Terug naar het Europarl-portaal

Choisissez la langue de votre document :

VERSLAG     *
PDF 287kWORD 98k
26 februari 2004
PE 329.360 A5-0119/2004
over het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de ondertekening van een overeenkomst inzake politieke dialoog en samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Andesgemeenschap en haar lidstaten, de Republiek Bolivië, de Republiek Colombia, de Republiek Ecuador, de Republiek Peru en de Bolivariaanse Republiek Venezuela, anderzijds
(COM(2003) 695 – C5‑0657/2003 – 2003/0268(CNS))
Commissie buitenlandse zaken, mensenrechten, gemeenschappelijke veiligheid en defensiebeleid
Rapporteur: José Ignacio Salafranca Sánchez-Neyra
Cons 97
PROCEDUREVERLOOP
 ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 ADVIES VAN DE COMMISSIE ONTWIKKELINGSSAMENWERKING
 ADVIES VAN DE COMMISSIE INDUSTRIE, EXTERNE HANDEL, ONDERZOEK EN ENERGIE

PROCEDUREVERLOOP

Bij schrijven van 22 december 2003 verzocht de Raad, overeenkomstig artikel 300, lid 3, eerste alinea van het EG‑Verdrag, het Parlement om advies inzake het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de ondertekening van een overeenkomst inzake politieke dialoog en samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Andesgemeenschap en haar lidstaten, de Republiek Bolivië, de Republiek Colombia, de Republiek Ecuador, de Republiek Peru en de Bolivariaanse Republiek Venezuela, anderzijds (COM(2003) 695 – 2003/0268(CNS)).

Op 12 januari 2004 gaf de Voorzitter van het Parlement kennis van de verwijzing van dit voorstel naar de Commissie buitenlandse zaken, mensenrechten, gemeenschappelijke veiligheid en defensiebeleid als commissie ten principale en naar de Commissie ontwikkelingssamenwerking en de Commissie industrie, externe handel, onderzoek en energie als medeadviserende commissies (C5‑0657/2003).

De Commissie buitenlandse zaken, mensenrechten, gemeenschappelijke veiligheid en defensiebeleid benoemde reeds op haar vergadering van 26 november 2003 José Ignacio Salafranca Sánchez-Neyra tot rapporteur.

De commissie behandelde het voorstel voor een besluit van de Raad en het ontwerpverslag op haar vergaderingen van 21 januari en 19 februari 2004.

Op laatstgenoemde vergadering hechtte zij met algemene stemmen haar goedkeuring aan de ontwerpwetgevingsresolutie.

Bij de stemming waren aanwezig: Elmar Brok (voorzitter), Baroness Nicholson of Winterbourne (1ste ondervoorzitter), Geoffrey Van Orden (2de ondervoorzitter) en Christos Zacharakis (3de ondervoorzitter), José Ignacio Salafranca Sánchez-Neyra (rapporteur), Per-Arne Arvidsson, Ole Andreasen, Bastiaan Belder, Michael Cashman (verving Richard Howitt), John Walls Cushnahan, Véronique De Keyser, Gianfranco Dell'Alba (verving Emma Bonino overeenkomstig artikel 153, lid 2 van het Reglement), Rosa M. Díez González, Andrew Nicholas Duff (verving Joan Vallvé), Hélène Flautre (verving Per Gahrton), José María Gil-Robles Gil-Delgado (verving Armin Laschet overeenkomstig artikel 153, lid 2 van het Reglement), Alfred Gomolka, Giorgos Katiforis (verving Alexandros Baltas), Catherine Lalumière, Jules Maaten (verving Bob van den Bos), Minerva Melpomeni Malliori (verving Hannes Swoboda overeenkomstig artikel 153, lid 2 van het Reglement), Cecilia Malmström, Helmuth Markov (verving André Brie overeenkomstig artikel 153, lid 2 van het Reglement), Emilio Menéndez del Valle, Hans Modrow (verving Pedro Marset Campos), Raimon Obiols i Germà, Arie M. Oostlander, Jacques F. Poos, Jannis Sakellariou, Jürgen Schröder, Elisabeth Schroedter, Ioannis Souladakis, The Earl of Stockton (verving David Sumberg), Charles Tannock, Paavo Väyrynen, Demetrio Volcic, Peder Wachtmeister (verving Michael Gahler overeenkomstig artikel 153, lid 2 van het Reglement), Karl von Wogau en Jan Marinus Wiersma.

De adviezen van de Commissie ontwikkelingssamenwerking en de Commissie industrie, externe handel, onderzoek en energie zijn bij dit verslag gevoegd.

Het verslag werd ingediend op 26 februari 2004.


ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de ondertekening van een overeenkomst inzake politieke dialoog en samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Andesgemeenschap en haar lidstaten, de Republiek Bolivië, de Republiek Colombia, de Republiek Ecuador, de Republiek Peru en de Bolivariaanse Republiek Venezuela, anderzijds

(COM(2003) 695 – C5‑0657/2003 – 2003/0268(CNS))

(Raadplegingsprocedure)

Het Europees Parlement,

–   gezien het voorstel voor een besluit van de Raad (COM(2003) 695)(1),

–   gelet op artikel 181 van het EG-Verdrag, in samenhang met de eerste zin van artikel 300, lid 2, eerste alinea van dit Verdrag,

–   gelet op artikel 300, lid 3, eerste alinea van het EG‑Verdrag, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C5‑0657/2003),

–   gelet op de artikelen 67 en 97, lid 7 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken, mensenrechten, gemeenschappelijke veiligheid en defensiebeleid en de adviezen van de Commissie ontwikkelingssamenwerking en de Commissie industrie, externe handel, onderzoek en energie (A5‑0119/2004),

1.   hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst;

2.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en de Andesgemeenschap en haar lidstaten, de Republiek Bolivië, de Republiek Colombia, de Republiek Ecuador, de Republiek Peru en de Bolivariaanse Republiek Venezuela.

(1)Nog niet in het PB gepubliceerd.


