Onderwijs en beroepsopleiding

Overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel ligt de primaire verantwoordelijkheid voor het onderwijs- en opleidingsbeleid bij de lidstaten en speelt de Europese Unie op dit vlak louter een ondersteunende rol. Bepaalde uitdagingen, zoals de vergrijzing van de bevolking, tekorten aan gekwalificeerd personeel, mondiale concurrentie en onderwijs in de vroege kinderjaren, zijn echter relevant voor alle lidstaten en vergen dan ook een gezamenlijke aanpak van landen die samenwerken en van elkaar leren[1].

Rechtsgrondslag

Hoewel beroepsopleiding in het Verdrag van Rome van 1957 werd opgenomen als communautair actieterrein, werd onderwijs formeel erkend als een bevoegdheid van de EU in het Verdrag van Maastricht in 1992. In dit verdrag is bepaald dat “de Gemeenschap [bijdraagt] tot de ontwikkeling van onderwijs van hoog gehalte door samenwerking tussen de lidstaten aan te moedigen en zo nodig door hun activiteiten te ondersteunen en aan te vullen, met volledige eerbiediging van de verantwoordelijkheid van de lidstaten voor de inhoud van het onderwijs en de opzet van het onderwijsstelsel en van hun culturele en taalkundige verscheidenheid”.

Het Verdrag van Lissabon heeft de bepalingen over de rol van de EU in onderwijs en opleiding gehandhaafd (Titel XII, artikel 165 en 166) en er een voorwaarde aan toegevoegd die kan worden omschreven als een “horizontale sociale clausule”: in artikel 9 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) is het volgende bepaald: “Bij de bepaling en de uitvoering van haar beleid en optreden houdt de Unie rekening met de eisen in verband met de bevordering van een hoog niveau van werkgelegenheid, de waarborging van een adequate sociale bescherming, de bestrijding van sociale uitsluiting alsmede een hoog niveau van onderwijs, opleiding en bescherming van de menselijke gezondheid”.

In het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, dat dezelfde juridische waarde als de Verdragen heeft (artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie), staat bovendien het volgende vermeld: “Eenieder heeft recht op onderwijs, alsmede op toegang tot beroepsopleiding en bijscholing” (artikel 14) en “Eenieder heeft het recht te werken en een vrijelijk gekozen of aanvaard beroep uit te oefenen” (artikel 15).

Doelstellingen

Bij haar beleid en optreden moet de Unie rekening houden met de eisen in verband met de bevordering van een hoog niveau van onderwijs en opleiding. De strategische doelstellingen op lange termijn inzake onderwijs en opleiding van de EU, zoals uiteengezet in de conclusies van de Raad van 12 mei 2009, zijn dan ook: 1) van een leven lang leren en mobiliteit een realiteit maken; 2) de kwaliteit en de efficiëntie van onderwijs en opleiding verbeteren; 3) gelijke kansen, sociale cohesie en actief burgerschap bevorderen; 4) innovatie en creativiteit (inclusief ondernemerschap) op alle onderwijs- en opleidingsniveaus bevorderen.

Resultaten

A. “Europa 2020” en “Onderwijs en opleiding 2020”

Het onderwijs- en opleidingsbeleid kreeg een bijzondere impuls met de inwerkingtreding van de Europa 2020-strategie. Elk jaar ontvingen de lidstaten in het kader van Europa 2020 specifieke richtsnoeren over prioritaire hervormingen, waarbij elke lidstaat specifieke aanbevelingen kreeg. Op het gebied van onderwijs en opleiding werden in het strategisch kader voor Europese samenwerking op het gebied van onderwijs en opleiding (ET 2020) de instrumenten en regelingen voor gezamenlijk werk op EU-niveau uiteengezet. Daarnaast waren hierin zeven doelstellingen opgenomen die vóór 2020 moesten zijn bereikt:

  • ten minste  95 % van de kinderen tussen vier jaar en de leerplichtige leeftijd voor het lager onderwijs moet deelnemen aan onderwijs in de vroege kinderjaren (percentage in 2018: 95,4 %);
  • het aantal vijftienjarigen met onvoldoende vaardigheden in lezen, wiskunde en exacte wetenschappen moet minder dan 15 % bedragen (percentage in 2015: 19,7 % voor lezen, 22,2 % voor wiskunde en 20,6 % voor exacte wetenschappen);
  • het aantal voortijdige schoolverlaters moet minder dan 10 % bedragen (percentage in 2018: 10,6 %);
  • het aantal 30 tot 34-jarigen met een tertiaire opleiding moet ten minste 40 % bedragen (percentage in 2018: 40,7 %);
  • een gemiddelde van ten minste 15 % van de volwassenen (leeftijdsgroep 25-64 jaar) moet deelnemen aan een leven lang leren (percentage in 2018: 11,1 %);
  • Minstens 20 % van de afgestudeerden in het hoger onderwijs en 6 % van de personen tussen 18 en 34 jaar met een basisberoepskwalificatie moeten enige tijd in het buitenland hebben gestudeerd of er een opleiding hebben gevolgd;
  • minstens 82 % van de afgestudeerden (personen tussen 20 en 34 jaar die zijn geslaagd voor een hogere secundaire of tertiaire opleiding) moet 1 tot 3 jaar na het afstuderen werk hebben (percentage in 2018: 81,6 %).

