Het Europees Economisch en Sociaal Comité

Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) is een raadgevend orgaan van de Europese Unie en is gevestigd in Brussel. Het telt 329 leden. Het geeft advies indien overeenkomstig de Verdragen een raadpleging is vereist op bepaalde gebieden, of indien er sprake is van een facultatieve raadpleging op verzoek van de Commissie, de Raad of het Parlement. Het kan ook op eigen initiatief adviezen uitbrengen. De leden ervan zijn niet aan aanwijzingen gebonden. Zij moeten hun ambt volkomen onafhankelijk uitoefenen in het algemeen belang van de EU.

Rechtsgrond

Artikel 13, lid 4, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), de artikelen 300 t/m 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), Besluit (EU) 2019/853 van de Raad ter bepaling van de samenstelling van het Europees Economisch en Sociaal Comitéen de daaropvolgende besluiten van de Raad tot benoeming van de leden van het Europees Economisch en Sociaal Comité, die door verschillende lidstaten zijn voorgedragen, en Besluit (EU, Euratom) 2020/1392van de Raad tot benoeming van de leden van het Europees Economisch en Sociaal Comité voor de periode van 21 september 2020 tot en met 20 september 2025.

Samenstelling

A. Aantal zetels en verdeling per land (artikel 301 VWEU en Besluit (EU) 2019/853 van de Raad ter bepaling van de samenstelling van het Europees Economisch en Sociaal Comité).

Het EESC telt momenteel 329 leden, die als volgt over de lidstaten zijn verdeeld:

  1. 24 voor Duitsland, Frankrijk en Italië;
  2. 21 voor Polen en Spanje;
  3. 15 voor Roemenië;
  4. 12 voor België, Bulgarije, Griekenland, Hongarije, Nederland, Oostenrijk, Portugal, Tsjechië en Zweden;
  5. 9 voor Denemarken, Finland, Ierland, Kroatië, Litouwen en Slowakije;
  6. 7 voor Estland, Letland en Slovenië;
  7. 6 voor Luxemburg en Cyprus;
  8. 5 voor Malta.

Per 1 februari 2020 is het totale aantal zetels teruggebracht van 350 naar 329 (als gevolg van de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de EU).

B. Benoemingsprocedure (artikel 302 VWEU)

De leden worden met gekwalificeerde meerderheid van stemmen benoemd door de Raad, op basis van voordrachten door de lidstaten in de vorm van lijsten (zoals in dit voorbeeld). De Raad raadpleegt de Commissie over deze benoemingen (artikel 302, lid 2, VWEU). De lidstaten moeten erop toezien dat de verschillende groepen uit het economische en sociale leven naar behoren zijn vertegenwoordigd. In de praktijk gaat een derde van de zetels naar werkgevers, een derde naar werknemers en een derde naar overige groepen (landbouwers, detailhandelaren, vrije beroepen, consumenten enz.).

Het maximumaantal EESC-leden dat op grond van het Verdrag van Lissabon is toegestaan, is 350 (artikel 301 VWEU). Dit aantal is gedurende korte tijd overschreden tussen juli 2013 en september 2015 als gevolg van de toetreding van Kroatië op 1 juli 2013. Door de toevoeging van negen zetels voor de nieuwe lidstaat nam het totale aantal leden toe tot 353 (voorheen 344). Bij Besluit (EU) 2015/1157van de Raad is de samenstelling van het EESC aangepast naar aanleiding van de toetreding van Kroatië: Estland, Cyprus en Luxemburg kregen elk één lid minder om de discrepantie tussen het in artikel 301, eerste alinea, van het VWEU vastgestelde maximumaantal EESC-leden en het aantal leden na de toetreding van Kroatië te verhelpen. Het aantal Luxemburgse en Cypriotische leden is daarom verlaagd van zes naar vijf, en het aantal Estse leden van zeven naar zes. Bij Besluit (EU) 2019/853 van de Raad is de samenstelling van het EESC uiteindelijk vastgesteld rekening houdend met de zetelverdeling in het Comité van de Regio’s, dat ook 329 leden telt, en met de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de EU, waardoor 24 zetels zijn vrijgekomen. Daarbij is het aantal Luxemburgse en Cypriotische leden weer verhoogd van vijf naar zes, en het aantal Estse leden van zes naar zeven.

