Terug naar het Europarl-portaal

Choisissez la langue de votre document :

VERSLAG     
PDF 70kWP 94k
23 april 1997
PE 217.532/def. A4-0162/97
over de ontwikkeling van de vooruitzichten van een gemeenschappelijk veiligheidsbeleid van de Europese Unie
Commissie buitenlandse zaken, veiligheids- en defensiebeleid
Rapporteur: Leo Tindemans
Bij schrijven van 23 maart 1995 verzocht de Commissie buitenlandse zaken, veiligheids- en defensiebeleid om toestemming voor de indiening van een verslag over de ontwikkeling van een buitenlands en veiligheidsbeleid: WEU, OVSE, NAVO.
 A. ONTWERPRESOLUTIE
 B. TOELICHTING
 ADVIES

 Bij schrijven van 23 maart 1995 verzocht de Commissie buitenlandse zaken, veiligheids- en defensiebeleid om toestemming voor de indiening van een verslag over de ontwikkeling van een buitenlands en veiligheidsbeleid: WEU, OVSE, NAVO.

Op 27 juni 1995 deelde de Voorzitter van het Parlement mede dat de Conferentie van voorzitters de Commissie buitenlandse zaken, veiligheids- en defensiebeleid toestemming had verleend hierover verslag uit te brengen en op 20 september 1996 dat de Commissie institutionele zaken om advies was gevraagd.

De Commissie buitenlandse zaken, veiligheids- en defensiebeleid benoemde op haar vergadering van 22 juni 1996 de heer Tindemans tot rapporteur.

Zij behandelde het ontwerpverslag op haar vergaderingen van 24 juni 1996, 9 september 1996, 18 november 1996, 4 februari 1997, 27 februari 1997, 10 maart 1997, 20 maart 1997 en 21 april 1997.

Voorts heeft de Subcommissie veiligheid en ontwapening het ontwerpverslag behandeld op haar vergaderingen van 28 september 1995, 20 november 1995, 24 april 1996, 2 juli 1996, 3 oktober 1996, 26 november 1996, 26 februari 1997 en 19 maart 1997.

Op haar vergadering van 21 april 1997 hechtte zij met 33 stemmen voor en 6 tegen bij 7 onthoudingen haar goedkeuring aan de ontwerpresolutie.

Bij de stemming waren aanwezig: de leden Carrère d'Encausse, tweede ondervoorzitter en plaatsvervangend voorzitter; Cushnahan, derde ondervoorzitter; Tindemans, rapporteur ; Aelvoet, Alavanos, Barón Crespo, Bertens, Burenstam Linder, Carñero González, Cars, Daskalaki, De Melo, Donner, Dupuis, Ebner (verving Bernard-Reymond overeenkomstig artikel 138, lid 2 van het Reglement); Fabra Vallés (verving Bianco), Ferrer (verving Graziani), Frischenschlager (verving André-Léonard); García Arias (verving Avgerinos), Gahrton, Gomolka, Habsburg, Hänsch, Hoff, Kellett-Bowman (verving Galeote Quecedo overeenkomstig artikel 138, lid 2 van het Reglement); Kittelmann (verving Kristoffersen), Konrad (verving Poettering), Lambrias, Lenz, Lindqvist (verving La Malfa), Linser, Malone (verving Balfe), Oostlander, Pack (verving Rinsche), Piha, Rosado Fernandes (verving Caccavale), Roubatis, Salafranca Sánchez-Neyra, Schröder (verving Stenzel), E. Schroedter (verving Cohn-Bendit), Swoboda (verving Candal), Terrón I Cusi (verving Coates), Theorin, Titley, Truscott en Wiersma.

Het advies van de Commissie institutionele zaken is bij dit verslag gevoegd.

mac22Het verslag werd bij de Griffie ingediend op macoo23 april 1997.

De termijn voor de indiening van amendementen wordt bekendgemaakt in de ontwerpagenda voor de vergaderperiode waarin het verslag wordt behandeld.


 A. ONTWERPRESOLUTIE

Resolutie over de ontwikkeling van de vooruitzichten van een gemeenschappelijk veiligheidsbeleid van de Europese Unie

Het Europees Parlement,

gelet op artikel 148 van zijn Reglement,

onder verwijzing naar zijn resolutie van 18 mei 1995 "over de vorderingen bij de tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (november 1993 - december 1994)" (1),

- onder verwijzing naar zijn resolutie van 18 juli 1996 "over de vorderingen bij de tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijke buitenlandse en veiligheidsbeleid (januari - december 1995)"(2),

onder verwijzing naar zijn resolutie van 14 juni 1995 "over de oprichting van een analysecentrum van de Europese Unie voor de actieve preventie van crises" (3),

onder verwijzing naar zijn resolutie van 13 maart 1996 houdende (i) het advies van het Europees Parlement inzake de bijeenroeping van de Intergouvernementele Conferentie en (ii) de evaluatie van de werkzaamheden van de Reflectiegroep en de vaststelling van de beleidsprioriteiten van het Europees Parlement met het oog op de Intergouvernementele Conferentie (4),

- onder verwijzing naar zijn resolutie van 16 januari 1997 over de algemene schets voor een ontwerpherziening van de Verdragen (5),

gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken, veiligheids- en defensiebeleid en het advies van de Commissie institutionele zaken (A4-0162/97),

overwegende dat de Europese Unie in staat moet zijn bij te dragen tot de stabiliteit van het Europese continent en de aangrenzende gebieden, met inbegrip van het Oostzeegebied en het Middellandse-Zeegebied, het Nabije en Midden-Oosten en het Zwarte-Zeegebied en bij te dragen tot het behoud van de vrede en de internationale veiligheid, overeenkomstig de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties en de doelstellingen van het GBVB,

B. overwegende dat de Europese Unie nog niet alle mogelijkheden van het Verdrag betreffende de Europese Unie heeft benut om een werkelijk gemeenschappelijk veiligheidsbeleid te ontwikkelen en dat tegelijkertijd het toepassingsgebied van een dergelijk beleid beter dient te worden gedefinieerd in het kader van de Intergouvernementele Conferentie,

C. overwegende dat het huidige GBVB dient te leiden tot de daadwerkelijke toepassing van een gemeenschappelijk buitenlands beleid, waarbij de EU in de internationale organisaties met één stem spreekt, en dat haar presentie en politieke verantwoordelijkheid moeten toenemen overeenkomstig haar reële economisch en politiek gewicht in de wereld,

D. overwegende dat het GBVB zich zou moeten concentreren op het ontwikkelen van instrumenten die de EU in staat stellen conflicten te voorkomen of op vreedzame wijze op te lossen,

E. overwegende dat weliswaar tussen de lidstaten verschil van mening blijft bestaan over de noodzaak de WEU te integreren in de structuren van de EU, maar dat anderzijds een consensus aan het ontstaan is tussen alle lidstaten over de noodzaak de Unie te voorzien van de nodige bevoegdheden en middelen voor het uitvoeren van vredeshandhavende en -herstellende taken,

F. overwegende dat het Verdrag het begrip gemeenschappelijke veiligheid zou moeten verduidelijken als zijnde het vermogen van de Unie bedreigingen van de gemeenschappelijke waarden, de fundamentele belangen, de onschendbaarheid van het grondgebied en de onafhankelijkheid van de Unie te voorkomen en het hoofd te bieden en bij te dragen tot handhaving van de vrede en versterking van de internationale veiligheid, door de onderlinge politieke solidariteit, met inbegrip van de financiële solidariteit, te ontwikkelen,

G. overwegende dat veiligheid tevens betekent dat de Europese Unie, zo nodig, kan deelnemen aan collectieve operaties waartoe in het kader van de VN of de OVSE is besloten, zelfstandig kan optreden ter bescherming van haar belangen en waarden, en haar internationale verantwoordelijkheid op zich kan nemen met name in het kader van de Petersbergtaken, waartoe de opdracht wordt gegeven aan de West-Europese Unie, eventueel in samenwerking met de NAVO,

