Het Europees Parlement: verkiezingsprocedures

De wijze waarop het Europees Parlement wordt verkozen, is zowel het resultaat van Europese wetgeving, waarin regels voor alle lidstaten worden vastgelegd, als van specifieke nationale bepalingen, die van lidstaat tot lidstaat verschillen. In gemeenschappelijke voorschriften zijn het beginsel van evenredige vertegenwoordiging en de regels inzake drempels vastgelegd en wordt bepaald welke functies onverenigbaar zijn met het lidmaatschap van het Europees Parlement. Voor veel andere belangrijke aangelegenheden, zoals het kiesstelsel en het aantal kiesdistricten, gelden nationale bepalingen.

Rechtsgrond

Artikel 14 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), de artikelen 20, 22 en 223 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en artikel 39 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

Akte van 20 september 1976 betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen, laatstelijk gewijzigd bij Besluit (EU, Euratom) 2018/994 van de Raad van 13 juli 2018.

Gemeenschappelijke voorschriften

A. Beginselen

In de oprichtingsverdragen (1.1.1) werd bepaald dat het Europees Parlement in eerste instantie zou bestaan uit leden die door de nationale parlementen werden benoemd, en dat het daarna via rechtstreekse algemene verkiezingen zou worden gekozen. Vóór de eerste rechtstreekse verkiezingen in 1979 gaf de Raad uitvoering aan deze bepaling door middel van de Akte van 20 september 1976 tot verkiezing van de vertegenwoordigers in het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen (Verkiezingsakte van 1976). Deze heeft de institutionele positie van het Europees Parlement ingrijpend veranderd en heeft de grondslag gelegd voor een democratischer Europese Unie.

In 1992 werd bij het Verdrag van Maastricht (1.1.3) bepaald dat de verkiezingen volgens een eenvormige procedure moeten worden gehouden en dat het Europees Parlement hiertoe een ontwerp opstelt dat door de Raad met eenparigheid van stemmen moet worden goedgekeurd. Omdat de Raad echter over geen van de voorstellen overeenstemming kon bereiken, werd in het Verdrag van Amsterdam de mogelijkheid opgenomen om “beginselen die alle lidstaten gemeen hebben” vast te stellen. Bij Besluit 2002/772/EG, Euratom van de Raad van 25 juni en 23 september 2002 werd de Akte uit 1976 dienovereenkomstig gewijzigd, waarmee het beginsel van evenredige vertegenwoordiging zijn intrede deed en bepalingen werden vastgesteld inzake onverenigbaarheid van nationale en Europese mandaten.

De Verkiezingsakte van 1976 werd laatstelijk gewijzigd bij Besluit (EU, Euratom) 2018/994 van de Raad van 13 juli 2018, waarin bepalingen zijn opgenomen inzake verschillende mogelijkheden om te stemmen (vervroegd stemmen, per brief stemmen en elektronisch en via internet stemmen); inzake drempels; inzake de bescherming van persoonsgegevens; inzake in nationale wetgeving op te nemen sancties om dubbel stemmen te voorkomen; inzake stemmen in derde landen; en inzake het vermelden van de naam of het logo van Europese politieke partijen op stembiljetten.

Bij het Verdrag van Lissabon (1.1.5) werd aan het actief en passief kiesrecht de status van grondrecht toegekend (artikel 39, Handvest van de grondrechten van de Europese Unie).

B. Toepassing: geldende gemeenschappelijke bepalingen

1. Actief en passief kiesrecht voor niet-onderdanen

In artikel 22, lid 2, van het VWEU wordt bepaald dat “iedere burger van de Unie die verblijf houdt in een lidstaat waarvan hij geen onderdaan is, het actief en passief kiesrecht [heeft] bij de verkiezingen voor het Europees Parlement in de lidstaat waar hij verblijft”. Nadere bepalingen inzake de wijze van uitoefening van dit recht zijn neergelegd in Richtlijn 93/109/EG van de Raad, als gewijzigd bij Richtlijn 2013/1/EU van de Raad. Artikel 6 daarvan luidt: “Een burger van de Unie die in een lidstaat verblijf houdt zonder dat hij de nationaliteit van deze lidstaat bezit, en die ingevolge een individuele rechterlijke of administratieve beslissing waartegen hoger beroep mogelijk is, hetzij overeenkomstig het recht van de lidstaat van verblijf, hetzij overeenkomstig het recht van zijn lidstaat van herkomst, het passief kiesrecht heeft verloren, is bij de verkiezingen voor het Europees Parlement uitgesloten van de uitoefening van dat recht in de lidstaat van verblijf.”

