Banner page The European Parliament The European Parliament
Banner page

Index 
 
 

Persverslag : 08-03-99(s)


[Start of Doc] [Previous] [Next]

Europese Top van Berlijn 23/24 maart 1999


            verklaringen van Raad en Commissie over de voorbereiding van de buitengewone Europese Raad van 24/25 maart te Berlijn

Debat (10/3/99)

Raad

Raadsvoorzitter Günter Verheugen, de Duitse staatssecretaris voor Buitenlandse Zaken, vindt dat de laatste maand flink vooruitgang is geboekt met het zoeken naar een evenwichtig totaalpakket voor de hervorming van het beleid en de financiering van de EU. Het is echter geen geheim dat op een aantal kernpunten nog geen compromis is bereikt. Dat ligt ook in de aard der dingen. Verheugen is daar niet al te pessimistisch over. Er is bijv. algemene overeenstemming dat stabilisering van de begroting voor de komende zeven jaar op het niveau van 1999 grote praktische voordelen biedt. Door de uitgaven voor de toetreding af te schermen van de rest, wordt bereikt dat dat geld niet door de 15 lidstaten van de EU wordt gebruikt en omgekeerd dat de begroting voor de EU van de 15 niet omhoog gaat. Daarnaast bestaat grotendeels overeenstemming over de cijfers voor de toetreding van de nieuwe landen.

Voor de kernpunten van de financiering van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid zijn voorstellen gedaan voor de landbouwrichtsnoeren en de vastlegging van een plafond dat meer in overeenstemming is met de werkelijke uitgaven. Dat wordt nader bekeken. Ook voor de stabilisering van de structuuruitgaven ligt een concept. Zo worden de communautaire initiatieven beperkt tot drie. Maar fel omstreden zijn nog de verschillende modellen om de kredieten te vinden. Een oplossing verwacht Verheugen pas in de laatste fase van de onderhandelingen. Wel eens is men het over de principiële overgangsregels voor regio's die niet meer onder de structuurdoelstellingen vallen.

Het stelsel voor eigen middelen is onevenwichtig. De algemene inschatting is dat herstel van het evenwicht gezocht moet worden aan zowel de inkomsten- als de uitgavenkant. Maatregelen daartoe moeten stapsgewijs worden ingevoerd en de eerste stap moet in 2000 worden gezet. Er moet een goede mix van maatregelen komen om in etappes een evenwicht aan de inkomstenkant te krijgen. Te denken valt aan een veiligheidsnet in het totaalpakket. Verheugen constateert dat de voorstellen tot nog toe kritiek van twee kanten hebben gekregen: zowel van lidstaten die meer willen bezuinigen als van lidstaten die meer willen uitgeven. Het lijkt er dus op dat het Duitse voorzitterschap in het midden zit en dat moet ook. Verheugen heeft de indruk dat Duitsland het als voorzitter daarom zo slecht nog niet doet. Op de jongste bijeenkomst van de regeringsleiders zijn ook nuttige richtsnoeren gegeven. Het allerbelangrijkste is dat alle partners vastbesloten zijn om eind maart een politiek totaalakkoord te bereiken.

Nu zijn nog niet alle onderdelen van het totaalpakket klaar. Maar iedereen is het duidelijk dat het een tijd is van strakke begrotingsdiscipline, zodat een akkoord over een uitgavenplafond van 1,27% in Berlijn mogelijk moet zijn. De meerderheid van de regeringsleiders hebben ook een duidelijk signaal aan de landbouwministers gegeven dat de uitgaven niet omhoog moeten en dat zelfs naar een geleidelijke verlaging moet worden gestreefd.

Commissie

Commissievoorzitter Jacques Santer benadrukt dat er eind deze maand echt een akkoord moet liggen. Er moet genoeg geld zijn voor het Europese beleid, voor de werkgelegenheid, voor de uitbreiding, voor een levensvatbare landbouw. Begrotingsdiscipline is nodig, maar mag geen doel op zich zijn. De voorstellen die de Commissie in Agenda 2000 heeft gedaan zijn nodig om de Commissie in staat te stellen de Europese ambities uit te voeren. Dat mag niet worden vergeten.

De grootste problemen doen zich nu nog voor op drie terreinen. De landbouwonderhandelingen verlopen moeizaam. Het echte probleem is hier de stabilisatie van de uitgaven en de noodzaak van echte hervormingen. De Commissie is bereid aan alle oplossingen mee te werken, maar wil geen afgezwakte hervormingen aanvaarden, omdat dat tegen het belang van de EU en van de landbouwers zou indruisen. De interventievoorraden mogen niet opnieuw oplopen. En er komen onderhandelingen binnen de WTO aan.

Het tweede punt is de economische en sociale cohesie. Solidariteit is een van de pijlers van de EU en dat moet zo blijven. Maar natuurlijk is begrotingsdiscipline ook hier nodig. Daarom moet de steun geconcentreerd worden op de regio's en bevolkingsgroepen die dat echt nodig hebben.

Voor de financiering van de EU heeft de Commissie een aantal opties op tafel gelegd. De Commissie blijft vinden dat niet alles mag draaien om op zich al ambigue opvattingen over de nettobijdragen.

Fractiewoordvoerders

Er is geen beleid dat zonder middelen kan worden gevoerd, aldus Manuel Medina Ortega (S, PES). Misschien is er wel te veel geld uitgetrokken voor zuiver financiële beleidsvormen. De burger ervaart dat als een koehandel tussen de regeringen over wie wat betaalt. Voldoende middelen ter beschikking hebben is nochtans een essentieel gegeven. Het EP heeft zijn prioriteiten gesteld, en die staan niet haaks op wat de lidstaten willen. Een voorbeeld daarvan is de strijd tegen de werkloosheid. Op de Top van Luxemburg is gebleken dat een Europees beleid wenselijk is.

Medina Ortega wijst er verder op dat de Unie niet met twee snelheden tot stand kan komen. Feit is dat het tot dusver gevoerde beleid de verschillen wel degelijk heeft verminderd. Een andere belangrijke factor is het milieu. De economische ontwikkeling moet duurzaam zijn: dat is een eis van alle burgers. Ook de socialisten hebben daar aandacht voor. Net als in de Raad zijn er ook in het EP tegenstellingen: dat is begrijpelijk, en er moet worden gestreefd naar een compromis. Het tijdsbestek is cruciaal: alles moet zoals gepland in 1999 worden afgewerkt. Het Duitse voorzitterschap heeft een ondankbare taak, maar als de machine eenmaal geolied is en goed draait, dan komt er een einde aan de kleinzielige discussies die enkel over de begroting gaan en kan met een nieuw elan worden begonnen.

Elmar Brok (D, EVP) constateert dat het Duitse voorzitterschap voor zichzelf de lat hoog heeft gelegd. De uitgangspositie voor compromissen is er niet op vooruitgegaan. De christen-democraten willen meewerken aan een oplossing die Europa voortstuwt. Brok wijst erop dat de steun van zijn fractie nodig is en dat er een goed compromis uit de bus moet komen met de nodige hervormingen, begrotingsdiscipline en speelruimte voor de uitbreiding. Ook de discussie over het platteland en de landbouw is heel belangrijk. Zo moet de vermindering van de inkomsten in de landbouw in een context van evenwicht heel kritisch worden bekeken. De beginselen van de interne markt mogen niet op de helling worden gezet en de invoering van de euro mag niet in gevaar worden gebracht. Het komt er op aan te streven naar stabilisering van de euro. Brok roept de Raad op met het EP te overleggen over de zwaartepunten voor de intergouvernementele conferentie die op de Top van Keulen zal worden besproken. Tot slot wil hij dat met de benoeming van een nieuwe Europese Commissie wordt gewacht tot na de Europese verkiezingen.

Tot op zekere hoogte klopt het dat het uur van de waarheid nadert, merkt Laurens Jan BRINKHORST (NL, ELD) op. Als er eind deze maand geen akkoord is, zitten we in de nesten. Over vertraging hoeven we niet te speculeren. Van belang is dat Agenda 2000 altijd de basis van een globale aanpak vormt. Dit principe moet overeind blijven. Het stemt Brinkhorst tevreden dat de voorzitter van de Raad heeft gezegd dat er al een akkoord is bereikt over het geld voor de uitbreiding. Dat betekent dat het interne gekrakeel niet over de rug van de kandidaatlanden plaatsvindt, en dat is goed nieuws. In het landbouwbeleid ziet hij een conflict tussen stabilisering en echte hervormingen. De liberalen zijn voorstander van echte stabilisering. Daarnaast zijn echte hervormingen noodzakelijk, niet alleen hervormingen op papier. De landbouwontwikkeling dient een onderdeel van het structuurbeleid te vormen. Wat de eigen middelen betreft, mag een speciale korting niet het model voor de toekomstige financiering worden. Individuele correcties dienen te worden uitgefaseerd en er is een billijke aanpak nodig, besluit Brinkhorst.

Gerard Collins (IRL, UE) ziet de onderhandelingen over Agenda 2000 als de moeilijkste opgave sinds de oprichting van de Gemeenschap. De afgelopen tien jaar zijn er goede initiatieven genomen om de concurrentie te verbeteren en de interne markt heeft veel invloed op de Unie gehad. Bij de onderhandelingen is altijd voorrang gegeven aan stabiliteit in de EU, en dat moet ook zo blijven. Hervormingen moeten evenwichtig zijn. Collins pleit voor een partnerschapaanpak met alle instellingen en regeringen. Hij vestigt er de aandacht op dat de Europese begroting nog geen 1,2 procent van de totale uitgaven van de lidstaten bedraagt en dat het landbouwbeleid niet teruggebracht mag worden onder de bevoegdheid van de lidstaten.

Alonso José Puerta (S, EUL/NGL) heeft het over een confrontatie tussen nationale belangen, zonder dat naar het Europese belang wordt gekeken. Ondertussen dalen de investeringen en is de groei kleiner dan voorzien. De begroting voor Agenda 2000 vindt hij bijzonder schraal, waardoor interne solidariteit niet meer mogelijk is. Daarbij komt dat de economische en sociale samenhang van de Vijftien op de helling komt te staan. Met deze begroting is volgens Puerta "meer Europa" geen haalbare kaart. Hij betreurt dat de Raad enkel denkt aan de vermindering van de uitgaven en dat nettovoordelen het uitgangspunt van de lidstaten zijn.

In Berlijn moet Agenda 2000 met succes afgerond kunnen worden, aldus Elisabeth Schroedter (D, GROEN), want anders wordt een fataal signaal gegeven en worden de nationalistische tendensen verder in de hand gewerkt. Om de brug tussen arm en rijk te dichten is een consensus over Agenda 2000 vereist, en daarvoor is solidariteit nodig. Overtrokken nationale eisen zijn misplaatst. In Berlijn moeten de Europese leiders proberen nader tot elkaar te komen. Het kan niet dat de toetredingskandidaten grote inspanningen moeten leveren terwijl de Unie zelf niet in staat is haar eigen huiswerk te maken. De eisen zijn evenwichtig, ze liggen op tafel en ze moeten de Raad in staat stellen een akkoord te bereiken, rondt Schroedter af.

Op 12 januari heeft Joschka Fischer een ambitieus Europees beleid geschetst, maar nu lijken de moeilijkheden groter dan verwacht, stelt Catherine Lalumière (F, ERA) vast. De begroting dient gesaneerd te worden, maar het zou verkeerd zijn de Unie voldoende middelen te ontzeggen. Naast de fouten die in het verleden zijn gemaakt ziet Lalumière een aantal fundamentele probleemgebieden, waaronder het Europese landbouwmodel, het cohesie- en solidariteitsbeleid en het Europese concurrentievermogen op het gebied van de geavanceerde technologieën. Er moet ook worden gezorgd voor een economisch, sociaal en werkgelegenheidsbeleid dat die naam waardig is. De middelen goed beheren is één ding, te zuinig zijn is echter verkeerd, want dan riskeren we het hele proces te vertragen en af te zwakken. Lalumière constateert dat het Duitse voorzitterschap blijkbaar van het gevaarlijke idee van rechtstreekse nationale bijdragen is afgestapt. Een herhaling van het klimaat van 1984 is immers uit den boze.

De weg naar de hel is geplaveid met goede voornemens, merkt Ole Krarup (DK, O-ENS) op. Hij beweert daar in het EP elke dag aan te worden herinnerd. Als je ergens mee bezig bent, moet je stevig met je voeten op de grond staan, maar de Unie lijkt wel als een springprocessie voort te schrijden. Voor veel burgers uit het noorden gaat het uitbreidingsproces de verkeerde kant uit. Zij vinden dat het politiek gezien niet goed doordacht is en niet op democratisering stoelt. Verder stelt Krarup vast dat financiële overwegingen tot een complete chaos leiden, wat vooral in de landbouw en de structuurfondsen duidelijk wordt.

Nogmaals de Raad

Verheugen ervaart dit debat als een aanmoediging. Over de doelstellingen en methodes zijn Raad en Parlement het duidelijk eens. Toch heeft hij het moeilijk met de kritiek op de onderhandelingen en de wijze van onderhandelen, omdat die naar zijn zeggen gebaseerd is op informatie uit vertrouwelijke beraadslagingen, waarbij allerlei belangen een rol spelen. De Raad werkt naar best vermogen aan een globaal compromis. Verheugen wijst erop dat het EP aan een meerderheid voldoende heeft, terwijl in de Raad unanimiteit is vereist. Hij vraagt hiervoor begrip.

Wat telt, is de grote Europese visie en niet wie wat betaalt, maar wellicht is geen enkele Europese regeringsleider bereid daar zelfs maar een minuut over te spreken. Verder wil Verheugen preciseren dat niemand vraagtekens plaatst bij het principe van solidariteit. De nettosaldi zijn geen specifiek Duits probleem. Een groep lidstaten heeft deze materie in het kader van Agenda 2000 aangekaart. Alle lidstaten zien het probleem, wat niet betekent dat het voor het Duitse voorzitterschap een aangename zaak is.

Het verwijt als zou het Duitse voorzitterschap zijn eigen nationale belangen behartigen neemt Verheugen niet serieus. Het tegendeel is waar. Wij zijn vast van plan Agenda 2000 af te sluiten en het gesternte is gunstig, want er is al een akkoord over een aantal belangrijke zaken, besluit hij.

Stemming (11/3/99)

gezamenlijke ontwerpresolutie verworpen, waarna ook alle afzonderlijke ontwerp-resoluties van de fracties worden verworpen


[Start of Doc] [Previous] [Next]

Situatie in Kosovo


    verklaringen van Raad en Commissie over de situatie in Kosovo

Debat (10/3/99)

De onderhandelingen over vrede in Kosovo worden over een paar dagen opnieuw aangevat en de EU wil alles in het werk stellen om ze met succes te bekronen, aldus Raadsvoorzitter Günter Verheugen, de Duitse staatssecretaris voor Buitenlandse Zaken. Het valt te betreuren dat er nog geen akkoord is bereikt, maar de onderhandelingen van Rambouillet waren zeker niet vergeefs. De internationale gemeenschap heeft de gelederen gesloten en daardoor de diverse partijen aan tafel gekregen. In het ontwerpakkoord van Rambouillet komen volgens Verheugen de belangen van de betrokken partijen gelijkelijk aan bod. Dit akkoord voorziet in een hoge graad van autonomie voor Kosovo. Een definitieve regeling zou er na drie jaar via een internationale conferentie moeten komen.

Het feit dat de gematigde Albanese Kosovaren al bereid zijn een akkoord te tekenen, is een extra waarschuwing aan het adres van Belgrado. Joschka Fischer heeft bij een bezoek ter plekke nogmaals benadrukt dat een mislukking in eerste instantie de partijen zelf zal treffen. De dreiging van de NAVO is serieus en blijft actueel. De EU is bereid het voortouw te nemen en de organisatie van een donorconferentie voor de wederopbouw, waarmee een bedrag van circa 330 miljoen euro gemoeid zal zijn, op zich te nemen. De EU wil de plaatselijke bevolking helpen, maar dan moeten beide partijen wel op 15 maart de voorstellen van de contactgroep aanvaarden.

Commissaris Manuel Marín hoopt dat maandag een akkoord wordt getekend. Commissaris Van den Broek is de afgelopen maandag in Belgrado en Pristina geweest waar hij duidelijk heeft gemaakt dat de consequenties ernstig zullen zijn als het akkoord er niet komt. Daarnaast maakt de Commissie zich op om met de wederopbouw in Kosovo te beginnen zodra een akkoord is getekend.

Johannes Swoboda (O, PES) meent dat het echte probleem nog niet van de baan is, namelijk tegenstanders omvormen tot partners. Voor er een echte oplossing is, zullen nog jaren heengaan en het is dus van belang dat er een militaire slagkracht op de grond blijft in Kosovo.

