Hoger onderwijs

Op grond van het subsidiariteitsbeginsel wordt het hogeronderwijsbeleid in Europa vastgesteld op niveau van de afzonderlijke EU-lidstaten. De rol van de EU blijft dan ook hoofdzakelijk beperkt tot ondersteuning en coördinatie. Het optreden van de Unie op het gebied van hoger onderwijs heeft vooral tot doel de mobiliteit van studenten en personeel te bevorderen, de wederzijdse erkenning van diploma’s en studietijdvakken te stimuleren, en samenwerkingsverbanden tussen instellingen voor hoger onderwijs tot stand te brengen.

Rechtsgrond

Het onderwijs, en in dit verband ook het hoger onderwijs, is in het Verdrag van Maastricht van 1992 formeel erkend als een bevoegdheid van de EU. In het Verdrag van Lissabon tot wijziging van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) zijn de bepalingen over de rol van de EU op het gebied van onderwijs en opleiding ongewijzigd gebleven. In titel XII, artikel 165, lid 1, van het VWEU, staat dat de Unie bijdraagt “tot de ontwikkeling van onderwijs van hoog gehalte door samenwerking tussen de lidstaten aan te moedigen en zo nodig door hun activiteiten te ondersteunen en aan te vullen, met volledige eerbiediging van de verantwoordelijkheid van de lidstaten voor de inhoud van het onderwijs en de opzet van het onderwijsstelsel en van hun culturele en taalkundige verscheidenheid”. In artikel 165, lid 2, van het VWEU wordt gesteld dat het optreden van de Unie erop gericht is “de Europese dimensie in het onderwijs tot ontwikkeling te brengen; de mobiliteit van studenten en docenten te bevorderen, mede door de academische erkenning van diploma’s en studietijdvakken aan te moedigen; de samenwerking tussen onderwijsinstellingen te bevorderen; de uitwisseling te bevorderen van informatie en ervaring omtrent de gemeenschappelijke vraagstukken waarmee de onderwijsstelsels van de lidstaten worden geconfronteerd; en de ontwikkeling van het onderwijs op afstand te stimuleren”.

Daarnaast bevat het Verdrag van Lissabon een bepaling die omschreven kan worden als een horizontale “sociale clausule”. Deze bepaling is opgenomen in artikel 9 van het VWEU en luidt als volgt: “Bij de bepaling en de uitvoering van haar beleid en optreden houdt de Unie rekening met de eisen in verband met de bevordering van een hoog niveau van werkgelegenheid, de waarborging van een adequate sociale bescherming, de bestrijding van sociale uitsluiting alsmede een hoog niveau van onderwijs, opleiding en bescherming van de menselijke gezondheid”.

Daarnaast is in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, dat dezelfde juridische waarde heeft als de Verdragen (artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie), bepaald dat eenieder recht heeft op onderwijs (artikel 14).

Doelstellingen

A. De Europese onderwijsruimte

In september 2020 publiceerde de Commissie een mededeling (COM(2020)0625) waarin ze de contouren schetst van een “Europese onderwijsruimte”, bedoeld om het onderwijs- en opleidingsniveau van de Europese burgers te verbeteren en hen tegelijk meer het gevoel te geven tot de Europese Unie te behoren. Wat het hoger onderwijs betreft zijn dit de belangrijkste doelstellingen van de Europese onderwijsruimte:

  • een verhoging van het percentage 30- tot 34-jarigen met een diploma tertiair onderwijs tot ten minste 50 % in 2030 (in 2020 bedroeg dit percentage 40,3 %);
  • de ontwikkeling van netwerken van Europese universiteiten met een wettelijke status waar Europese diploma’s worden uitgereikt;
  • een versterking van Erasmus+, het programma van de Unie voor onderwijs, opleiding, jeugd en sport in Europa, om het inclusiever te maken;
  • de invoering van een Europese studentenpas om de mobiliteit van studenten te vergemakkelijken;
  • de automatische wederzijdse erkenning van kwalificaties en leerperioden tussen de lidstaten.

B. Het Bolognaproces

Naast de eigen politieke initiatieven van de lidstaten geeft de EU actieve steun aan de prioriteiten van het Bolognaproces. Dit proces werd in 1999 opgestart en is bedoeld om meer vergelijkbare, compatibele en coherente stelsels voor hoger onderwijs in Europa tot stand te brengen. Het Bolognaproces heeft geleid tot de oprichting van de Europese ruimte voor hoger onderwijs (EHOR) bij de verklaring van de ministerconferentie van Boedapest-Wenen van maart 2010.

C. De nieuwe EU-agenda voor hoger onderwijs

In 2017 publiceerde de Commissie “Een nieuwe EU-agenda voor het hoger onderwijs” (COM(2017)0247). Vijf gebieden krijgen prioriteit:

  • de ontwikkeling van vaardigheden in het hoger onderwijs laten aansluiten bij de behoeften van de arbeidsmarkt;
  • het breed toegankelijk en inclusiever maken van hoger onderwijs en dit beschikbaar maken voor een groter deel van de maatschappij;
  • het vergroten van de innovatiecapaciteit van het hoger onderwijs;
  • het vergroten van de doeltreffendheid en efficiëntie van het hoger onderwijs.