2. Kiesstelsel

Overeenkomstig de gewijzigde Verkiezingsakte van 1976 worden de leden van het Europees Parlement gekozen volgens een stelsel van evenredige vertegenwoordiging, hetzij volgens het lijstenstelsel, hetzij volgens het stelsel van één overdraagbare stem. De lidstaten kunnen het uitbrengen van voorkeursstemmen toestaan.

Naast de vrijwillige drempel voor de verdeling van zetels die maximaal 5 % van de op nationaal niveau uitgebrachte geldige stemmen mag bedragen, is er bij de recente wijziging van de Verkiezingsakte van 1976 (Besluit (EU, Euratom) 2018/994 van de Raad) voor lidstaten waar gebruik wordt gemaakt van het lijstenstelsel een bindende drempel ingevoerd voor de verdeling van zetels voor kiesdistricten met meer dan 35 zetels. Deze drempel bedraagt minimaal 2 % en maximaal 5 % van de in het betrokken kiesdistrict uitgebrachte geldige stemmen en dat geldt ook voor lidstaten met slechts één kiesdistrict. De lidstaten zullen uiterlijk voor de verkiezingen van 2024 aan deze verplichting moeten voldoen.

Op grond van genoemd besluit kunnen de lidstaten kiezers ook de mogelijkheid bieden om vervroegd te stemmen, per brief te stemmen en elektronisch en via internet te stemmen. Als zij dit doen, moeten zij maatregelen nemen om de betrouwbaarheid van de resultaten, het stemgeheim en de bescherming van persoonsgegevens te garanderen.

3. Onverenigbaarheid

Overeenkomstig artikel 7 van de Verkiezingsakte van 1976, zoals gewijzigd bij Besluit 2002/772/EG, Euratom van de Raad, is het lidmaatschap van het Europees Parlement onverenigbaar met het lidmaatschap van de regering van een lidstaat, het lidmaatschap van de Commissie, met de functie van rechter, advocaat-generaal of griffier bij het Hof van Justitie, met het lidmaatschap van de Rekenkamer, het lidmaatschap van het Europees Economisch en Sociaal Comité, het lidmaatschap van commissies of andere organen die op grond van de Verdragen zijn ingesteld voor het beheer van de fondsen van de Unie of de uitvoering van een permanente rechtstreekse administratieve taak, het lidmaatschap van de raad van bestuur, de directie of het personeel van de Europese Investeringsbank, en met de hoedanigheid van actieve functionaris of medewerker van de instellingen van de Europese Unie of de daarmee verbonden gespecialiseerde organen. Het lidmaatschap van het Europees Parlement staat evenmin open voor leden van het Comité van de Regio’s (sinds 1997), leden van de directie van de Europese Centrale Bank, de ombudsman van de Europese Unie en, het allerbelangrijkst, leden van nationale parlementen (sinds 2002).

Nationale bepalingen

Naast de gemeenschappelijke regels gelden voor de verkiezingen ook nationale bepalingen, die heel uiteenlopend kunnen zijn. Het kiesstelsel kan daarom worden beschouwd als een veelvormig of polymorf kiesstelsel.

A. Kiesstelsels en kiesdrempels

Alle lidstaten moeten een stelsel op basis van evenredige vertegenwoordiging toepassen. Naast de vrijwillige drempel voor de verdeling van zetels die maximaal 5 % van de op nationaal niveau uitgebrachte geldige stemmen mag bedragen, is bij Besluit (EU, Euratom) 2018/994 van de Raad een bindende minimumdrempel van minimaal 2 % en maximaal 5 % vastgesteld voor de verdeling van zetels bij kiesdistricten met meer dan 35 zetels. Deze drempel geldt ook voor lidstaten met slechts één kiesdistrict. De lidstaten moeten uiterlijk voor de Europese verkiezingen van 2024 aan deze verplichting voldoen.

