Zuidelijke partners

Het Europees nabuurschapsbeleid (ENB) heeft betrekking op Algerije, Egypte, Israël, Jordanië, Libanon, Libië, Marokko, Palestina, Syrië en Tunesië. Het omvat bilaterale beleidsafspraken tussen de EU en de tien afzonderlijke partnerlanden, alsook een regionaal samenwerkingsverband: de Unie voor het Middellandse Zeegebied. In 2011 heeft de EU haar steun voor democratische hervormingen in het kader van het ENB versterkt als reactie op de opstanden in de zuidelijke buurlanden. Het ENB is in 2015 verder herzien.

Rechtsgrond

  • Artikel 8 van het Verdrag betreffende de Europese Unie;
  • Titel V van het Verdrag betreffende de Europese Unie: het “externe optreden” van de EU;
  • De artikelen 206 en 207 (handel) en 216 t/m 219 (internationale overeenkomsten) van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU).

Instrumenten

Associatieovereenkomsten bieden de rechtsgrond voor de bilaterale betrekkingen van de EU met Algerije, Egypte, Israël, Jordanië, Libanon, Marokko, de Palestijnse Autoriteit en Tunesië. De associatieovereenkomst met Syrië, die werd geparafeerd vóór de gewelddadige onderdrukking van de volksprotesten door de Syrische regering in 2011, werd nooit ondertekend. De onderhandelingen over een raamovereenkomst tussen de EU en Libië werden in februari 2011 opgeschort en zijn nog niet hervat.

In het kader van het Europees nabuurschapsbeleid hebben de EU en haar zuidelijke partners (met uitzondering van Libië en Syrië) bilaterale actieplannen, partnerschapsprioriteiten of associatieagenda’s vastgesteld. Aan de hand hiervan wordt bepaald welke politieke en economische hervormingen aan de orde zijn en worden prioriteiten vastgesteld met een korte tot middellange termijn van drie tot vijf jaar. De actieplannen van het ENB weerspiegelen de behoeften, belangen en capaciteiten van de EU en elke partner en zijn met name gericht op de ontwikkeling van democratische, sociaal rechtvaardige en inclusieve samenlevingen, de bevordering van economische integratie en onderwijs, de ontwikkeling van kleine en middelgrote ondernemingen en de landbouw, en de vereenvoudiging van het verkeer van personen over grenzen heen.

Momenteel worden de plannen en agenda’s voornamelijk gefinancierd door het Europees nabuurschapsinstrument (ENI), dat zal worden opgenomen in het toekomstige instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking (NDICI). Er wordt ook steun verleend via leningen van de Europese Investeringsbank en de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling. De EU streeft er ook naar de markttoegang en de samenwerking op het gebied van migratie- en mobiliteitskwesties met haar zuidelijke partners te bevorderen. Momenteel worden onderhandelingen over diepe en brede vrijhandelsovereenkomsten gevoerd met Marokko en Tunesië. Mobiliteitspartnerschappen werden gesloten met Marokko, Tunesië en Jordanië, en de onderhandelingen daarover met Libanon zijn lopende. Binnen deze kaders zijn verschillende projecten ten uitvoer gelegd, met name in het kader van de partnerschapsfaciliteit voor mobiliteit, die in 2016 werd opgezet. Daarnaast worden in Algerije, Egypte, Libië, Marokko en Tunesië regionale en bilaterale initiatieven op het gebied van migratie en mobiliteit gefinancierd door het EU-noodtrustfonds voor Afrika, en meer specifiek het onderdeel Noord-Afrika daarvan. Het “Madad-fonds”, het Regionaal Trustfonds van de Europese Unie in respons op de Syrische crisis, biedt bijstand aan Syrische vluchtelingen, intern ontheemde personen en lokale gemeenschappen in Libanon, Jordanië en Egypte.

De Unie voor het Middellandse Zeegebied (UMZ), die in 2008 werd opgericht om het Europees-mediterraan partnerschap nieuw leven in te blazen, voorziet in een regionaal kader voor samenwerking tussen de EU-lidstaten en vijftien mediterrane landen, waaronder de tien zuidelijke partners.

Huidige stand van zaken

A. Algerije

Als voorname regionale speler en belangrijke energieproducent is Algerije een essentiële partner van de EU in het zuidelijk nabuurschap. In 2005 is een associatieovereenkomst met dit land in werking getreden. De EU en Algerije hebben in de Associatieraad van maart 2017 hun gemeenschappelijke partnerschapsprioriteiten aangenomen. De partnerschapsprioriteiten scheppen een nieuw kader voor wederzijdse politieke betrokkenheid en intensievere samenwerking, met bijzondere nadruk op: i) governance en grondrechten; ii) sociaal-economische ontwikkeling en handel; iii) energie, milieu en klimaatverandering; iv) strategische en veiligheidsdialoog; en v) de menselijke dimensie, migratie en mobiliteit.

