EU-visserijbeheer

Het visserijbeheer in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB) berust op de noodzaak de biologische rijkdommen van de zee ecologisch duurzaam te exploiteren en de sector voor de lange termijn levensvatbaar te maken. Hiertoe is EU-wetgeving vastgesteld over de toegang tot de EU-wateren, de verdeling en het gebruik van hulpbronnen, de totaal toegestane vangsten, de beperking van de visserijinspanning en technische maatregelen.

Rechtsgrond

De artikelen 38 t/m 43 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU).

Doelstellingen

Het beleid is er primair op gericht de levensvatbaarheid van de sector op de lange termijn te verzekeren door duurzame exploitatie van de visbestanden.

Resultaten

A. Regels met betrekking tot de toegang tot de wateren en visbestanden

Algemene regel is dat alle geregistreerde EU-vissersvaartuigen gelijke toegang hebben tot de wateren en visbestanden in de gehele Unie. Er geldt een aantal tijdelijke uitzonderingen op deze regel, maar deze uitzonderingen verlopen eind 2022. Het gaat om:

1. Toegangsbeperkingen tot de 12-mijlszone

In een kustgebied van maximum 12 mijl kunnen de lidstaten de toegang beperken tot de volgende drie groepen vaartuigen en visserijtakken:

  • tot de vaartuigen die traditioneel in die wateren vissen vanuit aangrenzende havens;
  • tot de vaartuigen waarvoor regelingen gelden in het kader van bestaande nabuurschapsbetrekkingen;
  • tot de vaartuigen die visserijactiviteiten verrichten overeenkomstig bijlage I bij de GVB-basisverordening.

2. Toegangsbeperkingen tot de 100-mijlszone van de ultraperifere gebieden

In de wateren binnen maximum 100 mijl vanaf de basislijn langs de kusten van de ultraperifere gebieden van de EU kan de toegang worden beperkt tot de volgende groepen vaartuigen:

  • tot de vaartuigen die in de havens van die gebieden geregistreerd zijn;
  • tot de vaartuigen die traditioneel in die wateren vissen.

B. De doelstelling in verband met de maximale duurzame opbrengst

Een van de prioriteiten van het GVB is het in stand houden van de visbestanden door de vangstcapaciteit aan te passen aan de vangstmogelijkheden. Om duurzame exploitatie te bewerkstelligen, moeten de visbestanden worden beheerd aan de hand van de maximale duurzame opbrengst (MDO). Om dit te bereiken, wordt bij de besluitvorming in het kader van het GVB steeds uitgegaan van het beste wetenschappelijke advies dat beschikbaar is en wordt bij afwezigheid van voldoende wetenschappelijke informatie de voorzorgsbenadering gehanteerd, wat betekent dat gebrek aan informatie geen reden mag zijn om het nemen van maatregelen voor de instandhouding van soorten uit te stellen of zelfs na te laten. Duurzame exploitatie houdt tevens in dat er geleidelijk een ecosysteembenadering op het visserijbeheer wordt toegepast.

C. Vangstmogelijkheden

De EU wijst jaarlijks de vangstmogelijkheden toe voor het merendeel van haar commerciële soorten, uitgedrukt in totaal toegestane vangsten (TAC’s). Op basis van de wetenschappelijke beoordelingen van de Internationale Raad voor het onderzoek van de zee (ICES) en het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij (WTECV) legt de Commissie tegen het einde van elk jaar haar voorstellen voor TAC’s voor aan de Raad. In de afgelopen jaren zijn deze door de regelingen voor meerjarige beheersplannen aan minder grote veranderingen onderhevig geweest, waardoor de vissers hun activiteiten beter konden plannen.

D. Het beginsel van relatieve stabiliteit

De vangstmogelijkheden worden op dusdanige wijze onder de lidstaten verdeeld dat de relatieve stabiliteit van de visserijactiviteiten van elke lidstaat voor elk betrokken bestand is verzekerd. Het beginsel van relatieve stabiliteit – dat vooral is gebaseerd op de hoeveelheid vis die in het verleden is gevangen – houdt in dat voor elke lidstaat een vast percentage van de toegestane visserijinspanning voor de belangrijkste commerciële soorten wordt aangehouden. Op de lange termijn moet de visserijinspanning globaal gezien stabiel blijven, aangezien het belangrijk is te waarborgen dat de visserij kan worden voortgezet, in het bijzonder in de regio’s die sedert lang sterk afhankelijk zijn van de visserij.

