Terug naar het Europarl-portaal

Choisissez la langue de votre document :

VERSLAG     
PDF 77k
4 juli 1997
PE 221.085/def. A4-0243/97
over het voorstel voor een richtlijn van de Raad betreffende het in rekening brengen van het gebruik van bepaalde infrastructuurvoorzieningen aan zware vrachtvoertuigen (COM(96)0331 - C4-0027/97 - 96/0182(SYN))
Commissie vervoer en toerisme
Rapporteur: Georg Jarzembowski
Bij schrijven van 28 januari 1997 verzocht de Raad, overeenkomstig de artikelen 75 en 189 C van het EG-Verdrag, het Parlement om advies inzake richtlijn van de Raad betreffende het in rekening brengen van het gebruik van bepaalde infrastructuurvoorzieningen aan zware vrachtvoertuigen.
 A. WETGEVINGSVOORSTEL ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE
 B. TOELICHTING
 ADVIES

 Bij schrijven van 28 januari 1997 verzocht de Raad, overeenkomstig de artikelen 75 en 189 C van het EG-Verdrag, het Parlement om advies inzake richtlijn van de Raad betreffende het in rekening brengen van het gebruik van bepaalde infrastructuurvoorzieningen aan zware vrachtvoertuigen.

Op 29 januari 1997 gaf de Voorzitter van het Parlement kennis van de verwijzing van dit voorstel naar de Commissie vervoer en toerisme als commissie ten principale en naar de Commissie economische en monetaire zaken en industriebeleid en de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en consumentenbescherming als medeadviserende commissies.

De Commissie vervoer en toerisme benoemde reeds op haar vergadering van 24 juli 1996 de heer Jarzembowski tot rapporteur.

Zij behandelde het Commissievoorstel en het ontwerpverslag op haar vergaderingen van 29 oktober 1996 en 20 januari, 18 maart, 20 mei en 3 juli 1997.

Op laatstgenoemde vergadering hechtte zij met 30 stemmen voor en 1 tegen bij 1 onthouding haar goedkeuring aan de ontwerpwetgevingsresolutie.

Aan de stemming namen deel: de leden Lüttge, voorzitter; Jarzembowski, rapporteur; Balfe (verving Baldarelli), Camisón Asensio, Castricum, Cornelissen, Cunningham (verving Simpson), Donnay, Ferber (verving Ferri), González Triviño, Grosch, Koch, Langenhagen, Le Rachinel, Linser, McIntosh, Megahy, Morris (verving Aparicio Sánchez), Paasio (verving Klironomos), Piecyk, Rehder (verving Schlechter), Santini (verving Danesin), Sarlis, Schierhuber (verving Sisó Cruellas), Schmidbauer, Seal, Sindal, Stenmarck, Stockmann (verving Swoboda), Van Dijk, Van der Waal en Watts.

Het advies van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en consumentenbescherming is bij dit verslag gevoegd. De Commissie economische en monetaire zaken en industriebeleid heeft op 26 februari 1997 besloten geen advies uit te brengen.

Het verslag werd bij de Griffie ingediend op 4 juli 1997.

De termijn voor de indiening van amendementen wordt bekendgemaakt in de ontwerpagenda voor de vergaderperiode waarin het verslag wordt behandeld.


 A. WETGEVINGSVOORSTEL ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE

Voorstel voor een richtlijn van de Raad betreffende het in rekening brengen van het gebruik van bepaalde infrastructuurvoorzieningen aan zware vrachtvoertuigen (COM(96)0331 - C4-0027/97 - 96/0182(SYN))

Dit voorstel wordt goedgekeurd met de volgende wijzigingen:

Door de Commissie voorgestelde tekst (1)

Door het Parlement aangebrachte wijzigingen

(Amendement 1)
Tweede overweging bis (nieuw)

overwegende dat in de resolutie van het Europees Parlement van 30 januari 1997 over het internaliseren van de externe kosten van vervoer (verslag-Schmidbauer) het in rekening brengen van de externe kosten als beginsel is erkend; dat hierin de Commissie tevens met klem om een overzicht van de externe kosten van de afzonderlijke takken van vervoer wordt verzocht, zodat deze gelijktijdig voor alle vervoermiddelen kunnen worden doorberekend; dat de Commissie wordt verzocht binnen 12 maanden een desbetreffend voorstel in te dienen; dat gelet op deze situatie in dit besluit in eerste instantie alleen ten aanzien van de regeling van de weggebruiksrechten - zoals uit bijlage III blijkt - een aanzienlijke differentiatie mogelijk is op basis van het gewicht en de emissies van de voertuigen,

(1) PB C 59 van 26.2.1997, blz. 9.

(Amendement 2)
Derde overweging

overwegende dat de lidstaten op een behoorlijke werking van de interne markt moeten toezien en belemmeringen voor het vrije verkeer van goederen en diensten binnen de Gemeenschap moeten voorkomen; dat een behoorlijke werking van de interne vervoermarkt de verkleining nodig maakt van de verschillen in concurrentievoorwaarden in de sector goederenvervoer over de weg, die voortvloeien uit niet te rechtvaardigen verschillen in hoogte van de met het wegvervoer verband houdende lasten, hieronder begrepen belastingen en andere relevante heffingen; dat de motorrijtuigenbelastingen en de gebruiksrechten derhalve tussen een maximum- en een minimumniveau moeten worden vastgesteld,

overwegende dat de lidstaten op een behoorlijke werking van de interne markt moeten toezien en belemmeringen voor het vrije verkeer van goederen en diensten binnen de Gemeenschap moeten voorkomen; dat een behoorlijke werking van de interne vervoermarkt een harmonisering nodig maakt van de concurrentievoorwaarden in de sector goederenvervoer over de weg, die voortvloeien uit niet te rechtvaardigen verschillen in hoogte van de met het wegvervoer verband houdende lasten, hieronder begrepen belastingen en andere relevante heffingen; dat de motorrijtuigenbelastingen niet onder een bepaald minimumniveau en de gebruiksrechten derhalve tussen een maximum- en een minimumniveau moeten worden vastgesteld,

(Amendement 3)
Derde overweging bis (nieuw)

gezien het Alpenverdrag,

(Amendement 4)
Vierde overweging bis (nieuw)

overwegende dat bovendien een grootscheepse herverdeling van de vervoerswijzen overwogen zou moeten worden, en vooral een analytische herprogrammering van het goederenvervoer over de weg,

(Amendement 5)
Negende overweging

overwegende dat minimumtarieven voor de motorrijtuigenbelasting niet van toepassing behoeven te zijn in lidstaten waar een gebruiksrechtenstelsel wordt gehanteerd,

Schrappen

(Amendement 6)
Elfde en twaalfde overweging

overwegende dat voor bepaalde vormen van plaatselijk binnenlands vervoer, met slechts weinig betekenis voor de communautaire vervoersmarkt, thans verlaagde tarieven van de motorrijtuigenbelasting gelden; dat, ten einde een harmonieuze overgang mogelijk te maken, de lidstaten moeten worden gemachtigd tijdelijk van de minimumtarieven af te wijken;

overwegende dat de lidstaten moeten worden gemachtigd voor voertuigen waarvan het gebruik waarschijnlijk geen weerslag op de vervoermarkt van de Gemeenschap zal hebben, lagere tarieven of vrijstellingen van motorrijtuigenbelasting toe te passen;

overwegende dat voor bepaalde vormen van plaatselijk binnenlands vervoer, met slechts weinig betekenis voor de communautaire vervoersmarkt, thans verlaagde tarieven van de motorrijtuigenbelasting gelden; dat de lidstaten derhalve moeten worden gemachtigd voor voertuigen waarvan het gebruik waarschijnlijk geen weerslag op de vervoermarkt van de Gemeenschap zal hebben, lagere tarieven of vrijstellingen van motorrijtuigenbelasting toe te passen;

