Intellectuele, industriële en commerciële eigendom

Intellectuele eigendom verwijst naar het geheel van exclusieve rechten op intellectuele scheppingen. Er kunnen twee categorieën worden onderscheiden: industriële eigendom, waaronder uitvindingen (octrooien), merken, tekeningen en modellen van nijverheid en geografische aanduidingen, en auteursrechten, waaronder ook werken van letterkunde en kunst vallen. Sinds de inwerkingtreding van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) in 2009 is de EU uitdrukkelijk bevoegd op het gebied van intellectuele eigendom (artikel 118 VWEU).

Rechtsgrond

De artikelen 114 en 118 VWEU.

Doelstellingen

Intellectuele-eigendomsrechten (IER) worden geregeld in verschillende nationale wetten, maar vallen ook onder de Europese wetgeving. In artikel 118 VWEU wordt bepaald dat het Parlement en de Raad in het kader van de totstandbrenging en de werking van de interne markt volgens de gewone wetgevingsprocedure de maatregelen vaststellen voor de invoering van EU-recht inzake intellectuele eigendom, om een eenvormige bescherming van deze rechten in de hele Unie te bewerkstelligen, alsmede maatregelen voor de instelling van op het niveau van de Unie gecentraliseerde machtigings-, coördinatie- en controleregelingen. De wetgeving van de Europese Unie op dit gebied heeft met name ten doel bepaalde specifieke aspecten van IER te harmoniseren door middel van de invoering van één Europees stelsel, zoals ook bestaat voor EU-merken en modellen en voor octrooien. Het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) is verantwoordelijk voor het beheer van EU-merken en modellen.

Resultaten

A. Harmonisatie van wetgeving

1. Merken, tekeningen en modellen

In de EU is het rechtskader voor handelsmerken gebaseerd op een systeem van vier niveaus voor merkregistratie, dat bestaat naast de nationale merksystemen die zijn geharmoniseerd via de merkenrechtrichtlijn (Richtlijn (EU) 2015/2436 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2015 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten). Uniemerken vormen een eenheid en zijn in de hele Unie geldig. Naast het nationale traject zijn de mogelijke trajecten voor merkbescherming in de EU het Benelux-traject, het Uniemerk, dat in 1994 werd ingevoerd, en het internationale traject. Verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 inzake het Uniemerk codificeert en vervangt alle eerdere Europese wetgeving inzake merkbescherming. De wetgeving inzake merkbescherming werd voor 2017 herhaaldelijk en ingrijpend gewijzigd. De codificatie van 2017 was bedoeld om te zorgen voor meer duidelijkheid en transparantie. De verordening inzake het Uniemerk vervangt de verschillende handelingen die erin zijn verwerkt, maar laat de inhoud van de handelingen die worden gecodificeerd onverlet. In een bijlage bij de verordening worden ook de bedragen vastgelegd die aan het EUIPO moeten worden betaald. De bedragen van deze taksen werden zodanig vastgesteld dat de daaruit voortvloeiende inkomsten de kosten van het EUIPO zouden dekken en dat het Uniemerkenstelsel en de nationale merkenstelsels elkaar zouden aanvullen.

Richtlijn 98/71/EG van 13 oktober 1998 heeft de nationale wetgevingen inzake de rechtsbescherming van tekeningen en modellen dichter bij elkaar gebracht. Met Verordening (EG) nr. 6/2002 van de Raad van 12 december 2001 (als gewijzigd) is een communautair systeem voor de bescherming van tekeningen en modellen ingevoerd. Besluit 2006/954/EG van de Raad en Verordening (EG) nr. 1891/2006 van de Raad, beide van 18 december 2006, koppelen het stelsel van de Unie van de tekeningen en modellen aan het stelsel van de internationale registratie van tekeningen en modellen van nijverheid van de Wereldorganisatie voor de intellectuele eigendom (WIPO).

