Intellectuele, industriële en commerciële eigendom
Alle exclusieve rechten op intellectuele scheppingen vallen onder het begrip intellectuele eigendom. Het omvat twee categorieën intellectuele-eigendomsrechten: het recht op industriële eigendom, waaronder uitvindingen (octrooien), merken, tekeningen en modellen van nijverheid en geografische aanduidingen; en auteursrechten, waaronder artistieke en literaire eigendom. Sinds de inwerkingtreding van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) in 2009 is de EU op grond van artikel 118 VWEU uitdrukkelijk bevoegd op het gebied van intellectuele-eigendomsrechten.
Rechtsgrond
De artikelen 114 en 118 VWEU.
Doelstellingen
Intellectuele-eigendomsrechten zijn weliswaar onderworpen aan verschillende internationale en nationale wetten, maar ook aan EU-wetgeving. Zo is er in artikel 118 VWEU bepaald dat het Parlement en de Raad, in het kader van de totstandbrenging en de werking van de interne markt, volgens de gewone wetgevingsprocedure de maatregelen vaststellen voor de invoering van EU-wetgeving op het gebied van intellectuele-eigendomsrechten om een eenvormige bescherming van de intellectuele eigendomsrechten in de hele Unie te bewerkstelligen, en voor de instelling van op het niveau van de Unie gecentraliseerde machtigings-, coördinatie- en controleregelingen. De wetgevingswerkzaamheden van de EU bestaan voornamelijk uit het harmoniseren van bepaalde specifieke aspecten van intellectuele-eigendomsrechten door het invoeren van een eigen stelsel. Dit is bijvoorbeeld het geval voor EU-merken en -modellen, en sinds 2023 ook voor octrooien. Veel EU-instrumenten zijn een weerspiegeling van de internationale verplichtingen van de lidstaten uit hoofde van de Conventie van Bern, het Verdrag van Rome, de Overeenkomst van de Wereldhandelsorganisatie inzake de handelsaspecten van de intellectuele eigendom (Trips-overeenkomst) en de internationale verdragen van de Wereldorganisatie voor de intellectuele eigendom (WIPO) van 1996.
Resultaten
A. Harmonisering van de wetgeving
1. Merken, tekeningen en modellen
In de EU is het rechtskader voor merken gebaseerd op een stelsel van vier niveaus voor merkregistratie, dat bestaat naast de nationale merkenstelsels die zijn geharmoniseerd via de merkenrechtrichtlijn (Richtlijn (EU) 2015/2436 van 16 december 2015 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten). In aanvulling op het nationale traject zijn de mogelijke trajecten voor merkbescherming in de EU het Benelux-traject, het in 1994 ingevoerde Uniemerk, en het internationale traject. In Verordening (EU) 2017/1001 van 14 juni 2017 inzake het Uniemerk worden alle eerdere verordeningen van de EG over het Uniemerk gecodificeerd en vervangen. Tot codificatie is overgegaan ter wille van de duidelijkheid, omdat het Uniemerkenstelsel al herhaaldelijk en ingrijpend was gewijzigd. Het Uniemerk vormt een eenheid en heeft dezelfde rechtsgevolgen in de gehele EU. Het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) is verantwoordelijk voor het beheer van EU-merken en -modellen. In de verordening inzake het Uniemerk zijn ook de bedragen vastgesteld van de taksen die moeten worden betaald aan het EUIPO. Deze bedragen zijn zodanig vastgesteld dat met de daaruit voortvloeiende inkomsten de kosten van het EUIPO worden gedekt en zij een aanvulling vormen op de bestaande nationale merkenstelsels.
Met Verordening (EG) nr. 6/2002 van de Raad van 12 december 2001 (als gewijzigd) is een gemeenschapsstelsel voor de bescherming van tekeningen en modellen ingevoerd. De afgelopen jaren heeft de EU haar wetgevingskader inzake modellen gemoderniseerd: daartoe heeft zij in 2024 een hervormingspakket aangenomen om de bescherming van modellen te versterken en te harmoniseren, hetgeen ten goede komt aan onafhankelijke ontwerpers, kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s) en sectoren waarin modellen een belangrijke rol spelen. De EU-modellenverordening (Verordening (EU) 2024/2822) is op 1 mei 2025 in werking getreden en heeft tot doel ervoor te zorgen dat het stelsel voor de bescherming van modellen aangepast is aan het digitale tijdperk: daartoe werden de begrippen en definities uitgebreid, zodat zij beter aangepast zijn aan de huidige en toekomstige omstandigheden. De verordening heeft tot doel de toegankelijkheid, doeltreffendheid en betaalbaarheid van de stelsels voor de bescherming van modellen te verbeteren door de procedures voor kmo’s en ontwerpintensieve sectoren te vereenvoudigen en het niveau en de structuur van de te betalen vergoedingen te optimaliseren.