(Amendement 7)
Veertiende overweging

overwegende dat de vaststelling van "gevoelige routes" door de Commissie moet geschieden volgens een procedure die voorziet in een raadgevend comité bestaande uit vertegenwoordigers van de lidstaten; dat het bestaan van andere adequate vervoersdiensten een voorwaarde vooraf moet zijn om een weg als gevoelig aan te merken,

overwegende dat de vaststelling van "gevoelige routes" respectievelijk "gevoelige gebieden" door de Commissie volgens een afzonderlijke procedure moet worden getoetst met medewerking van vertegenwoordigers van de lidstaten en de betrokken regio's; dat daarbij rekening dient te worden gehouden met het bestaan van adequate vervoersdiensten met andere middelen van vervoer, zoals de trein of het gecombineerd vervoer; dat het resultaat van de toetsing moet worden verwerkt in het voorstel van de Commissie, als bedoeld in de nieuwe tweede overweging bis,

(Amendement 8)
Zestiende overweging

overwegende dat de gebruiksrechtentarieven gerelateerd moeten zijn aan de duur van het gebruik van de betrokken infrastructuren en de door de wegvoertuigen veroorzaakte werkelijke kosten zo dicht mogelijk moeten benaderen; dat dit op korte termijn moet worden nagestreefd door de invoering van een beperkte mate van tariefdifferentiatie, naar gelang van de aan de infrastructuurvoor-zieningen en het milieu toegebrachte schade,

overwegende dat de gebruiksrechtentarieven gerelateerd moeten zijn aan de duur van het gebruik van de betrokken infrastructuren en de door de wegvoertuigen veroorzaakte werkelijke kosten zo dicht mogelijk moeten benaderen; dat dit op korte termijn moet worden nagestreefd door de invoering van tariefdifferentiatie, naar gelang van de aan de infrastructuurvoorzieningen en het milieu toegebrachte schade; en voorts overwegende dat het mogelijk moet zijn tariefdifferentiatie toe te passen tijdens het spitsuur, 's nachts en op andere gevoelige uren,

(Amendement 9)
Zeventiende overweging

overwegende dat, teneinde een eenvormige toepassing van de gebruiksrechten en de tolgelden te waarborgen, bepaalde regels dienen te worden vastgesteld om de voorwaarden voor toepassing ervan te bepalen, zoals de eigenschappen van de infrastructuurvoorzieningen waarop de gebruiksrechten en tolgelden worden toegepast, de infrastructuur- en externe-kostenelementen waarop deze tarieven betrekking kunnen hebben en de maximale en minimale waarden van bepaalde tarieven; dat in het geval van tolheffing bij de vaststelling van de toltarieven ook rekening kan worden gehouden met de opbrengst van kapitaal dat voor een bij soortgelijke investeringen haalbaar percentage is geïnvesteerd,

overwegende dat, teneinde een eenvormige toepassing van de gebruiksrechten en de tolgelden te waarborgen, bepaalde regels dienen te worden vastgesteld om de voorwaarden voor toepassing ervan te bepalen, zoals de eigenschappen van de infrastructuur-voorzieningen waarop de gebruiksrechten en tolgelden worden toegepast en de infrastructuurkosten waarop deze tarieven betrekking kunnen hebben; dat in het geval van tolheffing bij de vaststelling van de toltarieven ook rekening kan worden gehouden met de opbrengst van kapitaal dat voor een bij soortgelijke investeringen haalbaar percentage is geïnvesteerd,

(Amendement 10)
Achttiende overweging

overwegende dat twee of meer lidstaten de mogelijkheid moet worden gegeven met het oog op de invoering van een gemeenschappelijk stelsel van gebruiksrechten samen te werken, mits aan bepaalde bijkomende voorwaarden wordt voldaan;

overwegende dat het territorialiteitsbeginsel moet worden toegepast; en voorts overwegende dat twee of meer lidstaten de mogelijkheid moet worden gegeven met het oog op de invoering van een gemeenschappelijk stelsel van gebruiksrechten samen te werken, mits aan bepaalde bijkomende voorwaarden wordt voldaan;

(Amendement 11)
Artikel 6, lid 1, eerste alinea

1. Ongeacht de structuur van de in artikel 3 genoemde belastingen stellen de lidstaten de tarieven van deze belastingen zodanig vast, dat zij voor elke in bijlage I omschreven categorie of subcategorie voertuigen niet lager dan de minimumtarieven en niet hoger dan de maximumtarieven liggen, die in de bijlage zijn genoemd.

1. Ongeacht de structuur van de in artikel 3 genoemde belastingen stellen de lidstaten de tarieven van deze belastingen zodanig vast, dat zij voor elke in bijlage I omschreven categorie of subcategorie voertuigen niet lager dan de minimumtarieven liggen, die in de bijlage zijn genoemd.

(Amendement 12)
Artikel 6, lid 1, tweede alinea

De lidstaten mogen evenwel motorrijtuigen-belasting beneden deze minimumtarieven heffen indien zij een gebruiksrechtenstelsel hanteren dat met deze richtlijn in overeenstemming is.

Schrappen

(Amendement 13)
Artikel 6, lid 1 bis (nieuw)

De minimumtarieven en de daadwerkelijke belastingtarieven worden per 1 januari 2001 en vervolgens om de twee jaar getoetst. De Commissie stelt met het oog op een verdere harmonisering en een verlaging of afschaffing van de motorrijtuigbelastingen de noodzakelijke aanpassingen voor, die door de Raad volgens de in het EG-Verdrag opgenomen procedure worden goedgekeurd.

(Amendement 14)
Artikel 7, lid 2, eerste alinea

2. Tolgelden en gebruiksrechten worden slechts geheven voor het gebruik van bruggen, tunnels, bergpaswegen, gevoelige routes, autosnelwegen of andere met autosnelwegen vergelijkbare meerbaanswegen.

2. Tolgelden en gebruiksrechten worden slechts geheven voor het gebruik van bruggen, tunnels, bergpaswegen, autosnelwegen of andere met autosnelwegen vergelijkbare meerbaanswegen. Van de heffing van gebruiksrechten kan voor stadsautosnelwegen worden afgezien.

(Amendement 15)
Artikel 7, lid 2, eerste alinea bis (nieuw)

De gebruiksrechten worden met 50% verlaagd voor voertuigen die in perifere regio's zijn geregistreerd.

