Gelijkheid van vrouwen en mannen

Gelijkheid van vrouwen en mannen is een van de doelstellingen van de Europese Unie. In de loop der jaren hebben wetgeving, rechtspraak en wijzigingen van de Verdragen bijgedragen aan de versterking van dit beginsel en de uitvoering ervan in de EU. Het Europees Parlement heeft de gelijkheid van vrouwen en mannen altijd met hand en tand verdedigd.

Rechtsgrond

Het beginsel dat vrouwen en mannen een gelijke beloning voor gelijke of gelijkwaardige arbeid moeten ontvangen, is sinds 1957 in de Europese Verdragen verankerd (momenteel in artikel 157 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU)). Artikel 153 VWEU stelt de EU in staat te handelen op het bredere werkterrein van gelijke kansen en gelijke behandeling op het gebied van werkgelegenheid, en binnen dit kader biedt artikel 157 VWEU de mogelijkheid tot positieve actie voor de empowerment van vrouwen. Bovendien wordt in artikel 19 VWEU voorzien in de vaststelling van wetgeving ter bestrijding van alle vormen van discriminatie, onder meer op grond van geslacht. Uit hoofde van de artikelen 79 en 83 VWEU is er wetgeving aangenomen tegen mensenhandel, vooral vrouwen- en kinderhandel, en met het programma “Rechten, gelijkheid en burgerschap” worden krachtens artikel 168 VWEU onder andere maatregelen gefinancierd die bijdragen tot de uitbanning van geweld tegen vrouwen.

Doelstellingen

De Europese Unie is gegrondvest op een reeks waarden, waaronder gelijkheid, en zij bevordert gelijkheid tussen vrouwen en mannen (artikel 2 en artikel 3, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU)). Deze doelstellingen zijn tevens verankerd in artikel 21 van het Handvest van de grondrechten. Bovendien stelt artikel 8 VWEU de Unie tot taak om ongelijkheden uit te bannen en de gelijkheid van mannen en vrouwen te bevorderen in al haar activiteiten (dit concept wordt ook wel “gendermainstreaming” genoemd). In verklaring nr. 19 gehecht aan de Slotakte van de intergouvernementele conferentie die het Verdrag van Lissabon heeft aangenomen, hebben de Unie en de lidstaten toegezegd om “alle vormen van huiselijk geweld te bestrijden [...] om deze strafbare feiten te voorkomen en te bestraffen en om de slachtoffers te steunen en te beschermen”.

Resultaten

A. Belangrijkste wetgeving

De EU-wetgeving, die grotendeels is aangenomen via de gewone wetgevingsprocedure, omvat:

  • Richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid;
  • Richtlijn 92/85/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 inzake de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid op het werk van werkneemsters tijdens de zwangerschap, na de bevalling en tijdens de lactatie;
  • Richtlijn 2004/113/EG van de Raad van 13 december 2004 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de toegang tot en het aanbod van goederen en diensten;
  • Richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006[1] betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep (herschikking). In 2006 werd een aantal eerdere wetgevingshandelingen ingetrokken en vervangen door deze richtlijn; Richtlijn 2010/18/EU van de Raad van 8 maart 2010 tot uitvoering van de herziene raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof en tot intrekking van Richtlijn 96/34/EG;
  • Richtlijn 2010/41/EU van het Europees Parlement en de Raad van 7 juli 2010 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van zelfstandig werkzame mannen en vrouwen en tot intrekking van Richtlijn 86/613/EEG van de Raad;
  • Richtlijn 2011/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2011 inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel en de bescherming van slachtoffers daarvan, en ter vervanging van Kaderbesluit 2002/629/JBZ van de Raad; Richtlijn 2011/99/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende het Europees beschermingsbevel; Richtlijn 2012/29/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, en ter vervanging van Kaderbesluit 2001/220/JBZ van de Raad;
  • Richtlijn (EU) 2019/1158 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende het evenwicht tussen werk en privéleven voor ouders en mantelzorgers en tot intrekking van Richtlijn 2010/18/EU van de Raad.

