De bescherming van de waarden van artikel 2 VEU in de EU

De Europese Unie is gegrondvest op de waarden van eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten, waaronder de rechten van personen die tot minderheden behoren. Dat staat zo bepaald in artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU). Om te waarborgen dat deze waarden in acht worden genomen, voorziet artikel 7 VEU in een EU-mechanisme om ernstige en voortdurende schendingen van EU-waarden door een lidstaat te constateren en eventueel sancties op te leggen. Dat is onlangs voor het eerst geactiveerd met betrekking tot Polen en Hongarije. De EU is ook gebonden aan haar Handvest van de grondrechten en heeft zich ertoe verbonden om toe te treden tot het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Omdat de waarden van de EU in sommige lidstaten worden bedreigd, zijn de EU-instellingen hun instrumentarium aan het versterken om een democratische achteruitgang tegen te gaan en de democratie, de rechtsstaat, de grondrechten, gelijkheid en de bescherming van minderheden in de hele Unie te beschermen.

Van gerechtelijke bescherming van de grondrechten naar codificatie in de Verdragen

De Europese Gemeenschappen (EG) (tegenwoordig de Europese Unie) werden oorspronkelijk opgezet als een internationale organisatie met in wezen een economische werkingssfeer. Uitdrukkelijke regels ten aanzien van de eerbiediging van de grondrechten waren derhalve niet nodig. Lange tijd stonden ze dan ook niet vermeld in de Verdragen. Er werd immers van uitgegaan dat ze hoe dan ook gewaarborgd waren door het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) uit 1950, dat de lidstaten ondertekend hadden.

Nadat het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU) echter de beginselen van rechtstreekse werking en van voorrang van het Europees recht had bevestigd, maar de verenigbaarheid van besluiten met het nationale en constitutionele recht van de lidstaten weigerde te onderzoeken (Stork, zaak 1/58; Ruhrkohlen-Verkaufsgesellschaft, gevoegde zaken 36/59, 37/59, 38/59 en 40/59), begonnen verschillende nationale rechtbanken hun bezorgdheid te uiten over de gevolgen die dergelijke jurisprudentie kon hebben voor de bescherming van constitutionele waarden zoals de grondrechten. Indien Europees recht voorrang zou hebben boven nationaal constitutioneel recht, zou het de grondrechten kunnen schenden. Om dit theoretische risico te ondervangen, stelden het Duitse en het Italiaanse constitutionele hof in 1974 ieder een arrest vast waarin zij verklaarden de bevoegdheid te hebben Europees recht te toetsen, om te waarborgen dat het verenigbaar was met hun respectieve constitutionele rechten (Solange I; Frontini). Dit leidde ertoe dat het HvJ-EU in zijn jurisprudentie het beginsel poneerde dat de grondrechten moeten worden geëerbiedigd. In die jurisprudentie werd verklaard dat de grondrechten besloten liggen in de algemene beginselen van het Gemeenschapsrecht, die door het Hof worden beschermd (Stauder, zaak 29/69). Deze rechten vloeien voort uit de constitutionele tradities die de lidstaten gemeen hebben (Internationale Handelsgesellschaft, zaak 11/70), en uit internationale verdragen tot bescherming van de mensenrechten waarbij de lidstaten partij zijn (Nold, zaak 4/73), waaronder het EVRM (Rutili, zaak 36/75).

Geleidelijk aan zijn de EU-bevoegdheden uitgebreid tot beleidsterreinen die een rechtstreekse weerslag op de grondrechten hebben, zoals justitie en binnenlandse zaken (JBZ), en die naderhand zijn uitgegroeid tot een volwaardige ruimte van vrijheid, veiligheid en recht (RVVR). Daarom werden de Verdragen gewijzigd om de bescherming van de grondrechten stevig in de EU te verankeren. Het Verdrag van Maastricht bevatte een verwijzing naar het EVRM en de constitutionele tradities die de lidstaten met elkaar gemeen hebben als algemene beginselen van het EU-recht. In het Verdrag van Amsterdam werden de Europese “beginselen” bevestigd waarop de EU berust (in het Verdrag van Lissabon “waarden” genoemd, zoals opgesomd in artikel 2 VEU). Daarnaast werd een procedure ingesteld om de in de Verdragen verankerde rechten te schorsen in geval van ernstige en voortdurende schendingen van de grondrechten door een lidstaat. De opstelling van het Handvest van de grondrechten en de inwerkingtreding ervan, samen met het Verdrag van Lissabon, zijn de jongste ontwikkelingen in dit codificatieproces om de bescherming van de grondrechten in de EU te waarborgen.