C. Kenmerken van het mandaat (artikel 301 VWEU)

De leden worden voorgedragen door de nationale regeringen en benoemd door de Raad voor een hernieuwbare ambtstermijn van vijf jaar (artikel 302 VWEU). Zij worden aangetrokken uit economische en maatschappelijke belangengroepen in Europa. De laatste vernieuwing dateert van oktober 2015, voor de ambtstermijn 2015-2020.

De leden behoren tot een van de volgende drie groepen:

  1. Werkgevers (groep I);
  2. Werknemers (groep II);
  3. Diversiteit Europa (groep III).

De leden moeten hun ambt volkomen onafhankelijk uitoefenen in het algemeen belang van de EU (artikel 300, lid 4, VWEU). Telkens als de zetel van een lid of plaatsvervangend lid in het EESC vacant wordt, aan het eind van de ambtstermijn van het lid, is een apart Raadsbesluit nodig om het lid in kwestie te vervangen.

Organisatie en werkwijze

Het EESC behoort niet tot de in artikel 13, lid 1, VEU genoemde instellingen. In artikel 13, lid 4, wordt echter bepaald dat het EESC het Parlement, de Raad en de Commissie bijstaat door advies te geven.

  1. Het Comité kiest uit zijn midden een voorzitter en een bureau, voor een periode van tweeënhalf jaar.
  2. Het stelt zijn eigen reglement van orde vast.
  3. Het kan op eigen initiatief bijeenkomen, maar doet dat in de regel op verzoek van de Raad of de Commissie.
  4. Voor het opstellen van zijn adviezen beschikt het over de volgende zes gespecialiseerde afdelingen voor de diverse werkterreinen van de Unie en kan het subcomités instellen om specifieke onderwerpen te behandelen:
    1. Landbouw, Plattelandsontwikkeling en Milieu (NAT);
    2. Economische en Monetaire Unie, Economische en Sociale Samenhang (ECO);
    3. Werkgelegenheid, Sociale Zaken en Burgerschap (SOC);
    4. Externe Betrekkingen (REX);
    5. Interne Markt, Productie en Consumptie (INT);
    6. Vervoer, Energie, Infrastructuur en Informatiemaatschappij (TEN).

Het EESC wordt bijgestaan door een secretariaat-generaal onder leiding van een secretaris-generaal, die verslag uitbrengt aan de voorzitter. Het secretariaat-generaal verleent de leden van het EESC beleids-, communicatie-, organisatorische, taalkundige en materiële ondersteuning. Het secretariaat-generaal telt ongeveer 700 personeelsleden. Om redenen van efficiëntie deelt het EESC zijn vaste secretariaatsdiensten in Brussel met het Comité van de Regio’s (voor de zetel van het Europees Economisch en Sociaal Comité zie Protocol (Nr. 6) betreffende de plaats van de zetels van de instellingen). Bovendien heeft het Bureau van het Europees Parlement ook een akkoord gesloten met het Comité, in het kader van de begrotingsprocedure 2014, om samen efficiëntiewinsten te boeken op het gebied van vertaling. Het Comité beschikt over een jaarlijkse administratieve begroting, opgenomen in afdeling VI van de EU-begroting, van 142,5 miljoen EUR (2020) – een stijging van 4,22 % ten opzichte van de begroting 2019 – waarvan 130,9 miljoen EUR werd uitgegeven of als vastlegging werd overgedragen naar 2021. De totale stijging van de ontwerpramingen voor de begroting 2022 ten opzichte van 2021 bedraagt 5 970 705 EUR of 4,12 %.