B. Voortgang via de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU)

Het HvJ-EU heeft een belangrijke rol gespeeld bij de bevordering van de gelijkheid van vrouwen en mannen. De belangrijkste arresten waren:

  • arrest van 8 april 1976, Defrenne II (zaak 43/75): het Hof heeft het directe effect van gelijke beloning voor vrouwen en mannen erkend en heeft bepaald dat het beginsel niet alleen geldt voor overheidshandelingen, maar tevens van toepassing is op alle overeenkomsten die een collectieve regeling van arbeid in loondienst inhouden;
  • arrest van 13 mei 1986, Bilka (zaak C-170/84): het Hof heeft bepaald dat er in het geval van uitsluiting van deeltijdwerknemers van een bedrijfspensioenregeling sprake is van indirecte discriminatie en derhalve van een schending van het vroegere artikel 119 van het EEG-Verdrag indien deze uitsluiting veel meer vrouwen dan mannen treft, tenzij kan worden aangetoond dat de uitsluiting is gebaseerd op factoren die objectief gerechtvaardigd zijn en die niets van doen hebben met discriminatie op grond van geslacht;
  • arrest van 17 mei 1990, Barber (zaak C-262/88): het Hof heeft geoordeeld dat alle soorten bedrijfspensioenen een vorm van betaling in de zin van het vroegere artikel 119 zijn en dat het beginsel van gelijke behandeling daar dus op van toepassing is. Het Hof heeft bepaald dat mannen hun pensioenrechten of rechten op nabestaandenpensioen op dezelfde leeftijd moeten kunnen uitoefenen als hun vrouwelijke collega’s;
  • arrest van 11 november 1997, Marschall (zaak C-409/95): het Hof heeft verklaard dat een nationale regeling die, indien minder vrouwen dan mannen in een sector werkzaam zijn, vereist dat de voorkeur wordt gegeven aan de bevordering van vrouwelijke kandidaten (“positieve discriminatie”), niet onverenigbaar is met de communautaire wetgeving, op voorwaarde dat de bevoordeling niet automatisch is en dat de mannelijke kandidaten de garantie krijgen dat zij in overweging worden genomen en niet bij voorbaat van de sollicitatieprocedure worden uitgesloten;
  • arrest van 1 maart 2011, Test-Aankoop (zaak C-236/09): het Hof heeft artikel 5, lid 2, van Richtlijn 2004/113/EG van de Raad nietig verklaard op grond van onverenigbaarheid met het beginsel van gelijke behandeling van vrouwen en mannen bij de toegang tot en het aanbod van goederen en diensten. Hetzelfde stelsel van actuariële berekening moet worden toegepast op vrouwen en mannen om de premies en uitkeringen voor verzekeringsdoeleinden te bepalen;
  • arrest van 31 mei 2018, Korwin-Mikke (zaken T-770/16 en T-352/17): het Hof heeft zich uitgesproken voor vernietiging van de sancties die het Parlement aan het Poolse extreemrechtse Parlementslid Janusz Korwin-Mikke had opgelegd.

C. Recente ontwikkelingen

Hieronder wordt een overzicht gegeven van de meest recente maatregelen van de EU op het gebied van gelijkheid van vrouwen en mannen.

De COVID-19-pandemie heeft het bestaande probleem van gendergerelateerd geweld tegen vrouwen nog verergerd en de bevindingen uit vroeger onderzoek bevestigd dat het risico op huiselijk geweld in tijden van crisis toeneemt. De lockdownmaatregelen werden genomen om mensen veilig thuis te houden. Thuis bleek echter niet voor iedereen veilig te zijn en de lockdownmaatregelen hebben een aantoonbare rol gespeeld in de aanzienlijke toename van het aantal meldingen van huiselijk geweld.

Op 5 maart 2020 heeft de Commissie haar Strategie voor gendergelijkheid 2020-2025 vastgesteld. Deze bevat een ambitieus kader voor de komende vijf jaar om gendergelijkheid in Europa en daarbuiten te bevorderen. De strategie is gebaseerd op een visie van een Europa waarin vrouwen en mannen, meisjes en jongens, in al hun diversiteit, vrij zijn van geweld en stereotypen en de kans krijgen om zich te ontplooien en een leidersrol op zich te nemen.

Als een van de eerste concrete resultaten van de strategie heeft de Commissie in maart 2021 bindende maatregelen inzake loontransparantie voorgesteld. Zij heeft een voorstel ingediend voor een richtlijn ter versterking van de toepassing van het beginsel van gelijke beloning van mannen en vrouwen voor gelijke of gelijkwaardige arbeid door middel van beloningstransparantie en handhavingsmechanismen. Eveneens in maart 2021 heeft de Commissie een actieplan aangenomen voor de uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten, waarin gendergelijkheid centraal staat en waarin onder meer ambitieuze doelstellingen worden vastgesteld voor de participatie van vrouwen op de arbeidsmarkt en het aanbieden van voor- en vroegschoolse educatie en opvang. Ook adequate minimumlonen kunnen helpen om de loonkloof tussen mannen en vrouwen te verkleinen, aangezien meer vrouwen dan mannen het minimumloon verdienen. Daartoe heeft de Commissie in oktober 2020 een voorstel voor een EU-richtlijn ingediend, om ervoor te zorgen dat de werknemers in de Unie worden beschermd door toereikende minimumlonen. Het voorstel wordt momenteel besproken in de commissies FEMM en EMPL.