B. Egypte

De betrekkingen tussen de Europese Unie en Egypte zijn geregeld in een associatieovereenkomst die in 2004 in werking is getreden. In het kader van het herziene ENB heeft de Associatieraad EU-Egypte in juli 2017 een reeks partnerschapsprioriteiten van de EU en Egypte voor de periode 2017-2020 aangenomen. Met de partnerschapsprioriteiten werd ernaar gestreefd de gemeenschappelijke uitdagingen aan te pakken waarmee de EU en Egypte worden geconfronteerd, de gemeenschappelijke belangen te bevorderen en aan weerszijden van de Middellandse Zee stabiliteit op de lange termijn te garanderen, met de nadruk op: i) economische modernisering, energieduurzaamheid en het milieu; ii) maatschappelijke ontwikkeling en sociale bescherming; en iii) governance, verbeterde stabiliteit en de moderne democratische staat.

C. Israël

De betrekkingen tussen de EU en Israël zijn veelomvattend en worden ondersteund door sterke economische en handelsbetrekkingen en technische samenwerking. Op basis van de associatieovereenkomst van 2000 ontwikkelde de verhouding zich in de daaropvolgende jaren op dynamische wijze, met een substantiële uitbreiding naar talrijke sectoren. Het actieplan dat de EU en Israël in 2005 hebben aangenomen, is gebaseerd op de gemeenschappelijke waarden van democratie, eerbiediging van de mensenrechten, de rechtsstaat en fundamentele vrijheden, en bevordert de integratie van Israël in Europese beleidsmaatregelen en programma’s. In 2009 besloot de EU dat vooruitgang in het vredesproces in het Midden-Oosten nodig was om de betrekkingen de “geavanceerde status” te kunnen toekennen. De samenwerking wordt echter voorgezet op basis van het ENB-actieplan van 2005, dat van kracht blijft tot 2022.

D. Jordanië

De EU beschouwt Jordanië als een belangrijke partner die een stabiliserende rol vervult in het Midden-Oosten. De associatieovereenkomst tussen de EU en Jordanië, die van kracht is sinds mei 2002, vormt de rechtsgrond voor deze bilaterale betrekkingen. Jordanië was het eerste mediterrane partnerland dat met de EU technische onderhandelingen heeft afgerond die leidden tot een “geavanceerde status”, in 2010. In 2012 werd een ENB-actieplan aangenomen en in december 2016 werd overeenstemming bereikt over nieuwe partnerschapsprioriteiten EU-Jordanië en een pact EU-Jordanië. In december 2018 werden de partnerschapsprioriteiten verlengd tot 2020. De prioriteiten zijn gericht op: i) macro-economische stabiliteit en duurzame, op kennis gebaseerde groei; ii) bevordering van democratisch bestuur, de rechtsstaat en de mensenrechten; en iii) regionale stabiliteit en veiligheid, met inbegrip van terrorismebestrijding. Het pact is erop gericht de leefomstandigheden van vluchtelingen en hun gastgemeenschappen te verbeteren. In oktober 2014 zijn de EU en Jordanië een mobiliteitspartnerschap aangegaan voor het beheer van mobiliteit en migratie. Jordanië heeft bovendien sinds 2013 al 1,08 miljard euro aan macrofinanciële bijstand ontvangen van de EU. Het meest recente kredietprogramma, ter waarde van 700 miljoen euro, werd in 2020 goedgekeurd. Met deze financiële hulp kan Jordanië economische stabilisatie ondersteunen, werken aan de houdbaarheid van de overheidsschuld, versneld economische hervormingen doorvoeren en de economische gevolgen van de coronapandemie beperken. Jordanië ontvangt ook financiering in het kader van het “Madad-fonds”, het Regionaal Trustfonds van de Europese Unie in respons op de Syrische crisis.

E. Libanon

De betrekkingen zijn gebaseerd op de associatieovereenkomst EU-Libanon, die sinds 2006 van kracht is, en op de in 2016 vastgelegde partnerschapsprioriteiten EU-Libanon en het pact EU-Libanon, waarin aandacht wordt besteed aan de impact van de Syrische crisis op het land. De partnerschapsprioriteiten zijn gericht op i) het bevorderen van groei en werkgelegenheid; ii) het bevorderen van lokaal bestuur en sociaal-economische ontwikkeling; en iii) het bevorderen van de rechtsstaat en het vergroten van de veiligheid. De samenwerking tussen de EU en Libanon omvat specifieke steun voor capaciteitsontwikkeling en institutionele opbouw, alsook maatregelen ten gunste van het maatschappelijk middenveld. De EU en Libanon hebben in de Associatieraad van juli 2017 beslist om besprekingen te blijven voeren met het oog op de ondertekening van een mobiliteitspartnerschap. Libanon heeft 4,4 miljoen inwoners en vangt momenteel ongeveer 1 miljoen geregistreerde Syrische vluchtelingen op. Libanon ontvangt financiering in het kader van het “Madad-fonds”, het Regionaal Trustfonds van de Europese Unie in respons op de Syrische crisis. In december 2020 heeft de EU aangekondigd dat ze samen met de VN en de Wereldbank een “kader voor hervorming, herstel en wederopbouw” zou opzetten om “een beter Libanon op te bouwen” volgens de beginselen van transparantie, inclusie en verantwoordingsplicht. Naast een herstel waarin mensen centraal staan, zal de substantiële EU-hulp voor de wederopbouw van een democratisch, transparant, inclusief en welvarend Libanon echter blijven afhangen van concrete vorderingen met de noodzakelijke hervormingen.

