Hernieuwbare energie
Hernieuwbare energiebronnen zoals windenergie, zonne-energie, waterkracht, oceaanenergie, aardwarmte, biomassa en biobrandstoffen bieden groenere alternatieven voor fossiele brandstoffen. Dankzij deze alternatieven vermindert de vervuiling, hebben we meer energiekeuze en verkleint onze afhankelijkheid van de veranderlijke prijzen van fossiele brandstoffen. In 2023 hebben de wetgevers het streefcijfer van de EU voor het aandeel hernieuwbare energie in het bruto-energieverbruik verhoogd van 32 % naar ten minste 42,5 % in 2030, waarbij ze naar een aandeel van 45 % streven. In 2023 was hernieuwbare energie goed voor 24,5 % van het eindverbruik van energie in de EU.
Rechtsgrond en doelstellingen
Artikel 194 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
Resultaten
A. De Europese Green Deal
Op 26 februari 2025 heeft de EU zich er in het kader van de Clean Industrial Deal toe verbonden de uitrol van hernieuwbare energie te versnellen, de industrie koolstofvrij te maken en ervoor te zorgen dat schone technologie over voldoende productiecapaciteit beschikt. Deze nieuwe industriële deal bouwt voort op de Europese Green Deal, in het kader waarvan de EU de uitdagingen op het gebied van energie, klimaat en milieu aangepakte door zich ertoe te verbinden om uiterlijk in 2050 klimaatneutraal te worden, in overeenstemming met de Overeenkomst van Parijs.
B. Richtlijn hernieuwbare energie
In de richtlijn hernieuwbare energie is het EU-streefcijfer voor hernieuwbare energiebronnen voor 2030 vastgesteld. Het doel is het aandeel hernieuwbare energie in het totale energieverbruik van de EU uiterlijk in 2030 te verhogen tot ten minste 42,5 % en ernaar te streven 45 % te behalen. Met de richtlijn wordt het streefcijfer van de EU voor hernieuwbare energie afgestemd op haar nieuwe klimaatambitie, wordt het tempo van de energietransitie opgevoerd in overeenstemming met het besluit om de afhankelijkheid van Russische fossiele brandstoffen geleidelijk af te bouwen en verlopen de procedures sneller voor het verlenen van vergunningen voor nieuwe projecten op het gebied van hernieuwbare energie. In de richtlijn wordt de maximale termijn om nieuwe installaties goed te keuren vastgesteld op twaalf maanden in gebieden die prioriteit hebben gekregen voor hernieuwbare energie en op 24 maanden elders.
De richtlijn omvat de volgende sectorale subdoelstellingen voor de EU-landen:
- in de industriesector: een bindend streefcijfer voor hernieuwbare waterstof in het totale waterstofverbruik van 42 % in uiterlijk 2030 en 60 % in uiterlijk 2035, met een indicatieve doelstelling van een jaarlijkse gemiddelde toename van het gebruik van hernieuwbare bronnen van 1,6 procentpunt;
- in de bouwsector: een indicatief streefcijfer van 49 % voor het aandeel van hernieuwbare energie in uiterlijk 2030, waarbij de cijfers voor verwarming en koeling tot 2025 met 0,8 procentpunt per jaar moeten stijgen en van 2026 tot 2030 met 1,1 procentpunt, vanaf het aandeel in 2020;
- in de transportsector: ofwel een doelstelling van 29 % voor het aandeel van hernieuwbare energie in uiterlijk 2030, ofwel een vermindering van de uitstoot van broeikasgassen met 14,5 %, door meer gebruik te maken van geavanceerde biobrandstoffen en hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong, zoals waterstof (zie onder D.2.);
- voor stadsverwarming en -koeling: een indicatief streefcijfer van een jaarlijkse gemiddelde toename met 2,2 procentpunt van het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen en afvalwarmte en -koude in stadsverwarming/-koeling;
- op het gebied van onderzoek en innovatie: een indicatief streefcijfer van 5 % nieuw geïnstalleerde hernieuwbare energiecapaciteit uit innovatieve technologieën in uiterlijk 2030.
In de richtlijn werden bindende nationale streefcijfers vastgesteld en bevestigd in overeenstemming met de algemene EU-doelstelling. De EU-lidstaten moesten ook indicatieve trajecten ontwikkelen om hun streefcijfers te halen en nationale actieplannen voor hernieuwbare energie indienen. Daarnaast moesten ze elke twee jaar nationale voortgangsverslagen over energie openbaar maken. Bij deze richtlijn werden diverse mechanismen vastgesteld waarvan de EU-landen gebruik konden maken om investeringen in hernieuwbare energiebronnen te bevorderen, zoals steunregelingen, garanties van oorsprong, gezamenlijke projecten en samenwerking met niet-EU-landen, alsmede duurzaamheidscriteria voor biobrandstoffen.
Op grond van de verordening inzake de governance van de energie-unie en van de klimaatactie stelden de EU-landen nationale energiestreefcijfers voor en stelden zij tienjarige nationale energie- en klimaatplannen op voor de periode 2021-2030. De Commissie monitort en beoordeelt de nationale energie- en klimaatplannen om de twee jaar aan de hand van voortgangsverslagen. Zij is op EU-niveau gemachtigd maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat de plannen stroken met de algemene EU-doelstellingen.