(Amendement 16)
Artikel 7, lid 6, eerste alinea

6. Met ingang van 1 januari 1998 stellen de betrokken lidstaten voor alle voertuigcategorieën de gebruiksrechten met inbegrip van administratieve kosten vast, waarvan de hoogte ligt tussen 50% en 100% van de in bijlage III vastgestelde maximumtarieven voor de verschillende in de bijlagen II en III aangegeven voertuigcategorieën. Ongeacht de gekozen hoogte dienen de heffingen voor individuele voertuigcategorieën in dezelfde verhouding tot elkaar te staan als de in bijlage III genoemde maximumtarieven.

6. Met ingang van 1 januari 1998 stellen de betrokken lidstaten voor alle voertuigcategorieën de gebruiksrechten met inbegrip van administratieve kosten vast, waarvan de hoogte ligt tussen 50% en 100% van de in bijlage III vastgestelde maximumtarieven. Ongeacht de gekozen hoogte dienen de heffingen voor individuele voertuigcategorieën in dezelfde verhouding tot elkaar te staan als de in bijlage III genoemde maximumtarieven.

(Amendement 17)
Artikel 7, lid 8

8. De toltarieven worden zodanig vastgesteld dat de opbrengsten ervan niet hoger zijn dan de kosten van de aanleg, de exploitatie en de uitbreiding van de infrastructuurvoorzieningen waarover deze tolgelden worden geheven, vermeerderd met eenzelfde opbrengst als bij soortgelijke investeringsprojecten haalbaar is. Bovendien mogen de lidstaten een aan vergelijkbare externe kosten gerelateerde externe-kostenfactor van ten hoogste 0,03 ecu per kilometer in rekening brengen.

8. De toltarieven worden zodanig vastgesteld dat de opbrengsten ervan niet hoger zijn dan de kosten van de aanleg, de exploitatie en de uitbreiding van de infrastructuurvoorzieningen waarover deze tolgelden worden geheven, vermeerderd met eenzelfde opbrengst als bij soortgelijke investeringsprojecten haalbaar is. In het bijzondere geval van de Brennerautosnelweg kan de Raad overeenkomstig de in het EG-Verdrag opgenomen procedure de betrokken lidstaten toestaan de toltarieven te verhogen met een kostenelement dat bijdraagt tot de verwezenlijking en de instandhouding van een duurzame verdeling van het vervoer in het Alpengebied. Daarbij moet het in de eerste zin genoemde beginsel in aanmerking worden genomen.

(Amendement 18)
Artikel 7, lid 9

9. Aan de lidstaten kan na verstrekking van hun motiveringen zoals bedoeld in artikel 9, lid 1, volgens de procedure van artikel 10 worden toegestaan, gevoelige routes hogere kosten te berekenen dan in lid 8 is bepaald. Onder geen beding mag de externe-kostencomponent 0,5 ecu per kilometer te boven gaan.

Aan de lidstaten kan op grond van hun motiveringen zoals bedoeld in artikel 9, lid 1, volgens de procedure van artikel 10 worden toegestaan, op gevoelige routes, waar geen tolgelden worden geheven, een specifieke dagheffing voor externe kosten van ten hoogste 15 ecu te berekenen.

Schrappen

(Amendement 19)
Artikel 7, lid 10

10. De bepaling van de gevoelige routes, zoals bedoeld in de leden 3 en 9 van dit artikel, geschiedt volgens de procedure van artikel 10 en aan de hand van de in artikel 9, lid 2 neergelegde criteria.

Schrappen

(Amendement 20)
Artikel 8, lid 2, sub a)

a) de deelnemende lidstaten stellen de gemeenschappelijke gebruiksrechten vast op een niveau dat niet hoger, respectievelijk lager ligt dan de in artikel 7, leden 6, 7 en 8, genoemde maximum- en minimumtarieven.

a) de deelnemende lidstaten stellen de gemeenschappelijke gebruiksrechten vast op een niveau dat niet hoger, respectievelijk lager ligt dan de in artikel 7, leden 6 en 7, genoemde maximum- en minimumtarieven.

(Amendement 21)
Artikel 9

1. Met het oog op de bepaling van de gevoelige routes en de vaststelling van de hierop toe te passen heffingen overeenkomstig de in artikel 10 beschreven procedure verstrekken de lidstaten de Commissie alle desbetreffende gegevens alsmede hun motivering van de voorgestelde heffingen. In de motivering van de voorgestelde heffingen dient het volgende te worden beschreven: de voor de vaststelling van de tarieven gebruikte methode en berekeningswijze, de maatregelen ter vermindering van de door alle weggebruikers in het gebied veroorzaakte relevante externe kosten en de maatregelen ter bestrijding van de luchtverontreiniging uit alle bronnen in het gebied.

2. De criteria die worden toegepast ter bepaling van de gevoelige routes zijn afhankelijk van het geval: de criteria aan de hand waarvan wordt bepaald of een autosnelweg overbelast is en/of het verkeer op deze weg in aanzienlijke mate tot een slechte luchtkwaliteit en/of tot geluidshinder in de omgeving bijdraagt, in het bijzonder in zones en agglomeraties als bedoeld in artikel 2 van richtlijn [...[ (18) inzake de beoordeling en het beheer van de luchtkwaliteit. Te vervullen bijkomende voorwaarden zijn: de beschikbaarheid van adequate vervoerdiensten door andere vervoerwijzen, hetgeen met name vrije en niet-discriminerende toegang van gemachtigde vervoerondernemers tot infrastructurele voorzieningen meebrengt alsmede het bestaan van maatregelen ter bestrijding van de luchtverontreiniging uit alle bronnen in het gebied.

(18) Gemeenschappelijk standpunt (EG) nr. 5/96, PB C 59 van 28.2.1996, blz. 2

Schrappen

(Amendement 22)
Artikel 10, lid 1

1. De Commissie wordt bijgestaan door het krachtens de beschikking van 13 mei 1995 (19) ingestelde raadgevend comité, dat door één harer vertegenwoordigers wordt voorgezeten.

1. De Commissie wordt bijgestaan door het krachtens artikel 6, lid 4 van beschikking 65/270/EEG van de Raad van 13 mei 1995 (19) ingestelde raadgevend comité, dat door één harer vertegenwoordigers wordt voorgezeten.

(Amendement 23)
Artikel 13, lid 1, tweede alinea

Teneinde de Commissie in staat te stellen het bovengenoemde verslag op te stellen, verstrekken de lidstaten haar uiterlijk op 1 juni 1999 de noodzakelijke inlichtingen.

Teneinde de Commissie in staat te stellen het bovengenoemde verslag op te stellen, verstrekken de lidstaten haar uiterlijk op 1 juni 1999 de noodzakelijke inlichtingen. Deze inlichtingen zullen ook betrekking hebben op de kostendekkingsgraad van het wegverkeer naar voertuig- en wegcategorie.