Resultaten

A. Erasmus+

Het programma Erasmus+ heeft tot doel te investeren in onderwijs, opleiding, jeugd en sport in Europa via één enkel financieringsprogramma. Erasmus+ is een combinatie van sectorale en transversale beleidsmaatregelen die vroeger elk afzonderlijk werden uitgevoerd op het gebied van hoger onderwijs (Erasmus, Erasmus Mundus, Tempus, Jean Monnet), schoolonderwijs (Comenius), beroepsonderwijs en -opleiding (Leonardo da Vinci), volwassenenonderwijs (Grundtvig) en jeugd (Jeugd in actie). Ook sport maakt sinds 2014 deel uit van het programma. Het programma is opgebouwd rond drie “centrale acties” die in alle beoogde sectoren aan bod komen:

  • individuele leermobiliteit;
  • samenwerking tussen instellingen met het oog op de uitwisseling van goede praktijken;
  • ondersteuning van beleidshervormingen.

Binnen de overkoepelende structuur van Erasmus+ vervult het hoger onderwijs een centrale rol. Voor de periode 2021-2027 is ten minste 34,6 % van de totale begroting van Erasmus+ bestemd voor hoger onderwijs. Erasmus+ ondersteunt niet alleen de mobiliteit van studenten en personeel uit het hoger onderwijs: met de middelen van het programma worden ook gezamenlijke masteropleidingen van Erasmus Mundus en Erasmus+-leningen voor een masteropleiding gefinancierd.

Sinds 2018 ondersteunt Erasmus+ ook het initiatief “Europese universiteiten”, bedoeld om netwerkvorming tussen instellingen voor hoger onderwijs uit verschillende lidstaten te stimuleren. In dit kader worden gemeenschappelijke strategieën ontwikkeld, krijgen studenten de kans in verschillende EU-landen te studeren en worden Europese diploma’s uitgereikt. Op basis van verschillende oproepen tot het indienen van projecten werden 41 Europese universiteiten geselecteerd, samen goed voor 279 instellingen voor hoger onderwijs uit alle lidstaten en 4 niet-EU-landen die deelnemen aan Erasmus+.

B. Marie Skłodowska-Curie-acties

Met de Marie Skłodowska-Curie-acties (MSCA) worden mobiliteit en opleiding voor onderzoekers ondersteund. De regeling maakt deel uit van het EU-kaderprogramma voor onderzoek en innovatie “Horizon 2020” en is opgebouwd rond vijf deelacties (zie verderop in de tekst). Voor het hoger onderwijs zijn de Marie Skłodowska-Curie-acties uitgegroeid tot het belangrijkste programma van de Europese Unie voor opleidingen tot de doctorsgraad. De regeling financiert gezamenlijke doctoraatsopleidingen (via de deelactie “Doctoral Networks”) en bevordert een grotere mobiliteit tussen landen, sectoren en disciplines dankzij postdoctorale beurzen (deelactie “Postdoctoral Fellowships”) of dankzij medefinanciering van andere programma’s op regionaal, nationaal of internationaal niveau (deelactie “Cofund”). Ook detachering naar het buitenland van onderzoekers en administratieve of technische medewerkers die betrokken zijn bij onderzoek en innovatie wordt via de regeling bevorderd (deelactie “Staff exchanges”). Tot slot financiert het programma ook de Europese Nacht van de onderzoekers, een reeks openbare evenementen die jaarlijks in september plaatsvinden in heel Europa om het werk van onderzoekers onder de aandacht te brengen (deelactie die in het kader van Horizon Europa de nieuwe naam “MSCA and Citizens” heeft gekregen). Met het programma wordt gestreefd naar het doorbreken van de bestaande en gepercipieerde belemmeringen tussen de academische wereld en andere sectoren, met name het bedrijfsleven. In vergelijking met de vorige generatie van het programma ligt in het kader van Horizon Europa de nadruk meer op vereenvoudiging en hogere slaagpercentages. Voor de Marie Skłodowska-Curie-acties wordt een begroting van 6,6 miljard EUR uitgetrokken.

De rol van het Europees Parlement

Het Parlement oefent steeds meer invloed uit op de ontwikkeling van het Europees beleid op het gebied van hoger onderwijs.