Doris Pack (D, EVP) vindt het duidelijk dat Milosevic zoals gewoonlijk weer tijd heeft gerekt. Intussen heeft hij aan de grenzen met Macedonië en Albanië een troepenmacht opgebouwd. En de EU kijkt weer toe, denkt aan wederopbouw terwijl men beter kan voorkomen dat nieuwe vluchtelingen ontstaan. Straks zijn er vrijwel geen Albanezen meer in Kosovo over en heeft zich een feitelijke etnische zuivering voltrokken. Als er een akkoord komt, zal naleving afgedwongen moeten worden met een militaire macht. En Milosevic zou zich eindelijk moeten verantwoorden voor zijn oorlogsmisdaden.

Van Hadar Cars (Z, ELD) mag Europa niet opnieuw een slagveld worden. De Balkan moet worden geëuropeaniseerd en de waarden van gelijkheid en tolerantie leren.

Per Gahrton (Z, GROEN) steunt de internationale pogingen om tot een vreedzame oplossing te komen. Als troepen nodig zijn, dan moeten die maar ingezet worden, maar wel volgens een VN-mandaat. Het echte werk begint echter pas na sluiting van een akkoord. Een civiel vredeskorps moet daarin een belangrijke rol spelen. Gahrton pleit tot slot voor een stabiliteitspact voor heel Zuid-Oost-Europa.

Olivier Dupuis (I, ERA) is niet gelukkig met de Europese aanpak van Kosovo, waarbij Servië en de Albanese Kosovaren op dezelfde manier worden behandeld. De agressie en tegenwerking komen echter duidelijk van Servische kant.

De bange vraag nu is, zegt Jan Marinus WIERSMA (NL, PES) of beide partijen een akkoord zullen ondertekenen en welke acties tegen weigeraars ondernomen worden. Ook vraagt Wiersma zich af welk feit Milosovic probeert te creëren met zijn troepenconcentraties. Van belang is dat iedereen in de regio leert leven met compromissen. Verder zal het A van Rambouillet gevolgd moeten worden door het B van een internationale militaire presentie. De EU zal daarbij geen wezenlijke rol kunnen spelen als er geen eenheid van opvatting is. En de EU moet ook bereid zijn in het uiterste geval militair op te treden.

Stemming (11/3/99)

gezamenlijke ontwerpresolutie aangenomen

    Het EP roept alle bij het conflict in Kosovo betrokken partijen op tot een staakt-het-vuren en zich te onthouden van enige provocerende actie, om de sluiting van een akkoord van Rambouillet niet in gevaar te brengen. Als er eenmaal een akkoord is, dan moet naleving daarvan worden afgedwongen door een internationale vredesmacht. De EU en de EU-lidstaten moeten een aanzienlijke bijdrage leveren aan alle onderdelen van het akkoord, inclusief de wederopbouw.

    Voor de vluchtelingen moet de EU meer steun uittrekken. Alle partijen in het conflict worden verder opgeroepen hun medewerking te verlenen aan het Internationale Gerechtshof voor oorlogsmisdaden in het voormalige Joegoslavië.


[Start of Doc] [Previous] [Next]

Mediterraan beleid van de Unie


    gecombineerde behandeling
                             -    mededeling van de Commissie: de rol van de Europese Unie bij het vredesproces en de vooruitzichten voor de hulp aan het Midden-Oosten
        verslag-Colajanni (I, PES)
        doc. A4-42/99 <BUIT>
            -    aanbeveling over het mediterrane beleid van de Unie
        verslag-Sakellariou (D, PES)
        doc. A4-95/99 <BUIT>

Vredesproces in het Midden-Oosten

De plannen van de Commissie om strenger toe te zien op de financiële steun van de EU voor het vredesproces in het Midden-Oosten ervaart rapporteur Luigi Colajanni (I, PES) als een al te strakke aanpak. De Commissie wenst niet langer geld uit te trekken voor activiteiten van de Palestijnse Autoriteit, maar wil zich beperken tot steun voor projecten die in de categorie economische en financiële samenwerking thuishoren. Als het mis gaat met de Palestijnse Autoriteit, moet er bilaterale samenwerking komen. Hoe dan ook is de Commissie niet meer bereid altijd het gelag te betalen; de EU-steun mag niet langer als een bodemloze put worden beschouwd.

Colajanni vindt dat het al dan niet toekennen van steun afhankelijk moet worden gemaakt van een politieke evaluatie. Als de steun voor het politiekorps op de helling komt te staan, zal de Palestijnse Autoriteit niet meer in staat zijn het terrorisme te bestrijden, wat een serieuze belemmering voor het vredesproces zou zijn. Als de financieringsbron voor acties op onderwijsgebied wordt drooggelegd, betekent dat in feite dat het onderwijs in handen van fundamentalisten en extremisten wordt gegeven, vervolgt Colajanni.

De rapporteur vestigt er ook de aandacht op dat de kritieke datum van 4 mei met rasse schreden nadert. Als het vredesproces dan nog niet is vlot getrokken, wil de Palestijnse Autoriteit eenzijdig de onafhankelijkheid uitroepen. Israël heeft al laten weten dat het in dat geval onmiddellijk tot bezetting van de gebieden zal overgaan. Colajanni dringt er dan ook op aan alles in het werk te stellen om van de Palestijnen gedaan te krijgen dat zij deze datum verschuiven tot na de algemene verkiezingen in Israël, die in mei en juni plaatsvinden. Hopelijk heerst er dan een klimaat waarin de Israëlische samenleving het beginsel "land voor vrede" kan aanvaarden en het gewettigde streven van de Palestijnen naar een eigen staat kan worden verzoend met de erkenning van het Israëlische recht op veiligheid.

In verband met de toekenning van EU-steun merkt Colajanni nog op dat met bekwame spoed moet worden gezorgd voor een directe controle door de Commissie op de besteding van de Europese fondsen, want er zijn veel gevallen van malversaties geconstateerd. Hij stemt dan ook in met initiatieven van de Commissie voor volledige transparantie van de uitgaven en met de maatregelen die zij daartoe wil nemen.

Mediterraan beleid

De ondertekening van vijf associatieovereenkomsten in het kader van het proces van Barcelona vindt rapporteur Jannis Sakellariou (D, PES) op zich verheugend, maar hij betreurt dat de ratificatie zo lang op zich laat wachten, want daardoor zullen de overeenkomsten later dan verwacht in werking treden. Verder valt te betreuren dat drie jaar na de Conferentie van Barcelona nog niet alle landen van het Middellandse-Zeegebied zijn uitgenodigd om aan het proces van Barcelona deel te nemen. Als de huidige impasse in het vredesproces in het Midden-Oosten niet wordt doorbroken, dan vreest Sakellariou dat ook het proces van Barcelona zal stagneren. De Europese Unie zou zich in dat vredesproces overigens meer moeten profileren.
Sakellariou benadrukt verder dat moet worden gehandeld naar de mensenrechtenbepalingen in de Verklaring van Barcelona. Hij vraagt de Raad de Commissie op te dragen een jaarverslag op te stellen over de mensenrechtensituatie in de landen die deze verklaring hebben ondertekend. Daarnaast vindt hij het terecht dat de burgermaatschappij in de betrokken landen wordt aangemoedigd om actief aan het proces van Barcelona deel te nemen.

De rapporteur is van mening dat ook Libië moet worden uitgenodigd op de volgende conferentie in Stuttgart, op voorwaarde dat het zich houdt aan zijn toezeggingen in verband met de VN-resoluties en dat het de beginselen van de Conferentie van Barcelona over het bestaansrecht van alle aan de dialoog deelnemende partners erkent. Mediterrane derde landen die momenteel niet aan het proces van Barcelona deelnemen, dienen de status van waarnemer te krijgen en voor de voormalige Joegoslavische republiek Macedonië (FYROM) is een soort status als voor Mauritanië wenselijk.

Tot slot is Sakellariou van mening dat het onderhandelingsmandaat van de Commissie voor de euro- mediterrane overeenkomsten aanzienlijk flexibeler moet worden (behalve wat democratie- en mensenrechtenclausules betreft), zodat beter met de specifieke behoeften van alle partners rekening kan worden gehouden en de kwijtschelding van schulden kan worden ingepast in een strategie die inhoudt dat de staat met schulden zich ertoe verbindt het kwijtgescholden bedrag te herinvesteren in projecten voor economisch herstel en economische hervormingen.

Debat (10/3/99)

Het Duitse voorzitterschap steunt het vredesproces overeenkomstig de akkoorden van Washington en Madrid, aldus Raadsvoorzitter Günter Verheugen, de Duitse staatssecretaris voor Buitenlandse Zaken. Alle voorzitterschappen hebben overigens veel aandacht aan deze regio besteed. Wel hoedt de EU zich ervoor niet al te zeer in concurrentie te treden met de VS, want het belang van de rol van de VS in de regio is bekend. Er wordt vooruitgang geboekt, maar er zijn ook veel tegenslagen. Volharding en geduld zijn echter belangrijk. Verheugen brengt in herinnering dat de Unie al veel tot het vredesproces heeft bijgedragen: sinds 1993 verleent zij grootmoedig financiële steun aan de Palestijnse gebieden om de omzetting van de politieke akkoorden mogelijk te maken. Ontnuchterend is de negatieve economische evolutie in de Palestijnse gebieden. De economie is er vergeleken met 1993 op achteruitgegaan, wat vooral te wijten is aan het stilvallen van het vredesproces. Anderzijds moeten de Palestijnen zelf voor een efficiënter gebruik van de internationale hulp zorgen. Als succesvolle projecten noemt hij de bouw van scholen en projecten in verband met watervoorziening en afvalverwerking. Zonder de EU-hulp zou het economisch debacle nog groter zijn geweest en had Palestina niet kunnen overleven. Financiële hulp is immers ook politieke hulp.

Verheugen bevestigt dat de economische en politieke stabiliteit van Jordanië van doorslaggevend belang is. Joschka Fischer heeft van koning Abdullah de verzekering gekregen dat het beleid niet verandert. Een fundamenteel probleem blijft het gebrek aan water in de regio. De verschillende staten zullen niet anders kunnen dan samenwerken op dat gebied. Verheugen meldt dat door de speciale EU-gezant Moratinos een task force voor de waterproblematiek in het leven is geroepen.

Verheugen heeft perfect verwoord wat de Commissie over deze problematiek denkt, verklaart commissaris Manuel Marín. De vergadering van Stuttgart, die op een politiek delicaat moment in het Midden-Oosten komt, is heel belangrijk. De voorbije maanden is intensief samengewerkt met het Duitse voorzitterschap voor een associatieovereenkomst met Egypte. Hopelijk komt dit rond vóór Stuttgart, want Egypte vervult in de regio een spilfunctie. Het moet Marín van het hart dat de ratificatie van de akkoorden op nationaal niveau zeer langzaam verloopt. Het systeem voor de ratificatie van gemengde akkoorden moet dan ook snel worden gecorrigeerd.

Ook Marín vindt het belangrijk dat werk wordt gemaakt van een goede oplossing vóór 4 mei. Er dient wel in overleg met de Israëlische regering te worden gehandeld. Het is moeilijk voor de hulp aan de Palestijnen een financiële programmering op te stellen als zich onverwacht problemen met de aanvoer van goederen, aanslagen enz. voordoen. Een grotere begrotingstransparantie van Palestijnse zijde en de stopzetting van het restrictieve economische beleid door Israël zijn ten zeerste wenselijk. Israël dient het bilaterale akkoord tussen de EU en de Palestijnse Autoriteit te aanvaarden en moet weten dat zijn restrictieve economische beleid een vergissing is. Anderzijds heeft Israël het recht om veiligheidseisen te stellen. De economische ontwikkeling van de Palestijnse gebieden is echter zeer belangrijk voor de veiligheid van Israël, want als de economie niets voorstelt, is dat een voedingsbodem voor extremisme.

De Commissie wil zich niet langer met de lopende uitgaven van de Palestijnen bezighouden, vervolgt Marín. Zij heeft voorheen de werkingskosten van de Palestijnse Autoriteit gefinancierd om haar in leven te houden, om politieke redenen dus. Dat wil zij in de toekomst vermijden. Dit betekent echter niet dat zij de Palestijnen zomaar laat vallen. Marín benadrukt dat de Commissie hier niets kan worden verweten, want zij heeft enkel de instructies van het EP en de Raad uitgevoerd.

Op verzoek van de Raad omvatte het MEDA-programma een speciaal programma voor Jordanië. Voor de toetreding van Libië tot de euromediterrane conferentie moet een politieke oplossing worden gevonden. Daarbij kan worden gedacht aan de formule van de secretaris-generaal van de VN.

Fractiewoordvoerders

De twee verslagen geven de goede richting aan, vindt Johannes Swoboda (O, PES). De koppeling met beide begrotingscommissies is een positieve zaak en moet in de toekomst meer worden toegepast. Belangrijk is dat de middelen goed en efficiënt worden besteed. Er moet worden gezocht naar een weg om de politiek en financiële efficiency met elkaar te verzoenen. Swoboda vindt dat het EP in het verleden te weinig flexibel is geweest en zegt de steun van zijn fractie toe om die brug tussen het politieke en het financiële te slaan. In Libië zijn blijkbaar velen bereid om opnieuw aansluiting te zoeken bij de internationale gemeenschap. Verder moet alles op alles worden gezet om de terugtrekking van Israël uit Libanon in de hand te werken, zodat vrede met Syrië mogelijk wordt en een akkoord over de Golanhoogte haalbaar is. 4 mei 1999 is een historische datum, maar mag niet tot nieuwe conflicten leiden.

Antonio Graziani (I, EVP) heeft het over verschillende culturen die sinds eeuwen in nauw contact met elkaar staan. Hij pleit ervoor met alle landen samen te werken, ook met Libië. Belangrijk is de universaliteit van de mediterrane landen. De burgerlijke ontwikkeling in die landen is eveneens van belang. Als uitgangspunt moet gelden dat deze landen een eigen historische identiteit hebben. Volgens Graziani wordt dat niet altijd begrepen.

Het vredesproces zit in een impasse, aldus Jan Willem BERTENS (NL, ELD). De partijen houden hun adem in voor de verkiezingen in Israël en de uitroeping van een onafhankelijke staat Palestina. Bertens vindt dat die uitroeping moet worden uitgesteld. Gebeurt het toch, dan moeten we die staat erkennen. Uitstel is echter aangewezen om de extremisten in Israël in te tomen. Het is de taak van Europa matigheid te prediken. Het vredesproces in het Midden-Oosten is ook belangrijk voor het Barcelonaproces, dat eveneens in een impasse zit. Los daarvan dient de EU te investeren in democratie en mensenrechten. Veel aandacht moet naar de civil society gaan. Belangrijk vindt Bertens dat de Unie steun geeft aan de organisatie van een parallelle vergadering van NGO's tijdens de vergadering in Stuttgart.

We blijven afhankelijk van de ontwikkelingen ter plekke en de datum van 4 mei is een zwaard van Damocles, stelt Leonie VAN BLADEL (NL, UE). De oproep om het uitroepen van de onafhankelijkheid uit te stellen vindt zij terecht. Van Israël mag worden verwacht dat het na de verkiezingen serieus werk maakt van het vredesproces. Verheugend is dat er ook nu al positieve geluiden over een mogelijke terugtrekking uit Libanon zijn. Deze terugtrekking mag echter niet onvoorwaardelijk zijn: de situatie is te onduidelijk en er moeten afspraken met Syrië worden gemaakt. Tot slot merkt Van Bladel op dat Egypte, een land dat veel gewicht in de schaal werpt, na drie jaar onderhandelingen nu over de drempel moet worden getrokken.

Ook Gianni Tamino (I, GROEN) betuigt zijn steun aan de rapporteurs. Beide processen zitten in een impasse. Ook de Israëlische regering werpt obstakels op. Tamino trekt zich vooral het lot van de mensen aan en pleit voor initiatieven zoals “people to people”. Hij vindt dat de Commissie daar efficiënt op moet reageren. Verder is hij voorstander van een bijzonder statuut voor Macedonië. Tamino constateert dat de EU deze zaak aanpakt zonder een gemeenschappelijk buitenlands beleid te voeren, en zo kan het moeilijk verder.

Henri de Lassus Saint Geniès (F, ERA) maakt een voorbehoud bij het diplomatieke standpunt van rapporteur Colajanni. Hij vindt dat een standpunt afhankelijk moet zijn van het opnieuw aanzwengelen van het vredesproces, want het gaat om de vrede aan onze voordeur. Om Barcelona nieuw leven in te blazen, moeten democratie en mensenrechten worden bekeken.