(Amendement 24)
Bijlage I
Gehele bijlage vervangen door onderstaande tabel:
BIJLAGE I
Minimumbelastingtarief voor motorvoertuigen (in ecu/jaar)
!!! The following table cannot be reproduced in HTML - Please refer to the WP or the PDF version !!!
(Amendement 25)
BIJLAGE II
Bijlage II schrappen

4 of 5 assen

2.500

2.000

1.500

(Amendement 26)
BIJLAGE III
Gehele bijlage vervangen door onderstaande tabel:
BIJLAGE III
Maximumbedrag van de op jaarbasis geheven gebruiksrechten (ecu/jaar)

Voertuigcategorie

2, 3 of 6 assen

Niet-Euro

2.000

Euro I

1.500

Euro II en beter

1.000

Wetgevingsresolutie houdende advies van het Europees Parlement inzake het voorstel voor een richtlijn van de Raad betreffende het in rekening brengen van het gebruik van bepaalde infrastructuurvoorzieningen aan zware vrachtvoertuigen (COM(96)0331 - C4-0027/97 - 96/0182(SYN))

(Samenwerkingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

- gezien het voorstel van de Commissie aan de Raad COM(96)0331 - 96/0182(SYN) (1),

- geraadpleegd door de Raad overeenkomstig de artikelen 75 en 189 C van het EG-Verdrag, (C4-0027/97),

- gelet op artikel 58 van zijn Reglement,

- gezien het verslag van de Commissie vervoer en toerisme en het advies de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en consumentenbescherming (A4-0243/97),

1. hecht zijn goedkeuring aan het voorstel van de Commissie zoals gewijzigd door het Parlement;

2. verzoekt de Commissie haar voorstel krachtens artikel 189 A, lid 2 van het EG-Verdrag, dienovereenkomstig te wijzigen;

3. verzoekt de Raad de door het Parlement aangenomen wijzigingen op te nemen in zijn krachtens artikel 189 C, sub a) van het EG-Verdrag vast te stellen gemeenschappelijk standpunt;

4. wenst dat de overlegprocedure wordt ingeleid ingeval de Raad voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst;

5. wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in het voorstel van de Commissie;

6. verzoekt zijn Voorzitter dit advies te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1)() PB C 59 van 26.2.1997, blz. 9.


 B. TOELICHTING

I. Algemene toelichting

Richtlijn 9⅜9/EEG van de Raad van 25 oktober 1993 betreffende de toepassing door de lidstaten van de belastingen op sommige voor het goederenvervoer over de weg gebruikte voertuigen en van de voor het gebruik van sommige infrastructuurvoorzieningen geheven tolgelden en gebruiksrechten (PB L 279 van 12.11.1993, blz. 32) is wegens onvoldoende inschakeling van het Europees Parlement door een arrest van het Europees Hof van Justitie van 5 juli 1995 nietig verklaard. Het Hof heeft echter de rechtsgevolgen van de richtlijn gehandhaafd totdat de Raad volgens de regels een nieuwe wetstekst heeft vastgesteld. Het thans door de Commissie ingediende voorstel voor een richtlijn beoogt derhalve een nieuwe rechtsgrond voor de heffing van belasting op vrachtwagens en van tolgelden en gebruiksrechten.

De voornaamste punten van de door het Hof nietig verklaarde richtlijn 9⅜9/EEG waren:

- (lage) minimumtarieven voor de motorrijtuigenbelasting,

- de mogelijkheid voor de lidstaten om van de afstand afhankelijke tolgelden voor het gebruik van autosnelwegen te handhaven of in te voeren, waarvan de hoogte gerelateerd moet zijn aan de kosten voor de aanleg, de exploitatie en de verdere uitbreiding van het desbetreffende wegennet,

- als alternatief de mogelijkheid voor de lidstaten om tijdsafhankelijke gebruiksrechten in te voeren, waarvan de hoogte het bedrag van 1.250 ecu per jaar niet mag overschrijden.

Het onderhavige voorstel voor een richtlijn gaat duidelijk verder dan de oorspronkelijke richtlijn; de hoofdpunten zijn:

- vaststelling van minimum- en maximumtarieven voor de motorrijtuigenbelasting,

- de minimumtarieven voor de motorrijtuigenbelasting kunnen door een lidstaat lager worden vastgesteld wanneer deze een gebruiksrechtensysteem toepast dat voldoet aan de bepalingen van de richtlijn,

- tijdgebonden gebruiksrechten mogen in de toekomst worden geheven, waarbij rekening dient te worden gehouden met de zogeheten schadeklasse van een vrachtwagen (minstens met een maximaal toegelaten gewicht van 12 ton) en met het emissiegedrag, binnen een spectrum van 750 tot 2000 ecu per jaar als maximumgrens,

- de tolgelden zullen kunnen worden verhoogd met een kostenbestanddeel ter dekking van externe kosten; dit geldt in verhoogde mate voor zogeheten "gevoelige routes".

II. Motivering van de amendementen

1. Motorrijtuigenbelasting

Het door de Commissie voorgestelde systeem voor de tarieven voor de motorrijtuigenbelasting is veel te gecompliceerd en moet dus worden vereenvoudigd. Voorts moet met het oog op overeenstemming met de Raad worden afgezien van maximumbelastingtarieven. Hieruit volgen de amendementen 2, 11 en 24.

De minimumbelastingtarieven moeten echter toch zodanig worden vastgesteld dat zij rekening houden met de aan de weg toegebrachte schade en de aantasting van het milieu door uitlaatgassen door de voertuigen en daardoor tegelijkertijd een stimulans zijn voor de koop van milieuvriendelijker voertuigen (zie hiervoor paragraaf 18 van de resolutie van het Europees Parlement van 30.1.1997 over de internalisering van de externe kosten van het vervoer). Het nieuw voorgestelde systeem voor de motorrijtuigenbelasting bepaalt derhalve dat de minimumbelastingtarieven voor Euro I en Euro II op 80% van de minimumbelastingtarieven voor niet-Euro-voertuigen moeten liggen. Hieruit volgt ook amendement 24.

Voorts wordt de toepassing van lagere tarieven dan het minimum voor de motorrijtuigenbelasting (in geval van heffing van gebruiksrechten) in het belang van zo uniform mogelijke mededingingsvoorwaarden in de Unie uitgesloten. Zie de amendementen 5 en 12.

Tenslotte wordt een herzieningsclausule ingelast, die de toetsing van de minimumbelastingtarieven of de afschaffing daarvan in 2001 - parallel aan de toetsing van de maximumtarieven voor gebruiksrechten - moet regelen. Zie amendement 13.

2. Tolgelden en gebruiksrechten

Het door de Commissie voorgestelde systeem voor gebruiksrechten wordt ook in het belang van de praktische toepasbaarheid ervan vereenvoudigd. Het nieuwe voorstel houdt niettemin rekening met de door de voertuigen veroorzaakte schade aan wegen en de aantasting van het milieu door uitlaatgassen (zie hiervoor paragraaf 22 van genoemde resolutie). Het nieuwe systeem voor de maximumtarieven per jaar voorziet voorts in een adequate verhoging van de tarieven na vijf jaar. Voor het gebruik van stadsautosnelwegen wordt een verhelderende regeling ingevoerd. Hieruit volgen de amendementen 14, 16, 24 en 25.

Het opnemen van een kostenbestanddeel in de tolgelden ter dekking van externe kosten wordt op het huidige tijdstip afgewezen, omdat het door de Commissie nog op te stellen Witboek over de internalisering van de externe kosten van het vervoer en de door het Parlement verlangde uitgebreide studie in verband met het aantonen van de externe kosten van de afzonderlijke verkeersdeelnemers nog niet zijn uitgevoerd (zie hiervoor met name de paragrafen 1, 3, 10, 25 en 26 van genoemde resolutie). De Commissie wordt verzocht binnen 12 maanden het vereiste verslag over de externe kosten voor alle middelen van vervoer en de hieruit voortvloeiende consequenties voor te leggen. Hieruit volgen de amendementen 1, 9, 17 en 18.