TOELICHTING

1.   Balans van de overeenkomst in de context van de biregionale strategische associatie in de huidige zittingsperiode

De Commissie en het Europees Parlement hebben tijdens de thans aflopende zittingsperiode niet dezelfde visie gehad op de betrekkingen tussen de EU en Latijns-Amerika. De povere initiatieven en voorstellen en het gebrek aan strategische visie van de huidige Commissie stonden in schril contrast met de leidende en stuwende rol die de Commissie op het gebied van de betrekkingen tussen de EU en Latijns-Amerika decennia lang heeft gespeeld. De Commissie heeft alleen maar -en dan nog met veel moeite- de franjes van het door vorige Commissies opgezette strategische project (zoals de sluiting van de Associatieovereenkomst EU-Chili) beheerd. In deze periode werd eigenlijk geen enkel nieuw initiatief genomen dat die naam waardig is, en is de Commissie in plaats van een stuwende kracht veeleer een belemmering geworden voor de biregionale strategische associatie, waarbij zij zich heeft gedistantieerd van een instelling -het Europees Parlement- die traditioneel haar bondgenoot was bij de formulering van het beleid van de Unie ten aanzien van het Zuid-Amerikaanse subcontinent. Hoe kunnen anders de besnoeiingen worden verklaard die de Commissie elk jaar opnieuw in haar begrotingsinitiatieven voor Latijns-Amerika heeft willen doorvoeren, en die het Europees Parlement maar met de grootste moeite ongedaan heeft kunnen maken? Hoe kan anders worden verklaard dat de Commissie bij het afwikkelen van de jaarlijkse communautaire begroting herhaalde malen haar toevlucht genomen heeft tot de methode van de RAL (nog betaalbaar te stellen kredieten) en daarbij Latijns-Amerika kredieten heeft afgenomen die met zoveel moeite waren verkregen, en dit niet zozeer omdat de begunstigden zogezegd niet in staat waren de kredieten voldoende te verbruiken, als wel vanwege een gebrek aan motivatie, ideeën en veelbelovende strategische projecten voor een regio die vaak minder kreeg toegewezen en willekeurig werd behandeld, teneinde andere belangen en regio's te dienen. Het voorstel dat het Europees Parlement als een van de twee takken van de begrotingsautoriteit in november 2001 heeft gedaan om een biregionaal solidariteitsfonds in te stellen werd niet eens aandachtig bestudeerd, terwijl het nochtans gaat om een instrument dat financiële middelen kan genereren zonder extra begrotingsuitgaven en een vermenigvuldigingseffect kan hebben dat de verlaging van de officiële ontwikkelingshulp voor Latijns-Amerika die sinds 2000 kan worden geconstateerd tenminste gedeeltelijk zou compenseren, om dan nog te zwijgen van de bijdrage die dit instrument kan leveren aan de preventie of oplossing van crisissituaties zoals die zich de laatste jaren in Bolivië, Ecuador, Mexico en Argentinië hebben voorgedaan. Het voorstel van het Europees Parlement is dus zeker een serieuze analyse waard. Op het niveau van haar wetgevingsinitiatieven heeft de Commissie evenmin gestreefd naar overeenstemming met het Parlement. Zij is veeleer geneigd geweest de standpunten van de Raad te omhelzen, zoals is gebleken bij de opneming van Pakistan in het SAP drugs, ondanks de waarschuwingen van de Andeslanden, de Midden-Amerikaanse landen en het Europees Parlement zelf. Ten aanzien van het van 2001 daterende voorstel van het Europees Parlement en -vooral- de begunstigde Latijns-Amerikaanse landen een specifieke verordening te wijden aan de samenwerking tussen de Gemeenschap en de landen in Latijns-Amerika, heeft de Commissie een aanmatigende houding aangenomen en de rol van medewetgever van het Europees Parlement op flagrante wijze genegeerd, in een materie waarop nochtans de medebeslissingsprocedure van toepassing is. Op het gebied van de ontwikkelingssamenwerking kon dezelfde evolutie worden waargenomen. De Commissie en de lidstaten samen zijn weliswaar de voornaamste donoren van het Latijns-Amerikaanse continent gebleven (met tot het jaar 2000 45% van de totale officiële ontwikkelingshulp), maar de EU-hulp is de in de loop der jaren niettemin dramatisch gedaald (van 2.580 miljoen dollar in 1981 tot 1.820 miljoen dollar eind 2000, een daling met 29%). Daarnaast werd er ook niets gedaan om, voor zover mogelijk, de voor Latijns-Amerika uitgetrokken kredieten meer in overeenstemming te brengen met de begrotingsmiddelen die bijvoorbeeld in het kader van de Overeenkomst van Cotonou werden toegewezen aan de ACS-landen (13.500 miljoen euro in de periode tot 2005). Dit alles terwijl volgens de gegevens van de economische VN-commissie voor Latijns Amerika de armoede (inkomen van minder dan 2 dollar per dag) in Latijns-Amerika in 2001 43% bedroeg, en de extreme armoede (inkomen van minder dan 1 dollar per dag) 18,6%, en negatieve indicatoren zoals de concentratie van de rijkdom en het aantal precaire arbeidsplaatsen een stijging te zien hebben gegeven. Deze tendens is op duidelijke wijze tot uiting gekomen in het kader van initiatieven die destijds met veel ophef zijn gepresenteerd als grote verwezenlijkingen van de 2de Top, zoals het EU-programma voor beurzen voor Latijns-Amerikaanse studenten (ALBAN), waarbij het eerste jaar nauwelijks 300 van de 800 aangekondigde beurzen werden toegekend, waarvan 80% bovendien naar de negen meest ontwikkelde landen is gegaan, en slechts 20% naar de landen met een relatief lagere ontwikkelingsgraad.

2.   De nieuwe Overeenkomst inzake politieke dialoog en samenwerking EU-Andesgemeenschap als voorbereiding op een toekomstige associatie

De intensivering van de betrekkingen tussen de Europese Unie en de Andeslanden heeft tijdens deze zittingsperiode eveneens onnodig vertraging opgelopen. In weerwil van de door het Europees Parlement in zijn resolutie van 15 november 2001 geuite wens, en ondanks de inspanningen van onze instelling, het fungerend voorzitterschap en sommige delegaties van de Raad, en de dringende verzoeken van de landen van de Andesgemeenschap, werden tijdens de 2de Top EU-Latijns-Amerika, die op 17 mei 2002 in Madrid plaatsgevonden heeft, geen onderhandelingsrichtsnoeren vastgesteld met het oog op de sluiting, op middellange termijn, van associatieovereenkomsten tussen de EU en de Andesgemeenschap en tussen de EU en de Midden-Amerikaanse landen. Als gevolg van de duidelijke tegenstand van de Commissie en sommige delegaties van de Raad kon slechts een compromisoplossing worden gevonden, namelijk een initiatief voor het aanknopen van onderhandelingen over overeenkomsten inzake politieke dialoog en samenwerking met beide regio's, en het besluit de samenwerking op het gebied van handel, investeringen en economische betrekkingen te versterken. De verwezenlijking van de doelstellingen van deze overeenkomsten en de versterking van de samenwerking zouden de voorwaarden moeten scheppen "voor de totstandbrenging, op basis van de resultaten van het werkprogramma van Doha -dat wij toegezegd hebben uiterlijk eind 2004 ten uitvoer te leggen-, van een haalbare en wederzijds tot voordeel strekkende associatieovereenkomst -tussen enerzijds de EU en Midden-Amerika, en anderzijds de EU en de Andesgemeenschap-, die tevens een vrijhandelsovereenkomst omvat". Van de 33 compromisvoorstellen op politiek en economisch gebied en inzake samenwerking op cultureel, educatief, wetenschappelijk, technologisch, sociaal en humanitair gebied die in het kader van de 2de Top in de Verklaring van Madrid werden geformuleerd hield alleen dit voorstel (paragraaf 17 van de Verklaring) stand.