Toetreding van de EU tot het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM)

Het EVRM, waartoe alle lidstaten zijn toegetreden, is het belangrijkste instrument ter bescherming van de grondrechten in Europa. De toetreding van de EG tot het Verdrag leek dan ook een logische oplossing om de EG de verplichtingen inzake de grondrechten te doen naleven. De Europese Commissie heeft meermaals (in 1979, 1990 en 1993) voorgesteld om de EG tot het EVRM te laten toetreden. In 1996 oordeelde het Hof van Justitie, dat daarover om advies was verzocht, in zijn advies 2/94 dat het Verdrag de EG geen bevoegdheid verleende om regels op het gebied van de mensenrechten vast te stellen of om internationale akkoorden op dit gebied te sluiten. Daardoor was toetreding wettelijk onmogelijk. Het Verdrag van Lissabon heeft die situatie verholpen door de invoering van artikel 6, lid 2, waardoor de EU verplicht was om tot het EVRM toe te treden. Een dergelijke toetreding zou tot gevolg hebben dat de Unie – zoals momenteel al het geval is voor de lidstaten – op het gebied van de eerbiediging van de grondrechten onderworpen wordt aan de jurisdictie van een rechterlijke instantie buiten de Unie, namelijk het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). Deze toetreding zou de Europese burgers – maar ook onderdanen van derde landen die zich op het grondgebied van de Unie bevinden – in staat stellen om op grond van de bepalingen van het EVRM door de Unie vastgestelde rechtshandelingen rechtstreeks te betwisten voor het Hof, op dezelfde wijze als ze de rechtshandelingen van de EU-lidstaten kunnen betwisten.

In 2010, vlak na de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon, opende de EU onderhandelingen met de Raad van Europa over een ontwerptoetredingsovereenkomst, die in april 2013 werd afgerond. In juli 2013 verzocht de Commissie het HvJ-EU een uitspraak te doen over de verenigbaarheid van die overeenkomst met de Verdragen. Op 18 december 2014 bracht het HvJ-EU een negatief advies uit. Daarin stelde het dat de ontwerpovereenkomst afbreuk kon doen aan de specifieke kenmerken en de autonomie van het Unierecht (advies 2/13). Na een periode van bezinning en besprekingen over de manier waarop de door het HvJ-EU aan de orde gestelde kwesties konden worden opgelost, hebben de EU en de Raad van Europa in 2019 de onderhandelingen hervat en deze lopen nu.

Het EU-Handvest van de grondrechten

Naast het “externe” controlemechanisme waarin de toetreding van de EG tot het EVRM voorziet om te waarborgen dat de wetgeving en het beleid met de grondrechten stroken, was er op EG-niveau een “intern” controlemechanisme nodig om een voorafgaande autonome rechterlijke toetsing door het HvJ-EU mogelijk te maken. Daartoe was een voor de EU specifieke “verklaring van rechten” nodig en op de Europese Raad in 1999 in Keulen werd besloten om een Conventie samen te roepen om een Handvest van de grondrechten op te stellen.

Het Handvest werd in 2000 te Nice plechtig afgekondigd door het Parlement, de Raad en de Commissie. Na te zijn gewijzigd werd het in 2007 opnieuw afgekondigd. Het Handvest kreeg echter pas rechtstreekse werking met de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon op 1 december 2009, zoals bepaald in artikel 6, lid 1, VEU. Daardoor werd het een bindende bron van primair recht.

Het Handvest is weliswaar gebaseerd op het EVRM en andere Europese en internationale instrumenten, maar was in verschillende opzichten toch vernieuwend, met name omdat onder meer handicap, leeftijd en seksuele gerichtheid als verboden discriminatiegronden worden beschouwd en toegang tot documenten, gegevensbescherming en goed bestuur deel uitmaken van de erin vervatte grondrechten.

Het toepassingsgebied van het Handvest is in beginsel erg ruim aangezien de meeste erin vastgelegde rechten aan “eenieder” worden verleend, ongeacht nationaliteit of status. Artikel 51 beperkt de toepassing ervan echter tot de instellingen en organen van de Unie en tot de lidstaten, wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen.