2. Auteursrecht en naburige rechten

Met auteursrecht wordt gewaarborgd dat auteurs, componisten, artiesten, filmmakers en anderen op een vergoeding en bescherming van hun werken kunnen rekenen. Digitale technologieën hebben de manier waarop creatieve inhoud wordt geproduceerd, verspreid en verkregen, drastisch veranderd.

a. Auteursrecht

Richtlijn 2001/29/EG van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij zorgde ervoor dat de wetgeving inzake auteursrecht en naburige rechten werd aangepast aan de technologische ontwikkelingen. Als gevolg van de buitengewoon snelle ontwikkelingen in de digitale wereld sluit de tekst echter niet meer aan op het digitale landschap van tegenwoordig, bijvoorbeeld op de manier waarop televisie- en radioprogramma’s tegenwoordig worden bekeken en beluisterd. Zo heeft volgens schattingen van Eurostat 49 % van de Europese internetgebruikers in de EU online toegang tot muziek, audiovisuele inhoud en games. Het is daarom nodig dat de auteursrechtenwetgeving in de EU wordt geharmoniseerd ten behoeve van consumenten, makers en bedrijven.

Op grond van Richtlijn (EU) 2019/790 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 inzake auteursrechten en naburige rechten in de digitale eengemaakte markt moeten de lidstaten ervoor zorgen dat rechten op perspublicaties worden beschermd en dat er tegenover het gebruik van inhoud waar auteursrechten op rusten een billijke vergoeding staat. Tot nu toe konden onlineplatforms niet verantwoordelijk worden gehouden voor het gebruik en het uploaden van auteursrechtelijk beschermde inhoud op hun sites. De nieuwe voorschriften gelden niet voor het niet voor commerciële doeleinden uploaden van auteursrechtelijk beschermde inhoud in online encyclopedieën zoals Wikipedia.

Richtlijn (EU) 2019/789 (de “CabSat”- Richtlijn) van 17 april 2019 heeft ten doel het aantal TV- en radioprogramma’s dat online beschikbaar is voor Europese consumenten te verhogen. Gebruikers verwachten steeds vaker dat zij altijd en overal toegang kunnen krijgen tot tv- en radioprogramma’s. Omroeporganisaties bieden daarom naast hun eigen uitzendingen van televisie- en radioprogramma’s steeds meer onlinediensten aan als nevendienst. In de richtlijn wordt het oorsprongslandbeginsel geïntroduceerd, dat bedoeld is ter bevordering van de licentieverlening voor bepaalde diensten (zoals simulcasting en catchupdiensten) die omroeporganisaties online kunnen aanbieden. Om radioprogramma's, nieuws- of actualiteitenprogramma’s op tv, alsook volledig door omroeporganisaties gefinancierde eigen producties online beschikbaar te stellen in alle EU-lidstaten zullen omroeporganisaties auteursrechten in hun EU-lidstaat van vestiging (oftewel het land van oorsprong) kunnen vereffenen.

Richtlijn 2017/1564 van 13 september 2017 inzake bepaalde toegestane vormen van gebruik van bepaalde werken en ander materiaal die door het auteursrecht en naburige rechten beschermd zijn ten behoeve van personen die blind zijn, visueel gehandicapt of anderszins een leeshandicap hebben, zorgt voor een vlottere toegang tot boeken en andere gedrukte materialen in geschikte vormen en vergemakkelijkt het verkeer ervan op de interne markt.

Verordening (EU) 2017/1128 van 14 juni 2017 betreffende grensoverschrijdende portabiliteit van online-inhoudsdiensten in de interne markt heeft tot doel te verzekeren dat consumenten toegang houden tot films, sportuitzendingen, muziek, e-boeken en games die ze kopen of waarop ze zich abonneren, wanneer ze naar andere EU-lidstaten reizen.

b. De beschermingstermijn van het auteursrecht en naburige rechten

Deze rechten gelden levenslang en tot 70 jaar na de dood van de auteur/maker. Bij Richtlijn 2011/77/EU tot wijziging van Richtlijn 2006/116/EG betreffende de beschermingstermijn van het auteursrecht en van bepaalde naburige rechten werd de beschermingstermijn van de rechten van uitvoerende kunstenaars van geluidsopnames verlengd van 50 tot 70 jaar na vastlegging van de geluidsopname, en voor auteurs van muziek, zoals componisten en tekstschrijvers, tot 70 jaar na hun dood. De termijn van 70 jaar is een internationale norm geworden voor de bescherming van geluidsopnamen. Momenteel hanteren wereldwijd 64 landen een termijn van 70 jaar of langer voor de bescherming van geluidsopnamen.