De 2de Top heeft dus geen kwalitatieve stap voorwaarts mogelijk gemaakt, omdat er geen data werden vastgesteld voor het aanknopen van directe onderhandelingen over de sluiting van een associatieovereenkomst die een nieuwe fase zou inluiden in de betrekkingen tussen de EU en de Andesgemeenschap. Zoals verwacht hebben de presidenten van de Andeslanden van de bijeenkomst in Madrid gebruik gemaakt om reeds op 18 mei een dubbel signaal af te geven. Zij hebben enerzijds uiting gegeven aan hun diepe frustratie en hun ernstige bezorgdheid over de protectionistische tendensen op handelsgebied, en de noodzaak beklemtoond de overeenkomsten met de EU die gericht zijn op de totstandbrenging van een politieke, economische en handelsassociatie met de Andesgemeenschap en andere regionale integratiestructuren, te verdiepen en te versnellen. Zij hebben anderzijds gepleit voor grotere diversifiëring, en dan ook aangedrongen op de spoedige goedkeuring van de "Akte van tariefpreferenties voor de Andeslanden" door het Congres van de Verenigde Staten, conform de wens van president Bush, als een concrete uiting van de toezegging de drugshandel en het terrorisme gezamenlijk te bestrijden. Deze verklaringen werden trouwens snel in concrete daden omgezet, zoals is gebleken uit het front dat de Unie en de meeste Andeslanden in de zogeheten Groep van 22 hebben gevormd in het kader van de onderhandelingen van Cancún, die uiteindelijk geen resultaat hebben opgeleverd. Het belang van een versterking van de betrekkingen tussen de EU en de Andesgemeenschap neemt ook toe naarmate de pogingen om een zogeheten vrijhandelszone voor Noord- en Zuid-Amerika tot stand te brengen worden geïntensiveerd. Er kan immers geen twijfel over bestaan dat de totstandbrenging van een vrijhandelszone op het Amerikaanse continent (al dan niet rond het jaar 2005, zoals aangekondigd, en indien de huidige verschillen in deze zone op het gebied van landbouwsubsidies en intellectuele eigendom en wat de sociale aspecten betreft worden weggewerkt) de Andeslanden grote voordelen zou opleveren. Het vastlopen van dit initiatief zou nadelig kunnen zijn voor de landen van de Andesgemeenschap, waarvan de meeste zich in dat geval verplicht zouden zien bilaterale handelsakkoorden te sluiten met de Verenigde Staten -die voordat het initiatief werd gelanceerd er nooit een geheim van gemaakt hebben dat zij de voorkeur geven aan deze oplossing-, vanuit een duidelijk inferieure onderhandelingspositie. Het proces van parallelle onderhandelingen dat de Verenigde Staten op 18 november ll. hebben gelanceerd door aan te kondigen dat zij met vier Andeslanden (Colombia, Ecuador, Peru en Bolivia) en met Panama zullen onderhandelen over de sluiting van bilaterale overeenkomsten, dient in die zin te worden geïnterpreteerd.

In het licht daarvan kan alleen maar worden gehoopt dat de Commissie en de Raad van de Europese Unie onverwijld zullen reageren, door vooruit te lopen op de gebeurtenissen en een toekomstvisie te ontwikkelen, waarbij uiterlijk op de 3de Top, die in Mexico plaatsvindt, een datum dient te worden vastgesteld voor het begin van de onderhandelingen over de sluiting van associatieovereenkomsten met de Andesgemeenschap en de landen in Midden-Amerika die "mutatis mutandis" vergelijkbaar zijn met de overeenkomsten die werden gesloten met Mexico en Chili, en met de overeenkomst met Mercosur, die in de maak is, ter voorbereiding van de latere ondertekening van een globale interregionale overeenkomst met het oog op de oprichting van een Europees-Latijns-Amerikaanse vrijhandelszone, als tegenhanger van de Vrijhandelszone van Noord- en Zuid-Amerika, uiterlijk in het jaar 2010, conform de door het Europees Parlement in bovengenoemde resolutie van 15 november 2001 geuite wens.

De nieuwe Overeenkomst inzake politieke dialoog en samenwerking blijft inmiddels beperkt tot deze twee terreinen, ofschoon ze ambieert verder te gaan dan de Kaderovereenkomst voor samenwerking van 1993 en de Verklaring van Rome van 1996. Zij bevat geen bepalingen op handelsgebied. De voornaamste doelstellingen ervan zijn, zoals de Commissie het formuleert: a) het versterken van de betrekkingen tussen de EU en de Andesgemeenschap door ontwikkeling van de politieke dialoog en intensivering van de samenwerking, en b) het scheppen van de voorwaarden voor de totstandbrenging, op basis van de resultaten van het werkprogramma van Doha, van een "haalbare en wederzijds tot voordeel strekkende" (sic) associatieovereenkomst, die tevens een vrijhandelsovereenkomst omvat. Op politiek gebied is de enige echte verdienste van de nieuwe overeenkomst dat zij de politieke dialoog, die tot dusver werd gevoerd op basis van de informele regeling van de Verklaring van Rome van 1996, institutionaliseert. Uit de praktijk zal moeten blijken in hoeverre zij deze dialoog ook werkelijk intensiveert. De clausule van eerbiediging van de democratische beginselen, de mensenrechten en de beginselen van de rechtsstaat is een essentieel element van de overeenkomst, wat trouwens ook reeds het geval was in de overeenkomst van 1993. De agenda voor de politieke dialoog werd aanzienlijk uitgebreid, en tot de mechanismen van de dialoog behoren de organisatie van topbijeenkomsten op het niveau van de staatshoofden en regeringsleiders (indien nodig en met instemming van beide partijen) en bijeenkomsten van ministers, hoge functionarissen en bevoegde diensten. Wat het parlementaire niveau betreft worden het Europees Parlement en het Parlandino er in artikel 52, lid 2 toe aangespoord "in het kader van de overeenkomst en in overeenstemming met het vroegere gebruik een interparlementair comité in te stellen", een niet erg originele formulering, alsof de ontmoetingen die regelmatig tussen beide parlementen plaatsvinden in een bilateraal kader, en sinds 1974 in de context van de interparlementaire conferenties, niet ruim voldoende zijn voor de follow-up van de beperkte effecten van de nieuwe overeenkomst. De voorstellen van het Europees Parlement en van de laatste van de conferenties ter voorbereiding van de 2de Top gingen veel verder en hadden betrekking op de oprichting van een Transatlantische Europees-Latijns-Amerikaanse Vergadering (zie paragraaf 9 en volgende van de resolutie van het Europees Parlement van 15 november 2001). Op het politieke terrein is het meest innoverende van de nieuwe overeenkomst het voorstel tot samenwerking inzake extern beleid en veiligheid, waarbij evenwel slechts in één enkel instrument wordt voorzien, namelijk de eventuele coördinatie van standpunten en het ondernemen van gezamenlijke initiatieven in de relevante internationale fora. De samenwerking waarin in de kaderovereenkomst van 1993 was voorzien wordt versterkt en uitgebreid tot nieuwe terreinen. De nieuwe overeenkomst bevat bepalingen inzake samenwerking op het gebied van mensenrechten, democratie, goed bestuur, conflictpreventie, modernisering van het staatsbestuur en andere overheden, regionale integratie, regionale samenwerking, samenwerking op handelsgebied en op het gebied van diensten, intellectuele eigendom, overheidsopdrachten, het mededingingsbeleid, douane, enz. De bepalingen inzake samenwerking op het gebied van bestrijding van de drugshandel, het witwassen van geld en de daarmee samenhangende georganiseerde criminaliteit, alsmede op het gebied van migratie, verdienen een bijzondere vermelding. Op aandringen van de Unie bevat de nieuwe overeenkomst tevens bepalingen inzake samenwerking op het gebied van bestrijding van terrorisme (artikel 50). De in het voorstel voor een nieuwe overeenkomst opgenomen thema's en terreinen zijn over het algemeen genomen pertinent. Zij zouden moeten worden overgenomen en terdege uitgebreid in de toekomstige associatieovereenkomst, die een vrijhandelsovereenkomst dient te omvatten en waarover zo spoedig mogelijk onderhandelingen dienen te worden aangeknoopt.