Hoewel de Europese landen op de meeste terreinen aanzienlijke vooruitgang hebben geboekt, zijn de cijfers met betrekking tot basiscompetenties (lezen, wiskunde en exacte wetenschappen) nog steeds zorgwekkend.

B. Nieuwe vaardighedenagenda voor Europa

In 2016 publiceerde de Europese Commissie een mededeling over een nieuwe vaardighedenagenda voor Europa (COM(2016)0381), waarin zij tien maatregelen voorstelde om mensen toe te rusten met de vaardigheden die zij nodig hebben op de arbeidsmarkt:

  • een vaardighedengarantie om laaggeschoolde volwassenen te helpen een minimumniveau van geletterdheid, rekenvaardigheid en digitale vaardigheden te verwerven;
  • een herziening van het Europees kwalificatiekader;
  • een “coalitie voor digitale vaardigheden en banen” om de samenwerking tussen belanghebbenden uit het onderwijs, de arbeidsmarkt en het bedrijfsleven te ondersteunen;
  • een “blauwdruk voor sectorale samenwerking op het gebied van vaardigheden” om de kennis over vaardigheden te verbeteren;
  • een “instrument voor het opstellen van een vaardigheidsprofiel van onderdanen van derde landen” ter ondersteuning van het snel profileren van de vaardigheden en kwalificaties van migranten;
  • steun voor beroepsonderwijs en -opleiding, met name door middel van evenementen en activiteiten in het kader van de Europese Week van beroepsvaardigheden;
  • Herziening van de aanbeveling inzake sleutelcompetenties voor een leven lang leren;
  • Herziening van het Europass-kader;
  • een voorstel voor een aanbeveling inzake het volgen van afgestudeerden, met als doel het verbeteren van de kennis over de prestaties van afgestudeerden na het afronden van hun onderwijs en opleiding;
  • de analyse en uitwisseling van optimale werkwijzen om de beweging van hoogopgeleide en hooggekwalificeerde mensen tussen landen te beheren (“brainflow”).

C. Onderwijs in de vroege kinderjaren

Na de goedkeuring van de Europese pijler van sociale rechten, waarin wordt beaamd dat “kinderen recht hebben op betaalbare en kwaliteitsvolle voor- en vroegschoolse educatie en zorg”, is het onderwerp van onderwijs in de vroege kinderjaren belangrijker geworden. In mei 2019 hechtte de Raad zijn goedkeuring aan een aanbeveling over “stelsels voor onderwijs en opvang van hoge kwaliteit”[2]

D. Europese onderwijsruimte

In mei 2018 publiceerde de Commissie na de top in Göteborg een mededeling met de titel “Bouwen aan een sterker Europa: de rol van het beleid inzake jongeren, onderwijs en cultuur” (COM(2018)0268). Hierin zette de Commissie haar visie uiteen over het bouwen van een “Europese onderwijsruimte”, die onder meer een voorstel omvat voor een aanbeveling van de Raad over de bevordering van automatische wederzijdse erkenning van diploma’s in het hoger onderwijs en hoger secundair onderwijs, en de resultaten van leerperioden in het buitenland. Deze aanbeveling is op 26 november 2018 aangenomen door de Raad[3].

E. Erasmus

Erasmus+ is het EU-programma voor de terreinen onderwijs, opleiding, jeugd en sport in de periode 2014-2020. De specifieke doelstellingen van het Erasmus+-programma zijn: 1) verhoging van het niveau van de kerncompetenties en vaardigheden, met name wat betreft hun relevantie voor de arbeidsmarkt en hun bijdrage tot een hechtere samenleving; 2) bevordering van kwaliteitsverbeteringen, excellentie op het gebied van innovatie, en internationalisering van onderwijs- en opleidingsinstellingen; 3) bevordering van het ontstaan van en ruimere bekendheid voor een Europese ruimte voor een leven lang leren, bedoeld om beleidshervormingen op nationaal niveau aan te vullen; 4) versterking van de internationale dimensie van onderwijs en opleiding; en 5) verbetering van het taalonderwijs. Deze doelstellingen worden in de onderwijssector verwezenlijkt met behulp van de volgende kernacties:

  • kernactie 1: individuele leermobiliteit;
  • kernactie 2: samenwerking met het oog op innovatie en uitwisseling van goede praktijken;
  • kernactie 3: ondersteuning van beleidshervormingen.

Het voorstel van de Commissie voor een vervolgprogramma (2021-2027) werd in mei 2018 gepubliceerd (COM(2018)0367). De algemene structuur van het programma blijft in wezen hetzelfde. De Commissie stelt echter voor om de begroting in de programmeringsperiode 2014-2020 te verdubbelen tot 30 miljard euro.