H. overwegende dat de Europese Unie momenteel niet over eigen structuur voor onderzoek en evaluatie beschikt, hetgeen een voorwaarde is voor het voeren van een efficiënt gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, terwijl de lidstaten van de WEU wel beschikken over inlichtingendiensten en diplomatieke kanalen die in dienst dienen te worden gesteld van het GBVB,

I. overwegende dat de ontwikkeling van het gemeenschappelijk veiligheidsbeleid een wezenlijke stap is op de weg naar de bepaling op termijn van een gemeenschappelijk defensiebeleid dat mettertijd tot een gemeenschappelijke defensie zou kunnen leiden,

EEN VEILIGHEIDSBELEID VOOR DE EUROPESE UNIE

1. wijst erop dat de Europese Raad van Lissabon vier terreinen heeft genoemd die onder het begrip "Veiligheid" vallen en waarvoor gemeenschappelijke optredens kunnen worden ondernomen:

- het CVSE-proces (OVSE sinds de Top van Boedapest),

- het beleid op het gebied van ontwapening en wapeningbeheersing in Europa, met inbegrip van vertrouwenwekkende maatregelen,

- non-proliferatievraagstukken op nucleair gebied,

- de economische aspecten van de veiligheid, met name de controle op de overdracht van militaire technologie aan derde landen en de controle op wapenuitvoer;

2. is van mening dat bovengenoemde terreinen, die wezenlijke elementen vormen van een veiligheidsbeleid van de Europese Unie, moeten worden uitgebreid om alle hieronder genoemde aspecten te omvatten;

3. stelt dientengevolge voor dat het begrip veiligheid zodanig wordt gedefinieerd dat een onderscheid wordt aangebracht tussen externe veiligheid, die uit hoofde van artikel C van het Verdrag van Maastricht valt onder het externe beleid van de Europese Unie, en de interne veiligheid, die valt onder de derde pijler:

1) De externe veiligheid van de Europese Unie omvat vraagstukken betreffende:

a) de onschendbaarheid van het grondgebied van de Unie en haar lidstaten en de bescherming van haar burgers,

b) de bewapeningscontrole, of het nu klassieke of kernwapens betreft, met inbegrip van kwesties inzake verspreiding of kwantitatieve beperking, beperking van het gebruik of verbod van wapens;

c) grensconflicten, niet-opgeloste minderheidsproblemen of conflicten tussen bevolkingsgroepen die zich zouden kunnen uitbreiden en uiteindelijk een bedreiging kunnen vormen voor de lidstaten van de Europese Unie, alsmede de toestand van politieke verwarring en instabiliteit in sommige landen die aan de Europese Unie grenzen,

d) de te extreme verschillen tussen rijke en arme landen met alle gevolgen vandien, met name in de vorm van migratiestromen;

e) de milieubescherming voorzover het verstoorde evenwicht op milieugebied een bedreiging vormt van de vrede, en de bedreiging die uitgaat van de aanwezigheid van verouderde kerncentrales, nucleair afval en opgeslagen radio-actieve stoffen,

2) De interne veiligheid van de Europese Unie omvat vraagstukken betreffende:

a) de bedreiging van terrorisme en activiteiten van de georganiseerde misdaad, zoals wapenhandel, drugshandel, het witwassen van geld, prostitutie,

b) de economische en sociale crisis in de Europese samenlevingen, die een verzwakking van de sociale consensus teweeg brengt, en die tot gevolg heeft dat de gevoelens van onvrede onder de bevolking zich richten tegen de buitenlanders in de vorm van uitingen van racisme en vreemdelingenhaat;

4. merkt derhalve op dat de veiligheid moet worden gewaarborgd:

a) extern, door middel van klassieke of preventieve diplomatie of door middel van vertrouwenwekkende maatregelen op militair gebied en door economische steun, ontwikkelingshulp, de uitvoering van vredeshandhavende of -herstellende taken en alle andere samenwerkingsvormen tussen staten, bi- of multilateraal, zoals de bevordering van democratie en pluriformiteit van de media,

b) intern, door economische en sociale maatregelen en acties op cultureel en onderwijsgebied om alle vormen van vooroordelen op grond van racisme of vreemdelingenhaat te bestrijden, en door maatregelen in het kader van de derde pijler;

5. dringt er bij de lidstaten met klem op aan de Intergouvernementele Conferentie te gebruiken voor de verdieping van het debat over de veiligheid, en overeenstemming te bereiken om de Europese Unie uit te rusten met de nodige instrumenten voor het voeren van een geloofwaardig veiligheidsbeleid overeenkomstig de geest en de letter van het Verdrag betreffende de Europese Unie;

6. verzoekt derhalve de Commissie en de Raad met spoed een uitvoerbaarheidsstudie te verrichten met betrekking tot de oprichting van een Europees korps, bestaande uit militaire en civiele eenheden, dat speciaal belast zal zijn met het uitvoeren van vredeshandhavende en -herstellende taken;

7. is van mening dat de bevestiging van de natuurlijke solidariteit die de lidstaten aan elkaar verbindt, op zich zelf al een belangrijk element van veiligheid is, omdat dit de in het kader van de WEU en de NAVO geboden veiligheidsgaranties die de lidstaten van de Europese Unie die geen lid zijn van deze organisaties, indirect toch al genieten, nog eens extra versterkt;

8. is verder van mening dat de opneming in de Verdragen van een bepaling inzake economische veiligheid de Europese Unie de mogelijkheid zou bieden op te treden als de veiligheid van haar verbindingswegen en bevoorrading wordt bedreigd;

9. verklaart tenslotte dat de Europese Unie in het kader van een gemeenschappelijk veiligheidsbeleid volledig in staat moet zijn een bijdrage te leveren aan de vrede en een stabiele rechtsorde in de wereld, in de eerste plaats in de gebieden die aan haar land- en zeegrenzen gelegen zijn, en dat in dit verband de gewapende strijdkrachten van de lidstaten van de Europese Unie ter beschikking zouden kunnen worden gesteld in het kader van een mandaat van de VN of de OVSE, te beginnen voor de uitvoering van Petersbergtaken;

10. verzoekt de IGC derhalve, met het oog op de vaststelling van een gemeenschappelijk veiligheidsbeleid, te voorzien in:

a) opneming in de Verdragen van een politieke solidariteitsclausule en de toevoeging van het beginsel van onschendbaarheid van de grenzen van de Europese Unie en haar lidstaten, als onderdelen van de natuurlijke solidariteit die de lidstaten van de Unie met elkaar verbindt;

b) opneming in de Verdragen van de Petersberg-taken, die de vorm zouden moeten krijgen van een gemeenschappelijk optreden in de zin van artikel J.3 van het VEU, met fysieke en/of financiële deelneming van alle lidstaten als uitdrukking van de natuurlijke solidariteit tussen de staten van de Unie, en die met gekwalificeerde meerderheid vastgesteld zouden moeten worden, behoudens het recht op constructieve onthouding van een of meerdere lidstaten;

c) de oprichting, waarom reeds is verzocht in de resolutie van 14 juni 1995, en daarna nog eens in die van 16 januari 1997, van een centrum voor analyse, vroegtijdige waarschuwing en politieke programmering - onder gezamenlijke verantwoordelijkheid van de Raad en de Commissie en met steun van de WEU - ten einde snel te kunnen beschikken over gegevens voor het opsporen van crisishaarden en het bepalen van standpunten en gemeenschappelijke acties van de Unie op veiligheidsgebied;

11. wenst met het oog op de ontwikkeling van het gemeenschappelijk veiligheidsbeleid en de uitvoering van de Petersbergtaken dat de huidige samenwerking tussen de Europese Unie en de WEU geleidelijk wordt versterkt;

12. wenst dat de operationele structuren van de West-Europese Unie worden versterkt, zonder dat dit leidt tot duplicering van de middelen van de NAVO;

REGIONALE ASPECTEN VAN DE GEMEENSCHAPPELIJKE VEILIGHEID

Betrekkingen met de landen ten oosten van de Unie

13. wijst erop dat de OVSE een belangrijk element vormt van de paneuropese samenwerking als forum voor de dialoog en als instrument van preventieve diplomatie; wenst dat de OVSE wordt versterkt zonder dat de veiligheidsstructuren waarin de meerderheid van de lidstaten van de Europese Unie deelneemt, worden verzwakt;