De Commissie werkt momenteel ook aan een nieuw wetgevingsinitiatief ter bestrijding van gendergerelateerd geweld. In februari 2021 is een openbare raadpleging over het initiatief gestart. Daarnaast is de toetreding van de EU tot het Verdrag van Istanbul van de Raad van Europa een kernprioriteit voor de Commissie. In 2020 heeft de Commissie de allereerste EU-strategie voor de rechten van slachtoffers goedgekeurd, waarmee zij haar strijd tegen gendergerelateerd geweld verder opvoert.

Het meerjarig financieel kader (MFK) van de EU voor 2021-2027

Nadat het Parlement zijn goedkeuring had gegeven, heeft de Raad op 17 december 2020 de verordening tot bepaling van het meerjarig financieel kader (MFK) voor 2021-2027 aangenomen. In het nieuwe MFK wordt in de EU-begroting meer prioriteit gegeven aan gendermainstreaming.

Samen met NextGenerationEU, het herstelinstrument van de EU dat goed is voor 750 miljard EUR, zal het MFK de EU in staat stellen om de komende jaren een nooit gezien bedrag van 1,8 biljoen EUR aan financiering te bieden om het herstel na de COVID-19-pandemie en de langetermijnprioriteiten van de EU op verschillende gebieden te ondersteunen. De meerjarenbegroting zal gesplitst worden over zeven rubrieken. Ze zal de volgende zeven jaar het kader bieden voor de financiering van bijna veertig EU-uitgavenprogramma’s. NextGenerationEU besteedt ook bijzondere aandacht aan gendergelijkheid. Zo moet met name in de nationale plannen voor herstel en veerkracht worden uiteengezet hoe de door de faciliteit voor herstel en veerkracht gefinancierde investeringen en hervormingen naar verwachting zullen bijdragen tot de bevordering van gendergelijkheid en gelijke kansen voor iedereen.

In april 2021 hebben de Raad en het Parlement twee programma’s aangenomen die, binnen het financieel EU-kader voor 2021-2027, het EU-Fonds voor justitie, rechten en waarden vormen. Deze programma’s moeten justitie, rechten en EU-waarden verder bevorderen, versterken en beschermen. Het programma Burgers, gelijkheid, rechten en waarden 2021-2027 heeft specifiek betrekking op de toewijzing van middelen aan maatschappelijke organisaties die zich inzetten voor gendergelijkheid en de bestrijding van geweld tegen vrouwen en meisjes in de EU. Dit programma Rechten en waarden heeft een totale begroting van maximaal 1,55 miljard EUR (een begroting van 641,7 miljoen EUR, plus een extra toewijzing van maximaal 912 miljoen EUR). Voor het programma Justitie is 305 miljoen EUR opgenomen in de begroting.

Toetreding van de EU tot het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (Verdrag van Istanbul)

Het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (Verdrag van Istanbul), dat in 2014 in werking is getreden, is het eerste juridisch bindende internationale instrument om geweld tegen vrouwen en meisjes te voorkomen en te bestrijden op internationaal niveau. Hierin is een alomvattend kader van juridische en beleidsmaatregelen vastgesteld om dergelijk geweld te voorkomen, de slachtoffers te ondersteunen en de daders te bestraffen.

De Raad van de Europese Unie heeft besloten dat het ontwerpbesluit over de ondertekening van het Verdrag in twee besluiten moest worden gesplitst, waarvan een betrekking heeft op justitiële samenwerking in strafzaken en het andere op asiel en non-refoulement. Deze twee besluiten van de Raad werden in mei 2017 vastgesteld. Daarna heeft de EU-commissaris voor Justitie, Consumentenzaken en Gendergelijkheid het Verdrag van Istanbul op 13 juni 2017 namens de Europese Unie ondertekend.

De ondertekening is de eerste stap in de procedure voor de toetreding van de EU tot het Verdrag. Om daadwerkelijk tot het Verdrag toe te treden, moeten nog besluiten van de Raad worden vastgesteld om de procedure af te ronden. In de Raad worden wetgevingsvoorstellen op dit gebied besproken in de Werkgroep grondrechten, burgerrechten en vrij verkeer van personen (Fremp). Tijdens de beraadslagingen heeft de groep vooral aandacht besteed aan een gedragscode over hoe de EU en haar lidstaten zullen samenwerken om het Verdrag uit te voeren.

