Procedure : 2007/2252(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A6-0260/2008

Ingediende teksten :

A6-0260/2008

Debatten :

PV 04/09/2008 - 4
CRE 04/09/2008 - 4

Stemmingen :

PV 04/09/2008 - 7.9
CRE 04/09/2008 - 7.9
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P6_TA(2008)0410

VERSLAG     
PDF 181kWORD 93k
18 juni 2008
PE 404.442v02-00 A6-0260/2008

over "Tussentijdse evaluatie van het Europees actieplan voor milieu en gezondheid 2004-2010"

(2007/2252(INI))

Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid

Rapporteur: Frédérique Ries

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over de tussentijdse evaluatie van het Europees actieplan voor milieu en gezondheid 2004-2010

(2007/2252(INI))

Het Europees Parlement,

–   gezien de mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement en het Europees Economisch en Sociaal Comité over de tussentijdse evaluatie van het Europees actieplan voor milieu en gezondheid 2004-2010 (COM(2007)0314),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 23 februari 2005 over het Europees actieplan voor milieu en gezondheid 2004-2010(1),

–   gezien het verslag van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) van 27 juli 2007 getiteld "Principles for evaluating health risks in children associated with exposure to chemicals" (Principes voor de beoordeling van de gezondheidsrisico's voor kinderen bij blootstelling aan chemische stoffen),

–   gelet op artikel 152 en 174 van het EG-Verdrag over een betere bescherming van de volksgezondheid en het milieu,

–   gezien Besluit nr. 1350/2007/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2007 tot vaststelling van een tweede communautair actieprogramma op het gebied van gezondheid (2008-2013)(2),

–   gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A6-0260/2008),

A. overwegende dat het met belangstelling vaststelt dat de Europese Unie haar beleid inzake bescherming van de gezondheid sinds 2003 baseert op een nauwere samenwerking tussen de gezondheids-, milieu- en onderzoekssector, hetgeen hoop geeft dat er op termijn een coherente en geïntegreerde Europese strategie voor een gezond milieu zal worden ingevoerd,

B.  overwegende dat de werkzaamheden die de Unie momenteel verricht in het kader van haar eerste Actieplan voor milieu en gezondheid (2004-2010) (COM(2004)0416), te weten de indicatoren voorbereiden, het geïntegreerde toezicht ontwikkelen, relevante gegevens verzamelen en beoordelen en het onderzoek opdrijven, een beter inzicht zullen geven in de interactie tussen de bronnen van de verontreiniging en de gevolgen voor de gezondheid, maar duidelijk niet volstaan voor een terugdringing van het toenemende aantal ziekten die door milieufactoren worden veroorzaakt,

C. overwegende dat het nagenoeg onmogelijk is een tussentijdse balans op te maken van het voornoemde actieplan, aangezien het geen welomlijnde en in cijfers uitgedrukte doelstelling nastreeft en het bovendien moeilijk te bepalen is welk algemeen budget eraan is toegekend en het budget absoluut onvoldoende is voor een efficiënte promotie,

D. overwegende dat het programma Volksgezondheid (2008-2013) met name gericht is op de traditionele gezondheidsbepalende factoren, zijnde voeding, roken, alcohol- en druggebruik, en het huidige actieplan (2004-2010) zich zou moeten concentreren op bepaalde nieuwe gezondheidsuitdagingen, en bepaalde milieufactoren die schadelijk zijn voor de volksgezondheid, zou moeten onderzoeken, zoals de kwaliteit van de buiten- en binnenlucht, elektromagnetische golven, nanodeeltjes en zeer zorgwekkende chemische stoffen (stoffen die als kankerverwekkend, mutageen of giftig voor de voortplanting zijn ingedeeld (CMR's), hormoonontregelaars), alsook op de gezondheidsrisico’s door de klimaatverandering,

E.  overwegende dat ademhalingsziekten in de Europese Unie de tweede plaats innemen wat betreft doodsoorzaak, frequentie, prevalentie en kosten, dat ze de belangrijkste doodsoorzaak zijn bij kinderen van jonger dan 5 jaar en dat ze zich blijven ontwikkelen, met name door de verontreiniging van de buiten- en binnenlucht,

F.  overwegende dat luchtvervuiling, en in het bijzonder vervuiling door fijne deeltjes en ozon in de troposfeer, een aanzienlijke bedreiging vormt voor de gezondheid, dat dit schadelijk is voor de ontwikkeling van kinderen en dat dit de levensverwachting in de Unie doet dalen(3),

G. overwegende dat, in het kader van stedelijke milieugezondheid en in het bijzonder de kwaliteit van binnenlucht, de Gemeenschap, met inachtneming van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid, meer moet ondernemen om verontreiniging binnenshuis te bestrijden, aangezien de Europese burger gemiddeld 90% van zijn tijd binnenshuis doorbrengt,