Momenteel passen de volgende lidstaten drempels toe: Frankrijk, België, Litouwen, Polen, Slowakije, Tsjechië, Roemenië, Kroatië, Letland en Hongarije (5 %); Oostenrijk, Italië en Zweden (4 %); Griekenland (3 %); en Cyprus (1,8 %). De overige lidstaten passen geen drempels toe. Duitsland heeft geprobeerd drempels toe te passen, maar het Bundesverfassungsgericht (federaal grondwettelijk hof van Duitsland) heeft in twee uitspraken van 2011 en 2014 de in Duitsland vastgestelde drempels voor de Europese verkiezingen (eerst 5 %, daarna 3 %) ongrondwettelijk verklaard.

B. Indeling in kiesdistricten

In de meeste lidstaten bestaat voor de Europese verkiezingen één enkel kiesdistrict. Vier lidstaten (België, Ierland, Italië en Polen) hebben hun grondgebied evenwel opgedeeld in verschillende regionale kiesdistricten.

C. Stemrecht

De kiesgerechtigde leeftijd is in alle lidstaten 18 jaar, behalve in Oostenrijk en Malta, waar de kiesgerechtigde leeftijd 16 jaar is, en Griekenland, waar de kiesgerechtigde leeftijd 17 jaar is.

In vijf lidstaten is stemmen verplicht (België, Bulgarije, Luxemburg, Cyprus en Griekenland): Deze stemplicht geldt voor zowel onderdanen als voor geregistreerde niet-onderdanen uit een EU-lidstaat.

1. Stemrecht van niet-onderdanen in de lidstaat van verblijf

Iedere burger van de Unie die verblijf houdt in een lidstaat waarvan hij geen onderdaan is, heeft het recht om in de lidstaat van verblijf onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die staat aan de verkiezingen van het Europees Parlement deel te nemen (artikel 22 VWEU). Aan het begrip verblijf wordt echter niet in alle lidstaten dezelfde uitleg gegeven. Er zijn landen die verlangen dat de kiezer zijn woonplaats of gebruikelijke verblijfplaats heeft op het grondgebied waar wordt gestemd (bijv. Estland, Frankrijk, Duitsland, Polen, Roemenië en Slovenië), landen die verlangen dat de kiezer gewoonlijk in het land verblijft (bijv. Cyprus, Denemarken, Griekenland, Ierland, Luxemburg, Slowakije en Zweden), en landen die verlangen dat de kiezer ingeschreven staat in het bevolkingsregister (bijv. België en Tsjechië). In een aantal landen (bijv. Luxemburg en Cyprus) mogen EU-burgers alleen stemmen als zij gedurende een bepaalde minimumperiode in het land hebben verbleven. In alle lidstaten geldt dat onderdanen van andere EU-landen zich voor de dag van de verkiezingen moeten laten registreren. De daarvoor geldende termijnen verschillen van lidstaat tot lidstaat.

2. Stemrecht van niet in hun land van herkomst verblijvende onderdanen

Bijna alle lidstaten bieden de mogelijkheid om tijdens de Europese verkiezingen vanuit het buitenland te stemmen. In sommige lidstaten moeten kiezers zich vooraf bij de nationale verkiezingsautoriteiten laten registreren om per post of bij een ambassade/consulaat vanuit het buitenland te kunnen stemmen. In een aantal lidstaten kan via de ambassade of het consulaat per post worden gestemd. Ook zijn er landen (zoals Bulgarije en Italië) die het recht om vanuit het buitenland te stemmen alleen toekennen aan burgers die in een andere lidstaat wonen. Bovendien kennen de meeste lidstaten speciale regelingen voor diplomaten en militairen die in het buitenland werken.

Het feit dat sommige personen als niet-onderdaan in hun lidstaat van verblijf en als elders verblijvende onderdaan in hun land van herkomst kunnen stemmen, kan leiden tot misbruik, te weten dubbel stemmen, wat in sommige lidstaten een strafbaar feit is. Bij de recente wijziging van de Verkiezingsakte van 1976 (bij Besluit (EU, Euratom) 2018/994 van de Raad) is vastgesteld dat de lidstaten de nodige maatregelen moeten nemen om ervoor te zorgen dat op dubbel stemmen bij verkiezingen voor het Europees Parlement doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties staan.

