaliteitsparameters die van invloed zijn op de biobeschikbaarheid van metalen. [Am. 156]
DEEL C: REGISTER VAN GEHARMONISEERDE MILIEUKWALITEITSNORMEN VOOR STROOMGEBIEDSPECIFIEKE VERONTREINIGENDE STOFFEN
[Vermelding] nr.
Naam van de stof
Categorie stoffen
CAS-nummer (1)
EU-nummer (2)
JG-MKN (3)
Landoppervlaktewateren (4)
[µg/l]
JG-MKN (3)
Andere oppervlaktewateren
[µg/l]
MAC-MKN (5)
Landoppervlaktewateren (4)
[µg/l]
MAC-MKN (5)
Andere oppervlaktewateren
[µg/l]
MKN
Biota (6
[µg/kg nat gewicht] of MKN voor sediment wanneer dat wordt vermeld [µg/kg droog gewicht]
1
Alachloor (7)
Bestrijdingsmiddelen
15972-60-8
240-110-8
0,3
0,3
0,7
0,7
2
Tetrachloorkoolstof (7)
Industriële stoffen
56-23-5
200-262-8
12
12
niet van toepassing
niet van toepassing
3
Chloorfenvinphos (7)
Bestrijdingsmiddel
470-90-6
207-432-0
0,1
0,1
0,3
0,3
4
Simazine (7)
Bestrijdingsmiddel
122-34-9
204-535-2
1
1
4
4
(1) CAS: Chemical Abstracts Service.
(2) EU-nummer: Europese inventaris van bestaande chemische handelsstoffen (Einecs) of de Europese lijst van chemische stoffen waarvan kennisgeving is gedaan (Elincs).
(3) Deze parameter is de MKN uitgedrukt als jaargemiddelde (JG-MKN). Tenzij anders is aangegeven, is deze van toepassing op de totale concentratie van alle stoffen en isomeren.
(4) Landoppervlaktewateren omvatten rivieren en meren en de bijbehorende kunstmatige of sterk veranderde waterlichamen.
(5) Deze parameter is de MKN uitgedrukt als maximaal aanvaardbare concentratie (MAC-MKN). Wanneer voor de MAC-MKN “niet van toepassing” wordt aangegeven, worden de JG-MKN-waarden verondersteld bescherming te bieden tegen kortdurende verontreinigingspieken in continue lozingen, aangezien deze aanzienlijk lager zijn dan de op basis van de acute toxiciteit afgeleide waarde.
(6) Als er een biota-MKN wordt gegeven dan wordt deze toegepast, in plaats van de MKN voor water, onverminderd de bepaling in artikel 3, lid 3, van deze richtlijn waarin wordt toegestaan dat er in plaats daarvan een alternatief biotataxon of een andere matrix wordt gemonitord, voor zover de toegepaste MKN een gelijkwaardig beschermingsniveau biedt. Tenzij anders vermeld, gelden de biota-MKN voor vissen.
(7) Stof die voorheen als prioritaire stof in bijlage X bij Richtlijn 2000/60/EG is opgenomen of in bijlage I bij Richtlijn 2008/105/EG.”.
Dit standpunt stemt overeen met de amendementen die zijn aangenomen op 12 september 2023 (PB C, C/2024/1777, 22.3.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/1777/oj).
Besluit (EU) 2022/591 van het Europees Parlement en de Raad van 6 april 2022 betreffende een algemeen milieuactieprogramma voor de Europese Unie voor de periode tot en met 2030.
Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Europese Raad, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s, “De Europese Green Deal”, COM(2019) 640 final.
Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s, “Strategie voor duurzame chemische stoffen – Op weg naar een gifvrij milieu”, COM(2020) 667 final.
Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s, “Route naar een gezonde planeet voor iedereen – EU-actieplan: Verontreiniging van lucht, water en bodem naar nul”, COM(2021) 400 final.
Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s, “Een Europese strategie voor kunststoffen in een circulaire economie”, COM(2018) 28 final.
Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s, “Farmaceutische strategie voor Europa”, COM(2020) 761 final.
Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s, “EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030 – De natuur terug in ons leven brengen”, COM(2020) 380 final.
Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s, “Een “van boer tot bord”-strategie voor een eerlijk, gezond en milieuvriendelijk voedselsysteem”, COM(2020) 381 final.
Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s, “EU-bodemstrategie voor 2030 – Profiteren van de voordelen van een gezonde bodem voor mens, voedsel, natuur en klimaat”, COM(2021) 699 final.
Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s, “De digitale toekomst van Europa vormgeven”, COM(2020) 67 final.
Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s, “Een Europese datastrategie”, COM(2020) 66 final.
Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PB L 327 van 22.12.2000, blz. 1).
Richtlijn 2008/105/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 inzake milieukwaliteitsnormen op het gebied van het waterbeleid, tot wijziging en vervolgens intrekking van de Richtlijnen 82/176/EEG, 83/513/EEG, 84/156/EEG, 84/491/EEG en 86/280/EEG van de Raad, en tot wijziging van Richtlijn 2000/60/EG (PB L 348 van 24.12.2008, blz. 84).
Beschikking nr. 2455/2001/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2001 tot vaststelling van de lijst van prioritaire stoffen op het gebied van het waterbeleid en tot wijziging van Richtlijn 2000/60/EG (PB L 331 van 15.12.2001, blz. 1).
Richtlijn 2006/118/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende de bescherming van het grondwater tegen verontreiniging en achteruitgang van de toestand (PB L 372 van 27.12.2006, blz. 19).
Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (Reach) tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen (PB L 396 van 30.12.2006, blz. 1).
Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (PB L 309 van 24.11.2009, blz. 1).
Verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het op de markt aanbieden en het gebruik van biociden (PB L 167 van 27.6.2012, blz. 1).
Verordening (EU) 2019/6 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 betreffende diergeneesmiddelen en tot intrekking van Richtlijn 2001/82/EG (PB L 4 van 7.1.2019, blz. 43).
Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik (PB L 311 van 28.11.2001, blz. 67).
Richtlijn 2009/128/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van een kader voor communautaire actie ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van pesticiden (PB L 309 van 24.11.2009, blz. 71).
Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) (PB L 334 van 17.12.2010, blz. 17).
“Transcriptomic signalling in zebrafish embryos exposed to environmental concentrations of glyphosate”, 2022. “Effects of low-concentration glyphosate and aminomethyl phosphonic acid on zebrafish embryo development”, 2021. “Global transcriptomic profiling demonstrates induction of oxidative stress and compensatory cellular stress responses in brown trout exposed to glyphosate and Roundup”, 2018.
Beschikking van de Commissie van 10 maart 2004 betreffende de niet-opneming van atrazine in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG van de Raad en de intrekking van de toelating voor gewasbeschermingsmiddelen die deze werkzame stof bevatten (PB L 78 van 16.3.2004, blz. 53).
Richtlijn (EU) 2020/2184 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2020 betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water (herschikking) (PB L 435 van 23.12.2020, blz. 1).
SCHEER. Contribution to ENV consultation: Comments on the Commission’s proposal for amending the WFD/GWD/EQSD, March 2023. SCHEER. Groundwater quality standards for proposed additional pollutants in the annexes to the Groundwater Directive (2006/118/EC), July 2022.
EMA. Assessing the toxicological risk to human health and groundwater communities from veterinary pharmaceuticals in groundwater - Scientific guideline, April 2018.
EMA. Assessing the toxicological risk to human health and groundwater communities from veterinary pharmaceuticals in groundwater - Scientific guideline, April 2018.
Richtlijn (EU) 2020/2184 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2020 betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water (herschikking) (PB L 435 van 23.12.2020, blz. 1).
“Global burden of bacterial antimicrobial resistance in 2019: a systematic analysis”, Lancet, 19 januari 2022 https://www.sciencedirect.com/science/article/pii/S0140673621027240?via%3Dihub
Werkdocument van de diensten van de Commissie “Fitness Check of the Water Framework Directive, Groundwater Directive, Environmental Quality Standards Directive and Floods Directive” (geschiktheidscontrole van de kaderrichtlijn water, de grondwaterrichtlijn, de richtlijn milieukwaliteitsnormen en de overstromingsrichtlijn), SWD(2019) 439 final.
Richtlijn 2007/2/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 maart 2007 tot oprichting van een infrastructuur voor ruimtelijke informatie in de Gemeenschap (Inspire) (PB L 108 van 25.4.2007, blz. 1).
Richtlijn (EU) 2019/1024 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 inzake open data en het hergebruik van overheidsinformatie (PB L 172 van 26.6.2019, blz. 56).
Verordening (EG) nr. 166/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 januari 2006 betreffende de instelling van een Europees register inzake de uitstoot en overbrenging van verontreinigende stoffen en tot wijziging van de Richtlijnen 91/689/EEG en 96/61/EG van de Raad (PB L 33 van 4.2.2006, blz. 1).
Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).
+Publicatiebureau: gelieve het nummer van de in document COM(2022) 157 genoemde verordening alsook het nummer, de datum en de PB-referentie van die richtlijn in de voetnoot in te voegen.
Zaak C-535/18, arrest van het Hof (Eerste kamer) van 28 mei 2020; IL e.a. tegen Land Nordrhein-Westfalen. Zaak C-664/15, arrest van het Hof (Tweede kamer) van 20 december 2017; Protect Natur-, Arten- und Landschaftsschutz Umweltorganisation tegen Bezirkshauptmannschaft Gmünd.
Besluit nr. 1313/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende een Uniemechanisme voor civiele bescherming (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 924).
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 24 april 2024 over het voorstel voor een verordening van de Raad tot wijziging van Verordening (EU) 2021/1173 wat betreft een EuroHPC-initiatief voor start-ups om Europees leiderschap op het gebied van betrouwbare artificiële intelligentie te stimuleren (COM(2024)0029 – C9-0013/2024 – 2024/0016(CNS))
– gezien het voorstel van de Commissie aan de Raad (COM(2024)0029),
– gezien artikel 187 en artikel 188, eerste alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C9‑0013/2024),
– gezien artikel 82 van zijn Reglement,
– gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie (A9‑0161/2024),
1. hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel, zoals geamendeerd door het Parlement;
2. verzoekt de Commissie haar voorstel krachtens artikel 293, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie dienovereenkomstig te wijzigen;
3. verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;
4. wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in het voorstel van de Commissie;
5. verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de nationale parlementen.
Voorstel voor een VERORDENING VAN DE RAAD tot wijziging van Verordening (EU) 2021/1173 wat betreft een EuroHPC-initiatief voor start-ups om Europees leiderschap op het gebied van betrouwbare artificiële intelligentie te stimuleren
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 187 en artikel 188, eerste alinea,
Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(3),
Handelend volgens een bijzondere wetgevingsprocedure,
Overwegende hetgeen volgt:
(1) Verordening (EU) 2024/… van het Europees Parlement en de Raad(4) tot vaststelling van geharmoniseerde regels betreffende artificiële intelligentie (de “verordening artificiële intelligentie”) heeft ten doel de werking van de interne markt te verbeteren door een uniform rechtskader vast te stellen, met name voor de ontwikkeling, het in de handel brengen en het gebruik van artificiële intelligentie in overeenstemming met de waarden van de Unie.
(2) Sinds 2021, toen Verordening (EU) 2021/1173 van de Raad(5) werd vastgesteld, is op het gebied van artificiële intelligentie (AI) enorme technische vooruitgang geboekt en is artificiële intelligentie wereldwijd een zeer strategisch en betwist domein geworden. De Unie speelt een voortrekkersrol bij de inspanningen om ethische en verantwoorde innovatie op het gebied van betrouwbare AI te ondersteunen en tegelijkertijd in vangrails te voorzien en doeltreffende governance te ontwikkelen.
(3) Op 13 september 2023 heeft de Commissie, als onderdeel van een omvattende aanpak ter ondersteuning van verantwoorde innovatie op het gebied van AI, een nieuw strategisch initiatief aangekondigd om de capaciteit voor high-performance computing van de Unie beschikbaar te maken voor innovatieve Europese start-ups op het gebied van betrouwbare AI om hun modellen te trainen. Dit vormt een aanvulling op de werkzaamheden om via Verordening (EU) 2024/… vangrails voor AI op te tuigen, governancestructuren op te zetten en innovatie te ondersteunen door middel van het gecoördineerd plan inzake artificiële intelligentie.
(3 bis) Om gebruik te maken van haar supercomputing-infrastructuur en een innovatief Europees AI-ecosysteem te bevorderen, onder meer door de oprichting van AI-fabrieken in de hele Unie, wordt in de mededeling van de Commissie van 24 januari 2024 over het stimuleren van start-ups en innovatie op het gebied van betrouwbare artificiële intelligentie een strategisch investeringskader vastgesteld om start-ups en de industrie in de Unie in staat te stellen hun potentieel te benutten om wereldwijd koplopers te worden op het gebied van betrouwbare geavanceerde AI-modellen, -systemen en -toepassingen.
(4) Aangezien de krachtigste supercomputingcapaciteit van wereldklasse van de Unie te vinden is in de faciliteiten van de Gemeenschappelijke Onderneming Europese high-performance computing (de “gemeenschappelijke onderneming”), moeten die faciliteiten beschikbaar worden gesteld om het initiatief van de Commissie te verwezenlijken. Daarom is het noodzakelijk een verdere doelstelling aan de bestaande zes doelstellingen van de gemeenschappelijke onderneming toe te voegen, die betrekking heeft op de bijdrage van haar supercomputers aan het nieuwe AI-initiatief van de Unie, om te zorgen voor billijkheid, transparantie, betrouwbaarheid en een positieve maatschappelijke impact en te voorzien in de behoeften en doelstellingen van de Unie.
(5) De nieuwe doelstelling zou de gemeenschappelijke onderneming in staat stellen activiteiten uit te voeren op het gebied van de opwaardering of verwerving en exploitatie van AI-gerichte supercomputers of delen van supercomputers om het snel machinaal leren en trainen van grote betrouwbare en ethische AI-basismodellen mogelijk te maken, waardoor het concurrentievermogen en de industriële basis van de EU op het gebied van AI worden versterkt. De gemeenschappelijke onderneming moet ook de mogelijkheid krijgen een nieuwe wijze van toegang tot haar computermiddelen te creëren, met name voor AI-start-ups en de bredere wetenschappelijke gemeenschap die actief is op het gebied van AI, en om AI-gerichte toepassingen, -modellen en -systemen te ontwikkelen die zijn geoptimaliseerd om op haar supercomputers te draaien en tegelijk te zorgen voor open toegang, billijkheid en transparantie. Deze veranderingen zouden de gemeenschappelijke onderneming in staat stellen computerkracht en -diensten op maat aan te bieden ter bevordering van grootschalige training, ontwikkeling en adoptie van AI in de Unie, wat niet mogelijk is in het kader van de huidige verordening.
(5 bis) De gemeenschappelijke onderneming moet één loket oprichten op basis van de beginselen van open toegang, zodat verschillende soorten gebruikers het potentieel van AI op het gebied van supercomputing ten volle kunnen benutten. De mogelijkheden die de AI-fabrieken bieden, moeten uitgebreid gecommuniceerd worden naar start-ups, kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s), het innovatie-ecosysteem en onderzoekers die betrokken zijn bij programma’s van de Unie, waarbij de vele voordelen die AI kan bieden in supercomputertoepassingen onder de aandacht worden gebracht. Daarnaast moet de samenwerking tussen AI-fabrieken op Unieniveau rekenkracht beschikbaar maken als een dienst in de hele Unie, wat cruciaal is voor de aangeboden ondersteunende diensten, waardoor de toegang tot deze kritieke infrastructuur verder wordt vereenvoudigd. Dit moet ook dienen om vraaggeoriënteerde EuroHPC-supercomputers te ontwikkelen en ervoor te zorgen dat de infrastructuur voldoet aan de veranderende behoeften van gebruikers en sectoren in de hele Unie.
(5 ter) In de resolutie van het Europees Parlement van 14 december 2023 over bevordering van innovatie en industrieel en technologisch concurrentievermogen door middel van een gunstig klimaat voor start-ups en scale-ups(6) wordt benadrukt dat scale-ups een cruciale rol spelen bij het stimuleren van innovatie, banenschepping en economische groei in de Unie, en wordt de Commissie en de lidstaten verzocht een passende definitie van scale-ups vast te stellen op basis van schaalbaarheid, rekening houdend met de verschillen tussen start-ups en kmo’s. De raad van bestuur van de gemeenschappelijke onderneming moet voorwaarden vaststellen om toegang te krijgen tot dergelijke AI-specifieke supercomputers en relevante ondersteunende diensten voor verschillende categorieën gebruikers, zoals start-ups, scale-ups, kmo’s, instellingen voor hoger onderwijs en onderzoekscentra, om kostenbeperkingen en een gebrek aan expertise op het gebied van middelen te overwinnen.
(5 quater) Aangezien het gebruik van supercomputers voor AI een groter gebruik van data vereist, is het belangrijk dat zij zich in de buurt bevinden of verbonden zijn met een bestaand of gepland datacentrum via hogesnelheidsnetwerken. Voorts moeten dergelijke datacentra volledig voldoen aan de vereisten van artikel 12 van Richtlijn (EU) 2023/1791 van het Europees Parlement en de Raad(7) en in de toekomst worden gekoppeld aan de gemeenschappelijke Europese dataruimten om de training van modellen op belangrijke sectorale gebieden te vergemakkelijken. Gastentiteiten moeten effectief gebruik kunnen maken van financiële steun van de gemeenschappelijke Europese dataruimten om hun infrastructuur te verbeteren, onder meer om datacentra te verwerven of te upgraden. Synergieën tussen de verschillende initiatieven moeten worden bevorderd.
(5 quinquies) Aangezien het gebruik van supercomputers voor AI een aanzienlijke toename van de rekenkracht vereist, wat op zijn beurt leidt tot een groter energieverbruik, moeten de gastentiteiten over plannen beschikken met betrekking tot hun energie-efficiëntie en ecologische duurzaamheid. Die plannen moeten ervoor zorgen dat de supercomputer toegang heeft tot een veilige en stabiele aansluiting op het net en elektriciteitsvoorziening, bij voorkeur door middel van betaalbare schone energie, met inbegrip van het gebruik van stroomafnameovereenkomsten, die ook gebaseerd kunnen zijn op hernieuwbare energie, en het gebruik van lokaal opgewekte elektriciteit. Bovendien moeten AI-modellen voldoen aan de eisen inzake energieverbruik van Verordening (EU) 2024/... [verordening artificiële intelligentie]. De in die verordening vastgestelde rapportageverplichtingen voor AI-modellen voor algemene doeleinden moeten worden nageleefd.
(5 sexies) AI-fabrieken zullen uitgebreide ondersteunende diensten op het gebied van supercomputing verlenen aan AI-start-ups, kleine innovatieve bedrijven en het ruimere onderzoeks- en innovatie-ecosysteem. Deze diensten zijn cruciaal voor het vergemakkelijken van de toegang tot supercomputers en bieden speciale programmeerfaciliteiten en algoritmische ondersteuning voor het verder ontwikkelen, testen, evalueren en valideren van modellen en systemen voor het trainen van AI. Verder helpen ze bij het creëren van nieuwe gebruiksmogelijkheden en opkomende toepassingen op de strategische gebieden van de Unie, waaronder robotica en fabricage, nieuwe materialen en batterijen, ruimtevaart, mobiliteit, geconnecteerd en geautomatiseerd rijden, gezondheid en zorg, biotechnologie, energie, klimaatverandering en -adaptatie, complexe systeemdynamica, virtuele werelden en digitale tweelingen, cyberbeveiliging, landbouwpraktijken, onderzoek en innovatie en de publieke sector.
(6) Om de toepassingsdatum van deze verordening af te stemmen op de toepassingsdatum van de bepalingen van Verordening (EU) 2024/… van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van geharmoniseerde regels inzake artificiële intelligentie, moet deze verordening onverwijld van toepassing worden.