c. Computerprogramma’s en databanken

Op grond van Richtlijn 91/250/EEG zijn de lidstaten verplicht computerprogramma’s auteursrechtelijke bescherming te bieden als literaire werken in de zin van de Berner Conventie voor de bescherming van werken van letterkunde en kunst. De richtlijn is gecodificeerd bij Richtlijn 2009/24/EG van het Europees Parlement en de Raad. Richtlijn 96/9/EG voorziet in de juridische bescherming van databanken en definieert een databank als “een verzameling van werken, gegevens of andere zelfstandige elementen, systematisch of methodisch geordend, en afzonderlijk met elektronische middelen of anderszins toegankelijk”. In deze richtlijn wordt bepaald dat databanken beschermd worden door zowel het auteursrecht, in geval van een intellectuele schepping, alsook door een recht sui generis dat de investering (van geld, mankracht, inspanningen of energie) in de verkrijging, de controle of de presentatie van de inhoud beschermt.

d. Auteursrechtenorganisaties

Om door het auteursrecht en de naburige rechten beschermd materiaal en aanverwante diensten te kunnen verspreiden, moet men beschikken over een licentie van de verschillende houders van dergelijke rechten. Rechthebbenden vertrouwen hun rechten toe aan een rechtenbeheerorganisatie, die deze rechten namens hen beheert. Tenzij de collectieve beheerorganisatie objectief gerechtvaardigde redenen heeft om het beheer te weigeren, is zij verplicht dergelijke rechten te beheren. Rechthebbenden zijn vrij om het beheer van hun rechten toe te vertrouwen aan onafhankelijke beheerentiteiten. Dit zijn commerciële entiteiten die verschillen van collectieve beheerorganisaties omdat zij onder meer geen eigendom zijn van of onder zeggenschap staan van houders van auteursrechten. Op 26 februari 2014 hebben het Europees Parlement en de Raad Richtlijn 2014/26/EU betreffende het collectieve beheer van auteursrechten en naburige rechten en de multiterritoriale licentieverlening van rechten inzake muziekwerken voor het onlinegebruik op de interne markt vastgesteld, met daarin voorschriften voor collectieve beheerorganisaties die ten doel hebben strenge normen inzake bestuur, financieel beheer, transparantie en verslaglegging te waarborgen. De richtlijn moet ervoor zorgen dat houders van auteursrechten inspraak hebben in het beheer van hun rechten en dat collectieve beheerorganisaties door middel van EU-normen beter gaan functioneren.

De lidstaten dienen ervoor te zorgen dat collectieve beheerorganisaties handelen in het belang van de rechthebbenden wier rechten zij vertegenwoordigen en dat zij geen verplichtingen opleggen die objectief beschouwd niet noodzakelijk zijn voor de bescherming van de rechten en belangen van de rechthebbenden of voor het doeltreffende beheer van deze rechten.

3. Octrooien

Een octrooi is een juridische titel die kan worden verleend voor iedere uitvinding van technische aard, mits deze nieuw is, op uitvinderswerkzaamheid berust en industrieel kan worden toegepast. Door het octrooi krijgt de eigenaar ervan het recht anderen te beletten de uitvinding in kwestie te vervaardigen, te gebruiken of te verkopen zonder dat hij toestemming heeft verleend. Octrooien moedigen bedrijven aan de noodzakelijke investeringen voor innovatie te doen en geven personen en bedrijven een impuls om middelen aan te wenden voor onderzoek en ontwikkeling. In Europa kunnen technische uitvindingen beschermd worden ofwel door nationale octrooien, verleend door de bevoegde nationale autoriteiten, ofwel door een Europees octrooi dat centraal verleend wordt door het Europees Octrooibureau (EOB). Dit is de uitvoerende tak van de Europese Octrooiorganisatie, waaraan momenteel 38 staten verbonden zijn, maar waarvan de EU zelf geen lid is.

Na jarenlange discussies tussen de EU-lidstaten hebben het Parlement en de Raad in 2012 de rechtsgrond vastgesteld voor een Europees octrooi met eenheidswerking (eenheidsoctrooi). Middels een internationale overeenkomst wordt bijgevolg een gespecialiseerd stelsel voor octrooigeschillenbeslechting ingesteld.