H. overwegende dat de ministerconferenties van de WHO in 2004 en 2007 over milieu en gezondheid de nadruk hebben gelegd op het verband tussen de complexe gecombineerde invloed van verontreinigende chemische stoffen en een aantal chronische stoornissen en ziekten, met name bij kinderen; overwegende dat deze bekommernissen ook terug te vinden zijn in de officiële documenten van het Milieuprogramma van de Verenigde Naties (UNEP) en het Intergouvernementele Forum voor de veiligheid van chemische stoffen (IFCS),

I.   overwegende dat wetenschappers steeds beter kunnen aantonen dat blaas-, bot-, long-, huid- en borstkanker en andere vormen van kanker niet alleen worden veroorzaakt door de gevolgen van chemische stoffen, straling en deeltjes in de lucht, maar ook door andere milieufactoren,

J.   overwegende dat er naast deze problematische ontwikkelingen op het gebied van milieugezondheid de laatste jaren nieuwe ziekten of ziektesyndromen zijn opgedoken, bijv. het syndroom van de meervoudige chemische overgevoeligheid (MCSS, Multiple Chemical Sensitivity Syndrome), het syndroom van de tandheelkundige amalgamen, de overgevoeligheid voor elektromagnetische stralen, de kantoorziekte of de aantasting van de aandacht en hyperkinetisch gedrag (ADHD, Attention Deficit and Hyperactivity Disorder) bij kinderen,

K. overwegende dat het voorzorgsbeginsel sinds 1992 uitdrukkelijk is opgenomen in het Verdrag; dat het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen herhaaldelijk heeft gepreciseerd dat de inhoud en de draagwijdte van het beginsel in het Gemeenschapsrecht een van de grondslagen is van het beschermingsbeleid dat de Gemeenschap voert op het gebied van milieu en gezondheid(4),

L.  overwegende dat de criteria die de Commissie in haar mededeling van 2 februari 2000 over het voorzorgsbeginsel (COM(2000)0001) noemt voor de toepassing van het voorzorgsbeginsel, een bijzonder dwingend karakter hebben en zelfs niet haalbaar zijn,

M. overwegende dat het belangrijk is biomonitoring bij de mens toe te passen om de graad van blootstelling van de Europese bevolking aan de gevolgen van verontreiniging te evalueren en gezien de wil, door het Parlement verscheidene malen geuit, in punt 3 van zijn voornoemde resolutie van 23 februari 2005 en opgenomen in de conclusies van de Milieuraad van 20 december 2007, om spoed te zetten achter de invoering van een programma voor biomonitoring op EU-niveau,

N. overwegende dat algemeen erkend is dat de klimaatverandering een belangrijke rol kan spelen in de toename van de ernst en de frequentie van bepaalde ziekten en vooral dat de frequentie van hittegolven, overstromingen en bosbranden, de meest frequente natuurrampen in de EU, kan leiden tot bijkomende ziekten, slechte hygiënische omstandigheden en sterfgevallen, terwijl tegelijkertijd ook erkend is dat maatregelen om de klimaatverandering in te perken, positieve gevolgen hebben op de gezondheid,

O. overwegende dat de klimaatverandering belangrijke gevolgen zal hebben voor de gezondheid van de mens omdat onder andere bepaalde besmettelijke en parasitaire ziekten zich zullen ontwikkelen bij temperatuur- en vochtigheidsveranderingen en gevolgen zullen hebben voor ecosystemen, dieren, planten, insecten, parasieten, protozoa, microben en virussen,

P.  overwegende dat Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid(5) en de dochterrichtlijnen duidelijke bepalingen bevatten over het behoud en het herstel van schoon water,

Q. overwegende dat milieugeneeskunde een nieuwe medische discipline is die is gebaseerd op een nog te sterk gefragmenteerde universitaire opleiding, die verschilt van lidstaat tot lidstaat, en zij daarom moet worden gesteund en bevorderd binnen de Unie,

R.  overwegende dat steeds meer mensen lijden onder de gevolgen van milieufactoren en dat een epidemiologische inventaris zou moeten worden opgemaakt om de ziekten in kaart te kunnen brengen die geheel of gedeeltelijk door milieufactoren worden veroorzaakt,

1.  erkent de inspanningen die de Commissie heeft gedaan sinds de start van het actieplan in 2004, hoofdzakelijk op het gebied van de verbetering van de informatieketen met betrekking tot milieu en gezondheid, de integratie en uitbreiding van EU-onderzoek naar milieu en gezondheid en de samenwerking met gespecialiseerde internationale organisaties als de WHO;

2.  is echter van mening dat een dergelijk actieplan de kiem van een halve mislukking in zich draagt, aangezien het alleen bedoeld is ter begeleiding van de bestaande communautaire beleidsvoering, het niet berust op een preventiebeleid ter vermindering van ziekten die worden veroorzaakt door milieufactoren en het geen welomlijnde en in cijfers uitgedrukte doelstelling nastreeft;