Bevoegdheden

Het EESC is opgericht door de Verdragen van Rome (1957) om economische en sociale belangengroepen te betrekken bij de totstandbrenging van de interne markt en om te zorgen voor institutionele apparatuur om de Commissie en de ministerraad te briefen over Europese kwesties. Met de Europese Akte (1986) en het Verdrag van Maastricht (1992) is het aantal kwesties dat aan het Comité moet worden voorgelegd, uitgebreid. Met het Verdrag van Amsterdam zijn de gebieden waarover het Comité moet worden geraadpleegd, verder uitgebreid en heeft het Parlement de mogelijkheid gekregen om het Comité te raadplegen. Het EESC brengt jaarlijks gemiddeld 170 adviesdocumenten en adviezen uit (waarvan ongeveer 15 % op eigen initiatief). De adviezen worden gepubliceerd in het Publicatieblad. Het Comité heeft ook een adviserende rol (artikel 300 VWEU). Zijn taak is om de instellingen die zijn belast met de besluitvorming van de Unie te informeren over de standpunten van de vertegenwoordigers van het economische en sociale leven.

A. Uitbrengen van advies op verzoek van EU-instellingen

1. Verplichte raadpleging

Het VWEU schrijft voor dat de Raad en de Commissie op bepaalde gebieden pas een besluit mogen nemen na raadpleging van het EESC. Deze gebieden zijn:

  1. landbouwbeleid (artikel 43);
  2. vrij verkeer van personen en diensten (artikelen 46, 50 en 59);
  3. vervoerbeleid (artikelen 91, 95 en 100);
  4. harmonisatie van indirecte belastingen (artikel 113);
  5. onderlinge aanpassing van de wetgevingen op het gebied van de interne markt (artikelen 114 en 115);
  6. werkgelegenheidsbeleid (artikelen 148, 149 en 153);
  7. sociaal beleid, onderwijs, beroepsopleiding en jeugdzaken (artikelen 156, 165 en 166);
  8. volksgezondheid (artikel 168);
  9. consumentenbescherming (artikel 169);
  10. trans-Europese netwerken (artikel 172);
  11. industriebeleid (artikel 173);
  12. economische, sociale en territoriale samenhang (artikel 175);
  13. onderzoek, technologische ontwikkeling en de ruimte (artikelen 182 en 188);
  14. milieu (artikel 192).

2. Facultatieve raadpleging

Het staat het Parlement, de Commissie en de Raad vrij om het EESC ook op elk ander terrein te raadplegen wanneer ze dat wenselijk achten. Als deze instellingen het comité raadplegen, op verplichte dan wel vrijwillige basis, kunnen zij een termijn stellen (van minstens een maand), waarna zij kunnen handelen zonder het advies af te wachten. (artikel 304 VWEU).

B. Advies op eigen initiatief

Het Comité kan in de gevallen waarin het dit wenselijk acht, zelf besluiten een advies uit te brengen.

De rol van het Europees Parlement

In de samenwerkingsovereenkomst tussen het Parlement en het EESC van 5 februari 2014 hebben beide instellingen zich ertoe verbonden samen te werken om de democratische legitimiteit van de EU te versterken. Met name hebben zij het volgende afgesproken:

  1. Het EESC stelt effectbeoordelingen op, met informatie en relevante gegevens vanuit het maatschappelijk middenveld, over de wijze waarop de bestaande EU-wetgeving werkt en over de tekortkomingen waarmee bij het uitwerken en herzien van wetgeving rekening moet worden gehouden. Die worden tijdig aan het Parlement toegezonden, voordat de herzieningsprocedure van start gaat.
  2. In alle vergaderingen van de bevoegde parlementaire commissies zal een plaats worden gereserveerd voor één lid van het EESC. Rapporteurs van het EESC zullen worden uitgenodigd om uitleg te geven over belangrijke adviezen tijdens hoorzittingen met de bevoegde parlementaire commissies.
  3. De voorzitter van de Conferentie van commissievoorzitters van het Europees Parlement en de voorzitter van het EESC bespreken tweemaal per jaar de algemene legislatieve samenwerking en het werkplan.

 

Anna-Sabine Rieder