Richtlijn (EU) 2024/2823 inzake de rechtsbescherming van modellen heeft tot doel ervoor te zorgen dat het stelsel voor modelbescherming wordt aangepast aan het digitale tijdperk (in het bijzonder aan de opkomst van 3D-printers) en aanzienlijk toegankelijker en doeltreffender wordt door de kosten te verlagen, procedures te vereenvoudigen zodat ze sneller en voorspelbaarder worden, en de rechtszekerheid te vergroten. De lidstaten dienen de richtlijn vóór 9 december 2027 om te zetten in hun nationale rechtsstelsels.
Besluit 2006/954/EG van de Raad en Verordening (EG) nr. 1891/2006 van de Raad, beide van 18 december 2006, hebben het EU-stelsel voor de inschrijving van tekeningen en modellen gekoppeld aan het stelsel voor de internationale inschrijving van tekeningen en modellen van nijverheid van de WIPO.
2. Auteursrecht en naburige rechten
Met het auteursrecht wordt gewaarborgd dat auteurs, componisten, artiesten, filmmakers en anderen een vergoeding voor hun werk ontvangen en aanspraak kunnen maken op bescherming van hun werk. Het gebruik van digitale technologieën heeft de manier waarop creatieve inhoud wordt geproduceerd, verspreid en toegankelijk gemaakt, ingrijpend veranderd. De EU-wetgeving inzake auteursrecht bestaat uit 13 richtlijnen en twee verordeningen die de essentiële rechten van auteurs, uitvoerend kunstenaars, producenten en omroeporganisaties harmoniseren. Door bepaalde EU-normen vast te stellen, worden nationale verschillen kleiner, wordt een beschermingsniveau gewaarborgd dat nodig is om creativiteit en investeringen in creativiteit te stimuleren, wordt culturele diversiteit bevorderd en krijgen consumenten en bedrijven gemakkelijker toegang tot digitale inhoud en diensten in de hele interne markt.
a. Auteursrecht
De EU-auteursrechtrichtlijn (Richtlijn (EU) 2019/790) van 17 april 2019 voorziet in geharmoniseerde wetgeving inzake auteursrecht in de hele EU voor consumenten, makers en bedrijven. De richtlijn kent een aanvullend auteursrecht toe aan persuitgevers en een billijke vergoeding voor auteursrechtelijk beschermde inhoud. Tot nu toe konden onlineplatforms niet verantwoordelijk worden gehouden als ze auteursrechtelijk beschermde inhoud gebruikten en uploadden op hun websites. De nieuwe voorschriften zullen niet van toepassing zijn als er auteursrechtelijk beschermde inhoud voor niet-commerciële doeleinden wordt geüpload in online encyclopedieën zoals Wikipedia. Richtlijn (EU) 2019/789 (de CabSat-richtlijn) is erop gericht meer tv- en radioprogramma’s online beschikbaar te maken voor consumenten in de EU. In deze richtlijn wordt het oorsprongslandbeginsel geïntroduceerd, dat bedoeld is ter bevordering van de licentieverlening voor bepaalde diensten (zoals simulcasting en catchupdiensten) die omroeporganisaties online kunnen aanbieden. Omroeporganisaties moeten in hun EU-lidstaat van vestiging (het oorsprongsland) auteursrechtelijke toestemming verkrijgen om radioprogramma’s, nieuws- of actualiteitenprogramma’s op televisie en volledig door henzelf gefinancierde eigen producties online beschikbaar te stellen in alle lidstaten.
Dankzij Richtlijn (EU) 2017/1564 van 13 september 2017 is het toegestaan om door het auteursrecht en naburige rechten beschermde werken en ander materiaal te gebruiken, in bepaalde vormen en in geschikte formaten, ten behoeve van personen die blind zijn, visueel gehandicapt of anderszins een leeshandicap hebben.