(7) Verordening (EU) 2021/1173 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd,
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Verordening (EU) 2021/1173 wordt als volgt gewijzigd:
1) Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:
a) de volgende punten 3 bis) en 3 ter) worden ingevoegd:"
“3 ter) “artificiële-intelligentiegerichte supercomputer”: een supercomputer die in de eerste plaats is ontworpen voor het trainen van grootschalige civieleartificiële-intelligentiemodellen voor algemene doeleinden en opkomende artificiële-intelligentietoepassingen en voor het ontwikkelen van technologieën en systemen;
3 quater)
“artificiële-intelligentiefabriek”: een gecentraliseerd of gedistribueerd open ecosysteem dat een diensteninfrastructuur voor supercomputing op het gebied van artificiële intelligentie aanbiedt die bestaat uit een artificiële-intelligentiegerichte supercomputer of een artificiële-intelligentiegericht deel van een supercomputer, of een EuroHPC-supercomputer die is geüpgraded voor AI, een bijbehorend datacentrum, specifieke toegang en artificiële-intelligentiegeoriënteerde supercomputingdiensten, en dat openlijk en actief talent ontwikkelt, aantrekt, behoudt en bundelt om de competenties, vaardigheden en kennis te leveren die nodig zijn, dat gebruikers helpt en begeleidt bij het gebruik van de supercomputers voor artificiële intelligentie, en dat de diensten levert die nodig zijn voor het onderhoud ervan;”;
"
b) punt 9 wordt vervangen door:"
“9) “EuroHPC-supercomputer”: elk computersysteem waarvan de gemeenschappelijke onderneming volledig eigenaar is of waarvan zij mede-eigenaar is samen met andere deelnemende staten of een consortium van particuliere partners; het kan gaan om een klassieke supercomputer (hoogwaardige supercomputer, industriële supercomputer, artificiële-intelligentiegerichte supercomputer of midrange-supercomputer), een hybride klassieke kwantumcomputer, een kwantumcomputer of een kwantumsimulator;”.
"
2) Aan artikel 3, lid 2, wordt het volgende punt h) toegevoegd:"
“h) de artificiële-intelligentiefabrieken ontwikkelen en exploiteren ter ondersteuning van de verdere ontwikkeling van een zeer concurrerend, duurzaam, betrouwbaar, ethisch en innovatief artificiële-intelligentie-ecosysteem in de Unie.”.
"
3) Aan artikel 4, lid 1, wordt het volgende punt h) toegevoegd:"
“h) de pijler Artificiële-intelligentiefabriek voor betrouwbare en ethische artificiële intelligentie, die activiteiten omvat voor het aanbieden van een artificiële-intelligentiegeoriënteerde supercomputingdiensteninfrastructuur die gericht is op de verdere ontwikkeling van de innovatiecapaciteiten en -vaardigheden van het artificiële-intelligentie-ecosysteem; die activiteiten hebben onder meer betrekking op:
i)
de verwerving en exploitatie van artificiële-intelligentiegerichte supercomputers die op dezelfde locatie als ▌ datacentra zijn ondergebracht of met datacentra zijn verbonden via zeer snelle netwerken;
ii)
de upgrade van bestaande EuroHPC-supercomputers met artificiële-intelligentiecapaciteiten;
iii)
de verlening van toegang tot de artificiële-intelligentiegerichte supercomputers of EuroHPC-supercomputers die zijn geüpgraded met artificiële intelligentie-capaciteiten, onder meer door het gebruik ervan uit te breiden tot een groot aantal publieke en particuliere gebruikers, waaronder start-ups, scale-ups, kmo’s, instellingen voor hoger onderwijs en de ruimere wetenschappelijke gemeenschap;
iii bis)
ruime communicatie over de mogelijkheden die de AI-fabrieken bieden aan start-ups, scale-ups en onderzoeks- en innovatiegemeenschappen;
iv)
de exploitatie van gecentraliseerde of gedistribueerde artificiële-intelligentiegeoriënteerde supercomputingdienstencentra ter ondersteuning van het start-up- en onderzoeks- en innovatie-ecosysteem op het gebied van artificiële intelligentie die gebruikers helpen en begeleiden, interdisciplinair onderzoek stimuleren en algoritmische ondersteuning bieden, steun voor het verder ontwikkelen, trainen, testen, evalueren en valideren van modellen en systemen voor het trainen van artificiële intelligentie, en steun voor de ontwikkeling van opkomende grootschalige artificiële-intelligentietoepassingen op strategische gebieden ▌;
v)
de exploitatie van supercomputervriendelijke programmeringsfaciliteiten, onder meer voor de parallellisatie van artificiële-intelligentietoepassingen om het gebruik van supercomputingcapaciteiten te optimaliseren, en de exploitatie van andere artificiële intelligentie ondersteunende supercomputingdiensten;
▌
vii)
via een transparant en open proces waarbij gelijke kansen gegarandeerd zijn, het aantrekken, bundelen, opleiden en behouden van talent, waaronder studenten, ontwikkelaars, onderzoekers, wetenschappers en de gebruikersgemeenschap, om hun competenties, vaardigheden en kennis met betrekking tot het gebruik van de EuroHPC-supercomputers voor artificiële intelligentie te ontwikkelen, alsmede het verstrekken van coaching op maat;
viii)
het interageren met de andere artificiële-intelligentiefabrieken, hun diensten in heel Europa toegankelijk maken, waarbij continu aandacht wordt besteed aan geografisch en genderevenwicht, en samenwerken met de EuroHPC-competentiecentra en -excellentiecentra, en met relevante artificiële-intelligentie-initiatieven van de Unie, zoals de hubs van start-ups op het gebied van artificiële intelligentie, de ecosystemen op het gebied van artificiële intelligentie en data, de faciliteiten voor het testen van en experimenteren met artificiële intelligentie, het Europees centraal platform voor artificiële intelligentie, de artificiële-intelligentiegeoriënteerde digitale-innovatiehubs, de artificiële-intelligentiegerelateerde kennis- en innovatiegemeenschappen van het Europees Instituut voor innovatie en technologie, de artificiële-intelligentiegerelateerde gemeenschappelijke ondernemingen en partnerschappen in het kader van Horizon Europa, relevante Europese onderzoeksinfrastructuren en andere gerelateerde initiatieven.”;
viii bis)
het onderhouden en optimaliseren van supercomputers met artificiële-intelligentiecapaciteiten, om hun betrouwbaarheid en prestaties voor geavanceerde rekentaken te waarborgen.”.
"
4) ▌Artikel 9, lid 5, wordt als volgt gewijzigd:
a) het volgende punt g) wordt toegevoegd:"
“g) voor de artificiële-intelligentiegerichte supercomputers gelden voor de gastentiteiten de volgende aanvullende selectiecriteria:
i)
nabijheid van of aansluiting via netwerken met zeer hoge snelheid met een gepland of bestaand datacentrum, overeenkomstig artikel 12 van Richtlijn (EU) 2023/1791;
i bis)
visie en plannen van de gastentiteit met betrekking tot de energie-efficiëntie en milieuduurzaamheid van de artificiële-intelligentiegerichte supercomputer, waarbij gebruikgemaakt wordt van een levenscyclusbenadering, de beschikbaarheid van adequate toegang tot betaalbare schone energie, onder meer door middel van stroomafnameovereenkomsten die gebaseerd kunnen zijn op hernieuwbare energie, en het gebruik van lokaal opgewekte elektriciteit;
ii)
visie, plannen en capaciteit van de gastentiteit om de uitdagingen van het ecosysteem voor start-ups en onderzoek en innovatie op het gebied van artificiële intelligentie en de artificiële-intelligentiegebruikersgemeenschap aan te pakken, dit ecosysteem te verbeteren door synergieën en innovatie te bevorderen, met inbegrip van investeringen in toekomstige technologieën, en bij te dragen tot en te voorzien in een ondersteunende gecentraliseerde of gedistribueerde artificiële-intelligentiegerichte supercomputingdienst ▌;
iii)
kwaliteit en relevantie van de ervaring en knowhow die beschikbaar zijn bij het beoogde team dat zou worden belast met de ondersteunende artificiële-intelligentiegeoriënteerde supercomputingdienstenomgeving;
iv)
plannen voor interactie en samenwerking met andere artificiële-intelligentiefabrieken, met EuroHPC-competentiecentra en EuroHPC-excellentiecentra en met relevante artificiële-intelligentieactiviteiten, zoals de hubs van start-ups op het gebied van artificiële intelligentie, de ecosystemen voor artificiële intelligentie en data, de faciliteiten voor het testen van en experimenteren met artificiële intelligentie, het Europees centraal platform voor artificiële intelligentie, de artificiële-intelligentiegerichte digitale-innovatiehubs en andere gerelateerde initiatieven;
v)
bestaande capaciteiten en toekomstplannen van de gastentiteit om bij te dragen tot de ontwikkeling, de aantrekking, de opleiding en het behoud van de talentenpool, en tot de ontwikkeling van vaardigheden, capaciteiten en competenties om de supercomputers te gebruiken, ook in de vorm van steun voor start-ups via incubator- of acceleratorprogramma’s”;
g bis)
een bestaande gastentiteit die door de raad van bestuur via een eerlijk en transparant proces en na een oproep tot het indienen van blijken van belangstelling is geselecteerd, kan een AI-fabriek oprichten als zij voldoet aan de in artikel 9, lid 5, punt g), bedoelde criteria.”.
"
5) Aan artikel 9 wordt het volgende lid 6 bis toegevoegd:"
“(6 bis) Voor de in artikel 12 bis bedoelde artificiële-intelligentiegerichte supercomputers, en voor de EuroHPC-supercomputers als bedoeld in de artikelen 11, 12, 12 bis, 14 en 15, creëren de gastentiteiten een onestopshop voor de start-ups, scale-ups, kmo’s en andere gebruikers om de toegang tot haar ondersteunende diensten te faciliteren en de ontwikkeling van hun vaardigheden en competenties te ondersteunen.”.
"
6) In artikel 10, lid 2, wordt punt l) vervangen door:"
“l) “l) de specifieke voorwaarden die gelden wanneer de gastentiteit een EuroHPC-supercomputer voor industrieel gebruik exploiteert, ▌ een artificiële-intelligentiegerichte supercomputer of een EuroHPC-supercomputer die is geüpgraded met artificiële intelligentie-capaciteiten.”.
"
7) Het volgende artikel 12 bis wordt ingevoegd:"
“Artikel 12 bis
Verwerving en eigendom van artificiële-intelligentiegerichte supercomputers
1. De gemeenschappelijke onderneming verwerft de artificiële-intelligentiegerichte supercomputers en is er eigenaar van.
2. De in artikel 5, lid 1, bedoelde financiële bijdrage van de Unie dekt tot 50 % van de verwervingskosten plus tot 50 % van de exploitatiekosten van de artificiële-intelligentiegerichte supercomputers.
Het resterende deel van de totale kosten van eigendom van de artificiële-intelligentiegerichte supercomputers wordt gedragen door de deelnemende staat waar de gastentiteit is gevestigd of door de deelnemende staten in het gastconsortium, eventueel aangevuld met de in artikel 6 bedoelde bijdragen.
3. De keuze van de leverancier van de artificiële-intelligentiegerichte supercomputers geschiedt op basis van een bestek dat vraaggestuurd is en rekening houdt met de gebruikerseisen en de algemene systeemspecificaties die de geselecteerde gastentiteit in haar aanmelding voor de oproep tot het indienen van blijken van belangstelling heeft opgegeven. Bij de keuze wordt tevens rekening gehouden met de beveiliging van de toeleveringsketen.
4. De gemeenschappelijke onderneming kan optreden als eerste gebruiker van artificiële-intelligentiegerichte supercomputers waarin technologieën zijn geïntegreerd die hoofdzakelijk in de Unie zijn ontwikkeld.
5. De raad van bestuur kan, om naar behoren gemotiveerde veiligheidsredenen, in het werkprogramma besluiten de deelname van leveranciers aan de verwerving van de artificiële-intelligentiegerichte supercomputers aan vereisten te onderwerpen overeenkomstig artikel 12, lid 6, van Verordening (EU) 2021/694 of om de deelname van leveranciers te beperken om veiligheidsredenen of voor acties die rechtstreeks verband houden met de strategische autonomie van de Unie, overeenkomstig artikel 18, lid 4, van die verordening.
6. De artificiële-intelligentiegerichte supercomputers worden ondergebracht in een gastentiteit van een EuroHPC-supercomputer in de Unie.
7. Onverminderd de ontbinding van de gemeenschappelijke onderneming als vermeld in artikel 23, lid 4, van de statuten, kan de raad van bestuur op zijn vroegst vijf jaar na de geslaagde opleveringstest van de in een gastentiteit geïnstalleerde artificiële-intelligentiegerichte supercomputer besluiten de eigendom van de artificiële-intelligentiegerichte supercomputer aan die gastentiteit over te dragen, de artificiële-intelligentiegerichte supercomputer aan een andere entiteit te verkopen of die buiten gebruik te stellen in overeenstemming met de onderbrengingsovereenkomst. In geval van overdracht van eigendom van een artificiële-intelligentiegerichte supercomputer vergoedt de gastentiteit de gemeenschappelijke onderneming de restwaarde van de overgedragen supercomputer. Indien de eigendom niet wordt overgedragen aan de gastentiteit maar er tot buitengebruikstelling is besloten, worden de daaraan verbonden kosten gelijkelijk verdeeld tussen de gemeenschappelijke onderneming en de gastentiteit. De gemeenschappelijke onderneming is niet aansprakelijk voor eventuele kosten die na de overdracht van eigendom van een artificiële-intelligentiegerichte supercomputer of na de verkoop of de buitengebruikstelling ervan worden gemaakt.”.
"
8) Artikel 15 wordt als volgt gewijzigd:
a) lid 1 wordt vervangen door:"
“1. De gemeenschappelijke onderneming kan een oproep tot het indienen van blijken van belangstelling uitschrijven voor het upgraden van de EuroHPC-supercomputers waarvan ze eigenaar of mede-eigenaar is, om het prestatieniveau van de supercomputer tot dicht bij exaschaal te verhogen, of om de capaciteiten op het gebied van artificiële intelligentie van de supercomputer te vergroten, of om de operationele prestaties van de supercomputer op enige andere wijze te verbeteren, waaronder met kwantumversnellers.”; lid 2 wordt geschrapt;
"
b) lid 5 wordt vervangen door:"
“5. Het percentage van de financiële bijdrage van de Unie voor de verwervingskosten van de upgrade is gelijk aan het percentage van de financiële bijdrage van de Unie voor de oorspronkelijke EuroHPC-supercomputer, afgeschreven over de verwachte resterende levensduur van de oorspronkelijke supercomputer. Het percentage van de financiële bijdrage van de Unie voor de aanvullende operationele kosten van de upgrade is gelijk aan het percentage van de financiële bijdrage van de Unie voor de oorspronkelijke EuroHPC-supercomputer.”.
"
9) Artikel 16 wordt als volgt gewijzigd:
a) het volgende lid 1 ter wordt ingevoegd:"
“1 ter. De artificiële-intelligentiegerichte supercomputers en EuroHPC-supercomputers die zijn geüpgraded voor artificiële-intelligentiecapaciteiten, worden in de eerste plaats gebruikt voor het ontwikkelen, testen, evalueren en valideren van grootschalige trainingsmodellen voor artificiële intelligentie voor algemene doeleinden en opkomende artificiële-intelligentietoepassingen, alsook voor de verdere ontwikkeling van artificiële-intelligentieoplossingen in de Unie die high-performance computing vereisen, en de uitvoering van grootschalige artificiële-intelligentiealgoritmen voor de oplossing van wetenschappelijke problemen.”;
"
b) het volgende lid 2 ter wordt ingevoegd:"
“2 ter. De raad van bestuur stelt ▌ toegangsvoorwaarden vast voor de artificiële-intelligentiegerichte supercomputers en de EuroHPC-supercomputers die zijn geüpgraded voor artificiële-intelligentiecapaciteiten overeenkomstig artikel 17, rekening houdend met de specifieke behoeften van het ecosysteem voor start-ups en onderzoek op het gebied van artificiële intelligentie. De raad van bestuur kan specifieke toegangsvoorwaarden vaststellen voor verschillende soorten gebruikers of toepassingen, met inbegrip van specifieke toegang voor start-ups, scale-ups en kmo’s. De beveiliging en de kwaliteit van de dienstverlening zijn dezelfde voor alle gebruikers binnen elke gebruikerscategorie. Alleen voorstellen voor de ontwikkeling van betrouwbare en ethische artificiële-intelligentiemodellen, -systemen en -toepassingen die stroken met de regels en waarden van de Unie, met name die welke zijn verankerd in artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, komen in aanmerking voor toegang. De toegangscriteria, methodologieën en richtsnoeren voor de prioritering van toegang zullen worden vastgesteld volgens de ethisch ontwerp-benadering voor artificiële intelligentie en met de steun van het mechanisme voor ethische beoordeling van Horizon Europa.”.
"
10) Artikel 17, lid 1, wordt vervangen door:"
“1. Het aandeel van de toegangstijd van de Unie tot elke hoogwaardige, kwantum-, en artificiële-intelligentiegerichte EuroHPC-supercomputer is rechtstreeks evenredig aan de in artikel 5, lid 1, bedoelde financiële bijdrage van de Unie aan de totale kosten van eigendom van de EuroHPC-supercomputer en bedraagt dus maximaal 50 % van de totale toegangstijd tot de EuroHPC-supercomputer.”.
"
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Verordening (EU) 2024/… van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van geharmoniseerde regels betreffende artificiële intelligentie (verordening artificiële intelligentie) en tot wijziging van bepaalde wetgevingshandelingen van de Unie (PB L …).
Verordening (EU) 2021/1173 van de Raad van 13 juli 2021 tot oprichting van de Gemeenschappelijke Onderneming Europese high-performance computing en tot intrekking van Verordening (EU) 2018/1488 (PB L 256 van 19.7.2021, blz. 3, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2021/1173/oj).
Richtlijn (EU) 2023/1791 van het Europees Parlement en de Raad van 13 september 2023 betreffende energie-efficiëntie en tot wijziging van Verordening (EU) 2023/955 (PB L 231 van 20.9.2023, blz. 1).
Vennootschapsrecht – Verdere uitbreiding en modernisering van het gebruik van digitale instrumenten en processen
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 24 april 2024 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van de Richtlijnen 2009/102/EG en (EU) 2017/1132 wat betreft de verdere uitbreiding en modernisering van het gebruik van digitale instrumenten en processen in het vennootschapsrecht (COM(2023)0177 – C9-0121/2023 – 2023/0089(COD))
– gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2023)0177),
– gezien artikel 294, lid 2, artikel 50, leden 1 en 2, en artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C9‑0121/2023),
– gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
– gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 14 juni 2023(1),
– gezien het overeenkomstig artikel 74, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 20 maart 2024 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,
– gezien artikel 59 van zijn Reglement,
– gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A9-0394/2023),
1. stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;
2. verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;
3. verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 24 april 2024 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) 2025/... van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van de Richtlijnen 2009/102/EG en (EU) 2017/1132 wat betreft de verdere uitbreiding en modernisering van het gebruik van digitale instrumenten en processen in het vennootschapsrecht
(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Richtlijn (EU) 2025/25.)
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 24 april 2024 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende Europese statistieken over bevolking en huisvesting, tot wijziging van Verordening (EG) nr. 862/2007 en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 763/2008 en (EU) nr. 1260/2013 (COM(2023)0031 – C9-0010/2023 – 2023/0008(COD))
– gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2023)0031),
– gezien artikel 294, lid 2, en artikel 338, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C9‑0010/2023),
– gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
– gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 27 april 2023(1),
– gezien artikel 59 van zijn Reglement,
– gezien de adviezen van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de Commissie regionale ontwikkeling,
– gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A9-0284/2023),
1. stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;
2. verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;
3. verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 24 april 2024 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2024/... van het Europees Parlement en de Raad betreffende Europese statistieken over bevolking en huisvesting, tot wijziging van Verordening (EG) nr. 862/2007 en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 763/2008 en (EU) nr. 1260/2013(2)
HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 338, lid 1,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,
Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(3),
Gezien het advies van het Comité van de Regio’s(4),
Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure,
Overwegende hetgeen volgt:
(1) Europese statistieken over bevolking en huisvesting spelen een centrale rol in de beleids- en besluitvormingsprocessen en zijn, in die zin, nodig voor het ontwerp, de uitvoering en de evaluatie van het beleid van de Unie, en met name het beleid dat gericht is op de demografische veranderingen, de groene en digitale transformatie, het kader voor de bevordering van energie-efficiëntie, economische, sociale en territoriale cohesie, de toepassing van de beginselen van de Europese pijler van sociale rechten en de verwezenlijking van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de Agenda 2030 van de Verenigde Naties (VN) voor zover zij binnen het toepassingsgebied van deze verordening vallen.
(2) Bevolkingsstatistieken zijn een belangrijke noemer voor een breed scala aan beleidsindicatoren en worden gebruikt als referentie voor alle Europese statistieken, met name voor het verschaffen van steekproefkaders voor het uitvoeren van representatieve enquêtes onder personen en huishoudens in het kader van Verordening (EU) 2019/1700 van het Europees Parlement en de Raad(5).