Een invoering van "gevoelige routes" respectievelijk "gevoelige gebieden" en de daarmee door de Commissie geplande verhoging van de tolgelden komt op het ogenblik niet in aanmerking, omdat er nog geen specifieke regelingen zijn om de in ecologisch opzicht bijzonder belaste corridors te definiëren. Bovendien moeten "gevoelige routes" resp. "gevoelige gebieden" in het communautaire recht zelf worden vastgelegd (zie hiervoor artikel 23 van genoemde resolutie). Het oplossen van deze vraagstukken zou ook in het door de Commissie op te stellen verslag waarnaar in de vorige alinea wordt verwezen aan de orde moeten worden gesteld. Voor het bijzondere geval van de Brennerautosnelweg wordt de mogelijkheid van een bijzondere regeling voorgesteld, die afgestemd is op de bijzondere kenmerken van het Alpengebied. Hieruit vloeien de amendementen 7, 14, 18, 19, 20, 21 en 22 voort.

23 mei 1997


 ADVIES

(artikel 147 van het Reglement)

aan de Commissie vervoer en toerisme

inzake het voorstel voor een richtlijn van de Raad betreffende het in rekening brengen van het gebruik van bepaalde infrastructuurvoorzieningen aan zware vrachtvoertuigen (COM(96)0331 - C4-0027/97 96/0182(SYN); verslag-Jarzembowski)

Commissie milieubeheer, volksgezondheid en consumentenbescherming

Rapporteur voor advies: Gianni Tamino

PROCEDURE

De Commissie milieubeheer, volksgezondheid en consumentenbescherming benoemde op haar vergadering van 17 december 1996 de heer Tamino tot rapporteur voor advies.

Zij behandelde het ontwerpadvies op haar vergaderingen van 16 april en 21 mei 1997.

Op laatstgenoemde vergadering hechtte zij met 18 stemmen voor en 5 tegen haar goedkeuring aan de conclusies ervan.

Aan de stemming namen deel: de leden Dybkjær, waarnemend voorzitter; Lannoye, ondervoorzitter; Tamino, rapporteur voor advies; Blokland, Breyer, Correia (verving Apolinário), Flemming, Graenitz, Grossetête, Hautala (verving McKenna), Hulthén, Jackson, Jensen (Kirsten), Kuhn, Lange (verving Bowe), Needle, Pollack, Riis-Jørgensen (verving Eisma), Roth-Behrendt, Schleicher, Virgin, White en Whitehead.

1. Inleiding

De voorgestelde richtlijn komt in de plaats van richtlijn 9⅜9/EEG (bekend als de Eurovignetrichtlijn) die door het Europees Hof van Justitie op 5 juli 1995 (1) werd vernietigd op grond van procedurele onregelmatigheden. Totdat nieuwe communautaire wetgeving op dit terrein is goedgekeurd blijven de effecten van de Eurovignet-Richtlijn gehandhaafd om een wettelijk vacuüm te voorkomen.

2. Inhoud van het Commissievoorstel

Het Commissiedocument is het eerste concrete resultaat van een aantal uit het Groenboek "Naar een eerlijke en doelmatige prijsstelling in het vervoer"(2) afkomstige ideeën. Het voorstel beoogt een duidelijk verband tot stand te brengen tussen heffingen voor het weggebruik en het gebruiksniveau en het soort voertuig. De Commissie wil dit doel bereiken door meer gedifferentieerde motorrijtuigenbelasting en gebruiksrechten.

De hoofdpunten van de richtlijn zijn:

* De invoering van een grotere differentiatie in het niveau van de motorrijtuigenbelasting en de gebruiksrechten voor individuele categorieën van voertuigen in verhouding tot de gemaakte kosten.

* Wijzigingen in de regels inzake motorrijtuigenbelasting, gebruiksrechten en tolgelden waardoor meer nadruk wordt gelegd op het gebruik en een verschuiving plaatsvindt in de richting van het territorialiteitsbeginsel bij heffingen voor weggebruik.

* Verdere harmonisatie van de structuur en het niveau van de motorrijtuigenbelasting en de gebruiksrechten in de Gemeenschap.

* De invoering van een eventueel externe-kostenelement bij tolgelden en gebruiksrechten.

* De invoering van het begrip "gevoelige routes" waarvoor een hoger externe-kostenelement kan worden aangerekend.

* Specifieke vereisten voor gebruiksrechten over kortere tijdsperiodes waardoor een verschuiving wordt gestimuleerd naar de aanrekening van marginale kosten .

3. Conclusies

. De voorgestelde richtlijn is een stap in de richting van een doelmatiger en beter afgestemd prijsstelsel voor zware vrachtwagens in de Unie die de toepassing van het territorialiteitsbeginsel zal vergemakkelijken.

. De richtlijn moet verwijzen naar de vier belangrijkste bronnen van externe kosten in verband met het vervoer die worden genoemd in het Groenboek "Naar een eerlijke en doelmatige prijsstelling in het vervoer", namelijk congestie, luchtverontreiniging, geluidsoverlast en ongevallen.

. Het zou zinvol zijn dat in de richtlijn - met het oog op gevoelige gebieden - wordt verwezen naar het Alpenverdrag en de in dit gebied geldende bijzondere omstandigheden.

. Het begrip "gevoelige routes" moet worden uitgebreid tot "gevoelige gebieden" om te voorkomen dat verkeer van als "gevoelig" aangemerkte wegen verschuift naar kwetsbaarder en onveiliger wegen in het desbetreffende gebied; het gehele gebied van de Alpen is een dergelijk "gevoelig" gebied.

. Regionale vertegenwoordigers uit de desbetreffende gebieden kunnen een belangrijke rol spelen bij en een bijdrage leveren aan het proces van het aanmerken van gevoelige routes en gebieden. Voorts moet bij het niveau van het tolgeld rekening worden gehouden met de schade die deze regio's lijden en de inkomsten die zij door deze tolgelden verwerven.

. De richtlijn moet ook de mogelijkheid scheppen tot het differentiëren van heffingen voor het gebruik van de infrastructuur, afhankelijk van wanneer die wordt gebruikt en van de extra kosten die dit veroorzaakt (bijvoorbeeld 's-nachts en in spitsuren).

. De richtlijn dient bij voorkeur alleen minimumheffingen (en geen maximumheffingen) vast te stellen, zodat de lidstaten alle kosten van het wegvervoer kunnen recupereren. Voorts dient het territorialiteitsbeginsel niet-discriminatoir en grensoverschrijdend te worden toegepast.