14. wijst er verder op dat de Raad van Europa een belangrijke rol te vervullen heeft bij de bevordering van democratie en eerbiediging van de mensenrechten, beide essentiële elementen van de veiligheid in Europa;

15. herinnert aan de positieve rol van het Stabiliteitspact in Europa als vorm van preventieve diplomatie van de Europese Unie jegens de Midden- en Oosteuropese landen en daarmee als element van een veiligheidsbeleid van de Europese Unie;

16. neemt kennis van het verlangen van de Midden- en Oosteuropese landen op te gaan in de veiligheidsstructuren van de Westelijke landen, te beginnen met de NAVO, en verklaart dat dit een kwestie is die onder de soevereiniteit valt van de betrokken landen en die van de lidstaten van het Atlantisch Bondgenootschap;

17. onderstreept daarnaast dat de uitbreiding van het Atlantisch Bondgenootschap niet tot een nieuwe splitsing op het Europese continent moet leiden en evenmin de Midden- en Oosteuropese landen in categorieën moet opdelen, doch de stabiliteit naar het Oosten toe moet uitbreiden en daar de democratie moet versterken;

18. is zich niettemin bewust van de bezwaren die in Rusland zijn geuit tegen het vooruitzicht van een toetreding tot de NAVO van de voormalige lidstaten van het Warschaupact, en benadrukt dat deze bezwaren grotendeels zou kunnen worden weggenomen als, tegelijk met de uitbreiding van de NAVO, een strategisch en veiligheidspartnerschap zou worden ingesteld tussen de Verenigde Staten, de Europese Unie, Rusland en de overige landen van het GOS die hiervoor belangstelling hebben;

19. is van oordeel dat dit strategisch en veiligheidspartnerschap de rechten en verplichtingen van de partners dient vast te leggen en dat het beginsel van territoriale integriteit en onschendbaarheid van de grenzen van de Europese staten tot deze verplichtingen dient te behoren;

Betrekkingen met de landen in de Balkan

20. stelt vast dat in Europa de Balkan het belangrijkste gebied vormt waar nog geen stabiliteit heerst en dat het derhalve van belang is om de landen in deze regio nauwer te betrekken bij de Europese structuren;

21. roept de Europese Unie derhalve op de democratische krachten in deze landen te ondersteunen, hen te laten delen in haar waarden door hun samenwerking in het vooruitzicht te stellen, hen economisch en financieel te ondersteunen teneinde stabilisering te bewerkstelligen, en tenslotte de regionale samenwerking binnen deze regio te stimuleren;

Betrekkingen met de landen in het Oostzeegebied

22. herinnert aan zijn resolutie van 14 juli 1995 over de krachtlijnen van het Oostzeebeleid van de Europese Unie (6);

23. wijst erop dat de Oostzee als gevolg van de laatste toetredingen en in het vooruitzicht van verdere uitbreidingen steeds meer het karakter krijgt van een "binnenzee", die een zone zou moeten worden voor samenwerking tussen alle kuststaten, met inbegrip van Rusland en zijn enclave Kaliningrad;

24. nodigt dientengevolge de Raad van de Europese Unie uit om in het kader van het GBVB alle tot zijn beschikking staande middelen te gebruiken ter vermindering van de spanningen die in deze regio altijd kunnen ontstaan, en om de ronde tafelconferentie voor het Oostzeegebied, die was ingesteld in het kader van de onderhandelingen over het Stabiliteitspact in Europa, nieuw leven in te blazen en om te vormen tot een forum voor regelmatige dialoog met de kuststaten die geen lid zijn van de Europese Unie;

Betrekkingen met de kuststaten van de Middellandse Zee en de Zwarte Zee en met de landen in het Nabije en Midden-Oosten

25. benadrukt het belang van het Middellandse-Zeegebied voor de veiligheid van de Europese Unie, zoals ook is bekrachtigd op de Conferentie van Barcelona; wijst erop dat ondanks de partnerschapsovereenkomsten met de landen aan de zuidelijke Middellandse Zee-oever, de economische onevenwichtigheid en het met conflicten bezaaide vredesproces in het Nabije Oosten deze landen kwetsbaar maakt voor politieke instabiliteit, terrorisme en schending van de mensenrechten;

26. is van oordeel dat het wenselijk is om in het Middellandse-Zeegebied coöperatieve veiligheidsstructuren te creëren in aanvulling op het beleid van Euro-mediterrane partnerschapsovereenkomsten zoals dit door de Europese Unie wordt gevolgd;

27. herhaalt dat de bestaande meningsverschillen tussen bepaalde Middellandse-Zeelanden moeten worden opgelost met eerbiediging van het internationale recht, met inachtneming van de desbetreffende resoluties van de Verenigde Naties, en, in voorkomende gevallen, door een beroep te doen op het Internationale Gerechtshof;

28. beklemtoont de noodzaak de doorzichtigheid van de dialoog van de Unie met de landen van het Middellandse-Zeegebied te verzekeren, alsmede het aanvullend karakter daarvan ten opzichte van de overeenkomstige dialoog van andere internationale organisaties zoals de WEU, de NAVO en de OVSE;

29. verklaart dat een veiligheidsbeleid in het Middellandse-Zeegebied voor alles moet zijn gericht op verbetering van de economische en sociale omstandigheden in de Middellandse-Zeelanden, met name de landen aan de zuidkust, op het indammen van de migratiestromen en de illegale handel in oorlogsmateriaal;

30. benadrukt het belang van de Zwarte Zee voor de Europese veiligheid, aangezien deze zee grenst aan Transkaukasië, en verzoekt derhalve de Europese Unie haar bemoeienis met de zone van economische samenwerking rond de Zwarte Zee uit te breiden;

31. stelt vast dat ook het Nabije en Midden-Oosten van belang is voor de mondiale veiligheid, onder andere vanwege de hier aanwezige gigantische olievoorraden, en roept de Raad op het GBVB met betrekking tot deze landen verder te ontwikkelen;

32. wenst voorts dat de Europese Unie een actievere politieke rol gaat spelen in het vredesproces in het Midden-Oosten, een proces waaraan zij met de Verklaring van Venetië van 1980 een essentiële politieke impuls heeft gegeven;

ANDERE OVERWEGINGEN

33. is van mening dat het voor de samenhang en de ontwikkeling van het GBVB nuttig zou zijn dat de Raad van de Europese Unie en de Permanente Raad van de WEU van ministers van Buitenlandse Zaken en Defensie van de lidstaten indien nodig gezamenlijk worden bijeengeroepen, met name als het erom gaat de WEU te belasten met de uitvoering van Petersbergtaken;

34. verklaart dat een veiligheidsbeleid alleen de Europese Unie niet kan behoeden voor alle bedreigingen en dat zij onvermijdelijk de kwestie van de defensie ter sprake moet brengen;

35. verklaart dat een ruimere definitie van een gemeenschappelijk veiligheidsbeleid in Europa een sterkere nadruk impliceert op kwesties als ontwapening, voorkoming van conflicten en vertrouwenwekkende maatregelen;

36. wijst erop dat, overeenkomstig het Verdrag betreffende de Europese Unie, het GBVB de bepaling op termijn omvat van een gemeenschappelijk defensiebeleid dat mettertijd tot een gemeenschappelijke defensie zou kunnen leiden;

37. stelt dientengevolge voor dat de lidstaten het jaartal 1998, als vastgelegd in artikel XII van het WEU-Verdrag, aangrijpen als gelegenheid om een Conferentie van het type "Messina" bijeen te roepen die speciaal gewijd wordt aan beraadslagingen over:

a) de inhoud van een gemeenschappelijk defensiebeleid,

b) de gevolgen van de integratie van de WEU in de Europese Unie, met name vanuit het oogpunt van de wederzijdse steun die de lidstaten van de Europese Unie, in dat geval, elkaar zouden dienen te bieden ingeval van agressie of een dreigende agressie tegen een van hen, en de gevolgen die daaruit voortvloeien voor het Atlantisch Bondgenootschap;

c) de voor het bereiken van deze doelstellingen benodigde institutionele aanpassingen;

38. is van mening dat de Europese Unie haar huidige structuur moet aanpassen om nauwer toezicht te houden op de voortdurende ontwikkelingen in de sector van de veiligheid, ook in het latere defensiestadium, en dat het nauwere contacten moet onderhouden met de organismen die politiek actief zijn in deze sector;

39. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie, de Raad, de Intergouvernementele Conferentie, de bevoegde organen van de WEU, de NAVO, OVSE, de VN en de parlementen van de lidstaten en de kandidaat-lidstaten.