(3) De Raad Economische en Financiële Zaken geeft het Comité voor de economische politiek regelmatig een mandaat om de duurzaamheid op lange termijn en de kwaliteit van de openbare financiën te beoordelen op basis van de bevolkingsprognoses van Eurostat. De bevolkingsprognoses worden ook gebruikt voor beleidsanalyses in het kader van het Europees semester. De Commissie (Eurostat) moet beschikken over alle statistieken die nodig zijn om bevolkingsprognoses op te stellen en te publiceren overeenkomstig de informatiebehoeften van de Unie.
(4) Overeenkomstig artikel 175, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) moet de Commissie om de drie jaar verslag uitbrengen aan het Europees Parlement, de Raad, het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s over de vooruitgang die is geboekt bij de totstandbrenging van economische, sociale en territoriale cohesie. Regionale en lokale gegevens, ook voor verschillende territoriale soorten zoals grensregio’s, steden en hun functionele stedelijke gebieden, grootstedelijke regio’s, plattelandsgebieden, berg- en eilandregio’s, zijn noodzakelijk voor de opstelling van die verslagen en voor de regelmatige monitoring van demografische ontwikkelingen en mogelijke toekomstige demografische uitdagingen op het grondgebied van de Unie.
(5) Overeenkomstig artikel 16, lid 4, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) wordt een gekwalificeerde meerderheid van de leden van de Raad vastgesteld, onder meer op basis van de bevolking van de lidstaten. Daartoe zijn de lidstaten op grond van artikel 4, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1260/2013 van het Europees Parlement en de Raad(6) momenteel verplicht de Commissie (Eurostat) gegevens over de totale bevolking op nationaal niveau te verstrekken.
(6) In 2017 heeft het Comité voor het Europees statistisch systeem (ESS-comité) zijn goedkeuring gehecht aan het Memorandum van Boedapest, waarin wordt gesteld dat er behoefte is aan jaarlijkse statistieken over de omvang en over bepaalde sociale, economische en demografische kenmerken van de bevolking, en aan betere migratiestatistieken. Voor de naleving van de beginselen van gelijkheid en non-discriminatie van haar burgers bij alle activiteiten en van de individuele rechten van de burgers, zoals verankerd in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en de artikelen 10 en 19 VWEU, en met het oog op het toezicht op de voortgang bij de uitvoering van de beginselen van de Europese pijler van sociale rechten, heeft de Unie betrouwbare en vergelijkbare statistieken nodig. Verordening (EU) 2019/1700 biedt een kader voor het verzamelen van gegevens op basis van steekproeven die het mogelijk maken gegevens over gelijkheid en non-discriminatie te verzamelen, voor zover dit haalbaar is met steekproeven, en een aantal aspecten van gelijkheid en discriminatie te analyseren door sociaaleconomische indicatoren en informatie over ervaringen met discriminatie op te stellen. Daarnaast voeren het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten (FRA) en het Europees Instituut voor gendergelijkheid (EIGE) specifieke studies en specifieke enquêtes uit, waardoor meer statistieken over gelijkheid op Unieniveau beschikbaar kunnen komen. Voorts verschaft de Europese Stichting tot verbetering van de levens- en arbeidsomstandigheden (Eurofound) gegevens en informatie die zijn verzameld door middel van enquêtes naar levens- en arbeidsomstandigheden. De ▌samenwerking en coördinatie tussen de lidstaten, de Commissie (Eurostat) en die agentschappen moet verder worden versterkt om te voorzien in de toenemende behoefte van gebruikers aan betrouwbare en alomvattende gegevens over gelijkheid en diversiteit in de Unie.
(6 bis) In het Memorandum van Boedapest wordt tevens gepleit voor verbetering van de statistieken over migratie en de ontwikkeling en toepassing van gemeenschappelijke definities in verband met bevolking en migratie, rekening houdend met het feit dat er begrippen en definities moeten worden vastgesteld die statistisch verantwoord zijn, ter zake doen en kunnen worden toegepast in het licht van nieuwe vormen van migratie. Gebeurtenissen uit heden en verleden, zoals de terugtrekking door het Verenigd Koninkrijk uit de Unie en de gevolgen van de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne en andere humanitaire crises benadrukken het belang van actuele en gedetailleerde statistieken over migratie en internationale bescherming, die van het allerhoogste belang zijn om een overzicht te krijgen van de migratiestromen naar, binnen en uit de Unie.
(7) Met het oog op de doelstellingen van de Europese Green Deal is voor de ontwikkeling en evaluatie van doeltreffend beleid behoefte aan betere statistieken over het energieverbruik en de efficiëntie van huisvesting, gedetailleerde geografische gegevens over de spreiding van de bevolking en diepgaander onderzoek naar de relatie tussen bevolking en huisvesting. Met de COVID‑19-pandemie bleek dat er behoefte was aan betrouwbare, frequente en tijdige statistieken over sterfgevallen in de Unie. Hoewel aan de gegevensbehoeften is voldaan met een vrijwillige verzameling van gegevens van de lidstaten aan de Commissie (Eurostat), heeft de Unie behoefte aan een adequaat mechanisme voor de verplichte verzameling van dergelijke gegevens binnen het Europees statistisch systeem (ESS) met inachtneming van de noodzakelijke frequentie, tijdigheid en gedetailleerdheid.
(7 bis) Met het oog op het toezicht op de toepassing op nationaal niveau van de beginselen van de Europese pijler van sociale rechten, de kerndoelen van het bijbehorende actieplan en de Europese kindergarantie alsook om te beoordelen wat het verdelingseffect is van klimaatverandering en van allerlei beleid in het algemeen, heeft de Unie behoefte aan een adequaat mechanisme voor de verplichte verzameling van gegevens hieromtrent binnen het ESS, met inachtneming van de noodzakelijke frequentie, tijdigheid en gedetailleerdheid.
(8) De Economische en Sociale Raad van de Verenigde Naties neemt op voorstel van de Statistische Commissie van de Verenigde Naties om de tien jaar resoluties aan over het wereldwijde volks- en woningtellingsprogramma en nodigt de VN-lidstaten uit volks- en woningtellingen uit te voeren in overeenstemming met internationale en regionale aanbevelingen en door de integriteit, betrouwbaarheid, nauwkeurigheid en waarde van de resultaten van de volks- en woningtellingen te handhaven. In de Europese bevolkings- en huisvestingsstatistieken moet rekening worden gehouden met deze aanbevelingen.
(9) Stroomlijning van de rapportagevereisten en vermindering van de administratieve lasten zijn centrale doelstellingen van de Commissie. De mededeling van de Commissie van 16 maart 2023 getiteld “Concurrentievermogen van de EU op lange termijn: blik op de periode na 2030” heeft tot doel de rapportagevereisten voor ondernemingen en overheden te rationaliseren en te vereenvoudigen en met 25 % te verminderen, zonder dat dit ten koste gaat van de daarmee samenhangende beleidsdoelstellingen. Verordening (EG) nr. 223/2009 van het Europees Parlement en de Raad(7) heeft een kader vastgesteld voor de ontwikkeling, productie en verspreiding van Europese statistieken op basis van gemeenschappelijke statistische beginselen. In die verordening worden kwaliteitscriteria vastgesteld en wordt gewezen op de noodzaak de enquêtedruk voor de bevraagden zo veel mogelijk te beperken en er meer in het algemeen toe bij te dragen dat de administratieve last wordt verminderd. Een nieuw rechtskader voor Europese statistieken over bevolking en huisvesting moet de kwaliteitscriteria van die verordening ten uitvoer leggen en daarop voortbouwen en de administratieve lasten verminderen door gebruik te maken van een doeltreffend en efficiënt hergebruik van beschikbare gegevensbronnen, met inbegrip van administratieve gegevens.
(10) Uit de evaluatie van de bestaande statistieken(8) over volks- en woningtellingen in de Unie, statistieken over internationale migratiestromen, migrantenstanden en statistieken over de verwerving van burgerschap en demografie is gebleken dat het huidige rechtskader, dat de Verordeningen (EG) nr. 862/2007(9), (EG) nr. 763/2008(10) en (EU) nr. 1260/2013 van het Europees Parlement en de Raad omvat, heeft geleid tot aanzienlijke algemene verbeteringen van de statistieken ten opzichte van de situatie in 2005 zonder het huidige rechtskader. Dat kader kan echter leiden tot een gebrek aan samenhang en vergelijkbaarheid, dat moet worden aangepakt.
(11) Klimaatverandering, de digitale transformatie, de veranderende demografische situatie en recente migratietrends hebben geleid tot een behoefte aan tijdigere, frequentere en gedetailleerdere Europese statistieken over bevolking, sociaal-economische ontwikkelingen, vitale gebeurtenissen en huisvesting, met inbegrip van bijzonderheden over onderwerpen of groepen die de afgelopen tien jaar politiek en maatschappelijk relevant zijn geworden. Bovendien is het bestaande rechtskader niet flexibel genoeg om zich aan te passen aan veranderende beleidsbehoeften en om het gebruik van nieuwe bronnen op nationaal en Unieniveau mogelijk te maken. Bovendien heeft de structuur van het bestaande rechtskader in de vorm van drie afzonderlijke verordeningen, die op verschillende tijdstippen zijn vastgesteld, geleid tot intrinsieke inconsistenties in de statistieken. Aangezien Verordening (EU) nr. 1260/2013 op 31 augustus 2028 niet langer van toepassing zal zijn, is ten slotte een nieuwe rechtsgrondslag vereist voor de demografische statistieken die op grond van die verordening worden verzameld. Daarom moet het huidige rechtskader worden vervangen door een nieuw, coherenter en flexibeler rechtskader dat de relevante delen van Verordening (EG) nr. 862/2007 moet wijzigen en de Verordeningen (EG) nr. 763/2008 en (EU) nr. 1260/2013 moet intrekken.
(12) Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 862/2007 heeft betrekking op statistieken over het land van staatsburgerschap en de geboorteplaats van de ingezeten bevolking (migrantenbestanden), over de verandering van woonplaats tussen landen (internationale migratiestromen) en over de verwerving van het staatsburgerschap van de ingezeten bevolking, terwijl de andere statistieken uit hoofde van die verordening betrekking hebben op administratieve en gerechtelijke procedures in verband met immigratiewetgeving en internationale bescherming. De statistieken als bedoeld in artikel 3 van die verordening zijn daarom nauw met elkaar verbonden en moeten consistent zijn met de statistieken over de ingezeten bevolking en de demografische veranderingen die in het kader van de Verordeningen (EG) nr. 763/2008 en (EU) nr. 1260/2013 worden verstrekt. Met het oog op intrinsieke consistentie moeten die statistieken daarom in één rechtsgrondslag worden opgenomen, terwijl artikel 3 uit Verordening (EG) nr. 862/2007 wordt geschrapt.
(13) De snel veranderende aard van sommige bevolkings- en huisvestingskenmerken, met name in verband met demografische, sociaal-economische en migratieverschijnselen, en de daarmee gepaard gaande noodzaak van een snelle afstemming en aanpassing van het beleid, maken dat er snel na de referentieperiode statistieken beschikbaar moeten zijn. De periodiciteit en tijdigheid van de statistieken moet daarom concreet worden verbeterd, waar mogelijk met behulp van administratieve gegevens en administratieve documenten. Met het oog daarop moeten de lidstaten voldoende middelen ter beschikking stellen voor hun nationale bureaus voor de statistiek.
(14) Bij Verordening (EG) nr. 1059/2003 van het Europees Parlement en de Raad(11) is een op raster gebaseerde methode vastgesteld voor de definitie van territoriale typologieën op basis van de bevolkingsverdeling met rastercellen van 1 km2. Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1799 van de Commissie(12) als tijdelijke rechtstreekse statistische actie bij de volks- en woningtellingen van 2021, voorziet in belangrijke tellingen op een pan-Europees raster van 1 km2. Een wettelijk kader moet zorgen voor de voortdurende verspreiding van bevolkingsstatistieken met geografische referenties op basis van rasters en de uitbreiding ervan tot huisvestingsstatistieken.
(15) Territoriale eenheden en statistische rasters moeten worden gedefinieerd overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1059/2003.
(16) Voor de geocodering van landbouwbedrijven moet worden gebruikgemaakt van de thematische categorie “statistische eenheden” overeenkomstig bijlage III bij Richtlijn 2007/2/EG van het Europees Parlement en de Raad(13).
(17) Het huidige rechtskader voor Europese statistieken over bevolking en huisvesting moet worden geactualiseerd om ervoor te zorgen dat de afzonderlijke statistische processen op passende wijze worden geïntegreerd in een gemeenschappelijk kader dat het ESS in staat stelt doeltreffend te reageren op nieuwe informatiebehoeften van de Unie en statistische innovaties aan te moedigen. De statistische output moet worden vergroot om relevant te blijven in het licht van demografische, migratie-, sociale en economische veranderingen en uitdagingen, om de beleids- en besluitvorming te ondersteunen.
(18) De verbeterde regelmatige (jaarlijks of meerdere keren per jaar verzamelde) statistieken over bevolking en huisvesting op basis van administratieve bronnen moeten worden aangevuld met informatie uit gecoördineerde volks- en woningtellingen in de Unie die om de tien jaar worden gehouden overeenkomstig de beginselen en aanbevelingen van de VN. Even belangrijk is dat volks- en woningtellingen een unieke gelegenheid bieden om officiële statistieken zichtbaar te maken, zowel wat concrete acties als wat resultaten betreft.
(19) De tellingen van de Unie moeten kosteneffectiever worden door ten volle gebruik te maken van de rijke reeks administratieve gegevens die in de lidstaten beschikbaar zijn of een combinatie van verschillende bronnen, waaronder bronnen die verband houden met het internet der dingen ▌en de levering van digitale diensten, met gebruikmaking van protocollen die moeten worden afgesproken tussen de nationale bureaus voor de statistiek van de lidstaten en gegevensverstrekkers bij particuliere databanken. Bij tellingen moet de privacy van persoonsgegevens geëerbiedigd worden door de nodige waarborgen voor de verzameling van persoonsgegevens vast te stellen teneinde mogelijk misbruik te voorkomen en de grondrechten te beschermen. Zij moeten ook worden gebruikt om het demografische referentiescenario te herstellen en onderzoeken naar de dekking van administratieve gegevensbronnen omvatten.
(20) De lidstaten en de Commissie (Eurostat) moeten duurzame toegang hebben tot een zo breed mogelijk scala aan gegevensbronnen om op kosteneffectieve wijze Europese statistieken over bevolking en huisvesting van hoge kwaliteit te produceren. In dit verband is het van cruciaal belang dat de nationale statistische instanties tijdig toegang krijgen tot, en snel gebruik kunnen maken van de administratieve gegevens die in het bezit zijn van overheidsdiensten op nationaal, regionaal en lokaal niveau, overeenkomstig artikel 17 bis van Verordening (EG) nr. 223/2009. Statistieken over de energie-efficiëntie van gebouwen kunnen bijvoorbeeld worden gebaseerd op administratieve gegevens met betrekking tot de afgifte van energiecertificaten van gebouwen op grond van Richtlijn 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad(14). Nationale statistische instanties moeten de administratieve gegevens uit de interoperabele databanken voor de energieprestatie van gebouwen die op nationaal niveau beschikbaar zijn overeenkomstig Richtlijn (EU) 2024/1275 van het Europees Parlement en de Raad(15) volledig, regelmatig en tijdig kunnen hergebruiken. De nationale statistische instanties moeten ook worden betrokken bij besluiten over het ontwerp en de herontwikkeling van relevante administratieve gegevensbronnen om ervoor te zorgen dat deze verder kunnen worden hergebruikt voor de opstelling van officiële statistieken.
(21) De afgelopen jaren zijn op het niveau van de Unie uitgebreide databanken en interoperabiliteitssystemen met betrekking tot verblijf, vitale gebeurtenissen, burgerschap en migratie en grensoverschrijdende verplaatsingen van de bevolking ontwikkeld, zoals die welke zijn vastgesteld bij Verordeningen (EU) nr. 910/2014(16), (EU) 2018/1724(17), (EU) 2019/817(18) en (EU) 2019/818(19) van het Europees Parlement en de Raad. Zij bieden waardevolle informatie die kan worden hergebruikt voor de opstelling en kwaliteitsborging van Europese statistieken over bevolking en huisvesting.
(22) In dat verband is het van essentieel belang dat de Commissie (Eurostat) die gegevens alleen voor statistische doeleinden kan hergebruiken indien de regels inzake gegevensbescherming en gegevensbescherming uit hoofde van Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad(20)strikt worden toegepast. Dit moet met name gelden voor de statistische gegevens die zijn opgeslagen in het centrale register voor rapportage en statistieken (CRRS) overeenkomstig het doel van het CRRS als omschreven in artikel 39, lid 1, van Verordening (EU) 2019/817 en in artikel 39, lid 1, van Verordening (EU) 2019/818 en in overeenstemming met de verordeningen tot vaststelling van de systemen waarvan de statistische gegevens in het CRRS zijn opgeslagen. Aangezien het CRRS systeemoverschrijdende statistische gegevens en analytische verslagen moet verstrekken voor beleids-, operationele en gegevenskwaliteitsdoeleinden, moet de Commissie (Eurostat) voor zover mogelijk samenwerken met het Agentschap van de Europese Unie voor het operationeel beheer van grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht (eu-LISA) om de vereiste Europese statistieken te verstrekken.
(23) Onder particuliere gegevens wordt verstaan de grote hoeveelheid gegevens die particuliere entiteiten als gevolg van hun activiteiten hebben verkregen en die door statistische instanties en de Commissie (Eurostat) kunnen worden gebruikt om officiële statistieken op te stellen. Dergelijke gegevens kunnen de dekking, tijdigheid en crisisresponscapaciteit van Europese statistieken over bevolking en huisvesting verbeteren of statistische innovatie mogelijk maken. Dergelijke gegevens kunnen de bestaande demografische en migratiestatistieken aanvullen, zorgen voor statistische innovatie en zelfs dienen voor de productie van vroege ramingen en tegelijkertijd de bescherming van de rechten en vrijheden van gegevenshouders waarborgen. De nationale bureaus voor de statistiek en andere bevoegde nationale instanties en de Commissie (Eurostat) moeten toegang hebben tot dergelijke gegevens en deze gebruiken,en met de particuliere gegevenshouders samenwerken overeenkomstig Verordening (EG) nr. 223/2009.
(24) Om de vergelijkbaarheid van Europese statistieken over bevolking en huisvesting op het niveau van de Unie te waarborgen, is het van essentieel belang dat gemeenschappelijke definities van de bevolking op geharmoniseerde wijze worden gebruikt en toegepast. Om de geharmoniseerde bevolkingsbasis consequent, robuust en kosteneffectief ten uitvoer te leggen en tegelijkertijd te zorgen voor tijdige resultaten, moet het in voorkomend geval mogelijk zijn wetenschappelijk gefundeerde modelleringstechnieken en statistische methoden ▌zoals “tekenen van leven” ▌toe te passen.
(25) De lidstaten moeten hun gegevens en metagegevens in elektronische vorm verstrekken in een door de Commissie (Eurostat) te verstrekken passend technisch formaat. Internationale normen, zoals het SDMX-initiatief (Statistical Data and Metadata Exchange), en binnen de Unie opgestelde statistische of technische normen, zoals metagegevens en validatienormen of Europese interoperabele kaderbeginselen, moeten worden gebruikt voor zover dit relevant is voor Europese statistieken over bevolking en huisvesting. Het ESS-comité heeft ESS-normen voor metagegevens en kwaliteitsverslagen bekrachtigd, overeenkomstig artikel 12 van Verordening (EG) nr. 223/2009. Die normen moeten bijdragen tot de harmonisatie van kwaliteitsborging en rapportage in het kader van deze verordening en moeten daarom worden ingevoerd.
(26) Europese statistieken over bevolking en huisvesting moeten voldoen aan de kwaliteitscriteria inzake relevantie, nauwkeurigheid, tijdigheid en stiptheid, toegankelijkheid en duidelijkheid, vergelijkbaarheid en samenhang zoals gespecificeerd in Verordening (EG) nr. 223/2009. De kwaliteit van die statistieken moet worden verbeterd naarmate de behoeften van de Unie evolueren, en er moeten mechanismen worden vastgesteld voor gevallen waarin de kwaliteit van de gegevens niet gewaarborgd is. Passende resultaten van de door de Commissie (Eurostat) verrichte kwaliteitsbeoordeling moeten openbaar toegankelijk zijn voor gebruikers van statistieken door ervoor te zorgen dat die statistieken ▌gratis en gemakkelijk toegankelijk zijn via de databanken van de Commissie (Eurostat) op haar website en in haar publicaties.