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendementen

(Amendement 1)
Derde overweging bis (nieuw)

gezien het Alpenverdrag,

(Amendement 2)
Derde overweging

overwegende dat de lidstaten op een behoorlijke werking van de interne markt moeten toezien en belemmeringen voor het vrije verkeer van goederen en diensten binnen de Gemeenschap moeten voorkomen; dat een behoorlijke werking van de interne vervoermarkt de verkleining nodig maakt van de verschillen in concurrentievoorwaarden in de sector goederenvervoer over de weg, die voortvloeien uit niet te rechtvaardigen verschillen in hoogte van de met het wegvervoer verband houdende lasten, hieronder begrepen belastingen en andere relevante heffingen; dat de motorrijtuigenbelastingen en de gebruiksrechten derhalve tussen een maximumen een minimumniveau moeten worden vastgesteld;

overwegende dat de lidstaten op een behoorlijke werking van de interne markt moeten toezien en belemmeringen voor het vrije verkeer van goederen en diensten binnen de Gemeenschap moeten voorkomen; dat een behoorlijke werking van de interne vervoermarkt harmonisatie nodig maakt van de concurrentievoorwaarden in de sector goederenvervoer over de weg, die voortvloeien uit niet te rechtvaardigen verschillen in hoogte van de met het wegvervoer verband houdende lasten, met inbegrip van belastingen en andere relevante heffingen, alsmede van de sociale voorwaarden voor vrachtwagenchauffeurs; dat voor motorrijtuigenbelastingen en gebruiksrechten derhalve een minimumniveau moet worden vastgesteld;

(Amendement 3)
Derde overweging

overwegende dat de lidstaten op een behoorlijke werking van de interne markt moeten toezien en belemmeringen voor het vrije verkeer van goederen en diensten binnen de Gemeenschap moeten voorkomen; dat een behoorlijke werking van de interne vervoermarkt de verkleining nodig maakt van de verschillen in concurrentievoorwaarden in de sector goederenvervoer over de weg, die voortvloeien uit niet te rechtvaardigen verschillen in hoogte van de met het wegvervoer verband houdende lasten, hieronder begrepen belastingen en andere relevante heffingen; dat de motorrijtuigenbelasting en de gebruiksrechten derhalve tussen een maximum- en een minimumniveau moeten worden vastgesteld;

overwegende dat de lidstaten op een behoorlijke werking van de interne markt moeten toezien en belemmeringen voor het vrije verkeer van goederen en diensten binnen de Gemeenschap moeten voorkomen; dat een behoorlijke werking van de interne vervoermarkt de verkleining nodig maakt van de verschillen in concurrentievoorwaarden in de sector goederenvervoer over de weg, die voortvloeien uit niet te rechtvaardigen verschillen in hoogte van de met het wegvervoer verband houdende lasten, hieronder begrepen belastingen en andere relevante heffingen; dat de motorrijtuigenbelasting en de gebruiksrechten derhalve op een minimumniveau moeten worden vastgesteld;

(Amendement 4)
Negende overweging

overwegende dat minimumtarieven voor de motorrijtuigenbelasting niet van toepassing behoeven te zijn in lidstaten waar een gebruiksrechtenstelsel wordt gehanteerd;

Schrappen.

(Amendement 5)
Veertiende overweging

overwegende dat de vaststelling van "gevoelige routes" door de Commissie moet geschieden volgens een procedure die voorziet in een raadgevend comité bestaande uit vertegenwoordigers van de lidstaten; dat het bestaan van andere adequate vervoerdiensten een voorwaarde vooraf moet zijn om een weg als gevoelig aan te merken;

overwegende dat de vaststelling van "gevoelige gebieden" door de Commissie moet worden voorgesteld volgens een procedure die voorziet in een raadgevend comité bestaande uit vertegenwoordigers van de lidstaten en vertegenwoordigers van de betrokken gebieden; dat de beschikbaarheid van adequate diensten door duurzamer vervoerswijzen zoals het vervoer per spoor en het intermodaal vervoer, op een actievere manier moet worden ontwikkeld;

(Amendement 6)
Zestiende overweging

overwegende dat de gebruiksrechtentarieven gerelateerd moeten zijn aan de duur van het gebruik van de betrokken infrastructuren en de door de wegvoertuigen veroorzaakte werkelijke kosten zo dicht mogelijk moeten benaderen; dat dit op korte termijn moet worden nagestreefd door de invoering van een beperkte mate van tariefdifferentiatie, naar gelang van de aan de infrastructuurvoorzieningen en het milieu toegebrachte schade;

overwegende dat de gebruiksrechtentarieven gerelateerd moeten zijn aan de duur van het gebruik van de betrokken infrastructuren en de door de wegvoertuigen veroorzaakte werkelijke kosten zo dicht mogelijk moeten benaderen; dat dit op korte termijn moet worden nagestreefd door de invoering van een beperkte mate van tariefdifferentiatie, naar gelang van de aan de infrastructuurvoorzieningen en het milieu toegebrachte schade; en voorts overwegende dat het mogelijk moet zijn tariefdifferentiatie toe te passen tijdens het spitsuur, 's nachts en op andere gevoelige uren;

(Amendement 7)
Zeventiende overweging

overwegende dat, teneinde een eenvormige toepassing van de gebruiksrechten en de tolgelden te waarborgen, bepaalde regels dienen te worden vastgesteld om de voorwaarden voor toepassing ervan te bepalen, zoals de eigenschappen van de infrastructuurvoorzieningen waarop de gebruiksrechten en tolgelden worden toegepast, de infrastructuur- en externekostenelementen waarop deze tarieven betrekking kunnen hebben en de maximale en minimale waarden van bepaalde tarieven; dat in het geval van tolheffing bij de vaststelling van de toltarieven ook rekening kan worden gehouden met de opbrengst van kapitaal dat voor een bij soortgelijke investeringen haalbaar percentage is geïnvesteerd;

overwegende dat, teneinde een eenvormige toepassing van de gebruiksrechten en de tolgelden te waarborgen, bepaalde regels dienen te worden vastgesteld om de voorwaarden voor toepassing ervan te bepalen, zoals de coherentie van de bruikbaarheid van de wegeninfrastructuur als geheel zodat geen verkeer wordt overgeheveld naar gevoeliger en minder veilige wegen; de infrastructuur- en externe-kostenelementen waarop deze tarieven betrekking kunnen hebben en de minimale waarden van bepaalde tarieven; dat in het geval van tolheffing bij de vaststelling van de toltarieven ook rekening kan worden gehouden met de schade die de desbetreffende regio's lijden en het terugvloeien van deze gelden naar deze regio's;

(Amendement 8)
Zeventiende overweging bis (nieuw)

overwegende dat de geïnde gelden ter stimulering van een milieuvriendelijke mobiliteit en ter ondervanging van de door het wegverkeer veroorzaakte externe kosten dienen te worden gebruikt;

(Amendement 9)
Achttiende overweging

overwegende dat twee of meer lidstaten de mogelijkheid moet worden gegeven met het oog op de invoering van een gemeenschappelijk stelsel van gebruiksrechten samen te werken, mits aan bepaalde bijkomende voorwaarden wordt voldaan;

overwegende dat het territorialiteitsbeginsel moet worden toegepast; en voorts overwegende dat twee of meer lidstaten de mogelijkheid moet worden gegeven met het oog op de invoering van een gemeenschappelijk stelsel van gebruiksrechten samen te werken, mits aan bepaalde bijkomende voorwaarden wordt voldaan;

(Amendement 10)
Artikel 2, sub -a) (nieuw)

"infrastructuur": de aanleg ("hardware") van de weg en de organisatie ("software") om het gebruik ervan mogelijk en veiliger te maken;

(Amendement 11)
Artikel 2, sub a) (nieuw)

a) "weg": een openbare weg die is ontworpen en aangelegd voor motorvoertuigen,

(Amendement 12)
Artikel 2, sub g)

g) "gevoelige route": een infrastructuurvoorziening waar in overeenstemming met artikel 7, lid 2, tolgelden of gebruiksrechten kunnen worden geheven, die voldoet aan de in artikel 9, lid 2, genoemde criteria en die als zodanig is bepaald volgens de procedure van artikel 10;

g) "gevoelig gebied": een gebied waar in overeenstemming met artikel 7, lid 2, tolgelden of gebruiksrechten voor infrastructuurvoorzieningen kunnen worden geheven, dat voldoet aan de in artikel 9, lid 2, genoemde criteria en dat als zodanig is bepaald volgens de procedure van artikel 10.