(1)() PB C 151 van 19.6.1995, blz. 223.
(2)() PB C 261 van 9.9.96, blz. 154.
(3)() PB C 166 van 3.7.1995, blz. 59.
(4)() PB C 96 van 1.4.96, blz. 154.
(5)() Notulen (PV-uitgave) van 16.1.1997, blz. 5.
(6)() PB C 249, 25.9.1995, blz. 215.


 B. TOELICHTING

I. INLEIDING

1. Europa is een gemeenschap van lotsverbonden volkeren. Vanaf de Verklaring van 9 mei 1950 tot het Verdrag van Maastricht is deze stelling nooit gelogenstraft. Terwijl het Verdrag van Rome tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap van Kolen en Staal nog van "een voortaan gezamenlijke bestemming" gewaagde, sprak het Verdrag van Rome van "een steeds nauwere verbondenheid tussen de Europese volkeren"; de Europese Akte kondigde reeds de omvorming aan van het geheel van betrekkingen tussen de lid-staten tot een "Europese Unie"; tenslotte werd met het Verdrag van Maastricht een verdere stap gezet tot de oprichting van de Europese Unie. Dit Verdrag geeft de unie heeft tot doel "de bevestiging van de identiteit van de Unie op het internationale vlak, met name door de tenuitvoerlegging van een gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid, met inbegrip van de bepaling op termijn van een gemeenschappelijk defensiebeleid, dat mettertijd tot een gemeenschappelijke defensie zou kunnen leiden".

Vredesonderzoek en versterking van de vrede en veiligheid hebben bij de "Founding Fathers" van Europa altijd een zeer belangrijke plaats ingenomen. Ter illustratie kan worden gewezen op het EGKS-Verdrag, dat tot doel had oorlog te voorkomen, niet alleen tussen de lid-staten, maar op het gehele Europese continent, en de preambule van het Verdrag van Rome, waarin de beginselen zijn vervat - vrede, welzijn, werkgelegenheid - die tevens essentiële elementen vormen voor een veiligheidsbeleid.

2. Het Verdrag van Maastricht heeft eenzelfde perspectief en vormt een politieke test voor de bereidheid van de lid-staten om verder te gaan: de belangrijkste uiting van deze bereidheid zal de overgang zijn naar een enkele munt in 1999. Daarnaast biedt de datum van 1998, opgenomen in het gewijzigde Verdrag van Brussel tot oprichting van de West-Europese Unie, de gelegenheid tot bezinning over een veiligheidsbeleid en mettertijd een defensiebeleid voor de Europese Unie ter ondersteuning van het buitenlandse beleid van de Unie, zoals dit ten uitvoer wordt gelegd uit hoofde van de bepalingen van het Verdrag betreffende het GBVB.

Momenteel zijn de lidstaten gewikkeld in een proces van herziening van de Verdragen: de hiertoe bijeengeroepen Intergouvernementele Conferentie zal haar werkzaamheden afsluiten op de Europese Raad van Amsterdam in juni 1997. Op het gebied van de tweede pijler werden de werkzaamheden van de IGC gekenmerkt door het streven naar een beter functioneren van het GBVB en naar vooruitgang - doch welke? - op het gebied van veiligheid en defensie. De belangrijkste bijdragen op dit terrein zijn het Fins-Zweedse memorandum van 15 april 1996 over de versterking van de rol van de Europese Unie in de aanpak van crises, het Frans-Duitse concept van veiligheid en defensie, dat op 9 december 1996 in Neurenberg werd goedgekeurd en het voorstel van zes landen (België, Duitsland, Frankrijk, Italië, Luxemburg en Spanje) om de WEU op den duur in de EU te integreren. Deze documenten laten tegelijkertijd zien dat er conceptuele verschillen zijn zodra men zich waagt op het gebied van het defensiebeleid, een terrein waar de standpunten van de lidstaten van de Europese Unie nog steeds zeer ver uit elkaar liggen.

3. Omwille van de helderheid van het debat en om de standpunten nader tot elkaar te brengen heeft de Commissie buitenlandse zaken, veiligheids- en defensiebeleid besloten om het verslag, dat aanvankelijk een veiligheids- en defensiebeleid voor de Europese Unie tot onderwerp had, te splitsen en zich in eerste instantie te concentreren het onder "veiligheid" van het GBVB, waarbij het aspect "defensie", zoals opgenomen in artikel J.4 van het VEU, onderwerp zal zijn van een later verslag, dat zal verschijnen op basis van de resultaten van de IGC.

II. DEFINIEREN VAN EEN GEMEENSCHAPPELIJK VEILIGHEIDSBELEID VOOR DE EU

4. Het Verdrag betreffende de Europese Unie vermeldt in artikel J.1 de vijf doelstellingen van het GBVB, die het referentiekader vormen voor een gemeenschappelijk veiligheidsbeleid. Deze vijf doelstellingen zijn:

- bescherming van de gemeenschappelijke waarden, de fundamentele belangen en de onafhankelijkheid van de Unie;

- versterking van de veiligheid van de Unie en haar lidstaten in alle opzichten;

- handhaving van de vrede en versterking van de internationale veiligheid overeenkomstig de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties, alsmede de beginselen van de Slotakte van Helsinki en de doelstellingen van het Handvest van Parijs;

- bevordering van de internationale samenwerking;

- ontwikkeling en versterking van de democratie en de rechtsstaat, alsmede eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden.

Verscheidene van deze doelstellingen kunnen worden gerealiseerd met behulp van de instrumenten van de eerste pijler (akkoorden met derde landen, ontwikkelingshulp ....) en met die van de tweede pijler, via gemeenschappelijke optredens overeenkomstig artikel J.3 van het VEU en langs diplomatieke weg. Artikel J.1 vormt het bewijs dat de veiligheid van de Europese Unie grotendeels kan worden gewaarborgd door andere dan militaire middelen.

Zoals men heeft kunnen zien in het voormalige Joegoslavië zijn er echter gevallen waar de militaire optie niet langer kan worden vermeden, met name wanneer de diplomatie de grenzen van haar doelmatigheid heeft bereikt en de Europese staten geen andere keus meer hebben dan een beroep te doen op gewapende strijdkrachten om hun fundamentele belangen en waarden te verdedigen. Voor een geloofwaardig buitenlands beleid is het belangrijk dat a priori geen enkele optie voor de tenuitvoerlegging ervan wordt uitgesloten: zo moet de Europese Unie in het kader van haar veiligheidsbeleid op autonome wijze gebruik kunnen maken van gewapende strijdkrachten of deel kunnen nemen aan collectieve operaties, met name die waartoe is besloten in het kader van de VN of de OVSE, bijvoorbeeld voor de vervulling van missies van het type Petersberg. De uitvoering hiervan kan aan de WEU, eventueel in samenwerking met de NAVO worden toevertrouwd.

5. De Europese Unie heeft reeds een veiligheidsbeleid. De Europese Raad van Lissabon (26-27 juni 1992) heeft met betrekking tot het aspect "veiligheid" vier terreinen vastgesteld waarop een gemeenschappelijk optreden kan plaatsvinden:

- de CVSE (sinds de Top van Boedapest de OVSE),

- het beleid van ontwapening en wapenbeheersing in Europa, met inbegrip van vertrouwenwekkende maatregelen,

- kwesties in verband met de non-proliferatie van kernwapens,

- de economische aspecten van veiligheid, met name controle op de overdracht van militaire technologieën naar derde landen en controle op de wapenexport.