(26 bis) In de Europese statistieken over bevolking en huisvesting moet aandacht worden besteed aan het aanhoudende gebrek aan gegevens over kwetsbare groepen (d.w.z. moeilijk te bereiken bevolkingsgroepen), zoals personen die in een inrichting verblijven (bijvoorbeeld militaire inrichtingen, justitiële en penitentiaire inrichtingen, internaten en universiteitscampussen, religieuze instellingen, ziekenhuizen, woonzorgcentra, instellingen voor mensen met een handicap en weeshuizen), 75+’ers, personen met een handicap, daklozen, personen met een migratieachtergrond en staatlozen. Om deze gegevenskloof te overbruggen en te voorkomen dat hieruit sociale en economische ongelijkheid voortkomt, moeten de lidstaten strategieën en gerichte oplossingen uitwerken voor het verzamelen van gegevens over moeilijk te bereiken bevolkingsgroepen, met name met betrekking tot het vinden, benaderen, overtuigen en ondervragen van moeilijk te bereiken bevolkingsgroepen.
(26 ter) Om adequaat, tijdig en doeltreffend beleid te kunnen voeren, moet men eerst de beschikking hebben over betrouwbare en vergelijkbare gegevens die zijn uitgesplitst naar gender, leeftijd en, indien dit relevant is, nationaliteit, sociaal-economische status, geografisch gebied en andere kenmerken overeenkomstig de statistische beginselen als vastgesteld in artikel 338, lid 1, VWEU, en in de praktijkcode Europese statistieken en het kader voor kwaliteitsborging van het ESS. Die gegevens zijn van belang voor een beter begrip van bevolkings- en huisvestingstrends, de bestrijding van intersectionele discriminatie en de uitvoering en beoordeling van het beleid, de politieke doelstellingen en de acties van de Unie, zoals de beginselen van de Europese pijler van sociale rechten, de Europese kindergarantie, de Europese zorgstrategie, de Europese strategie inzake de rechten van personen met een handicap en het Europees platform voor de bestrijding van dakloosheid, die alle zwaar leunen op gegevens over huishoudens en gezinnen. Uitsplitsing van statistieken naar handicap met behulp van bestaande en nieuwe administratieve gegevensbronnen moet worden aangemoedigd, om te onderzoeken of en in hoeverre handicap kan worden weergegeven. Bij het verzamelen en gebruiken van die gegevens moeten de Unie- en nationale normen op het gebied van privacy en grondrechten ten volle worden geëerbiedigd, met name waar het gegevens van minderjarigen betreft. Uitsplitsing naar gender moet recht doen aan de in de lidstaten beschikbare gegevens. Het is in sommige lidstaten thans mogelijk om zich wettelijk te laten registreren met een derde, vaak neutrale geslachtsaanduiding. Deze verordening laat de toepassing van de relevante nationale voorschriften in verband met deze registratie onverlet.
(27) Verordening (EG) nr. 223/2009 voorziet in voorschriften voor de verstrekking van gegevens van de lidstaten naar de Commissie (Eurostat) en het gebruik daarvan, waaronder voor de verzending en bescherming van vertrouwelijke gegevens. Overeenkomstig deze verordening genomen maatregelen moeten ervoor zorgen dat vertrouwelijke gegevens uitsluitend voor statistische doeleinden worden verstrekt en gebruikt overeenkomstig de artikelen 21 en 22 van die verordening.
(28) De Commissie (Eurostat) moet de statistische geheimhouding van de door de lidstaten overeenkomstig Verordening (EG) nr. 223/2009 verstrekte gegevens in acht nemen. Met betrekking tot de bevolkingsstatistieken die in het kader van deze verordening worden verzameld, moet een geharmoniseerde aanpak worden ontwikkeld om de hoge kwaliteit van Europese aggregaten te waarborgen en de openbaarmaking van vertrouwelijke gegevens in statistische output te vermijden, waarbij zoveel mogelijk wordt vermeden dat gegevens worden geschrapt.
(29) Op nationaal niveau beschikbare gegevensbronnen zijn niet altijd in staat om verschijnselen in verband met het vrije verkeer van personen in de Unie, de toegang van personen tot grensoverschrijdende diensten in verband met demografische vitale gebeurtenissen en de uitoefening van het recht van personen om woningen te kopen en te bezitten die worden gebruikt als primaire, vakantie- en secundaire accommodatie in de hele Unie, nauwkeurig weer te geven. Er zijn ook discrepanties in de bilaterale migratiestromen en problemen bij het meten van bevolkingsgroepen, bijvoorbeeld onder migranten, daklozen of staatlozen. Daarom moet het delen van gegevens met het oog op het opstellen van bevolkings- en migratiestatistieken en het waarborgen van de kwaliteit ervan worden versterkt en als een andere gegevensbron worden beschouwd. Een dergelijke versterkte uitwisseling van gegevens kan betrekking hebben op een breed scala aan relevante gegevens, van gegevens die duidelijk niet de identificatie van statistische eenheden mogelijk maken, het zij direct of indirect, tot gegevens waarvoor mogelijk vereisten inzake statistische geheimhouding gelden. De lidstaten moeten, in hun eigen belang en in het belang van de andere lidstaten, deelnemen aan activiteiten voor het delen van gegevens, onder meer aan proefprojecten ter beoordeling van innovatieve veilige oplossingen. De Commissie (Eurostat) moet ook een beveiligde infrastructuur opzetten om het delen van gegevens te vergemakkelijken, met inachtneming van alle nodige waarborgen voor gegevensbescherming.
▌
(31) Vertrouwelijke gegevens mogen alleen worden gedeeld op basis van een verzoek dat de noodzaak om die gegevens te delen overeenkomstig hoofdstuk V van Verordening (EG) nr. 223/2009 rechtvaardigt.
(32) Op langere termijn moeten de gezamenlijke inspanningen in het kader van het ESS om grensoverschrijdende statistische kwaliteitsproblemen te beperken, zoals dubbeltelling van ingezetenen van de Unie die recht van vrij verkeer genieten, baat hebben bij bijvoorbeeld unieke digitale identificatiemiddelen die op Unieniveau zijn vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 910/2014.
(33) Deze verordening doet geen afbreuk aan de Verordeningen (EU) 2016/679(21) en (EU) 2018/1725 en Richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad(22). Binnen hun respectieve toepassingsgebied zijn laatstgenoemde verordeningen van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens in het kader van deze verordening, mede gezien het feit dat persoonsgegevens die verwerkt worden voor statistische doeleinden in het algemeen belang vertrouwelijke statistische gegevens zijn, die onder de statistische geheimhoudingsplicht vallen. Derhalve mogen die gegevens alleen voor statistische doeleinden worden gebruikt en mogen ze nooit worden gebruikt ten behoeve van maatregelen of besluiten ten aanzien van een bepaalde natuurlijke persoon. Bij het verwerken, het delen en het archiveren van persoonsgegevens voor statistische doeleinden overeenkomstig deze verordening moet bij voorkeur gebruik worden gemaakt van geanonimiseerde of gepseudonimiseerde gegevens om overeenstemming met de waarborgen uit hoofde van artikel 89 van Verordening (EU) 2016/679 en artikel 13 van Verordening (EU) 2018/1725 te garanderen. Indien persoonsgegevens worden verwerkt overeenkomstig Verordening (EU) 2016/679 of Verordening (EU) 2018/1725, moeten de beginselen van rechtmatigheid, eerlijkheid, transparantie en nauwkeurigheid, doelbinding, gegevensminimalisering, opslagbeperking, integriteit en vertrouwelijkheid volledig worden toegepast. Evenzo moeten ook de statistische beginselen die worden omschreven in artikel 2 van Verordening (EG) nr. 223/2009 en verder uitgewerkt in de praktijkcode Europese statistieken van toepassing zijn.
(34) De Europese statistieken over bevolking en huisvesting moeten evolueren om rekening te houden met nieuwe gegevensbehoeften die voortvloeien uit veranderende beleidsprioriteiten, alsook met veranderingen in de demografische, migratie-, sociale of economische situatie in de Unie. De Commissie (Eurostat) moet in voorkomend geval proef- en haalbaarheidsstudies verrichten om de haalbaarheid van de betrokken aanpassingen te beoordelen en rekening houden met aspecten zoals kosten en administratieve lasten voor de lidstaten en de beschikbaarheid van passende gegevensbronnen. Bij de uitwerking van die studies moet de Commissie ervoor zorgen dat deze representatief zijn op het niveau van de Unie en recht doen aan de regionale verscheidenheid. De Commissie moet de resultaten van de studies in samenwerking met de lidstaten evalueren.
(35) Teneinde rekening te houden met demografische, economische en sociale trends, technologische ontwikkelingen en de noodzaak om tijdig doelgericht beleid uit te werken, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen tot wijziging van de lijst, de beschrijving, de termijnen en de referentietijden van gedetailleerde onderwerpen die onder Europese statistieken over bevolking en huisvesting vallen; de termijnen en referentietijden in de bijlage bij deze verordening bij te werken en de door de lidstaten op ad-hocbasis te verstrekken informatie te specificeren. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven(23). Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.
(35 bis) Het feit dat Europese statistieken tot de kern van empirische besluitvorming behoren is ook zichtbaar in het programmerings- en financieringskader voor de ontwikkeling, productie en verspreiding van Europese statistieken (programma voor de eengemaakte markt) dat is vastgesteld bij Verordening (EU) 2021/690 van het Europees Parlement en de Raad(24). De lidstaten moeten financiële steun kunnen aanvragen bij het programma voor de eengemaakte markt en bij het instrument voor technische ondersteuning dat in het leven is geroepen bij Verordening (EU) 2021/240 van het Europees Parlement en de Raad(25) overeenkomstig de doelstellingen en regels van die instrumenten, met het oog op het aanpassen van hun nationale statistische systemen, het verbeteren van de methodologie en de gegevenskwaliteit van de statistieken alsmede het plannen en uitvoeren van ad-hocgegevensverzamelingen uit hoofde van deze verordening.
(36) Overeenkomstig Verordening (EU, Euratom) 2018/1046(26), Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad(27) en Verordeningen (EG, Euratom) nr. 2988/95(28), (Euratom, EG) nr. 2185/96(29) en (EU) 2017/1939(30) van de Raad moeten de financiële belangen van de Unie worden beschermd door middel van evenredige maatregelen, onder meer maatregelen met betrekking tot preventie, opsporing, correctie en onderzoek van onregelmatigheden, waaronder fraude, met betrekking tot terugvordering van verloren gegane, ten onrechte betaalde of onjuist bestede financiële middelen en, waar passend, met betrekking tot het opleggen van administratieve sancties. Met name heeft het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) overeenkomstig Verordeningen (Euratom, EG) nr. 2185/96 en (EU, Euratom) nr. 883/2013 de bevoegdheid administratieve onderzoeken uit te voeren, met inbegrip van controles en verificaties ter plaatse, om vast te stellen of er sprake is van fraude, corruptie of andere onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad. Het Europees Openbaar Ministerie (EOM) is overeenkomstig Verordening (EU) 2017/1939 bevoegd over te gaan tot onderzoek en vervolging van strafbare feiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad als bepaald in Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad(31). Personen of entiteiten die middelen van de Unie ontvangen, moeten overeenkomstig Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 volledig meewerken aan de bescherming van de financiële belangen van de Unie, de nodige rechten en toegang verlenen aan de Commissie, OLAF, de Rekenkamer en, ten aanzien van de lidstaten die deelnemen aan nauwere samenwerking op grond van Verordening (EU) 2017/1939, het EOM, alsmede ervoor zorgen dat derden die betrokken zijn bij de uitvoering van financiële middelen van de Unie gelijkwaardige rechten verlenen.
(37) Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van deze verordening met betrekking tot de specificatie van de vereisten inzake gegevens en metagegevens, de technische formaten en procedures voor de verstrekking van gegevens en metagegevens, de inhoud en de structuur van kwaliteitsverslagen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad(32).
(38) Indien voor de uitvoering van deze verordening, of van de overeenkomstig deze verordening vastgestelde gedelegeerde handelingen of uitvoeringshandelingen, grote aanpassingen van het nationale statistische systeem van een lidstaat voor gegevensverstrekking met een periodiciteit van minder dan tien jaar nodig zouden zijn, moet de Commissie, in naar behoren gerechtvaardigde gevallen en voor een beperkte tijd, de betrokken lidstaten afwijkingen kunnen toestaan.
(39) Daar de doelstelling van deze verordening, namelijk de systematische productie van Europese statistieken over bevolking en huisvesting in de Unie, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt maar om redenen van coherentie en vergelijkbaarheid beter door de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 VWEU neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen▌. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken.
(40) Overeenkomstig artikel 42, lid 1, van Verordening (EU) 2018/1725 is de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming geraadpleegd, en op 16 maart 2023 heeft hij een advies uitgebracht.
(41) Het ESS-comité is geraadpleegd,
HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Onderwerp
Deze verordening stelt een gemeenschappelijk rechtskader vast voor de ontwikkeling, productie en verspreiding van Europese statistieken over bevolking en huisvesting.
Artikel 2
Definities
In deze verordening wordt verstaan onder:
1) “staatsburgerschap”: de bijzondere juridische band tussen een natuurlijke persoon en zijn of haar staat, welke verkregen is door geboorte of naturalisatie door middel van een verklaring, keuze, huwelijk, adoptie of andere mogelijkheden waarin het nationaal recht voorziet;
2) “gewone verblijfplaats”: de plaats waar iemand gewoonlijk zijn dagelijkse rustperiode doorbrengt, afgezien van tijdelijke afwezigheid in verband met recreatie, vakantie, vrienden- en familiebezoek, zakenreizen, medische behandelingen of bedevaarten. Alleen de volgende personen worden als inwoners van een specifiek geografisch gebied beschouwd:
a) degenen die het grootste deel van de tijd in de twaalf maanden voorafgaand aan en met inbegrip van de referentiedatum in hun gewone verblijfplaats hebben gewoond, of
b) degenen die in de twaalf maanden voorafgaand aan en met inbegrip van de referentiedatum in hun gewone verblijfplaats zijn aangekomen en voor wie het het voornemen of de verwachting is dat zij daar ten minste twaalf maanden na aankomst zullen blijven;
3) “tekenen van leven”: alle informatie die wijst op de werkelijke aanwezigheid en gewone verblijfplaats van een persoon op het betrokken grondgebied, waaronder informatie die is verkregen uit elke geschikte bron of combinatie daarvan, met inbegrip van digitale sporen die betrekking hebben op de persoon;
4) ▌
5) “internationale migratie”: de gebeurtenis waarbij een persoon zijn of haar gewone verblijfplaats op het grondgebied van een lidstaat of een derde land vestigt, nadat hij eerder zijn gewone verblijfplaats in een andere lidstaat of een derde land had;
6) “immigrant”: een persoon die tijdens de referentieperiode internationale migratie heeft ondergaan om zijn of haar nieuwe gewone verblijfplaats in het rapporterende land te vestigen;
7) “emigrant”: een persoon die tijdens de referentieperiode internationale migratie heeft ondergaan om zijn of haar nieuwe gewone verblijfplaats buiten het rapporterende land te vestigen, en die voorheen gewoonlijk in het rapporterende land verbleef;
8) “interne migratie”: de gebeurtenis waarbij een persoon zijn gewone verblijfplaats op het grondgebied van het rapporterende land verplaatst;
8 bis) “moeilijk te bereiken bevolkingsgroepen”: groepen personen ten aanzien waarvan er een reële of veronderstelde belemmering bestaat om volledig en representatief te worden meegenomen of geïdentificeerd in de verzameling van statistische gegevens, hetzij omdat de betrokken groepen onvoldoende aan bod komen, hetzij omdat het ontbreekt aan specifieke kenmerken om hen te identificeren;
9) “woonruimte”: een tijdelijke of permanente structuur, onderdak of onderdak waar een of meer personen verblijven, ongeacht of deze voor menselijke bewoning is ontworpen of bestemd is;
10) ▌ “conventionele woning”: een structureel gescheiden en onafhankelijke ruimte op een vaste locatie die is ontworpen voor permanente menselijke bewoning en die op de referentiedatum:
a) dienst doet als gewone verblijfplaats;
b) niet bewoond wordt; of
c) dienst doet als secundaire of seizoensgebonden verblijfplaats;
x) “gescheiden ruimte”: een ruimte die wordt omgeven door muren en bedekt door een dak of plafond, zodat een of meer personen zich er kunnen afzonderen;
xx) “onafhankelijke ruimte”: een ruimte met rechtstreekse toegang vanaf een straat of trap, doorgang, galerij of grondstuk;
11) “woongebouw”: een permanente structuur bestaande uit een of meer conventionele woningen of die bestemd is voor institutionele of collectieve huisvesting;
12) “huishouden”: een groep van twee of meer personen die woonruimten ▌delen, of een persoon die geen deel uitmaakt van een ander huishouden;
12 bis) “institutionele huisvesting”: een collectief woonverblijf dat is bedoeld voor langdurige huisvesting en waar aan een groep personen diensten worden verleend die noodzakelijk zijn voor het dagelijks leven;
13) “gezin”: een groep van twee of meer personen die meestentijds in hetzelfde huishouden wonen en die verwant zijn door ouderschap of via een geregistreerd partnerschap of partnerschap tussen partners;
14) “administratieve bestanden”: gegevens die worden gegenereerd door een niet-statistische bron, gewoonlijk een register dat door een overheidsinstantie wordt bijgehouden en waarvan het hoofddoel niet het verstrekken van statistieken is;
15) “domein”: een of meer gegevensreeksen die specifieke onderwerpen bestrijken;
16) “onderwerp”: de inhoud van de te verzamelen informatie over de statistische eenheden, waarbij elk onderwerp verschillende gedetailleerde onderwerpen bestrijkt;
17) “gedetailleerd onderwerp”: de gedetailleerde inhoud van de te verzamelen informatie over de statistische eenheden met betrekking tot een onderwerp, waarbij elk gedetailleerd onderwerp een of meer variabelen bestrijkt;
18) “gegevensverzameling”: ▌een of meer variabelen in gestructureerde vorm;
19) “volks- en woningtelling”: de gedetailleerde vijfjaarlijkse gegevensreeksen en metagegevens die uit hoofde van deze verordening moeten worden verstrekt;
20) “statistische eenheid”: één lid van een geheel van eenheden, namelijk personen, voorwerpen of gebeurtenissen waarover gegevens worden verzameld en waarover ▌statistieken worden opgesteld;
21) “variabele”: een kenmerk van een statistische eenheid dat meer dan één waarde uit een reeks waarden kan bedragen;
22) “uitsplitsing”: een vooraf bepaalde, afzonderlijke, uitputtende reeks waarden die kan worden toegekend aan variabelen die kenmerkend zijn voor statistische eenheden;
23) “nationaal niveau”: het grondgebied van een lidstaat;
24) “regionaal niveau”: NUTS3-niveau als vastgesteld in Verordening (EG) nr. 1059/2003;
25) “lokaal niveau”: het niveau van de lokale bestuurlijke eenheid ▌zoals vastgesteld in Verordening (EG) nr. 1059/2003;
26) “rasterniveau”: statistisch raster zoals vastgesteld in Verordening (EG) nr. 1059/2003;
27) “frames”: alle lijsten, materialen of hulpmiddelen die de elementen van de doelpopulatie afbakenen en identificeren en die, afhankelijk van het gebruik ervan, toegang kunnen verlenen tot ▌aanvullende kenmerken van de elementen of die kunnen verschaffen;
28) “referentiedatum”: het tijdstip waarop de statistieken betrekking hebben;
29) “referentieperiode”: het tijdsinterval waarop statistieken over gebeurtenissen betrekking hebben;
30) “referentietijdstip”: de referentiedatum of de referentieperiode, afhankelijk van de vraag of de statistieken betrekking hebben op gebeurtenissen of op andere statistische eenheden;
31) “metagegevens”: informatie die nodig is om statistieken te gebruiken en te interpreteren en waarmee gegevensreeksen op een gestructureerde manier worden beschreven;
32) “vooraf gecontroleerde gegevensreeksen”: gegevensreeksen die door de lidstaten zijn geverifieerd op basis van overeengekomen gemeenschappelijke validatieregels;
33) “kwaliteitsverslag”: verslag dat informatie geeft over de kwaliteit van een statistisch product of proces.
Artikel 3
Bevolkingsbasis
1. Voor de toepassing van deze verordening bestaat de bevolkingsbasis uit alle personen die op de referentiedatum hun gewone verblijfplaats in de Unie hebben in een bepaalde territoriale eenheid van een lidstaat op nationaal, regionaal, lokaal of rasterniveau.
2. De bevolkingsbasis omvat alle gewoonlijk verblijvende personen, ongeacht het staatsburgerschap of de vraag of de betrokkene staatloos is of voorheen was▌.