De verordening betreffende grensoverschrijdende portabiliteit van online-inhoudsdiensten (Verordening (EU) 2017/1128) moet ervoor zorgen dat consumenten tot de films, sportuitzendingen, muziek, e-boeken en games die ze hebben gekocht of waarop ze geabonneerd zijn ook toegang hebben als ze naar andere EU-lidstaten reizen.
b. Beschermingstermijn van het auteursrecht en naburige rechten
Deze rechten gelden levenslang en tot zeventig jaar na het overlijden van de auteur/maker. Via de richtlijn betreffende de beschermingstermijn van het auteursrecht van 2011 (Richtlijn 2011/77/EU tot wijziging van Richtlijn 2006/116/EG betreffende de beschermingstermijn van het auteursrecht en van bepaalde naburige rechten) werd de beschermingstermijn van de auteursrechten van uitvoerende kunstenaars voor geluidsopnamen verlengd van vijftig tot zeventig jaar na de opname. Voor auteurs van muziek, zoals componisten en tekstschrijvers, werd deze termijn verlengd tot zeventig jaar na hun overlijden. De termijn van zeventig jaar is een internationale norm geworden voor de bescherming van geluidsopnamen. Vandaag de dag beschermen wereldwijd 64 landen geluidsopnamen voor zeventig jaar of langer.
c. Computerprogramma’s en databanken
Krachtens de richtlijn betreffende de rechtsbescherming van computerprogramma’s (Richtlijn 2009/24/EG) moeten de lidstaten computerprogramma’s auteursrechtelijk beschermen als literaire werken in de zin van de Conventie van Bern voor de bescherming van werken van letterkunde en kunst. Daarnaast voorziet Richtlijn 96/9/EG (de databankrichtlijn) in de rechtsbescherming van databanken. In deze richtlijn wordt een databank gedefinieerd als “een verzameling van werken, gegevens of andere zelfstandige elementen, systematisch of methodisch geordend, en afzonderlijk met elektronische middelen of anderszins toegankelijk”. Daarnaast is in de richtlijn bepaald dat databanken beschermd worden door zowel het auteursrecht, in geval van een intellectuele schepping, als het recht sui generis, waarbij investeringen (geld, personeel, moeite en energie) in de verkrijging, de controle of de presentatie van de inhoud worden beschermd.
De dataverordening (Verordening (EU) 2023/2854 betreffende geharmoniseerde regels inzake eerlijke toegang tot en eerlijk gebruik van data en tot wijziging van Verordening (EU) 2017/2394 en Richtlijn (EU) 2020/1828) heeft tot doel regels vast te stellen voor het delen van data die zijn gegenereerd door het gebruik van verbonden producten of gerelateerde diensten (bv. het internet der dingen, industriële machines). Deze verordening vereist de openbaarmaking en publicatie van data die kunnen worden beschermd door bedrijfsgeheimen, auteursrechten of andere intellectuele-eigendomsrechten van de datahouder of een derde, en biedt gebruikers toegang tot de data die zij genereren. De verordening voorziet ook in nieuwe regels waarin nader wordt bepaald wie toegang heeft tot en gebruik kan maken van data die in de EU in alle economische sectoren zijn gegenereerd.
Op 30 mei 2022 hebben het Parlement en de Raad de datagovernanceverordening (Verordening (EU) 2022/868 betreffende Europese datagovernance en tot wijziging van Verordening (EU) 2018/1724) aangenomen, waarmee mechanismen worden ingevoerd om het hergebruik van bepaalde categorieën beschermde overheidsgegevens te vergemakkelijken, het vertrouwen in databemiddelingsdiensten te versterken en data-altruïsme in de hele EU te bevorderen.
Het voorgestelde “Omnibus VII”-pakket heeft tot doel de digitale regelgeving van de EU, zoals de dataverordening en de datagovernanceverordening, te vereenvoudigen en te consolideren. Een van de belangrijkste punten van de digitale omnibusverordening, die de Commissie op 19 november 2025 heeft voorgesteld, is de harmonisatie van interfaces met de dataverordening en de datagovernanceverordening. Met deze herziening moet worden gezorgd voor een consistente basis voor de Europese data-economie, waarin gegevensbescherming en innovatie worden gecombineerd. Door de regels te consolideren en de terminologie te standaardiseren moet de complexiteit worden verminderd.