Artikel 7 VEU, het kader voor de rechtsstaat van de Commissie en jaarverslagen

Met het Verdrag van Amsterdam werd een nieuw sanctiemechanisme in het leven geroepen om te waarborgen dat de EU-lidstaten de grondrechten en andere Europese beginselen en waarden, zoals democratie, de rechtsstaat, gelijkheid en de bescherming van minderheden, ook naleven buiten de wettelijke grenzen van de EU-bevoegdheden. Hierdoor kreeg de EU de bevoegdheid in te grijpen op terreinen die anders aan de lidstaten werden overgelaten, in gevallen van “ernstige en voortdurende schending” van deze waarden. In zijn ontwerp van EU-verdrag uit 1984 had het Parlement voor het eerst een soortgelijk mechanisme voorgesteld. Het Verdrag van Nice voegde een preventieve fase toe, in gevallen van een “duidelijk gevaar voor een ernstige schending” van de EU-waarden in een lidstaat. Deze procedure had tot doel ervoor te zorgen dat de bescherming van de grondrechten en van de democratie, de rechtsstaat en de rechten van minderheden, die deel uitmaakt van de criteria van Kopenhagen voor de toetreding van nieuwe lidstaten, ook na toetreding blijft gelden, en voor alle lidstaten op dezelfde wijze.

Artikel 7, lid 1, VEU voorziet in een “preventieve fase”. Een derde van de lidstaten, het Europees Parlement en de Europese Commissie kunnen namelijk een procedure starten waarbij de Raad met een meerderheid van vier vijfden van zijn leden kan constateren dat er in een lidstaat een “duidelijk gevaar bestaat voor een ernstige schending” van de in artikel 2 VEU uitgeroepen waarden, waaronder eerbiediging van de mensenrechten, de menselijke waardigheid, vrijheid en gelijkheid, en de rechten van personen die tot minderheden behoren. Vooraleer die constatering wordt gedaan, moet de betrokken lidstaat worden gehoord en kunnen de betrokken lidstaat aanbevelingen worden gedaan, terwijl het Parlement zijn goedkeuring moet verlenen met een tweederdemeerderheid van de uitgebrachte stemmen en bij volstrekte meerderheid van stemmen van zijn leden (artikel 354, vierde alinea, VWEU). Deze preventieve procedure werd onlangs door de Commissie in gang gezet met betrekking tot Polen, en door het Parlement met betrekking tot Hongarije. Ze zit echter nog steeds geblokkeerd in de Raad, waar weinig hoorzittingen hebben plaatsgevonden en geen aanbevelingen – laat staan constateringen – werden gedaan. Bovendien werd het Parlement het recht ontzegd om zijn standpunt uiteen te zetten tijdens de hoorzittingen van de Raad, onder meer over Hongarije, hoewel het de procedure zelf had opgestart.

Artikel 7, leden 2 en 3, VEU voorziet in geval van een “ernstige en voortdurende schending” van de EU-waarden in een “sanctiemechanisme” dat door de Commissie of een derde van de lidstaten (niet het Parlement) in gang kan worden gezet nadat de lidstaat in kwestie om opmerkingen is verzocht. De Europese Raad constateert de schending met eenparigheid van stemmen, na goedkeuring van het Parlement met dezelfde meerderheid als voor het preventieve mechanisme. De Raad kan besluiten tot schorsing van bepaalde lidmaatschapsrechten van de betrokken lidstaat, met inbegrip van de stemrechten in de Raad, ditmaal met gekwalificeerde meerderheid van stemmen. De Raad kan eveneens met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluiten om de sancties te wijzigen of in te trekken. De betrokken lidstaat neemt niet deel aan de stemmingen in de Raad of de Europese Raad. De constatering van een schending en de vaststelling van sancties blijven moeilijk haalbaar vanwege de vereiste unanimiteit, zoals blijkt uit het feit dat de regeringen van Hongarije en Polen hebben aangekondigd dat zij hun veto zouden uitspreken tegen dergelijke besluiten met betrekking tot de andere lidstaat.