6. De aldus omschreven terreinen vormen essentiële elementen van een veiligheidsbeleid. Buiten het OVSE-proces hebben deze terreinen echter in mindere of meerdere mate raakvlakken met het militaire aspect, aangezien veiligheid nu eenmaal een globaal concept is dat veel verder gaat dan alleen militaire aspecten, zonder deze echter uit te sluiten.

In dit stadium is het dus zaaks de componenten van een gemeenschappelijk veiligheidsbeleid te definiëren en hierbij een onderscheid aan te brengen tussen externe veiligheid en interne veiligheid:

1. op extern vlak,

a) een veiligheidsbeleid heeft in de eerste plaats tot doel de integriteit van het grondgebied van de Unie te waarborgen en haar burgers te beschermen: dit vereist de inzetbaarheid van militaire middelen van vooral defensieve aard en het gebruik van diplomatieke middelen (akkoorden enz.);

b) veiligheid heeft echter ook betrekking op wapenbeheersing, of het nu om conventionele of kernwapens gaat, en omvat kwesties in verband met proliferatie (kernwapens, ballistische wapens, verspreiding van bepaalde militaire technologieën) en kwesties in verband met de kwantitatieve beperking van wapensystemen (zoals het CFE-verdrag), beperking van het gebruik ervan (vertrouwenwekkende maatregelen) of een verbod erop (zoals het verbod op anti-personenmijnen);

c) onopgeloste grensproblemen of problemen met minderheden alsmede interetnische rivaliteiten die eventueel de grenzen van een land zouden kunnen overschrijden, kunnen een bedreiging vormen voor de veiligheid van Europa als geheel. Om dergelijke problemen het hoofd te bieden, heeft de Europese Unie indertijd besloten om in de vorm van een gezamenlijk optreden een begin te maken met het proces dat is uitgemond in de sluiting van het Stabiliteitspact voor Europa, dat op 21 maart 1995 in Parijs werd goedgekeurd. Ook in dit verband spelen instellingen als de OVSE en de Raad van Europa een belangrijke rol; men denke hierbij ook aan de politieke verwarring en instabiliteit in sommige landen die aan de Europese Unie grenzen, zoals momenteel in Albanië.

d) de enorme ongelijkheden tussen de rijke landen en de arme landen, met alle gevolgen vandien voor de migratiestromen, vormen eveneens een bedreiging voor de Europese veiligheid. Hierbij kan worden gedacht aan de klassieke noord-zuidtegenstelling of de scheidslijn tussen het gebied ten noorden van de Middellandse Zee en het gebied ten zuiden hiervan.

e) ook milieubescherming vorm een veiligheidsfactor: een kernramp in een land (bijvoorbeeld omdat de kerncentrales te oud of onveilig zijn) kan destabiliserende gevolgen hebben voor een buurland; hetzelfde geldt voor natuurrampen, zoals droogte, overstromingen, of het broeikaseffect, allemaal verschijnselen die in het ergste geval migratiestromen op gang kunnen brengen. Wij mogen ook niet uit het oog verliezen dat water in de XXIe eeuw wegens de bevolkingsaanwas even belangrijk zal worden als aardolie in deze eeuw.

2. Op intern vlak omvat de veiligheid onderstaande aspecten:

a) de Europese samenlevingen kunnen zich bedreigd gaan voelen door terrorisme, door georganiseerde misdaad en allerlei verboden vormen van handel (wapens, drugs, witwassen van geld, prostitutie). Hierop kan slechts een pluriform antwoord worden gegeven. In het geval van het terrorisme moet een onderscheid worden gemaakt tussen binnenlands terrorisme (zie de Rote Armee Fraction of de Rode Brigades) en het externe terrorisme (zie de vroegere PLO), dat vanzelf verdwijnt zodra een politieke oplossing in zicht komt voor het probleem dat de terroristen onder de aandacht willen brengen. Voor de bestrijding van de overige hier genoemde bedreigingen is de instelling noodzakelijk van repressieve maatregelen en maatregelen van economische en sociale aard, waarbij samenwerking van de betrokken landen zowel in het kader van de eerste als in het kader van de derde pijler noodzakelijk is;

b) de economische en sociale crisis in onze samenlevingen leidt tot een afbrokkeling van de maatschappelijke consensus, hetgeen het risico met zich meebrengt dat buitenlanders de rol van zondebok krijgen toegewezen, wat weer een bedreiging voor de individuele en de collectieve veiligheid met zich brengt. In dit verslag zal hierop niet verder worden ingegaan.

7. Het lidmaatschap van de Europese Unie vormt een veiligheidsfactor op zichzelf: dit lidmaatschap staat in het teken in het teken van dialoog en samenwerking, die in de plaats zijn gekomen van de onderlinge confrontaties tussen staten in het verleden. Met betrekking tot derde landen volgt de Europese Unie eenzelfde methode. De Midden- en Oost-Europese landen hebben het veiligheidskarakter van de Europese Unie juist ingeschat toen zij hun kandidatuur voor het lidmaatschap stelden: hun eerste reactie na de val van het ijzeren gordijn was namelijk een aanvraag in te dienen voor het lidmaatschap van de NAVO. Het Atlantische bondgenootschap, dat er weinig voor voelde om opnieuw een confrontatie aan te gaan met Rusland, waar zich ingrijpende veranderingen aan het voltrekken waren, bood hun het "Partnerschap voor Vrede" aan. Vervolgens hebben de MOEL's zich gewend tot de Europese Unie, niet alleen om perspectieven te openen op economische welvaart, doch vooral om binnen een groot samenwerkingsverband tussen staten de vrijheid en veiligheid te vinden waar zij al zolang naar streefden.

Veiligheid is altijd een centraal aandachtspunt geweest in de Europese Unie. Dit blijkt uit de akkoorden die de Unie de laatste jaren heeft gesloten, zowel met de MOEL's (Europese akkoorden), met de landen van het GOS (partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomsten) als met de landen in het Middellandse-Zeegebied (Euromediterrane akkoorden). Overeenkomstig de besluiten van de reeds genoemde Top van Lissabon streeft de Europese Unie ernaar in haar buurlanden een stabiel en veilig klimaat te creëren.

In dit verband zij tevens gewezen op de belangrijke verklaring die door de 15 lidstaten van de Europese Unie op 15 juli 1996 naar aanleiding van de crisis van Imia van januari 1996 werd afgelegd en waarin de Raad voor het eerst gewag maakte van de "natuurlijke solidariteit" die de lidstaten onderling verbindt. Een dergelijke verklaring toont ten overvloede aan dat de Europese Unie meer is dan alleen een economische unie.

8. Daar komt nog bij dat het feit dat 11 lidstaten van de Europese Unie tevens lid zijn van de NAVO en 10 lidstaten lid zijn van de WEU (met de veiligheidsgaranties vervat in artikel 5 van het Verdrag van Washington en artikel V van het gewijzigde Verdrag van Brussel) voor de gehele Unie een zeer belangrijk veiligheidselement vormt, dat wonderwel aansluit bij de eerder genoemde "natuurlijke solidariteit". Dit betekent dat de lidstaten van de Unie die niet zijn aangesloten bij deze militaire organisaties zich reeds indirect beschermd kunnen weten door de door deze organisaties geboden veiligheidsgaranties.

III. DE REGIONALE VEILIGHEIDSASPECTEN

9. Veiligheid is een ondeelbaar begrip. De Europese Unie kan niet in vrede leven als aan haar grenzen een oorlog woedt, omdat niemand de gevolgen van een conflict kan overzien als dit niet snel wordt ingeperkt. Dit heeft men duidelijk kunnen zien tijdens de Joegoslavische crisis en ook nu beseft iedereen dat de crisis in Albanië rechtstreekse gevolgen kan hebben voor bepaalde lidstaten van de Europese Unie en uiteindelijk voor de Europese Unie in haar geheel. Dit gegeven vormt de keerzijde van de onderlinge afhankelijkheid.

