Procedure : 2008/2231(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A6-0502/2008

Ingediende teksten :

A6-0502/2008

Debatten :

PV 18/02/2009 - 20
CRE 18/02/2009 - 20

Stemmingen :

PV 19/02/2009 - 9.3
Stemverklaringen
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :


VERSLAG     
PDF 207kWORD 137k
12 december 2008
PE 412.142v02-00 A6-0502/2008

over het Proces van Barcelona: Unie voor het Middellandse-Zeegebied

(2008/2231(INI))

Commissie buitenlandse zaken

Rapporteur: Pasqualina Napoletano

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 ADVIES van de Commissie internationale handel
 ADVIES van de Commissie constitutionele zaken
 ADVIES van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid
 UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het Proces van Barcelona: Unie voor het Middellandse-Zeegebied

(2008/2231(INI))

Het Europees Parlement,

–   gezien de verklaring van Barcelona, aangenomen op de Euromediterrane conferentie van ministers van Buitenlandse Zaken van 27 en 28 november 1995 in Barcelona, waarbij een Euromediterraan partnerschap werd ingesteld,

–  gezien de Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad "Het proces van Barcelona: Unie voor het Middellandse-Zeegebied" (COM(2008)0319),

–   gezien de goedkeuring van "Het proces van Barcelona: Unie voor het Middellandse- Zeegebied" door de Europese Raad in Brussel van 13 en 14 maart 2008,

–   gezien de verklaring van de Top voor de Middellandse Zee, die op 13 juli 2008 in Parijs is gehouden,

–   gezien de slotverklaring van de bijeenkomst van ministers van Buitenlandse Zaken van de Unie voor het Middellandse-Zeegebied, die op 3 en 4 november 2008 in Marseille is gehouden,

–   gezien de conclusies van de Euromediterrane conferentie van ministers van Buitenlandse Zaken van 5 en 6 november 2007 in Lissabon,

–   gezien de conclusies van de Euromediterrane Top van 27 en 28 november 2005 in Barcelona, ter gelegenheid van het tienjarig bestaan van het Euromediterrane partnerschap,

–   gezien de verklaring van het Bureau van de Euromediterrane Parlementaire Vergadering (EMPV) van 12 juli 2008, de EMPV-verklaring over het vredesproces in het Midden-Oosten van 13 oktober 2008 en de EMPV-aanbeveling voor de eerste bijeenkomst van de ministers van Buitenlandse Zaken van de landen die betrokken zijn bij het Proces van Barcelona: Unie voor het Middellandse-Zeegebied van 13 oktober 2008,

–   gezien het advies van het Comité van de regio's van 9 oktober 2008,

–   gezien de verklaring van de Euromediterrane top van de Economische en Sociale Raden in Rabat van 16 oktober 2008,

–   gezien de slotverklaring van het voorzitterschap van de EMPV alsook de aanbevelingen die tijdens de vierde plenaire zitting van de EMPV op 27 en 28 maart 2008 in Athene zijn aangenomen,

–   gezien de eerste bijeenkomst van EuroMedScola op 16 en 17 november 2008 waaraan jongeren uit de partnerlanden en landen van de Europese Unie in Straatsburg hebben deelgenomen,

–   onder verwijzing naar zijn vroegere ontwerpresoluties over het Middellandse-Zeebeleid van de Europese Unie, inzonderheid die van 5 juni 2008(1),

–   gezien de mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement "Een nieuwe impuls voor EU-maatregelen inzake mensenrechten en democratisering met mediterrane partners - Strategische richtsnoeren" (COM(2003)0294),

–   gezien de mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement betreffende de versterking van het Europese nabuurschapsbeleid (COM(2006)0726),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 15 november 2007 over de versterking van het Europese nabuurschapsbeleid(2),

–   gezien zijn prioriteiten voor zijn voorzitterschap van de EMPV (maart 2008-maart 2009),

–   gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken en de adviezen van de Commissie internationale handel, de Commissie constitutionele zaken en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A6-0502/2008),

A. gezien de centrale ligging van het Middellandse-Zeegebied en de toenemende gemeenschappelijke belangen van de Europese Unie en de partnerlanden ten aanzien van de uitdagingen van de globalisering, de vreedzame co-existentie en bijgevolg de noodzaak om te zorgen voor een grotere regionale samenhang en de ontwikkeling van een gemeenschappelijke beleidsstrategie in de regio,

B.  overwegende dat de Unie ernaar streeft en ernaar zou moeten blijven streven de millenniumontwikkelingsdoelstellingen van de Verenigde Naties te halen,

C. overwegende dat de steeds grotere economische, politieke en culturele verwijdering tussen de noordelijke en zuidelijke oevers van de Middellandse Zee verdeelt en overwegende dat het noodzakelijk is om deze discrepantie weg te nemen om op termijn een ruimte van vrede, veiligheid en gedeelde welvaart te kunnen scheppen,

D. overwegende dat er behoefte is aan een grondige en resultaatgerichte revisie en verdieping van de betrekkingen tussen de Europese Unie en de partnerlanden in het Middellandse-Zeegebied, een revisie die zou moeten uitgaan van het beginsel van gelijkheid van alle partners en van de kapitalisatie van het acquis, maar die ook gericht zou moeten zijn op de beperkingen en tekortkomingen van het tot dusverre geïmplementeerde beleid en in bijzonder de teleurstellende stand van zaken met betrekking tot het proces van Barcelona,

E.. overwegende dat het nabuurschapsbeleid ten aanzien van de landen in het Middellandse-Zeegebied beperkingen kent en overwegende dat dit beleid niet in balans is en niet bijdraagt aan het gedeelde hervormingsproces in de regio, omdat de nadruk gelegd wordt op bilaterale betrekkingen;

F.  overwegende dat er behoefte is aan betrekkingen op basis van een hecht partnerschap en de eerbiediging van de mensenrechten en de rechtsstaat tussen de Europese Unie en de landen van het Middellandse-Zeegebied,

G. overwegende dat sinds het begin van het Proces van Barcelona geen duidelijke vooruitgang is geboekt in sommige partnerlanden met betrekking tot het overnemen en naleven van bepaalde universele waarden en beginselen die zijn benadrukt in de Verklaring van Barcelona in 1995 en waartoe deze landen zich hebben verbonden, in het bijzonder met betrekking tot de democratie, de mensenrechten en de rechtsstaat,