1. Financieringsmechanisme voor hernieuwbare energie
Via de uitvoeringsverordening over het financieringsmechanisme van de Unie voor hernieuwbare energie werd een EU-financieringsmechanisme ingesteld om de lidstaten te helpen hun individuele en gemeenschappelijke streefcijfers voor hernieuwbare energie te behalen. Het mechanisme verbindt landen die bijdragen aan de financiering van projecten (bijdragende lidstaten) met landen die ermee instemmen dat nieuwe projecten op hun grondgebied worden uitgevoerd (gastlanden). De Commissie schetst het uitvoeringskader en de financieringsmethodes van het mechanisme en stelt vast welke acties in het kader van dit mechanisme via EU-landen, fondsen of bijdragen uit de privésector kunnen worden gefinancierd. De energie die dankzij dit mechanisme wordt opgewekt, telt mee voor de streefcijfers voor hernieuwbare energie van alle deelnemende lidstaten.
2. Trans-Europese energienetwerken
Bij de trans-Europese energienetwerken gaat het om beleid dat erop gericht is de energie-infrastructuur van de EU-landen aan elkaar te koppelen, in lijn met de doelstelling om uiterlijk in 2050 klimaatneutraal te zijn. In de TEN-E-verordening zijn de EU-regels voor grensoverschrijdende energie-infrastructuur bepaald. In de verordening worden elf prioritaire corridors en drie thematische prioritaire gebieden vastgesteld en ook nieuwe projecten van gemeenschappelijk belang tussen de EU-lidstaten bepaald. Daarnaast worden projecten van wederzijds belang tussen de EU en niet-EU-landen ingevoerd, wordt gewezen op de rol van offshore-windenergieprojecten en worden toekomstige aardgasprojecten uitgesloten van EU-financiering. Met de verordening wordt ook de integratie van hernieuwbare energiebronnen en nieuwe schone-energietechnologieën in het energiesysteem bevorderd, worden regio’s verbonden die momenteel afgesneden zijn van de Europese energiemarkten, worden bestaande grensoverschrijdende interconnecties versterkt, wordt de samenwerking met partnerlanden bevorderd en worden manieren voorgesteld om de vergunnings- en goedkeuringsprocedures te vereenvoudigen en te versnellen.
C. Toekomstige stappen
Herziening van de energiebelastingrichtlijn
In juli 2021 publiceerde de Commissie als onderdeel van het “Fit for 55”-pakket een voorstel voor de herstructurering van de Unieregeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit in het kader van de herziening van de energiebelastingrichtlijn. Het doel van het voorstel was de belasting op energieproducten af te stemmen op het energie- en klimaatbeleid van de EU, schone technologieën te bevorderen en achterhaalde vrijstellingen en verlaagde tarieven af te schaffen waarmee het gebruik van fossiele brandstoffen werd aangemoedigd.
In februari 2025 werd de Raad in het actieplan voor betaalbare energie in het kader van de Clean Industrial Deal verzocht de herziening van de energiebelastingrichtlijn te voltooien. Daarin werden opties aangewezen, zoals de verlaging van de nationale belastingen op elektriciteit, de toepassing van verlaagde btw-tarieven en het afschaffen van heffingen waarmee beleid wordt gefinancierd dat niets met energie te maken heeft.
D. Hulpbronspecifieke vraagstukken
1. Zonne-energie
De EU-strategie voor zonne-energie, die deel uitmaakt van het REPowerEU-plan, heeft tot doel de fotovoltaïsche capaciteit te verdubbelen tot 320 gigawatt (GW) in uiterlijk 2025 en tot 600 GW in uiterlijk 2030. Het plan omvat een gefaseerde wettelijke verplichting om op nieuwe openbare, commerciële en residentiële gebouwen zonnepanelen te installeren, alsook een strategie om het uitrolpercentage van warmtepompen in stadsverwarmingssystemen en gemeentelijke verwarmingssystemen te verdubbelen. In het kader van het plan moeten de EU-landen ook plannen vaststellen en goedkeuren voor specifieke prioritaire gebieden voor hernieuwbare energie, met verkorte en vereenvoudigde vergunningsprocedures. In de richtlijn hernieuwbare energie worden snelle vergunningsprocedures voor de installatie van zonne-energieapparatuur vastgelegd.
2. Biomassa, biobrandstoffen en waterstof
De richtlijn hernieuwbare energie bevat een streefcijfer voor geavanceerde biobrandstoffen, biogas en hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong (d.w.z. waterstof), voor de vervoerssector van 1 % uiterlijk in 2025 en 5,5 % uiterlijk in 2030, waarvan tenminste 1 procentpunt hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong.
In juli 2020 werd in de strategie voor een geïntegreerd energiesysteem en in de waterstofstrategiede doelstelling geïntroduceerd om uiterlijk in 2024 ten minste 6 GW aan hernieuwbare waterstofelektrolysers te realiseren en tot 1 miljoen ton hernieuwbare waterstof te produceren in de EU. Uiterlijk in 2030 moet dat 40 GW en 10 miljoen ton zijn.