Om de kloof te dichten tussen de politiek moeilijke activering van procedures op grond van artikel 7 VEU (voor het aanpakken van situaties die buiten de werkingssfeer van het EU-recht vallen) en inbreukprocedures met een beperkt effect (voor het aanpakken van specifieke situaties die binnen de werkingssfeer van het EU-recht vallen) heeft de Commissie in 2014 een EU-kader voor het versterken van de rechtsstaat gelanceerd. Daarmee werd geprobeerd een doeltreffende en coherente bescherming van de rechtsstaat te waarborgen, als een noodzakelijke voorwaarde om de eerbiediging van de grondrechten en de democratie te garanderen in gevallen van systemische bedreiging. Dit kader gaat vooraf aan en vormt een aanvulling op de procedure van artikel 7 VEU en omvat drie stadia: een beoordeling door de Commissie, d.w.z. een gestructureerde dialoog tussen de Commissie en de lidstaat, zo nodig gevolgd door een advies over de rechtsstaat; een aanbeveling van de Commissie inzake de rechtsstaat; en een follow-up van die aanbeveling door de lidstaat. Dit kader werd toegepast op Polen en werd, bij gebrek aan succes, gevolgd door het besluit van de Commissie om een artikel 7-procedure in te leiden.

In juli 2019 ging de Commissie nog een stap verder in haar mededeling “Versterking van de rechtsstaat binnen de Unie – Een blauwdruk voor actie”. Daarin lanceerde ze een toetsingsmechanisme voor de rechtsstaat, bestaande uit een jaarlijks toetsingsproces op basis van een verslag over de rechtsstaat waarin de stand van zaken in de lidstaten wordt gevolgd en dat de basis vormt voor een interinstitutionele dialoog. Het eerste dergelijke verslag werd in september 2020 gepubliceerd en ging vergezeld van 27 landenhoofdstukken. Daarin ging aandacht uit naar het rechtsstelsel (en met name de onafhankelijkheid, kwaliteit en efficiëntie ervan), het kader voor corruptiebestrijding (wettelijke en institutionele opzet, preventie, repressieve maatregelen), de pluriformiteit van de media (regelgevende instanties, transparantie van eigendom en overheidsbemoeienis, bescherming van journalisten) en andere institutionele kwesties in verband met controlemechanismen (wetgevingsproces, onafhankelijke autoriteiten, toegankelijkheid, rechterlijke toetsing, maatschappelijke organisaties). Het verslag versterkt het toezicht van de EU aanzienlijk. Vergeleken met het EU-scorebord voor justitie en andere monitoring- en verslagleggingsinstrumenten omvat het immers niet alleen civiele, maar ook strafrechtelijke en administratieve rechtspraak. Daarbij wordt ingegaan op de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, corruptie, de pluriformiteit van de media, de scheiding der machten en de ruimte voor het maatschappelijk middenveld. Er werd een netwerk van nationale contactpunten opgezet om informatie te verzamelen en de dialoog met de lidstaten te waarborgen, en ook de dialoog met belanghebbenden werd bevorderd, waaronder de organen van de Raad van Europa, de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE), de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO), justitiële netwerken en ngo’s. Het volgende jaarverslag zal verschijnen in juni 2021.

Andere instrumenten ter bescherming van de waarden van de EU

De EU heeft nog andere instrumenten ter bescherming van de waarden van de EU ter beschikking.

Wanneer de Commissie een nieuw wetgevingsinitiatief voorstelt, gaat ze aan de hand van een effectbeoordeling na of het met de grondrechten strookt. Dat aspect wordt vervolgens ook door de Raad en het Parlement onderzocht.

Verder publiceert de Commissie een jaarverslag over de toepassing van het Handvest van de grondrechten. Dat wordt onderzocht en besproken door de Raad, die er conclusies over aanneemt, en door het Parlement, in het kader van zijn jaarverslag over de situatie van de grondrechten in de EU. In december 2020 lanceerde de Commissie een nieuwe strategie om de toepassing van het Handvest in de EU te versterken, onder meer met betrekking tot EU-financiering, door middel van de “machtigingsvoorwaarde”.

Sinds 2014 houdt de Raad binnen de Raad ook een jaarlijkse dialoog tussen alle lidstaten ter bevordering en bescherming van de rechtsstaat, waarbij de aandacht elk jaar naar een ander onderwerp uitgaat. Met ingang van de tweede helft van 2020 besloot de Raad zich op basis van het verslag van de Commissie over de rechtsstaat te concentreren op het onderzoek van de situatie van de rechtsstaat in vijf lidstaten per halfjaar.

Ook in het kader van het Europees Semester wordt toegezien op kwesties in verband met de waarden van de EU en kunnen landspecifieke aanbevelingen worden gedaan. De betrokken terreinen omvatten de rechtsstelsels (op basis van het scorebord voor justitie), alsook handicaps, sociale rechten en burgerrechten (met betrekking tot bescherming tegen georganiseerde misdaad en corruptie).