F. Libië

Sinds de val van het regime van Khadaffi dreigt Libië, tegen de achtergrond van complexe politieke, territoriale, sociale en tribale scheidslijnen, af te glijden naar een burgeroorlog. Libië staat ook bekend als doorvoerroute van de Sahel voor mensenhandel en smokkelwaar. De EU streeft er in dit verband naar de Libiërs te helpen een stabiele en inclusieve staat tot stand te brengen. De EU steunt de bemiddelingspogingen van de VN om een einde te maken aan de vijandelijkheden en zoekt via de diplomatie toenadering tot de Libische en regionale belanghebbenden. Er bestaat geen associatieovereenkomst tussen de EU en Libië, noch andere contractuele banden, maar het land komt in aanmerking voor financiering in het kader van het Europees nabuurschapsinstrument (ENI) en andere financieringsinstrumenten. De instabiliteit op lokaal en regionaal niveau hebben ervoor gezorgd dat Libië in plaats van een land van bestemming van migranten een land van doorreis is geworden, zodat een onmiddellijke reactie van de EU vereist is om de meest dringende behoeften aan te pakken. Libië heeft daarom financiering ontvangen via het onderdeel Noord-Afrika van het EU-noodtrustfonds voor Afrika, dat de onderliggende oorzaken van irreguliere migratie aanpakt en steun verleent voor beschermingsmaatregelen en migratiebeheer.

G. Marokko

Marokko behoort tot de zuidelijke partners die het verst staan in hun betrekkingen met de EU. Sinds 2000 is een associatieovereenkomst met het land van kracht en in 2013 werd een nieuw ENB-actieplan vastgesteld. In 2008 kreeg het land de “geavanceerde status” in het kader van het ENB, in overeenstemming met de ambitie om de samenwerking tussen de EU en Marokko te versterken en de economische en politieke hervormingen te blijven steunen. Het mobiliteitspartnerschap tussen de EU en Marokko werd in juni 2013 opgestart. Onderhandelingen over visumversoepelings- en overnameovereenkomsten en een diepe en brede vrijhandelsovereenkomst zijn nog lopende. Daarnaast is in 2014 een vernieuwde visserijovereenkomst in werking getreden. Overeenkomstig twee recente arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie kan de EU haar overeenkomsten met Marokko ten uitvoer leggen, maar zijn deze niet van toepassing op de Westelijke Sahara.

H. Palestina

De EU is de grootste verlener van financiële steun aan de Palestijnse Autoriteit (PA), met een indicatieve bilaterale toewijzing van ongeveer 300 miljoen euro per jaar. Het algemene doel van de EU-steun is het helpen opbouwen van de capaciteit van een in de toekomst levensvatbare, onafhankelijke en democratische Palestijnse staat die in vrede en veiligheid bestaat naast Israël en de andere buurlanden. De rechtsgrond voor de betrekkingen van de EU met de Palestijnse Autoriteit is de interim-associatieovereenkomst voor handel en samenwerking die werd gesloten in 1997. De EU en de Palestijnse Autoriteit hebben een ENB-actieplan ondertekend dat in 2013 in werking is getreden. Datzelfde jaar bood de EU Israël en de toekomstige Palestijnse staat een “bijzonder bevoorrecht partnerschap” aan, waarmee, onder voorbehoud van de sluiting van een akkoord over de definitieve status, voorzien wordt in een niet eerder gezien pakket aan politieke, economische en veiligheidsondersteuning. De EU is actief in het vredesproces in het Midden-Oosten en is lid van het Midden-Oostenkwartet, in het kader waarvan ze meewerkt aan een tweestatenoplossing op basis van de routekaart voor vrede van 2003.