H. overwegende dat het zaak is de regionale en economische integratie tussen de verschillende landen van het Middellandse-Zeegebied te bevorderen; overwegende dat daadwerkelijke regionale en economische integratie kan worden bereikt wanneer concrete vooruitgang wordt geboekt bij de oplossing van bestaande conflicten en op het gebied van democratie en mensenrechten;

I.   overwegende dat dankzij de nauwere banden tussen de EU en de landen van het Middellandse-Zeegebied het verkeer tussen deze landen sterk is gegroeid, een ontwikkeling die echter niet gepaard is gegaan met de noodzakelijke verbetering en modernisering van de respectieve infrastructuren,

J.   overwegende dat de staatshoofden en regeringsleiders in de Verklaring van Parijs de EMPV erkennen als legitieme, parlementaire vertegenwoordiging van het Proces van Barcelona: Unie voor het Middellandse-Zeegebied en dat zij eveneens hun krachtige steun hebben betuigd voor de versterking van de rol van de EMPV in de betrekkingen met de mediterrane partners,

K. onderstrepende dat het geheel van de politieke betrekkingen tussen de landen van de Euromediterrane regio niet op louter intergouvernementeel niveau kan worden aangepakt,

L.  de belangrijke rol benadrukkend van de EMPV als enige parlementaire vergadering waarin dialoog en samenwerking in de Euromediterrane regio mogelijk is en de 27 lidstaten van de EU en alle partijen die betrokken zijn bij het vredesproces in het Midden-Oosten, samenkomen,

M. overwegende dat de betrokkenheid van de plaatselijke en regionale overheden van belang is voor projecten en initiatieven die worden afgebakend door het Proces van Barcelona: Unie voor het Middellandse-Zeegebied, en overwegende dat recente voorstellen van deze instanties moeten worden meegewogen,

N. overwegende dat de participatie van de sociale partners en de maatschappelijke organisaties van belang is voor een nieuwe impuls aan de Euromediterrane betrekkingen,

O. overwegende dat dubbel gebruik van en concurrentie tussen bestaande instrumenten, beleidsmaatregelen en institutionele niveaus absoluut moet worden voorkomen en dat daarentegen moet worden gezorgd voor samenhang in het gehele bestel van de Euromediterrane betrekkingen,

P.  overwegende dat een snelle en vreedzame oplossing van alle conflicten waar landen rond het Middellandse-Zeegebied bij zijn betrokken noodzakelijk is, en het belang onderkennend van een interculturele dialoog op dit gebied,

Q. overwegende dat het voortduren van het conflict in het Midden-Oosten en de ernstige politieke spanningen in de regio en de Westelijke Sahara het bereiken van diverse, door de nieuwe instelling nagestreefde de doelstellingen in gevaar kan brengen;

1.  is van oordeel dat het voorstel met als titel "Proces van Barcelona: Unie voor het Middellandse-Zeegebied", aangenomen door de staats- en regeringshoofden tijdens de topontmoeting over het Middellandse-Zeegebied op 13 juli 2008 in Parijs, bijdraagt tot de vrede en vrede en welvaart en een stap voorwaarts zal zijn in de richting van economische en regionale integratie, alsmede de samenwerking op het gebied van milieu en klimaat tussen de landen van het Middellandse-Zeegebied, mits dit proces de beloften kan inlossen, en concrete en zichtbare resultaten oplevert; wijst erop dat de openstelling van het proces voor landen die niet zijn betrokken bij het partnerschap, de ontwikkeling van betrekkingen op basis van gelijkheid tussen de Europese Unie en de partnerlanden in het Middellandse-Zeegebied en het aanpakken van de problemen van de regio op een veelomvattende manier waarschijnlijker maakt;

2.  constateert dat tijdens de bijeenkomst van de ministers van Buitenlandse Zaken op 3 en 4 november in Marseille ís voorgesteld om het " Proces van Barcelona: Unie voor het Middellandse-Zeegebied" om te dopen tot "Unie voor het Middellandse-Zeegebied"; is van oordeel dat deze benaming het mogelijk maakt het paritaire karakter van het partnerschap beter tot uiting te laten komen ten einde projecten inzake economische en territoriale integratie te verwezenlijken; acht het echter noodzakelijk dat de strategische waarde van de Euromediterrane betrekkingen en het acquis van het Proces van Barcelona, met name de participatie van het maatschappelijk middenveld, andermaal worden bekrachtigd op basis van de beleidsterreinen die de Europese Unie reeds met haar mediterrane partners ontwikkelt, middels regionale en subregionale programma's en gemeenschappelijke richtsnoeren die een inspiratiebron voor de bilaterale samenwerking vormen;

3.  verzoekt in dit verband de Raad en de Commissie om te zorgen voor samenhang bij het optreden van Unie, vooral ten aanzien van mogelijke institutionele ontwikkelingen (met name de rol van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid als vicevoorzitter van de Commissie) en het gebruik van de communautaire begroting;

4.  spreekt zijn voldoening uit over het feit dat de instellingen van de Europese Unie zich hebben uitgesproken ten gunste van de Unie voor het Middellandse-Zeegebied;

5.  stemt in met het besluit om te opteren voor een multilateraal kader via het afbakenen van enkele grote projecten, die moeten worden gerealiseerd aan de hand van de nieuwe instrumenten van het Proces van Barcelona: Unie voor het Middellandse-Zeegebied; wijst echter op het ontbreken van strategieën voor economische en territoriale integratie van de Middellandse-Zeeregio om deze projecten te schragen;

6.  is van mening dat voor de verwezenlijking van de projecten geopteerd moet worden voor de formule van "programma-afspraken", waarin, op basis van het subsidiariteitsbeginsel, de verantwoordelijkheden van de diverse institutionele niveaus – Europese Unie, lidstaten, regio's, ondernemingen, sociale partners – op het vlak van de financiering, het beheer en de controle duidelijk worden afgebakend;