Na de uitspraken van het Hof van Justitie van 5 mei 2015 in de zaken C-146/13 en C-147/13, waarin het pakket “eenheidsoctrooi” werd bekrachtigd, is de weg vrij voor een daadwerkelijk Europees octrooi. Het oude stelstel blijft naast het nieuwe stelsel bestaan totdat het eengemaakte octrooigerecht (UPC) definitief is ingesteld.

Een door het EOB verleend eenheidsoctrooi biedt een eenvormige bescherming met dezelfde werking in alle deelnemende landen. Bedrijven zullen de keuze hebben om hun uitvindingen in alle EU-lidstaten met één eenheidsoctrooi te beschermen. Het zal voor bedrijven ook mogelijk worden om in een enkele rechtszaak voor het eengemaakte octrooigerecht eenheidsoctrooien te betwisten of te verdedigen. Aanvankelijk werd voorgesteld dat het gerecht zijn hoofdzetel zou hebben in Parijs, met afdelingen in Londen en München. Dat zou tot een gestroomlijnd stelsel moeten leiden en de vertaalkosten zo laag mogelijk moeten houden. Na de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de EU bestaat er echter ernstige twijfel over de vraag of een land dat geen EU-lidstaat is, partij kan zijn bij de Overeenkomst betreffende een eengemaakt octrooigerecht (UPCA). Bovendien staat in de tekst van deze overeenkomst duidelijk dat het primaat van het Unierecht moet worden geëerbiedigd (artikel 20 UPCA) en dat de beslissingen van het Europees Hof van Justitie bindend zijn voor het UPC, waaruit voortvloeit dat zij ook bindend zijn voor het Verenigd Koninkrijk.

4. Bedrijfsgeheimen

De praktijk van vertrouwelijke behandeling van informatie bestaat al eeuwenlang. Rechtsinstrumenten ten behoeve van de bescherming van bedrijfsgeheimen, al dan niet omschreven als onderdeel van de intellectuele-eigendomsrechten, bestaan in veel landen. Het beschermingsniveau voor vertrouwelijke informatie kan niet vergeleken worden met andere gebieden van intellectuele-eigendomsrecht zoals octrooirecht, auteursrecht of merkenrecht. De bescherming van handelsgeheimen varieert namelijk meer van land tot land dan andere gebieden van IER-wetgeving. Hetzelfde geldt voor de invalshoek die voor deze bescherming gekozen wordt. Het rechtskader is een lappendeken, maar sinds 2016 is er een EU-rechtskader, namelijk Richtlijn (EU) 2016/943 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van niet-openbaar gemaakte knowhow en bedrijfsinformatie (bedrijfsgeheimen) tegen het onrechtmatig verkrijgen, gebruiken en openbaar maken daarvan.

5. Kwekersrechten als intellectuele-eigendomsrechten

Wettelijke bescherming van plantenrassen, ook wel genoemd “kwekersbescherming” beschermt de rechten van kwekers van nieuwe plantenrassen. De EU-regeling voor de bescherming van plantenrassen, die gebaseerd is op de beginselen van het Internationaal Verdrag tot bescherming van kweekproducten (de Akte van Genève uit 1991), draagt bij aan de ontwikkeling van de landbouw en tuinbouw. De regels voor de rechtsbescherming van kweekproducten zijn neergelegd in EU-wetgeving. Op grond van deze regels kunnen op nieuwe plantenrassen intellectuele-eigendomsrechten worden gevestigd. Het Communautair Bureau voor plantenrassen legt deze wetgeving ten uitvoer.

6. Geografische aanduidingen

Op grond van het stelsel van intellectuele-eigendomsrechten van de EU kunnen benamingen van streekproducten aangemerkt worden als “beschermde geografische aanduiding”. Een dergelijke aanduiding beschermt het product (in de EU en in landen buiten de EU waarmee een beschermingsovereenkomst is gesloten) tegen misbruik van de geregistreerde naam en tegen namaak. Producten kunnen deze status krijgen als er een duidelijk verband is tussen het product en de streek waar het wordt gemaakt. Een beschermde geografische aanduiding zorgt ervoor dat de consumenten duidelijkheid hebben over de herkomst van producten, en dat zij kwaliteitsproducten gemakkelijker kunnen herkennen. Voor producenten heeft de geografische aanduiding het voordeel dat hun marktpositie erdoor verbetert. Geografische aanduidingen spelen als vorm van intellectuele-eigendomsrechten een steeds belangrijker rol bij handelsbesprekingen tussen de EU en andere landen.