3.  vestigt de aandacht van de Commissie op het feit dat onder auspiciën van de WHO al een programma werd uitgevoerd waarbij de lidstaten van de WHO hun eigen nationale en plaatselijke milieugezondheidsactieplannen hebben opgesteld met specifieke doelstellingen en uitvoeringsplannen; beveelt derhalve de Commissie aan om dit WHO-programma opnieuw te bekijken als een mogelijk model dat de Unie in de toekomst ook als nuttig voorbeeld kan nemen;

4.  betreurt ten zeerste dat de Commissie, en meer bepaald haar directoraat-generaal Onderzoek, niet heeft gezorgd voor een adequate financiering voor biomonitoring bij de mens voor het jaar 2008, ten einde een coherente benadering van biomonitoring in de Unie in te voeren, zoals ze beloofd had aan de lidstaten en het Parlement;

5.  verzoekt de Commissie tevens tegen 2010 te voldoen aan twee essentiële doelstellingen die ze zichzelf gesteld heeft in 2004 en een uitvoerbare communicatiestrategie op te stellen en toe te passen voor deze doelstellingen, zijnde enerzijds het sensibiliseren van de burgers voor milieuvervuiling en de gevolgen ervan voor hun gezondheid en anderzijds het evalueren en aanpassen van het Europese beleid inzake risicovermindering;

6.  beveelt de Commissie en de lidstaten sterk aan hun verplichtingen inzake de toepassing van de communautaire wetgeving na te komen;

7.  benadrukt dat bij de evaluatie van de gevolgen van milieufactoren voor de gezondheid eerst en vooral rekening moet worden uitgegaan van kwetsbare groepen zoals zwangere vrouwen, pasgeboren baby’s, kinderen en bejaarden;

8.  roept op om in het bijzonder rekening te houden met kwetsbare groepen die het gevoeligst zijn voor verontreinigende stoffen door, dankzij de goedkeuring van gezonde praktijken inzake binnenluchtkwaliteitsbeheer, maatregelen in te voeren die de blootstelling aan verontreinigende stoffen in binnenmilieus in de gezondheidssector en in het onderwijs beperken;

9.  dringt er bij de Commissie op aan om bij de herziening van de huidige wetgeving, deze wetgeving onder invloed van lobby’s of regionale of internationale organisaties niet te verzwakken;

10. wijst er andermaal op dat de Unie steeds voor een dynamische en flexibele benadering van het actieplan moet kiezen; acht het daarom belangrijk dat zij zich specifieke deskundigheid op het gebied van milieugezondheid eigen maakt die berust op een transparante en multidisciplinaire aanpak met hoor en wederhoor en aldus een antwoord biedt op het wantrouwen van het publiek in het algemeen ten opzichte van agentschappen en officiële comités van deskundigen; wijst op het belang van een betere opleiding van gezondheidsdeskundigen met name door middel van een uitwisseling van beste praktijken op communautair niveau;

11. benadrukt dat er de laatste jaren werkelijk vooruitgang is geboekt op het gebied van het milieubeleid, bijvoorbeeld wat betreft de vermindering van de luchtverontreiniging, de verbetering van de waterkwaliteit, het beleid inzake afvalinzameling en -recycling, de controle van chemische stoffen en het verbod op loodhoudende benzine, maar stelt tegelijkertijd vast dat het Europese beleid gekenmerkt blijft door het gebrek aan een algemene en preventieve strategie en het achterwege blijven van de toepassing van het voorzorgsbeginsel;

12. verzoekt de Commissie derhalve de criteria die zijn opgenomen in haar voornoemde mededeling over het voorzorgsbeginsel, te herzien in het licht van de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, zodat het beginsel van actie en veiligheid, gebaseerd op de goedkeuring van voorlopige en evenredige maatregelen, centraal komt te staan in het communautaire beleid inzake gezondheid en milieu;

13. is van mening dat de omkering van de bewijslast, waarbij de producent of importeur moet bewijzen dat het product onschadelijk is, de bevordering van een op preventie gebaseerd beleid mogelijk zou maken, zoals overigens ook bepaald in Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen(6), en moedigt de Commissie in dit opzicht aan deze verplichting uit te breiden tot de Gemeenschapswetgeving voor alle producten; is van mening dat een toename van dierproeven in het kader van het actieplan moet worden voorkomen en dat veel aandacht moet worden besteed aan de ontwikkeling en de toepassing van alternatieve methodes;

14. herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om zo snel mogelijk concrete maatregelen over de binnenluchtkwaliteit voor te stellen voor een betere bescherming van de veiligheid en gezondheid van binnenmilieus, vooral bij het herzien van Richtlijn 89/106/EEG van de Raad van 21 december 1988 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake voor de bouw bestemde producten(7), en om maatregelen voor te stellen om de energie-efficiëntie van gebouwen, alsmede de veiligheid en onschadelijkheid van chemische elementen die worden gebruikt bij de constructie van uitrusting en meubilair, te verhogen;