3.   Conclusies

1)   De sluiting van de Overeenkomst inzake politieke dialoog en samenwerking tussen de EU en de Andesgemeenschap, waartoe op de 2de Top van Madrid is besloten, en die aanvankelijk niet veel meer tot doel kon hebben dan een herziening en bijwerking van de reeds bestaande bepalingen op grond waarvan de bilaterale betrekkingen tussen beide regio's worden geregeld -de Kaderovereenkomst voor samenwerking van 1993 en de Politieke Verklaring van 1996- is thans vooral een overgangsfase geworden ter voorbereiding van de sluiting van een door de Andeslanden gewenste associatieovereenkomst die een geleidelijke en wederzijdse liberalisering van de handel inhoudt, en die ook de politieke, economische, sociale en handelsbelangen van de Europese Unie in ruime zin zal dienen.

2)   Op de 3de Topbijeenkomst, die in mei 2004 in Mexico plaatsvindt, zou op zijn minst moeten worden getoond dat men in staat is te reageren op de jongste gebeurtenissen in de context van de onderhandelingen van Cancún, en zou eindelijk een datum moeten worden vastgesteld voor het aanknopen van onderhandelingen over de sluiting van associatieovereenkomsten met de Andesgemeenschap en met de landen in Midden-Amerika die "mutatis mutandis" vergelijkbaar zijn met de overeenkomsten die werden gesloten met Mexico en Chili, en met de overeenkomst met Mercosur, die in de maak is, ter voorbereiding van de latere ondertekening van een globale interregionale overeenkomst met het oog op de oprichting van een Europees-Latijns-Amerikaanse vrijhandelszone, uiterlijk in het jaar 2010.

3)   Deze overeenkomsten dienen te voorzien in een model van haalbare en wederzijds tot voordeel strekkende associatieovereenkomst die een echte politieke, economische en ontwikkelingsassociatie impliceert, een vrijhandelsovereenkomst omvat tussen beide regio's en noch expliciet, noch impliciet afhankelijk mag worden gesteld van de afronding van de onderhandelingsronde in het kader van de WTO, met dien verstande dat de resultaten van het werkprogramma van Doha die compatibel zijn met de uiteindelijke doelstelling een associatie EU-Andesgemeenschap en een associatie EU-Midden-Amerika tot stand te brengen, er te zijner tijd in zullen kunnen worden geïntegreerd.

4)   Migratie dient een fundamentele parameter te zijn voor de goedkeuring van de samenwerkingsprogramma's waarin in het kader van de huidige en de toekomstige overeenkomsten wordt voorzien, met name rekening houdend met de problematiek van de kwetsbaarste sectoren van de samenleving, zoals vrouwen, kinderen en inheemse bevolkingen en conform de internationale normen terzake.

5)   De maatregelen waarin de nieuwe overeenkomst voorziet moeten worden geschraagd door voldoende middelen en in elk geval complementair zijn aan de activiteiten van het Biregionaal Solidariteitsfonds waarvan het Europees Parlement in zijn resolutie van 15 november 2001 de oprichting gevraagd heeft, en moeten een substantiële bijdrage leveren aan het mechanisme van financiële solidariteit met het oog op de consolidering van de democratische bestuurbaarheid en de bestrijding van armoede, waarvan de instelling werd voorgesteld in de Verklaring van Guayaquil van juli 2002, in het kader van de 2de bijeenkomst van de presidenten van de Zuid-Amerikaanse staten, een voorstel dat door de staatshoofden en regeringsleiders van de landen van het Permanent Mechanisme voor raadpleging en politiek overleg werd bevestigd in de eenstemmige verklaring van Cusco van mei 2003, in het kader van de 17de Topbijeenkomst van de Groep van Rio.

6)   In het licht van de aanbeveling de politieke en parlementaire dialoog uit te breiden tot de sociale sector, het bedrijfsleven en de vakbonden, en tot de academische en wetenschappelijke wereld, dient de instelling van het in artikel 52 van de overeenkomst bedoelde Gemengd Raadgevend Comité, dat de Commissie moet helpen de dialoog met de georganiseerde civiele samenleving te stimuleren, te worden gesteund, terwijl ernaar moet worden gestreefd, conform artikel 43 van de overeenkomst, waarin "de rol en de potentiële bijdrage van de georganiseerde civiele samenleving in het samenwerkingsproces" wordt erkend en wordt overeengekomen "een effectieve dialoog met de georganiseerde civiele samenleving te stimuleren", formules te definiëren om deze te betrekken bij het bepalen van de interregionale samenwerkingsstrategieën..

7.   In afwachting van de inwerkingtreding van de nieuwe overeenkomsten dient de gunstige handelsregeling waarin in het kader van het stelsel van algemene preferenties voor de Andeslanden en de landen in Midden-Amerika is voorzien (de "SAP drugs"), te worden gehandhaafd.