In zijn resolutie van 4 april 2019 heeft het Parlement het Hof van Justitie om advies verzocht over de verenigbaarheid met de Verdragen van de voorstellen inzake de toetreding van de Europese Unie tot het Verdrag van de Raad van Europa en over de procedure voor die toetreding. De uitspraak van het Hof wordt eind 2021 verwacht.

De Commissie heeft zich in haar werkprogramma voor 2021 verder ingezet voor toetreding van de EU tot het Verdrag van Istanbul, en werkt tegelijk aan een nieuw wetgevingsvoorstel ter bestrijding van gendergerelateerd geweld, dat eind 2021 zou worden ingediend. Om de toetredingsprocedure tot het Verdrag af te ronden, is de goedkeuring van het Parlement vereist.

Rol van het Europees Parlement

Het Europees Parlement heeft een grote rol gespeeld bij de ondersteuning van het beleid inzake gelijke kansen, in het bijzonder via zijn Commissie vrouwenrechten en gendergelijkheid (FEMM). Op het gebied van gelijke behandeling op de arbeidsmarkt handelt het Parlement op basis van de gewone wetgevingsprocedure (medebeslissing). Voorbeelden hiervan zijn:

  • Richtlijn (EU) 2019/1158 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende het evenwicht tussen werk en privéleven voor ouders en mantelzorgers en tot intrekking van Richtlijn 2010/18/EU van de Raad, die in juni 2019 door het EP en de Raad werd vastgesteld. De richtlijn moet per 1 augustus 2021 door de lidstaten worden toegepast;
  • het recente voorstel voor een richtlijn ter versterking van de toepassing van het beginsel van gelijke beloning van mannen en vrouwen voor gelijke of gelijkwaardige arbeid door middel van beloningstransparantie en handhavingsmechanismen (COM(2021)0093).

Dit voorstel voor een richtlijn wordt momenteel in de commissies FEMM en EMPL besproken. Daarnaast draagt het Parlement bij aan de algemene beleidsontwikkeling op het gebied van gendergelijkheid via zijn initiatiefverslagen, workshops en hoorzittingen, en door de aandacht van de andere instellingen te vestigen op specifieke vraagstukken.

Zo hebben de leden van FEMM in april 2021 een verslag goedgekeurd over de bevordering van gendergelijkheid in onderwijs en loopbanen op het gebied van wetenschap, technologie, engineering en wiskunde (STEM). Ook hebben zij een initiatiefverslag over gelijkheid tussen vrouwen en mannen in de Europese Unie in 2018-2020 besproken, en een openbare hoorzitting georganiseerd over de bevordering van EU-ondersteuning voor vrouwelijke ondernemers en investeerders, onder meer via het MFK 2021-2027. De commissie heeft ook een workshop georganiseerd over de rol van onderwijs bij het voorkomen van geweld tegen vrouwen.

Op 3 maart 2021 heeft een webinar plaatsgevonden met de titel “Internationale Vrouwendag – vrouwelijk leiderschap in de strijd tegen COVID-19”, waarin de aandacht uitging naar wetenschappers en zorgverleners. Op 4 maart 2021 werd ook een interparlementaire commissievergadering georganiseerd met als titel “Wij zijn sterk: vrouwen die het voortouw nemen in de strijd tegen COVID-19”. Op 8 maart 2021 hebben de Amerikaanse vicepresident Kamala Harris en de Nieuw-Zeelandse premier Jacinda Ardern deelgenomen aan de plenaire vergadering van het Parlement in het kader van de viering van de Internationale Vrouwendag.

Het Parlement past daarnaast gendermainstreaming toe in het werk van al zijn commissies[2]. Hiertoe zijn twee netwerken inzake gendermainstreaming opgericht, die worden gecoördineerd door de commissie FEMM. Het netwerk van voorzitters en ondervoorzitters voor gendermainstreaming brengt leden samen die voorstander zijn van de integratie van een genderdimensie in het werk van hun commissie. Zij worden ondersteund door een netwerk van functionarissen op het vlak van gendermainstreaming in elk commissiesecretariaat. De Groep op hoog niveau inzake gendergelijkheid organiseert opleidingen en bewustmakingscampagnes over gendermainstreaming voor het personeel van het Europees Parlement en voor de fracties.

 

[1]Met de herschikte richtlijn wordt ook Richtlijn 76/207/EEG ingetrokken, die was gewijzigd door Richtlijn 2002/73/EG.
[2]Resolutie van het Europees Parlement van 13 maart 2003 over gendermainstreaming in het Europees Parlement (PB C 61 E van 10.3.2004, blz. 384).

Martina Schonard