Marín zegt toe de programmering deze keer gelijk te laten lopen in de Raad en het EP om tegelijk een besluit van de Raad en instemming van het EP te verkrijgen. Zo komt er algemene arbitrage en kunnen de problemen opgelost worden die echt opgelost moeten worden.

Stemming (11/3/99)

verslag-Colajanni licht gewijzigd aangenomen

    Aangenomen worden am. van de Groenen, waarin betreurd wordt dat Israël achteraf nieuwe voorwaarden heeft toegevoegd aan het akkoord van Wye Plantation, en waarin Israël wordt opgeroepen de Palestijnse politieke gevangenen vrij te laten. Met een am. van de PES wordt de instanties die zich garant stellen voor uitvoering van het akkoord van Oslo, verzocht zich opnieuw plechtig gebonden te verklaren aan alle doelstellingen van het vredesproces. De Palestijnse Nationale Autoriteit moet de nodige steun krijgen om verlenging van de toepassingperiode van het akkoord na 4 mei te rechtvaardigen.

verslag-Sakellariou licht gewijzigd aangenomen

    Aangenomen wordt een am. van de PES waarin wordt gevraagd om het bevorderen van samen werking tussen de mediterrane landen om de immigratie te beheersen.


[Start of Doc] [Previous] [Next]

Eigen middelen van de EG



    eigen middelen van de EG
    verslag-Haug (D, PES)
    doc. A4-105/99 <BEGR>

De begrotingscommissie keert zich in het verslag van Jutta Haug (D, PES) over de financiering van de Europese Unie tegen het huidige gekrakeel tussen de lidstaten over wie er hoeveel moet betalen, tegen de korting die Groot-Brittannië geniet en het idee van de "juste retour". Als een van de oplossingen draagt Haug aan dat het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid in de toekomst voor de helft wordt medegefinancierd door de lidstaten zelf.

De Britse "rebate" werd ingevoerd toen de EU-begroting nog voor zo'n 70% uit landbouwuitgaven bestonden en Groot-Brittannië kon aanvoeren dat het daar nauwelijks van profiteerde. De landbouwuitgaven beslaan nu echter minder dan 50% van de Europese begroting en met de cofinanciering valt de bestaansgrond voor de Britse "rebate" helemaal weg. Op deze manier zullen de lidstaten bovendien sterker betrokken worden bij de toekomstige vormgeving van het Europese landbouwbeleid en zullen ze de financiële belangen van de EU zorgvuldiger in acht nemen. En de toetreding van Midden- en Oost-Europese landen wordt een stuk gemakkelijker.

De begrotingscommissie veroordeelt ook principieel het idee van de "juste retour", dat indruist tegen de ondeelbaarheid van financiële en niet-financiële rechten, voordelen en plichten die voortvloeien uit het EU- lidmaatschap, uit het beginsel van solidariteit tussen de lidstaten en uit de vier vrijheden. Een verlaagde bijdrage van afzonderlijke lidstaten aan de financiering van terreinen als het structuurbeleid, de uitbreiding en het intern beleid is op geen enkele manier te rechtvaardigen.

Maar, zo erkent de begrotingscommissie, door een verouderde berekeningsmethode voor het BBP zijn technisch veroorzaakte onevenwichtigheden ontstaan. Daarom moet de Commissie zo snel mogelijk een technische wijziging van het eigen-middelenbesluit voorstellen om het BBP op moderne wijze te laten vaststellen.

Aan de inkomstenkant zijn vrijstellingen en speciale regelingen in principe uit den boze. Dat betekent dat bestaande regelingen moeten verdwijnen, dat alle lidstaten op grond van dezelfde beginselen moeten bijdragen aan de Europese begroting en dat verschillen in economische ontwikkeling niet gecompenseerd moeten worden aan de inkomstenkant maar aan de uitgavenkant. De Europese Commissie wordt gewaarschuwd niet voor de belangen van bepaalde lidstaten te zwichten.

Het "stelsel van eigen middelen" van de EU zal in fasen hervormd moeten worden, mede met het oog op de verdergaande integratie. Zo zal de Europese begroting volledig democratisch moeten worden, hetgeen inhoudt dat het Europees Parlement niet alleen aan de uitgavenkant maar ook aan de inkomstenkant het recht van medebeslissing moet krijgen, en dat de medebeslissing aan de uitgavenkant voor álle uitgaven geldt, dus ook voor de landbouw.

De Europese begroting zal op langere termijn op andere eigen ontvangsten gebaseerd moeten worden en niet langer uit afzonderlijke bijdragen van de lidstaten moeten bestaan. Zo'n verandering mag echter niet tot een per saldo hogere last voor de Europese belastingbetaler leiden. De EU moet daarbij duidelijk verantwoordelijk worden voor de desbetreffende fiscale wetgeving en de bijbehorende bevoegdheid krijgen om de ontvangsten te innen en uit te geven.

Ontvangsten die rechtstreeks naar de EU vloeien, worden als direct relevant gezien door de burger. Deze moet daar zoveel mogelijk haar/zijn goedkeuring aan geven en de uitgaven moeten een logische samenhang vertonen met de Europese integratie en Europese taken. Het EP heeft al twee keer een studie laten verrichten naar de beste nieuwe bronnen van belastingen en inkomsten. Niet één belastingheffing is optimaal gebleken en daarom zal de Europese financiële autonomie verzekerd moeten worden door een combinatie van verschillende inkomstenbronnen.

Debat (9/3/99)

Terry Wynn (VK, PES) vindt de opstelling van het verslag over de eigen middelen eigenlijk een “mission impossible” en pas bij de stemming zal blijken hoe onmogelijk. Op het ontwerp-verslag werden 230 amendementen ingediend. Haug heeft daarop goed werk geleverd met tal van compromis-amendementen. Unanimiteit is echter nog ver te zoeken. Als Wynn uit Griekenland of Ierland kwam, zou hij zeker tegen am. 141 over de cofinanciering stemmen. Maar was hij een Duitser of Nederlander dan zou hij de desbetreffende par. 13 juist met volle overtuiging steunen. De Britten zullen daarentegen ongetwijfeld tegen afschaffing van de “rebate” stemmen.

Toch zal iedereen het er over eens zijn dat het anders moet. Het huidige stelsel ontbeert iedere systematiek of visie. En de traditionele “eigen middelen”, de enige die echt Europees zijn, kwijnen weg. Bovendien is de formule voor de berekening voor de BTW- en de BBP-bijdrage mateloos ingewikkeld en onbegrijpelijk. Er moet dus een helder en begrijpelijk systeem komen.

Otto Bardong (D, EVP) meent dat zolang het alleen gaat om een billijke verdeling van de lasten tussen de lidstaten, men altijd te maken zal hebben met economisch tegenstrijdige belangen. Het systeem van eigen middelen moet alleen al daarom behouden blijven, inclusief de douanerechten, hoewel die ieder jaar minder worden. Een probleem is dat de lidstaten die als hún bijdrage zien, hoewel ze 10% terugkrijgen voor de administratieve kosten. Bardong vindt dat maar eens moet worden nagegaan of dat geld effectief naar de douanediensten gaat. Bardong is voor de cofinanciering, voor verlaging van de korting voor de Britten en voor nieuwe eigen middelen.

Laurens Jan BRINKHORST (NL, ELD) wil onderscheid maken tussen de controversiële punten en algemene punten waarover het EP het wel eens is. Zo moet het EP vóór de top van Berlijn duidelijk maken dat het het oneens is met de "juste retour" en geen verdere uitzonderingen wil. De Britse uitzondering moet juist worden herzien en er moet zeker geen algemeen correctiemechanisme komen. Gekeken moet worden naar de kans op werkelijk eigen middelen, ook al zullen die nog een poosje op zich laten wachten. Een aantal punten geeft problemen. Met de cofinanciering is een grote meerderheid van de ELD het eens. Bourlanges van de EVP zegt wel dat die illegaal is, maar dat is niet waar. Het is een herziening van beleid dat op zich communautair blijft. Alleen is het anno 1999 de vraag of voor landbouwbeleid nog altijd hetzelfde bedrag uit de Europese begroting moet komen. Dit is een kans om het hele systeem te verbeteren.

Jean-Antoine Giansily (F, UE) spreekt van een heksenjacht op het Europese landbouwbeleid. Cofinanciering betekent renationalisering van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid. De toezeggingen van de Toppen van Brussel en Edinburgh, dat lidstaten het meest krijgen die er het meest behoefte aan hebben, moeten nagekomen worden. Daarbij gaat het met name om Griekenland, Portugal en Ierland. Bij de stemming over het verslag-Haug zal blijken dat de solidariteit tussen de lidstaten gehandhaafd moet blijven.

Edith Müller (D, GROEN) vindt daarentegen dat cofinanciering van het GLB niets te maken heeft met het nogal goedkope debat over de nettobijdragen. Het gaat hier om een oude eis van het EP: structurele hervormingen, meer democratie en het mogelijk maken van de uitbreiding. De omschrijving "gemeenschappelijk" verhult slechts dat op de landbouw geen enkele democratische controle mogelijk is. Als de landbouwministers beslissen over bijna de helft van de EU-begroting, dan beslist het EP niet mee, noch enig nationaal parlement. Dát is de grote misstand in de landbouwpolitiek. En de bevordering van het platteland kan heel goed worden ondergebracht bij de structuurfondsen, waar het EP wel zeggenschap over heeft.

Gianfranco Dell'Alba (I, ERA) meent dat de "juste retour" het hele Europese bouwwerk ondermijnt en op de totaalbedragen scheelt het ook bijna niets. Maar het is een vergissing dat het EP, dat slechts geraadpleegd wordt, weer een voorstel naar boven haalt dat al door de regeringen van de EU van tafel is geveegd.

Stemming (11/3/99)

verslag aangenomen (276/154/47)


[Start of Doc] [Previous] [Next]

Bankkosten



    bankkosten als gevolg van de invoering van de euro
    mondelinge vragen
    doc. B4-146, 149, 150, 151, 152, 153 en 154/99

Debat (10/3/99)

Een van de voornaamste argumenten om de burgers van de Unie te overtuigen van de voordelen van de euro was de vermindering van de bankkosten omdat het wisselkoersrisico wegvalt. Nu blijkt dat de kosten die de consument worden aangerekend voor het omwisselen van een nationale munt in een andere munt die deel uitmaakt van de eurozone nauwelijks zijn gedaald. Op de koop toe verschillen de banktarieven sterk van lidstaat tot lidstaat.

Daarom stellen de fracties van het EP hierover een mondelinge vraag aan de Commissie. Reeds in december 1997 had het EP bij de Commissie aangedrongen op wetgeving voor deze materie. In maart 1998 kwam het EP opnieuw met een resolutie, waarin het de opstelling van een gedragscode voor de banken en de financiële sector eiste. De Commissie vond specifieke wetgeving niet nodig en beperkte zich in april 1998 tot een aanbeveling. Nu ziet het er echter naar uit dat die geen effect heeft gesorteerd.

Moet er dan toch wetgeving komen? Wat denkt de Commissie te ondernemen om te voorkomen dat zulke hoge kosten worden aangerekend en dat banken het onderling op een akkoordje gooien? Kan de Commissie gegevens verstrekken op basis waarvan de kosten vóór en na de invoering van de euro met het oog op de broodnodige transparantie precies kunnen worden vergeleken?

Commissaris Mario Monti vindt dat deze kwestie niet simpelweg met wetgeving kan worden geregeld. Hij beseft hoe ernstig de huidige situatie is en dat "de geloofwaardigheid van de euro en het financiële systeem op het spel staat". Maar het instrument van wetgeving valt niet te rijmen met de interne markt. Dit neemt niet weg dat een aantal maatregelen worden genomen om te beletten dat te hoge bankkosten worden aangerekend en dat financiële instellingen onderling afspraken maken. Zo heeft de Commissie de Europese Vereniging van Banken gevraagd een onderzoek te verrichten naar de bankkosten. De resultaten daarvan zullen uiterlijk op 31 maart 1999 aan het EP worden voorgelegd. Verder kunnen EU-burgers via Internet of per fax elke inbreuk op de aanbeveling van de Commissie melden. Bij de diensten van commissaris Karel Van Miert loopt momenteel een onderzoek naar mogelijke heimelijke afspraken tussen banken.

Monti is tevreden over de mate van transparantie waarvoor de banken sinds de aanbeveling van de Commissie hebben gezorgd en herinnert eraan dat in die aanbeveling nergens sprake is van een "aanvaardbaar niveau van de bankkosten". Verder stelt hij tegen mei 1999 een mededeling van de Commissie over het beleid op het gebied van betalingsverkeer in de EMU in het vooruitzicht. De lidstaten hebben toegezegd uitvoering te zullen geven aan de richtlijn over grensoverschrijdende kredietoverschrijvingen vanaf haar inwerkingtreding medio augustus 1999.

Stemming (11/3/99)

gezamenlijke ontwerpresolutie aangenomen

    Het EP wil dat banken en andere financiële instellingen die hun bankkosten niet verlagen, daar desnoods wettelijk toe verplicht worden. Het EP vindt het zorgelijk dat de bankkosten voor grensoverschrijdende betalingen en de omrekening tussen de valuta's van de eurozone nog altijd hoog zijn. Het bankwezen zou een gedragscode op moeten stellen om zich te houden aan de bepalingen die de Commissie heeft neergelegd in een aanbeveling van 1998. Als het bankwezen zich niet houdt aan de door de Commissie gestelde termijn voor een verlaging en het volledig transparant maken van de bankkosten, dan dient bindende wetgeving te worden overwogen. De richtlijn over grensoverschrijdende betalingen moet zo snel mogelijk worden uitgevoerd.



[Start of Doc] [Previous] [Next]

Beveiliging kerncentrales Oost-Europa


            mededeling van de Commissie over de nucleaire sector: activiteiten t.b.v de kandidaatlidstaten, de LMOE en de nieuwe onafhankelijke staten
    verslag-Adam (VK, PES)
    doc. A4-88/99 <ONDE>

Rapporteur Gordon Adam (VK, PES) dringt er bij de Europese Commissie op aan in het kader van het Internationale Verdrag voor nucleaire veiligheid te streven naar een overeenkomst met de kandidaatlanden in Midden- en Oost-Europa (LMOE) en de Nieuwe Onafhankelijke Staten (NOS) over nucleaire veiligheidsnormen en -regelingen voor de bouw en exploitatie van kerncentrales, de brandstofkringloop en de transportvoorwaarden. Voor elk van deze landen moet in het kader van de desbetreffende partnerschappen- en samenwerkingsovereenkomst een energiestrategie worden overeengekomen.

Bij de toetredingsonderhandelingen dient de nucleaire veiligheid te worden gewaarborgd. De uitbreiding van de EU mag geenszins ten koste gaan van de nucleaire veiligheid, die in Agenda 2000 als prioriteit is aangemerkt. Die veiligheid maakt deel uit van het over te nemen acquis communautaire. Van de Europese Commissie verwacht Adam zo spoedig mogelijk concrete voorstellen voor een betere coördinatie tussen de diverse afdelingen die verantwoordelijk zijn voor het optreden van de EU op dit gebied in de Midden- en Oost- Europese landen en de voormalige Sovjet-Unie. Dit geldt meer bepaald voor het directe verband tussen de onderzoeksacties (vijfde kaderprogramma) en de acties op het gebied van de externe betrekkingen (programma's Phare en Tacis).

Een en ander moet worden gezien tegen de achtergrond van het speciale verslag van de Reken-kamer nr. 25/98, waaruit blijkt dat tot dusver slechts 300 miljoen euro is besteed aan steun ter bevordering van de nucleaire veiligheid in Midden- en Oost-Europa, terwijl de EU voor de periode 1990-1997 een bedrag van circa 850 miljoen euro had uitgetrokken. De Rekenkamer wond er ook geen doekjes om dat het eind 1997 onmogelijk bleek na te gaan of er op het gebied van de nucleaire veiligheid wezenlijke vooruitgang was geboekt.

Adam wil dat de Commissie een alomvattend verslag opstelt en volledig ingaat op de kritiek en de vragen in het speciale rapport van de Rekenkamer. Verder dient de Commissie voor het Parlement een halfjaarlijks verslag op te stellen over de lopende werkzaamheden in het kader van communautaire programma's, de door de lidstaten verleende bijstand, de bijdrage van de EU-industrie en de door de EBWO beheerde Rekening Nuclaire Veiligheid. Als de Commissie daarbij op tekortkomingen en misbruiken met programma's stuit, dienen deze zonder pardon nader te worden onderzocht, het Europees Parlement op de hoogte gebracht en passende maatregelen genomen.