D. Passief kiesrecht

Het beginsel van non-discriminatie tussen onderdanen en niet-onderdanen en het recht om binnen de Europese Unie vrij te reizen en te verblijven, brengen met zich mee dat burgers ook het recht hebben om zich in een andere lidstaat van verblijf kandidaat te stellen voor de verkiezingen van het Europees Parlement. Eenieder die burger van de Unie is en zonder de nationaliteit van de lidstaat van verblijf te bezitten voor het overige aan alle voorwaarden voldoet waaraan de wetgeving van deze lidstaat het actief en passief kiesrecht van zijn onderdanen onderwerpt, heeft in de lidstaat van verblijf het actief en passief kiesrecht bij de verkiezingen voor het Europees Parlement, tenzij hij deze rechten heeft verloren (artikel 3 van Richtlijn 93/109/EG van de Raad).

Afgezien van de algemene eis dat kandidaten de nationaliteit van een lidstaat van de Unie moeten bezitten, verschillen de voorwaarden voor het passief kiesrecht van lidstaat tot lidstaat. Niemand mag in meer dan één lidstaat kandidaat zijn bij eenzelfde verkiezing (artikel 4 van Richtlijn 93/109/EG van de Raad). In de meeste lidstaten is de minimumleeftijd om te kunnen worden verkozen 18 jaar. Uitzonderingen daarop zijn: België, Bulgarije, Cyprus, Tsjechië, Estland, Ierland, Letland, Litouwen, Polen en Slowakije (21 jaar), Roemenië (23 jaar), en Italië en Griekenland (25 jaar).

E. Kandidaatstelling

In sommige lidstaten kunnen uitsluitend politieke partijen en politieke organisaties lijsten met kandidaten indienen. In een aantal lidstaten mag men zich kandidaat stellen als men beschikt over een bepaald aantal handtekeningen of kiezers. In sommige gevallen moet een borgsom worden betaald.

In Besluit (EU) 2018/937 van de Europese Raad van 28 juni 2018 inzake de samenstelling van het Europees Parlement wordt bepaald hoe bij de toepassing van artikel 14, lid 2, VWEU de zetels in het Europees Parlement over de lidstaten moeten worden verdeeld. Daarbij moet het beginsel van “degressieve evenredigheid” worden toegepast (1.3.3).

F. Verkiezingsdata

Overeenkomstig de artikelen 10 en 11 van de Verkiezingsakte van 1976, zoals gewijzigd, vinden de verkiezingen van het Europees Parlement plaats binnen eenzelfde periode die aanvangt op donderdagochtend en afloopt op de daaropvolgende zondag. De lidstaten bepalen zelf de precieze datum en tijd. In 1976 heeft de Raad met eenparigheid van stemmen en na raadpleging van het Europees Parlement de verkiezingsperiode voor de eerste verkiezingen van 1979 vastgesteld. De verkiezingen na die van 1979 vonden plaats in de overeenkomstige periode van het laatste jaar van de in artikel 5 van de Verkiezingsakte bedoelde periode van vijf jaar (1.3.1).

In verband met de verkiezingen van 2014 heeft de Raad bij besluit van 14 juni 2013 de oorspronkelijk in juni geplande verkiezingen verzet naar 22 tot en met 25 mei, zodat deze niet in de pinkstervakantie vielen. De Raad paste daarmee de volgende bepaling van artikel 11 toe: “Indien het onmogelijk blijkt de verkiezingen [...] in die periode te houden, stelt de Raad, met eenparigheid van stemmen, na raadpleging van het Europees Parlement uiterlijk een maand voor het einde van de in artikel 5 bedoelde periode van vijf jaar een andere verkiezingsperiode vast, die ten vroegste twee maanden voor en uiterlijk een maand na de periode valt welke voortvloeit uit het bepaalde in de vorige alinea.” Volgende verkiezingen worden gehouden in de overeenkomstige periode van het laatste jaar van de in artikel 11 van de Akte van 1976 bedoelde periode van vijf jaar. Om dezelfde reden vonden de verkiezingen van 2019 plaats in de week van 23 tot en met 26 mei.

G. Vrijheid van de kiezer om de volgorde van kandidaten op lijsten te veranderen

In de meeste lidstaten kunnen kiezers voorkeursstemmen uitbrengen om de volgorde van namen op de lijst te veranderen. Zes lidstaten (Duitsland, Spanje, Frankrijk, Portugal, Hongarije en Roemenië) kennen evenwel gesloten kieslijsten (er kunnen geen voorkeursstemmen worden uitgebracht). In Malta en Ierland vermelden de kiezers de kandidaten in volgorde van voorkeur (één enkele overdraagbare voorkeursstem).