15. adviseert de Commissie, teneinde de schadelijke gevolgen van het milieu voor de gezondheid te verminderen, de lidstaten op te roepen om de marktspelers via belastingvoordelen en/of andere economische stimuleringsmaatregelen ertoe aan te zetten in hun gebouwen, vestigingen en kantoren de kwaliteit van de binnenlucht te verbeteren en de blootstelling aan elektromagnetische straling te beperken;

16. adviseert de Commissie gepaste minimumeisen in te voeren om de kwaliteit van binnenlucht in nieuwbouw te garanderen;

17. adviseert de Commissie om bij de toekenning van individuele Europese steun bij de betreffende projecten, naast de aandacht voor milieubeschermingscriteria, ook te letten op de kwaliteit van de binnenlucht, de blootstelling aan elektromagnetische straling en de gezondheid van bepaalde kwetsbare groepen;

18. dringt aan op het uitwerken van milieukwaliteitsnormen voor prioritaire stoffen in water overeenkomstig de laatste wetenschappelijke bevindingen en deze normen regelmatig aan te passen aan nieuwe wetenschappelijke kennis;

19. wijst erop dat bepaalde lidstaten met succes mobiele analyselaboratoria of "milieuambulances" hebben ingevoerd, om snel en betrouwbaar een diagnose te maken van de verontreiniging van het binnenmilieu in openbare en privé-gebouwen; is van mening dat de Commissie deze praktijk zou kunnen bevorderen bij de lidstaten die nog niet beschikken over dit middel om direct in te grijpen op de verontreinigde site;

20. drukt zijn bezorgdheid uit over de gebrekkige specifieke wettelijke bepalingen inzake de veiligheid van verbruiksgoederen die nanodeeltjes bevatten en over de passieve houding van de Commissie, die de regelgevingen voor het gebruik van nanodeeltjes in verbruiksgoederen zou moeten herzien, aangezien verbruiksgoederen met nanodeeltjes in steeds grotere hoeveelheden op de markt worden gebracht;

21. is diep onder de indruk van het internationale rapport Bio-Initiative(8) over elektromagnetische velden, dat een synthese is van meer dan 1.500 studies ter zake en waarin in de conclusies gewezen wordt op de gezondheidsgevaren van de stralingen van mobiele telefonie, zoals gsm's, UMTS-Wifi-Wimax-Bluetooth en draagbare telefoons met een vast basisstation (DECT-telefoons);

22. stelt vast dat de limieten voor blootstelling van de bevolking aan elektromagnetische velden verouderd zijn, aangezien ze niet meer aangepast zijn sinds Aanbeveling 1999/519/EG van de Raad van 12 juli 1999 betreffende de beperking van blootstelling van de bevolking aan elektromagnetische velden van 0 Hz tot 300 GHz(9), dat in deze limieten uiteraard geen rekening is gehouden met de ontwikkeling van de informatie- en communicatietechnologieën noch met de aanbevelingen van het Europees Milieuagentschap of de strengere emissienormen die bijvoorbeeld in België, Italië en Oostenrijk zijn opgelegd, en dat er niets is ondernomen voor kwetsbare groepen zoals zwangere vrouwen, pasgeboren baby's en kinderen;

23. neemt de meervoudige gezondheidsbedreigingen die gepaard gaan met de opwarming van het klimaat op het grondgebied van de Unie zeer ernstig op en roept op tot een versterkte samenwerking tussen de WHO, de nationale controle-instanties, de Commissie en het Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding teneinde het systeem voor vroegtijdige waarschuwing te versterken en zo de negatieve gevolgen van de klimaatverandering voor de gezondheid te beperken;

24. benadrukt dat het een goede zaak zou zijn om dit actieplan te verruimen tot de schadelijke gevolgen van de klimaatverandering voor de volksgezondheid door de nodige doeltreffende aanpassingsmaatregelen op communautair niveau uit te werken. Deze maatregelen kunnen bestaan uit:

     - systematische voorlichting van de bevolking en bewustwordingsprogramma’s;

     - de integratie van aanpassingsmaatregelen inzake klimaatverandering in volksgezondheidsstrategieën en -programma’s op het gebied van bijvoorbeeld besmettelijke en niet-besmettelijke ziekten, gezondheid op het werk en dierziektes die schadelijk zijn voor de volksgezondheid;

     - goede controle waardoor de uitbraak van een ziekte vroegtijdig kan worden onderkend;

     - alarm- en reactiesystemen op het gebied van gezondheid;

     - coördinatie tussen bestaande milieucontrolenetwerken en netwerken voor uitbraak van ziekten;