Tevreden is Adam met de oprichting van de West-Europese Vereniging van regelgevende autoriteiten op nucleair gebied (WENRA) en de bijdrage die deze heeft geleverd tot de vaststelling van nucleaire veiligheidsnormen voor de EU. Ook de oprichting van onafhankelijke autoriteiten in de kandidaatlanden om de correcte toepassing van deze normen te garanderen stemt hem tevreden. De hulp voor de verbetering van de veiligheid van reactoren van de eerste generatie van het type RBMK en VVER 440/230, die niet meer tegen een verantwoorde kostprijs op een internationaal aanvaardbaar veiligheidsniveau kunnen worden gebracht, moet volgens Adam beperkt blijven tot veiligheidsingrepen op korte termijn die noodzakelijk zijn om de installaties draaiende te houden. Verder mogen geen EURATOM-leningen voor de modernisering van andere centrales worden verstrekt als niet ondubbelzinnig is toegezegd dat deze "eerste generatie"- reactoren van het type RBMK en VVER 440/230 definitief zullen worden ontmanteld.

Van de moderniseringsplannen voor de operationele reactoren van andere types, waarvoor het licht op groen is gezet, dient met spoed werk te worden gemaakt. Tot slot onderstreept Adam het belang van extra steun aan de nationale regelgevende autoriteiten van de Midden- en Oost-Europese landen en de republieken van de voormalige Sovjet-Unie door middel van de programma's Phare en Tacis. Daaraan verbindt hij echter één voorwaarde: deze autoriteiten dienen juridisch onafhankelijk te zijn en ook in de praktijk onafhankelijk op te treden.

Debat (10/3/99)

Uiteraard, zo stelt Adam voorop, erkent het EP het soevereine recht van landen om hun eigen energiebeleid te voeren. De EU is echter zeer aanwezig met nucleaire activiteiten in de Midden- en Oost-Europese landen en de voormalige Sovjet-republieken. De nucleaire veiligheid is daar onbetwistbaar door verbeterd, met name door de bijstandsteams ter plaatse in het kader van de Phare- en Tacis-programma's. Die grotere veiligheid is niet precies meetbaar, maar bestaat.

In weerwil van de grote inspanningen in die landen kan de EU echter niet haar beleid aan deze soevereine landen opleggen. De voortdurende verwijzingen naar onveilige centrales en de pressie tot sluiting worden daar niet gewaardeerd. Daar komt bij dat alle reactoren in de Midden- en Oost-Europese landen, in de Nieuwe Onafhankelijke Staten en in de Russische Federatie werken volgens de normen van de IAEA en dat kernenergie daar gebruikt zal blijven worden. De landen willen een maximale energie-onafhankelijkheid. Veel landen willen niet afhankelijk zijn van Russische olie of gas. Sommige landen, zoals Litouwen en Bulgarije, leveren zelf elektriciteit aan hun buurlanden en verdienen daarmee broodnodige exportdeviezen.

Hoewel de EU dus heel actief is geweest, is er onvoldoende resultaat, en schiet ook het G7-beleid tekort. Nog niet één onveilige reactor is gesloten dankzij het huidige beleid en de nucleaire staten in Oost-Europa zullen hun nucleaire optie blijven gebruiken. Daar zijn twee redenen voor. De eerste is dat in de akkoorden geen voorzieningen voor alternatieve energieopwekking zijn getroffen. En er is niet goed gekeken naar de opvatting die deze landen hebben van hun nationale veiligheid en economische behoeften.

Adam pleit voor een echte samenwerking. De EU mag niet met harde hand en dictatoriaal een mening opleggen. Er moet onderhandeld worden over een energiestrategie voor ieder land, met alternatieven voor de nucleaire energievoorziening. En de regelgevende normen moeten worden herzien, samen met de IAEA en de Europese Commissie. Het doel is dan een acquis communautaire voor het gebruik van nucleaire energie - met gelijke normen in de hele EU, de Midden- en Oost-Europese landen en de Nieuwe Onafhankelijke Staten. Tot slot vindt Adam dat de coördinatie binnen de Commissie beter moet verlopen.

Commissaris Hans VAN DEN BROEK vindt dat het verslag-Adam een realistisch beeld schetst van de omvang van de taken. Helaas is verandering niet op de heel korte termijn te bewerkstelligen. De redenen zijn inderdaad dat de partnerlanden soevereine staten zijn die hun eigen energiebeleid vaststellen en dus ook hun eigen kernenergiebeleid. Sommige zijn in hoge mate afhankelijk van kernenergie voor hun eigen voorziening en voor exportinkomsten. Verder zijn er de zeer hoge kosten van de modernisering en zelfs volledige sluiting van kerncentrales.

De strategie van de EU en dus van de Commissie, waarover ook in het rapport van de Rekenkamer wordt gesproken, gaat terug op een beslissing van de G7 uit 1992, vlak na de ramp met de centrale in Tsjernobyl. Voor de korte termijn moest een concrete oplossing gevonden worden voor de urgentste problemen. Deze werden geïdentificeerd door de IAEA, zoals de instelling van onafhankelijke veiligheidsautoriteiten en de verbetering van de veiligheid van kernreactoren. Op de langere termijn moest er een duurzame verbetering van de veiligheid komen, waarbij de minder veilige reactoren gesloten zouden worden, alternatieve energiebronnen werden aangeboord, de energie-efficiëntie verbeterd, en geholpen werd bij de modernisering van reactoren waar dat mogelijk was.

Ondanks de kritiek, die zeker mogelijk is, hebben de inspanningen van de EU wel degelijk effect gesorteerd. De 800 miljoen zijn goed besteed. Bereikt is dat de onafhankelijke regelgevende autoriteiten zijn ingesteld of versterkt, dat een juridisch kader is geschapen voor een veilig kernenergiebeleid (hoewel de kwaliteit daarvan van land tot land verschilt), dat voor de belangrijkste ontwerpfouten technische oplossingen zijn gezocht. Door de uitwisseling en overdracht van kennis is er vooruitgang in de nucleaire veiligheidscultuur. En de EU heeft een aanzienlijke bijdrage geleverd aan de verbetering van de operationele praktijk, aan modernisering, aan een grotere bewustwording van de problemen met afvalbeheer.

Ook heeft de EU bijgedragen aan een oplossing voor het probleem-Tsjernobyl, zoals met het “shelter implementation plan” en de uitvoering van het G7-beleid om tegen het jaar 2000 tot sluiting van de reactor te komen. De bevordering van de veiligheid heeft de EU tussen de 750 en 800 miljoen euro gekost. Daarbij moet men bedenken dat alleen al de sarcofaag in Tsjernobyl zo'n 600-800 miljoen dollar of euro heeft gekost. Alle noodzakelijke investeringen zouden op tussen de 4 en 5 miljard euro komen. Daarbij vergeleken is de 100 miljoen per jaar van de Commissie een betrekkelijk gering bedrag. Voortbouwend op de G7-strategie zal de Commissie voortgaan met het beleid van modernisering van centrales die gemoderniseerd kunnen worden, maar ook blijven ijveren voor sluiting van die reactoren waarvan modernisering niet mogelijk is.

Er is een duidelijk verschil in de uitvoering van het beleid tussen de kandidaatlanden en de voormalige Sovjet- republieken. Het vooruitzicht op het lidmaatschap van de EU geeft een grotere hefboom om het beleid van de kandidaatlanden te beïnvloeden. Sluiting is alleen realistisch als tevens bredere energiestrategieën worden ontwikkeld. De Commissie zal dergelijk beleid dan ook bevorderen in het kader van de pretoetredingsstrategie en de partnerovereenkomsten met de NOS. De Commissie voert nu gesprekken met Litouwen en Bulgarije, en binnenkort ook met Armenië, om alomvattende energiestrategieën uit te werken. De Commissie is zich volledig bewust van de offers die deze landen moeten brengen en welk aandeel de kernenergie heeft in hun elektriciteitsproductie en hun economie. De problemen moeten dus in samenwerking en niet via confrontatie worden opgelost. Dat neemt niet weg, met name in het geval van Litouwen en Bulgarije, dat deze landen eerder verplichtingen zijn aangegaan tot sluiting van reactoren. Maar de Commissie wil helpen bij de sluiting en het dragen van de consequenties daarvan.

De Commissie heeft veel geleerd van de praktijk, van de interne audit en van de kritiek van het EP en van de Rekenkamer. Maar de problemen van de beginfase zijn zo langzamerhand voorbij. De Commissie heeft nu ook de nodige veranderingen doorgevoerd, met name bij het beheer. Veel traagheid bij de uitvoering van de programma's was het gevolg van het feit dat de instrumenten niet aangepast waren aan de specifieke eisen van deze sector. De nieuwe Tacis-verordening voor de periode 2000-2006 moet daar verandering in brengen. Daarbij gelden drie prioriteiten: stimulering van de overdracht van een veiligheidscultuur, verbetering van het beheer van afgewerkte splijtstof (met name in het noordwesten van Rusland), en internationale maatregelen ter verbetering van de nucleaire veiligheid, wat ook te maken heeft met de sluiting van een aantal onveilig geachte centrales. Van den Broek hoopt dat de nieuwe verordening op 1 januari 2000 in werking kan treden en dat het EP dus snel met zijn advies zal komen.

De Commissie zal periodiek bij het EP verslag uitbrengen over de vorderingen in het kader van Phare en Tacis en zal ook het interne beheer verbeteren, onder meer met de instelling van een task-force nucleaire veiligheid binnen de Commissie.

Elly PLOOIJ-VAN GORSEL (NL, ELD), die spreekt namens zowel de EP-commissie externe economische betrekkingen als de liberale fractie, constateert dat sinds 1992 niet één onveilige reactor gesloten is, zelfs niet de reactoren 1 en 2 van de centrale in Tsjernobyl, al zijn die wel stilgelegd. Natuurlijk hebben soevereine staten het recht zelf te beslissen over de hoofdlijnen van hun energiebeleid, maar dat betekent niet dat de EU lijdzaam toe moet kijken als resoluties niet worden nageleefd. Als de EU geld investeert, kan zij wel degelijk invloed uitoefenen en bepaalde strategieën bevoordelen boven andere. Dat is een van de weinige middelen die de EU heeft om sluiting van onveilige centrales af te dwingen.

De leden van de commissie externe economische betrekkingen waren zeer geschokt door de conclusies in het rapport van de Rekenkamer. Plooij beseft dat het voor de Commissie niet eenvoudig is te opereren in het voormalige Oostblok gezien de bureaucratie ter plaatse en de complexiteit van het onderwerp. Maar juist daarom had de Commissie extra zorg moeten besteden aan de uitvoering van de programma's en meer gebruik moeten maken van de specialistische kennis aanwezig in Oost-Europa. Tot slot vraagt zij wanneer het EP de beschikking krijgt over het rapport over de millenniumbestendigheid van de kerncentrales in Midden- en Oost-Europa.

Van den Broek antwoordt dat de Commissie voor dit onderzoek geld beschikbaar heeft gesteld aan de IAEA, die hierin competenter is. De Commissie zelf heeft hiervoor de kennis noch de mensen. In juni organiseert de IAEA een forum waar hierover gesproken zal worden en de Commissie zal dan graag rapporteren.

Rolf Linkohr (D, PES) vraagt de Commissie de lacunes aan te geven en melding te maken van de problemen, want "we moeten iets doen voor het te laat is". In het licht van de kritiek van de Reken-kamer benadrukt Doeke EISMA (NL, ELD) de terughoudendheid van zijn fractie in verband met de acties van de Commissie en het gebruik dat zij maakt van de communautaire middelen. Marialiese Flemming (O, EVP) is van mening dat niet alleen naar nucleaire veiligheid moet worden gekeken, maar dat ook het beginsel "de vervuiler betaalt" moet worden toegepast om verstoring van de markt in het voordeel van de nucleaire sector in de kandidaatlanden te vermijden. In tegenstelling tot de meeste EP-leden distantieert Undine Bloch von Blottnitz (D, GROEN) zich van het verslag. Zij staat heel kritisch tegenover het optreden van de Commissie en merkt op dat de EU er ondanks de besteding van aanzienlijke communautaire middelen "niet in geslaagd is een plan voor de definitieve opslag van afval uit te werken". Zij vraagt zich af over welke successen de Commissie het dan wel heeft. Commissaris Christos Papoutsis zegt nogmaals toe dat de Commissie zich samen met de EBWO en Euratom zal inspannen om de doelstelling van nucleaire veiligheid te halen. "Dit blijft een sleutelelement van de pre-toetredingsstrategie", voegt hij eraan toe.

Stemming (11/3/99)

verslag ongewijzigd aangenomen


[Start of Doc] [Previous] [Next]

Bananen



            verklaring van de Commissie over het handelsconflict tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten van Amerika over bananen

Debat (9/3/99)

Commissaris Sir Leon Brittan schetst de recentste ontwikkelingen en verklaart dat de meeste leden van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) het EU-standpunt steunen, terwijl anderen zich terughoudend opstellen. Op 2 maart is een WTO-panel in het leven geroepen en het arbitrageproces is nu aan de gang. Dit panel moet zich uitspreken over de unilaterale actie van de VS. Brittan vindt overigens dat de geraamde schade overdreven wordt en dat ten onrechte indirecte schade wordt berekend. Op 3 maart besloten de VS sancties in te stellen die lijken neer te komen op een stopzetting van de import van een aantal producten. Dat is een grove schending van de WTO-regels, aangezien de arbitrage nog volop aan de gang is. De Commissie heeft meteen gereageerd, onder meer door een speciale vergadering van de Algemene Raad op 8 maart te beleggen. Brittan waarschuwt echter dat de reactie van de EU verenigbaar moet zijn met de WTO-regels en dat niet net als de VS unilateraal mag worden opgetreden.

De EU blijft met de VS praten over de essentie van de bananenregeling en blijft naar een oplossing zoeken, verzekert Brittan. Er is de EU echter veel gelegen aan de welvaart en de rechten van de partnerlanden. Van de WTO wil de Commissie vernemen of de huidige, gewijzigde regeling voor bananen al dan niet strookt met de WTO-regels. De Commissie is voorstander van een snelle oplossing. Vast staat dat de internationale handelsregels niet zomaar met voeten mogen worden getreden.

Het is al de tweede keer dat het EP over het bananengeschil praat, merkt Erika Mann (D, PES) op. De discussie is inmiddels hoog opgelaaid en heeft veel weg van een handelsoorlog. De EU heeft ondertussen een nieuwe regeling uitgewerkt, die door de VS als onvoldoende wordt ervaren. Dat betekent nog niet dat de VS unilaterale handelssancties in de vorm van douaneheffingen mogen treffen, want dat staat haaks op de regels van de WTO. Daardoor plaatsen de VS zich buiten de multilaterale rechtsorde. Sancties zijn uit den boze zolang de arbitrage loopt. Mann is het dan ook volledig eens met de commissaris. Het is echter zinvol om andere opties open te houden. Zij pleit voor een sterkere vorm van politieke coördinatie en een verdieping van de transatlantische dialoog. Er moet worden bekeken hoe ervoor kan worden gezorgd dat de WTO niet wordt getorpedeerd door de bescherming van nationale belangen.

Peter Kittelmann (D, EVP) sluit zich aan bij de woorden van Mann. Het is duidelijk dat de VS de WTO-regels hebben geschonden. De vraag is echter hoe het nu verder gaat. De Amerikaanse regering is sterk onder druk gezet door het Congres, met als gevolg dat wettelijkheid en internationaal volkenrecht met voeten worden getreden. Er wordt alleen gezocht naar een oplossing die het best uitkomt voor het eigen land. Ook als de EU gelijk heeft, mag niet vergeten worden dat het door de WTO opgerichte panel de EU waarschijnlijk slechts voorwaardelijk gelijk zal geven, vervolgt Kittelmann. Het komt er voor de Commissie dan ook op aan alles in het werk te stellen om duidelijk te blijven maken waar conflicten kunnen worden opgelost zonder dat het uiteindelijk de WTO hoeft te zijn die de knoop doorhakt. Een compromis verdient dus de voorkeur en de WTO mag geen speelbal van geschillen tussen de VS en Europa worden.

De kloof tussen de VS en de EU is heel diep en gaat niet meer over bananen alleen, stelt James Moorhouse (VK, ELD). De hele toekomst van de WTO zou wel eens in het gedrang kunnen komen. Moorhouse benadrukt dat de politieke leiders van de EU waarschuwingen hebben genegeerd en een kans hebben gemist om het conflict eerder op te lossen. Daarom is hij het met de ingediende resolutie eens.

Bananen zijn het symbool geworden van een dreigend escalerend handelsconflict dat al zes jaar voortsuddert, merkt Leonie VAN BLADEL (NL, UE) op. Met deze handelsboycot gaan de VS duidelijk over de grens. Zolang het WTO-panel zich nog niet heeft uitgesproken, is dit juridisch gezien een verkeerde keuze, die de regels van de WTO ondergraaft, een zware hypotheek op de millenniumronde in Seattle legt en vooral Britse exporteurs zal benadelen. Van Bladel benadrukt dat niemand iets te winnen heeft bij dit conflict. Zij vraagt zich af of de EU de VS met gelijke munt zal betalen, en zo ja, met welke.