Het gehele Alpengebied is een dergelijk gevoelig gebied;

(Amendement 13)
Artikel 2, sub h)

h) "externe kosten": de kosten van verkeersopstoppingen, luchtverontreiniging en geluidshinder;

h) "externe kosten": de sociale en milieukosten zoals ongevallen, verkeersopstoppingen, luchtverontreiniging en geluidshinder;

(Amendement 14)
Artikel 6, lid 1, eerste alinea

1. Ongeacht de structuur van de in artikel 3 genoemde belastingen stellen de lidstaten de tarieven van deze belastingen zodanig vast, dat zij voor elke in bijlage I omschreven categorie of subcategorie voertuigen niet lager dan de minimumtarieven en niet hoger dan de maximumtarieven liggen, die in die bijlage zijn genoemd.

1. Ongeacht de structuur van de in artikel 3 genoemde belastingen stellen de lidstaten de tarieven van deze belastingen zodanig vast, dat zij voor elke in bijlage I omschreven categorie of subcategorie voertuigen niet lager dan de minimumtarieven liggen, die in die bijlage zijn genoemd.

(Amendement 15)
Artikel 6, lid 1, tweede alinea

De lidstaten mogen evenwel motorrijtuigenbelasting beneden deze minimumtarieven heffen indien zij een gebruiksrechtenstelsel hanteren dat met deze richtlijn in overeenstemming is.

Schrappen.

(Amendement 16)
Artikel 6, lid 1, derde alinea

Motorrijtuigenbelastingen voor niet-Euro-voertuigen dienen minstens 10 % hoger te liggen dan die voor gelijkwaardige voertuigen van de categorie Euro I. De belastingtarieven voor voertuigen van categorie Euro I dienen ten minste 10 % hoger te liggen dan die voor gelijkwaardige voertuigen van categorie Euro II.

Motorrijtuigenbelastingen voor niet-Euro-voertuigen dienen minstens 50 % hoger te liggen dan die voor gelijkwaardige voertuigen van de categorie Euro I en II overeenkomstig bijlage I, tabel 1 van deze richtlijn.

(Amendement 17)
Artikel 7, lid 2

2. Tolgelden en gebruiksgelden worden slechts geheven voor het gebruik van bruggen, tunnels, bergpaswegen, gevoelige routes; autosnelwegen of andere met autosnelwegen vergelijkbare meerbaanswegen.

2. Tolgelden en gebruiksgelden worden slechts geheven voor het gebruik van bruggen, tunnels, bergpaswegen.

In lidstaten zonder algemeen net van autosnelwegen (met gescheiden rijbanen) met soortgelijke kenmerken, mogen tolgelden of gebruiksrechten worden geheven voor het gebruik van de hoogste wegencategorie in die lidstaat.

Schrappen.

Na raadpleging van de Commissie volgens de procedure van de beschikking van de Raad van 21 maart 1962 mogen tolgelden en gebruiksrechten, met name op grond van veiligheidsoverwegingen, eveneens worden geheven voor het gebruik van andere delen van het hoofdwegennet.

Na raadpleging van de Commissie volgens de procedure van de beschikking van de Raad van 21 maart 1962 mogen tolgelden en gebruiksrechten, met name op grond van veiligheids- of milieuoverwegingen, eveneens worden geheven voor het gebruik van het wegennet.

Na overleg met de Commissie volgens de procedure van de beschikking van de Raad van 21 maart 1962 kunnen door de betrokken lidstaten speciale regelingen voor grensgebieden worden getroffen.

Na overleg met de Commissie volgens de procedure van de beschikking van de Raad van 21 maart 1962 kunnen door de betrokken lidstaten speciale regelingen voor grensgebieden worden getroffen.

(Amendement 18)
Artikel 7, lid 2, eerste alinea

Tolgelden en gebruiksrechten worden slechts geheven voor het gebruik van bruggen, tunnels, bergpaswegen, gevoelige routes; autosnelwegen of andere met autosnelwegen vergelijkbare meerbaanswegen.

Tolgelden en gebruiksrechten worden slechts geheven voor het gebruik van bruggen, tunnels, bergpaswegen, wegen in gevoelige gebieden, autosnelwegen of andere met autosnelwegen vergelijkbare meerbaanswegen.

(Amendement 19)
Artikel 7, lid 6

6. Met ingang van 1 januari 1998 stellen de betrokken lidstaten voor alle voertuigcategorieën de gebruiksrechten met inbegrip van administratieve kosten vast, waarvan de hoogte ligt tussen 50% en 100% van de in bijlage III vastgestelde maximumtarieven voor de verschillende in de bijlagen II en III aangegeven voertuigcategorieën. Ongeacht de gekozen hoogte dienen de heffingen voor individuele voertuigcategorieën in dezelfde verhouding tot elkaar te staan als de in bijlage III genoemde maximumtarieven.

6. Met ingang van 1 januari 1998 stellen de betrokken lidstaten voor alle voertuigcategorieën de gebruiksrechten met inbegrip van administratieve kosten vast zoals vastgesteld in de bijlagen.

Deze maxima worden om de twee jaar opnieuw bezien, de eerste maal op 1 januari 2001. Voor zover nodig zal de Commissie voorstellen voor dienovereenkomstige aanpassingen doen, die vervolgens door de Raad, onder de in het Verdrag aangegeven voorwaarden, worden vastgesteld.

Schrappen.

(Amendement 20)
Artikel 7, lid 7

7. Het tarief van de gebruiksrechten is evenredig met de duur van het gebruik van de betrokken infrastructuurvoorzieningen.

7. Het tarief van de gebruiksrechten is gebaseerd op afstand, dat wil zeggen het staat in verhouding tot het aantal kilometers dat op de betrokken infrastructuurvoorzieningen is afgelegd.

(Amendement 21)
Artikel 7, lid 8

8. De toltarieven worden zodanig vastgesteld dat de opbrengsten ervan niet hoger zijn dan de kosten van de aanleg, de exploitatie en de uitbreiding van de infrastructuurvoorzieningen waarover deze tolgelden worden geheven, vermeerderd met eenzelfde opbrengst als bij soortgelijke investeringsprojecten haalbaar is. Bovendien mogen de lidstaten een aan vergelijkbare externe kosten gerelateerde externe-kostenfactor van ten hoogste 0,03 ecu per kilometer in rekening brengen.

8. De toltarieven worden zodanig vastgesteld dat de opbrengsten ervan eventueel compensatie van schade in de betrokken regio omvatten evenals een tarief ter dekking van kosten voor infrastructuurinvesteringen. Bovendien mogen de lidstaten een aan vergelijkbare externe kosten gerelateerd pro rata-element hanteren.