Rol van het Europees Parlement

Het Parlement heeft altijd gepleit voor nauwe samenwerking tussen de lidstaten op het gebied van onderwijs en opleiding en moedigt de ontwikkeling van een Europese dimensie in het onderwijsbeleid van de lidstaten aan. Bovendien neemt het Parlement actief deel aan de beleidscyclus in verband met ET 2020.

A. Erasmus

In zijn resolutie van 14 september 2017 erkende het Parlement de enorme positieve impact die Erasmus+ heeft gehad. Het Parlement benadrukte dat het nieuwe programma opener en toegankelijker moet zijn en wees op de moeilijkheden bij de erkenning van studiepunten via het Europees studiepuntenoverdrachtsysteem (ECTS). Het Parlement verzocht om de invoering van een Europese eCard voor studenten die studenten in heel Europa toegang geeft tot diensten. De leden benadrukten het belang van het bevorderen van actief burgerschap, burgerschapsvorming en de Europese identiteit via het programma. Met het oog op de Brexit heeft het Parlement op 13 maart 2019 ook een resolutie aangenomen over de voortzetting van de lopende leermobiliteitsactiviteiten uit hoofde van het Erasmus+-programma in het kader van de terugtrekking van het VK uit de EU.

In zijn resolutie van 28 maart 2019 over 'Erasmus': het programma van de Unie voor onderwijs, opleiding, jeugd en sport (betreffende de volgende generatie van het Erasmus+-programma) stelde het Parlement een verdriedubbeling van de begroting voor, tot 41 miljard euro, om een groter aantal kandidaten te kunnen laten deelnemen en de aandacht te kunnen vestigen op kansarme burgers[4]. De leden van het Europees Parlement stelden voor de begrotingstoewijzing te herzien om deze prioriteiten te weerspiegelen, bijvoorbeeld door personeel in voor- en vroegschools onderwijs de mogelijkheid te bieden deel te nemen aan mobiliteitsregelingen. Binnen het nieuwe programma wordt ook prioriteit gegeven aan uitwisselingen in het beroepsonderwijs, met name in grensregio’s, en er zal hiervoor een groter budget worden toegekend. Over de definitieve tekst van de nieuwe verordening inzake Erasmus moet aan het begin van de negende zittingsperiode met de Raad worden onderhandeld en overeenstemming worden bereikt.

B. Onderwijs en werkgelegenheid

De Commissie cultuur en onderwijs (CULT) en de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (EMPL) hebben een gezamenlijk initiatiefverslag opgesteld over de mededeling van de Commissie over de “nieuwe vaardighedenagenda voor Europa”. De resolutie werd op 14 september 2017 door het Parlement aangenomen[5]. Het Parlement pleitte voor een holistische aanpak ten aanzien van onderwijs en de ontwikkeling van vaardigheden en verzocht de lidstaten zich niet alleen te richten op de ontwikkeling van vaardigheden ten behoeve van inzetbaarheid op de arbeidsmarkt, maar ook op vaardigheden die nuttig zijn voor de samenleving. Andere kwesties die werden genoemd, waren het ontwikkelen van een bredere benadering ten aanzien van de bijscholing van migranten, investeren in onderwijs en opvang voor jonge kinderen, het bevorderen van mogelijkheden op het gebied van een leven lang leren, het versterken van de sleutelrol van niet-formeel en informeel leren, evenals het bevorderen van digitale wetenschappen, bètawetenschappen (wetenschap, technologie, engineering en wiskunde) en ondernemerschapsvaardigheden.

De Commissie cultuur en onderwijs en de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken hebben samen een wetgevingsverslag opgesteld over het voorstel van de Commissie voor de actualisering van het Europass-kader. Het nieuwe Europass-kader werd op 18 april 2018 aangenomen bij Besluit (EU) 2018/646 van het Europees Parlement en de Raad.

C. Andere specifieke domeinen

Het Parlement hecht ook veel belang aan de mededelingen van de Commissie die specifieke domeinen van onderwijs en opleiding betreffen. Voorbeelden hiervan zijn de resoluties van het Parlement van 15 april 2014 over nieuwe technologieën en open leermiddelen, van 8 september 2015 over jong ondernemerschap bevorderen door middel van onderwijs en opleiding, van 12 september 2017 over academisch bijscholing en afstandsonderwijs als onderdeel van de Europese strategie voor een leven lang leren, van 12 juni 2018 over de modernisering van het onderwijs in de EU en van 11 december 2018 over onderwijs in het digitale tijdperk:uitdagingen, kansen en lessen voor de ontwikkeling van EU-beleid.

 

[1]Zie voor meer informatie Infopagina 3.6.4 over hoger onderwijs.
[2]PB C 189 van 5.6.2019, blz. 4.
[3]PB C 444 van 10.12.2018, blz. 1.
[4]Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0324.
[5]PB C 337 van 20.9.2018, blz. 135.

Pierre Hériard