7.  wijst erop dat de projecten die worden gefinancierd in het kader van de Unie voor het Middellandse-Zeegebied, moeten worden gesteund door financiering van de Gemeenschap, de partnerlanden en particulieren bronnen; verzoekt te dien einde de Raad en de Commissie om de rol en de initiatieven van de Euromediterrane investerings- en partnerschapsfaciliteit (FEMIP) te preciseren en te versterken, die middels haar investeringsprogramma de economische openstelling en modernisering van de mediterrane landen mogelijk maakt; betuigt andermaal zijn steun voor de oprichting van een Euromediterrane Investeringsbank en voor de coördinatie met internationale investeerders; onderstreept het belang van het overmaken van spaargelden van emigranten uit landen ten zuiden van het Middellandse-Zeegebied naar hun land van herkomst en is van mening dat van deze gelden voor de ontwikkeling van die landen een enorme hefboomwerking uitgaat, een hefboomwerking die tot op heden onvoldoende is gebruikt;

8.  is van oordeel dat, in afwachting van de herziening van de financiële vooruitzichten, het aandeel van de Europese Unie in de financiering van de mediterrane projecten niet ten koste mag gaan van de lopende of geplande Euromediterrane regionale programma's, op de versterking waarvan het Europees Parlement bij herhaling heeft aangedrongen; wijst in dit verband op de bevoegdheid van het Europees Parlement in het kader van de begrotingsprocedure; spreekt de wens uit dat het Parlement regelmatig wordt geïnformeerd over de voortgang van de projecten;

9.  is van oordeel dat het secretariaat een belangrijk potentieel in zich bergt voor het aanzwengelen van de Euromediterrane betrekkingen dankzij zijn operationeel vermogen en het politieke gewicht van zijn samenstelling; is verheugd over het feit dat een unaniem akkoord over de zetel van het secretariaat tot stand is gekomen; herinnert eraan dat de stad Barcelona de plaats is waar het Euromediterrane partnerschap van start is gegaan;

10. stemt ermee in dat, vóór de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon, het medevoorzitterschap, vanuit het perspectief van de EU, verenigbaar moet zijn met de externe vertegenwoordiging van de Europese Unie overeenkomstig de vigerende verdragsbepalingen;

11. is verheugd over het besluit van de ministeriële conferentie van 3 november 2008, waarin naar behoren rekening is gehouden met de aanbeveling van de EMPV, die op 13 oktober 2008 in Jordanië is goedgekeurd; steunt het besluit om een sterke parlementaire dimensie aan de Unie voor het Middellandse-Zeegebied te verlenen, waardoor haar democratische legitimiteit wordt vergroot doordat zij op de EMPV steunt die nog versterkt moet worden en wier werkzaamheden beter zouden moeten worden afgestemd op die van de andere instellingen van het partnerschap door te overwegen haar rechtspersoonlijkheid te verlenen, alsmede het recht om voorstellen te doen voor en controle uit te oefenen op de strategieën voor economische en territoriale integratie en de projecten, en de mogelijkheid om aanbevelingen te doen ter attentie van de bijeenkomst van de ministers van Buitenlandse Zaken; verwacht dat deze institutionele erkenning van de EMPV tevens tot uiting komt in haar deelneming als waarnemer aan alle bijeenkomsten van de uitvoerende macht, de bijeenkomsten van de staatshoofden en regeringsleiders, de bijeenkomsten van ministers en de voorbereidende bijeenkomsten van hoge ambtenaren;

12. is verheugd over het besluit van de ministers van Buitenlandse Zaken van de Unie voor het Middellandse-Zeegebied om de Arabische Liga als deelnemer aan alle bijeenkomsten op alle niveaus in het licht van haar positieve bijdrage aan de doelstellingen van vrede, welvaart en stabiliteit in het Middellandse-Zeegebied;

13. onderstreept de noodzaak om de regionale en plaatselijke overheden te betrekken bij het nieuwe institutionele kader; is verheugd over het advies van het Comité van de regio's en het voorstel om een Euromediterrane regionale en plaatselijke vergadering in te stellen;   

14. is van mening dat, parallel aan de uitbreiding van de parlementaire dimensie, een vergelijkbare ontwikkeling vereist is om maatschappelijke organisaties te betrekken bij de daartoe aangewezen institutionele structuur van de Unie voor het Middellandse-Zeegebied, vooral met behulp van mechanismen die hun raadpleging waarborgen bij de keuze, de uitvoering en de follow-up van de projecten; verzoekt de EMPV in dit verband om maatschappelijke organisaties ten noorden en ten zuiden van de Middellandse Zee meer bij haar werkzaamheden te betrekken; dringt erop aan de rol van de sociale partners bij de instelling van een Euromediterraan Economisch en Sociaal Comité te vergroten;

15. stelt vast dat een aantal landen die deelnemen aan het Proces van Barcelona: Unie voor het Middellandse-Zeegebied, geen deel uitmaakten van het Euromediterrane partnerschap en roept daarom de Raad, de Commissie en alle staten die deelnemen aan het Proces van Barcelona: Unie voor het Middellandse-Zeegebied, op om een samenhangend kader van betrekkingen op te stellen, dat gericht is op de economische en territoriale integratie tussen de Europese Unie en alle landen van het Middellandse-Zeegebied; verzoekt de Raad en de Commissie te garanderen dat alle lidstaten van de Unie voor het Middellandse-Zeegebied toegang kunnen krijgen tot de regionale programma’s die reeds zijn gepland in het kader van het Euromediterrane partnerschap;

16. onderstreept dat deelname aan de Unie voor het Middellandse-Zeegebied geen alternatief is voor de uitbreiding van de Europese Unie en de toetredingsvooruitzichten van enige huidige of toekomstige kandidaat-lidstaat niet beïnvloedt; is van mening dat de Unie voor het Middellandse-Zeegebied geen belemmering vormt voor andere regionale samenwerkingsinitiatieven;

17. onderstreept dat het gehele Euromediterrane beleid aan een grondige vernieuwing toe is, waarbij de politieke dimensie en de gezamenlijke ontwikkeling meer belang moeten krijgen, en wijst er nogmaals op dat dit beleid in elk geval ruimer is dan het initiatief van het Proces van Barcelona: Unie voor het Middellandse-Zeegebied;

18. is van mening dat het Proces van Barcelona: Unie voor het Middellandse-Zeegebied de bestaande samenwerkingsverbanden in het kader van Euromed zou moeten versterken om alle partnerlanden in staat te stellen deel te nemen aan de regionale programma’s en het daaraan verbonden beleid van de Europese Unie op basis van prioriteiten en volgens doelstellingen die in gezamenlijk overleg zijn vastgelegd; herinnert eraan dat het belangrijk is de uitbreiding van de communautaire programma’s tot de partnerlanden te versterken, met name op het gebied van onderwijs, onderzoek en beroepsopleidingen (uitwisseling van studenten, enz.);

