Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO)

Het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO) is een van de voornaamste financiële instrumenten van het cohesiebeleid van de EU. Het heeft tot doel de verschillen tussen de ontwikkelingsniveaus van de Europese regio’s te helpen verminderen en de levensstandaard in de minst begunstigde regio’s te verbeteren. Bijzondere aandacht wordt besteed aan regio’s die kampen met ernstige en aanhoudende natuurlijke of demografische nadelen, zoals de meest noordelijke regio’s, die een zeer lage bevolkingsdichtheid hebben, en eilanden, grensoverschrijdende en bergachtige regio’s.

Rechtsgrond

De artikelen 174 t/m 178 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU).

Doelstellingen

Krachtens artikel 176 VWEU is het EFRO bedoeld om een bijdrage te leveren aan het ongedaan maken van de belangrijkste regionale onevenwichtigheden in de Europese Unie. Het bereikt deze doelstelling door middel van steun voor:

  • de ontwikkeling en de structurele aanpassing van de regio’s met een ontwikkelingsachterstand;
  • de transformatie van noodlijdende industriële regio’s.

Het EFRO heeft twee hoofddoelstellingen, namelijk:

  • investeren in groei en banen, om de arbeidsmarkt en de regionale economieën te versterken;
  • het tot stand brengen van Europese territoriale samenwerking, met het oog op het versterken van grensoverschrijdende, transnationale en interregionale samenwerking binnen de EU.

De middelen die zijn uitgetrokken voor de eerste doelstelling zijn toegewezen aan drie verschillende categorieën regio’s:

  • de meer ontwikkelde regio’s, met een bbp per inwoner van meer dan 90 % van het gemiddelde van de EU;
  • de overgangsregio’s, met een bbp per inwoner tussen 75 % en 90 % van het gemiddelde van de EU;
  • de minder ontwikkelde regio’s, met een bbp per inwoner van minder dan 75 % van het gemiddelde van de EU.

Met het EFRO wordt ook duurzame stadsontwikkeling ondersteund. In de periode 2014-2020 moest ten minste 5 % van de EFRO-toewijzing voor elke lidstaat worden bestemd voor geïntegreerde actie voor duurzame stedelijke ontwikkeling om de economische, ecologische, klimatologische, demografische en sociale uitdagingen aan te pakken waarmee stedelijke gebieden te kampen hebben.

De details met betrekking tot de toewijzing en het toekomstige gebruik van EFRO-middelen worden vastgesteld in partnerschapsovereenkomsten, dat wil zeggen door elke lidstaat in samenwerking met de regionale en sociale partners opgestelde strategische documenten.

Thematische concentratie

De nadruk van de EFRO-uitgaven ligt op de in deze strategie gespecificeerde prioriteiten. In de periode 2014-2020 waren de belangrijkste prioriteiten:

  1. onderzoek en innovatie;
  2. informatie- en communicatietechnologieën;
  3. kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s);
  4. de bevordering van een koolstofarme economie.

De mate van concentratie op deze prioriteiten is afhankelijk van de categorie regio’s die steun ontvangt. Meer ontwikkelde regio’s moeten ten minste 80 % van hun EFRO-middelen toewijzen aan ten minste twee van deze prioriteiten, en ten minste 20 % aan de bevordering van een koolstofarme economie. De overgangsregio’s moeten ten minste 60 % van hun EFRO-middelen toewijzen aan ten minste twee van deze prioriteiten, en ten minste 15 % aan de bevordering van een koolstofarme economie. Minder ontwikkelde regio’s moeten ten minste 50 % van hun EFRO-middelen toewijzen aan ten minste twee van deze prioriteiten, en ten minste 12 % aan de bevordering van een koolstofarme economie.

Begroting en financiële voorschriften

In de programmaperiode 2014-2020 heeft de EU meer dan 350 miljard EUR toegewezen aan cohesiebeleid. Dat komt neer op 32,5 % van de totale EU-begroting voor die periode. Ongeveer 199 miljard EUR was aan het EFRO toegewezen. Dit omvatte 9,4 miljard EUR voor Europese territoriale samenwerking en 1,5 miljard EUR aan speciale toewijzingen voor ultraperifere en dunbevolkte regio’s.

Het niveau van medefinanciering dat vereist is voor projecten die worden gefinancierd uit het EFRO wordt aangepast aan de ontwikkeling van de desbetreffende regio. In de minst ontwikkelde regio’s (en ultraperifere regio’s) kan tot 85 % van de kosten van een project uit het EFRO worden gefinancierd. In de overgangsregio’s kan tot 60 % van de kosten van een project uit het EFRO worden gefinancierd, en in de meest ontwikkelde regio’s tot 50 %.

Het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling in de periode 2021-2027

In 2021 brak voor de EU een nieuwe meerjarige programmeringsperiode aan. De regels voor het EFRO in de periode 2021-2027 zijn vastgesteld in:

  • een verordening over het EFRO en het Cohesiefonds;
  • een verordening houdende specifieke bepalingen voor de doelstelling Europese territoriale samenwerking (Interreg).

In deze verordeningen worden de huidige twee doelstellingen van het EFRO gehandhaafd: “investeren in groei en banen” en “Europese territoriale samenwerking”.

Ook de thematische concentratie wordt gehandhaafd, met de volgende twee topprioriteiten: steun voor innovatie, de digitale economie en kmo’s via een slimme specialisatiestrategie (PO1); en een groenere, koolstofarme en circulaire economie (PO2). In het kader van het nieuwe cohesiebeleid is een lijst opgesteld van activiteiten die niet met EFRO-middelen worden ondersteund, waaronder de ontmanteling of bouw van kerncentrales, luchthaveninfrastructuur (behalve in de ultraperifere gebieden) en sommige afvalbeheersactiviteiten (bijv. stortplaatsen).

In de programmaperiode 2021-2027 is ongeveer 200,36 miljard EUR aan het EFRO toegewezen (inclusief 8 miljard EUR voor Europese territoriale samenwerking en 1,93 miljard EUR voor speciale toewijzingen voor de ultraperifere regio’s). De minder ontwikkelde regio’s zullen kunnen profiteren van medefinancieringspercentages van maximaal 85 % van de kosten van een project. De medefinancieringspercentages voor overgangsregio’s en meer ontwikkelde regio’s bedragen respectievelijk maximaal 60 % en 40 %.

De steun voor steden wordt in de periode na 2020 versterkt. Ten minste 8 % van de EFRO-middelen (op nationaal niveau) wordt bestemd voor duurzame stedelijke ontwikkeling en het opzetten van het Stedelijk Europa-initiatief.

Rol van het Europees Parlement

Het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie staan bij de voorbereiding van nieuwe wetgeving betreffende de Europese structuur- en investeringsfondsen op voet van gelijkheid. De verordening inzake het EFRO en het Cohesiefonds voor de periode 2021-2027 is vastgesteld volgens de gewone wetgevingsprocedure, waarin het Europees Parlement beschikt over volledige rechten om wijzigingen voor te stellen. Tijdens de onderhandelingen over het cohesiebeleid van de EU voor de periode 2021-2027 heeft het Europees Parlement gezorgd voor een hoger niveau van medefinanciering voor projecten en meer flexibiliteit bij de toepassing van de regels. Bovendien heeft het de steun uit het EFRO voor steden en geïntegreerd stedelijk beleid versterkt.

 

Marek Kołodziejski