7. Bestrijding van namaak

Volgens schattingen is de invoer van namaakgoederen en door piraterij verkregen goederen in de EU goed voor een bedrag van circa 85 miljard EUR, wat neerkomt op 5 % van de totale invoer. Met een bedrag van 338 miljard EUR is de handel in door piraterij verkregen goederen goed voor 2,5 % van de handel wereldwijd, wat een aanzienlijke schadepost is voor rechthebbenden, regeringen en economieën.

Verschillen tussen de lidstaten m.b.t. de strafbaarstelling van namaak en piraterij zorgden ervoor dat dit fenomeen niet doeltreffend kon worden bestreden. Om die reden hebben het Parlement en de Raad als een eerste stap de Richtlijn 2004/48/EG betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten vastgesteld. Deze richtlijn heeft tot doel de bestrijding van piraterij en namaak te intensiveren door middel van onderlinge aanpassing van nationale wetgevingen, om zodoende een hoog, gelijkwaardig en homogeen beschermingsniveau van intellectuele eigendom in de interne markt te waarborgen. De richtlijn voorziet in civiel- en bestuursrechtelijke maatregelen, procedures en rechtsmiddelen. Verordening (EU) nr. 608/2013 inzake de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten door de douane bevat procedurele regels voor douaneautoriteiten, gericht op de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten met betrekking tot goederen die onderworpen zijn aan douanetoezicht of douanecontrole.

B. De theorie van de “uitputting” van rechten

1. Definitie

Deze theorie houdt in dat de rechthebbende van industriële of intellectuele eigendom die krachtens het recht van een lidstaat wordt beschermd, geen beroep op dat recht kan doen om “de invoer of het in de handel brengen van producten te verhinderen die in een andere lidstaat in het verkeer zijn gebracht”. Deze hoofdregel geldt voor alle soorten industriële eigendom.

2. Beperkingen

De theorie van de uitputting van EU-rechten is niet van toepassing bij het in de handel brengen van namaakproducten of het in de handel brengen van producten buiten de Europese Economische Ruimte (artikel 6 van de Overeenkomst inzake de handelsaspecten van de intellectuele eigendom (TRIPS)). In 1999 oordeelde het Hof in de zaak Sebago Inc. en Ancienne Maison Dubois & Fils SA tegen G-B Unic SA (zaak C-173/98) dat het de lidstaten niet is toegestaan om in hun nationaal recht de uitputting van de aan het merk verbonden rechten vast te stellen voor producten die in derde landen in de handel zijn gebracht.

3. Belangrijkste wetgeving op dit gebied

  • Richtlijn 2006/115/EG van het Europees Parlement de Raad van 12 december 2006 betreffende het verhuurrecht, het uitleenrecht en bepaalde naburige rechten op het gebied van intellectuele eigendom;
  • Richtlijn 93/83/EEG van de Raad van 27 september 1993 tot coördinatie van bepaalde voorschriften betreffende het auteursrecht en naburige rechten op het gebied van de satellietomroep en de doorgifte via de kabel;
  • Richtlijn 2001/84/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 september 2001 betreffende het volgrecht ten behoeve van de auteur van een oorspronkelijk kunstwerk.

C. Recente rechtspraak van het Hof van Justitie

In 2012 bekrachtigde het Hof in de zaak SAS Institute Inc. (zaak C-406/10) dat overeenkomstig Richtlijn 91/250/EEG alleen de uitdrukkingswijze van een computerprogramma door het auteursrecht wordt beschermd, en dat de ideeën en beginselen waaruit de logica, de algoritmen en de programmeertalen zijn opgebouwd, niet uit hoofde van deze richtlijn worden beschermd (punt 32 van het arrest). Het Hof benadrukte dat noch de functionaliteit van een computerprogramma noch de programmeertaal en de indeling van gegevensbestanden die in het kader van een computerprogramma worden gebruikt om functies daarvan te benutten, een uitdrukkingswijze van dit computerprogramma vormen in de zin van artikel 1, lid 2, van Richtlijn 91/250/EEG (punt 39).