19. is van oordeel dat de vraagstukken vrede en veiligheid, mensenrechten en democratie, alsook de culturele samenwerking in een Euromediterrane context moeten worden aangepakt; wijst erop dat de Unie voor het Middellandse-Zeegebied tot taak heeft zich, door middel van strategische plannen en specifieke projecten, bezig te houden met territoriale, infrastructuur- en milieuproblemen; wenst dat deze concrete dimensie kan bijdragen tot een hernieuwing van het Euromediterrane partnerschap;

20. herinnert aan de eerste initiatieven die tijdens de Top van parijs over de Middellandse Zee op 13 juli 2008 zijn voorgesteld: sanering van de Middellandse Zee, snelwegen op zee en op het land, burgerbescherming, mediterraan plan voor zonne-energie, hoger onderwijs en onderzoek, initiatief ter ontwikkeling van het bedrijfsleven in de mediterrane regio;

21. wijst erop dat de terreinen van samenwerking met het oog op de verwezenlijking van de ambitieuze doelstellingen van het Proces van Barcelona met spoed moeten worden uitgebreid tot waterbeheer, landbouw, veiligheid van de voedselvoorziening, energie, beroepsopleiding, cultuur, gezondheid, toerisme, enz.;

22. is een groot voorstander van de aandacht voor milieuaspecten in het Proces van Barcelona: Unie voor het Middellandse-Zeegebied en de daaraan gerelateerde initiatieven en projecten zoals het nieuwe mediterrane initiatief voor het schoner maken van de Middellandse Zee en het mediterrane project voor zonne-energie;

23. is van mening dat de opneming van alle mediterrane landen in het Proces van Barcelona: Unie voor het Middellandse-Zeegebied de gelegenheid biedt om de problematiek van de regio op een meer omvattende manier aan te pakken en om het proces op een doelmatiger manier te relateren aan en te coördineren met reeds bestaande programma’s zoals het Actieplan voor het Middellandse-Zeegebied van het UNEP;

24. verwelkomt het voorstel dat is opgenomen in de slotverklaring van het voorzitterschap van de vierde plenaire zitting voor de oprichting van een Euromediterrane energiegemeenschap, ondersteund door de EMPV, onderkent het belang van een versterkte samenwerking op het gebied van energie tussen de Euromediterrane partners en de noodzaak van de ontwikkeling van een regionale energiemarkt met het oog op de implementatie van grootschalige projecten voor duurzame energie en energie-infrastructuur in de Euromediterrane regio;

25. hoopt dat de versterking van de Euromediterrane betrekkingen een impuls zal zijn voor de ontwikkeling van een gebied van vrede en welvaart; onderstreept dat de vrede en de politieke stabiliteit in het Middellandse-Zeegebied van doorslaggevend belang zijn voor de individuele en collectieve veiligheid van een gebied dat veel verder reikt dan haar kusten; onderstreept dat dit doel alleen kan worden bereikt indien de conflicten in de regio via onderhandelingen en op allesomvattende wijze worden opgelost; is van oordeel dat de EU een leidinggevende rol moet spelen bij de oplossing van deze conflicten door het vertrouwen te winnen van alle betrokken partijen; benadrukt de noodzaak van een formele samenwerking in de strijd tegen het internationale terrorisme, de drugshandel, de georganiseerde misdaad en de mensenhandel; is verheugd over de oproep van de Verklaring van Marseille aan de betrokken partijen om te trachten een proces van geleidelijke demilitarisering en ontwapening van het Midden-Oosten op gang te brengen, ten einde vooral een zone te creëren die vrij is van kernwapens en massavernietigingswapens;

26. is van oordeel dat voor het verminderen van de spanningen in het Middellandse-Zeegebied een betere sociaal en cultureel begrip tussen de volkeren nodig is en dat in dit verband initiatieven, zoals de Alliance of Civilisations, moet worden ondersteund als het voornaamste platform voor dialoog dat bijdraagt tot de stabilisering van de regio; dringt er bij de Raad en de Commissie op aan met strategieën te komen ter bevordering van deze dialoog; moedigt de verbetering van de betrekkingen tussen de EMPV en de Stichting Anna Lindh aan, met inbegrip van het beleggen van bijeenkomsten tussen de belangrijkste netwerken van de Stichting Anna Lindh en van Commissie cultuur van de EMPV;

27. wijst erop dat een van de belangrijkste doelstellingen van het Euromediterrane beleid bestaat in het beschermen van de rechtsstaat, de bevordering van democratie, eerbiediging van de mensenrechten en politiek pluralisme en stelt vast dat er nog steeds zeer ernstige schendingen plaatsvinden; benadrukt het belang van de bescherming van de mensenrechten en de rechtsstaat; dringt aan op een evaluatie van hetgeen tot dusverre bereikt is en op de aanpassing van de binnen het partnerschap beschikbare instrumenten; roept de Commissie ertoe op om precieze criteria voor de inzetbaarheid van die instrumenten te definiëren, ook met betrekking tot andere internationale organisaties zoals de Raad van Europa, en om een doeltreffend systeem voor de controle van de tenuitvoerlegging ervan in te voeren; verzoekt in dit verband alle betrokken partijen om de eerbiediging van de godsdienstvrijheid, de gewetensvrijheid en de rechten van minderheden te verdiepen en uit te dragen; wenst dat een institutioneel beleidskader wordt afgebakend waarmee het mogelijk is aandacht te besteden aan de dimensie van wederkerigheid zowel bij het opsporen van de problemen als bij het zoeken naar gemeenschappelijke oplossingen;

28. verzoekt derhalve de Raad en de Commissie om de bescherming van de mensenrechten en de bevordering van de democratie duidelijk vast te leggen in de doelstellingen van dit nieuwe initiatief, om de implementatie van bestaande mechanismen, zoals de mensenrechtenclausule die is opgenomen in de associatieovereenkomsten, en het opzetten van subcommissies voor de mensenrechten verder te versterken, en om een mechanisme op te zetten om die clausule op te nemen in een nieuwe lichting overeenkomsten en in de bilaterale actieplannen van de ENB; benadrukt dat de middelen ter bescherming van de mensenrechten die in het kader van het Europees nabuurschapsbeleid (ENB) ter beschikking staan, zo goed mogelijk moeten worden gebruikt waarbij een betere beleidssamenhang tussen de Europese instellingen wordt gewaarborgd;