d. Verhuur- en uitleenrecht
Richtlijn 2006/115/EG van 12 december 2006 betreffende het verhuurrecht, het uitleenrecht en bepaalde naburige rechten op het gebied van intellectuele eigendom (richtlijn verhuur- en uitleenrecht) was het eerste wetgevingsinstrument van de EU betreffende auteursrechten met een horizontale aanpak. Deze richtlijn introduceert een niet voor afstand vatbaar recht op vergoeding, aangezien het creatieve en artistieke werk van auteurs en uitvoerende kunstenaars een toereikend inkomen vereist als basis voor verder creatief en artistiek werk, en de vereiste investeringen voor de productie van fonogrammen en films bijzonder hoog zijn.
e. Auteursrechtenorganisaties
Om materiaal te kunnen verspreiden dat door het auteursrecht en naburige rechten wordt beschermd, moet men beschikken over een licentie van de verschillende houders van dergelijke rechten. Rechthebbenden kunnen hun rechten toevertrouwen aan een auteursrechtenorganisatie, die deze rechten namens hen beheert. Een collectieve beheerorganisatie is verplicht die rechten te beheren, tenzij er gegronde redenen zijn om dit te weigeren. In de richtlijn betreffende het collectieve beheer van auteursrechten en naburige rechten (Richtlijn 2014/26/EU betreffende het collectieve beheer van auteursrechten en naburige rechten en de multiterritoriale licentieverlening van rechten inzake muziekwerken voor het online gebruik ervan op de interne markt) zijn voorschriften vastgelegd voor collectieve beheerorganisaties, met het oog op het waarborgen van hoge normen voor bestuur, financieel beheer, transparantie en verslaglegging. Doel is ervoor te zorgen dat houders van rechten inspraak hebben in het beheer van hun rechten en dat collectieve beheerorganisaties beter gaan functioneren door middel van EU-brede normen. De lidstaten moeten erop toezien dat collectieve beheerorganisaties de belangen van de rechthebbenden van wie zij de rechten vertegenwoordigen, zo goed mogelijk behartigen.
3. Octrooien
Een octrooi is een juridische titel die kan worden verleend voor iedere uitvinding van technische aard, mits deze nieuw is, op uitvinderswerkzaamheid berust en industrieel kan worden toegepast. Met een octrooi kan de eigenaar voorkomen dat anderen een uitvinding zonder toestemming vervaardigen, gebruiken of verkopen. Via octrooien worden bedrijven aangemoedigd de nodige investeringen in innovatie te doen en worden personen en bedrijven ertoe aangezet om middelen te besteden aan onderzoek en ontwikkeling. In Europa kunnen technische uitvindingen op twee manieren worden beschermd: ofwel via nationale octrooien die worden verleend door de bevoegde nationale autoriteiten, ofwel via Europese octrooien die op centraal niveau worden verleend door het Europees Octrooibureau. Dit is de uitvoerende dienst van de Europese Octrooiorganisatie, waar momenteel 39 verdragsluitende staten lid van zijn. De EU zelf is geen lid van deze organisatie.
Na jarenlange gesprekken tussen de lidstaten hebben het Parlement en de Raad in 2012 de rechtsgrond vastgesteld voor een Europees octrooi met eenheidswerking, oftewel een eenheidsoctrooi. Via deze internationale overeenkomst is dus één gespecialiseerd stelsel voor octrooigeschillenbeslechting opgezet.
De bevestiging van het octrooipakket door het Hof van Justitie van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU) van 5 mei 2015 in de zaken C-146/13 en C-147/13 maakte de weg vrij voor een daadwerkelijk Europees octrooi.