3. Personen die hun gewone verblijfplaats buiten het grondgebied van de lidstaat hebben, ongeacht hun geboorteplaats of staatsburgerschap en ongeacht eventuele familiale, sociale, economische of vermogensrechtelijke banden die de betrokkene met de lidstaat heeft, vallen niet onder de bevolkingsbasis.
4. Aan personen zonder gewone verblijfplaats wordt als gewone verblijfplaats toegeschreven de plaats waar zij zich op de referentiedatum bevinden.
5. De lidstaten passen de definitie van gewone verblijfplaats van deze verordening toe op alle gegevensreeksen die uit hoofde van deze verordening aan de Commissie (Eurostat) worden verstrekt, en op nationaal, regionaal, lokaal en rasterniveau.
6. Bij de toepassing van de definitie van gewone verblijfplaats gebruiken de lidstaten:
a) één of een combinatie van de in artikel 9, lid 1, bedoelde gegevensbronnen;
b) schattingsmethoden zoals “tekenen van leven” alsmede andere wetenschappelijk gefundeerde, goed gedocumenteerde en openbaar toegankelijke statistische schattingsmethoden ter correctie van de werkelijke aanwezigheid op de vermoedelijke gewone verblijfplaats gedurende het grootste deel van de periode van twaalf maanden eindigend op de referentiedatum, en ▌om het aantal personen te schatten dat voornemens is of naar verwachting zal blijven gedurende het grootste deel van de periode van twaalf maanden na aankomst.
6 bis. In verband met de stemming met gekwalificeerde meerderheid in de Raad stelt de Commissie de Raad in kennis van de totale bevolking van de lidstaten aan het eind van elk referentiejaar dat bekend is bij de Commissie (Eurostat) op 31 augustus van het kalenderjaar dat op het referentiejaar volgt.
Artikel 4
Statistische eenheden
In het kader van deze verordening worden statistieken opgesteld voor de volgende statistische eenheden:
a) personen;
b) levensgebeurtenissen;
c) gezinnen;
d) huishoudens;
e) gebouwen die bestemd zijn voor bewoning, woonruimten waaronder instellingen en conventionele woningen.
Artikel 5
Statistische vereisten
1. Europese statistieken over bevolking en huisvesting hebben betrekking op de volgende gebieden:
a) demografie;
b) huisvesting;
c) gezinnen en huishoudens.
2. Statistieken op de in lid 1 van dit artikel genoemde gebieden worden georganiseerd in gegevensreeksen volgens de in de bijlage vermelde onderwerpen en gedetailleerde onderwerpen. Indien de statistische eenheid een persoon is, worden de gegevensreeksen uitgesplitst naar geslacht en leeftijd, en in voorkomend geval naar andere kenmerken.
3. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 17 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van de lijst van gedetailleerde onderwerpen in de bijlage. Die gedelegeerde handelingen worden ten minste twaalf maanden voor het begin van het desbetreffende referentietijdstip vastgesteld.
4. Bij de uitoefening van de bevoegdheid om overeenkomstig lid 3 van dit artikel gedelegeerde handelingen vast te stellen, zorgt de Commissie ervoor dat die handelingen geen aanzienlijke en onevenredige lasten met zich meebrengen voor de lidstaten en de respondenten van de enquête. Elk nieuw gedetailleerd onderwerp wordt beoordeeld op de haalbaarheid ervan door middel van proefstudies die door de Commissie (Eurostat) en de lidstaten overeenkomstig artikel 14 worden uitgevoerd.
5. De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast om de technische eigenschappen van de aan de Commissie (Eurostat) te verstrekken gegevensreeksen en metagegevens te specificeren. In die uitvoeringshandelingen worden, in voorkomend geval, de volgende technische elementen gespecificeerd:
a) benamingen van variabelen, hun technische specificaties en uitsplitsingen;
b) gedetailleerde specificaties van de statistische eenheden en metagegevens;
c) te gebruiken statistische classificaties;
d) termijnen voor de verstrekking;
e) technische formaten van gegevensreeksen en metagegevensverstrekking;
f) de inhoud, de structuur, de periodiciteit, de modaliteiten en de termijnen voor het verstrekken van de kwaliteitsverslagen en, indien nodig en gerechtvaardigd, nadere specificaties.
Die uitvoeringshandelingen worden ten minste twaalf maanden voor het begin van het desbetreffende referentietijdstip volgens de in artikel 18, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld, behalve voor de volks- en woningtelling waarvoor de uitvoeringshandelingen ten minste 24 maanden voor het begin van het jaar waarin de referentiedatum valt, worden vastgesteld.
Artikel 6
Periodiciteit en referentietijden
1. De lidstaten stellen elk kwartaal, om de zes maanden, jaarlijks en meerjaarlijks Europese statistieken over bevolking en huisvesting op, en in een tienjaarlijkse volks- en woningtelling.
2. De jaren eindigend op “1” zijn de referentiejaren voor de tienjaarlijkse volks- en woningtelling.
3. De jaren eindigend op “1”, “5” en “8” zijn de referentiejaren voor meerjarige statistieken.
4. De periodiciteit en het referentietijdstip ▌voor elk gedetailleerd onderwerp zijn opgenomen in de bijlage.
5. De eerste referentiedatum waarvoor jaarstatistieken over het thema “populatiebestanden” moeten worden verstrekt, is 31 december 2025. De eerste referentietijd waarvoor alle andere statistieken uit hoofde van deze verordening moeten worden verstrekt, is 2026.
6. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 17 gedelegeerde handelingen vast te stellen om de bijlage te wijzigen door de termijnen en referentietijden te actualiseren.
Artikel 7
Vereisten voor ad-hocstatistieken
1. De lidstaten verstrekken de Commissie (Eurostat) ad-hocgegevensreeksen en metagegevens.
2. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 17 gedelegeerde handelingen vast te stellen teneinde deze verordening aan te vullen door de gegevensreeksen en metagegevens te specificeren die de lidstaten op ad-hocbasis moeten verstrekken, indien het verzamelen van aanvullende statistieken noodzakelijk wordt geacht om te voorzien in aanvullende statistische behoeften uit hoofde van deze verordening, en door aan te geven welke administratieve gegevensbronnen en documenten prioriteit moeten krijgen bij het verzamelen van de gevraagde gegevens.
3. In de in lid 2 bedoelde gedelegeerde handelingen wordt het volgende gespecificeerd:
a) de gedetailleerde onderwerpen die in de ad-hocgegevensreeksen moeten worden vermeld en de redenen voor deze aanvullende statistische behoeften;
b) de referentietijden.
4. De Commissie is bevoegd de in lid 2 bedoelde gedelegeerde handelingen vast te stellen met ingang van het referentiejaar 2027 en met een minimum van twee jaar tussen elke ad-hocverzameling.
5. De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast om de technische eigenschappen van de in lid 2 bedoelde ad-hocgegevensreeksen en metagegevens te specificeren. In die uitvoeringshandelingen worden, in voorkomend geval, de volgende technische elementen gespecificeerd:
a) benamingen van variabelen, hun technische specificaties en uitsplitsingen;
b) gedetailleerde specificaties van de statistische eenheden en metagegevens;
c) te gebruiken statistische classificaties;
d) termijnen voor de verstrekking.
Deze uitvoeringshandelingen worden uiterlijk twaalf maanden vóór het begin van de referentieperiode vastgesteld overeenkomstig de in artikel 18, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
Artikel 8
Bij de Commissie in te dienen gegevensreeksen en metagegevens
1. De lidstaten dienen bij de Commissie (Eurostat) vooraf gecontroleerde gegevensreeksen en metagegevens in overeenkomstig de bijlage in een door de Commissie (Eurostat) gespecificeerd technisch formaat. De diensten van het centrale toegangspunt worden gebruikt om de gegevensreeksen en metagegevens bij de Commissie (Eurostat) in te dienen.
2. Wanneer de lidstaten de krachtens deze verordening vereiste gegevens op nationaal niveau publiceren vóór de overeenkomstig artikel 5, lid 5, en artikel 7, lid 5, vastgestelde indieningstermijnen, verstrekken zij deze als volgt aan de Commissie (Eurostat), zonder onnodige vertraging, uiterlijk binnen 21 kalenderdagen na de publicatie op nationaal niveau.
3. De lidstaten dienen het volgende bij de Commissie (Eurostat) in:
a) herziene gegevensreeksen en metagegevens indien een herziening wordt verricht nadat de krachtens deze verordening vereiste gegevensreeksen in eerste instantie zijn verstrekt;
b) herziene gegevensreeksen en metagegevens voor relevante tijdreeksen indien een herziening wordt verricht van gegevensreeksen die vóór de toepassing van deze verordening aan de Commissie (Eurostat) waren verstrekt.
De herziene gegevensreeksen en metagegevens worden ingediend binnen 14 kalenderdagen na de herziening en worden aangevuld met kwaliteitsrapportage overeenkomstig artikel 12.
De lidstaten stellen de Commissie onverwijld in kennis indien zij besluiten gegevensreeksen en metagegevens te herzien.
Artikel 9
Gegevensbronnen en methoden
1. De lidstaten en de Commissie (Eurostat) gebruiken één of een combinatie van de volgende gegevensbronnen, mits zij het mogelijk maken statistieken te produceren die voldoen aan de kwaliteitseisen van artikel 12:
a) administratieve gegevensbronnen;
b) statistische enquêtes of andere verzamelingen van statistische gegevens;
c) andere bronnen, met inbegrip van gegevens in particulier bezit;
d) hergebruik van gegevens die afkomstig zijn van het delen van gegevens tussen de nationale statistische instanties en de Commissie (Eurostat) binnen het ESS.
2. De lidstaten beoordelen en monitoren de kwaliteit van hun gegevensbronnen, met inbegrip van administratieve bestanden en andere geschikte bronnen die worden gebruikt.
3. De lidstaten streven ernaar voortdurend innovatieve bronnen en methoden te ontwikkelen en gebruiken deze om de in het kader van deze verordening opgestelde statistieken te verbeteren, op voorwaarde dat zij het mogelijk maken statistieken te produceren die voldoen aan de kwaliteitseisen van artikel 12. ▌
4. De krachtens deze verordening opgestelde statistieken worden gebaseerd op statistisch verantwoorde en goed gedocumenteerde methoden, rekening houdend met internationale aanbevelingen en beste praktijken, zoals “tekenen van leven”▌ en andere wetenschappelijk gefundeerde statistische ramingsmethoden die worden gebruikt voor de samenstelling van de gewoonlijk in de lidstaten verblijvende bevolking.
5. Op een terdege gemotiveerd verzoek van de Commissie (Eurostat) verstrekken de lidstaten de Commissie (Eurostat) de beoordelingsresultaten van de gegevensbronnen, de documentatie van de methoden en de nodige verduidelijkingen.
Artikel 10
Tijdige toegang tot en hergebruik van administratieve gegevens
1. Overeenkomstig artikel 17 bis van Verordening (EG) nr. 223/2009 staan de nationale autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor administratieve gegevensbronnen die relevant zijn voor de toepassing van deze verordening, ▌hergebruik van deze gegevens toe in voldoende tijd en met voldoende frequentie om statistieken te produceren en in te dienen binnen de termijnen en in overeenstemming met de specifieke kwaliteitseisen van deze verordening. De nationale statistische instanties en de nationale autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de administratieve bestanden stellen de samenwerkingsmechanismen vast die nodig zijn voor de tijdige en kosteloze toegang tot die bestanden.
1 bis. Ten behoeve van de productie van statistieken over het gedetailleerde onderwerp “energiegerelateerde kenmerken van gebouwen” hebben de nationale statistische instanties tijdige en regelmatige toegang tot de nationale databanken over de energieprestatie van gebouwen overeenkomstig Richtlijn (EU) 2024/1275, en mogen zij de administratieve gegevens uit die databanken hergebruiken.
1 ter. Ten behoeve van de productie van uitsplitsingen van de bevolking naar geslacht gebruiken de nationale statistische instanties de informatie die beschikbaar is in de nationale administratieve gegevensbronnen.
2. Voor de toepassing van deze verordening krijgt de Commissie (Eurostat) op verzoek toegang tot relevante gegevens en metagegevens uit databanken en interoperabiliteitssystemen die worden beheerd door organen en agentschappen van de Unie, met inbegrip van de Verordeningen (EU) nr. 910/2014 en (EU) 2018/1724, en statistische gegevens die zijn opgeslagen in het centrale register voor rapportage en statistieken (CRRS). De Commissie (Eurostat) heeft met name toegang tot gegevens uit de grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht uit het CRRS, overeenkomstig de Verordeningen (EU) 2019/817 en (EU) 2019/818 en de verordeningen tot vaststelling van de systemen waarvan de statistische gegevens in CRRS worden opgeslagen. In dat verband werkt de Commissie (Eurostat) verder samen met de relevante organen en agentschappen van de Unie om de op maat gemaakte statistische gegevens en metagegevens te specificeren die, waar mogelijk uit hoofde van het Unierecht, vereist zijn voor Europese statistieken over bevolking en huisvesting, de operationele modaliteiten voor de verstrekking ervan en de nodige begeleidende fysieke en logische waarborgen.
Artikel 11
Lijsten van landen en gebieden
1. Wanneer gegevensreeksen informatie per land of gebied bevatten, gebruiken de lidstaten specifieke uitsplitsingen voor de toepassing van deze verordening en van Verordening (EG) nr. 862/2007.
2. De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast tot nadere bepaling of bijwerking van de lijsten van landen en gebieden die van toepassing zijn op uitsplitsingen van statistieken die op grond van deze verordening worden opgesteld. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 18, lid 2, van deze verordening bedoelde onderzoeksprocedure. ▌
3. Uitvoeringshandelingen tot wijziging van meer dan een derde van de uitsplitsingscategorieën van landen of gebieden worden ten vroegste twaalf maanden na de inwerkingtreding ervan van toepassing.
Artikel 12
Kwaliteitseisen en kwaliteitsverslag
1. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om de kwaliteit van de ingediende gegevensreeksen en metagegevens te waarborgen.
2. De lidstaten nemen passende en doeltreffende maatregelen om:
a) de in artikel 3 ▌vastgestelde regels met betrekking tot de bevolkingsbasis op uniforme wijze en onafhankelijk van de gebruikte gegevensbronnen ten uitvoer leggen;
b) moeilijk te bereiken bevolkingsgroepen weer te geven of te ramen;
c) de volledigheid en nauwkeurigheid van de betrokken populatie te controleren overeenkomstig artikel 3▌;
d) frames vast te stellen die geschikt zijn voor de toepassing van deze verordening en van artikel 12 van Verordening (EU) 2019/1700;
e) mogelijke risico’s van onderschatting of dubbeltelling in verband met het vrije verkeer van personen in de Unie, de toegang van personen tot grensoverschrijdende diensten in verband met levensgebeurtenissen en het recht van personen om grensoverschrijdend onroerend goed te kopen, eigendom te hebben en te gebruiken in de hele Unie te vermijden, bijvoorbeeld door unieke digitale identificatiemiddelen in te voeren;
f) het mogelijke risico van onderschatting of dubbeltelling te vermijden en te zorgen voor een betere vergelijkbaarheid van migratiestromen▌;
g) alle gegevens aan de Commissie (Eurostat) te verstekken die nodig zijn om de volledigheid van de gepubliceerde Europese statistieken te waarborgen.
2 bis. De Commissie (Eurostat) beoordeelt de kwaliteit van de metagegevens over de specificaties van de gegevens, onder andere teneinde deze op gebruikersvriendelijke wijze op de website van de Commissie (Eurostat) te publiceren.
3. De lidstaten dienen bij de Commissie (Eurostat) voor het eerst uiterlijk op 31 maart 2027 en vervolgens elk jaar dat eindigt op “0”, “3” of “7” een kwaliteitsverslag in met een beschrijving van de kwaliteit van de verstrekte statistieken en de statistische processen voor de tijdens de periode verstrekte gegevensreeksen. Die kwaliteitsverslagen omvatten informatie over de gebruikte gegevensbronnen en -methoden, de toepassing van de begrippen en definities en de daarmee verband houdende mogelijke effecten op de kwaliteit van de geselecteerde gegevensbronnen en herzieningen van de gegevens. De kwaliteitsverslagen gaan tevens in op de wijze waarop de lidstaten de in lid 1 bedoelde maatregelen hebben toegepast en de wijze waarop aan de in lid 2 bedoelde kwaliteitscriteria is voldaan.
4. De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast waarin de praktische regelingen voor de kwaliteitsverslagen en de inhoud ervan worden bepaald.
Die uitvoeringshandelingen brengen geen aanzienlijke extra lasten en kosten met zich mee voor de lidstaten.
Zij worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 18, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
4 bis. Indien op grond van die uitvoeringshandelingen een ingrijpende aanpassing vereist is, kan financiële en technische ondersteuning worden verleend overeenkomstig artikel 15, of kan een afwijking worden toegestaan overeenkomstig artikel 19, lid 1 bis.
5. De lidstaten stellen de Commissie (Eurostat) zo snel mogelijk in kennis van elke relevante informatie of wijziging in verband met de uitvoering van deze verordening die van invloed kan zijn op de kwaliteit van de verstrekte statistieken, en treffen onverwijld maatregelen om het probleem te verhelpen.
6. Op een terdege gemotiveerd verzoek van de Commissie (Eurostat) verstrekken de lidstaten de Commissie (Eurostat) onverwijld aanvullende verduidelijkingen die nodig zijn om de kwaliteit van de statistische informatie te beoordelen, zoals de beoordelingsresultaten van de gegevensbronnen en de documentatie van de methoden.
Artikel 13
Gegevensuitwisseling
1. De gegevens worden uitsluitend met het oog op de ontwikkeling en productie van onder deze verordening vallende Europese statistieken en de kwaliteit ervan gedeeld tussen de nationale bureaus voor de statistiek en andere nationale instanties op de lijst die wordt bedoeld in artikel 5, lid 2, van Verordening (EG) nr. 223/2009 (nationale statistische instanties) ▌en tussen die nationale statistische instanties en de Commissie (Eurostat).
2. In het belang van een veilige uitwisseling van gegevens binnen het ESS worden alle nodige waarborgen, waaronder een beveiligde infrastructuur voor het delen van gegevens, met betrekking tot de fysieke, technische en logische bescherming van gegevens genomen. De Commissie (Eurostat) zet een beveiligde infrastructuur op om de in lid 1 bedoelde gegevensuitwisseling te vergemakkelijken. De ▌nationale statistische instanties kunnen deze beveiligde infrastructuur voor het delen van gegevens gebruiken voor het in lid 1 genoemde doel. De Commissie (Eurostat) en de nationale statistische instanties die deze beveiligde infrastructuur voor het delen van gegevens gebruiken voor de verwerking van persoonsgegevens overeenkomstig lid 3 worden geacht samen verantwoordelijk te zijn voor de verwerking van persoonsgegevens in beveiligde infrastructuur voor het delen van gegevens. Ingeval de nationale statistische instanties een andere infrastructuur voor het delen van gegevens gebruiken, zien zij erop toe dat die infrastructuur ten minste even goed is beveiligd als de door Commissie (Eurostat) opgezette infrastructuur.
3. Wanneer de betrokken gegevens vertrouwelijke gegevens zijn in de zin van artikel 3, punt 7, van Verordening (EG) nr. 223/2009 of persoonsgegevens overeenkomstig Verordeningen (EU) 2016/679 en (EU) 2018/1725, kan het delen van die gegevens ▌op vrijwillige basis plaatsvinden, op voorwaarde dat het:
a) is gebaseerd op een verzoek ter staving van de noodzaak om de gegevens in elk individueel geval te delen, met name met betrekking tot de kwaliteitskwesties die specifiek moeten worden aangepakt;
b) ▌ is gebaseerd op privacybevorderende technologieën die specifiek zijn ontworpen om de beginselen van de Verordeningen (EU) 2016/679 en (EU) 2018/1725 toe te passen, met bijzondere aandacht voor doelbinding, gegevensminimalisering, opslagbeperking, integriteit en vertrouwelijkheid;
c) geen afbreuk doet aan hoofdstuk V van Verordening (EG) nr. 223/2009.
3 bis. Met het oog op het delen van gegevens als bedoeld in lid 1 worden niet-vertrouwelijke gegevens gedeeld tussen nationale bureaus voor de statistiek en andere nationale autoriteiten van verschillende lidstaten en tussen deze nationale statistische instanties en de Commissie (Eurostat).
4. De Commissie (Eurostat) en de lidstaten testen en beoordelen door middel van proefstudies de infrastructuur voor en de geschiktheid van relevante privacybevorderende technologieën voor het delen van gegevens.