25. betreurt dat bij de laatste kosten-batenanalyse "Naar 20-20 in 2020 – Kansen van klimaatverandering voor Europa" (COM(2008)0030) enkel rekening werd gehouden met de voordelen voor de gezondheid van minder luchtvervuiling bij 20% minder uitstoot van broeikasgassen tegen 2020; verzoekt de Commissie om in het kader van een effectbeoordeling snel de (secondaire) bijkomende voordelen voor de gezondheid te onderzoeken die voortvloeien uit de uiteenlopende streefcijfers, overeenkomstig de aanbevelingen van het internationale panel voor klimaatverandering om tegen 2020 de uitstoot van binnenlandse broeikasgassen te verlagen met 25% tot 40%, en indien mogelijk tot 50% of meer;

26. verzoekt de Commissie om aandacht te besteden aan het ernstige probleem van geestelijke gezondheid aangezien het aantal zelfdodingen in de Unie hoog is, en om meer middelen ter beschikking te stellen voor de ontwikkeling van goede preventiestrategieën en -therapieën;

27. herhaalt dat de Commissie en de lidstaten het actieplan voor Europa "Kind, milieu en gezondheid" van de WHO moeten helpen promoten middels een communautair en bilateraal ontwikkelingsbeleid en moeten helpen gelijksoortige processen buiten de Europese regio van de WHO te stimuleren;

28. verzoekt de Commissie om in haar tweede actieplan opnieuw het SCALE-initiatief op te nemen (Science, Children, Awareness, Legal instrument, Evalutation) inzake de vermindering van de blootstelling aan verontreinigende stoffen, dat deel uitmaakt van de Europese strategie voor milieu en gezondheid (COM(2003)0338);

29. dringt er bij de Commissie op aan instrumenten te ontwikkelen en aan te reiken om het uitwerken en bevorderen van innoverende oplossingen aan te moedigen, zoals werd benadrukt in de agenda van Lissabon, met als doel belangrijke gezondheidsrisico’s die worden veroorzaakt door belastende milieufactoren te beperken;

30. dringt er bij de Raad op aan onverwijld tot een besluit te komen inzake het voorstel voor een verordening tot oprichting van het Solidariteitsfonds van de Unie, aangezien het Parlement reeds op 18 mei 2006 zijn standpunt heeft vastgesteld(10); is van oordeel dat de nieuwe verordening die samen met andere maatregelen de drempels zal verlagen voor de inwerkingtreding van het Solidariteitsfonds van de Unie, het mogelijk zal maken om de schade ten gevolge van natuurrampen of door de mens veroorzaakte rampen doeltreffender, flexibeler en sneller te verhelpen; onderstreept dat een dergelijk financieel instrument zeer belangrijk is, met name omdat wordt aangenomen dat natuurrampen zich in de toekomst vaker zullen voordoen, ook ten gevolge van de klimaatverandering;

31. adviseert de Commissie om de kleine en middelgrote ondernemingen, die in Europa een belangrijke economische rol spelen, technische ondersteuning te bieden zodat zij, met deze hulp, kunnen voldoen aan de eisen in de verordeningen inzake milieugezondheid en zodat zij gestimuleerd worden om andere maatregelen te nemen die de gezondheid van het milieu bevorderen en die de werking van het bedrijf beïnvloeden;

32. beveelt de Commissie aan om voor 2010 en met het oog op de "tweede cyclus" van het actieplan voor milieu en gezondheid de maatregelen te richten op de kwetsbare bevolkingsgroepen en nieuwe risicobeoordelingsmethoden uit te werken rekening houdend met het fundamentele belang van de bijzondere kwetsbaarheid van kinderen, zwangere vrouwen en bejaarden;

33. dringt er bijgevolg bij de Commissie en de lidstaten op aan de voordelen te erkennen van preventie- en voorzorgsbeginselen, en hulpmiddelen te ontwikkelen en in te voeren waarmee mogelijke risico's voor de gezondheid en het milieu kunnen worden opgespoord en voorkomen; adviseert de Commissie de "tweede cyclus" van dit actieplan te begroten en te zorgen voor de financiering waarin rekening wordt gehouden met een hoger aantal concrete maatregelen om de milieugevolgen voor de gezondheid te verminderen en preventie- en voorzorgsbeginselen in te voeren;

34. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen van de lidstaten en de WHO.

(1)

PB C 304 E van 1.12.2005, blz. 264.

(2)

PB L 301 van 20.11.2007, blz. 3.

(3)

Rapport over het milieu in Europa, de vierde evaluatie. Samenvatting. Europees Milieuagentschap (10.10.2007).

(4)

Arrest van 23 september 2003 in de zaak C-192/01, Commissie tegen Denemarken, Jurispr. 2003, blz. I- 9693; arrest van 7 september 2004 in de zaak C-127/02, Landelijke Vereniging tot Behoud van de Waddenzee en Nederlandse Vereniging tot Bescherming van Vogels, Jurispr. 2004, blz. I-7405.

(5)

PB L 327 van 22.12.2000, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2008/32/EG (PB L 81 van 20.3.2008, blz. 60).