Juist met de bananen zijn de VS begonnen met het saboteren van de wereldhandel, stelt Wolfgang Kreissl-Dörfler (D, GROEN). President Clinton had het Amerikaanse Congres al eerder toegezegd dat er sancties zouden komen. Deze veldtocht tegen de vrije handel is dus al lang door de VS aangekondigd. Beroep doen op hun gezond verstand heeft geen zin, want de Amerikanen trekken zich niets aan van wetsbepalingen. Commissaris Brittan moet daar echter niet aan meedoen. De strijd moet worden uitgevochten in de WTO. Kreissl-Dörfler noemt zichzelf geen protectionist, maar vindt wel dat de bedrijven in de EU tegen deze Amerikaanse dictaten moeten worden beschermd. Zij mogen niet uitglijden over een bananenschil.

Men kan zich afvragen waarom de machtigste staat ter wereld zo laag is gezonken, aldus Winnie Ewing (VK, ERA). Zij vindt het allemaal nogal onduidelijk. Feit is dat inmiddels alleen al wat kasjmierproducten betreft voor een miljoen pond aan orders verloren gaat. Mensen in Europa worden werkloos en in het noorden van Schotland wordt het begrip "special relationship" ongetwijfeld op schamper gelach onthaald.

Nogmaals de Commissie

Brittan stelt de steun van het EP erg op prijs en wijst erop hoe belangrijk die is als aanvulling op de steun die leden van de WTO bij de besprekingen in Genève hebben betuigd. Hij vindt het onaanvaardbaar dat onschuldigen in Europa en bananenproducenten in de ACS worden gegijzeld in een strijd waarvoor ze geen verantwoordelijkheid dragen. De EU zal actie ondernemen tegen de VS, maar wel in overeenstemming met de regels van de WTO. Bovendien zal duidelijk gemaakt worden wat de Europese verplichtingen tegenover de bananenproducenten in de ACS en de lidstaten van de Unie zijn. De Unie houdt zich in elk geval aan wetten en uitspraken en veroordelen degenen die ze met voeten treden, zoals de VS. De EU is dan ook bereid de gevolgen van de WTO-uitspraak te aanvaarden.
Brittan wil duidelijk stellen dat de EU geen actie kan ondernemen als daarmee de WTO-regels flagrant worden geschonden. De betrekkingen met de VS zijn weliswaar in het belang van Europa en van de hele wereld, maar ook de VS moeten hun steentje bijdragen en de internationale regels respecteren. Dit is niet zomaar een ijdele uitspraak, voegt hij eraan toe. Het stemt hem tevreden dat de Commissie kan rekenen op het EP en op de vastbeslotenheid van de gehele EU om op basis van wederzijds respect en gelijkheid haar legitieme belangen te verdedigen.

Stemming (11/3/99)

gezamenlijke ontwerpresolutie aangenomen

    Het EP veroordeelt de maatregel van de Amerikaanse regering om een waarborgsom te heffen op geïmporteerde producten uit de EU ter hoogte van 100%, vooruitlopend op een besluit van het WTO- panel over het bananenconflict. De europarlementariërs steunen zonder meer de aanpak van de Commissie, die volgens hen gebaseerd is op strikte naleving van de regels en procedures van de WTO. De EU heeft het recht om haar verplichtingen jegens haar ACS-partners en haar afgelegen regio's na te komen. De Commissie en de Raad moeten binnen de WTO-regels tegenmaatregelen nemen. Het EP vindt voorts dat duurzame ontwikkeling onder-deel moet uitmaken van de WTO en dat de EU daar bij de nieuwe ronde handelsbesprekingen, de "milleniumronde", naar moet streven.



[Start of Doc] [Previous] [Next]

Statuut van medewerkers van EP-Leden



            wijziging van verordening (EEG, Euratom, EGKS) 259/68 tot vaststelling van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen en van de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van deze Gemeenschappen
    verslag-Lehne (D, EVP)
    doc. A4-98/99 (*) <JURI>

Debat (10/3/99)

Rapporteur Klaus-Heiner Lehne (D, EVP) wil duidelijk stellen dat hij namens zijn fractie spreekt, want zijn standpunt wijkt op diverse punten af van de tekst die door de juridische commissie is goedgekeurd. Volgens hem was de stemming over zijn rapport in de commissie een "ware veldslag" die een tekst met innerlijke tegenstrijdigheden heeft opgeleverd. Hij dient nu opnieuw de amendementen uit zijn oorspronkelijke verslag in. Als die worden verworpen, ziet hij zich genoodzaakt te vragen om terugverwijzing van zijn verslag naar de commissie of om de feitelijke verwerping van het voorstel. Lehne vindt het Commissievoorstel onaanvaardbaar. In plaats van dat de bepalingen van artikel 78 (hulpfunctionarissen) van de regeling voor de andere personeelsleden van de Gemeenschappen dan ambtenaren worden toegepast op alle medewerkers van parlementsleden stelt Lehne voor om in de regeling (meer bepaald na artikel 78 over de hulpfunctionarissen) een volledig nieuw hoofdstuk "Parlementaire medewerkers" op te nemen. De kwestie van de medewerkers moet serieus en voorgoed worden geregeld, voegt hij eraan toe. Hij is dan ook tegen een onrealistische tekst die hij een "alibi" noemt en die zeker door de Raad zal worden verworpen.

Evelyne Gebhardt (D, PES) is het niet eens met Lehne. Zij acht het heel goed mogelijk een statuut voor de medewerkers op te stellen waarin billijke arbeidsomstandigheden worden gewaarborgd en het EP tevens zijn autonomie behoudt. Zij ziet niet in hoe de Raad zich zou kunnen verzetten tegen een contractuele regeling van zaken als arbeidsomstandigheden en bezoldiging.

Voor Astrid Thors (FIN, ELD) is het absoluut noodzakelijk nu de knoop door te hakken. Deze kwestie mag niet op de lange baan worden geschoven.

Er moet maar eens een einde komen aan de rechtsonzekerheid en de ongelijkheid, aldus Angela del Carmen Sierra González (S, EUL/NGL). Toch kan haar fractie een groot deel van het verslag niet steunen.
Wolfgang Ullmann (D, GROEN) steunt Lehne en de amendementen die hij opnieuw wil indienen.

Ook Stéphane Buffetaut (F, O-ENS) is van mening dat een billijke oplossing moet worden uitgewerkt. In het verslag wordt echter al te zeer in detail getreden en worden de contractuele banden tussen de parlementsleden en hun medewerkers in feite ondergraven.

Commissaris Mario Monti preciseert dat het voorstel voor een verordening tot doel heeft de medewerkers het statuut van hulpfunctionaris te geven en tegelijkertijd niet te tornen aan de vrije keuze van de parlementsleden. De Commissie is niet van plan haar voorstel aan te passen om de wijziging van de verordening te bespoedigen. Monti is gekant tegen de amendementen waardoor de bepalingen niet rechtstreeks door het EP maar door de Raad zouden worden goedgekeurd.

Stemming (11/3/99)

verslag gewijzigd aangenomen (298/100/52)

    Van de 20 wijzigingen die de juridische commissie wilde aanbrengen in het Commissievoorstel blijven er maar acht geheel of gedeeltelijk over. Daar tegenover wordt een am. van de PES aangenomen waarin staat dat met de uitvoeringsbepalingen onder meer de algemene arbeidsvoorwaarden geregeld moeten worden (zoals aanstelling en ontslag), het salaris, de sociale zekerheid, geheimhoudingsplicht, een verbod op ongeoorloofde nevenactiviteiten, een verbod op discriminatie van niet EU-burgers, en een geschillenregeling. Het salaris moet rechtstreeks op de rekening van de parlementaire medewerker worden overgemaakt.


[Start of Doc] [Previous] [Next]

Spoorwegen



                    -    wijziging van richtlijn 91/440/EEG over de ontwikkeling van de spoorwegen in de Gemeenschap
        verslag-Sarlis (GR, EVP)
        doc. A4-58/99 (**I) <VERV>
            -    wijziging van richtlijn 95/18/EG over de verlening van vergunningen aan spoorwegondernemingen
        verslag-Swoboda (O, PES)
        doc. A4-59/99 (**I) <VERV>

In het debat over twee verslagen over de geleidelijke liberalisering van de spoorwegen in de lidstaten (eerste lezing van de samenwerkingsprocedure) tonen heel wat leden zich bijzonder verontrust over de toekomst van deze essentiële sector van het vervoer. Het overheersende gevoel is dat de kloof tussen de organisatie van spoorwegdiensten voor goederen en de snel evoluerende vraag steeds groter wordt. Het spoor in de EU moet nodig nieuw leven worden ingeblazen om het marktaandeel in het vervoer van personen en goederen te vergroten. De meeste sprekers vinden dat de vrije markt belangrijker moet worden. Dat is in de eerste plaats wenselijk voor het internationale vrachtvervoer en in een later stadium voor het binnenlands goederenvervoer en het internationale reizigersvervoer.

Rapporteur Pavlos Sarlis (GR, EVP) dringt bij de Commissie aan op voorstellen om spoorwegbedrijven het recht te geven op vrije toegang tot de spoorweginfrastructuur en om begeleidende maatregelen uit te werken. Met het belangrijke am. 10 zouden spoorwegbedrijven in de EU het recht van toegang tot het spoorwegnet van alle lidstaten krijgen. Tot dusver wordt dit recht alleen toegekend aan internationale combinaties van spoorwegbedrijven. Verder wordt voorgesteld de lidstaten te verplichten een juridische scheiding aan te brengen tussen de exploitanten van rollend materieel en beheerders van de infrastructuur binnen twee jaar na de inwerkingtreding van de richtlijn (am. 6 en 5).

Rapporteur Johannes Swoboda (O, PES) merkt op dat het belangrijkste doel van de wijziging van richtlijn 95/18 bestond uit de toepassing van de licentieprincipes op álle spoorwegbedrijven die op deze markt actief zijn. Richtlijn 95/19 is pas eind juni 1997 in werking getreden en nog niet in alle lidstaten in de nationale wetgeving verwerkt. De Commissie komt nu met een kader voor de toewijzing van infrastructuurcapaciteit en voor het in rekening brengen van de kosten voor het gebruik van de spoorweginfrastructuur.

Swoboda is het eens met de bedoelingen van de Commissie. Een radicale hervorming van de spoorwegen is noodzakelijk om de neerwaardse trend in het spoorvervoer, met name het goederenvervoer, in heel Europa om te buigen. De consument en de spoorwegbedrijven hebben absoluut behoefte aan Europese, duidelijke en niet-discriminatoire principes voor de beheerders van de infrastructuur en de regelgevende autoriteiten. Swoboda keert zich echter tegen de overmatige gedetailleerdheid in de nieuwe richtlijn 95/19 en dient daarom een aantal amendementen in. Hij wil meer bewegingsvrijheid voor de nationale autoriteiten en een grotere mate van flexibiliteit, zonder evenwel aan de Europese principes te tornen. Hij betreurt dat de spoorwegbedrijven en de spoorwegvakbonden in de EU tegen de liberaliseringsvoorstellen zijn, maar heeft begrip voor de bezorgdheid van de bonden op sociaal gebied.

Volgens Niels Sindal (DK, PES) moet er maar eens een eind komen aan nationale monopolies. De bezorgdheid over de toekomst van de spoorwegen is terecht, maar de spoorwegen zelf dienen nieuwe initiatieven aan te dragen. Georg Jarzembowski (D, EVP) betuigt zijn steun aan beide verslagen, maar benadrukt dat de scheiding tussen infrastructuur en beheer in een aantal lidstaten reeds een feit is. Florus WIJSENBEEK (NL, ELD) vindt dat die scheiding er al over een jaar en niet over twee jaar kan komen, want de spoorwegmaatschappijen hebben zich er al acht jaar op kunnen voorbereiden.

Gisèle Moreau (F, EUL/NGL) is het daarentegen helemaal niet eens met de twee verslagen. De Franse publieke opinie is ook tegen privatisering. Ze dringt aan op de terugverwijzing van de verslagen naar de vervoerscommissie. Joost LAGENDIJK (Groenen, NL) is wel te vinden voor de voorstellen, maar waarschuwt voor een wild-west liberalisering. Ook Manuel Escola Hernando (S, ERA) vindt dat de openbare dienstverlening niet in het gedrang mag komen. Rijk VAN DAM (NL, O-ENS) acht de tijd rijp voor nieuwe bezems in de stoffige kantoren van de spoorwegen, maar legt de verantwoordelijkheid voor de scheiding tussen infrastructuur en beheer bij de lidstaten.

Commissaris Neil Kinnock stelt dat het debat over de toekomst van de spoorwegen cruciaal is voor de noodzakelijke aanpassingen, wil het vervoer per spoor zich in het moderne Europa ten volle kunnen ontwikkelen. Een aantal belangrijke amendementen in het verslag-Sarlis zijn voor hem echter onaanvaardbaar, omdat die een breder akkoord over dit maatregelenpakket zouden bemoeilijken. Het is dan ook met spijt in het hart dat hij am. 10 verwerpt. Hij kan zich vinden in het standpunt van de rapporteur dat de Commissie niet ver genoeg is gegaan in haar eisen voor de scheiding tussen exploitanten en infrastructuurbeheerders. Voor de Commissie komt het er echter op aan het juridisch noodzakelijke te bereiken en de lidstaten die geen voorstander van een volledige scheiding zijn, één enkele spoorwegmaatschappij te laten behouden. De Commissie is echter bereid meer te doen en zal am. 6 in haar voorstel verwerken. Kortom, de am. 1, 5-9 en 11 zijn aanvaardbaar, maar niet de am. 2, 3, 4, 10 en 12.

In het verslag-Swoboda is am. 1 voor de Commissie aanvaardbaar, maar am. 2 niet. Commissaris Kinnock is het ermee eens dat de communautaire wetgeving niet al te normatief mag zijn, maar vindt het toch belangrijk nauwkeurige procedurele voorschriften vast te stellen om te zorgen voor een optimale coördinatie en een billijke behandeling van alle betrokken ondernemingen. De am. 1, 3, 4, 6-10, 14, 16 en 28 kan hij dan ook aanvaarden. Met de am. 12, 13, 19-27 en 5, waarmee minder communautaire wetgeving werd beoogd, kan hij echter niet instemmen.

Stemming (10/3/99)

verslag-Sarlis ongewijzigd aangenomen (415/86/23)

verslag-Swoboda ongewijzigd aangenomen (426/86/23)


[Start of Doc] [Previous] [Next]

Weesgeneesmiddelen



    verordening (EG) over weesgeneesmiddelen
    verslag-Cabrol (F, UE)
    doc. A4-78/99 (***I) <MILI>

In het geval van de naar schatting vijfduizend ziekten waaraan betrekkelijk weinig mensen lijden en die dus als zeldzaam worden aangeduid, levert onderzoek naar geneesmiddelen geen winst op. Er zijn maar weinig farmaceutische bedrijven bereid de nodige investeringen te doen en de vereiste administratieve procedures te doorlopen, omdat het product slechts bij een handjevol patiënten aftrek zal vinden. Daarom heten deze producten ook "weesgeneesmiddelen”.

De Commissie heeft nu een ontwerp-verordening ingediend voor een Europese procedure waarmee weesmedicamenten worden gedefinieerd en prikkels worden geboden voor onderzoek naar en de ontwikkeling en marketing van weesgeneesmiddelen. Het initiatief is gebaseerd op de zeer succesvolle Amerikaanse "Orphan Drugs Act" uit 1983. Onderzoek naar weesgeneesmiddelen wordt in de EU wel al gestimuleerd via het Kaderprogramma voor Onderzoek en Ontwikkeling.

Het doel van het Commissievoorstel is farmaceutische bedrijven aan te moedigen door middel van bijv. een versnelde procedure voor het verkrijgen van een verkooplicentie en de gehele of gedeeltelijke vrijstelling van de betaling van de administratieve kosten. Bovendien behoudt een bedrijf gedurende tien jaar het alleenrecht op de verkoop van het product. Op nationaal niveau zijn nog verdere stimulansen toegestaan.

Rapporteur Christian Cabrol (UE, F) is het in grote lijnen met het voorstel eens, maar heeft nog een paar amendementen. Zo stelt hij de oprichting voor van een promotiefonds voor de ontwikkeling van weesgeneesmiddelen, dat gefinancierd moet worden uit de opbrengst van zulke geneesmiddelen na afloop van het tien jaar lopende patent. En bij de definitie van “weesgeneesmiddelen” wil hij laten opnemen dat de verkoop van deze producten zonder speciale stimulansen onvoldoende rendement oplevert op de noodzakelijke investeringen.