Sinds de inwerkingtreding op 1 juni 2023 wordt met het eenheidsoctrooi van de EU, dat door het Europees Octrooibureau wordt verleend, een eenvormige bescherming met identieke rechtsgevolgen in alle deelnemende EU-landen verschaft. Bedrijven hebben de mogelijkheid om hun uitvindingen in alle EU-lidstaten te beschermen met een echt EU-octrooi. Ze zijn ook in staat om eenheidsoctrooien aan te vechten en te verdedigen via één enkele rechtsgang bij het nieuw opgerichte eengemaakt octrooigerecht (UPC). Op die manier wordt het stelsel gestroomlijnd en kan er op vertaalkosten worden bespaard. In artikel 20 van de Overeenkomst betreffende een eengemaakt octrooigerecht (UPCA) is bepaald dat het primaat van het EU-recht moet worden geëerbiedigd en dat de beslissingen van het HvJ-EU bindend zijn voor het UPC. Momenteel is het UPC een gerecht voor 18 lidstaten, dat bestaat uit een Gerecht van eerste aanleg, een Hof van beroep en een griffie. Het Gerecht van eerste aanleg heeft een gedecentraliseerde structuur, met een centrale afdeling in Parijs, een afdeling in München en Milaan, en verschillende regionale en lokale afdelingen in heel Europa. Het Hof van beroep heeft zijn zetel in Luxemburg en oordeelt over de ingestelde beroepen tegen beslissingen van het Gerecht van eerste aanleg en over verzoeken tot nieuwe behandeling van een beslissing van het Gerecht met kracht van gewijsde. Elke kamer van het hof van beroep heeft een multinationale samenstelling van drie juridisch gekwalificeerde rechters en twee technisch gekwalificeerde rechters met kwalificaties en ervaring op het gebied van de betreffende technologie, overeenkomstig artikel 9, lid 1, UPCA.
4. Bedrijfsgeheimen
De praktijk van geheimhouding van bedrijfsinformatie (“knowhow”) gaat eeuwen terug. In veel landen bestaan juridische instrumenten om bedrijfsgeheimen te beschermen, al dan niet omschreven als onderdeel van de intellectuele-eigendomsrechten. Het beschermingsniveau van vertrouwelijke informatie is niet te vergelijken met andere gebieden van het intellectueel-eigendomsrecht, zoals het octrooi-, auteurs- of merkenrecht, maar kan in theorie voor onbepaalde tijd gelden, in plaats van slechts voor een beperkte periode. Er bestaan van land tot land meer verschillen wat betreft de bescherming van bedrijfsgeheimen dan op andere gebieden van het recht inzake intellectuele-eigendomsrechten, en het kan zelfs meer voordelen bieden en goedkoper zijn om daar een beroep op te doen dan formele octrooibescherming aan te vragen. In 2016 werd een richtlijn betreffende de bescherming van bedrijfsgeheimen aangenomen, namelijk Richtlijn (EU) 2016/943 betreffende de bescherming van niet-openbaar gemaakte knowhow en bedrijfsinformatie (bedrijfsgeheimen) tegen het onrechtmatig verkrijgen, gebruiken en openbaar maken daarvan.
5. Intellectuele-eigendomsrechten voor plantenrassen
De bescherming van plantenrassen, ook wel bekend onder de naam “kwekersbescherming” of “kwekersrecht”, is een vorm van intellectuele-eigendomsrecht die wordt verleend aan de kweker van een nieuw plantenras. De EU-regeling voor de bescherming van plantenrassen is gebaseerd op de beginselen van het Internationaal Verdrag tot bescherming van kweekproducten van 1991 en draagt bij aan de ontwikkeling van de land- en tuinbouw. De EU heeft in haar wetgeving een stelsel voor rechtsbescherming van kweekproducten ingesteld, waarmee ze intellectuele-eigendomsrechten kan verlenen aan kwekers van plantenrassen. Het Communautair Bureau voor plantenrassen voert deze regeling uit en past ze toe.
6. Geografische aanduidingen
Op grond van het stelsel van intellectuele-eigendomsrechten voor landbouwproducten van de EU kunnen benamingen van producten geregistreerd worden als geografische aanduiding. Die beschermt het product (in de EU en in landen buiten de EU waarmee een beschermingsovereenkomst is gesloten) tegen namaak en misbruik van de geregistreerde naam. De naam van een product kan als geografische aanduiding worden erkend als er een specifiek verband is met de plaats waar het product wordt gemaakt. De erkenning van die geografische aanduiding zorgt ervoor dat consumenten het product kunnen herkennen en op de kwaliteit ervan kunnen vertrouwen, en dat producenten hun product beter in de markt kunnen zetten. Geografische aanduidingen worden erkend als intellectueel eigendom en spelen een steeds belangrijkere rol bij handelsbesprekingen tussen de EU en andere landen. Zo blijven de Verenigde Staten bezorgd over de bescherming van geografische aanduidingen door de EU, die van invloed is op zowel de bescherming van Amerikaanse merken als de markttoegang voor producten uit de VS die gangbare namen gebruiken op de markten van de EU en van derde landen[1]. In de verordening betreffende geografische aanduidingen voor alcoholische dranken en landbouwproducten (Verordening (EU) 2024/1143 van 11 april 2024 betreffende geografische aanduidingen voor wijn, gedistilleerde dranken en landbouwproducten, evenals gegarandeerde traditionele specialiteiten en facultatieve kwaliteitsaanduidingen voor landbouwproducten) worden producten geïdentificeerd die bepaalde kwaliteiten, kenmerken of een reputatie hebben die toe te schrijven zijn aan door de natuur en de mens bepaalde factoren die verband houden met hun plaats van oorsprong. Producten die in behandeling zijn of als geografische aanduiding zijn erkend, zijn opgenomen in het register van geografische aanduidingen. Op 18 oktober 2023 is een soortgelijke verordening betreffende de bescherming van geografische aanduidingen voor ambachtelijke en industriële producten aangenomen: Verordening (EU) 2023/2411. Hiermee krijgen geografische aanduidingen voor industriële producten die in verband kunnen worden gebracht met het geografische gebied waar zij vervaardigd worden (zoals messen uit Albacete, glas uit de Bohemen en porselein uit Limoges) een soortgelijke bescherming als regionaal geproduceerde voedingsmiddelen of dranken.