In zijn arrest in zaak C-160/15 GS Media BV tegen Sanoma Media Netherlands BV bepaalde het Hof dat het plaatsen, op een website, van een hyperlink naar beschermde werken die zonder toestemming van de auteursrechthebbende vrij beschikbaar zijn op een andere website, geen “mededeling aan het publiek” vormt wanneer de persoon die die link plaatst geen winstoogmerk heeft en geen kennis heeft van het illegale karakter van de publicatie van deze werken.

In zijn arrest in zaak C-484/14 van 15 september 2016 bepaalde het Hof dat het gratis ter beschikking van het publiek stellen van een wifinetwerk een “dienst van de informatiemaatschappij” vormt als bedoeld in Richtlijn 2000/31/EG, wanneer deze dienst door de betrokken dienstverlener wordt verricht om reclame te maken voor door hem verkochte goederen of aangeboden diensten, en bekrachtigde het Hof dat een dienstverlener die toegang verschaft tot een communicatienetwerk onder bepaalde voorwaarden niet aansprakelijk is. Gevolg daarvan is dat auteursrechthebbenden van die dienstverlener geen schadevergoeding kunnen vorderen op grond dat de toegang tot dat netwerk door derden is gebruikt om inbreuk te maken op hun rechten. Beveiliging van het netwerk met een wachtwoord waarborgt een evenwicht tussen enerzijds de intellectuele-eigendomsrechten van de rechthebbenden en anderzijds de vrijheid van ondernemerschap van aanbieders van internettoegang en de vrijheid van informatie van de gebruikers van het netwerk.

Rol van het Europees Parlement

Intellectuele eigendom levert toegevoegde waarde op voor het Europese bedrijfsleven en de Europese economie. De uniforme bescherming die geboden wordt en de handhaving daarvan dragen bij aan de bevordering van innovatie en economische groei. Het Parlement streeft daarom naar harmonisatie van het recht inzake intellectuele eigendom door middel van invoering van één Europees stelsel naast de nationale stelsels, zoals ook het geval is bij het Uniemerk en de Unietekening en het Europese eenheidsoctrooi.

Het Parlement heeft in verschillende resoluties over intellectuele eigendom, met name over rechtsbescherming van databanken, biotechnologische uitvindingen en auteursrechten, gepleit voor de geleidelijke harmonisatie van intellectuele-eigendomsrechten. Overigens heeft het Parlement zich verzet tegen het octrooieren van delen van het menselijk lichaam. Op 27 februari 2014 heeft het Parlement een resolutie over heffingen voor kopiëren voor privégebruik aangenomen (over het recht om kopieën voor privégebruik te maken van legaal verworven inhoud), aangezien digitaal kopiëren voor privégebruik door de technologische vooruitgang sterk aan economisch belang heeft gewonnen. Het Parlement heeft eveneens een zeer actieve rol gespeeld bij het opstellen van het WIPO-verdrag inzake uitzonderingen op het auteursrecht voor visueel gehandicapten (het “Verdrag van Marrakesh”).

Ter voorbereiding op de herziening van de EU-regelgeving inzake auteursrecht (zie A.2.a) heeft het Parlement in september 2018 een verslag aangenomen met daarin een aantal belangrijke aanbevelingen over alle kwesties die momenteel spelen. Tijdens het hele wetgevingsproces was er een verhit publiek debat gaande over artikel 11 en artikel 13 van de ontwerprichtlijn inzake auteursrecht in de digitale eengemaakte markt. Dit debat bereikte een hoogtepunt toen het Parlement in een stemming de inspanningen steunde om een nieuw recht te creëren voor media-uitgevers om geld te verdienen aan inhoud op bepaalde grote nieuwsplatforms, alsook een nieuw recht om het opsporen van schendingen van auteursrechten op internet te vergemakkelijken. De creatieve sector juichte deze voorstellen toe, terwijl technologiebedrijven er fel op tegen waren. Uiteindelijk werd er overeenstemming bereikt en werd Richtlijn (EU) 2019/790 inzake auteursrechten en naburige rechten in de digitale eengemaakte markt vastgesteld, waarbij het standpunt van het Parlement wederom toonaangevend was.

 

Udo Bux