Debat (9/3/99)

Eindelijk sluit de EU zich aan bij de VS, waar men al een tijd met deze problematiek bezig is, aldus Elena Marinucci (I, PES). Vaak gaat het om dodelijke ziektes. Weesgeneesmiddelen zijn niet rendabel en voor de EU is hier overeenkomstig Maastricht en Amsterdam een belangrijke taak weggelegd. Zij dient immers een hoog gezondheidsniveau voor alle burgers te waarborgen. Via initiatieven zoals Teleton heeft de artistieke wereld al zijn steentje bijgedragen om patiënten die aan zeldzame ziektes lijden te helpen. Het is echter de taak van de EU voor synergie te zorgen. Marinucci vindt dat het voorstel voor een verordening goed aansluit op het vijfde kaderprogramma voor onderzoek. Van belang zijn onder meer de fiscale mogelijkheden en een beschermingsperiode van tien jaar. Economische factoren mogen niet de overhand krijgen: bij het stimuleren van de industrie moet altijd worden uitgegaan van de menselijke en wetenschappelijke factor.

José Luis Valverde López (S, EVP) meent dat de ontwerp-verordening aan een duidelijke behoefte beantwoordt. Ook het verslag-Cabrol vindt hij uitmuntend, hoewel hij toch enkele amendementen indient. Bijzonder ingenomen is hij met de goede samenwerking over de fractiegrenzen heen. Valverde pleit voor een behoorlijke financiering op reguliere, permanente basis. Hij is voorstander van een promotiefonds om te zorgen voor meer efficiency. Na afloop van de beschermingstermijn is het ethisch gezien niet meer dan logisch dat een deel van de winst wordt gestort in een fonds voor verdere financiering. Valverde stelt voor dat ook eens wordt bekeken hoe een en ander in de VS en Japan loopt. Daarna kunnen de bevindingen worden aangepast aan de Europese situatie.

De kosten voor de ontwikkeling van een weesgeneesmiddel bedragen evenveel als die voor een medicament waar miljoenen patiënten bij gebaat zijn, verduidelijkt Mimi KESTELIJN-SIERENS (B, ELD). Er moeten dus stimulansen worden gegeven, te meer daar wat nu een zeldzame ziekte is morgen kan uitgroeien tot een ware plaag. Daarom moeten initiatieven zoals een fiscaal voordelig regime worden toegejuicht. Kestelijn vindt de ontwerp-verordening op zich een stap in de goede richting, maar aan de definitie van weesgeneesmiddelen schort nog wel iets. Hopelijk komt er een compromis uit de bus. Zij vestigt tot slot de aandacht op am. 30, waarmee zij de industrie een extra duwtje in de rug wil geven. Dit am. beoogt de verlenging van de duur van de octrooibescherming met een extra periode van zes maanden voor een niet-weesgeneesmiddel.

Pierre Pradier (F, ERA) is bijzonder ingenomen met het comité voor geneesmiddelen, maar plaatst vraagtekens bij de samenstelling, de werkwijze en de middelen waarover het kan beschikken. Een beschermingsperiode van tien jaar vindt hij overdreven. Hij pleit voor een evaluatie na vijf jaar, waarbij een balans wordt opgemaakt van de prevalentie van de aandoening en de therapeutische indicatie. Als daar rekening mee wordt gehouden, zal hij voor stemmen.

Commissaris Martin Bangemann wijst erop dat de voorgaande jaren al goed werk is geleverd via het derde en vierde kaderprogramma voor onderzoek. Met de ervaring van de VS kan het voorstel van de Commissie worden verbeterd. Bangemann wijst erop dat het systeem voor onderzoek en ontwikkeling van weesgeneesmiddelen afhangt van de beschermingsperiode van tien jaar, die volgens hem niet tot reusachtige winsten zal leiden, omdat de markt voor weesgeneesmiddelen nu eenmaal beperkt is. Belastingvermindering acht hij in deze fase niet haalbaar. Dat is overigens de taak van de lidstaten. Eerst moet worden afgewacht welke ervaring men kan opdoen. Bangemann maakt een onderscheid tussen twee soorten criteria: epidemiologische criteria vindt hij aangewezen om het onderzoek te bevorderen en aantrekkelijker te maken, maar economische criteria ervaart hij als problematisch. Vóór de periode van tien jaar voorbij is kunnen immers moeilijk ramingen worden gemaakt en de ondernemingen zijn te weinig tot transparantie geneigd.

In deze eerste lezing wil Bangemann enkel ingaan op de belangrijkste amendementen. Veel amendementen zijn aanvaardbaar. Niet eens is hij het met amendement 6, want een aanvullend economisch criterium bemoeilijkt het hele onderzoek. Bovendien is in de VS gebleken dat dit niet werkt. Met de amendementen 33, 34, 35, 41 en 42 - die tot doel hebben "diagnostica" uit te sluiten zolang er geen werkzame preventie of behandeling bestaat - kan hij evenmin instemmen, omdat in dat geval geen aangepaste therapieën kunnen worden ontwikkeld. Als het met am. 18 beoogde fonds wordt ingesteld, vreest Bangemann dat de belangstelling van ondernemingen zal afnemen. Tot slot acht hij maatregelen voor tropische ziekten op zich zinvol, maar een verwijzing in een overweging levert niets op. Het onderzoek naar tropische ziekten is in de EU overigens van oudsher in goede handen.

Stemming (9/3/99)

verslag licht gewijzigd aangenomen; verworpen wordt het am. van de milieucommissie dat het Comité voor geneesmiddelen erop toe moet zien dat geen overdreven winsten worden gemaakt.


[Start of Doc] [Previous] [Next]

Cultuurstad van Europa (2005-2019)



            besluit tot vaststelling van een communautair initiatief ten behoeve van het evenement "Cultuurstad van Europa" voor het tijdvak 2005 tot 2019
    aanbeveling-Monfils (B, ELD)
    doc. A4-106/99 (***II) <CULT>

Philippe Monfils (B, ELD) B) vraagt het EP in te stemmen met een mechanisme voor de aanduiding van de Europese culturele hoofdsteden voor de periode 2005-2019, waardoor het Parlement een vinger in de pap krijgt bij de jaarlijkse selectieprocedure.

Nadat het Parlement in januari te kennen had gegeven dat het het gemeenschappelijk standpunt van de Raad over de culturele hoofdsteden zou verwerpen omdat het EP geen inspraak kreeg, vonden formele en informele besprekingen met de Raad plaats. Monfils dient nu een aantal amendementen op het gemeenschappelijk standpunt in.

Monfils preciseert dat de standpunten van Raad en EP aanvankelijk mijlen ver uit elkaar lagen, maar dat het resultaat van de ongebruikelijke procedure van informele onderhandelingen "goed verdedigbaar" kan worden genoemd en dat het Parlement nu voor de keuze staat het compromisakkoord te aanvaarden of "door te gaan met een dovemansgesprek waarbij niemand zijn slag kan thuishalen".

Het EP heeft weliswaar ingestemd met het toerbeurtsysteem van de Raad waarbij de volgorde van indiening van de kandidaturen door de 15 lidstaten voor de periode 2005-2019 wordt vastgelegd, maar Monfils verzekert dat zijn amendementen ervoor zorgen dat elk jaar meer dan één stad uit een lidstaat zich kandidaat kan stellen. Verder hebben ze tot doel het culturele gehalte van de ingediende kandidaatstellingen te verhogen en de mogelijkheid in te bouwen dat achteraf nog wijzigingen kunnen worden aangebracht, bijvoorbeeld om rekening te houden met de toetreding van nieuwe landen.

De Raad was niet bereid het Parlement volledige medebeslissingsbevoegdheid te geven, maar de EP-leden kunnen wel advies uitbrengen over de kandidaat-steden. De Raad had de onafhankelijke jury voor de beoordeling van de steden willen vervangen door een stuurgroep met beperkte armslag, maar dat gaat nu niet door. Afgesproken is dat deze onafhankelijke jury jaarlijks verslag uitbrengt over de kandidaturen. De Raad hakt dan de knoop door op grond van het verslag van deze jury, het advies van het Parlement, een aanbeveling van de Commissie en eventueel een aanbeveling van de betrokken lidstaat. De rapporteur stelt dat dit resultaat voor een groot deel te danken is aan de compromisbereidheid van het Duitse voorzitterschap. Hij dringt er bij de Commissie op aan er nauwlettend op toe te zien dat het culturele gehalte van de ingediende programma's niet verwatert.

De EP-leden betuigen en bloc hun steun aan Monfils. Namens de EVP vindt de Portugese Helena Vaz da Silva (P, EVP) dat het evenement "Europese culturele hoofdstad", dat zij een succesverhaal en het "visitekaartje" van de EU noemt, vanaf 2005 een solide communautaire basis krijgt en ertoe bijdraagt het Europese culturele erfgoed dichter bij de burger te brengen. Dit is te danken aan het schitterende staaltje onderhandelingstalent dat Monfils ten beste heeft gegeven en waarbij het EP noch de Raad gezichtsverlies hebben geleden. "Zij hebben geschiedenis gemaakt en een schoolvoorbeeld van politieke en interinstitutionele samenwerking gegeven." Monica Baldi (I, EVP) benadrukt de rol van steden als "centra van culturele diversiteit" in de Europese regio's.

Commissaris Marcelino Oreja is opgelucht dat er een akkoord uit de bus is gekomen. Een mislukking zou veel schade hebben aangericht, want een van de Europese evenementen met de grootste symbolische waarde zou verloren gegaan zijn. Er moest iets in de plaats komen van de logge intergouvernementele procedure voor de selectie van de culturele hoofdsteden, maar in zijn gemeenschappelijk standpunt van 1998 had de Raad het Commissievoorstel van het jaar ervoor te ingrijpend gewijzigd en het Parlement gepasseerd. Nu is een soort "mini-bemiddeling" uitgemond in een akkoord. De Commissie kan instemmen met de acht amendementen die op het gemeenschappelijk standpunt zijn ingediend.

Stemming (11/3/99)

aanbeveling ongewijzigd aangenomen


[Start of Doc] [Previous] [Next]

Wijziging reglement EP



            de in het Reglement van het Europees Parlement aan te brengen wijzigingen naar aanleiding van de ratificatie van het Verdrag van Amsterdam
    verslag-Corbett (VK, PES), Gutiérrez Díaz (S, EUL/NGL), Palacio Vallelersundi (S, EVP)
    doc. A4-70/99 <REGL>

De wijzigingen die de rapporteurs Richard Corbett (VK, PES), Antoni Gutiérrez Díaz (S, EUL/NGL) en Ana Palacio Vallelersundi (S, EVP) voorstellen voor het Reglement - de interne procedures - van het EP zijn nogal ingrijpend. Ze zijn nodig met het oog op de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam, maar van de gelegenheid is meteen gebruik gemaakt om alle werkmethodes en procedures van het EP tegen het licht te houden.

Omdat het EP met het Verdrag van Amsterdam vrijwel op gelijke voet komt te staan met de Raad waar het om de wetgeving gaat (landbouw blijft de grote uitzondering) heeft de reglementscommissie vooral aandacht besteed aan de verbetering en herdefiniëring van de wetgevingsprocedures. Ook zijn technische verbeteringen aangebracht om de wijze van stemmen tijdens de plenaire vergaderingen te vereenvoudigen.

Tegenover de Commissie komt het EP eveneens sterker te staan, omdat het een doorslaggevende stem krijgt waar het gaat om de aanstelling van de Commissievoorzitter. In het nieuwe reglement moet daarom komen te staan dat de Commissievoorzitter wordt gekozen door het EP, op voordracht van de regeringen.

Omdat het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid belangrijker wordt, moet het EP goed toezicht op dit beleid kunnen houden. Daarom worden nieuwe procedures voorgesteld, met name met betrekking tot de benoeming van de hoge vertegenwoordiger.

Verder heeft de reglementscommissie geprobeerd een aantal details te regelen en de procedures zoveel mogelijk te verbeteren. Afzonderlijk zijn deze misschien niet zo belangrijk, maar als geheel zullen deze verbeteringen zorgen voor eenvoudiger, opener en transparantere werkmethodes.

Debat (9/3/99)

Corbett licht er in het debat nog enkele punten uit. Bij de gewijzigde procedure voor de codecisie is in het Reglement ook de mogelijkheid verwerkt om al in een vroeg stadium tot overeenstemming met de Raad te komen. Bij verslagen over wetgeving zal geen algemene toelichting meer worden gegeven, maar een uitleg over de ingediende amendementen.

Verder wordt de mogelijkheid gecreëerd dat de Commissie of een commissaris meteen na een vergadering van de Commissie een verklaring aflegt bij het EP. Daarmee wordt de democratische verantwoording die de Commissie is verschuldigd, verduidelijkt en hoeft het EP niet eerst de pers te raadplegen.

Het debat in de plenaire vergadering kan wel wat verlevendiging gebruiken en daarom stellen de drie rapporteurs een combinatie voor van de nu gevolgde praktijk en het vragenhalfuurtje dat in Brussel wordt gehouden. Zo zouden eerst alle fractiewoordvoerders volgens de sprekerslijst aan het woord moeten komen en vervolgens andere leden het woord kunnen krijgen die bij het debat aanwezig zijn en de blik van de voorzitter weten te vangen.

Tot slot merkt Corbett op dat het Reglement is herschreven om het geslachtsneutraal te maken, zodat over leden van het Parlement niet meer uitsluitend in de mannelijke vorm wordt gesproken.

Glyn Ford (VK, PES) gaat in op een aantal onderdelen van de Reglementswijziging, die vooral de belangen van leden van het EP betreffen. Ford heeft in 1996 een rapport door het EP geloodst over belangen van EP- leden en met regels voor lobbyisten, wat toen een hele stap vooruit was. Sindsdien is het aantal lobbyisten alleen nog maar toegenomen. Een dialoog met ngo's, met regeringen, met het bedrijfsleven is nodig en wenselijk, maar dat mag niet betekenen dat lobbyisten parlementsleden in de zak hebben. Daarom zijn in het Reglement nu een aantal lacunes gedicht.

Zo wordt met am. 110 bepaald dat leden die een rechtstreeks financieel belang bij een onderwerp hebben waarover wordt beraadslaagd, dat onmiddellijk mondeling moeten mededelen. Verder komt er een sanctie voor parlementsleden die nalaten opgave te doen van hun betaalde nevenfuncties, van de financiële, personele of materiële steun die zij van anderen dan het Parlement krijgen voor hun politieke activiteiten. Gebleken is dat zo'n tien tot twintig leden deze opgave niet doen. Na een definitieve waarschuwing van de voorzitter van het Parlement, kunnen zij voortaan geschorst worden. Verder moeten alle emolumenten ter waarde van meer dan 100 euro worden aangegeven.

Johannes Voggenhuber (O, GROEN) heeft kritiek op de omvangrijke wijzigingen, die volgens hem het EP niet democratiseren. De toetssteen is voor hem de vraag of de rechten van de minderheden worden versterkt of verzwakt, en het antwoord luidt dat de rechten van de twee grote partijen worden versterkt en dat de bureaucratie wordt vergroot.

Florus WIJSENBEEK (NL, ELD) vindt dat Voggenhuber overdrijft. De wijzigingen bevestigen slechts de huidige situatie. Verder merkt hij op dat de wijzigingen wel een stap vooruit zijn naar de volwassenwording van het parlement. Maar een groot tekort blijft dat de debatten worden opgeknipt in kleine stukjes, zodat alle fracties, alle nationaliteiten enz. het woord kunnen voeren. Een fundamenteel debat blijft op deze manier onmogelijk, evenals een echte dialoog met de Commissie en de Raad.

De goedkeuring van de Commissie via hoofdelijke stemming is volgens Willi Rothley (D, PES) een ernstige vergissing. Het concept dat erachter steekt is duidelijk: het EP zal op die manier uiteenvallen in nationale groeperingen en beheerst kunnen worden. Rothley is veeleer voorstander van een geheime stemming. Dan wordt de indruk voorkomen dat het om iets gaat dat is afgedwongen.

Met de meeste amendementen van de Reglementscommissie is Ana Palacio Vallelersundi (S, EVP) het eens. Rothley heeft met zijn opmerking over de wijze van stemming gelijk, maar anderzijds moet aan zo'n belangrijke stemming ook een symbolische waarde worden toegekend. Op andere punten distantieert de EVP-fractie zich echter van de Reglementscommissie. Zo is zij tegen een interne motie van afkeuring, die zij beschouwt als een instrument waarmee verwarring wordt gezaaid. Wat de samenstelling van commissies betreft, heeft Palacio het over juridische haken en ogen. Belangrijker vindt zij dat wordt uitgegaan van een democratisch concept.