A. Erasmus

In zijn resolutie van 14 september 2017[1] erkent het Parlement de enorme positieve impact die het programma Erasmus+ heeft gehad, met name wat grotere inzetbaarheid op de arbeidsmarkt betreft, maar ook met het oog op actief burgerschap en de ontwikkeling van een gevoel van Europese identiteit. Tegelijk benadrukte het Parlement dat minder dan 5 % van de Europeanen gebruik kan maken van Erasmus+ en dat het nieuwe programma daarom opener en toegankelijker moet worden en meer gericht moet zijn op beroepsonderwijs en -opleiding, een leven lang leren en niet-formeel en informeel onderwijs. Verder wees het Parlement op de problemen in verband met de uitvoering van het Europees studiepuntenoverdrachtsysteem (ECTS), die de mobiliteit belemmeren, en verzocht het om de ontwikkeling van een Europese eCard voor studenten die studenten in heel Europa toegang geeft tot diensten. Op 13 maart 2019 nam het Parlement in de context van de brexit een resolutie aan over de voortzetting van de lopende leermobiliteitsactiviteiten uit hoofde van het Erasmus+-programma in het kader van de terugtrekking van het VK uit de EU[2]. Op 15 september 2020 werd gestemd over een resolutie om het milieuaspect van de financieringsprogramma’s Erasmus+, Creatief Europa en het Europees Solidariteitskorps te versterken, waarin met name wordt verzocht om dit aspect op te nemen in het Erasmus+-handvest voor hoger onderwijs[3].

In december 2020 bereikten het Parlement en de Raad een voorlopig akkoord over het programma Erasmus+ voor de periode 2021-2027. Hierin spraken ze af meer dan 26 miljard euro voor het programma uit te trekken (tegenover 14,7 miljard euro in de vorige periode). De komende jaren moet de nadruk van het programma liggen op een grotere participatie van personen met een kansarme achtergrond, bijvoorbeeld vanwege een handicap, een afgelegen geografische ligging of armoede. Erasmus+ zal ook een leven lang leren voor volwassenen ondersteunen. De administratieve formaliteiten worden vereenvoudigd en projecten die niet worden geselecteerd in het kader van Erasmus+ zullen dankzij een excellentiekeurmerk toegang kunnen krijgen tot de structuurfondsen. Tot slot zal het programma ook een bijdrage leveren aan de klimaatdoelstellingen van de Unie door middel van regelingen om de klimaatvoetafdruk van Erasmus+ te verkleinen.

B. Verbanden met werkgelegenheid

Het Parlement heeft door de jaren heen altijd belangstelling getoond voor het hoger onderwijs en het verband tussen hoger onderwijs en werkgelegenheid. In 2012 heeft het Parlement een resolutie aangenomen over de modernisering van de Europese hogeronderwijssystemen[4]. Hierin wordt instellingen voor hoger onderwijs verzocht een leven lang leren op te nemen in hun curricula en zich aan te passen aan nieuwe uitdagingen door nieuwe studierichtingen in te voeren die beantwoorden aan de vraag op de arbeidsmarkt. Naar aanleiding van de mededeling van de Commissie van 30 mei 2017 over een nieuwe EU-agenda voor het hoger onderwijs (COM(2017)0247) heeft het Parlement op 12 juni 2018 een resolutie aangenomen over de modernisering van het onderwijs in de EU[5]. In deze resolutie wordt gepleit voor de totstandbrenging van een Europese onderwijsruimte en worden de lidstaten aangemoedigd meer te investeren in het hoger onderwijs en de samenwerking tussen het hoger onderwijs, de arbeidsmarkt, het bedrijfsleven, de onderzoekswereld en de samenleving als geheel te bevorderen.

C. Het Bolognaproces

De versteviging en verdere ontwikkeling van het Bolognaproces krijgt al geruime tijd de volle aandacht van het Parlement. In zijn resolutie van 28 april 2015 over de tenuitvoerlegging van het Bolognaproces benadrukte het Parlement dat de Bolognahervormingen hebben bijgedragen tot een verbetering van de kwaliteit van de onderwijssystemen. Bovendien heeft het Bolognaproces hogeronderwijsstructuren beter vergelijkbaar gemaakt, met kwaliteitsborgingssystemen voor de erkenning van diploma’s, en het hoger onderwijs in Europa ook aantrekkelijker gemaakt[6].

In april 2018 nam het Parlement een nieuwe resolutie aan over het Bolognaproces[7]. Daarin vroeg het Parlement om een kritische beoordeling van dit proces tijdens de ministerconferentie over de Europese ruimte voor hoger onderwijs die in mei van datzelfde jaar zou plaatsvinden in Parijs. In de resolutie wordt benadrukt dat de sociale dimensie van het onderwijs moet worden verbeterd, met concrete mogelijkheden om studenten met een handicap of uit een kansarm milieu toegang te bieden tot het hoger onderwijs. In de resolutie wordt ook gepleit voor toegankelijke en rechtvaardige mechanismen voor de toekenning van mobiliteitsbeurzen en -toelagen. De EU en de lidstaten wordt gevraagd hun onderwijsbudget te verhogen om ervoor te zorgen dat hoger onderwijs in een openbare instelling gratis en toegankelijk is voor iedereen.

 

[1]PB C 337 van 20.9.2018, blz. 131.
[2]Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0167.
[3]Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0211.
[4]PB C 258 E van 7.9.2013, blz. 55.
[5]PB C 28 van 27.1.2020, blz. 8.
[6]PB C 346 van 21.9.2016, blz. 2.
[7]PB C 390 van 18.11.2019, blz. 155.

Pierre Hériard