Bulgarije en Roemenië zijn ook onderworpen aan het mechanisme voor samenwerking en toetsing, dat aspecten in verband met de waarden van de EU omvat.

Inbreukprocedures zijn een belangrijk instrument om schendingen van de EU-waarden in de Unie te bestraffen, en het Hof van Justitie van de Europese Unie is zijn jurisprudentie ter zake aan het ontwikkelen. Inbreukprocedures kunnen worden ingeleid indien een nationale wet niet strookt met het EU-recht en de waarden van de EU, in individuele en specifieke gevallen (terwijl artikel 7 van toepassing is op situaties die buiten de werkingssfeer van het EU-recht vallen en waarbij de grondrechten stelselmatig en voortdurend worden geschonden).

Het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten (FRA), dat in 2007 in Wenen werd opgericht, speelt een belangrijke rol bij het houden van toezicht op de situatie van de grondrechten in de EU. Het FRA is belast met het verzamelen, het analyseren, het verspreiden en het evalueren van informatie en gegevens met betrekking tot de grondrechten. Het voert ook wetenschappelijk onderzoek en enquêtes uit en publiceert jaarverslagen en thematische verslagen over de grondrechten. Een voorstel om de oprichtingsverordening van het FRA te wijzigen wordt momenteel in de Raad geblokkeerd omdat de Hongaarse regering haar veto heeft uitgesproken.

De Commissie versterkt ook de gelijkheid en de bescherming van minderheden – twee van de pijlers van artikel 2 VEU – door middel van specifieke strategieën, voorstellen en acties om gendergelijkheid te bevorderen, racisme te bestrijden en de rechten van LGBTIQ-personen, personen met een handicap en Roma te beschermen onder het overkoepelende concept “Een Unie van gelijkheid”.

Na een blokkering door de veto’s van de regeringen van Hongarije en Polen werd tijdens de Europese Raad van 10-11 december 2020 uiteindelijk overeenstemming bereikt over een verordening betreffende een algemeen conditionaliteitsregime ter bescherming van de Uniebegroting. Dankzij die verordening kan de EU-begroting worden beschermd als wordt vastgesteld dat schendingen van de rechtsstaatbeginselen in een lidstaat op een voldoende directe manier afbreuk doen of ernstig afbreuk dreigen te doen aan het goede financiële beheer van de EU-begroting of de bescherming van de financiële belangen van de EU. Bij het HvJ-EU is een beroep aanhangig dat de Hongaarse en de Poolse regering tegen de verordening hebben ingesteld.

Rol van het Europees Parlement

Het Parlement heeft een betere eerbiediging en bescherming van de grondrechten in de EU altijd ondersteund. Reeds in 1977 keurde het samen met de Raad en de Commissie een gemeenschappelijke verklaring over de fundamentele rechten goed. Daarin verbonden de drie instellingen zich ertoe bij de uitoefening van hun bevoegdheden de eerbiediging van de grondrechten te waarborgen. In 1979 nam het Parlement een resolutie aan waarin de toetreding van de Europese Gemeenschap tot het EVRM werd bepleit.

Volgens de ontwerptekst uit 1984 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Unie diende de Unie de waardigheid van het individu te beschermen en eenieder die onder haar bevoegdheid valt, de fundamentele rechten en vrijheden te verlenen die ontleend zijn aan de gemeenschappelijke beginselen van de nationale grondwetten en het EVRM. De tekst voorzag ook in toetreding van de Unie tot het EVRM. In een resolutie van 12 april 1989 (PB C 120, blz. 51) nam het Parlement de Verklaring van de grondrechten en de fundamentele vrijheden aan.

Sinds 1993 organiseert het Parlement jaarlijks een debat over de situatie van de grondrechten in de EU en neemt het een resolutie aan op basis van een verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken. Daarnaast heeft het een toenemend aantal resoluties aangenomen over specifieke kwesties inzake de bescherming van grondrechten in de lidstaten.

Het Parlement heeft de EU altijd gesteund om ze haar eigen verklaring van rechten te geven en het heeft erop aangedrongen om het Handvest van de grondrechten bindend te maken. Dat werd in 2009 uiteindelijk bereikt met het Verdrag van Lissabon.