29. verzoekt alle aan het partnerschap deelnemende landen, de Commissie en de toekomstige instellingen van de Unie voor het Middellandse-Zeegebied om een nieuwe impuls te geven aan een gemeenschappelijk migratiebeleid waarbij niet alles uit het oogpunt van veiligheid benaderd wordt en waarbij het menselijk kapitaal en de uitwisseling tussen de verschillende volkeren van het gebied beter naar waarde geschat worden; is van oordeel dat immigratievraagstukken zich moeten concentreren op de mogelijkheden van legale mobiliteit, de strijd tegen illegale migratiestromen, een betere integratie van immigranten en de uitoefening van het asielrecht; hecht belang aan een nauwe samenwerking en een geest van gedeelde verantwoordelijkheid tussen de lidstaten van de Europese Unie en de landen aan de zuidelijke oever van de Middellandse Zee, is verheugd over het feit dat in november 2007 de ministeriële conferentie Euromed over migratie heeft plaatsgevonden en acht het noodzakelijk dat het Proces van Barcelona: Unie voor het Middellandse-Zeegebied prioritaire aandacht geeft aan een geordend beheer van de migratiestromen;

30. neemt nota van de verklaring van de staatshoofden en regeringsleiders waarin wordt gesteld dat het Proces van Barcelona: Unie voor het Middellandse-Zeegebied sterk is gericht op de ontwikkeling van menselijk kapitaal en van de werkgelegenheid, overeenkomstig de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling, waaronder het terugdringen van armoede, en ziet uit naar nieuwe initiatieven, programma’s en financiële voorzieningen op dit vlak;

31. is van mening dat de economische en handelsinitiatieven van de Unie voor het Middellandse-Zeegebied, met het oog op de totstandbrenging van een voor beide zijden gunstige Euromediterrane vrijhandelszone, de economische groei van de regio moeten bevorderen, de opneming van de regio in de wereldeconomie moeten helpen verbeteren en moeten bijdragen aan het verkleinen van het verschil in ontwikkeling tussen het noorden en zuiden van het Middellandse-Zeegebied, waarbij de sociale samenhang moet worden versterkt;

32. benadrukt dat het onontbeerlijk is om de sociale weerslag van de liberaliseringsprocessen systematisch te evalueren en in aanmerking te nemen, met name op het gebied van de voedselzekerheid; benadrukt tevens dat deze weerslag van sector tot sector en van land tot land sterk kan verschillen;

33. wijst op het belang van de informele sector en de volkseconomie in de zuidelijke en oostelijke landen van het Middellandse-Zeegebied; is van mening dat het met het oog op de ontwikkeling van de regio noodzakelijk is om de geleidelijke opneming van deze activiteiten in de formele economie te ondersteunen;

34. wijst erop dat de handel tussen de nieuwe lidstaten van de Unie en hun mediterrane partners sinds de toetredingen in 2004 en 2007 blijft toenemen; vraagt om deze ontwikkeling in het kader van het partnerschap in aanmerking te nemen en te ondersteunen;

35. onderstreept de noodzaak jonge mensen aan te moedigen kleine bedrijven op te zetten, onder meer door de toegang tot kredieten en microkredieten te vergemakkelijken; is overigens van mening dat de steun via het FEMIP moet worden opgevoerd;

36. neemt kennis van het feit dat akkoorden tussen de Europese Unie en de lidstaten enerzijds en de landen uit het Middellandse-Zeegebied anderzijds voorzien in samenwerkingsmaatregelen op het gebied van immigratie en asielpolitiek, met inbegrip van de financiering van centra voor immigranten, en dringt er bij de Unie en de lidstaten op aan te controleren of de mensenrechten en de fundamentele vrijheden in deze centra volledig worden gerespecteerd;

37. acht het van wezenlijk belang om concrete en tastbare doelstellingen op sociaal vlak te realiseren; herinnert er in dit verband aan dat de doelstelling van de totstandbrenging van een vrijhandelszone niet alleen mag worden beoordeeld uit het oogpunt van de economische groei, maar vooral uit dat van de werkgelegenheid; wijst erop dat de werkloosheid onder jongeren en vrouwen het meest dringende sociale probleem is in de Middellandse-Zeelanden;

38. verzoekt de partnerlanden te komen tot een Zuid-Zuid-uitwisseling, zoals in het kader van de economisch overeenkomst van Agadir die is ondertekend door Egypte, Jordanië, Marokko en Tunesië, en benadrukt dat de instellingen van de Europese Unie moeten openstaan voor de vraag om technische ondersteuning teneinde deze economische Zuid-Zuid-integratie te bevorderen;

39. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en de parlementen van de lidstaten en van alle partnerlanden.

(1)

Aangenomen teksten van deze dag, P6_TA(2008)0257.

(2)

PB C 282 E van 6.11.2008, blz. 443.


ADVIES van de Commissie internationale handel (6.11.2008)

aan de Commissie buitenlandse zaken

inzake het Proces van Barcelona: Unie voor het Middellandse-Zeegebied

(2008/2231(INI))

Rapporteur voor advies: Kader Arif

SUGGESTIES

De Commissie internationale handel verzoekt de ten principale bevoegde Commissie buitenlandse zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  is verheugd dat opnieuw de wil aanwezig is om op politiek en praktisch vlak een nieuwe impuls te geven aan de multilaterale betrekkingen van de Europese Unie met haar mediterrane partners;

2.  herinnert eraan dat "het proces van Barcelona: Unie voor het Middellandse-Zeegebied" moet voortbouwen op de resultaten van het Euromediterrane partnerschap, dit proces nieuw leven moet inblazen en het een toegevoegde dimensie moet verlenen;

3.  dringt erop aan dat de werking van de Unie voor het Middellandse-Zeegebied wordt geregeld door de beginselen pariteit, gelijkheid, medebeheer, gedeelde verantwoordelijkheid en gezamenlijk bestuur;

4.  onderstreept dat de betrokkenheid van de bevolking het onderpand zal zijn voor een sterk partnerschap en het welslagen van dit initiatief; is bijgevolg van mening dat de politieke ambities vertaald moeten worden in concrete projecten die begrijpelijker zijn en dichter bij de burgers staan; is eveneens van mening dat de werking van de Unie voor het Middellandse-Zeegebied uitgebreid moet worden met mechanismen voor overleg en actieve participatie van het maatschappelijk middenveld (verenigingen, sociale partners, enz.), lokale en regionale overheden en de private sector;