Op internationaal niveau is het EUIPO bij het besluit van de Raad inzake de toetreding van de Europese Unie tot de Akte van Genève (Besluit (EU) 2019/1754 van de Raad van 7 oktober 2019 inzake de toetreding van de Europese Unie tot de Akte van Genève bij de Overeenkomst van Lissabon betreffende oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen) aangewezen als de bevoegde autoriteit op het gebied van geografische aanduidingen. De Verenigde Staten blijven zeer bezorgd over het resultaat van de WIPO-onderhandelingen van 2015 over de uitbreiding van de Overeenkomst van Lissabon betreffende de bescherming van oorsprongsbenamingen[2].
7. Bestrijding van namaak
Naar schatting worden in de EU voor een bedrag van circa 85 miljard EUR namaakgoederen en door piraterij verkregen goederen ingevoerd, wat neerkomt op 5 % van de totale invoer. De handel in door piraterij verkregen goederen vormt 2,5 % van de handel wereldwijd, oftewel 338 miljard EUR, wat een aanzienlijke schadepost is voor rechthebbenden, regeringen en economieën.
De verschillen in de nationale regelingen voor sancties tegen namaak en piraterij maakten het voor de lidstaten moeilijk om deze misdrijven doeltreffend te bestrijden. Daarom hebben het Europees Parlement en de Raad als eerste stap een richtlijn betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten vastgesteld (Richtlijn 2004/48/EG). Met deze richtlijn wordt beoogd de strijd tegen piraterij en namaak op te voeren door nationale regelgevingen op elkaar af te stemmen. Op die manier kan een hoog, gelijkwaardig en homogeen beschermingsniveau van de intellectuele-eigendomsrechten in de interne markt worden gegarandeerd. Ook voorziet de richtlijn in civiel- en bestuursrechtelijke maatregelen, procedures en schadeloosstellingen. In Verordening (EU) nr. 608/2013 inzake de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten door de douane zijn procedurele voorschriften voor douaneautoriteiten vastgelegd. Via deze regels moeten de autoriteiten intellectuele-eigendomsrechten handhaven met betrekking tot goederen die onderworpen zijn aan douanetoezicht of douanecontrole.
B. “Uitputting” van rechten
1. Definitie
Dit juridisch begrip (of deze doctrine) is van toepassing op alle gebieden van industriële eigendom en houdt in dat het intellectuele-eigendomsrecht van een product — bijvoorbeeld een octrooi — uitgeput is nadat dit product door de rechthebbende of door anderen met toestemming van de rechthebbende is verkocht. Het HvJ-EU heeft de EU-Verdragen altijd zo uitgelegd dat de aan het intellectueel-eigendomsrecht verbonden rechten binnen de interne markt worden uitgeput door de betreffende goederen in de handel te brengen. Dit kan door de rechthebbende zelf of door anderen die hiervoor toestemming hebben gekregen. De eigenaar van een industrieel of commercieel intellectueel eigendomsrecht dat krachtens het recht van een lidstaat wordt beschermd, kan geen beroep doen op dat recht om de invoer te verhinderen van producten die in een andere lidstaat in de handel zijn gebracht.