I. Syrië

De EU heeft haar gehele bilaterale samenwerking met de regering van Syrië opgeschort in mei 2011, na de escalatie van het geweld en de onaanvaardbare mensenrechtensituatie. Tegelijkertijd heeft de EU verschillende beperkende maatregelen vastgesteld in de vorm van sancties. In overeenstemming met de EU-strategie voor Syrië van 3 april 2017 steunt de EU inclusieve vredesgesprekken die een door de Syriërs geleide politieke transitie tot doel hebben. De EU is de grootste steunverlener in reactie op de crisis in Syrië. De EU en haar lidstaten hebben samen meer dan 20 miljard euro verzameld voor humanitaire, economische, stabilisatie- en ontwikkelingshulp. Sinds 2017 organiseert de EU in Brussel een jaarlijkse, samen met de VN voorgezeten conferentie over de ondersteuning van de toekomst van Syrië en de regio. De overkoepelende doelstelling van die conferenties is steun te verlenen aan het Syrische volk en de internationale gemeenschap te mobiliseren in de zoektocht naar een duurzame politieke oplossing voor de crisis in Syrië in overeenstemming met Resolutie 2254 van de VN-Veiligheidsraad. Alle conferenties die tot nu toe hebben plaatsgevonden in Brussel gingen over de meest prangende humanitaire en weerbaarheidsproblemen waar de Syrische bevolking en gemeenschappen die Syrische vluchtelingen opvangen, mee te kampen hebben, zowel in Syrië zelf als in de naburige regio.

J. Tunesië

Sinds de Tunesische revolutie in 2011 verleent de EU politieke, financiële en technische steun voor de democratische transitie van het land. De rechtsgrond voor de bilaterale betrekkingen is nog steeds de associatieovereenkomst, die sinds 1998 van kracht is. In 2012 kwamen de EU en Tunesië, als gevolg van de vooruitgang die was geboekt, een “geprivilegieerd partnerschap” overeen, met een gedetailleerd actieplan voor 2013-2017. In juli 2018 heeft de Associatieraad EU-Tunesië de belangrijkste richtsnoeren voor het geprivilegieerd partnerschap tussen de EU en Tunesië voor de periode 2018-2020 vastgelegd. Tunesië en de EU hebben in maart 2014 een mobiliteitspartnerschap opgestart, waarna de onderhandelingen over visumversoepelings- en overnameovereenkomsten konden beginnen. In oktober 2015 werd het startschot gegeven voor onderhandelingen over een diepe en brede vrijhandelsovereenkomst, die nog steeds lopen. De op consensus gebaseerde vaststelling van een nieuwe grondwet in Tunesië, in januari 2014, en de succesvolle organisatie van parlementaire en presidentsverkiezingen in oktober en december 2014, gevolgd door langverwachte gemeenteraadsverkiezingen in mei 2018, waren een belangrijke stap vooruit in de democratische transitie van het land.

De rol van het Europees Parlement

Het Europees Parlement is volledig betrokken bij het Europees nabuurschapsbeleid. Via zijn Commissie buitenlandse zaken houdt het toezicht op de uitvoering van het ENB, in het bijzonder met betrekking tot de jaarlijkse voortgangsverslagen en evaluaties. De commissie volgt de politieke situatie in partnerlanden door geregeld van gedachten te wisselen met hoge regeringsfunctionarissen, deskundigen en belanghebbenden uit het maatschappelijk middenveld. Via zijn begrotingsbevoegdheden oefent het Parlement rechtstreeks invloed uit op de bedragen die aan het Europees nabuurschapsinstrument en het toekomstige instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking (NDICI) worden toegekend. De goedkeuring van het Parlement is vereist voor het sluiten van alle associatieovereenkomsten met zuidelijke ENB-partners. Het Parlement moet ook zijn goedkeuring geven voor elke nieuwe handelsovereenkomst, met inbegrip van toekomstige diepe en brede vrijhandelsovereenkomsten met Marokko en Tunesië.

Met de parlementen van zuidelijke partnerlanden worden via vaste delegaties regelmatige bilaterale betrekkingen onderhouden. Zo werden de betrekkingen met het Marokkaanse parlement in 2010 opgewaardeerd met de oprichting van een gemengde parlementaire commissie. Ook werden er gemengde parlementaire commissies opgericht met Tunesië in 2016 en met Algerije in 2018. De parlementaire betrekkingen met Syrië zijn opgeschort vanwege de burgeroorlog, en de huidige situatie in Libië verhindert eveneens interparlementaire betrekkingen. Het Parlement heeft deelgenomen aan verscheidene EU-verkiezingswaarnemingsmissies in de zuidelijke partnerlanden en verleent Tunesië bijstand in het kader van zijn programma ter ondersteuning van de democratie. Op regionaal niveau neemt het Parlement deel aan de Parlementaire Vergadering van de UMZ, die eens per jaar in plenaire vergadering bijeenkomt en daarnaast verscheidene commissievergaderingen organiseert. Het Europees Parlement neemt momenteel het roulerend voorzitterschap van de Parlementaire Vergadering waar (2020-2021).

 

Kirsten Jongberg / Christos Trapouzanlis