5. Indien in de uit hoofde van lid 4 van dit artikel uitgevoerde pilotstudies doeltreffende en veilige oplossingen voor het delen van gegevens voor de in lid 1 van dit artikel bedoelde doeleinden worden vastgesteld, kan de Commissie uitvoeringshandelingen vaststellen met technische specificaties voor het delen van gegevens en maatregelen voor de vertrouwelijkheid en beveiliging van informatie. Die uitvoeringshandelingen worden overeenkomstig de in artikel 18, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
Artikel 14
Proef- en haalbaarheidsstudies
1. Waar nodig en passend voor de toepassing van deze verordening start de Commissie (Eurostat) proef- en haalbaarheidsstudies die gericht zijn op:
a) de beoordeling van de beschikbaarheid en de kwaliteit van gegevensbronnen, met inbegrip van openbare en particuliere gegevens in de lidstaten en op het niveau van de Unie;
b) de ontwikkeling en beoordeling van de haalbaarheid van de uitvoering van nieuwe ▌gedetailleerde onderwerpen, statistische eenheden, variabelen en de uitsplitsingen daarvan;
b bis) de beoordeling van de beschikbaarheid van gegevensbronnen en de verbetering van methoden voor het verstrekken van statistieken over handicaps van personen en het testen van de uitsplitsing van statistieken, met inbegrip van de vergelijkbaarheid ervan, overeenkomstig het nationaal recht en de nationale praktijk inzake gegevensbescherming en controle op de openbaarmaking;
c) de ontwikkeling van nieuwe methoden en statistische technieken om de kwaliteit te verbeteren en informatie over moeilijk te bereiken bevolkingsgroepente verbeteren;
d) de vermindering van de discrepanties in gegevens van migratiestromen en de verbetering van de vergelijkbaarheidervan;
d bis) de vermindering van mogelijke onderschatting of dubbeltelling van mensen;
e) het testen en beoordelen van de infrastructuur voor en de geschiktheid van relevante privacybevorderende technologieën voor veilige gegevensuitwisseling binnen het ESS overeenkomstig artikel 13, lid 4.
2. De lidstaten kunnen aan die studies deelnemen, maar zorgen samen met de Commissie (Eurostat) voor de representativiteit van die studies op het niveau van de Unie.
3. De resultaten van deze studies worden door de Commissie (Eurostat) in samenwerking met de lidstaten geëvalueerd. De Commissie (Eurostat) stelt in samenwerking met de lidstaten verslagen op over de resultaten van die studies.
Artikel 15
Financiering
1. Wat de uitvoering van deze verordening betreft, wordt een financiële bijdrage beschikbaar gesteld in het kader van het programma voor de eengemaakte markt dat is vastgesteld bij Verordening (EU) 2021/690, overeenkomstig Verordening (EU, Euratom) 2018/1046, aan de nationale bureaus voor de statistiek en andere nationale instanties als bedoeld in artikel 5, lid 2, van Verordening (EG) nr. 223/2009, voor:
a) aanpassingen aan de infrastructuur en de opleiding in het nationale statistische systeem die nodig zijn voor de ontwikkeling en uitvoering van nieuwe of verbeterde gegevensbronnen, methodologieën, gegevensuitwisseling, statistische eenheden, onderwerpen, gedetailleerde onderwerpen, variabelen en uitsplitsingen daarvan;
a bis) devoorbereiding en uitvoering van ad-hocgegevensverzameling als bedoeld in artikel 7;
b) de deelname van de lidstaten aan representatieve proef- en haalbaarheidsstudies als bedoeld in artikel 14▌.
1 bis. De hoogte van de financiële bijdrage van de Unie die ter beschikking wordt gesteld uit hoofde van dit artikel wordt vastgesteld overeenkomstig de regels van het programma voor de eengemaakte markt als onderdeel van de jaarlijkse begrotingsprocedure, onder voorbehoud van de beschikbaarheid van financiering.
Daarnaast kunnen de in artikel 5, lid 2, van Verordening (EG) nr. 223/2009 bedoelde nationale statistische instanties steun van andere toepasselijke financiële programma’s van de Europese Unie aanvragen overeenkomstig de regels van die programma’s. De lidstaten kunnen tevens het instrument voor technische ondersteuning om hulp vragen met het oog op de verbetering van de kwaliteit van de statistieken en de ontwikkeling van methoden overeenkomstig de voorschriften van deze verordening in overeenstemming met de regels van het instrument voor technische ondersteuning en de bijbehorende doelstelling om de productie en de verstrekking van en het kwaliteitstoezicht op gegevens en statistieken te bevorderen.
2. Het bedrag van de financiële bijdrage van de Unie mag niet hoger zijn dan 90 % van de voor financiële steun in aanmerking komende kosten.
Artikel 16
Bescherming van de financiële belangen van de Unie
Indien een derde land door middel van een besluit vastgesteld op grond van een internationale overeenkomst of op basis van een ander rechtsinstrument aan de op grond van deze verordening gefinancierd acties deelneemt, verleent het derde land de nodige rechten en toegang aan de verantwoordelijke ordonnateur, het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF), de Rekenkamer en het Europees Openbaar Ministerie (EOM), zodat deze hun respectieve bevoegdheden ten volle kunnen uitoefenen. In het geval van het OLAF omvatten dergelijke rechten het recht om onderzoeken, met inbegrip van controles en verificaties ter plaatse, uit te voeren, overeenkomstig Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013.
Artikel 17
Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie
1. De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.
2. De in artikel 5, lid 3, artikel 6, lid 6, en artikel 7, lid 2, bedoelde bevoegdheid tot vaststelling van gedelegeerde handelingen wordt aan de Commissie toegekend voor onbepaalde tijd vanaf [OJ: please insert exact date of entry into force of the Regulation].
3. Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 5, lid 3, artikel 6, lid 6, en artikel 7, lid 2, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Een besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.
4. Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven en zij houdt het Europees Parlement op de hoogte van haar voorbereidende werkzaamheden.
5. Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling vaststelt, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.
6. Een overeenkomstig artikel 5, lid 3, artikel 6, lid 6, en artikel 7, lid 2, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie heeft medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.
Artikel 18
Comitéprocedure
1. De Commissie wordt bijgestaan door het bij artikel 7 van Verordening (EG) nr. 223/2009 opgerichte Comité voor het Europees statistisch systeem (ESS-comité). Dit comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.
2. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.
Artikel 19
Afwijkingen
1. Indien de toepassing van deze verordening ▌ingrijpende aanpassingen van het nationale statistische systeem van een lidstaat vereist, kan de Commissie die lidstaat door middel van uitvoeringshandelingen afwijkingen toestaan voor een periode van ten hoogste zeven jaar.
1 bis. Indien op grond van deze verordening vastgestelde gedelegeerde of uitvoeringshandelingen ingrijpende aanpassingen van het nationale statistische systeem van een lidstaat vereisen, kan de Commissie die lidstaat door middel van uitvoeringshandelingen afwijkingen toestaan voor een periode van ten hoogste drie jaar.
2. Bij het toestaan van ▌afwijkingen ingevolge lid 1 van dit artikel houdt de Commissie rekening met de vergelijkbaarheid van de statistieken van de lidstaten en de tijdige berekening van de vereiste representatieve en betrouwbare Europese aggregaten. Wanneer de Commissie de afwijkingen toestaat, zorgt zij er ook voor dat de voorschriften met betrekking tot statistieken, metagegevens en kwaliteit die onder deze verordening vallen en voorheen onder Verordening (EU) nr. 1260/2013 of artikel 3 van Verordening (EG) nr. 862/2007 vielen, zonder onderbreking worden gehandhaafd.
3. De lidstaat dient binnen twee maanden na de datum van inwerkingtreding van de betrokken handeling een naar behoren gemotiveerd verzoek om afwijking in bij de Commissie.
4. De Commissie stelt de in lid 1, lid 1 bis en lid 3 van dit artikel bedoelde uitvoeringshandelingen vast overeenkomstig de in artikel 18, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
Artikel 20
Wijzigingen in Verordening (EG) nr. 862/2007
Verordening (EG) nr. 862/2007 wordt als volgt gewijzigd:
1) De titel wordt vervangen door: “Verordening (EG) nr. 862/2007 van 11 juli 2007 betreffende Europese statistieken over asiel en administratieve en gerechtelijke procedures in verband met de immigratiewetgeving en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 311/76 van de Raad betreffende de opstelling van statistieken over buitenlandse werknemers”.
2) In artikel 1 worden de punten a) en b) geschrapt.
3) In artikel 2, lid 1, worden de punten a), b), c), f) en g) geschrapt.
3 bis) In artikel 2, lid 1, wordt punt d) vervangen door: "
“d) “burgerschap”: burgerschap zoals gedefinieerd in artikel 2, lid 1, van Verordening (EU) .../... van het Europees Parlement en de Raad*(33)
"
4) Artikel 3 wordt geschrapt.
5) Het volgende artikel ▌wordt ingevoegd:"
“Artikel 9 quater
Tijdige toegang tot en hergebruik van administratieve gegevens
1. Overeenkomstig artikel 17 bis van Verordening (EG) nr. 223/2009 staan de nationale autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor administratieve gegevensbronnen die relevant zijn voor de toepassing van deze verordening, het hergebruik van die gegevens toe in voldoende tijd en met inachtneming van voldoende frequentie om statistieken te produceren en in te dienen binnen de termijnen en in overeenstemming met de specifieke kwaliteitseisen van deze verordening. De nationale statistische instanties en de nationale autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de administratieve bestanden stellen de samenwerkingsmechanismen vast die nodig zijn voor de tijdige en kosteloze toegang tot die bestanden.
2. Voor de toepassing van deze verordening krijgt de Commissie (Eurostat) op verzoek toegang tot relevante gegevens en metagegevens uit databanken en interoperabiliteitssystemen die worden beheerd door organen en agentschappen van de Unie, met inbegrip van de Verordeningen (EU) nr. 910/2014 en (EU) 2018/1724, en statistische gegevens die zijn opgeslagen in het centrale register voor rapportage en statistieken (CRRS). De Commissie (Eurostat) heeft met name toegang tot gegevens uit de grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht uit het CRRS, overeenkomstig de Verordeningen (EU) 2019/817 en (EU) 2019/818 en de verordeningen tot vaststelling van de systemen waarvan de statistische gegevens in CRRS worden opgeslagen. Daartoe werkt de Commissie (Eurostat) verder samen met de relevante organen en agentschappen van de Unie om de op maat gemaakte statistische gegevens en metagegevens te specificeren die, waar mogelijk uit hoofde van het Unierecht, vereist zijn voor Europese statistieken over bevolking en huisvesting, de operationele modaliteiten voor de verstrekking ervan en de nodige begeleidende fysieke en logische waarborgen.”.
"
6) Het volgende artikel ▌wordt ingevoegd:"
“Artikel 10 bis
Lijsten van landen en gebieden
De lijst van landen en gebieden die wordt bedoeld in artikel 11 van Verordening (EU) ../...(34)wordt toegepast voor de opstelling van statistieken in het kader van deze verordening om de vergelijkbaarheid van land- en gebiedsspecifieke gegevens in alle Europese statistieken te waarborgen. De lidstaten passen deze lijsten voor het eerst toe om de uit hoofde van deze verordening te verstrekken statistieken op te stellen, te beginnen met de indiening van gegevens voor het referentiejaar 2026.”.
________
* Verordening (EU) .../... van het Europees Parlement en de Raad betreffende Europese statistieken over bevolking en huisvesting, tot wijziging van Verordening (EG) nr. 862/2007 en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 763/2008 en (EU) nr. 1260/2013 (PB ...).”.
"
Artikel 21
Intrekking
De Verordeningen (EG) nr. 763/2008 en (EU) nr. 1260/2013 worden met ingang van 1 januari 2026 ingetrokken, onverminderd de verplichtingen uit hoofde van die rechtshandelingen met betrekking tot referentieperioden die geheel of gedeeltelijk vóór die datum vallen.
Verwijzingen naar de ingetrokken verordeningen gelden als verwijzingen naar onderhavige verordening.
Artikel 22
Inwerkingtreding en toepassing
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Zij is van toepassing vanaf 1 januari 2026.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te …,
Voor het Europees Parlement Voor de Raad
De Voorzitter De Voorzitter
BIJLAGE
Domeinen, onderwerpen en gedetailleerde onderwerpen, met periodiciteit en referentietijd per gedetailleerd onderwerp
Domein
Onderwerp
Gedetailleerd onderwerp
Periodiciteit
Referentietijd (datum of periode)
Bevolking
Bevolkingsbestanden
Basiskenmerken van de persoon
6M
30.6.YY en
31.12.YY
A
31.12.YY
MA
31.12.YY
D
31.12.YY
Sociaaleconomische kenmerken van de persoon
A
31.12.YY
MA
31.12.YY
D
31.12.YY
Fertiliteit
Geboorten
Q
Maand
A
Jaar
Legaal opgewekte abortussen1
A
Jaar
Mortaliteit
Overlijdens
Q
Maand, week
A
Jaar
Sterfgevallen bij zuigelingen
A
Jaar
Late sterfgevallen bij foetussen
A
Jaar
Partnerschappen
Huwelijken en geregistreerde partnerschappen
A
Jaar
Kenmerken van personen die een huwelijk of geregistreerd partnerschap aangaan
A
Jaar
Echtscheidingen en beëindigde geregistreerde partnerschappen
A
Jaar
Migratie
Immigranten
Q
Maand
A
Jaar
Emigranten
Q
Maand
A
Jaar
Interne migratie
A
Jaar
Verwerving en verlies van staatsburgerschap van EU-lidstaten en de Unie
Personen die staatsburgerschap hebben verworven
A
Jaar
Personen die staatsburgerschap hebben verloren of opgegeven
* De wijzigingen in de tekst zijn het gevolg van de aanneming van amendement 56. Nieuwe of vervangende tekst staat in vet en cursief, schrappingen zijn met het symbool ▐ aangegeven.
Verordening (EU) 2019/1700 van het Europees Parlement en de Raad van 10 oktober 2019 tot vaststelling van een gemeenschappelijk kader voor Europese statistieken betreffende personen en huishoudens, op basis van gegevens die op individueel niveau worden verzameld door middel van steekproeven, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 808/2004, (EG) nr. 452/2008 en (EG) nr. 1338/2008 van het Europees Parlement en de Raad, en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1177/2003 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (EG) nr. 577/98 van de Raad (PB L 261I van 14.10.2019, blz. 1).
Verordening (EU) nr. 1260/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 betreffende de Europese bevolkingsstatistieken (PB L 330 van 10.12.2013, blz. 39).
Verordening (EG) nr. 223/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2009 betreffende de Europese statistiek en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1101/2008 betreffende de toezending van onder de statistische geheimhoudingsplicht vallende gegevens aan het Bureau voor de Statistiek van de Europese Gemeenschappen, Verordening (EG) nr. 322/97 van de Raad betreffende de communautaire statistiek en Besluit 89/382/EEG, Euratom van de Raad tot oprichting van een Comité statistisch programma van de Europese Gemeenschappen (PB L 87 van 31.3.2009, blz. 164).
Verordening (EG) nr. 862/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende communautaire statistieken over migratie en internationale bescherming en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 311/76 van de Raad betreffende de opstelling van statistieken over buitenlandse werknemers (PB L 199 van 31.7.2007, blz. 23).
Verordening (EG) nr. 763/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 betreffende volks- en woningtellingen (PB L 218 van 13.8.2008, blz. 14).
Verordening (EG) nr. 1059/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 betreffende de opstelling van een gemeenschappelijke nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek (NUTS) (PB L 154 van 21.6.2003, blz. 1).
Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1799 van de Commissie van 21 november 2018 betreffende de vaststelling van een tijdelijke directe statistische actie voor de verspreiding van geselecteerde thema’s van de volks- en woningtelling 2021, gegeocodeerd op een raster van 1 km² (PB L 296 van 22.11.2018, blz. 19).
Richtlijn 2007/2/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 maart 2007 tot oprichting van een infrastructuur voor ruimtelijke informatie in de Gemeenschap (Inspire) (PB L 108 van 25.4.2007, blz. 1).
Richtlijn 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 2010 betreffende de energieprestatie van gebouwen (PB L 153 van 18.6.2010, blz. 13).
Richtlijn (EU) 2024/1275 van het Europees Parlement en de Raad van 24 april 2024 betreffende de energieprestatie van gebouwen (PB L, 2024/1275, 8.5.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2024/1275/oj).
Verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG (PB L 257 van 28.8.2014, blz. 73).
Verordening (EU) 2018/1724 van het Europees Parlement en de Raad van 2 oktober 2018 tot oprichting van één digitale toegangspoort voor informatie, procedures en diensten voor ondersteuning en probleemoplossing en houdende wijziging van Verordening (EU) nr. 1024/2012 (PB L 295 van 21.11.2018, blz. 1).
Verordening (EU) 2019/817 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2019 tot vaststelling van een kader voor interoperabiliteit tussen de Unie-informatiesystemen op het gebied van grenzen en visa en tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 767/2008, (EU) 2016/399, (EU) 2017/2226, (EU) 2018/1240, (EU) 2018/1726 en (EU) 2018/1861 van het Europees Parlement en de Raad, Beschikking 2004/512/EG van de Raad en Besluit 2008/633/JBZ van de Raad (PB L 135 van 22.5.2019, blz. 27).
Verordening (EU) 2019/818 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2019 tot vaststelling van een kader voor interoperabiliteit tussen de Unie-informatiesystemen op het gebied van politiële en justitiële samenwerking, asiel en migratie en tot wijziging van Verordeningen (EU) 2018/1726, (EU) 2018/1862 en (EU) 2019/816 (PB L 135 van 22.5.2019, blz. 85).
Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen, organen en instanties van de Unie en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 45/2001 en Besluit nr. 1247/2002/EG (PB L 295 van 21.11.2018, blz. 39).
Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1).
Richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2002 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie (richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie) (PB L 201 van 31.7.2002, blz. 37).
Verordening (EU) 2021/690 van het Europees Parlement en de Raad van 28 april 2021 tot vaststelling van een programma voor de interne markt, het concurrentievermogen van ondernemingen, met inbegrip van kleine en middelgrote ondernemingen, het gebied van planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders, en Europese statistieken (programma voor de interne markt), en tot intrekking van de Verordeningen (EU) nr. 99/2013, (EU) nr. 1287/2013, (EU) nr. 254/2014, en (EU) nr. 652/2014 (PB L 153 van 3.5.2021, blz. 1).
Verordening (EU) 2021/240 van het Europees Parlement en de Raad van 10 februari 2021 tot vaststelling van een instrument voor technische ondersteuning (PB L 57 van 18.2.2021, blz. 1).
Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 (PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1).
Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 september 2013 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (Euratom) nr. 1074/1999 van de Raad (PB L 248 van 18.9.2013, blz. 1).
Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen (PB L 312 van 23.12.1995, blz. 1).
Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad van 11 november 1996 betreffende de controles en verificaties ter plaatse die door de Commissie worden uitgevoerd ter bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen tegen fraudes en andere onregelmatigheden (PB L 292 van 15.11.1996, blz. 2).
Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie (“EOM”) (PB L 283 van 31.10.2017, blz. 1).
Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2017 betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt (PB L 198 van 28.7.2017, blz. 29).
Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).
+OJ: Please insert in the text the number of Regulation contained in doc (2023/0008(COD)) and insert the number, date, title and OJ reference of that Regulation in the footnote.
+OJ: Please insert in the text the number of Regulation contained in doc (2023/0008(COD)) and insert the number, date, title and OJ reference of that Regulation in the footnote.
Wijziging van Richtlijn 2013/36/EU wat betreft toezichtsbevoegdheden, sancties, bijkantoren uit derde landen en ecologische, sociale en governancerisico’s
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 24 april 2024 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2013/36/EU wat betreft toezichtsbevoegdheden, sancties, bijkantoren uit derde landen en ecologische, sociale en governancerisico’s, en tot wijziging van Richtlijn 2014/59/EU (COM(2021)0663 – C9-0395/2021 – 2021/0341(COD))
– gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2021)0663),
– gezien artikel 294, lid 2, en artikel 53, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan de Commissie het voorstel bij het Parlement heeft ingediend (C9‑0395/2021),
– gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
– gezien het advies van de Europese Centrale Bank van 27 april 2022(1),
– gezien het overeenkomstig artikel 74, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 6 december 2023 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,
– gezien artikel 59 van zijn Reglement,
– gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A9-0029/2023),
1. stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;
2. verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;
3. verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 24 april 2024 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) 2024/... van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2013/36/EU wat betreft toezichtsbevoegdheden, sancties, bijkantoren uit derde landen en ecologische, sociale en governancerisico’s
(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Richtlijn (EU) 2024/1619.)