(6)

PB L 396 van 30.12.2006, blz. 1; gerectificeerde versie in PB L 136 van 29.5.2007, blz. 3.

(7)

PB L 40 van 11.2.1989, blz. 12. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1882/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 284 van 31.10.2003, blz. 1).

(8)

Een groep onafhankelijke wetenschappers heeft dit rapport gepubliceerd op 31 augustus 2007. Het kan worden geraadpleegd op: www.bioinitiative.org.

(9)

PB L 199 van 30.7.1999, blz. 59.

(10)

PB C 297 E van 7.12.2006, blz. 331.


TOELICHTING

Achtergrond

Op 23 februari 2005 heeft het Europees Parlement met overweldigende meerderheid van stemmen (576 voor en 48 tegen) een resolutie aangenomen over de start van het Actieplan voor milieu en gezondheid voor de jaren 2004 tot 2010.

De toon van deze resolutie is op zijn zachtst gezegd kritisch ten opzichte van de Europese Commissie uitgaande van de eenvoudige vaststelling dat een actieplan per definitie niet kan volstaan met de doelstelling meer onderzoek te doen en meer gegevens te verzamelen!

De plenaire zitting van het Parlement sloot zich aan bij het standpunt van de rapporteur dat de prioritaire doelstelling die de Commissie had bekendgemaakt voor de "eerste cyclus" van 2004-2010, zijnde beter kennis te verwerven in verband met de invloed van milieuvervuiling op de gezondheid, zeker prijzenswaardig was, maar verre van toereikend. Dat terwijl er steeds meer boeken, studies en synthesen van wetenschappelijke werken verschijnen, die meestal aantonen dat er een verband bestaat tussen de blootstelling aan milieuvervuiling en de vier ziekten waaraan in deze mededeling met voorrang aandacht wordt besteed: astma en allergieën bij kinderen, neurologische ontwikkelingsstoornissen, kanker en hormoonontregeling.

Het toeval wil nu dat dit actieplan werd voorgesteld enkele maanden na de ambitieuze verklaring van de 52 ministers van Milieu en Volksgezondheid van de Europese regio op de door de WHO georganiseerde Conferentie van Boedapest in juni 2004. Voeg hieraan toe dat in bepaalde lidstaten (Benelux, Frankrijk, Duitse deelstaten enz.) reeds actieplannen (met vaak welomlijnde en in cijfers uitgedrukte resultaatdoelstellingen) zijn ingevoerd en het is gemakkelijk te begrijpen waarom het Europees Parlement zijn bedenkingen heeft.

Het Parlement heeft van zijn zijde een echte impuls willen geven aan het actieplan en een aantal aanbevelingen gedaan die hoofdzakelijk betrekking hebben op:

1.  het voorzorgsbeginsel - als politiek actiemiddel - want men kan niet anders dan vaststellen dat dit veiligheidsbeginsel weliswaar vaak wordt afgekondigd, maar slechts zelden wordt toegepast op EU-niveau;

2.  de invoering van een biomonitoringsysteem op EU-niveau om de gevolgen van verontreinigende stoffen voor de gezondheid gemakkelijker te kunnen meten;

3.  de bestrijding van verontreiniging binnenshuis, met vooral de klassering van tabaksrook als kankerverwekkende stof van klasse 1 door de Commissie, maar nogmaals het uitdrukkelijke verzoek aan de Commissie een groenboek over de binnenluchtkwaliteit te publiceren;

4.  een financiering die afgestemd is op het belang, dit in het kader van het 7de kaderprogramma voor onderzoek en ontwikkeling (het cijfer van meer dan 300 miljoen euro is genoemd), waarbij tevens aangegeven is dat afstemming met het programma Volksgezondheid (2003-2008) wenselijk is.

Drie jaar later zijn de meeste van deze prioriteiten nog steeds actueel.

En daar is een reden voor: de Europese Commissie is haar eigen doelstellingen blijven nastreven en wenste bovenal resultaten te boeken op de gebieden die zij als prioritair had aangemerkt: hoofdzakelijk op het gebied van de verbetering van de informatieketen met betrekking tot milieu en gezondheid, de integratie en uitbreiding van EU-onderzoek naar milieu en gezondheid en de samenwerking met gespecialiseerde internationale organisaties als de WHO.

De rapporteur stelt echter tevreden vast dat meer dan 38 projecten inzake milieu en gezondheid zijn gefinancierd in het kader van het 6de onderzoeksprogramma voor een totaalbedrag van naar schatting meer dan 200 miljoen euro.

De moeilijke kunst een balans op te maken van een actieplan dat zijn naam niet waardig is

Van de 13 acties die de Commissie aanvankelijk had gepland, waren er slechts vier die specifieke maatregelen beoogden:

- actie 10: de opleiding van beroepskrachten bevorderen en de organisatorische capaciteit op het gebied van milieu en gezondheid verbeteren;

- actie 11: lopende risicobeperkende maatregelen ten aanzien van de prioritaire ziekten coördineren;

- actie 12: de binnenluchtkwaliteit verbeteren;

- actie 13: de ontwikkelingen op het gebied van elektromagnetische velden in de gaten houden.