(Amendement 22)
Artikel 7, lid 9

9. Aan de lidstaten kan na verstrekking van hun motiveringen zoals bedoeld in artikel 9, lid 1, volgens de procedure van artikel 10 worden toegestaan, op gevoelige routes hogere kosten te berekenen dan in lid 8 is bepaald. Onder geen beding mag de externekostencomponent 0,5 ecu per kilometer te boven gaan.

9. Aan de lidstaten kan na verstrekking van hun motiveringen zoals bedoeld in artikel 9, lid 1, volgens de procedure van artikel 10 worden toegestaan, op wegen in gevoelige gebieden hogere kosten te berekenen.

Aan de lidstaten kan op grond van hun motiveringen als bedoeld in artikel 9, lid 1, volgens de procedure van artikel 10 worden toegestaan, op gevoelige routes, waar geen tolgelden worden geheven, een specifieke dagheffing voor externe kosten van ten hoogste 15 ecu te berekenen.

Aan de lidstaten kan op grond van hun motiveringen als bedoeld in artikel 9, lid 1, volgens de procedure van artikel 10 worden toegestaan, op wegen in gevoelige gebieden, waar geen tolgelden worden geheven, een specifieke dag- of nachtheffing voor externe kosten te berekenen.

(Amendement 23)
Artikel 8, lid 2, sub a)

a) de deelnemende lidstaten stellen de gemeenschappelijke gebruiksrechten vast op een niveau dat niet hoger, respectievelijk lager ligt dan de in artikel 7, leden 6, 7 en 8, genoemde maximum- en minimumtarieven;

a) de deelnemende lidstaten stellen op grond van het territorialiteitsbeginsel de gemeenschappelijke gebruiksrechten vast op een niveau dat niet lager ligt dan de in artikel 7, leden 6, 7 en 8, genoemde minimumtarieven;

(Amendement 24)
Artikel 9, lid 1

1. Met het oog op de bepaling van de gevoelige routes en de vaststelling van de hierop toe te passen heffingen overeenkomstig de in artikel 10 beschreven procedure verstrekken de lidstaten de Commissie alle desbetreffende gegevens alsmede hun motivering van de voorgestelde heffingen. In de motivering van de voorgestelde heffingen dient het volgende te worden beschreven: de voor de vaststelling van de tarieven gebruikte methode en berekeningswijze, de maatregelen ter vermindering van de door alle weggebruikers in het gebied veroorzaakte relevante externe kosten en de maatregelen ter bestrijding van de luchtverontreiniging uit alle bronnen in het gebied.

1. Met het oog op de bepaling van de gevoelige gebieden en de vaststelling van de op de wegen daarin toe te passen heffingen overeenkomstig de in artikel 10 beschreven procedure verstrekken de lidstaten de Commissie alle desbetreffende gegevens alsmede hun motivering van de voorgestelde heffingen. In de motivering van de voorgestelde heffingen dient het volgende te worden beschreven: de voor de vaststelling van de tarieven gebruikte methode en berekeningswijze, de maatregelen ter vermijding of vermindering van de door alle weggebruikers in het gebied veroorzaakte relevante externe kosten en de maatregelen ter bestrijding van de luchtverontreiniging uit alle bronnen in het gebied.

(Amendement 25)
Artikel 9, lid 2

2. De criteria die worden toegepast ter bepaling van de gevoelige routes zijn afhankelijk van het geval: de criteria aan de hand waarvan wordt bepaald of een autosnelweg overbelast is en/of het verkeer op deze weg in aanzienlijke mate tot een slechte luchtkwaliteit en/of tot geluidshinder in de omgeving bijdraagt, in het bijzonder in zones en agglomeraties als bedoeld in artikel 2 van richtlijn [...[ inzake de beoordeling en het beheer van de luchtkwaliteit. Te vervullen bijkomende voorwaarden zijn: de beschikbaarheid van adequate vervoerdiensten door andere vervoerwijzen, hetgeen met name vrije en niet-discriminerende toegang van gemachtigde vervoerondernemers tot infrastructurele voorzieningen meebrengt alsmede het bestaan van maatregelen ter bestrijding van de luchtverontreiniging uit alle bronnen in het gebied.

2. De criteria die worden toegepast ter bepaling van de gevoelige gebieden zijn afhankelijk van het geval: de mate van overbelasting op de wegen in dit gebied en/of het verkeer op deze weg in aanzienlijke mate tot een slechte luchtkwaliteit en/of tot geluidshinder in de omgeving bijdraagt, in het bijzonder in zones en agglomeraties als bedoeld in artikel 2 van richtlijn [...[ inzake de beoordeling en het beheer van de luchtkwaliteit. Te vervullen bijkomende voorwaarden zijn: de beschikbaarheid van adequate vervoerdiensten door andere vervoerwijzen, hetgeen met name vrije en nietdiscriminerende toegang van gemachtigde vervoerondernemers tot infrastructurele voorzieningen meebrengt alsmede het bestaan van maatregelen ter bestrijding van de luchtverontreiniging uit alle bronnen in het gebied. In beginsel mag een gebied niet worden afgebakend door een nationale grens indien aan de andere kant van de grens dezelfde criteria van toepassing zijn.

(Amendement 26)
Artikel 10, lid 1

1. De Commissie wordt bijgestaan door het krachtens de beschikking van de Raad nr. 65/270/EEG ingestelde raadgevende comité, dat door een harer vertegenwoordigers wordt voorgezeten.

1. De Commissie wordt bijgestaan door het krachtens de beschikking van de Raad nr 65/270/EEG ingestelde raadgevende comité, met deelneming van vertegenwoordigers van het Europees Parlement en van het betrokken gebied, dat door een harer vertegenwoordigers wordt voorgezeten.

(Amendement 27)
Bijlage I, eerste tabel, middelste kolom
Amendementen
!!! The following table cannot be reproduced in HTML - Please refer to the WP or the PDF version !!!
(Amendement 28)
Bijlage I, eerste tabel, laatste kolom

Maximumbelastingtarief (in ecu/jaar)

Schrappen.

(Amendement 29)
Bijlage I, tweede tabel, middelste kolom
!!! The following table cannot be reproduced in HTML - Please refer to the WP or the PDF version !!!
(Amendement 30)
Bijlage I, tweede tabel

Laatste kolom "Maximumbelastingtarief (in ecu/jaar)" "Andere voertuigtypen"

Schrappen.

(Amendement 31)
Bijlage III, punt 1

1. Maximumbedrag van de op jaarbasis geheven gebruiksrechten, zoals bedoeld in artikel 7, lid 6

Minimumbedrag van de op jaarbasis geheven gebruiksrechten, zoals bedoeld in artikel 7, lid 6

(Amendement 32)
Bijlage III, punt 2

2. Minimumbedrag van de op jaarbasis geheven gebruiksrechten, als bedoeld in artikel 7, lid 6

Schrappen.

De minimumjaartarieven van de gebruiksrechten zijn vastgesteld op 50% van de hierboven aangegeven maximumbedragen.

(1)() Zaak C-21/95, Parlement versus Raad.
(2)() COM(95)0691.

Laatst bijgewerkt op: 3 mei 1999Juridische mededeling