2. Beperkingen
“Uitputting” van EU-rechten is niet van toepassing bij het in de handel brengen van namaakproducten of het in de handel brengen van producten buiten de Europese Economische Ruimte (artikel 6 van de Trips-overeenkomst). In 1999 oordeelde het HvJ-EU in de zaak Sebago Inc. en Ancienne Maison Dubois & Fils SA/GB Unic SA (C-173/98) dat de lidstaten niet in hun nationale recht de uitputting van de aan het merk verbonden rechten mogen vaststellen voor producten die in derde landen in de handel zijn gebracht.
3. Wetgeving op dit gebied
De EU-regels over uitputting vloeien grotendeels voort uit de rechtspraak van het HvJ-EU over de uitlegging van artikel 34 VWEU inzake kwantitatieve beperkingen en maatregelen van gelijke werking tussen de lidstaten[3]. Deze rechtspraak komt tot uiting in elk van de relevante onderdelen van het EU-recht met betrekking tot intellectuele-eigendomsrechten.
C. Recente rechtspraak van het HvJ-EU
In 2012 bevestigde het HvJ-EU in de zaak SAS (C-406/10) dat overeenkomstig Richtlijn 91/250/EEG alleen de uitdrukkingswijze van een computerprogramma door het auteursrecht wordt beschermd, en dat de ideeën en beginselen waaruit de logica, de algoritmen en de programmeertalen zijn opgebouwd, niet uit hoofde van die richtlijn worden beschermd (punt 32 van het arrest). Het HvJ-EU benadrukte dat noch de functionaliteit van een computerprogramma, noch de programmeertaal en de indeling van gegevensbestanden die in het kader van een computerprogramma worden gebruikt teneinde de functies daarvan te benutten, een uitdrukkingswijze van dat programma vormen in de zin van artikel 1, lid 2, van Richtlijn 91/250/EEG (punt 39).
In zijn arrest in zaak GS Media BV/Sanoma Media Netherlands BV e.a. (zaak C-160/15) verklaarde het HvJ-EU voor recht dat het op een website plaatsen van een hyperlink naar auteursrechtelijk beschermde werken die zonder toestemming van de auteur op een andere website zijn gepubliceerd, geen “mededeling aan het publiek” vormt als de persoon die de link plaatst geen winstoogmerk heeft en handelt zonder kennis te hebben van het feit dat die werken illegaal zijn gepubliceerd.
In zijn arrest in zaak C-484/14 van 15 september 2016 oordeelde het HvJ-EU dat het gratis ter beschikking stellen van een wifinetwerk aan het publiek om klanten te attenderen op de goederen en diensten van een winkel, een “dienst van de informatiemaatschappij” vormt in de zin van Richtlijn 2000/31/EG, en bevestigt het dat een dienstverlener die toegang tot een communicatienetwerk biedt onder bepaalde voorwaarden niet aansprakelijk is. Als gevolg daarvan kunnen auteursrechthebbenden geen schadevergoeding vorderen op grond van het feit dat het netwerk door derden is gebruikt om inbreuk te maken op hun rechten. Door de internetverbinding te beveiligen met een wachtwoord wordt een evenwicht gewaarborgd tussen enerzijds de intellectuele-eigendomsrechten van de rechthebbenden en anderzijds de vrijheid van ondernemerschap van aanbieders van internettoegang en de vrijheid van informatie van de gebruikers van het netwerk.
In zijn arrest van 8 september 2020 in zaak C-265/19 (Recorded Artists Actors Performers Ltd/Phonographic Performance (Ireland) Ltd) oordeelde het HvJ-EU dat een lidstaat uitvoerende kunstenaars uit derde landen buiten de Europese Economische Ruimte niet het recht op vergoeding mag ontzeggen door zicht te beroepen op de wederkerigheidsclausule van het WIPO-verdrag. Alle producenten van geluidsopnamen en uitvoerende kunstenaars van verdragsluitende partijen bij het WIPO-verdrag inzake uitvoeringen en fonogrammen hebben recht op een billijke vergoeding. Naar aanleiding van het arrest van het HvJ-EU heeft de Commissie op 11 september 2023 een raadpleging geopend over de voorwaarden voor de vergoeding van uitvoerende muziekkunstenaars en platenproducenten uit derde landen voor muziekopnames die in de EU worden gespeeld, vanwege de bezorgdheid van belanghebbenden uit de VS over het inhouden van royalty’s door EU-lidstaten van producenten en uitvoerende kunstenaars uit de VS.