H. Bezetting van vrijgekomen zetels tijdens de zittingsperiode

In sommige lidstaten worden vrijgekomen zetels toegewezen aan de eerstvolgende niet-gekozen kandidaat op dezelfde lijst (eventueel na aanpassing van de volgorde van de kandidaten naar aanleiding van uitgebrachte voorkeurstemmen). In enkele andere landen worden vrijgekomen zetels toegewezen aan vervangers. Zijn er geen vervangers, dan wordt rekening gehouden met de volgorde van de kandidaten op de lijst. In sommige lidstaten krijgen leden van het Europees Parlement die hun zetel om een bepaalde reden hebben verlaten, de kans om deze weer in te nemen zodra de reden voor hun vertrek niet langer actueel is.

Rol van het Europees Parlement

Het Europees Parlement heeft sinds de jaren zestig meerdere malen zijn standpunt uitgesproken over kiesrechtkwesties en heeft diverse voorstellen gedaan overeenkomstig artikel 138 EG-Verdrag (het huidige artikel 223 VWEU). Het ontbreken van een werkelijk eenvormige procedure voor de Europese verkiezingen toont aan hoe moeilijk het is om de verschillende nationale tradities met elkaar te verzoenen. De mogelijkheid die het Verdrag van Amsterdam biedt om beginselen vast te stellen die alle lidstaten gemeen hebben, heeft slechts ten dele geholpen deze moeilijkheid te overwinnen. De doelstelling van artikel 223 VWEU, te weten vaststelling van een eenvormige procedure waaraan het Europees Parlement zijn goedkeuring moet hechten, is nog niet verwezenlijkt. De voortdurende inspanningen van het Parlement om de gemeenschappelijke verkiezingsprocedure te moderniseren en te “europeaniseren” leidden in 1997 tot een voorstel voor een eenvormige verkiezingsprocedure. De belangrijkste onderdelen daarvan werden overgenomen in het besluit van de Raad van 2002. Het Europees Parlement heeft op 11 november 2015 een resolutie over de hervorming van de verkiezingsprocedure van de Europese Unie aangenomen. In dit wetgevingsinitiatief van de Commissie constitutionele zaken werd gepleit voor wijziging van de Verkiezingsakte van 1976, met als doel de Europese verkiezingen democratischer te maken en de deelname van burgers aan het verkiezingsproces te versterken. Een deel van de door het Parlement voorgestelde wijzigingen werd goedgekeurd en overgenomen in Besluit (EU, Euratom) 2018/994 van de Raad van 13 juli 2018. De Raad stemde echter niet in met het voorstel van het Parlement om een gemeenschappelijk kiesdistrict te vormen waarvan de kieslijsten worden aangevoerd door de kandidaten voor het voorzitterschap van de Commissie.

Na zijn resolutie van 7 februari 2018 over de samenstelling van het Europees Parlement heeft het Parlement gestemd vóór vermindering van het aantal zetels na de terugtrekking van het VK uit de EU van 751 tot 705, en voor verdeling van een deel van de zetels die na de Brexit vrijkomen over de EU-lidstaten die nog enigszins ondervertegenwoordigd zijn (1.3.3). Op 22 november 2012 heeft het Europees Parlement een resolutie aangenomen waarin het er bij de Europese politieke partijen op aandringt om tijdens de verkiezingen van 2014 kandidaten voor te dragen voor het voorzitterschap van de Commissie, om de politieke legitimiteit van zowel het Parlement als de Commissie te versterken. In de aanloop naar de verkiezingen van 2014 is aan deze resolutie gevolg gegeven en bij de verkiezingen van 2014 werd voor het eerst het systeem van lijsttrekkers voor het voorzitterschap van de Commissie toegepast. Naar aanleiding van de verkiezingen van 2014 werd een van deze kandidaten, Jean-Claude Juncker, op 22 oktober 2014 door het Europees Parlement verkozen tot Commissievoorzitter. In zijn besluit van 7 februari 2018 over de herziening van het kaderakkoord over de betrekkingen tussen het Europees Parlement en de Europese Commissie waarschuwde het Parlement bereid te zijn elke kandidaat voor het voorzitterschap van de Commissie te verwerpen die in de aanloop naar de Europese verkiezingen van 2019 niet als lijsttrekker (“Spitzenkandidat” of “spitskandidaat”) van een Europese politieke partij werd aangewezen. Na de verkiezingen van 2019 werd echter Ursula von der Leyen, die geen spitskandidaat was, verkozen tot voorzitter van de Europese Commissie.