5.  wenst dat de Unie voor het Middellandse-Zeegebied zich concentreert op concrete projecten die de bevolking verenigen en die op de behoeften van de burgers uit de regio zijn afgestemd; dringt erop aan dat deze projecten bijdragen tot een evenwichtige en duurzame ontwikkeling van de regio, alsook tot de totstandkoming van regionale en subregionale interconnecties, teneinde integratie en cohesie te bevorderen;

6.  herinnert aan de eerste initiatieven die tijdens de Top voor de Middellandse Zee van 13 juli 2008 in Parijs zijn voorgesteld: sanering van de Middellandse Zee, snelwegen op zee en op het land, civiele bescherming, mediterraan plan voor zonne-energie, hoger onderwijs en onderzoek, initiatief ter ontwikkeling van het bedrijfsleven in de mediterrane regio;

7.  stelt vast dat momenteel slechts een van de zes voorgestelde projecten gericht is op economische en handelsproblemen; betreurt dat de Verklaring van Parijs nagenoeg geen verwijzingen naar de economische en handelsaspecten van het partnerschap bevat, zoals buitenlandse directe investeringen, werkgelegenheid, informele economie en armoedebestrijding;

8.  wijst erop dat de terreinen van samenwerking met het oog op de verwezenlijking van de ambitieuze doelstellingen van het proces van Barcelona met spoed moeten worden uitgebreid tot waterbeheer, landbouw, veiligheid van de voedselvoorziening, energie, beroepsopleiding, cultuur, gezondheid, toerisme, enz.;

9.  herinnert eraan dat het Parlement, afgezien van de door de Commissie beoogde middelen ter financiering van de projecten van de Unie voor het Middellandse-Zeegebied, herhaaldelijk heeft gewezen op de noodzaak een Euromediterrane investerings- en ontwikkelingsbank op te richten;

10. is van mening dat de economische en handelsinitiatieven van de Unie voor het Middellandse-Zeegebied met het oog op de totstandbrenging van een voor beide zijden gunstige Euromediterrane vrijhandelszone de economische groei van de regio moeten bevorderen, de integratie van de regio in de wereldeconomie moeten helpen verbeteren en moeten bijdragen aan het verkleinen van het verschil in ontwikkeling tussen het noorden en zuiden van het Middellandse-Zeegebied, waarbij de sociale cohesie moet worden versterkt;

11. herinnert eraan dat de Euromediterrane partners in het tweede deel van het vijfjarenprogramma van 2005 met als titel "Duurzame ontwikkeling en sociaal-economische hervormingen" verschillende prioriteiten hebben vastgesteld: enerzijds de noodzaak om het ondernemingsklimaat te bevorderen, de toegang tot leningen te vergemakkelijken, de macro-economische stabiliteit te vergroten en het beheer van overheidsfinanciën te verbeteren, en anderzijds de behoefte om sociale vraagstukken te behandelen, zoals socialezekerheidsstelsels, armoedebestrijding en het scheppen van werkgelegenheid, in het bijzonder voor jongeren en vrouwen;

12. benadrukt dat het onontbeerlijk is om de sociale impact van de liberaliseringsprocessen systematisch te beoordelen en er rekening mee te houden, met name op het gebied van de voedselzekerheid; benadrukt tevens dat deze impact sterk van sector tot sector en van land tot land kan verschillen;

13. wijst erop dat de nagestreefde totstandbrenging van een vrijhandelszone en de liberalisering van het handelsverkeer geen doel op zich zijn, maar gepaard dienen te gaan met de bestrijding van de armoede en de werkloosheid, de bevordering van de economische en sociale rechten en de bescherming van het milieu;

14. onderstreept dat de regionale economische integratie ter verwezenlijking van deze doelstelling alle dimensies dient te omvatten (noord-zuid en zuid-zuid); moedigt met name het opzetten van gecoördineerde regionale programma's van de landen op de zuidelijke oever van de Middellandse Zee aan, hetgeen een stap voorwaarts zou betekenen op weg naar economische én politieke integratie van deze landen;

15. benadrukt dat de Europese Unie meer steun moet verlenen aan de programma's van haar mediterrane partners, die niet alleen tot doel hebben een gunstig klimaat te scheppen voor meer investeringen, maar ook de economische samenwerking en de handel te versterken door technische en financiële steunmechanismen die de handel vergemakkelijken;

16. verzoekt de mogelijkheid te overwegen om in de partnerlanden gespecialiseerde EU-agentschappen op te richten die deze landen concreet kunnen helpen op terreinen als de bevordering van investeringen;

17. wijst op het belang van de informele sector en de volkseconomie in de zuidelijke en oostelijke landen van het Middellandse-Zeegebied; is van mening dat het met het oog op de ontwikkeling van de regio noodzakelijk is om de geleidelijke integratie van deze activiteiten in de formele economie te ondersteunen;

18. wijst erop dat de handel tussen de nieuwe lidstaten van de Unie en hun mediterrane partners sinds de toetredingen in 2004 en 2007 blijft toenemen; vraagt om deze ontwikkeling in het kader van het partnerschap in overweging te nemen en te ondersteunen;

19. onderstreept de noodzaak jonge mensen aan te moedigen kleine bedrijven op te zetten, onder meer door de toegang tot (micro)krediet te vergemakkelijken; is overigens van mening dat de steun via de Euromediterrane investerings- en partnerschapsfaciliteit (FEMIP) moet worden opgevoerd;

20. is van mening dat migratievraagstukken in gezamenlijk overleg en op evenwichtige wijze moeten worden aangepakt en dat rekening moet worden gehouden met hun relatie tot ontwikkeling en met de culturele en menselijke dimensie; pleit voor versoepeling van het legale verkeer van personen en voor een betere integratie van de immigranten waarbij braindrain wordt voorkomen en illegale immigratie wordt bestreden;

21. wijst erop dat het Euromediterrane partnerschap niet uitsluitend gericht kan zijn op economische en handelsproblemen; herinnert eraan dat de drie pijlers van Barcelona nauw verband houden; betreurt dat noch binnen de eerste pijler, die tot doel heeft bij te dragen tot vrede en stabiliteit, noch binnen de derde pijler, die in het teken staat van menselijke en sociale ontwikkeling, vooruitgang van betekenis is geboekt;