10. Ten aanzien van de betrekkingen met de landen aan de oostgrens van de Unie moet de belangrijke rol worden benadrukt van de OVSE als paneuropees forum voor dialoog en als instrument voor preventieve diplomatie. Het falen van de OVSE, zoals bijvoorbeeld in het voormalige Joegoslavië, Tsjetsjenië of Nagorno Karabach, mag geen reden zijn om de successen te vergeten die deze organisatie elders heeft geboekt: een recent voorbeeld hiervan vormt de wijze waarop de OVSE door de bemiddeling van de heer GONZALEZ heeft bijgedragen aan de democratiseringsproces in Servië.

Het reeds eerder vermelde stabiliteitspact voor Europa vormt een geslaagd voorbeeld van preventieve diplomatie, aangezien dit pact heeft geleid tot de ondertekening van een verdrag tussen Hongarije en Slowakije en tot een ander verdrag tussen Hongarije en Roemenië. Het Stabiliteitspact voor Europa is een essentieel element geweest bij de toetredingsstrategie van de Unie met betrekking tot de MOEL's.

Ook de Raad van Europa heeft een belangrijke rol ter vervullen bij de bevordering van de democratie en de eerbiediging van de mensenrechten, beide essentiële elementen voor de veiligheid in Europa.

Rest het delicate vraagstuk van de integratie van de MOEL's - of in eerste instantie van enkele van deze landen - in de westerse veiligheidsstructuren WEU en NAVO. Het is duidelijk dat de hoedanigheid van lid van de WEU is voorbehouden aan de lidstaten van de Europese Unie die lid worden van de NAVO. Dientengevolge is de toetreding van de MOEL's tot de NAVO de sleutel tot het probleem. Voor het Atlantisch Bondgenootschap, dat hierover in juli 1997 een besluit zal nemen, is het van belang dat deze uitbreiding niet leidt tot een nieuwe tweedeling op het Europese continent: de bedoeling is de stabiliteit in het oosten te vergroten en de democratie een steun in de rug te geven. Niettemin kunnen er vraagtekens worden gesteld bij deze uitbreiding: hoe kan worden tegemoet gekomen aan de door Rusland geuite bezorgdheid? Welke garanties kan men de MOEL's bieden die geen deel uitmaken van de eerste groep nieuwe leden? Hoe kan men de ongerustheid wegnemen van landen als Oekraïne, Moldavië en Witrusland, die het territorium van de NAVO steeds dichterbij zien komen?

Met Rusland wordt momenteel onderhandeld. Op 27 mei 1997 wordt in Parijs tussen de NAVO en Rusland mogelijk een handvest overeengekomen en er komt wellicht een gemeenschappelijke NAVO/Rusland-brigade. Het is duidelijk dat de westerse landen en Rusland er beide belang bij hebben om tot een overeenkomst te komen: indien er een strategisch en veiligheidspartnerschap tot stand zou komen tussen Europa, de Verenigde Staten en Rusland, dan zou dit de uitbreiding van de NAVO van haar scherpe kanten ontdoen en zouden andere landen van het GOS zich hierbij kunnen aansluiten. Dit partnerschap zou de rechten en de verplichtingen van de partners moeten vastleggen, met name wat betreft de eerbiediging van de territoriale integriteit en de onschendbaarheid van de grenzen van de Europese staten.

Dit voorbeeld van de uitbreiding van de NAVO met Oost-Europese landen maakt duidelijk dat de scheidslijn tussen veiligheid en defensie zeer dun is. Waar de NAVO ten tijde van de Koude Oorlog een defensie-instrument vormde in dienst van de veiligheid van haar leden, vormt de NAVO momenteel een instrument voor collectieve veiligheid, met inbegrip van de veiligheid van haar voormalige tegenstanders, die niet noodzakelijkerwijs in deze organisatie hoeven op te gaan.

11. Ten aanzien van de betrekkingen met de landen in het Balkangebied dient de Europese Unie twee hoofddoelstellingen na te streven: stabilisatie van deze regio (na het voormalige Joegoslavië wordt nu Albanië getroffen door een crisis) ten einde hun toekomstige toenadering tot de Europese structuren te vergemakkelijken en deze landen vervolgens te laten delen in de Europese democratisch waarden, de ondersteuning van de democratisch krachten in deze landen bevordering van de regionale samenwerking binnen deze regio en met de buurlanden.

12. Ten aanzien van haar betrekkingen met het Oostzeegebied moet de Europese Unie rekening houden met het feit dat de Oostzee meer en meer een "mare nostrum" wordt, zeker als ook Polen en de Oostzeestaten lid worden van de Unie. Het Oostzeegebied moet een samenwerkingsregio worden door ontwikkeling van het partnerschap met Rusland, met inbegrip van de regio Kaliningrad. Tijdens de onderhandelingen over het Stabiliteitspact voor Europa was er een "Baltische Ronde Tafel", die in het kader van de OVSE nieuw leven zou kunnen worden ingeblazen, aangezien genoemd pact onder auspiciën van deze organisatie tot stand is gekomen. De Europese Unie moet in het vooruitzicht van de toetreding van de Oostzeelanden pogingen in het werk stellen om te bewerkstelligen dat deze landen een statuut instellen voor hun Russische minderheden, overeenkomstig de normen van de Raad van Europa.

13. Ten slotte vormt het Middellandse-Zeegebied een zone die van vitaal belang is voor de Europese veiligheid. In dit gebied zijn de reële of potentiële crisishaarden talrijk. Meningsverschillen moeten hier worden opgelost met behulp van onderhandelingen, met eerbiediging van het internationale recht en resoluties ter zake van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, en, eventueel, door een beroep te doen op de arbitrage van het Internationaal Gerechtshof. Sommige landen van deze regio hebben met politieke instabiliteit, terrorisme of schendingen van de mensenrechten af te rekenen en de huidige patstelling in het vredesproces in het Midden-Oosten is bepaald onrustwekkend.

De landen in deze regio hebben een jonge bevolking, die perspectieven moet worden geboden op economische ontwikkeling en persoonlijke ontplooiing. De strategie van Euro-mediterrane akkoorden in combinatie met het MEDA-programma vormt een onmisbaar element in het streven naar verbetering van de economische en sociale omstandigheden in de MiddellandseZeelanden. In samenwerking met deze landen moet tevens worden gezorgd voor beheersing van de migratiestromen, ten einde al te ingrijpende verstoringen in de ontvangende landen te voorkomen. Ten slotte verdient het aanbeveling om in aanvulling op de Euro-mediterrane akkoorden coöperatieve veiligheidsstructuren op te zetten. In dit verband zij opgemerkt dat de OVSE, de NAVO en de WEU ieder een dialoog onderhouden met de Mediterrane landen.

14. De veiligheid in het Middellandse-Zeegebied kan niet los worden gezien van de situatie in de aangrenzende zones, zoals het Zwarte-Zeegebied, waar de Europese Unie zich meer bij zou moeten betrekken via het economische samenwerkingsgebied van de Zwarte Zee (waarbij het aangrenzende Transkaukasië niet mag worden vergeten), of het Midden- en Nabije Oosten, dat een voor de wereldvrede cruciale regio vormt: men denke hierbij aan het vredesproces in het Midden-Oosten, dat momenteel enkele betreurenswaardige terugslagen kent, of het gebied dat gevormd wordt door Iran, Irak en het Arabisch schiereiland, dat zo rijk is aan olievoorraden. Ook daar moet de Europese Unie een actievere rol gaan vervullen.

IV. VOORSTELLEN VOOR DE IGC EN SLOTBESCHOUWINGEN

15. Een gemeenschappelijk veiligheidsbeleid voor de Europese Unie veronderstelt van de zijde van de lidstaten rechten en plichten: het recht op solidariteit impliceert tegelijkertijd de verplichting tot het tonen van solidariteit in geval van een crisis.