ADVIES VAN DE COMMISSIE ONTWIKKELINGSSAMENWERKING

3 februari 2004

aan de Commissie buitenlandse zaken, mensenrechten, gemeenschappelijke veiligheid en defensiebeleid

inzake de ondertekening van een overeenkomst inzake politieke dialoog en samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Andesgemeenschap en haar lidstaten, de Republiek Bolivia, de Republiek Colombia, de Republiek Ecuador, de Republiek Peru en de Bolivariaanse Republiek Venezuela, anderzijds

(COM(2003) 695 – C5-0657/2003 – 2003/0268(CNS))

Rapporteur voor advies: Hans Modrow

PROCEDUREVERLOOP

De Commissie ontwikkelingssamenwerking benoemde op haar vergadering van 2 december 2003 Hans Modrow tot rapporteur voor advies.

De commissie behandelde het ontwerpadvies op haar vergadering van 13 januari 2004.

Op 20 januari 2004 hechtte zij met algemene stemmen haar goedkeuring aan de hierna volgende suggesties.

Bij de stemming waren aanwezig: Margrietus J. van den Berg (fungerend voorzitter), Marieke Sanders-ten Holte en Anders Wijkman (ondervoorzitters), Hans Modrow (rapporteur voor advies), Niall Andrews (verving Isabelle Caullery), Jean-Pierre Bebear, John Bowis, John Alexander Corrie, Nirj Deva, Colette Flesch, Michael Gahler (verving Karsten Knolle), Karin Junker, Bashir Khanbhai (verving Luigi Cesaro), Glenys Kinnock, Miguel Angel Martínez Martínez, Linda McAvan, Ulla Margrethe Sandbæk, Karin Scheele (verving Wolfgang Kreissl-Dörfler), Maj Britt Theorin en Jürgen Zimmerling.

KORTE MOTIVERING

Voorwerp van het onderhavige ontwerp voor een overeenkomst zijn de politieke dialoog en de samenwerking, maar niet de handel. Het gaat om een eenvoudige kaderovereenkomst, die in de plaats moet komen van de samenwerkingskaderovereenkomst van 1993. Er is dus niet tegemoet gekomen aan de herhaalde eisen van het Europees Parlement betreffende een associatieovereenkomst. Overeenkomstig artikel 300 EEG-Verdrag wordt het Europees Parlement over dit voorstel slechts geraadpleegd.

Toch valt het te betreuren dat de overeenkomst er vooral op gericht is het politieke kader voor een vrijhandelsovereenkomst te creëren, zonder oog te hebben voor een integrale economische en sociale ontwikkelingsstrategie, met name ter bestrijding van armoede. Op de voorgrond staan thema's die de ontwikkelingslanden op de laatste bijeenkomst van de WTO in Cancún niet wilden behandelen die ertoe neigen nationale soevereiniteitsrechten op het gebied van economisch beleid en ontwikkeling voor een groot deel op te heffen. In het voorstel voor de overeenkomst wordt onvoldoende rekening gehouden met het feit dat bijvoorbeeld met het oog op de instandhouding van het nationale beschikkingsrecht over energiebronnen en grondstoffen en het gebruik daarvan in alle betrokken landen een verbitterde strijd door bevolkingsmeerderheden wordt gevoerd, die reeds tot diverse ernstige uitbarstingen van sociale en politieke ontevredenheid heeft geleid en de bestuurbaarheid van de landen bedreigt. Een op partnerschap gerichte overeenkomst over samenwerking met de Andesregio moet ertoe bijdragen de explosieve politieke en sociale situatie in de regio te ontspannen.

Met het oog op de voorbereidende prestaties die door de landen van de Andesgemeenschap met het oog op een latere associatie- of vrijhandelsovereenkomst moeten worden geleverd, dient de EU ook de nodige maatregelen te treffen om vrijhandelsbetrekkingen die tot wederzijds voordeel strekken mogelijk te maken, bijvoorbeeld intrekking van subsidies voor de landbouw. Zo is ook bv. in artikel 3, lid 2 sprake van te nemen initiatieven in geheel Latijns-Amerika tegen wapenhandel, witwassen van activa, drugshandel en de handel in chemische precursoren voor de drugsproductie, maar niet van overeenkomstige maatregelen in Europa die net zo noodzakelijk zijn. Met name ontbreekt dat de EU begrip opbrengt voor de noodzaak van selectieve beschermingsmaatregelen voor de nationale industrie en de landbouw van de Andeslanden en zulke maatregelen accepteert. Er is niet ingegaan op de kwestie van de schuldenlast van de landen dat een permanente hoge afvloeiing van middelen veroorzaakt en op mogelijke initiatieven van de EU voor schuldsanering.

De vijf betrokken landen gelden volgens de classificatie van het ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties (UNDP) met betrekking tot hun ontwikkeling als opkomende landen, waarbij echter grote verschillen bestaan tussen de afzonderlijke landen. Colombia en Venezuela staan, wat hun ontwikkeling betreft op de eerste en Bolivia op de laatste plaats. Deze indeling als "opkomende landen" versluiert echter het feit dat een groot deel van de bevolking nog altijd in extreme armoede leeft. Zo moet in Colombia 26,5% van de bevolking met minder dan 2 dollar per dag rondkomen; in Peru ligt dit percentage bij 32%; in Venezuela is dat 34,3%, in Bolivia 41,4% en in Ecuador zelfs 52,3%. De welvaartsverschillen zijn in Colombia het grootst: in 1996 nam de armste bevolkingsgroep (10%) 1,1% van het totale verbruik van het land voor zijn rekening en de 10% van de rijkste bewoners van het land 46,1%.

De toegang tot de gezondheidszorg is beperkt en per bevolkingsgroep zeer verschillend. Hoewel de vijf landen die het voorwerp van de overeenkomst zijn in de afgelopen tien jaar aanzienlijke vooruitgang hebben geboekt bij de terugdringing van de zuigelingensterfte, ligt deze in Bolivia nog altijd zeer hoog. HIV/Aids lijkt meer verbreid te zijn dan in andere regio's op de wereld. Er zouden echter betrouwbare statistieken moeten zijn om de werkelijke omvang van het verschijnsel te kunnen beoordelen.

De basisvorming kan in de vijf landen met een alfabetiseringspercentage van meer dan 95% van de 15- tot 24-jarigen bevredigend worden genoemd.

De samenlevingen in de betrokken landen worden bovendien gekenmerkt door conflicten, oorlogen en geweld, die het gevolg zijn van tekortkomingen bij de ontwikkeling van de democratie en de civielrechtelijke inspraakmogelijkheden, etnische discriminatie, de toespitsing van de agrarische kwestie, de problematiek van drugshandel en -verbouw. Vooral de zwakste bevolkingscategorieën, met name autochtone bevolkingsgroepen, hebben daaronder te lijden. Zo heeft de burgeroorlog in Colombia in de afgelopen 15 jaar geleid tot de verdrijving van meer dan 2 miljoen mensen en enorme humanitaire behoeften geschapen. Het is noodzakelijk om sterker te streven naar een oplossing van de gewapende conflicten met politieke middelen en naar herstel van een vrede met sociale gerechtigheid. Daarbij moet ook worden gezorgd voor een succesvolle civiele herintegratie van oud-strijders in juridische en politieke zin, waartoe ook een consequente vervolging van misdrijven tegen de mensenrechten en het beëindigen van straffeloosheid voor misdrijven die door vertegenwoordigers van overheidsorganen worden begaan of door hen worden begunstigd.