In 2022 werd in het REPowerEU-plan de doelstelling vastgesteld om uiterlijk in 2030 10 miljoen ton hernieuwbare waterstof te produceren en in te voeren.
In oktober 2023 werd in de richtlijn hernieuwbare energie het indicatieve streefcijfer vastgesteld van 42 % hernieuwbare waterstof in het totale waterstofverbruik uiterlijk in 2030 en 60 % uiterlijk in 2035 voor de industrie.
3. Offshore-windenergie
Op 19 november 2020 heeft de Commissie een EU-strategie gepubliceerd over hernieuwbare offshore-energie. Het doel van deze strategie is om de productie van elektriciteit uit hernieuwbare offshore-energiebronnen in de EU te verhogen van 12 GW in 2020 tot meer dan 60 GW uiterlijk in 2030 en 300 GW uiterlijk in 2050.
Met de TEN-E-verordening, die in juni 2022 in werking is getreden, werden niet-bindende regionale overeenkomsten voor de ontwikkeling van hernieuwbare offshore-energie geïntroduceerd. In januari 2023 bereikten de EU-landen een akkoord over hogere niet-bindende doelstellingen voor de opwekking van hernieuwbare offshore-energie met doelstellingen van respectievelijk 111 GW en 317 GW uiterlijk in 2030 en 2050.
4. Oceaanenergie
In januari 2014 publiceerde de Commissie haar actieplan voor blauwe energieom de ontwikkeling van oceaanenergie te ondersteunen. Hiertoe behoren golfslag- en getijdenenergie, de omzetting van thermische energie en osmose-energie. In de strategie voor hernieuwbare offshore-energie werd er ook op gewezen dat de sector mariene hernieuwbare energie aanzienlijk moet worden uitgebreid. Zo zou de sector uiterlijk in 2030 vijf keer moeten worden opgeschaald en 25 keer in uiterlijk 2050.
5. Geothermische energie
De afgelopen jaren is de belangstelling toegenomen voor geothermische energie, een hernieuwbare energiebron die een groot potentieel inhoudt om de energiedoelstellingen van de EU te halen. In 2023 werd geothermische energie toegevoegd aan de lijst met hernieuwbare-energiebronnen. In 2024 heeft het Parlement in zijn resolutie over het potentieel van geothermische energie als hernieuwbare verwarmings- en koelingsbron de Commissie verzocht een EU-strategie inzake geothermische energie voor te stellen, teneinde te voldoen aan de in de EU-strategie voor zonne-energie aangekondigde doelstelling om het aandeel van zonnewarmte en geothermische energie tegen 2030 ten minste te verdrievoudigen.
De rol van het Europees Parlement
Het Europees Parlement heeft consequent gepleit voor het gebruik van hernieuwbare energiebronnen en erop gewezen dat het belangrijk is om in dit verband bindende streefcijfers vast te stellen voor 2020, en recentelijk ook voor 2030.
In januari 2018 ondersteunde het Parlement, met het oog op de herziening van de richtlijn hernieuwbare energie in 2018, een bindend streefcijfer van ten minste 35 % hernieuwbare energie in de EU in uiterlijk 2030. Het bekrachtigde ook de consumptie van zelfgeproduceerde energie als een recht. Na onderhandelingen met de Raad werd dit streefcijfer echter verlaagd naar minstens 32 %.
In januari 2020 nam het Parlement een resolutie aan over de Europese Green Deal, waarin het aandrong op een herziening van de richtlijn hernieuwbare energie en op de vaststelling van bindende nationale streefcijfers.
In mei 2021 nam het Parlement een resolutie aan over een Europese strategie inzake geïntegreerde energiesystemen en een resolutie over een Europese waterstofstrategie, waarin het pleitte voor decarbonisatie en het gebruik van hernieuwbare energiebronnen bij de productie van elektriciteit en waterstof.
In februari 2022 heeft het Parlement een resolutie aangenomen over een Europese strategie voor hernieuwbare offshore-energie. Hierin wijst het Parlement erop dat de geïnstalleerde capaciteit voor offshorewindenergie 70 tot 79 GW moet bedragen om een vermindering van de broeikasgasemissies met 55 % uiterlijk in 2030 betaalbaar te maken en verzocht het de EU om dat streefcijfer nog te overtreffen.
In september 2022 steunde het Parlement de doelstelling van de Commissie om het streefcijfer voor hernieuwbare energie tegen 2030 te doen stijgen tot 45 %.
In oktober 2023 verhoogden het Parlement en de Raad het streefcijfer voor hernieuwbare energie voor 2030 tot 42,5 %, met als einddoel 45 % — bijna een verdubbeling van het bestaande aandeel van hernieuwbare energie in de EU.
Meer informatie over dit onderwerp is te vinden op de website van de Commissie industrie, onderzoek en energie (ITRE) en op de webpagina van het Europees Parlement over hernieuwbare energie.
Kristin BECKER / Matteo Ciucci