Derhalve verdient het aanbeveling dat de IGC in haar formulering van de definitieve versie van het Verdrag onderstaande elementen opneemt:

a) De Europese Unie dient middels een politieke solidariteitsclausule de natuurlijke onderlinge solidariteit van haar lidstaten te bevestigen: daarnaast is het noodzakelijk om in het Verdrag, ter bekrachtiging van de lotsverbondenheid van de lidstaten, het beginsel op te nemen van de integriteit van de grenzen van de Europese Unie en haar lidstaten, met dien verstande dat dit beginsel in het huidige stadium niet het karakter zou hebben van een clausule van wederzijdse bijstand die voor alle lidstaten zou gelden, zoals het geval is voor de lidstaten van de WEU en de NAVO;

b) missies van het type Petersberg moeten worden vermeld in artikel J.4 van het Verdrag van Maastricht, ten einde concrete uitdrukking te geven aan de internationale verantwoordelijkheden van de Europese Unie. Vastgelegd moet worden dat alle lidstaten fysiek en/of financieel deelnemen aan Petersberg-missies, die de vorm zouden moeten aannemen van een gemeenschappelijk optreden als uiting van de reeds eerder vermelde natuurlijke solidariteit;

c) de verdragsbepalingen betreffende het GBVB dienen te worden aangevuld met een artikel over een analyse- en evaluatie-instrument in dienst van de Europese Unie dat onder het gezag van de Raad en de Commissie samen staat en steun van de WEU krijgt, zodat crisishaarden kunnen worden opgespoord en eventueel preventief kan worden opgetreden;

d) opneming van een economische veiligheidsclausule, ten slotte, zou de Europese Unie in staat stellen handelend op te treden wanneer de veiligheid van haar communicatiekanalen, verbindingswegen of bevoorradingswegen wordt bedreigd. Het feit dat West-Europa 57% van de door haar verbruikte olie, 37% van de steenkool en 30% van het aardgas importeert, toont het belang van een dergelijke clausule duidelijk aan.

16. In verband met de missies in het kader van de geo-strategische context dienen de Commissie en de Raad zo spoedig mogelijk een uitvoerbaarheidsstudie te laten verrichten over de oprichting van een uit militairen en burgers bestaand Europees korps dat speciaal belast wordt met operaties voor de handhaving of het herstel van de vrede. De Verenigde Staten en Groot-Brittannië beschikken al over een dergelijke structuur en Frankrijk bestudeert deze mogelijkheid. Deze civiel-militaire eenheden kunnen een cruciale rol vervullen bij de wederopbouw van een land, zoals in Bosnië-Herzegovina waar IFOR meer dan eens en met de hulp van NGO's en burgers geholpen heeft om de basisvoorzieningen zoals water, elektrische stroom en soms zelfs bruggen en wegen te herstellen.

17. Bij al deze nieuwe taken en bepalingen wordt er wel vanuit gegaan dat de huidige samenwerking tussen de Europese Unie en de WEU geleidelijk verder wordt uitgebouwd. Dit geldt vooral voor het reeds eerder genoemde analyse-instrument, aangezien de WEU reeds over middelen beschikt die in dienst gesteld kunnen worden van het GBVB. Het gaat hier om haar planningseenheid, haar situatiecentrum en het satellietcentrum van Torrejón, dat in staat is om beelden te interpreteren afkomstig van waarnemingssatellieten van het type SPOT of andere soorten.

Met het oog op de coherentie en de ontwikkeling van het GBVB verdient het daarnaast aanbeveling dat de gezamenlijke raden van ministers van Buitenlandse Zaken en Defensie van de lidstaten in voorkomend geval worden bijeengeroepen, met name om de WEU op te dragen Petersberg-missies uit te voeren, aangezien deze ministers zitting hebben in beide organisaties.

Ten slotte is het van belang de samenwerking tussen het Europees Parlement en de WEUassemblee te versterken zolang beide organisaties zich parallel naast elkaar ontwikkelen, aangezien geen van beide organisaties eigen verantwoordelijkheden heeft op het gebied van de ontwikkeling van het GBVB, met inbegrip van de definitie op termijn van een gemeenschappelijk defensiebeleid, dat te gelegener tijd zou kunnen uitmonden in een gemeenschappelijke defensie, zoals aangegeven in artikel J.4 van het VEU.

18. Het is duidelijk dat een gemeenschappelijk veiligheidsbeleid alleen de Europese Unie niet kan beschermen tegen alle dreigingen. In de toekomst zal de Europese Unie zich onvermijdelijk moeten gaan bezig houden met het vraagstuk van haar defensie. In dit verband zouden de lidstaten kunnen profiteren van het jaar 1998, zoals dit figureert in artikel XII van het WEU-Verdrag, om een conferentie van het type "Messina" bijeen te roepen ten einde te discussiëren over:

a) de inhoud van een gemeenschappelijk defensiebeleid,

b) de implicaties van het opgaan van de WEU in de Europese Unie, met name ten aanzien van de wederzijdse bijstand die de lidstaten van de Europese Unie elkaar in dat geval zouden moeten verlenen in geval van agressie van een derde land of het dreigen hiermee tegen een van de lidstaten, en de consequenties die een en ander zou hebben voor het Atlantisch Bondgenootschap,

c) de institutionele aanpassingen die noodzakelijk zouden moeten zijn om deze doelstellingen te verwezenlijken.

19. Al deze kwesties zullen aan de orde komen in een later verslag van de Commissie buitenlandse zaken, veiligheids- en defensiebeleid. Het Europees Parlement, dat de volkeren van de Europese Unie vertegenwoordigt, mag zich namelijk niet afzijdig houden van een debat dat van kapitaal belang is voor de toekomst van de Europese Unie. Het is ook duidelijk dat de nationale parlementen, die de verdragen zullen moeten ratificeren, en de Assemblee van de WEU, die ter zake eigen bevoegdheden heeft, een bijdrage zullen moeten leveren aan dit debat, dat alle burgers van de Unie aangaat. In afwachting hiervan zal de ontwikkeling van een gemeenschappelijk veiligheidsbeleid de lidstaten in staat stellen de mogelijkheden van een gemeenschappelijke uitoefening van de soevereiniteit op dit terrein af te tasten en tegelijkertijd de grenzen ervan te verkennen. Dit zal de weg openen naar een ambitieuzer beleid, dat de Europese Unie in staat zal stellen concreet gestalte te geven aan het GBVB en haar lot in eigen handen te nemen, in overleg met haar bondgenoten en haar buurlanden.


 ADVIES

(artikel 147 van het Reglement)

aan de Commissie buitenlandse zaken, veiligheids- en defensiebeleid

inzake de ontwikkeling van een gemeenschappelijk veiligheidsbeleid

Commissie institutionele zaken

Rapporteur voor advies: Andrea Manzella

PROCEDURE

De Commissie institutionele zaken benoemde op haar vergadering van 25 september 1996 de heer Manzella tot rapporteur voor advies.

Zij behandelde het ontwerpadvies op haar mac32vergaderingen van 20 november 1996, 18 maart 1997 en 21 april 1997.

Op dezelfde/laatstgenoemde vergadering hechtte zij met 13 stemmen voor en 1 tegen bij 1 onthouding haar goedkeuring aan de conclusies ervan.

Bij de stemming waren aanwezig: de leden De Giovanni, voorzitter; Berthu, ondervoorzitter; Lucas Pires, ondervoorzitter; Barros Moura, Caligaris, Corbett, Donnelly B., Fabre-Aubrespy (verving Bonde), Gutiérrez Díaz (verving Puerta), Hager (verving Vanhecke), Herzog, Izquierdo Rojo, Medina Ortega (verving Morán overeenkomstig artikel 138, paragraaf 2 van het Reglement), Méndez de Vigo, Neyta, Salafranca, Schäfer, Schwaiger (verving Blok), Spaak en Tsatsos.

ALGEMENE OPMERKINGEN

Onze commissie moet advies uitbrengen aan de Commissie buitenlandse zaken, veiligheids- en defensiebeleid over de institutionele aspecten van het ontwerpverslag van de heer Tindemans over de ontwikkeling van de vooruitzichten van een gemeenschappelijk veiligheidsbeleid van de Europese Unie.