Humanitaire noodsituaties zijn ook ontstaan als gevolg van natuurrampen, zoals vulkaanuitbarstingen, die in de regio vaak voorkomen. Zowel met het oog op natuurrampen en de gevolgen daarvan alsook op de interne conflicten moet het accent komen te liggen op preventieve maatregelen.

De Europese Unie en haar lidstaten zijn de belangrijkste donoren in de regio. Het regionale indicatieve programma en de vijf nationale indicatieve programma's zijn in mei 2002 voor de periode 2002-2006 goedgekeurd. De Europese Unie plant voor deze periode een financiële hulp ten bedrage van 420 mln. €. De samenwerking is hoofdzakelijk bedoeld ter bestrijding van armoede, versterking van het openbaar bestuur, bestrijding van drugs en steun aan regionale integratie. Van de in totaal 420 mln. zijn 30 mln. bestemd voor het openbaar bestuur en 50 mln. voor de economische samenwerking. De gecumuleerde steun voor de bestrijding van drugs bedraagt circa 100 mln. €. Een sterkere steun door middel van samenwerkingsprogramma's van de EU dienen projecten van gemeenten te krijgen die gericht zijn op een vrijwillige beperking van de verbouw van drugs, om een tegenwicht te vormen voor de door de VS geëiste besproeiing met chemische en biologische middelen, die rampzalige gevolgen voor de mens en het milieu hebben.

In zijn conclusies beoordeelt de rapporteur voor advies de ontwerpovereenkomst in beginsel als positief maar hij heeft wel kritiek op de bovengenoemde zwakke punten, met name met het oog op de eis van het Europees Parlement betreffende de sluiting van een associatieovereenkomst. Bovendien is het te betreuren dat Commissie en Raad voor de ontwikkelingssamenwerking met Zuid-Amerika geen algemene benadering hebben gekozen.

SUGGESTIES

De Commissie ontwikkelingssamenwerking verzoekt de ten principale bevoegde Commissie buitenlandse zaken, mensenrechten, gemeenschappelijke veiligheid en defensiebeleid de volgende suggesties in haar ontwerpresolutie over te nemen:

1.   stemt principieel in met de inhoud van de ontwerpovereenkomst inzake de politieke dialoog, maar betreurt dat de eis van het Europees Parlement om een associatieovereenkomst op te stellen, die gericht is op een grotere samenwerking tussen de partners in de richting van een duurzame, integrale ontwikkelingsstrategie en een verdieping van de economische, sociale en culturele integratie van de betrokken samenlevingen, niet werd opgevolgd; verzoekt de staatshoofden en regeringsleiders die in het voorjaar van 2004 aan de Top van Mexico deelnemen zich te verplichten tot een associatieovereenkomst overeenkomstig de wensen van het Europees Parlement;

2.   betreurt dat Commissie en Raad voor de ontwikkelingssamenwerking met Zuid-Amerika geen algemene opzet hebben gekozen; verzoekt de Commissie en Raad de integratie van het Zuid-Amerikaanse continent conform de eigen constructieve inspanningen van deze landen te steunen;

3.   betreurt dat bij de mechanismen van de politieke dialoog in artikel 4 van de ontwerpovereenkomst geen verwijzing is opgenomen naar de parlementen en het maatschappelijk middenveld en verzoekt de Raad en de Commissie deze voortaan bij het proces ter verwezenlijking van de overeenkomst adequaat te betrekken;

4.   verzoekt de Commissie in het kader van het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid van de Europese Unie het van de macht onafhankelijke maatschappelijk middenveld, met inbegrip van de vakbondsorganisaties meer bij de omzetting van de nationale indicatieve programma's te betrekken om ook op deze wijze een bijdrage te leveren aan de instandhouding van de mensenrechten en de versterking van de democratie;

5.   onderstreept het belang van de politieke dialoog tussen de EU en de Andesregio en wijst erop dat het voorkomen van en een politieke oplossing voor conflicten in de regio, verlaging van de defensieuitgaven en waarborging van de mensenrechten daarbij een grotere rol moeten spelen;

6.   is van mening dat de definitie van artikel 3, lid 2 te beperkt is en dat ook geopolitieke en militaire kwesties, met inbegrip van de kwestie van de militaire aanwezigheid van derde landen in de regio deel moeten uitmaken van de politieke dialoog;

7.   acht het noodzakelijk erop te wijzen dat de samenwerking van de EU met de landen van de Andesgemeenschap op het gebied van de drugsbestrijding niet is gebaseerd is op de strategie van de besproeiing met chemische middelen en militarisering, maar op economische en sociaal duurzame alternatieve programma's voor de kleine boeren waartoe ook de maatschappelijke inspanningen van de gemeenten om op basis van vrijwilligheid een eind te maken aan de aanplant van drugs, behoren; onderstreept in dit verband de noodzaak om het scala van producten dat valt onder het stelsel van algemene preferenties - opgezet om de Europese markt open te stellen voor producten uit derde landen en van groot belang in het kader van het handelsverkeer tussen de Unie en de Andesgemeenschap - zoveel mogelijk uit te breiden met het oog op de versterking ervan als sleutelelement in de strijd tegen de productie van verdovende middelen;

8.   wijst erop dat in de Andeslanden, hoewel zij uit het oogpunt van ontwikkeling als opkomende landen gelden, nog altijd aanzienlijke problemen op het gebied van de sociale samenhang en de verdeling van de hulpbronnen bestaan en dat een groot deel van de bevolking nog altijd in extreme armoede leeft; betreurt dat de kwestie van de sociale gerechtigheid in de overeenkomst niet wordt genoemd; verzoekt de Raad en de Commissie in dit verband te blijven streven naar schuldsanering van de landen om middelen voor de bestrijding van armoede ter beschikking te krijgen;

9.   betreurt dat de in de overeenkomst genoemde samenwerking op het gebied van het toerisme te eenzijdig economisch is georiënteerd en dat aspecten, zoals culturele uitwisseling en begrip tussen volkeren niet meer op de voorgrond worden geplaatst;