E. Betere afstemming van de vangstcapaciteit

Overeenkomstig de GVB-doelstelling van duurzame exploitatie wordt de vangstcapaciteit beter op de vangstmogelijkheden afgestemd. Dit komt vooral doordat de toestand van belangrijke visbestanden is verbeterd en meer bestanden op het niveau van de maximale duurzame opbrengst (MDO) worden geëxploiteerd, maar het is ook het gevolg van een daling van de visserijvlootcapaciteit van de EU. Daarom zijn de economische prestaties van de meeste vissersvloten van de EU de afgelopen jaren toegenomen. De bruto toegevoegde waarde werd geraamd op 3,7 miljard euro in 2014, wat neerkomt op een stijging tot 4,5 miljard euro in 2017. De geraamde brutowinst is gestegen van 1,6 miljard euro in 2014 tot 2,0 miljard euro in 2017.

F. Nieuwe verordening technische maatregelen

Technische maatregelen zijn instrumenten ter ondersteuning van de uitvoering van het gemeenschappelijk visserijbeleid. In het algemeen hebben deze tot doel de vangst van jonge vissen, niet-commerciële soorten en andere zeedieren te voorkomen. Aangezien een nieuwe aanpak was vereist om de technische maatregelen doeltreffender te maken, hebben het Europees Parlement en de Raad op 20 juni 2019 Verordening (EU) 2019/1241 betreffende de instandhouding van visbestanden en de bescherming van mariene ecosystemen door middel van technische maatregelen goedgekeurd. In deze verordening worden de bestaande definities van vistuig en visserijactiviteiten bijgewerkt en geconsolideerd om ervoor te zorgen dat de technische voorschriften op een duidelijkere en meer eenvormige wijze worden geïnterpreteerd en toegepast. Bij deze verordening worden technische maatregelen vastgesteld die betrekking hebben op de vangst en de aanlanding van de biologische rijkdommen van de zee, op de werking van vistuig en op de wisselwerking tussen visserijactiviteiten en mariene ecosystemen.

1. Gemeenschappelijke technische maatregelen

Bij de verordening worden gemeenschappelijke technische maatregelen vastgesteld die gelden in alle Uniewateren en die in voorkomend geval van toepassing zijn op de recreatievisserij:

  • verbod op destructief vistuig of methoden waarbij gebruik wordt gemaakt van explosieven, gif, verdovende stoffen, elektrische stroom, pneumatische hamers of andere klopwerktuigen, gesleepte voorzieningen en grijpers voor het oogsten van rood koraal of andere soorten koraal of aan koraal verwante soorten, en bepaalde harpoengeweren;
  • algemene beperkingen op het gebruik van gesleept vistuig, staande netten en drijfnetten;
  • totaalverbod op de visserij op kwetsbare soorten;
  • verbod op het gebruik van specifiek vistuig in kwetsbare habitats, waaronder kwetsbare mariene ecosystemen;
  • vaststelling van de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte, d.w.z. de minimummaat voor soorten die aan boord worden gehouden en/of worden aangeland;
  • maatregelen om teruggooi te verminderen, zoals de ontwikkeling van proefprojecten om onderzoek te doen naar methoden voor de beperking van ongewenste vangsten.

2. Regionalisering van technische maatregelen

Bij deze verordening wordt een kader vastgesteld om de technische maatregelen af te stemmen op de specifieke regionale kenmerken van de betrokken visserijtakken. Het regionaliseringsproces moet worden gerealiseerd via een bottom-upbenadering, waarbij de lidstaten, in nauwe samenwerking met de sector, in lokale adviesraden gezamenlijke aanbevelingen kunnen indienen over de volgende technische maatregelen:

  • grootteselectief en soortselectief vistuig;
  • verbod op of beperking van visserijactiviteiten in bepaalde zones en perioden;
  • vaststelling van de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte, d.w.z. de minimummaat voor soorten die aan boord worden gehouden en/of worden aangeland;
  • invoering van realtimesluitingen ter bescherming van kwetsbare soorten of van scholen jonge vis, paaiende vis of schaaldiersoorten;
  • het gebruik van innovatief vistuig;
  • instandhoudingsmaatregelen;
  • tijdelijke teruggooiplannen;
  • opzet van proefprojecten waarmee een regeling voor volledige documentatie van vangsten en teruggooi op basis van meetbare doelstellingen en streefdoelen wordt ontwikkeld.

G. Meerjarige beheersplannen

Met meerjarige beheersplannen wordt geprobeerd de omvang van visbestanden binnen veilige biologische grenzen te houden voor de verschillende zeebekkens van de Unie. Deze plannen voorzien in maximaal toegestane vangsthoeveelheden en een reeks technische maatregelen, waarbij rekening wordt gehouden met de kenmerken van de afzonderlijke bestanden en visserijactiviteiten (doelsoort, gebruikt vistuig, toestand van de betrokken bestanden) en de economische gevolgen van de maatregelen voor de desbetreffende visserijtak.