De rapporteur heeft al in 2005 aangegeven tevreden te zijn over het gepaste antwoord van de Commissie op de problematiek van het passief roken in het kader van actie 12.

Voor het overige dient de tussentijdse evaluatie, bij gebrek aan precisering betreffende de gevoerde acties, benaderd te worden door middel van vraag en antwoord, wetende dat de rapporteur specifieke opmerkingen heeft bij acties 12 en 13:

Zijn er acties ondernomen om de opleiding milieugeneeskunde te bevorderen en de erkenning van de diploma's van deze specialisatie op EU-niveau te vergemakkelijken? Voor zover de hormoonontregelaars niet zijn opgenomen in de REACH-vergunningsprocedure, welke maatregelen, behalve een proefproject, heeft de Commissie genomen om daadwerkelijk toezicht op deze stoffen te houden?

De onpartijdigheid bij de beoordeling dwingt ons ertoe toe te geven dat de Unie in de loop van de voorbije drieëneenhalf jaar concrete resultaten heeft behaald in de strijd tegen de verschillende vormen van verontreiniging, waaronder: de controle van meer dan 10.000 chemische stoffen in het kader van de REACH-reglementering, de nieuwe wetgeving inzake omgevingsluchtkwaliteit, het wetgevend en strategisch pakket inzake pesticiden.

Diezelfde onpartijdigheid dwingt ons er echter tegelijkertijd toe vast te stellen dat het Europese beleid gekenmerkt blijft door het gebrek aan een algemene en preventieve strategie en het achterwege blijven van de toepassing van het voorzorgsbeginsel.

Het voorzorgsbeginsel: noch nultolerantie, noch nultoepassing

De rapporteur stelt helaas vast dat dit beschavingsbeginsel, dat nochtans sinds 1992 is opgenomen in artikel 174-2 van het EU-Verdrag, vaak wordt afgekondigd, soms wordt misbruikt en nagenoeg nooit wordt toegepast.

Met uitzondering van het algemeen bekende door de Raad en het Parlement in juni 2005 ingestelde verbod op het gebruik van zes chemische stoffen uit de familie van de ftalaten in kinderspeelgoed, is het voorzorgsbeginsel niet toegepast in de recente Gemeenschapswetgeving. Bovendien is het definitieve verbod op deze CMR's in deze specifieke toepassing er pas gekomen na een homerische strijd van meer dan 10 jaar.

Daarom vraagt de rapporteur zich af wat het nut is van de dermate dwingende criteria voor de toepassing van het voorzorgsbeginsel die de Commissie in haar mededeling van 2 februari 2000 heeft vastgelegd. Alles lijkt in het werk gesteld te zijn om het voorzorgsbeginsel ontoepasbaar te maken door een ingewikkelde, hiërarchische en eindeloze procedure: van de afhankelijkheid van de risico-evaluatie en het risicobeheer, tot de studie van de diverse overwogen maatregelen, over de vaststelling in iedere fase van de omvang van de wetenschappelijke onzekerheid en het opstellen van een kosten-batenanalyse.

Deze vaststelling brengt de rapporteur ertoe in punt 7 van de resolutie een volledig herziening van de mededeling van 2 februari 2000 voor te stellen om het voorzorgsbeginsel leefbaar te maken. Dit voorstel is overigens gesteund op de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, dat herhaaldelijk heeft gepreciseerd dat de inhoud en de draagwijdte van het beginsel in het Gemeenschapsrecht een van de grondslagen is van het beschermingsbeleid dat de Gemeenschap voert op het gebied van milieu en gezondheid(1).

Verontreiniging binnenshuis: een bijzonder verraderlijke bedreiging voor de gezondheid

Ten aanzien van deze gezondheidsbedreiging waartegen weinig van de burgers zich kunnen beveiligen, aangezien ze gemiddeld 90% van hun tijd doorbrengen in een besloten ruimte (crèche, school, bureau, huis, fabriek enz.), heeft de Commissie niet "werkeloos toegekeken".

Ze heeft vele maatregelen genomen, zoals de instelling van een werkgroep waarin industriële ondernemers en consumenten- en milieubeschermingsorganisaties zetelen, en minstens 17 Europese projecten gefinancierd in zeer uiteenlopende gebieden, waaronder de monitoring van de binnen- en buitenluchtkwaliteit en de studie van bouwmaterialen als bron van verontreiniging.

De rapporteur wil er echter op wijzen dat al deze losstaande initiatieven samen niet kunnen worden gelijkgesteld met een algemeen en geïntegreerd beleid op het gebied van binnenluchtkwaliteit.