10.   is ingenomen met het feit dat in het voorstel voor een overeenkomst aandacht wordt geschonken aan de specifieke behoeften van de autochtone bevolking en aan het feit dat deze gemeenschappen bijzonder getroffen worden door armoede; herinnert eraan dat de jongste gebeurtenissen in Bolivia in eerste instantie het gevolg zijn van het feit dat grote delen van de Boliviaanse samenleving, zoals de Aymara- en Quechua-Indianen, uitgesloten zijn van het politieke en economische leven; is met name verheugd over de door partijen aangegane verplichting de specifieke situatie van de inheemse groepen als transversaal sleutelelement op te nemen in de uitwerking van hun samenwerkingsbeleid alsook over de vermelding van het belang van de bijdrage aan het creëren van partnerschappen met de inheemse volken in het kader van de bevordering van de doelstellingen op het gebied van armoedebestrijding, duurzaam beheer van de natuurlijke hulpbronnen en eerbiediging van de mensenrechten en de democratie;

11.   verzoekt de Europese Unie met klem aan te dringen op nakoming van de verplichtingen die door de Colombiaanse regering op de internationale conferentie van Londen in 2003 zijn aangegaan met betrekking tot het verdere streven naar een oplossing van het conflict in het land en op uitvoering van de aanbevelingen van de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten en de bescherming van de mensenrechtenactivisten;

12.   spreekt eveneens zijn bezorgdheid uit over de veiligheid van de Cacarica-gemeenschappen in Colombia;

13.   verzoekt de partijen van de overeenkomst de samenwerking op het gebied van natuurrampen in de ontwerpovereenkomst te versterken - als aanvulling op de activiteiten van ECHO op het gebied van de humanitaire hulp en van DIPECHO op het gebied van rampenpreventies - om beter gewapend te zijn tegen rampen, zoals de uitbarsting van de vulkaan El Reventador in Ecuador in november 2002;

14.   is ten aanzien van artikel 49, lid 3 van de ontwerpovereenkomst betreffende de illegale migratie van mening dat ontwikkelingshulp in geen enkel geval mag worden gekoppeld aan de verplichting om illegale migranten over te nemen;

15.   verzoekt de Commissie de nodige maatregelen te overwegen om ervoor te zorgen dat de enorme geldstromen in de vorm van overmakingen van immigranten die op het grondgebied van de Europese Unie leven en werken ten goede komen aan de ontwikkeling van hun landen van herkomst en niet aan onredelijke bankvoorwaarden worden onderworpen;

16.   verzoekt de Raad en de Commissie de invloed van de EU aan te wenden voor ondersteuning van de vredes- en verzoeningsprocessen in de regio en voor passende politieke, juridische en sociale maatregelen met het oog op de herintegratie van voormalige gewapende strijders in het civiele leven, maar ook aan te dringen op een consequente strafrechtelijke vervolging van schendingen van de mensenrechten als voorwaarde voor verzoening en versterking van de democratie;

17.   dringt er bij de Raad en de Commissie op aan de druk op alle niveaus op te voeren en alle hen ten dienste staande middelen te gebruiken om de vrijlating te eisen van de voormalige Colombiaanse presidentskandidate Ingrid Betancourt die sinds 23 februari 2002 wordt vastgehouden door de FARC, hetgeen in flagrante strijd is met het beginsel van de rechtsstaat en het democratisch pluralisme;

18.   begroet het in artikel 50 van de ontwerpovereenkomst genoemde doel om terrorisme te bestrijden maar waarschuwt tegen een mogelijk misbruik van het begrip "terroristische groepering", die zou kunnen worden gebruikt tegen de politieke oppositie of tegen vakbondsorganisaties, en stelt vast dat waarborging van de elementaire politieke en sociale rechten en van de onafhankelijkheid van justitie, alsmede de handhaving van de democratische beginselen onmisbaar blijven.


ADVIES VAN DE COMMISSIE INDUSTRIE, EXTERNE HANDEL, ONDERZOEK EN ENERGIE

18 februari 2004

aan de Commissie buitenlandse zaken, mensenrechten, gemeenschappelijke veiligheid en defensiebeleid

inzake het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de sluiting van een overeenkomst inzake politieke dialoog en samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten enerzijds en de Andesgemeenschap en haar lidstaten, de Republiek Chili, de Republiek Colombia, de Republiek Ecuador, de Republiek Peru en de Bolivariaanse Republiek Venezuela, anderzijds

(COM(2003) 695 – C5-0657/2003 – 2003/0268(CNS))

Rapporteur voor advies: Ana Miranda de Lage

PROCEDUREVERLOOP

De Commissie industrie, externe handel, onderzoek en energie benoemde op haar vergadering van 16 december 2003 Ana Miranda de Lage tot rapporteur voor advies.

De commissie behandelde het ontwerpadvies op haar vergaderingen van 20 januari, 26 januari en 18 februari 2004.

Op laatstgenoemde vergadering hechtte zij met 35 stemmen voor en 2 tegen haar goedkeuring aan de hierna volgende suggesties.

Bij de stemming waren aanwezig: Luis Berenguer Fuster (voorzitter), Peter Michael Mombaur (ondervoorzitter), Jaime Valdivielso de Cué (ondervoorzitter), Ana Miranda de Lage (rapporteur voor advies), Gordon J. Adam (verving Imelda Mary Read), Per-Arne Arvidsson (verving Bashir Khanbhai), Sir Robert Atkins, Guido Bodrato, Felipe Camisón Asensio (verving Concepció Ferrer), Marie-Françoise Duthu (verving Claude Turmes, overeenkomstig artikel 153, lid 2 van het Reglement), Giles Bryan Chichester, Nicholas Clegg, Francesco Fiori (verving Paolo Pastorelli), Neena Gill (verving Gary Titley), Michel Hansenne, Hans Karlsson, Bernd Lange (verving Norbert Glante), Rolf Linkohr, Eryl Margaret McNally, Erika Mann, Elizabeth Montfort, Bill Newton Dunn (verving Willy C.E.H. De Clercq), Angelika Niebler, Giuseppe Nisticò (verving Umberto Scapagnini), Seán Ó Neachtain, Reino Paasilinna, Fernando Pérez Royo (verving Harlem Désir, overeenkomstig artikel 153, lid 2 van het Reglement), Elly Plooij-van Gorsel, Godelieve Quisthoudt-Rowohl, Alexander Radwan (verving Paul Rübig), Konrad K. Schwaiger, Esko Olavi Seppänen, W.G. van Velzen, Alejo Vidal-Quadras Roca, Myrsini Zorba en Olga Zrihen Zaari.

De Commissie industrie, externe handel, onderzoek en energie verzoekt de ten principale bevoegde Commissie buitenlandse zaken, mensenrechten, gemeenschappelijke veiligheid en defensiebeleid het sluiten van de overeenkomst goed te keuren.

BEKNOPTE MOTIVERING

De overeenkomst inzake politieke dialoog en samenwerking tussen de Europese Unie en de landen van het Andespact betekent een kwalitatieve sprong in de betrekkingen tussen de twee partijen, die nu op twee pijlers berusten: de in 1993 ondertekende raamovereenkomst inzake samenwerking die in 1998 in werking is getreden en de drugsregeling, op grond waarvan naast de algemene regeling extra tariefvoordelen worden toegekend om de vervanging van de verbouw van coca door andere teelten te bevorderen en het pakket van landbouwproducten bestemd voor de export uit te breiden.