22. verzoekt de Raad en de Commissie de bevordering van de mensenrechten en de democratie duidelijk te verankeren in de doelstellingen van het nieuwe initiatief, te zorgen voor een betere uitvoering van de bestaande mechanismen zoals de mensenrechtenclausule in de associatieovereenkomsten en een steunmechanisme te creëren voor de toepassing van deze clausule in de nieuwe generatie overeenkomsten, de bilaterale actieplannen van het Europees nabuurschapsbeleid (ENB) en in het kader van de subcommissies voor de mensenrechten;

23. wenst dat het Parlement naar behoren wordt geraadpleegd over het oprichten van de permanente organen van de Unie voor het Middellandse-Zeegebied en regelmatig op de hoogte wordt gehouden van de voortgang van de projecten;

24. vestigt tevens de aandacht op de noodzaak om de Unie voor het Middellandse-Zeegebied een echte parlementaire dimensie te geven, gebaseerd op de Euromediterrane Parlementaire Vergadering (EMPA), die als de legitieme parlementaire vertegenwoordiging van de Unie voor het Middellandse-Zeegebied moet worden beschouwd en als overlegorgaan het recht zou moeten hebben voorstellen te doen en evaluaties uit te voeren.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

5.11.2008

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

29

0

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Kader Arif, Daniel Caspary, Christofer Fjellner, Béla Glattfelder, Ignasi Guardans Cambó, Jacky Hénin, Caroline Lucas, Erika Mann, Helmuth Markov, David Martin, Vural Öger, Georgios Papastamkos, Godelieve Quisthoudt-Rowohl, Tokia Saïfi, Peter Šťastný, Gianluca Susta, Daniel Varela Suanzes-Carpegna, Iuliu Winkler, Corien Wortmann-Kool

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Jean-Pierre Audy, Bastiaan Belder, Ole Christensen, Albert Deß, Eugenijus Maldeikis, Javier Moreno Sánchez, Zbigniew Zaleski

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 178, lid 2)

Sepp Kusstatscher, Roselyne Lefrançois, Michel Teychenné


ADVIES van de Commissie constitutionele zaken (21.10.2008)

aan de Commissie buitenlandse zaken

inzake het Proces van Barcelona: Unie voor het Middellandse-Zeegebied

(2008/2231(INI))

Rapporteur voor advies: Íñigo Méndez de Vigo

SUGGESTIES

De Commissie constitutionele zaken verzoekt de ten principale bevoegde Commissie buitenlandse zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.   dringt erop aan dat de ervaring met het proces van Barcelona wordt benut om de betrekkingen tussen de Europese Unie en haar mediterrane partners voortdurend aan te passen en te stimuleren;

2.   onderstreept dat de samenhang tussen de instellingen gewaarborgd moet blijven, dat overlapping van structuren moet worden vermeden en dat het Proces van Barcelona: Unie voor het Middellandse-Zeegebied (PB-UVM) dient te worden opgenomen in het institutionele kader van de Unie; is van oordeel dat de oprichting van een autonome institutionele structuur alleen maar de doeltreffendheid van het proces in het gedrang kan brengen;

3.   steunt het beginsel van een covoorzitterschap, op basis van pariteit, gelijkheid en gezamenlijk bestuur, en is van oordeel - in de veronderstelling dat het Verdrag van Lissabon in werking treedt - dat de coherentie met het dienovereenkomstige institutionele kader voor de externe vertegenwoordiging van de Europese Unie gewaarborgd moet zijn, en dat de tweejaarlijkse top, het gezamenlijk permanent comité en de vergaderingen van hoge ambtenaren nuttige instrumenten zijn, die het proces efficiënter en transparanter kunnen maken;

4.   dringt erop aan dat in het proces een grotere rol wordt toegekend aan de Euromediterrane Parlementaire Vergadering (EMPV) en verleent haar steun aan het bureau van de EMPV, dat in zijn verklaring van 12 juli 2008 heeft verzocht om opname van de EMPV, als legitieme parlementaire dimensie, in het institutionele kader van het Proces van Barcelona-Unie voor het Middellandse-Zeegebied (PB-UVM);

5.   onderschrijft de verzoeken van de Voorzitter van het Europees Parlement, die in zijn toespraak van 13 juli 2008 tijdens de Top van Parijs heeft gepleit voor toekenning aan de EMPV van "het recht om voorstellen te formuleren, democratische controle uit te oefenen en de voortgang van de projecten te superviseren en regelmatig te evalueren";

6.   dringt erop aan dat de EMPV nauw betrokken wordt bij de voorbereidingen van de tweejaarlijkse topbijeenkomsten van staatshoofden en regeringsleiders, en de jaarlijkse vergaderingen van de ministers van Buitenlandse Zaken van de lidstaten van het Proces van Barcelona-Unie voor het Middellandse-Zeegebied (PB-UVM);

7.   acht het noodzakelijk dat de EMPV als parlementaire dimensie van het Proces van Barcelona: Unie voor het Middellandse-Zeegebied (PB-UVM) wordt opgericht en dat daarvoor een rechtsgrondslag wordt geschapen zoals voorgesteld door de EMPV, en is van oordeel

- dat de EMPV minstens eenmaal per jaar moet samenkomen;

- dat alle leden van de EMPV fracties kunnen vormen op basis van hun politieke familie (los van de huidige indeling: parlementen van de mediterrane partners - Europees Parlement - parlementen van de lidstaten), wat een betere integratie zal waarborgen en de doeltreffendheid ten goede zal komen;

- dat de EMPV moet beschikken over een nauwkeuriger reglement van orde en een sterker permanent secretariaat;

- dat de EMPV betreffende de voornaamste punten en projecten van het Proces van Barcelona-Unie voor het Middellandse-Zeegebied (PB-UVM) verplicht moet worden geraadpleegd en om advies moet worden gevraagd;

- dat de Raad en de Commissie betrokken moeten worden en aanwezig moeten zijn bij de werkzaamheden van de EMPV, zowel tijdens de voorbereidende stadia, als tijdens officiële bijeenkomsten en plenaire vergaderingen;

- dat de parlementaire vertegenwoordigers van landen geen onderdeel van het Proces van Barcelona uitmaken, gevraagd moeten worden deel te nemen;