Rol van het Europees Parlement
Intellectuele-eigendomsrechten leveren toegevoegde waarde op voor het bedrijfsleven en de economie van de EU. De eenvormige bescherming en de handhaving ervan dragen bij tot de bevordering van innovatie en economische groei. Daarom streeft het Parlement naar harmonisatie van het recht inzake intellectuele eigendom door naast de nationale stelsels één Europees stelsel in te voeren, zoals ook het geval is bij het Uniemerk, het Uniemodel en het Europese eenheidsoctrooi.
Het Parlement heeft in verschillende resoluties over intellectuele-eigendomsrechten, en dan vooral over rechtsbescherming van databanken, biotechnologische uitvindingen en auteursrechten, gepleit voor de geleidelijke harmonisatie van deze rechten. Verder heeft het Parlement zich uitgesproken tegen het octrooieren van menselijke lichaamsdelen. Op 27 februari 2014 heeft het Parlement een niet-wetgevingsresolutie over heffingen voor kopiëren voor privégebruik aangenomen (het recht om kopieën voor privégebruik te maken van legaal verworven inhoud), aangezien digitaal kopiëren voor privégebruik door de technologische vooruitgang sterk aan economisch belang heeft gewonnen. Ook heeft het Parlement een zeer actieve rol gespeeld bij de opstelling van het WIPO-verdrag inzake uitzonderingen op het auteursrecht voor visueel gehandicapten (het Verdrag van Marrakesh).
Bij de herziening van de Europese auteursrechtwetgeving (zie punt A.2.a.) was er een levendig publiek debat over de artikelen 11 en 13 van de ontwerprichtlijn inzake auteursrecht in de digitale eengemaakte markt. Dit debat is uitgemond in een stemming in het Parlement waarin steun werd uitgesproken voor inspanningen die moeten leiden tot een nieuw recht voor media-uitgevers om inhoud op bepaalde grote nieuwsplatforms te gelde te kunnen maken en een nieuw recht waarmee het eenvoudiger wordt om inbreuken op het auteursrecht op het internet op te sporen. De creatieve sector juichte deze voorstellen toe, maar vertegenwoordigers van technologiebedrijven wezen ze af. Uiteindelijk werd de richtlijn inzake auteursrechten vastgesteld, waarbij het standpunt van het Parlement opnieuw toonaangevend was.
Uit een onderzoek in opdracht van de Commissie juridische zaken van het Parlement blijkt dat artificiële intelligentie (AI) een nieuwe uitdaging vormt voor auteursrechtelijke bescherming, vooral als het gaat om auteursrechtelijk beschermd materiaal of beschermde gegevens die worden gebruikt om AI te trainen (zonder dat dit bekend wordt gemaakt) en de inhoud die vervolgens door deze AI wordt gecreëerd[4]. Ter ondersteuning van de werkzaamheden van de Commissie juridische zaken van het Parlement op dit gebied[5] heeft de beleidsondersteunende afdeling Justitie, Burgerlijke Vrijheden en Institutionele Zaken een gespecialiseerde workshop over generatieve AI en auteursrechten georganiseerd. Daarnaast zijn er een aantal contractuele regelingen die het gemakkelijk maken om intellectuele-eigendomsrechten van gegevens af te halen of die het mogelijk maken intellectuele-eigendomsrechten over te nemen, op basis van het feit dat de publicatie op een bepaald platform plaatsvond of dat de creatie/uitvinding plaatsvond in het kader van een dienstencontract. Het gaat onder andere om de volgende regelingen:
- wettelijke regelingen waarbij makers hun intellectuele-eigendomsrechten wordt ontnomen of waarbij ze worden gedwongen om onbetaalde licenties af te staan met betrekking tot inhoud die op diensten en servers van digitale platforms wordt geplaatst, en/of waarbij dergelijke rechten aan de platforms worden overdragen;
- buy-outcontracten waarmee platforms de intellectuele-eigendomsrechten van makers overnemen;
- wettelijke regelingen die werknemers, uitvinders of makers hun intellectuele-eigendomsrechten ontzeggen met betrekking tot inhoud die in het kader van hun werk of dienstverlening tot stand is gebracht, en/of die deze rechten overdragen aan de werkgever (“work for hire”)[6].
JAGODA KAROLINA MACIEJEWSKA / Udo Bux / Mariusz Maciejewski