Wijziging van Verordening (EU) nr. 575/2013 wat betreft vereisten inzake kredietrisico, risico van aanpassing van de kredietwaardering, operationeel risico, marktrisico en de output floor
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 24 april 2024 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 575/2013 wat betreft vereisten inzake kredietrisico, risico van aanpassing van de kredietwaardering, operationeel risico, marktrisico en de output floor (COM(2021)0664 – C9-0397/2021 – 2021/0342(COD))
– gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2021)0664),
– gezien artikel 294, lid 2, en artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C9‑0397/2021),
– gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
– gezien het advies van de Europese Centrale Bank van 24 maart 2022(1),
– gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 23 maart 2022(2),
– gezien het overeenkomstig artikel 74, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 6 december 2023 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,
– gezien artikel 59 van zijn Reglement,
– gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A9-0030/2023),
1. stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;
2. neemt kennis van de verklaring van de Commissie die als bijlage bij deze resolutie is gevoegd en in de C-serie van het Publicatieblad van de Europese Unie zal worden bekendgemaakt;
3. verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;
4. verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de nationale parlementen.
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 24 april 2024 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2024/... van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 575/2013 wat betreft vereisten inzake kredietrisico, risico van aanpassing van de kredietwaardering, operationeel risico, marktrisico en de output floor
(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2024/1623.)
BIJLAGE BIJ DE WETGEVINGSRESOLUTIE
Verklaring van de Commissie met betrekking tot artikel 1, punt 253), van Verordening (EU) 2024/1623 van het Europees Parlement en de Raad betreffende artikel 518 quater van Verordening (EU) nr. 575/2013
De Commissie verbindt zich ertoe een eerlijke en evenwichtige beoordeling uit te voeren van de toestand van de eengemaakte markt voor het bankwezen, waarbij met name rekening wordt gehouden met prudentiële vereisten, met inbegrip van de mate van toepassing van de output floor en de bepalingen inzake de ontheffing van kapitaal- en liquiditeitsvereisten. Zij zal dit mandaat uitvoeren op basis van input van de Europese Bankautoriteit en van de Europese Centrale Bank/het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme, en zal overleg plegen met de belanghebbende partijen om ervoor te zorgen dat de verschillende perspectieven op passende wijze in aanmerking worden genomen. De Commissie zal op basis van dat verslag zo nodig een wetgevingsvoorstel presenteren.
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 24 april 2024 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de mechanismen die de lidstaten moeten invoeren om het gebruik van het financiële stelsel voor witwassen of terrorismefinanciering te voorkomen en tot intrekking van Richtlijn (EU) 2015/849 (COM(2021)0423 – C9-0342/2021 – 2021/0250(COD))
– gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2021)0423),
– gezien artikel 294, lid 2, en artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C9‑0342/2021),
– gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
– gezien het advies van de Europese Centrale Bank van 16 februari 2022(1),
– gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 8 december 2021(2),
– gezien het overeenkomstig artikel 74, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissies goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 14 februari 2024 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,
– gezien artikel 59 van zijn Reglement,
– gezien de gezamenlijke beraadslagingen van de Commissie economische en monetaire zaken en de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken overeenkomstig artikel 58 van het Reglement,
– gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken en de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A9-0150/2023),
1. stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;
2. verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;
3. verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 24 april 2024 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) 2024/... van het Europees Parlement en de Raad betreffende de mechanismen die de lidstaten moeten invoeren om het gebruik van het financiële stelsel voor witwassen of terrorismefinanciering te voorkomen, tot wijziging van Richtlijn (EU) 2019/1937, en tot wijziging en intrekking van Richtlijn (EU) 2015/849
(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Richtlijn(EU) 2024/1640.)
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 24 april 2024 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor witwassen of terrorismefinanciering (COM(2021)0420 – C9-0339/2021 – 2021/0239(COD))
– gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2021)0420),
– gezien artikel 294, lid 2, en artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C9‑0339/2021),
– gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
– gezien het advies van de Europese Centrale Bank van 16 februari 2022(1),
– gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 8 december 2021(2),
– gezien het overeenkomstig artikel 74, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissies goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 14 februari 2024 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,
– gezien artikel 59 van zijn Reglement,
– gezien het gezamenlijk overleg van de Commissie economische en monetaire zaken en de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken overeenkomstig artikel 58 van het Reglement,
– gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken en de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A9-0151/2023),
1. stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;
2. verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;
3. verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 24 april 2024 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2024/... van het Europees Parlement en de Raad tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor witwassen of terrorismefinanciering
(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2024/1624.)
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 24 april 2024 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot oprichting van de Autoriteit voor de bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1093/2010, (EU) nr. 1094/2010 en (EU) nr. 1095/2010 (COM(2021)0421 – C9-0340/2021 – 2021/0240(COD))
– gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2021)0421),
– gezien artikel 294, lid 2, en artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C9‑0340/2021),
– gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
– gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 8 december 2021(1),
– gezien het overeenkomstig artikel 74, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissies goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 29 februari 2024 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,
– gezien artikel 59 van zijn Reglement,
– gezien de gezamenlijke beraadslagingen van de Commissie economische en monetaire zaken en de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken overeenkomstig artikel 58 van het Reglement,
– gezien de adviezen van de Begrotingscommissie, de Commissie begrotingscontrole en de Commissie constitutionele zaken,
– gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken en de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A9-0128/2023),
1. stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;
2. verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;
3. verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 24 april 2024 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2024/... van het Europees Parlement en de Raad tot oprichting van de Autoriteit voor de bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1093/2010, (EU) nr. 1094/2010 en (EU) nr. 1095/2010
(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2024/1620.)
Lopende hoorzittingen in het kader van artikel 7, lid 1, VEU over Hongarije om de rechtstaat te versterken en de budgettaire gevolgen daarvan
163k
56k
Resolutie van het Europees Parlement van 24 april 2024 over de lopende hoorzittingen in het kader van artikel 7, lid 1, VEU over Hongarije om de rechtstaat te versterken en de budgettaire gevolgen daarvan (2024/2683(RSP))
– gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), en met name artikel 2, artikel 4, lid 3, en artikel 7, lid 1,
– gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna het “Handvest” genoemd),
– gezien het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de protocollen daarbij,
– gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens,
– gezien de internationale mensenrechtenverdragen van de Verenigde Naties en de Raad van Europa,
– gezien de lijst met criteria voor de rechtsstaat die door de Commissie van Venetië is goedgekeurd tijdens haar 106e plenaire vergadering te Venetië op 11 en 12 maart 2016,
– gezien zijn resolutie van 12 september 2018 over een voorstel houdende een verzoek aan de Raad om overeenkomstig artikel 7, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie te constateren dat er een duidelijk gevaar bestaat voor een ernstige schending door Hongarije van de waarden waarop de Unie berust(1),
– gezien Verordening (EU, Euratom) 2020/2092 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2020 betreffende een algemeen conditionaliteitsregime ter bescherming van de Uniebegroting(2) (de “verordening inzake conditionaliteit met betrekking tot de rechtsstaat”),
– gezien Besluit C(2023) 9014 van de Commissie van 13 december 2023 betreffende de herbeoordeling, op initiatief van de Commissie, van de naleving van de voorwaarden van artikel 4 van Verordening (EU, Euratom) 2020/2092 naar aanleiding van Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/2506 van de Raad van 15 december 2022 met betrekking tot Hongarije,
– gezien zijn resolutie van 15 september 2022 over het voorstel voor een besluit van de Raad houdende de constatering, overeenkomstig artikel 7, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, dat er een duidelijk gevaar bestaat voor een ernstige schending door Hongarije van de waarden waarop de Unie berust(3),
– gezien zijn resolutie van 24 november 2022 over de beoordeling van de inachtneming door Hongarije van de rechtsstatelijke voorwaarden in het kader van de verordening inzake conditionaliteit met betrekking tot de rechtsstaat, en de stand van zaken met betrekking tot het Hongaarse herstel- en veerkrachtplan(4),
– gezien zijn resolutie van 1 juni 2023 over de inbreuken op de rechtsstaat en de grondrechten in Hongarije en de bevroren EU-gelden(5),
– gezien zijn resolutie van 18 januari 2024 over de situatie in Hongarije en bevroren EU-gelden(6),
– gezien de landenhoofdstukken over Hongarije in de door de Commissie opgestelde jaarverslagen over de rechtsstaat,
– gezien het advies van de Commissie van Venetië over de Hongaarse wet LXXXVIII van 2023 betreffende de bescherming van de nationale soevereiniteit, aangenomen tijdens de 138e plenaire vergadering te Venetië op 15 en 16 maart 2024,
– gezien artikel 132, lid 2, van zijn Reglement,
A. overwegende dat eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten, waaronder de rechten van personen die tot minderheden behoren, de waarden zijn waarop de Unie is gegrondvest, zoals neergelegd in artikel 2 VEU en zoals weerspiegeld in het Handvest en opgenomen in internationale mensenrechtenverdragen; overwegende dat deze waarden, die door de lidstaten worden gedeeld, de basis vormen van de rechten van de inwoners van de EU;
B. overwegende dat het bestaan van een duidelijk gevaar voor een ernstige schending van de in artikel 2 VEU bedoelde waarden door een lidstaat niet alleen gevolgen heeft voor de lidstaat waar dit gevaar zich heeft voorgedaan, maar ook voor de andere lidstaten, voor het wederzijds vertrouwen tussen de lidstaten, voor de aard zelf van de EU en voor de grondrechten van haar burgers krachtens het EU-recht;
C. overwegende dat het toepassingsgebied van artikel 7 VEU, in tegenstelling tot artikel 258 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), niet beperkt is tot de verplichtingen uit hoofde van de Verdragen, en overwegende dat de EU kan beoordelen of er een duidelijk gevaar bestaat voor een ernstige schending van de gemeenschappelijke waarden op gebieden die tot de bevoegdheden van de lidstaten behoren;
D. overwegende dat de Raad in 2018 op voorstel van het Europees Parlement de procedure van artikel 7, lid 1, VEU heeft ingeleid teneinde een duidelijk gevaar van een ernstige schending door Hongarije van de in artikel 2 VEU bedoelde waarden aan te pakken; overwegende dat sinds het begin van de procedure zes hoorzittingen over de situatie in Hongarije in het kader van de procedure van artikel 7, lid 1, VEU in de Raad hebben plaatsgevonden, maar dat de Raad nog niet heeft getracht vast te stellen of er een dergelijk gevaar bestaat en geen aanbevelingen aan de regering van Hongarije heeft gedaan;
E. overwegende dat de verordening inzake conditionaliteit met betrekking tot de rechtsstaat van het grootste belang is, aangezien dit het instrument is dat een doeltreffende bescherming van EU-middelen mogelijk maakt;
F. overwegende dat de Commissie heeft besloten Hongarije 0,9 miljard EUR aan voorfinanciering toe te kennen in het kader van REPowerEU; overwegende dat een dergelijke voorfinanciering zonder voorwaarden kan worden verstrekt, maar niet zonder controles;
G. overwegende dat het Parlement in zijn tussentijds verslag van 15 september 2022 oordeelde dat sinds de inleiding van de procedure overeenkomstig artikel 7, lid 1, VEU, er nog steeds veel zorgen bestaan over de naleving door Hongarije van de in artikel 2 VEU verankerde waarden, of dat deze zorgen aanzienlijk zijn toegenomen, onder meer ten aanzien van de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, corruptie, belangenconflicten, onafhankelijkheid en pluriformiteit van de media, de werking van het grondwettelijk stelsel en het kiesstelsel, en in de civiele ruimte;
H. overwegende dat sinds de goedkeuring van het tussentijds verslag de situatie op sommige van deze gebieden in beperkte mate is verbeterd, op de meeste gebieden verontrustend is gebleven en op sommige andere gebieden verder is verslechterd; overwegende dat er nieuwe ernstige problemen zijn ontstaan als gevolg van het optreden van de Hongaarse regering;
I. overwegende dat in april 2024 tienduizenden Hongaren de straat op gingen om te protesteren tegen de gijzeling van de staat en corruptie;
J. overwegende dat de Hongaarse regering in 2022 en 2023 een wetgevingspakket met justitiële hervormingen heeft aangenomen om bepaalde beperkingen van de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht aan te pakken, onder meer door de onafhankelijkheid van de nationale raad voor justitie te versterken; overwegende dat de niet-limitatieve lijst van ernstige tekortkomingen met betrekking tot de rechtsstaat in het rechtsstelsel die nog niet zijn verholpen, het volgende omvat:
–
regels met betrekking tot de onschendbaarheid van de huidige voorzitter van de Curia, het Hongaarse hooggerechtshof;
–
een gebrek aan zinvolle waarborgen en garanties voor de onafhankelijkheid van de Curia;
–
een gebrek aan transparantie en automatisering in het systeem voor de toewijzing van zaken in de Curia en een gebrek aan transparantie met betrekking tot de regels voor de samenstelling van de panels;
–
politieke en administratieve druk op de onafhankelijkheid van de nationale raad voor justitie en zijn leden, onder andere door middel van lastercampagnes;
–
regels met betrekking tot de benoeming, bevordering en onafzetbaarheid van rechters;
–
een gebrek aan zinvolle waarborgen en garanties voor de onafhankelijkheid van rechters die administratieve besluiten toetsen;
–
een toenemend aantal belemmeringen voor prejudiciële verwijzingen naar het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU);
–
gebrekkige regels inzake immuniteit en tuchtprocedures tegen aanklagers en rechters;
–
politieke inmenging in het werk van de met vervolging belaste diensten en individuele aanklagers;
–
een gebrek aan efficiënte ondersteunende diensten voor slachtoffers van misdrijven;
K. overwegende dat de niet-limitatieve lijst van aanhoudende ernstige tekortkomingen op het gebied van corruptiebestrijding en belangenconflicten onder meer het volgende omvat:
–
het ontbreken van een staat van dienst van onderzoeken, vervolgingen en definitieve beslissingen in corruptiezaken op hoog niveau;
–
het ontbreken van strenge regels voor lobbyen, draaideuren en effectief toezicht op vermogensverklaringen;
–
een gebrek aan voldoende competentie, empowerment, toegang tot informatie en passende middelen bij de integriteitsautoriteit;
–
een gebrek aan openbare raadpleging en openbaar debat over anticorruptiemaatregelen;
–
een gebrek aan verantwoordingsplicht van de met vervolging belaste diensten, ook in gevallen van nalatigheid, plichtsverzuim en crimineel gedrag;
–
politieke inmenging in het werk van de met vervolging belaste diensten bij het opsporen van corruptie op hoog niveau en strafzaken;
L. overwegende dat de niet-limitatieve lijst van aanhoudende ernstige tekortkomingen met betrekking tot mediavrijheid en -pluriformiteit het volgende omvat:
–
een gebrek aan functionele onafhankelijkheid van de media-autoriteit en de coördinator voor digitale diensten;
–
een gebrek aan redactionele en financiële onafhankelijkheid van de openbare omroep en een gebrek aan pluralisme van politieke standpunten bij de openbare omroep, die door de regerende meerderheid wordt gebruikt voor politieke propaganda;
–
misbruik van overheidsreclame in regeringsgezinde media en een gebrek aan regels en transparantie op dit gebied;
–
lastercampagnes tegen onafhankelijke journalisten en media;
–
een groeiend aantal beperkingen op de toegang tot openbare informatie;
–
een gebrek aan zinvol onderzoek naar de inzet van spyware gericht op onderzoeksjournalisten en mediaprofessionals;
–
concentratie van de mediamarkt en buitensporige invloed van de overheid op het medialandschap (onder andere via de Centraal-Europese pers- en mediastichting, of KESMA zoals het in het Hongaars heet);
–
de mogelijke onderwerping van mediakanalen en journalisten aan onderzoeken door het bureau voor de bescherming van de soevereiniteit (Sovereignty Protection Office, SPO);
M. overwegende dat de niet-limitatieve lijst van aanhoudende ernstige tekortkomingen met betrekking tot het grondwettelijk en kiesstelsel, alsook de checks-and-balances, onder meer het volgende omvat:
–
het ontbreken van eerlijke campagnevoorwaarden tijdens verkiezingen op lokaal en nationaal niveau en frequente wijzigingen van de kieswet;
–
onvoldoende transparantie en verantwoordingsplicht bij het opstellen en goedkeuren van wetten;
–
het voortbestaan van de officiële “noodtoestand” die de regering uitgebreide noodbevoegdheden verleent en haar in staat stelt om wetten van hogerhand terzijde te schuiven in nooddecreten;
–
het ontbreken van een zinvolle openbare raadplegingsprocedure met betrekking tot belangrijke wetsvoorstellen;
–
de machteloosheid van onafhankelijke organen en de druk op hun onafhankelijkheid;
–
het gebruik van omnibuswetten om verschillende wetten te wijzigen;
N. overwegende dat de niet-limitatieve lijst van aanhoudende ernstige tekortkomingen met betrekking tot het functioneren van het maatschappelijk middenveld het volgende omvat:
–
het afschrikwekkende effect van verschillende wetten die gericht zijn op het beperken van het bestaan en functioneren van onafhankelijke maatschappelijke organisaties, zoals de wet op de transparantie van organisaties die buitenlandse fondsen ontvangen en de wet op de bescherming van de nationale soevereiniteit;
–
lastercampagnes jegens en intimidatie van vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties;
–
een gebrek aan overheidsfinanciering voor onafhankelijke maatschappelijke organisaties en financiële steun voor regeringsgezinde organisaties of organisaties die banden hebben met de regering;
–
de mogelijke onderwerping van maatschappelijke organisaties en hun vertegenwoordigers aan toezicht en onderzoek door de SPO;
O. overwegende dat de niet-limitatieve lijst van aanhoudende ernstige tekortkomingen met betrekking tot de bescherming van de financiële belangen van de EU het volgende omvat:
–
de werking van de autoriteiten die de EU-begroting uitvoeren;
–
systemische onregelmatigheden, tekortkomingen en zwakke punten in overheidsopdrachten, waaronder een groot aantal aanbestedingsprocedures met slechts één bieder en een gebrek aan concurrentie in het systeem van overheidsopdrachten;
–
tekortkomingen in de audit- en controlemechanismen om een correct gebruik van EU-middelen te waarborgen;
–
onvoldoende capaciteit om fraude, corruptie of andere inbreuken op de EU-wetgeving in verband met de uitvoering van de EU-begroting of met de bescherming van de financiële belangen van EU te voorkomen en te bestraffen;
–
ontoereikende toepassing van het ARACHNE-instrument;
–
een gebrek aan transparantie in het gebruik van EU-middelen door stichtingen van openbaar belang die activa beheren;
–
het feit dat Hongarije geen lid is geworden van het Europees Openbaar Ministerie (EOM);
P. overwegende dat de niet-limitatieve lijst van aanhoudende ernstige tekortkomingen met betrekking tot de naleving van de beginselen en regels van de interne markt het volgende omvat:
–
discriminerende praktijken tegen ondernemingen die actief zijn op gebieden die van strategisch belang zijn voor de Hongaarse regering;
–
het misbruik van openbare en wetgevende macht en het gebruik van intimidatietechnieken tegen economische actoren die actief zijn op gebieden die van strategisch belang zijn voor de Hongaarse regering;