Willy DE CLERCQ (B, ELD) wil zich beperken tot het bepalen van de rechtsgrondslag. Tot op heden diende elke parlementaire commissie in geval van onzekerheid het advies van de juridische commissie in te winnen. Amendement 38, dat inhoudt dat de juridische commissie enkel nog geïnformeerd wordt, komt neer op een gevaarlijke evolutie. Een consequente lijn van het EP zal ver te zoeken zijn als de parlementaire commissies uitsluitend een informatieplicht hebben. Daarom hebben de liberalen opnieuw een amendement ingediend dat inhoudt dat de juridische commissie geconsulteerd moet worden. Eventuele argumenten als zou dit leiden tot “nodeloze vertraging” worden volgens De Clercq ontkracht door de urgentieprocedure die aan het amendement is toegevoegd.

Commissaris Marcelino Oreja wijst erop dat ook de Commissie rechtstreeks de gevolgen van een wijziging van het Reglement van het EP ondervindt. Hij heeft lof voor de inspanningen van de Reglementscommissie om de procedures te vereenvoudigen. Sommige voorstellen vereisen volgens Oreja wel enige verduidelijking. In elk geval is de Commissie van oordeel dat de wetgevingsprocedure niet opgehouden of verstoord mag worden. Ook het initiatiefrecht van de Commissie moet worden gevrijwaard, want dat is een hoeksteen van de interinstitutionele structuur. Wat de comitologie betreft, vindt hij het nog te vroeg om al regels te verankeren. Tot slot wijst Oreja erop dat er weliswaar afspraken moeten worden gemaakt over de spreektijd voor de Europese Commissie, maar dat niet vergeten mag worden dat de Commissie krachtens het Verdrag het recht heeft te allen tijde te worden gehoord.

Stemming (11/3/99)

verslag gewijzigd aangenomen

    Verworpen wordt onder meer het am. van de reglementscommissie waarmee een parlementaire commissievoorzitter of andere ambtsdrager in het EP uit zijn ambt gezet zou kunnen worden door de gezamenlijke fractievoorzitters (met een drievijfde meerderheid) indien deze ernstig tekort schiet in zijn/haar ambt. Ook verworpen wordt het voorstel om de juridische commissie niet langer advies uit te laten brengen over een betwiste rechtsgrondslag. Een meerderheid was evenmin te vinden voor het voorstel om aan het begin van een plenaire zittingsweek ieder parlementslid die dat wil, voor één minuut het woord te geven over onderwerpen die niet op de officiële agenda staan. Voor de toegang van het publiek tot documenten worden met een am. van de EVP de woorden "het recht" op toegang geschrapt, terwijl het Bureau van het Parlement (het presidium) de taak krijgt een openbaar register op te zetten met alle openbare documenten van het EP.


[Start of Doc] [Previous] [Next]

Vrouwendag



(8/3/99)

José María Gil-Robles (S, EVP) merkt op dat het tot stand brengen van gelijke kansen tussen mannen en vrouwen een van de belangrijkste thema's is van vandaag de dag. De strijd voor gelijke kansen en rechten heeft al veel vruchten afgeworpen, maar is nog lang niet gestreden. Met de rapporten die nu op de agenda voor de zitting van vandaag staan, toont het Europees Parlement de politieke bereidheid deze strijd te steunen.

Heidi Hautala (FIN, GROEN), de voorzitster van de vrouwencommissie in het EP, merkt op dat het Verdrag van Amsterdam nieuwe verplichtingen maar ook middelen schept voor de bevordering van gelijke kansen. De systematische integratie van gelijke-kansenbeleid in al het andere beleid, "mainstreaming", kan daar veel baat bij hebben.

[Start of Doc] [Previous] [Next]

Geweld tegen vrouwen


    gecombineerde behandeling
            -    verklaring van de Commissie over geweld jegens vrouwen
            -    actieprogramma Daphne (2000-2004) ter voorkoming van geweld jegens vrouwen
        mondelinge vraag
        doc. B4-145/99

Debat (8/3/99)

De Internationale Vrouwendag heeft nog altijd zin, zegt commissaris Anita Gradin. Want hoewel vrouwen ruim de helft van de bevolking in de EU uitmaken, is die verhouding niet terug te vinden in de besluitvormende organen, niet bij de overheid en evenmin in het bedrijfsleven.

Gradin gaat vervolgens in op het programma Daphne, dat er is gekomen op aandringen van het Parlement en dat helpt geweld tegen vrouwen tegen te gaan. Vrouwenrechten, zegt Gradin, zijn mensenrechten. Vrouwen hebben het recht veilig te leven, maar een groot aantal is zelfs in hun eigen huis niet veilig. Vrouwen hebben het recht in waardigheid te leven, maar vele duizenden vrouwen worden als vee verkocht en slechts de prijs waard geacht die een pooier voor ze wil geven. Vrouwen hebben volledige mensenrechten, maar in alle EU-landen worden vrouwen door onderdrukking en geweld in ondergeschikte posities gehouden.

Vrouwenorganisaties spelen een essentiële rol in de strijd tegen geweld. Zij vormen ook de basis voor het Daphne-programma. Sinds 1996 worden ngo's en vrijwilligersorganisaties gesteund in hun strijd tegen geweld jegens vrouwen en kinderen. De vraag naar Europese steun is veel groter dan de beschikbare middelen.
De Commissie en het voorzitterschap van de EU hebben ook een campagne tegen geweld jegens vrouwen gelanceerd, als reactie op het verzoek van het Parlement om 1999 tot het jaar tegen geweld jegens vrouwen te maken. Een aantal acties wordt georganiseerd en eind deze maand vindt in Keulen een ministersconferentie plaats. Lang is geweld jegens vrouwen gezien als een "vrouwenprobleem". Maar, zegt Gradin, het probleem zijn niet de vrouwen, maar het gewelddadig gedrag van mannen! De campagne richt zich daarom ook op mannen.

Vervolgens gaat Gradin in op de problemen die zijn ontstaan met de voortzetting van het Daphne-programma. Enkele lidstaten wilden niet van art. 235 (bij unanimiteit besloten maatregelen ten behoeve van de interne markt) weten als rechtsgrondslag, maar gaven de voorkeur aan art. 129 (volksgezondheid). Het risico bestond dat het hele programma geblokkeerd werd als de Commissie vasthield aan art. 235. En ook met art. 129 valt te leven, meent Gradin, indien men het begrip volksgezondheid maar ruim definieert.

Heidi Hautala (FIN, GROEN) onderstreept, als vraagstelster, nog eens het overweldigende succes van het programma Daphne. Juist daarom is zij bevreesd dat de reikwijdte van een nieuw programma beperkt wordt. Het antwoord van de commissaris overtuigt haar niet. Want hoe ruim men het begrip volksgezondheid ook opvat, de bevordering van juridische maatregelen is met art. 129 onmogelijk. Hautala denkt daarbij bijv. aan de instelling van een straatverbod voor mannen die als gewelddadig te boek staan. Ook de handel in vrouwen is niet aan te pakken met art. 129.

Lissy Gröner (D, PES) betreurt dat nu er eindelijk op aandringen van het EP een programma is tegen geweld jegens vrouwen, juridische problemen opduiken. De PES wil het programma snel goedkeuren en ook met art. 129 zijn er goede mogelijkheden. Bij een brede definitie van volksgezondheid moet ook rekening worden gehouden met de sociale omgeving. Maar voorkomen moet worden dat belangrijke onderdelen uit het programma verdwijnen. Volgens Gröner wreekt zich hier het ontbreken van een Raad van ministers voor vrouwenzaken. Gröner pleit verder voor het verwerken van de mogelijkheden die het Verdrag van Amsterdam biedt in het programma. Ook moet gehandhaafd blijven dat wordt samengewerkt met zowel ngo's, als de autoriteiten en politie en justitie.

Francisca Bennasar Tous (S, EVP) betreurt dat ze haar rapport ter goedkeuring van Daphne niet op de plenaire kon indienen vanwege de juridische problemen. Maar er is ook goed nieuws. De drie jaar dat Daphne bestaat is het succes enorm geweest en zijn tal van nieuwe ideeën en projecten gelanceerd. Nu moet er een vijf jaar lopend programma komen en dan moet er wel een goede tekst voorliggen.

Mimi KESTELIJN-SIERENS (B, ELD) vindt net als de commissaris dat hard gewerkt moet worden aan het corrigeren van de situatie dat vrouwen nog altijd ondervertegenwoordigd zijn in de besluitvormingsorganen, zowel in administraties als in het bedrijfsleven. Wat het geweld jegens vrouwen betreft, denken veel mannen dat dit in de EU een zeldzaam fenomeen is geworden. Maar één op de vijf vrouwen in de EU is er slachtoffer van. Dit geweld komt voor in alle samenlevingen en op alle sociale niveaus. De strijd tegen geweld jegens vrouwen moet niet alleen gevoerd worden door vrouwen en de ngo's die hen helpen. Eerst moet de oorzaak worden aangepakt - en dat is niet een te korte rok of te weinig assertieve vrouwen, maar de miljoenen mannen die geweld plegen. We moeten de mannen opvoeden en op hun plichten wijzen. Daarom vindt Kestelijn het spijtig dat de nieuwe rechtsgrondslag voor Daphne zo beperkend is. Verder wil zij benadrukken dat Daphne ook betrekking heeft op geweld tegen kinderen en jongeren.

Voor de zoveelste keer vallen sommige lidstaten terug op een juridische spitsvondigheid, aldus Nelly MAES (B, ERA). Hopelijk krijgt de commissaris gelijk en kunnen ook met een gebrekkige rechtsgrondslag effectief plagen zoals mensenhandel bestreden worden. Er zijn echter ook mannen het slachtoffer van geweld. Maar vandaag, 8 maart, gaat de aandacht specifiek uit naar de strijd tegen het geweld tegen vrouwen en kinderen. Maes betreurt dat de mannen in de plenaire vergaderzaal massaal zijn weggegaan: gelukkig was er toch één mannelijke woordvoerder. Ook bij vrouwen heeft het lang geduurd vooraleer zij tot het besef kwamen dat geweld een probleem van mannen is en dus moet worden aangepakt door mannen. Maes sluit zich dan ook graag aan bij hetgeen daaromtrent is gezegd. Tot slot zegt zij de voorzitter van het EP een schriftelijke verklaring te zullen doen toekomen waarin wordt opgeroepen tot een initiatief voor de oprichting van een kinderrechtencommissariaat.

Stemming (10/3/99)

ontwerpresolutie (B4-233/99) gewijzigd aangenomen

    Het EP vraagt de EU-landen en de Europese Commissie in VN-verband te werken aan een bindend verdrag tegen geweld tegen vrouwen. Verder moet er een Europees actieplan komen voor de bestrijding van kinderporno en andere schadelijke inhoud op Internet. Het EP spreekt zich ook uit voor het strafbaar stellen van seksuele verminking. Onafhankelijke opvanghuizen voor geweldsslachtoffers moeten gesubsidieerd worden. Particuliere organisaties vervullen een onmisbare rol bij de bestrijding van geweld tegen vrouwen en kinderen. Lidstaten moeten hun juridische procedures zo veranderen dat vrouwen gemakkelijker gerechtelijke stappen tegen hun belagers kunnen ondernemen.

    Het EP betreurt dat de Commissie op aandringen van een paar lidstaten de rechtsbasis voor het programma Daphne heeft veranderd. In het gewijzigde voorstel van de Commissie moeten wel initiatieven worden voortgezet als die met betrekking tot de vrouwenhandel, seksueel misbruik en ontvoering van kinderen.


[Start of Doc] [Previous] [Next]

Gezondheidstoestand van vrouwen


            verslag van de Commissie over de gezondheidstoestand van vrouwen in de EU
    tweede verslag-Hautala (FIN, GROEN)
    doc. A4-29/99 <VROU>

Voor vrouwen zijn speciale gezondheidsmaatregelen nodig. Dat staat in het tweede rapport over de gezondheid van vrouwen. Rapporteur Heidi Hautala (FIN, GROEN) benadrukt dat tal van gezond heidsproblemen uitsluitend bij vrouwen voorkomen dan wel een heel specifiek effect op hen hebben. Daarom moeten er speciaal op vrouwen gerichte preventiemaatregelen komen en zouden gezondheidskwesties geïntegreerd moeten worden in al het Europese beleid.

Hautala pleit voor praktische oplossingen voor de gezondheidsproblemen van vrouwen, zoals een bevolkingsonderzoek naar borst- en baarmoederkanker en de invoering vóór volgend jaar van bepaalde productievoorschriften voor tamponfabrikanten om het risico van tamponvergiftiging te verkleinen.

Hautala gaat ook in op geweld tegen vrouwen, dat zij ziet als een aspect van de volksgezondheid. Ze vraagt de Commissie om de gezondheidsaspecten van geweld tegen vrouwen op te nemen in de campagnes die de EU tegen dit geweld financiert. Hoewel Hautala de discussie over abortus niet wil heropenen, doet zij een beroep op de lidstaten om abortus onder bepaalde omstandigheden te legaliseren, zoals bij een gedwongen zwangerschap of verkrachting, of wanneer het leven van de vrouw in gevaar is. In laatste instantie is het wel de vrouw zelf die moet beslissen.

Debat (8/3/99)

De verbetering van de positie van de vrouw in de gezondheidszorg was op de vrouwenconferentie van Peking een van de twaalf strategische doelstellingen, merkt Mimi KESTELIJN-SIERENS (B, ELD) op. Dankzij het Verdrag van Amsterdam wordt het actieterrein verruimd: er is nu geen excuus meer om geen werk te maken van een gezondheidsbeleid voor vrouwen. Bij het bepalen van dat beleid moet concreet worden gelet op een geslachtsspecifieke aanpak waardoor de kosten kunnen worden gedrukt, op een betere preventie - vooral voor ziekten die zich op latere leeftijd voordoen - en op gelijke toegang tot de gezondheidszorg. Van oudsher staan de liberalen sceptisch tegenover een al te grote Europese inmenging: het subsidiariteitsprincipe mag geen geweld worden aangedaan. Een gezondheidsbeleid op EU-niveau is bijgevolg enkel wenselijk voor zaken zoals preventie. Daarom kunnen de liberalen met bepaalde paragrafen van de resolutie niet akkoord gaan. Wel vindt Kestelijn dat de rapporteur na overleg met de fracties haar verslag goed heeft aangepast. Dit verslag is in elk geval stukken beter dan het eerste en geeft de prioriteiten van het EP in verband met een gezondheidsbeleid voor vrouwen goed weer.

Commissaris Anita Gradin wijst erop dat de problematiek bij vrouwen verschilt van die bij mannen: daar moet rekening mee worden gehouden en de nodige middelen dienen te worden vrijgemaakt. Terecht werd opgemerkt dat er behoefte is aan betere statistieken over de gezondheid van vrouwen. Verder dienen geneesmiddelen vaker te worden uitgetest op vrouwen. Nu komt het dikwijls voor dat ze alleen op mannen worden uitgetest. Gradin herinnert verder aan een aantal initiatieven van de Commissie, waaronder een verslag over osteoporose. Sinds 1996 loopt een specifiek programma om AIDS en andere besmettelijke ziekten te bestrijden, met specifieke aandacht voor vrouwen. Binnenkort komt er een verslag over de toepas sing van de richtlijn van 1995 over maatregelen in verband met de gezondheid op het werk van zwangere vrouwen of vrouwen die pas bevallen zijn of borstvoeding geven. Diverse lidstaten passen die richtlijn nog niet volledig toe. In die gevallen heeft de Commissie een inbreukprocedure ingeleid. Een ander initiatief is de richtlijn van 1996 die zowel vrouwen als mannen de mogelijkheid biedt drie maanden onbetaald ouderschapsverlof te nemen. Uit kwalitatief onderzoek naar de rol van vrouwen in de besluitvorming op gezondheidsgebied is gebleken dat de grotere deelname van vrouwen positieve resultaten oplevert. Vrouwen komen met nieuwe ideeën en waarden en hebben ook een andere leidinggevende stijl. Tot slot merkt Gradin op dat het beginsel van mainstreaming - dat inhoudt dat alle beleidsvormen moeten worden benut om gelijke kansen te bevorderen - uiteraard ook voor het gezondheidsbeleid geldt.

Stemming (9/3/99)

tweede verslag licht gewijzigd aangenomen

    Volgens een am. van de Groenen moet op parfums worden aangegeven wat de ingrediënten zijn, om verdere toename van de parfumallergie te voorkomen. Met een am. van de GUE wordt gevraagd om onderzoek naar de gevolgen van de milieuvervuiling voor de gezondheid van vrouwen, m.n. in verband met baarmoederkanker.