In 2003 werd een regeling voor de financiering van Europese politieke partijen uitgewerkt, die de oprichting van politieke stichtingen op EU-niveau mogelijk maakte (1.3.3). Verordening (EG) nr. 2004/2003 werd ingetrokken en vervangen door Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende het statuut en de financiering van Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen. Deze verordening uit 2014 werd na de resolutie van het Europees Parlement van 15 juni 2017 over de financiering van politieke partijen en politieke stichtingen op Europees niveau gewijzigd. In de resolutie bracht het Parlement tekortkomingen onder de aandacht met betrekking tot de graad van medefinanciering en de mogelijkheid voor leden van het Europees Parlement om lid van verschillende partijen te zijn, omdat het Parlement het belangrijk vindt dat overheidsgeld bij de financiering van Europese politieke partijen en politieke stichtingen naar behoren wordt besteed. Dit leidde tot de vaststelling van Verordening (EU, Euratom) 2018/673 van het Europees Parlement en de Raad van 3 mei 2018.

Recente gebeurtenissen hebben laten zien dat online-communicatie risico’s met zich meebrengt voor verkiezingsprocessen en voor de democratie (doordat persoonsgegevens in de context van verkiezingen gemanipuleerd kunnen worden). Om onrechtmatig gebruik van persoonsgegevens te voorkomen, is de verordening betreffende het statuut en de financiering van Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen van 2014 opnieuw gewijzigd (Verordening (EU, Euratom) 2019/493 van het Europees Parlement en de Raad van 25 maart 2019 tot wijziging van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 wat betreft een verificatieprocedure in verband met inbreuken op de regels inzake de bescherming van persoonsgegevens in de context van verkiezingen voor het Europees Parlement). De nieuwe regels waartoe het Parlement en de Raad hebben besloten, hebben ten doel het verkiezingsproces te beschermen tegen desinformatiecampagnes via internet waarbij misbruik wordt gemaakt van persoonsgegevens van kiezers, en maken het mogelijk dat sancties worden opgelegd aan Europese politieke partijen of Europese politieke stichtingen die de uitslag van de verkiezingen voor het Europees Parlement bewust hebben beïnvloed of hebben trachten te beïnvloeden door gebruik te maken van een inbreuk op de regels inzake de bescherming van persoonsgegevens.

Op 15 juni 2017 nam het Parlement een resolutie aan over onlineplatforms en de digitale eengemaakte markt, waarin het de Commissie verzocht te onderzoeken of het mogelijk is juridisch in te grijpen om de verspreiding van valse inhoud tegen te gaan. In vervolg hierop publiceerde de Commissie in april 2018 haar mededeling “Bestrijding van online-desinformatie: een Europese benadering” en kwam zij met een praktijkcode desinformatie voor de hele EU, die in september 2018 ondertekend werd door drie onlineplatforms. In december 2018 publiceerde de Commissie een actieplan tegen desinformatie, waarin zij diverse maatregelen voorstelt en onder meer onlineplatforms verzoekt om de in de praktijkcode desinformatie neergelegde toezeggingen snel en doeltreffend gestand te doen en zich met name te richten op maatregelen die dringend zijn met het oog op de Europese verkiezingen, zoals het verwijderen van nepaccounts, het markeren van door bots gegenereerde berichten en het samenwerken met factcheckers en onderzoekers om desinformatie op te sporen en geverifieerde inhoud zichtbaarder te maken. In de aanloop naar de verkiezingen van mei 2019 heeft de Commissie de drie platforms die de praktijkcode desinformatie hebben ondertekend, gevraagd om maandelijks verslag te doen van de maatregelen die zij hebben genomen om de controle op de plaatsing van advertenties te verbeteren, om te zorgen voor transparantie van politieke en thematisch georiënteerde reclame en om nepaccounts en het gebruik van bots met kwaadaardige bedoelingen aan te pakken.