Q. overwegende dat de Hongaarse regering ook andere in de resolutie van het Parlement van 15 september 2022 genoemde punten van zorg met betrekking tot de grondrechten niet heeft aangepakt, zoals:
–
academische vrijheid;
–
vrijheid van godsdienst;
–
het recht op gelijke behandeling, met inbegrip van de rechten van lhbtiq’ers;
–
de rechten van personen die tot minderheden behoren, waaronder de rechten van Roma en joden; bescherming tegen haatdragende uitspraken tegen minderheden;
–
de grondrechten van migranten, asielzoekers en vluchtelingen;
–
economische en sociale rechten;
R. overwegende dat de wet op de bescherming van de nationale soevereiniteit op 23 december 2023 in werking is getreden; overwegende dat als gevolg hiervan de nieuwe SPO is opgericht en het wetboek van strafrecht is gewijzigd om onder andere een gevangenisstraf voor te schrijven voor het gebruik van financiering uit het buitenland voor politieke campagnes; overwegende dat de Commissaris voor de Mensenrechten van de Raad van Europa in haar verklaring van 27 november 2023 heeft aangegeven dat het ontwerp van die wet een aanzienlijk risico voor de mensenrechten inhoudt en moet worden ingetrokken; overwegende dat de Commissie van Venetië in haar advies van 18 maart 2024 opmerkte dat beperkingen op buitenlandse financiering voor politieke partijen en verkiezingscampagnes gebruikelijk waren en in beginsel in overeenstemming zijn met internationale beste praktijken en normen, maar dat de wetswijzigingen niet duidelijk omschreven welke campagneactiviteiten verboden waren en hoe kon worden vastgesteld dat deze met buitenlandse middelen waren gefinancierd; overwegende dat de Commissie van Venetië in haar advies ook opmerkte dat de amendementen geen rekening houden met de samenwerking van politieke partijen op internationaal niveau, financiering door internationale organisaties uitsluiten of voorzien in de naleving van internationale verplichtingen, waaronder de verplichtingen die voortvloeien uit het EU-lidmaatschap; overwegende dat de Commissie op 7 februari 2024 besloot de Commissie een inbreukprocedure tegen Hongarije in te leiden, omdat zij van mening was dat de wetgeving in strijd was met verschillende bepalingen van het primaire en secundaire EU-recht, waaronder de democratische waarden van de EU, het beginsel van democratie en het kiesrecht van EU-burgers, en verschillende in het Handvest verankerde grondrechten, zoals het recht op eerbiediging van het privé-leven en van het familie- en gezinsleven, het recht op bescherming van persoonsgegevens, de vrijheid van meningsuiting en van informatie, de vrijheid van vereniging, het kiesrecht van EU-burgers, het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht, het beginsel dat zelfincriminatie verboden is en het professioneel verschoningsrecht, de vereisten van de EU-wetgeving inzake gegevensbescherming en diverse regels die van toepassing zijn op de interne markt;
S. overwegende dat het HvJ-EU sinds de goedkeuring van het tussentijds verslag in zijn arrest in zaak C-823/21(7), Commissie/Hongarije, heeft verklaard dat Hongarije, door een verzoek om internationale bescherming afhankelijk te stellen van een intentieverklaring op een Hongaarse ambassade in een derde land, zijn verplichtingen op grond van het EU-asielrecht niet is nagekomen;
T. overwegende dat in de arresten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 10 november 2022 in de zaak Bakirdzi en E.C. tegen Hongarije (49636/14 en 65678/14), die definitief is geworden op 3 april 2023, en van 30 maart 2023 in de zaak Szolcsán tegen Hongarije (24408/16), die definitief is geworden op 30 juni 2023, het EHRM schendingen heeft vastgesteld met betrekking tot het stemrecht van kiezers van nationale minderheden en met betrekking tot het onderwijs van Roma-kinderen in gescheiden klassen of scholen zonder dat er passende maatregelen zijn genomen om de ongelijkheden te corrigeren;
U. overwegende dat het Comité van Ministers van de Raad van Europa in zijn besluiten betreffende het lopende verscherpte toezicht op de uitvoering van de arresten van het EHRM in de zaken en groepen zaken Szabó en Vissy tegen Hongarije(8), Gazsó tegen Hongarije(9), Ilias en Ahmed tegen Hongarije(10) en Baka tegen Hongarije(11) opnieuw zijn bezorgdheid heeft geuit over de niet-uitvoering van deze arresten;
V. overwegende dat de Groep van Staten tegen Corruptie (Greco) in zijn evaluatieverslag over de vijfde evaluatieronde met betrekking tot Hongarije op talrijke punten zijn bezorgdheid heeft uitgesproken over de doeltreffendheid van het in Hongarije bestaande kader ter voorkoming van corruptie bij personen met leidinggevende functies en leden van de Hongaarse nationale politie en de nationale beschermingsdienst; overwegende dat Greco heeft aangegeven dat een gemeenschappelijk en algemeen kenmerk van het openbaar bestuur en de wetshandhavingsinstanties in Hongarije is dat de meeste maatregelen inzake integriteit en corruptiepreventie gericht zijn op ambtenaren van het lage en middenkader, maar dat het integriteitskader dat van toepassing is op personen met uitvoerende topfuncties zeer zwak is en dat de voorwaarden voor de benoeming van hogere leidinggevenden bij de politie en de nationale beschermingsdienst het risico van politisering in zich dragen;
W. overwegende dat de Europese Commissie tegen Racisme en Onverdraagzaamheid in haar verslag enkele positieve ontwikkelingen in Hongarije toejuicht, maar haar bezorgdheid uitsprak over de afschaffing van de autoriteit voor gelijke behandeling, de stigmatisering van studenten uit gemarginaliseerde milieus en gezinnen met een laag inkomen, zoals Roma-studenten, de aanzienlijke verslechtering van de mensenrechten van lhbti’ers, het steeds xenofobere openbare discours en politieke uitingen die met name gericht zijn tegen vluchtelingen, asielzoekers en migranten, moslims en lhbti’ers, de uiterst beperkte doeltreffendheid van het rechtskader inzake haatzaaiende uitlatingen, de niet-uitvoering van de nationale strategieën voor sociale inclusie, de beëindiging van de overheidssteun voor de integratie van vluchtelingen en personen aan wie subsidiaire bescherming is verleend, en de beperkte toegang tot asiel in het land;
X. overwegende dat het VN-Comité voor de uitbanning van discriminatie van vrouwen in zijn slotopmerkingen zijn bezorgdheid heeft geuit over seksuele en reproductieve gezondheid en rechten en over het feit dat het Hongaarse gelijkheidsbeleid uitsluitend gebaseerd is op het concept van het gezin en de vrouw in de eerste plaats als echtgenote en moeder beschouwt, en Hongarije heeft aanbevolen maatregelen te nemen om het publieke discours dat tegen gender gericht is, aan te pakken;
Y. overwegende dat de vertegenwoordiger voor mediavrijheid van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa in haar verklaring na een officieel bezoek aan Hongarije verklaarde dat de situatie op het gebied van de mediavrijheid in Hongarije de indruk wekt dat er sprake is van een systematische aanpak waarbij voor sommige stemmen niet dezelfde basisvoorwaarden gelden om te worden gehoord;
Z. overwegende dat de Raad in zijn aanbeveling over het nationale hervormingsprogramma 2023 van Hongarije en met een advies van de Raad over het convergentieprogramma 2023 van Hongarije (COM(2023)0617) heeft aanbevolen dat Hongarije maatregelen neemt om de toereikendheid van het socialebijstandsstelsel te verbeteren, de toegang tot effectieve actieve arbeidsmarktmaatregelen te verbeteren, te zorgen voor een effectieve sociale dialoog en het regelgevingskader en de concurrentie in de dienstensector te verbeteren overeenkomstig de beginselen van de eengemaakte markt en de rechtsstaat;
AA. overwegende dat de Hongaarse regering meerdere arresten van het Hongaarse grondwettelijk hof, het HvJ-EU en het EHRM met betrekking tot schendingen door Hongarije van in artikel 2 VEU verankerde waarden niet heeft uitgevoerd en geen gevolg heeft gegeven aan de overgrote meerderheid van de aanbevelingen in het verslag over de rechtsstaat van de Commissie van 2023 of de aanbevelingen van andere internationale organen zoals Greco, de Commissie van Venetië en andere;
1. is ontzet over de aanhoudende systematische en opzettelijke schending van de democratie, de rechtsstaat en de grondrechten in Hongarije, waarvoor de Hongaarse regering verantwoordelijkheid draagt;
2. benadrukt dat de eerbiediging van de in artikel 2 VEU verankerde waarden in Hongarije aanzienlijk is verslechterd sinds artikel 7, lid 1, VEU in werking is getreden, en betreurt ten zeerste dat het gebrek aan doortastend optreden van de Commissie en de Raad heeft bijgedragen tot de ineenstorting van de democratie, de rechtsstaat en de grondrechten in dat land, waardoor het volgens de desbetreffende indicatoren is veranderd in een hybride regime van electorale autocratie;
3. veroordeelt de goedkeuring van de wet op de bescherming van de nationale soevereiniteit en de oprichting van de SPO met uitgebreide bevoegdheden en een streng systeem van toezicht en sancties, die fundamenteel indruist tegen democratische normen, zoals het beginsel van vrije en eerlijke verkiezingen, de rechtsstaat en de grondrechten, en meerdere EU-wetten schendt; is ingenomen met de inbreukprocedure van de Commissie tegen Hongarije over deze kwestie; verzoekt de Hongaarse regering de wet onmiddellijk in te trekken; verzoekt de Commissie het HvJ-EU te verzoeken de toepassing van bovengenoemde wet onmiddellijk op te schorten als voorlopige maatregel, aangezien deze wet in strijd is met het beginsel van vrije en eerlijke verkiezingen;
4. betreurt het onvermogen van de Raad om zinvolle vooruitgang te boeken in de lopende procedure op grond van artikel 7, lid 1, VEU en herhaalt zijn oproep om de situatie te verbeteren door regelmatig hoorzittingen te houden, reeds lang bestaande en nieuwe problemen die de rechtsstaat, de democratie en de grondrechten aantasten, snel aan te pakken en concrete aanbevelingen te doen met termijnen voor de uitvoering ervan; verzoekt de Raad na elke hoorzitting uitgebreide notulen en conclusies te publiceren; benadrukt dat het Parlement in alle procedures in verband met artikel 7 VEU zijn met redenen omkleed voorstel aan de Raad moet kunnen voorleggen, hoorzittingen op grond van artikel 7 VEU moet kunnen bijwonen en in elke fase van de procedure onverwijld en volledig op de hoogte moet worden gehouden; verzoekt de Commissie en de lidstaten het initiatief te nemen tot en de Europese Raad te laten bepalen of Hongarije zich schuldig heeft gemaakt aan ernstige en voortdurende schendingen van de EU-waarden overeenkomstig artikel 7, lid 2, VEU, mocht er voor het einde van het Belgische voorzitterschap geen vooruitgang zijn geboekt; benadrukt dat de Raad medeverantwoordelijk is voor de bescherming van de in artikel 2 VEU verankerde waarden en dat het niet beschermen van deze waarden langdurige en potentieel schadelijke gevolgen zou hebben;
5. beklemtoont de belangrijke rol van het voorzitterschap van de Raad om de werkzaamheden van de Raad in verband met EU-wetgeving aan te zwengelen en tegelijkertijd de continuïteit van de EU-agenda te waarborgen en de Raad te vertegenwoordigen in de betrekkingen met de andere instellingen van de EU; herhaalt zijn bezorgdheid over het feit dat de Hongaarse regering niet in staat zal zijn om zich op geloofwaardige wijze van deze taak te kwijten in 2024, aangezien zij het EU-recht niet naleeft en de in artikel 2 VEU verankerde waarden en het beginsel van loyale samenwerking niet eerbiedigt; betreurt dat de Raad nog geen oplossing heeft gevonden voor het probleem van de Hongaarse regeringsvertegenwoordigers die de vergaderingen van de Raad over democratie, de rechtsstaat en de grondrechten voorzitten, met inbegrip van de vergaderingen die verband houden met de bescherming van de financiële belangen en de begroting van de EU; benadrukt dat deze uitdaging komt op het cruciale moment van de Europese verkiezingen en de vorming van de Commissie; betreurt dat er geen oplossing is gevonden en herhaalt bereid te zijn maatregelen te nemen om de geloofwaardigheid van de Unie te verdedigen met betrekking tot de in artikel 2 VEU verankerde waarden op het gebied van samenwerking met de Raad;
6. verzoekt de Raad en de Commissie meer aandacht te besteden aan de aanpak van de systemische ontmanteling van de rechtsstaat, alsook aan de wisselwerking tussen de verschillende schendingen van waarden die in zijn resoluties zijn vastgesteld; wijst erop dat de EU alle waarden die zijn verankerd in artikel 2 VEU met evenveel vastberadenheid moet verdedigen, en dat het nalaten hiervan de democratische instellingen ondermijnt en uiteindelijk de mensenrechten en het leven van iedereen in Hongarije aantast;
7. herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om ten volle gebruik te maken van de ter beschikking staande instrumenten om het duidelijke risico op een ernstige schending door Hongarije van de waarden waarop de EU berust, aan te pakken, en denkt hierbij met name aan versnelde inbreukprocedures, verzoeken om voorlopige maatregelen bij het HVJ-EU en acties met betrekking tot het gebrek aan uitvoering van zijn uitspraken; herinnert aan het belang van de verordening inzake conditionaliteit met betrekking tot de rechtsstaat en is verheugd over het besluit van de Commissie van 13 december 2023 waarin wordt bevestigd dat het risico voor de Uniebegroting sinds december 2022 ongewijzigd is gebleven, hetgeen leidt tot de verlenging van de in het kader van de verordening genomen maatregelen; verzoekt de Commissie onmiddellijk actie te ondernemen in het kader van de verordening met betrekking tot andere schendingen van de rechtsstaat;
8. herhaalt in deze context zijn ernstige bezorgdheid over het besluit dat de horizontale randvoorwaarde van het Handvest is vervuld met betrekking tot de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, waardoor de Hongaarse autoriteiten verzoeken om terugbetaling tot 10,2 miljard EUR kunnen indienen zonder dat er sprake is van adequate controlemechanismen of openbare aanbestedingsprocedures om goed financieel beheer of de bescherming van de EU-begroting te waarborgen; herinnert aan het verzoek dat het Parlement op 25 maart 2024 overeenkomstig artikel 263 VWEU bij het HVJ-EU heeft ingediend om de wettigheid van besluit C(2023) 9014 te toetsen; kijkt uit naar een snelle afhandeling van de zaak; herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om haar besluit in te trekken, met name in het licht van de nationale maatregelen die sinds de goedkeuring ervan zijn genomen en de uitgelekte onthullingen van de voormalige Hongaarse minister van Justitie die duiden op een gebrek aan onafhankelijkheid van het openbaar ministerie en politieke inmenging in strafprocessen; verzoekt de Commissie de middelen te blokkeren totdat alle relevante wetgeving volledig is uitgevoerd, de goedgekeurde maatregelen hun doeltreffendheid in de praktijk hebben bewezen en Hongarije alle relevante arresten van het HVJ-EU en het EHRM heeft uitgevoerd; verzoekt de Commissie de voorfinanciering in het kader van EU-financiering grondig te controleren om ervoor te zorgen dat de middelen worden besteed overeenkomstig de doelstellingen van de desbetreffende wetgeving; herhaalt zijn verzoek aan Hongarije om zo spoedig mogelijk lid te worden van het EOM; verzoekt de Commissie er bij Hongarije op aan te dringen toe te treden tot het EOM;
9. dringt erop aan dat de maatregelen die vereist zijn voor het vrijgeven van EU-financiering, zoals gedefinieerd in de relevante besluiten die zijn genomen in het kader van de verordening gemeenschappelijke bepalingen (GB-verordening)(12), de verordening inzake de herstel- en veerkrachtfaciliteit(13) en de verordening inzake conditionaliteit met betrekking tot de rechtsstaat, op coherente wijze moeten worden beoordeeld als een integraal pakket en dat er geen betalingen mogen worden gedaan, zelfs niet als er vooruitgang is geboekt op een of meer gebieden, maar er op een ander gebied nog steeds tekortkomingen bestaan; wijst erop dat het onbegrijpelijk is dat middelen in het kader van de GB-verordening worden vrijgegeven onder verwijzing naar verbeteringen in de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, terwijl middelen in het kader van de herstel- en veerkrachtfaciliteit en het conditionaliteitsstelsel geblokkeerd blijven vanwege aanhoudende tekortkomingen met betrekking tot de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht;
10. neemt kennis van de oprichting van de integriteitsautoriteit als een van de corrigerende maatregelen die moeten worden uitgevoerd in het kader van de verordening inzake conditionaliteit met betrekking tot de rechtsstaat; is van mening dat de loutere oprichting van de instelling niet als voldoende kan worden beschouwd om de huidige problemen aan te pakken en is van mening dat de naleving van de respectieve corrigerende maatregelen moet worden beoordeeld op basis van het functioneren van die instelling in de praktijk; is van mening dat de integriteitsautoriteit, indien zij de nodige prerogatieven en uitvoeringsbevoegdheden krijgt, een aantal punten van zorg in verband met de rechtsstaat in Hongarije kan aanpakken, met name de bestrijding van corruptie; vreest echter dat het in de praktijk niet over de bevoegdheden en prerogatieven beschikt om haar taken naar behoren te vervullen, zoals in het eerste jaar van haar bestaan is gebleken; dringt erop aan dat de autoriteit meer bevoegdheden krijgt en dat deze bevoegdheden uitvoerbaar zijn, met name door haar voldoende toegang te verlenen tot relevante databanken, haar onderzoeksbevoegdheden te versterken en de goedkeuring van haar aanbevelingen verplicht te stellen;
11. benadrukt dat de naleving van het EU-recht, met inbegrip van de internemarktregels, een kernpijler van het beginsel van de rechtsstaat vormt; verzoekt de Commissie om bij de evaluatie van de situatie van de rechtsstaat in elke lidstaat ook de situatie van de interne markt in die lidstaat te beoordelen; is bezorgd over het machtsmisbruik en de systematische discriminerende praktijken van de Hongaarse autoriteiten tegen ondernemingen die actief zijn op gebieden die van strategisch belang zijn voor de Hongaarse regering en oligarchen; wijst erop dat dit heeft geleid tot een klimaat van discriminatie en angst dat in strijd is met de pijlers van de interne markt en dat sommige ondernemingen en hun legitieme zakelijke belangen ernstig in gevaar brengt en hen de facto van de Hongaarse markt verdrijft; verzoekt de Commissie om bij de beoordeling van de situatie van de rechtsstaat in Hongarije bijzondere aandacht te besteden aan de naleving van de regels van de interne markt; verzoekt de Commissie na te gaan of de wetten op gebieden die voor de Hongaarse regering van strategisch belang zijn, in overeenstemming zijn met de geldende Europese wetgeving; wijst erop dat de Commissie de plicht heeft om snel gevolg te geven aan klachten van ondernemingen die systematisch het doelwit zijn van de Hongaarse autoriteiten en om relevante zaken voor te leggen aan het HVJ-EU;
12. betreurt het feit dat Hongarije misbruik heeft gemaakt van zijn vetorecht in de Raad door te verhinderen dat Oekraïne essentiële hulp krijgt, waardoor de strategische belangen van de EU worden ondermijnd; veroordeelt het algemene beleid van de Hongaarse regering ten aanzien van Rusland;
13. herhaalt zijn oproep aan de Commissie om ervoor te zorgen dat de eindontvangers of begunstigden van EU-middelen niet verstoken blijven van deze middelen, zoals uiteengezet in de verordening inzake conditionaliteit met betrekking tot de rechtsstaat; vraagt de Commissie op zoek te gaan naar manieren om EU-middelen via lokale en regionale overheden en het maatschappelijk middenveld te verdelen indien de betrokken regering niet meewerkt om de tekortkomingen in de uitvoering van de rechtsstaat te verhelpen;
14. benadrukt dat de Hongaarse autoriteiten transparantie en gelijke kansen moeten waarborgen voor personen, ondernemingen, het maatschappelijk middenveld, niet-gouvernementele organisaties en lokale en regionale overheden die toegang willen krijgen tot EU-financiering, en moeten zorgen voor onafhankelijk gerechtelijk toezicht en onpartijdige en doeltreffende klachtenmechanismen; veroordeelt de gemelde systemische discriminerende praktijken ten aanzien van academici, journalisten, politieke partijen en het maatschappelijk middenveld, alsook ten aanzien van ondernemingen in bepaalde sectoren;
15. verzoekt de Commissie steun te verlenen aan een onafhankelijk maatschappelijk middenveld in Hongarije dat de in artikel 2 VEU verankerde waarden waarborgt, met name door gebruik te maken van het programma “Burgers, gelijkheid, rechten en waarden”; herhaalt zijn oproep aan de Commissie om een alomvattende strategie voor het maatschappelijk middenveld vast te stellen voor de bescherming en ontwikkeling van de ruimte voor het maatschappelijk middenveld in de EU, waarin alle bestaande instrumenten worden geïntegreerd en een reeks specifieke maatregelen wordt geschetst om de ruimte voor het maatschappelijk middenveld te beschermen en te versterken;
16. herhaalt zijn verzoek aan de Commissie en de Raad om onmiddellijk onderhandelingen te beginnen met het Parlement over een EU-mechanisme voor democratie, de rechtsstaat en grondrechten in de vorm van een interinstitutioneel akkoord, en over het opnemen van een permanente beleidscyclus tussen de EU-instellingen;
17. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de Raad van Europa, de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa en de Verenigde Naties.
Verordening (EU) 2021/1060 van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds Plus, het Cohesiefonds, het Fonds voor een rechtvaardige transitie en het Europees Fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur en de financiële regels voor die fondsen en voor het Fonds voor asiel, migratie en integratie, het Fonds voor interne veiligheid en het Instrument voor financiële steun voor grensbeheer en visumbeleid (PB L 231 van 30.6.2021, blz. 159).
Verordening (EU) 2021/241 van het Europees Parlement en de Raad van 12 februari 2021 tot instelling van de herstel- en veerkrachtfaciliteit (PB L 57 van 18.2.2021, blz. 17).