[Start of Doc] [Previous] [Next]

Integratie van gelijke kansen in het beleid van de gemeenschap


            follow-up van de mededeling betreffende gelijke kansen voor mannen en vrouwen: Integratie in het beleid van de Gemeenschap
    verslag-Eriksson (Z, EUL/NGL)
    doc. A4-72/99 <VROU>

Debat (8/3/99)

De maatregelen die tot nog toe genomen zijn, zo constateert rapporteur Marianne Eriksson (Z, EUL/NGL) teleurgesteld, hebben niet veel invloed gehad op het algehele beleid van de EU, afgezien van die beleidssectoren waar al veel ervaring is opgedaan met "mainstreaming", zoals de werkgelegenheid en de structuurfondsen. Eriksson doet een beroep op de Commissie om de komende jaren voorrang te geven aan drie punten: statistieken, uitbreiding van het aantal vrouwen in leidinggevende functies, en verschillen in inkomen en werk. Tot slot pleit zij voor de oprichting van een interinstitutionele werkgroep die erop moet toezien dat het gelijke-kansenbeleid geïntegreerd wordt in alle activiteiten van de EU.

Jessica LARIVE (NL, ELD) vindt dat na de zeven emancipatierichtlijnen het sluitstuk moet zijn een eerlijke verdeling van de bewijslast over werkgever en werknemer. Alleen zo kunnen vrouwen de rechten die ze aan de zeven richtlijnen ontlenen, echt hard maken. Hoe dat er precies moet uitzien, wil Larive echter overlaten aan de sociale partners. Verder meent zij dat positieve actie geboden is totdat de bestaande drempels (erfenissen uit het verleden) zijn afgebroken. Ten derde vindt zij dat nieuwe drempels voorkomen moeten worden via de integratie van het emancipatiebeleid in al het andere Europese beleid. Mainstreaming is mooi, omdat het effectiever kan zijn dan alsmaar nieuwe wetgeving. Maar het kan ook gevaarlijk zijn, als het gebruikt wordt als een zoethoudertje. Larive onderschrijft de wenselijkheid van de uitsplitsing van statistieken naar geslacht. Ook vindt ze dat meer vrouwen in besluitvormende posities moeten komen. Maar commissaris Flynn telt zelf nota bene nul vrouwen in zijn kabinet! En het EP en de Commissie tellen slechts 20% vrouwelijke beleidsambtenaren en dan alleen in de lagere regionen. Larive pleit daarom voor een monitoring board in het EP. Tot slot verzet Larive zich tegen het opdoeken van de vrouwencommissie in het EP, want die moet onder meer opletten of de mainstreaming wel wordt toegepast.

Nelly MAES (B, ERA) meent dat er nog veel te doen is, maar dat momenteel de machtsongelijkheid het zwaarste weegt. De noordelijke landen doen het redelijk goed met 37,6% en het EP steekt met 28,6% gunstig af tegen de 13,1% in de rest van de wereld van vrouwen die op het hoogste niveau deelnemen aan besluitvorming. Maar ook dat is nog heel ver verwijderd van een paritaire democratische besluitvorming. De Commissie moet de lidstaten blijven stuwen tot maatregelen om de evenredige afspiegeling tot een feit te maken. Vrouwen zullen zich dan meer erkend en betrokken voelen en zich meer tot de politiek voelen aangetrokken. Mainstreaming is goed en nodig, maar mag geen alibi worden om een einde te stellen aan positieve acties die voor een aantal vrouwen nog broodnodig zijn.

Commissaris Anita Gradin meent dat mainstreaming een belangrijk politiek instrument is. Het moet onder meer gebruikt worden bij de uitvoering van de structuurfondsen en het werkgelegenheidsbeleid. Pas als een derde van de besluitvormers bestaat uit vrouwen, wordt de besluitvorming beïnvloed, zo blijkt uit onderzoek. De Commissie heeft als doel geformuleerd dat tenminste 40% van de ondervertegenwoordigde sekse zitting moet hebben in raadgevende comités, bij wetenschappelijke instanties voor wetenschap, onderzoek en technologie. Gradin is voorstander van naar geslacht uitgesplitste statistieken. Dat wordt ook al toegepast en er worden ook criteria opgesteld voor het meten van gelijkheid.

Stemming (9/3/99)

verslag ongewijzigd aangenomen (464/14/16)

[Start of Doc] [Previous] [Next]

Gelijke behandeling mannen/vrouwen bij toegang tot het Arbeidsproces


            wijziging van richtlijn 76/207/EEG betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden
    verslag-Lulling (L, EVP)
    doc. A4-38/99 (*) <VROU>

Debat (8/3/99)

Het Commissievoorstel over gelijke toegang voor mannen en vrouwen tot de arbeidsmarkt, beroeps opleidingen, promoties en arbeidsvoorwaarden, wordt door rapporteur Astrid Lulling (L, EVP) naar de prullenmand verwezen. Ze verzoekt de Commissie een nieuwe ontwerp-richtlijn voor te leggen, gebaseerd op het Verdrag van Amsterdam en op de erkenning van de collectieve aard van positieve actiemaatregelen. Deze richtlijn moet juridisch afdwingbaar zijn en waar nodig de mogelijkheid bieden om positieve maatregelen te nemen ten behoeve van de gelijke kansen voor mannen en vrouwen en een correctie van de ondervertegenwoordiging van vrouwen bij de besluitvorming op alle niveaus.

De vraag waar het hier om gaat, aldus Lulling, is of na het arrest in de zaak-Kalanke de huidige Europese wetgeving over gelijke kansen nog volstaat. Uit het arrest, en een later arrest-Marschall, van het Europese Hof kan worden afgeleid dat alleen een rigide en automatische positieve discriminatie in strijd is met het EG-recht, maar dat een quota-systeem op zich verenigbaar is met richtlijn 76/207, mits zo'n systeem "niet de beoordeling van bijzondere omstandigheden van een individueel geval uitsluit". Deze formulering houdt echter het risico in dat het doelmerk van positieve acties wordt omzeild als een beroep wordt gedaan op motieven die specifiek betrekking hebben op een bepaalde kandidaat.

In het nieuwe artikel 119 van het Verdrag van Amsterdam staat echter dat "het beginsel van gelijke kansen (...) niet belet dat een lidstaat, om volledige gelijkheid van mannen en vrouwen in het beroepsleven in de praktijk te verzekeren, maatregelen handhaaft of neemt waarbij specifieke voordelen worden ingesteld om de uitoefening van een beroepsactiviteit door het ondervertegenwoordigde geslacht te vergemakkelijken of om nadelen in de beroepsloopbaan te voorkomen of te compenseren".

Anne VAN LANCKER (B, PES) vraagt de commissaris dat zij deze ontwerp-richtlijn intrekt. Ze begrijpt dat de Commissie na het arrest-Kalanke wat meer zekerheid heeft willen bieden, maar dit voorstel maakt de zaken alleen nog maar chaotischer. De individuele beoordelingsmogelijkheid zal massa's rechtszaken uitlokken door mannen. En dat zal de sterke wetgeving ondermijnen die sommige lidstaten hebben voor positieve actie voor vrouwen die gelijk gekwalificeerd zijn. Fundamenteel is volgens Van Lancker dat het Europese recht positieve actie altijd heeft gezien als een absolute uitzondering op de gelijke behandeling. Maar mannen en vrouwen nemen verschillende posities in op de arbeidsmarkt, in het gezin, in de samenleving, omdat de maatschappij op een mannenmodel is gebouwd en dus vrouwendiscriminatie in zich houdt. Daarom kan een gelijke behandeling de ongelijkheid niet wegwerken, maar zal die juist versterken. Het Commissievoorstel biedt daar geen antwoord op. Met het Verdrag van Amsterdam kan iets veel beters worden afgeleverd, want dan is de EU verplicht de ongelijkheid van kansen actief te bestrijden. Dat betekent niet alleen mainstreaming maar ook positieve actie. Intrekking van de ontwerp-richtlijn zou daarom het mooiste cadeau zijn voor vrouwen op de Internationale Vrouwendag.

Dit verslag heeft een zeer lange voorgeschiedenis, merkt commissaris Anita Gradin op. Vrijwel alle sprekers hebben herhaald dat het wenselijk is dat de Commissie haar voorstel intrekt. Commissaris Flynn heeft op 16 februari al gezegd dat hij van plan is om het voorstel in te trekken. Hij heeft ook aangekondigd dat hij werk zal maken van maatregelen voor de volledig gelijke behandeling van mannen en vrouwen op werkgelegenheidsgebied. Na de ratificatie van het Verdrag van Amsterdam wordt artikel 141 de nieuwe rechtsgrondslag voor gelijke behandeling. Gradin verzekert dat de Commissie daar positief en open tegenover staat. Wel heeft zij juridisch advies ingewonnen over de werkingssfeer van dit artikel.

Stemming (9/3/99)

verslag ongewijzigd aangenomen

    De Commissie maakt na de stemming bekend dat zij het voorstel zal intrekken en met een nieuwe ontwerp-richtlijn zal komen op basis van art. 141.


[Start of Doc] [Previous] [Next]

Overige stemmingen


(9/3/99)

-    verslag-Wolf over statistische informatie audiovisuele en aanverwante sectoren (A4-81/99) aangenomen
                    
-    verslag-Anttila over de landbouw in arctische gebieden (A4-73/99) aangenomen

-    verslag-Katiforis over de schepping van werkgelegenheid (A4-90/99) aangenomen

-    verslag-Weber over de samenwerking EU/ontwikkelingslanden (A4-89/99) aangenomen

-    verslag-Newman over witwassen van geld (A4-93/99) aangenomen

-    verslag-Lüttge over de conferentie van Helsinki (A4-57/99) aangenomen

-    verslag-Guinebertière over jeugdbeleid voor Europa (A4-100/99) aangenomen

-    verslag-Vaz da Silva over de situatie en rol van kunstenaars in de Europese Unie (A4-103/99) aangenomen

-    verslag-Corrie over de werkzaamheden van de Paritaire Vergadering ACS-EU in 1998
    (A4-65/99) aangenomen
                    
-    verslag-Wibe over het verzoek om opheffing van de immuniteit van de heer Rosado Fernandes (A4-76/99) ongewijzigd aangenomen

(10/3/99)

-    aanbeveling voor de tweede lezing over kenmerken van bepaalde gevaarlijke stoffen in Oostenrijk en Zweden aangenomen

-    financiële en technische samenwerking EG/ Republiek Cyprus (vereenvoudigde procedure) aangenomen

-    financiële en technische samenwerking EG/Republiek Malta (vereenvoudigde procedure) aang enomen

-    "SAVE II" (Hongarije) (vereenvoudigde procedure) aangenomen

-    aanbeveling-Camisón Asensio over vervoerbare drukapparatuur (A4-94/99) aangenomen

-    verslag-Tamino over elektromagnetische velden (A4-101/99) aangenomen

-    verslag-Needle over het beleid op volksgezondheidsgebied (A4-82/99) aangenomen (482/34/9)

-    aanbeveling-Watts over de veilige exploitatie van geregelde diensten met ro-ro-veerboten (A4-61/99) ongewijzigd aangenomen

-    verslag-Piecyk over havens en intermodale terminals (A4-74/99) ongewijzigd aangenomen

(11/3/99)

-    resoluties actualiteitendebat aangenomen

            .    Vliegtuigongeluk van Cermis, Italië
            .    Nagorno Karabach
            .    Cuba
            .    Colombia
            .    Indonesië/Molukken
            De Indonesische regering wordt door het EP opgeroepen met vreedzame middelen een eind te maken aan het geweld op de Molukken, daar de rechtsstaat te herstellen en te zorgen voor de vreedzame coëxistentie van mensen van verschillende etnische afkomst en geloofsovertuiging. President Habibie wordt gevraagd voor de naleving van de mensenrechten te zorgen, zoals hij eerder heeft beloofd.

            Op korte termijn zouden de beloofde democratische verkiezingen moeten worden gehouden. Ook zouden economische hervormingen ingevoerd moeten worden in Indonesië en de EU moet daarbij helpen. De EU moet humanitaire steun verlenen.

            .    VN-Commissie voor de mensenrechten
            .    Wit-Rusland
            .    Rusland
            .    Macedonië
            .    Lawines

-    verslag-Robles Piquer over de bevordering van hernieuwbare energiebronnen (A4-85/99) aangenomen

-    verslag-Bloch von Blottnitz over de bevordering van energie-efficiëntie (A4-84/99) gewijzigd aangenomen

-    verslag-Trakatellis over premies en garantiedrempels voor tabaksbladeren (A4-67/99) gewijzigd aangenomen
        verworpen wordt het am. om tabaksboeren te compenseren voor de negatieve effecten van de overgang van ecu naar euro. Ook het am. over een verhoging van de premies wordt verworpen.

-    verslag-Adam over trans-Europese netwerken in de energiesector (A4-87/99) ongewijzigd aangenomen

-    verslag-Stockmann over rationeel energiegebruik (A4-86/99) ongewijzigd aangenomen

-    verslag-Fourçans over het economisch jaarverslag 1999 (A4-102/99) aangenomen (108/78/0)

(12/3/99)

-    verslag-Paasilinna over het communautair douanewetboek (A4-80/99) aangenomen (150/7/8)

-    verslag-Añoveros Trias de Bes over onderlinge aanpassing recht gebruiksmodellen (A4-96/99) aangenomen

-    aanbeveling-André-Léonard over de partnerschapsovereenkomst EU/Oezbekistan (A4-71/99) aangenomen

-    verslag-Truscott over de betrekkingen EU/Nieuwe onafhankelijke staten Centraal-Azië (A4-69/99) aangenomen

-    verslag-Pronk over de sociale zekerheid in Europa (A4-99/99) aangenomen

-    verslag-McIntosh over cabotage in het zeevervoer, bemanning van schepen (A4-75/99) aangenomen

-    verslag-André-Léonard over versterking partnerschap EU-India (A4-66/99) aangenomen

-    verslag-Schwaiger over macrofinanciële bijstand aan Bosnië-Herzegovina (A4-97/99) aangenomen

[Start of Doc] [Previous] [Next]

Samenstelling van het EP en vergaderrooster 1999



B NL DK D FIN F GR IRL I L O P S VK Z TOTAAL
PES 6 7 4 40 4 13 10 1 19 2 6 10 21 61 7 214
EVP 7 9 3 47 4 12 9 4 36 2 7 9 29 17 5 201
ELD 6 10 5 - 5 1 - 1 4 1 1 - 2 3 3 42
UE - 2 - - - 18 2 7 3 - - 3 - - - 36
EUL/NGL - - - - 2 7 4 - 5 - - 3 9 1 3 34
GROEN 2 1 - 12 1 - - 2 3 - 1 - - 1 4 27
ERA 1 - - - - 12 - - 2 1 - - 2 2 - 20
O-ENS - 2 4 - - 8 - - - - - - - 1 - 15
NI 3 - - - - 12 - - 15 - 6 - - 1 - 37
TOTAAL 25 31 16 99 16 87 25 15 87 6 21 25 63 87 22 626

(Stand 12 januari 1999)


VERGADERROOSTER
STRAATSBURG
VERGADERROOSTER
BRUSSEL
     1999

    
    12    -    16 april
    3    -    7 mei
    20    -    23 juli
    13    -    17 september
    4    -    8 oktober
    25    -    29 oktober
    15    -    19 november
    13    -    17 december

1999

    
    

    3    -    4 november    
    1    -    2 december



[Start of Doc] [Previous] [Next]

Agenda van 22 en 23 maart te Brussel


MAANDAG 22 MAART VAN 17.00 - 24.00 UUR

17.00 - 21.00 uur
        .    verklaring van de Commissie over het Comité van deskundigen

21.00 - 24.00 uur
        .    gecombineerde behandeling
            -    verslag-Bourlanges over de algemene begroting 2000 - Afdeling III, Commissie
            -    verslag-Müller over de algemene begroting 2000 - Overige afdelingen
        .    verslag-Terrón i Cusí over migranten uit Irak en het omliggende gebied
        .    verslag-Sierra González over de toepassing van het Gemeenschapsrecht
        .    verslag-Schmidbauer over het in rekening brengen van het gebruik van vervoersinfrastructuur

DINSDAG 23 MAART VAN 9.00 - 13.00 EN 15.00 - UUR

9.00 - 13.00 uur
        .    aanbeveling-Roth-Behrendt over de aansprakelijkheid voor producten met gebreken
        .    verslag-De Melo over de hervorming van de Verenigde Naties
        .    gecombineerde behandeling
            -    verslag-Tindemans over de associatieovereenkomst EGA/KEDO
            -    mondelinge vragen over de democratische Volksrepubliek van Korea
        .    verslag-Stewart-Clark over de politiële samenwerking

15.00 uur
        .    stemmingen

 
  Juridische mededeling