Meer recentelijk heeft het Parlement een aantal voorstellen gedaan om in de EU niet alleen de grondrechten beter te beschermen maar ook de democratie en de rechtsstaat, en meer in het algemeen alle waarden van de EU die onder artikel 2 VEU vallen. Daartoe heeft het nieuwe mechanismen en procedures voorgesteld om de bestaande leemten op te vullen. In verschillende resoluties sinds 2012 heeft het Parlement aangedrongen op de oprichting van een Commissie van Kopenhagen, de totstandbrenging van een “Europese beleidscyclus grondrechten”, de invoering van een mechanisme voor vroegtijdige waarschuwing en een “bevriezingsprocedure”, en de versterking van het FRA.

In een cruciale resolutie hierover uit 2016 heeft het Parlement zijn eerdere voorstellen geconsolideerd en de Commissie verzocht om indiening van een interinstitutioneel akkoord over de instelling van een EU-mechanisme voor democratie, de rechtsstaat en grondrechten, dat gebaseerd zou zijn op een EU-Pact met de Commissie en de Raad. Dit zou een jaarlijkse beleidscyclus omvatten op basis van een verslag van de Commissie en een panel van deskundigen over de eerbiediging van de waarden van de EU in de Unie, gevolgd door een parlementair debat en vergezeld van regelingen om risico’s en schendingen aan te pakken[1]. Het Parlement drong ook aan op een nieuwe ontwerpovereenkomst voor toetreding van de EU tot het EVRM, en op verdragswijzigingen, zoals de schrapping van artikel 51 van het Handvest van de grondrechten, de omzetting van het Handvest in een “Bill of Rights” van de Unie, en de afschaffing van de vereiste unanimiteit voor onderwerpen in verband met gelijkheid en non-discriminatie. In een verslag uit 2020 heeft het Parlement de tekst voor een interinstitutioneel akkoord inzake versterking van de waarden van de EU voorgesteld. Daarin heeft het eerdere voorstellen uitgewerkt en de mogelijkheid van dringende verslagen en de oprichting van een interinstitutionele werkgroep toegevoegd.

In 2018 nam het Parlement een resolutie aan waarin het besluit van de Commissie werd verwelkomd om de procedure van artikel 7, lid 1, VEU in te leiden ten aanzien van Polen. Het nam ook een resolutie aan over het opstarten van de procedure van artikel 7, lid 1, VEU ten aanzien van Hongarije, door bij de Raad een met redenen omkleed voorstel in te dienen met het verzoek om te constateren of er geen duidelijk gevaar bestond voor een ernstige schending van de in artikel 2 VEU bedoelde waarden, en in dit kader aan Hongarije passende aanbevelingen te doen[2]. In 2020 nam het Parlement ook een resolutie aan waarin het stelde dat er in het kader van de procedure van artikel 7, lid 1, VEU met betrekking tot Polen meer heikele punten moesten worden onderzocht.

Naar aanleiding van de moord op de journalisten Daphne Caruana Galizia in Malta en Ján Kuciak en zijn verloofde in Slowakije, en in een poging om het toezicht en de maatregelen van het Parlement met betrekking tot de waarden van artikel 2 VEU te versterken, heeft de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (LIBE) een Groep voor toezicht op de democratie, de rechtsstaat en de grondrechten opgericht. Deze groep buigt zich over bedreigingen voor de waarden van de EU in de hele Unie en stelt maatregelen voor aan de commissie LIBE.

 

[1]De Commissie heeft in haar mededeling van 2019 veel van de suggesties van het Parlement overgenomen (de instelling van een interinstitutioneel proces, met een jaarverslag, om de stand van zaken omtrent de rechtsstaat en aanverwante kwesties in de lidstaten te volgen), maar niet die betreffende artikel 2 VEU in zijn geheel (niet alleen de rechtsstaat, maar ook de democratie, de grondrechten en minderheden), de oprichting van een comité van onafhankelijke deskundigen, de opstelling van een interinstitutioneel akkoord over het proces, het uitbrengen van landspecifieke aanbevelingen en het opnieuw beginnen publiceren van corruptiebestrijdingsverslagen.
[2]Meer informatie over recente activiteiten van het Parlement in verband met de grondrechten is te vinden in de Engelstalige briefing “The protection of fundamental rights in the EU: European Parliament achievements during the 2014-2019 legislative term and challenges for the future”.

Ottavio Marzocchi