In zijn resolutie van 26 november 2020 over de stand van zaken met betrekking tot het Europees verkiezingsproces pleitte het Parlement ervoor om met het oog op de verbetering van dit proces een aantal elementen te onderzoeken, onder meer in het kader van de Conferentie over de toekomst van Europa:

  • nieuwe stemmethoden op afstand voor burgers tijdens Europese verkiezingen in specifieke of buitengewone omstandigheden,
  • gemeenschappelijke voorschriften voor de toelating van kandidaten en gemeenschappelijke campagne- en financieringsvoorschriften,
  • geharmoniseerde normen voor het passief en actief kiesrecht in alle lidstaten, waarbij onder meer nagedacht zou moeten worden over het verlagen van de minimumleeftijd voor kiezers in alle lidstaten naar 16 jaar,
  • bepalingen inzake afwezigheid van leden, bijvoorbeeld in het geval van zwangerschapsverlof, ouderschapsverlof of ernstige ziekte.

Daarnaast verzocht het Parlement de lidstaten erop toe te zien dat iedereen met stemrecht, met inbegrip van EU-burgers die buiten hun land van herkomst wonen, daklozen en gevangenen die stemrecht hebben uit hoofde van het nationaal recht, dit recht kan uitoefenen.

Herziening van de Verkiezingsakte

Met zijn standpunt van 3 mei 2022 over het voorstel voor een verordening van de Raad betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen gaf het Parlement de aanzet tot herziening van de Verkiezingsakte, met als doel de 27 afzonderlijke verkiezingen en de uiteenlopende regels voor die verkiezingen te vervangen door één Europese verkiezing met gemeenschappelijke minimumnormen. Volgens het systeem dat het Parlement voorstelde, kan elke kiezer twee stemmen uitbrengen: één stem om leden van het Europees Parlement te kiezen in het nationale kiesdistrict en één stem om leden te kiezen voor het EU-brede-kiesdistrict bestaande uit 28 extra zetels. Om een geografisch evenwicht te waarborgen, worden volgens dit systeem de lidstaten op basis van bevolkingsaantallen ingedeeld in drie categorieën. De kandidatenlijsten worden vervolgens aldus opgesteld dat de categorieën evenredig vertegenwoordigd zijn. Europese entiteiten, zoals coalities van nationale politieke partijen en/of verenigingen van kiezers of Europese politieke partijen presenteren vervolgens een EU-brede kandidatenlijst.

Daarnaast stelde het Parlement voor:

  • 9 mei aan te wijzen als Europese verkiezingsdag;
  • te bepalen dat iedere burger van de Unie vanaf 18 jaar het recht heeft zich kandidaat te stellen;
  • te bepalen dat voor kiesdistricten met meer dan zestig zetels een drempel moet worden vastgesteld die niet lager mag zijn dan 3,5 %;
  • gelijke toegang tot stemfaciliteiten en stembureaus te waarborgen voor alle burgers, ook personen met een handicap, en maatregelen te nemen om te waarborgen dat per post kan worden gestemd;
  • te bepalen dat gendergelijkheid gewaarborgd moet worden door middel van gebruikmaking van lijsten op basis van het ritssysteem of quota;
  • te bepalen dat burgers bij de verkiezing van de voorzitter van de Commissie moeten kunnen stemmen op een lijsttrekker (Spitzenkandidat) en dat deze lijsttrekkers zich kandidaat moeten kunnen stellen op EU-brede lijsten.

Daarnaast stelde het Parlement voor een Europese verkiezingsautoriteit op te richten, belast met de taak om op het verkiezingsproces toe te zien en te waarborgen dat de nieuwe regels worden nageleefd.

Overeenkomstig artikel 223 VWEU dient dit wetgevingsinitiatief van het Parlement met eenparigheid van stemmen door de Raad te worden goedgekeurd. Vervolgens gaat het terug naar het Parlement, zodat de EP-leden goedkeuring kunnen verlenen. Daarna dient het nog door de lidstaten te worden goedgekeurd overeenkomstig hun onderscheiden grondwettelijke bepalingen. De onderhandelingen met de Raad gaan van start als de lidstaten hun standpunt hebben ingenomen.

 

Ina Sokolska