De rapporteur was trouwens zeer verrast toen hij tijdens een lezing van een deskundige van de London School of Hygiene vernam dat de binnenlucht in de woningen in bijvoorbeeld de mooie stad Praag sterker vervuild is dan de buitenlucht die ingeademd wordt door de Pragenaars. De Commissie zou er dus goed aan doen een groenboek over de specifieke problematiek van de verontreiniging binnenshuis te publiceren, zoals het EP reeds heeft gevraagd in punt 21 van zijn resolutie over het actieplan, die is goedgekeurd op 21 februari 2005.

Het lijkt inderdaad dringend tijd dat de EU een echte strategie ter zake ontwikkelt die het mogelijk maakt richtsnoeren voor de lidstaten vast te leggen en in fine de burgers te beschermen die blootgesteld zijn aan meerdere bronnen van biologische en chemische verontreiniging, van in de crèche tot op kantoor. De rapporteur wijst er bovendien op dat het nuttig zou zijn als de Europese autoriteiten allemaal de totale financiële kostprijs van de binnenverontreiniging ramen, in termen van medische kosten, kosten verbonden aan arbeidsongeschiktheid of gewoon de kostprijs van de sanering van het vervuilde gebouw.

De opkomende dreiging van de elektromagnetische velden

De laatste keer dat het Parlement zich heeft beziggehouden met deze kwestie was in 1999(2), toen draadloze lokale netwerken met hoge snelheid als Wifi of Wimax nog maar pas hun opmars maakten in Europa en de Europese gezinnen nog niet volledig omgeven waren door een overvloed aan elektronische apparaten en verschillende systemen voor draadloze telefonie. Indien de technische vooruitgang niet in goede banen geleid wordt, kan het gebeuren dat er bepaalde gezondheidsrisico's mee verbonden zijn. Dat is precies wat er gebeurd is met de elektromagnetische golven, waarvan de blootstellingslimieten voor de bevolking dateren van 1999 en dus a fortiori geen gelijke tred hebben gehouden met de technologische ontwikkelingen.

De rapporteur weet pertinent zeker dat de radiogolven al meer dan 20 jaar centraal staan in controversiële debatten en dat er nog altijd een zekere graad van wetenschappelijke onzekerheid is. Hij vindt het evenwel belangrijk rekening te houden met het meest volledige document dat tot nog toe is opgesteld: het rapport Bio-Initiative, van de hand van gerenommeerde Amerikaanse en Europese wetenschappers. Dit rapport maakt een synthese van meer dan 1.500 studies over de gevolgen van elektromagnetische velden voor de gezondheid van de mens. In de conclusies van het rapport wordt gesteld dat chronische en/of te hoge blootstelling aan elektromagnetische golven kan leiden tot kanker (in het bijzonder leukemie bij kinderen), de ziekte van Alzheimer, zenuw- en slaapstoornissen.

Het is op basis van deze studie dat het Europees Milieuagentschap in september 2007 de 27 lidstaten heeft aanbevolen maatregelen te nemen om de bevolking beter te beschermen. De rapporteur sluit zich aan bij deze waarschuwing en is van mening dat de Europese Unie meer en beter moet presteren op het gebied van gezondheid en milieu!

(1)

HvJEG, 23 september 2003, Commissie tegen Denemarken, zaak C-192/01- HvJEG, 7 september 2004, zaak C-127/02.

(2)

Verslag-Tamino A4-0101-99.


UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

27.5.2008

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

57

0

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Adamos Adamou, Georgs Andrejevs, Margrete Auken, Pilar Ayuso, Johannes Blokland, John Bowis, Frieda Brepoels, Martin Callanan, Dorette Corbey, Avril Doyle, Mojca Drčar Murko, Edite Estrela, Jill Evans, Anne Ferreira, Karl-Heinz Florenz, Matthias Groote, Françoise Grossetête, Cristina Gutiérrez-Cortines, Satu Hassi, Gyula Hegyi, Jens Holm, Marie Anne Isler Béguin, Dan Jørgensen, Christa Klaß, Eija-Riitta Korhola, Holger Krahmer, Aldis Kušķis, Marie-Noëlle Lienemann, Peter Liese, Linda McAvan, Roberto Musacchio, Riitta Myller, Péter Olajos, Miroslav Ouzký, Vittorio Prodi, Frédérique Ries, Dagmar Roth-Behrendt, Guido Sacconi, Carl Schlyter, Richard Seeber, Kathy Sinnott, Bogusław Sonik, María Sornosa Martínez, Antonios Trakatellis, Evangelia Tzampazi, Thomas Ulmer, Marcello Vernola, Anja Weisgerber, Åsa Westlund, Glenis Willmott

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Inés Ayala Sender, Philip Bushill-Matthews, Milan Gaľa, Umberto Guidoni, Erna Hennicot-Schoepges, Johannes Lebech, Miroslav Mikolášik, Bart Staes, Lambert van Nistelrooij

Laatst bijgewerkt op: 3 juli 2008Juridische mededeling