H. Meerjarenplannen voor het herstel van de visbestanden

Wanneer bestanden uitgeput dreigen te raken, worden meerjarenplannen voor het herstel van de visbestanden uitgevoerd. De plannen zijn gebaseerd op wetenschappelijke adviezen en voorzien in een beperking van de visserijinspanning, zoals een beperking van het aantal dagen dat vaartuigen op zee zijn. De plannen zijn erop gericht het effect van visserijactiviteiten op de mariene ecosystemen op een duurzaam niveau te houden.

De rol van het Europees Parlement

Het Parlement heeft sinds de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon een beslissende rol gespeeld bij de totstandbrenging van de wetgeving op het gebied van visserijbeheer. Hieronder volgt een selectie van de meest recente en belangrijkste verwezenlijkingen.

Op 6 juli 2016 hebben het Parlement en de Raad Verordening (EU) 2016/1139 tot vaststelling van een meerjarenplan voor de kabeljauw-, haring- en sprotbestanden in de Oostzee[1] goedgekeurd. Bij deze nieuwe regionale aanpak wordt rekening gehouden met de bestaande sterke biologische interacties. Er wordt voorzien in een meersoortenvisserijplan waarin rekening wordt gehouden met de dynamische relaties in het bekkengebied tussen de kabeljauw-, haring- en sprotbestanden en ook aandacht wordt besteed aan de soorten die de bijvangst van de visserij op die bestanden uitmaken, namelijk de schol-, bot-, tarbot- en grietbestanden in de Oostzee.

Op 14 september 2016 hebben het Parlement en de Raad Verordening (EU) 2016/1627 betreffende een meerjarig herstelplan voor blauwvintonijn in het oostelijke deel van de Atlantische Oceaan en de Middellandse Zee[2] goedgekeurd. In dit plan wordt rekening gehouden met de specifieke kenmerken van de verschillende typen vistuig en vistechnieken, en wordt het gebruik van selectief vistuig aangemoedigd dat minder milieubelastend is en bijdraagt aan een redelijke levensstandaard voor lokale gemeenschappen.

Op 22 november 2016 hebben het Parlement en de Raad Verordening (EU) 2016/2094 houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 1342/2008 van de Raad tot vaststelling van een langetermijnplan voor kabeljauwbestanden en de bevissing van deze bestanden[3] goedgekeurd. De herziening van het plan had tot doel voor een wijze van bevissing te zorgen die de kabeljauwbestanden herstelt en handhaaft boven een niveau waarop de maximale duurzame opbrengst kan worden geproduceerd.

Op 4 juli 2018 hebben het Parlement en de Raad Verordening (EU) 2018/973 tot vaststelling van een meerjarenplan voor demersale bestanden in de Noordzee en de visserijen die deze bestanden exploiteren en tot vastlegging van nadere bepalingen ter uitvoering van de aanlandingsverplichting in de Noordzee[4] goedgekeurd. Het plan heeft betrekking op de exploitatie van een lijst van demersale bestanden in de Noordzee, en waar deze bestanden voorkomen in wateren buiten de Noordzee, in aangrenzende wateren.

Op 13 november 2018 heeft het Parlement een wetgevingsresolutie goedgekeurd over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een meerjarenplan voor de kleine pelagische bestanden in de Adriatische Zee en de visserijen die deze bestanden exploiteren[5].

Op 19 maart 2019 hebben het Parlement en de Raad Verordening (EU) 2019/472 tot vaststelling van een meerjarenplan voor bestanden die worden gevangen in de westelijke wateren en daaraan grenzende wateren en voor de visserijen die deze bestanden exploiteren[6] goedgekeurd.

Op 20 juni 2019 hebben het Parlement en de Raad Verordening (EU) 2019/1022 tot vaststelling van een meerjarenplan voor de visserijen die demersale bestanden exploiteren in het westelijke deel van de Middellandse Zee[7] goedgekeurd.

Op 20 juni 2019 hebben het Parlement en de Raad Verordening (EU) 2019/1154 voor een meerjarig herstelplan voor mediterrane zwaardvis[8] goedgekeurd.

Op 20 juni 2019 hebben het Parlement en de Raad Verordening (EU) 2019/1241 betreffende de instandhouding van visbestanden en de bescherming van mariene ecosystemen door middel van technische maatregelen[9] goedgekeurd.

 

Marcus Ernst Gerhard Breuer / María Dolores CASTRO CADENAS