Tijdens de voorbereidende werkzaamheden die voorafgingen aan de redactie van het ontwerpverslag van de heer Tindemans is gebleken dat er bewust voor is gekozen het verslag te beperken tot de aspecten van de gemeenschappelijke veiligheid. Het verslag beoogt derhalve niet ook kwesties inzake het defensiebeleid te behandelen.

Ten aanzien van het Verdrag betreffende de Europese Unie betekent dit dat het verslag betrekking heeft op titel V: bepalingen betreffende een gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, artikel J t/m artikel J.11, met uitzondering evenwel van artikel J. D. In laatstgenoemd artikel is namelijk sprake van een gemeenschappelijk defensiebeleid, dat "mettertijd tot een gemeenschappelijke defensie zou kunnen leiden".

Deze terreinafbakening roept wellicht op het eerste gezicht enige vraagtekens op, omdat volgens de logica en de letter van het Verdrag de definiëring van een "gemeenschappelijk defensiebeleid" slechts één van de procedures is voor de tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijk veiligheidsbeleid van de Unie. Het Verdrag voorziet namelijk, in progressieve volgorde, in "onderling overleg" (artikel J.2, leden 1 en 3), een "gemeenschappelijk standpunt" (artikel J.2, lid 2), "gemeenschappelijk optreden" (artikel J.3) en ten slotte, een "gemeenschappelijke defensie" (artikel J.4).

Het lijkt derhalve conceptueel niet mogelijk het veiligheidsbeleid van de Unie te behandelen, zonder een van de essentiële componenten daarvan, namelijk de ontwikkeling naar een gemeenschappelijke defensie.

Dat er inderdaad een logisch probleem bestaat, blijkt wel uit het feit dat het verslag toch genoodzaakt is zich op het terrein van de defensie te bewegen, nl. met betrekking tot de kwestie van de militaire bondgenootschappen en met betrekking tot de kwestie EU-WEU.

Niettemin is het, praktisch gezien en ook met het oog op de parlementaire resolutie, een uitstekende keuze zich bij de definiëring en de institutionele aspecten uitsluitend te concentreren op het veiligheidsbeleid - zonder te refereren aan kwesties van defensie en militaire bondgenootschappen. Aldus kan namelijk het terrein worden afgebakend dat wij de "veiligheidssubstantie" van de Unie zouden willen noemen. Dit houdt in het geheel van de elementaire waarborgen die de Unie in staat stellen een rechtsstelsel te zijn en zich als zodanig te doen gelden, een rechtsstelsel dat existeert en zich ontwikkelt in vrijheid en tegelijkertijd als doel heeft de "bevestiging van de identiteit van de Unie op het internationale vlak" (art. B van het Verdrag; op deze passage volgt onmiddellijk - en dat is geen toeval - :"met name door de tenuitvoerlegging van een gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid").

Als men deze weg volgt, is het ook mogelijk, zoals de heer Tindemans aanbeveelt, tot een definitie te komen van het begrip veiligheid van de Unie, die aan de IGC kan worden voorgelegd. Dit begrip zou dan kunnen worden gedefinieerd - rekening houdende met de doelstellingen aangegeven in artikel J.1, lid 2 - als het vermogen van de Unie bedreigingen van de gemeenschappelijke waarden, de fundamentele belangen, de onschendbaarheid van het grondgebied en de onafhankelijkheid van de Unie te voorkomen en het hoofd te bieden en bij te dragen tot handhaving van de vrede en versterking van de internationale veiligheid.

Aldus zijn in het begrip veiligheid begrepen zowel de noodzaak voor de EU zich te voorzien van een passende analysestructuur ter voorkoming van crises, als de zogenaamde Petersbergtaken en bijgevolg de kwestie van de betrekkingen tussen de WEU en de EU.

Met andere woorden, een aparte behandeling van het begrip gemeenschappelijke veiligheid maakt het mogelijk zowel de kwestie van de analyse-eenheid als de taken inzake vredeshandhaving en versterking van de internationale veiligheid die bekend staan als Petersberg-taken, te scheiden van de defensie in strikte zin.

Deze scheiding heeft het zeer belangrijke gevolg dat deze kwesties onttrokken worden aan het unanimiteitsbeginsel van artikel J.4, lid 3 en onder artikel J.3 (gemeenschappelijke optreden) komen te vallen, met vervolgens de mogelijkheid van aanneming met gekwalificeerde meerderheid, behoudens de constructieve onthouding van een of meerdere lidstaten.

In verband met deze kwesties staat ook het thema van de betrekkingen EU-WEU, waarbij het ook weer eerder om de veiligheid dan om de defensie gaat. Dit is een dringende zaak, ook met het oog op de termijn 1998.

Als wij deze lijn blijven volgen, zou het echter goed zijn alle zaken die zuiver met defensiekwesties te maken hebben, zoals de militaire bondgenootschappen en de uitbreiding van de NATO, buiten de resolutie te laten. Die zouden dan in een passender kader uitvoerig behandeld kunnen worden.

Vanuit dit uitgangspunt, dat dezelfde logica volgt als het verslag-Tindemans, verzoekt de Commissie institutionele zaken de Commissie buitenlandse zaken, veiligheids- en defensiebeleid onderstaande amendementen in haar verslag op te nemen:

Conclusies

Amendement nr. 1

Overweging C

overwegende dat het Verdrag het begrip gemeenschappelijke veiligheid zou moeten verduidelijken als zijnde het vermogen van de Unie bedreigingen van de gemeenschappelijke waarden, de fundamentele belangen, de onschendbaarheid van het grondgebied en de onafhankelijkheid van de Unie te voorkomen en het hoofd te bieden en bij te dragen tot handhaving van de vrede en versterking van de internationale veiligheid, door de onderlinge politieke solidariteit, met inbegrip van de financiële solidariteit, te ontwikkelen,

Amendement 2

Paragraaf 9, sub b)

opneming in de Verdragen van de Petersberg-taken, die de vorm zouden moeten krijgen van een gemeenschappelijk optreden in de zin van artikel J.3 van het VEU, als uitdrukking van de natuurlijke solidariteit tussen de staten van de Unie, en die met gekwalificeerde meerderheid vastgesteld zouden moeten worden, behoudens het recht op constructieve onthouding van een of meerdere lidstaten;

Amendement 3

Paragraaf 9, sub c)

de oprichting bij de Commissie van een structuur voor politieke planning en vroegtijdige waarschuwing, die in nauwe samenwerking met het secretariaat-generaal van de Raad opereert, ten einde snel te kunnen beschikken over gegevens voor het opsporen van crisishaarden en het bepalen van standpunten en gemeenschappelijke acties van de Unie op veiligheidsgebied;

Amendement 4

Paragraaf 9, sub d

toevoeging aan het Verdrag van een protocol EU-WEU waarin wordt vastgelegd: 1) het tijdschema van de functionele integratie van de WEU in de EU; 2) de logische etappes van deze integratie, gelet op de doelstelling van de gemeenschappelijke veiligheid; 3) het ontwikkelen van betrekkingen tussen nationale parlementen, Assemblee van de WEU en Europees Parlement met betrekking tot de taken inzake overleg vooraf en controle achteraf in deze sector; 4) de positie van de lidstaten van de EU die nog geen volwaardig lid zijn van de WEU in gevallen waarin de EU zich wendt tot de WEU voor het vervullen van Petersberg-taken;

Amendement 5

Paragrafen 13, 14 en 15

Schrappen

Amendement 6

Paragraaf 23

wijst op de noodzaak dat in het Verdrag de centrale institutionele rol van de Raad bij de vaststelling van de beginselen en de algemene en strategische richtlijnen van het veiligheidsbeleid beter wordt gedefinieerd. Voor Petersberg-taken zullen de gezamenlijke Raden van ministers van Buitenlandse Zaken en Defensie functioneel gebruik maken van het instrument van de WEU en van de steun van de Commissie; zij zullen specifieke sturende taken vervullen ten aanzien van ieder gemeenschappelijk optreden en toezicht houden op de uniformiteit, de samenhang en de doeltreffendheid van de veiligheidsacties;

Laatst bijgewerkt op: 3 mei 1999Juridische mededeling