Hoewel op de top van Madrid in mei 2002 geen onderhandelingsmandaat voor het sluiten van een associatieovereenkomst is verleend tot grote teleurstelling bij de betrokken landen, werd de weg geopend voor een nieuwe verhouding volgens de beginselen en doelstellingen die duidelijk zijn samengevat in artikel 2, lid 3 van de overeenkomst. Hier staat dat het doel is "te werken aan de totstandkoming van voorwaarden om, op basis van de resultaten van het werkprogramma van Doha, dat zij volgens hun verbintenis uiterlijk einde 2004 zullen afronden, een haalbare en wederzijds tot voordeel strekkende associatieovereenkomst tot stand te brengen, die tevens een vrijhandelsovereenkomst omvat". De doelstelling wordt dus gehandhaafd, zij het op langere termijn.

De onderhavige overeenkomst moet dus voorwaarden scheppen voor het sluiten van een associatieovereenkomst. Daartoe worden nieuwe instrumenten voorgesteld om de regionale integratie te bevorderen en de betrekkingen tussen de partijen te versterken.

De Europese Unie is de op een na grootste handelspartner van de Latijns-Amerikaanse landen, hoewel de handelsstromen op dit moment bescheiden zijn. De handel met dit gebied vormt slechts 6% van onze uitvoer en 5% van onze invoer. Voor de regio van de Andeslanden is het percentage 0,8% voor de invoer en 0,7% voor de uitvoer in het jaar 2000 (bron Eurostat). Als we naar de producten kijken dan bestaat de uitvoer voor 19% uit aardolie, 11% uit steenkool en 12% uit fruit en groente.

De overeenkomst heeft, zoals gezegd, ten doel de regionale integratie te bevorderen en de rechtsstaat te consolideren en wel met verschillende instrumenten. Er zij aan herinnerd dat enkele van deze landen herstellende zijn van ernstige en langdurige conflicten en dat een land als Colombia, waarschijnlijk het rijkste land van de Andesgroep, zeer ernstige problemen kent, wat betekent dat het terugdringen van de armoede en het op gang brengen van de politieke dialoog voorop moet staan.

Op middellange termijn lijkt regionale integratie de beste vooruitzichten op groei te bieden. Zoals uit de bovengenoemde cijfers is af te leiden, zijn de verschillen tussen de diverse economieën weliswaar zeer groot maar dit hoeft geen belemmering te vormen, zoals het voorbeeld van Chili heeft laten zien. Versterking van de integratie en de vorming van een douane-unie zouden bilaterale zowel als multilaterale associatieovereenkomsten alleen maar versterken.

Dit kan een positieve uitwerking hebben op het huidige standpunt van de EU zodat het einddoel van associatie binnen redelijke tijd bereikt kan worden.

Onder de gebieden voor samenwerking die onze commissie nauwer raken noemen we samenwerking op handelsgebied, mededingingsbeleid, industriële samenwerking en ontwikkeling van het midden- en kleinbedrijf, zoals genoemd in de artikelen 11 tot 21 en 36 betreffende samenwerking inzake wetenschap, technologie en onderzoek.

Blijft over de altijd weer hachelijke kwestie van de geldmiddelen die ingezet kunnen worden om de doeleinden van de overeenkomst te verwezenlijken, want een financieel memorandum ontbreekt. Zowel de EIB als de IBWO hebbend de laatste tien jaar leningen verstrekt aan bedrijven en openbare investeringsprojecten. Als regionale integratie het doel is, dan moeten projecten met een regionaal karakter prioriteit krijgen, zoals verbetering van de infrastructuur en de openbare voorzieningen, wegen, energie en bovendien onderwijs, gezondheidszorg en de nieuwe technologieën.

CONCLUSIES

1.   De sluiting van een nieuwe overeenkomst voor politieke samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en de Andesgemeenschap is een goed middel om de vaststelling van een toekomstige associatie voor te bereiden die de bestaande betrekkingen met deze landen en met Chili en Mexico zal uitbreiden totdat in 2010 een Europees-Latijns-Amerikaanse vrijhandelszone ingesteld zal zijn.

2.   De Derde Topontmoeting EU-Latijns-Amerika en het Caribisch gebied die in mei 2004 in Guadalajara, Mexico gehouden zal worden, is een uitstekende gelegenheid om de betrekkingen met al onze Latijns-Amerikaanse partners aan te halen en een tijdpad vast te stellen voor onderhandelingen over een associatieovereenkomst, zoals uiteengezet in artikel 2, lid 1 van de overeenkomst inzake politieke dialoog en samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten en de Andesgemeenschap en haar lidstaten.

3.   De Commissie industrie, externe handel, onderzoek en energie van het Europees Parlement verwelkomt Verordening (EG) nr. 2211/2003 van de Raad van 15 december 2003 waarbij de drugsregeling tot 31 december 2005 wordt gehandhaafd en wenst dat geen van de huidige begunstigden daarvan wordt uitgesloten, ook niet als de parameters om voor de regeling in aanmerking te komen worden overschreden. Het verdwijnen van de regeling zou onmiddellijk ten koste gaan van het exportvermogen van het land of de landen die worden uitgesloten en zich goed gedragen en in het voordeel zijn van landen die minder strikt zijn of op dit moment meer moeite hebben om hun toezeggingen inzake bestrijding van de drugshandel gestand te doen.

4.   Wij verzoeken het DG handel van de Commissie om duidelijkheid over de data te verschaffen in het licht van de vertraging die is opgetreden bij de onderhandelingen over de Doha-agenda voor ontwikkeling. Doel van de nieuwe overeenkomst is het aanhalen van de betrekkingen tussen de EU en de Andeslanden. Opneming van een voorwaardelijkheidsclausule en uitbreiding van de politieke dialoog zijn twee kernpunten van de overeenkomst. In de regio heerst echter nog geen maatschappelijke vrede, maar er zijn tal van conflicten. De armoede is niet afgenomen, wat een bedreiging voor de democratie vormt. Nauwere betrekkingen tussen beide regio's alsook een klimaat van grotere rust en veiligheid in het Andesgebied zal leiden tot meer investeringen en diversificatie van de productie. Handhaving van de kredieten voor het midden- en kleinbedrijf kan de sociale stabiliteit versterken en ervoor zorgen dat dergelijke bedrijven extra banen scheppen.

5.   Wenst dat het besluit om te onderhandelen over een vrijhandelsovereenkomst EU‑Andeslanden niet ondergeschikt wordt gemaakt aan de afronding van de onderhandelingen in het kader van de WTO-ronde.

Laatst bijgewerkt op: 8 maart 2004Juridische mededeling