8.   is van oordeel dat het secretariaat van het Proces van Barcelona: Unie voor het Middellandse-Zeegebied (BP-UVM) moet bestaan uit ambtenaren die worden gedetacheerd door aan het proces deelnemende landen en geïntegreerd moet worden in de diensten van de Europese Commissie; bij de keuze van de vestigingsplaats moet rekening worden gehouden met operationele doelmatigheidscriteria en de eerbiediging van de democratische waarden door en de financiële mogelijkheden van het gastland;

9.   is van oordeel dat het secretariaat van het Proces van Barcelona: Unie voor het Middellandse-Zeegebied (BP-UVM) belast moet worden met de ontwikkeling en het beheer van projecten en met de coördinatie van het gehele proces; het secretariaat moet verantwoording afleggen aan het Euromediterrane comité en de EMPV;

10.  wijst erop dat de projecten die in het kader van het Proces van Barcelona: Unie voor het Middellandse-Zeegebied (BP-UVM) worden gesteund, hoofdzakelijk moeten worden gefinancierd uit communautaire middelen, middelen van partnerlanden en private middelen;

11. benadrukt de noodzaak om een Euromediterrane investerings- en ontwikkelingsbank op te richten die rechtstreeks buitenlandse middelen kan aantrekken voor de financiering van projecten die aansluiten bij de behoeften van de burgers in de regio;

12. verzoekt om het institutionele kader van het Proces van Barcelona: Unie voor het Middellandse-Zeegebied (BP-UVM) vast te stellen op basis van een brede raadpleging en een diepgaande dialoog, waarbij alle actoren van het proces betrokken zijn teneinde een brede consensus tot stand te brengen en rekening te houden met alle gevoeligheden;

13. is van mening dat parallel aan de versterking van de parlementaire dimensie een vergelijkbare ontwikkeling nodig is om het maatschappelijk middenveld te betrekken bij de juiste institutionele structuur van het Proces van Barcelona: Unie voor het Middellandse-Zeegebied (BP-UVM);

14. is van oordeel dat de bevordering van een dergelijke samenwerking een gunstige rol kan spelen bij zowel de totstandbrenging als de ontwikkeling van andere, soortgelijke regionale unies.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

20.10.2008

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

15

0

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Enrique Barón Crespo, Richard Corbett, Andrew Duff, Jo Leinen, Íñigo Méndez de Vigo, Rihards Pīks, Adrian Severin, József Szájer, Johannes Voggenhuber, Andrzej Wielowieyski, Dushana Zdravkova

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Costas Botopoulos, Elmar Brok, Carlos Carnero González, Monica Frassoni


ADVIES van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (2.12.2008)

aan de Commissie buitenlandse zaken

inzake het Proces van Barcelona: Unie voor het Middellandse-Zeegebied

(2008/2231(INI))

Rapporteur voor advies: Ilda Figueiredo

SUGGESTIES

De Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid verzoekt de ten principale bevoegde Commissie buitenlandse zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  dringt er bij de lidstaten en alle mediterrane partijen in het proces van Barcelona op aan om meer aandacht aan de situatie van de vrouw en gelijke kansen voor man en vrouw te schenken, en wijst er met nadruk op dat het van belang is om de gelijkheid van man en vrouw in alle beleidsvormen en concrete maatregelen te integreren die de gelijkheid willen bevorderen;

2.  vraagt alle landen die aan het proces van Barcelona en de Unie voor het Middellandse-Zeegebied deelnemen, om het verdrag tot uitbanning van alle vormen van discriminatie van de vrouw (CEDAW/IVDV) te ratificeren, maar ook alle andere hulpmiddelen voor de verdediging van de rechten van de mens van de Verenigde Naties en de Internationale Arbeidsorganisatie;

3.  betreurt dat de mededeling van de Commissie "Het proces van Barcelona: Unie voor het Middellandse-Zeegebied" geen bijzondere aandacht aan de situatie van de vrouw schenkt en benadrukt dat het onderdeel "projecten" ook de geografische, economische en sociale samenhang moet bevorderen en altijd op gelijke kansen voor man en vrouw en de gelijkheid van man en vrouw in het algemeen bedacht moet zijn;

4.  maakt zich ongerust over armoede en sociaal isolement, die voornamelijk vrouwen en kinderen treffen, en waarschuwt voor de gevolgen van een beleidsvoering die niet voldoende op gelijke rechten en gelijke kansen voor man en vrouw let, met eerbiediging van de waardigheid van de vrouw;

5.  benadrukt dat erkenning van de burgerrechten van vrouwen in de lidstaten, die vanuit derde landen geïmmigreerd zijn, ook de landen aan de zuidelijke oever van de Middellandse Zee, van essentieel belang is om hun rechten doeltreffend te kunnen verdedigen;

6.  vraagt alle partijen in het proces van Barcelona om bijzondere aandacht aan de openbare financiering en uitvoering van projecten te besteden die de levensomstandigheden van de vrouw willen verbeteren, vooral door seksuele voorlichting, zwangerschapszorg en onderwijs, totstandbrenging van kwaliteitsvolle werkgelegenheid, met inachtneming van de rechten van de werknemers en vooral op vrouwen gericht, en uitbouw van bijstandverlenende voorzieningen voor kinderen en de derde leeftijd, die de sociale integratie van de vrouw in de samenleving bevorderen;

7.  wijst er met nadruk op hoe belangrijk het is om de toegang van de vrouw tot alle onderwijsniveaus te verbeteren, omdat degelijke vorming van de arbeidskrachten niet alleen van doorslaggevend belang is om de ongelijkheden tussen man en vrouw te verminderen, maar ook voor de competitiviteit en sociale samenhang van de economie in haar geheel;

8.  dringt er bij de lidstaten en de partijen in het proces van Barcelona op aan om met stimulerende maatregelen positief op te treden voor gelijke kansen en tegen discriminatie van de vrouw in alle opzichten, met speciale nadruk op werkgelegenheid, gezinsleven en onderwijs, om geweld tegen vrouwen en mensenhandel te voorkomen en de rol van de vrouw in de samenleving te laten eerbiedigen en op te waarderen, vooral door haar betere toegang tot verantwoordelijke posities en de besluitvorming te geven;

9.  herinnert eraan dat ruimere deelname van de vrouw aan het arbeidsleven in het Middellandse-Zeegebied uitbouw van de infrastructuren en diensten veronderstelt die nodig zijn om vrouwen niet alleen toegang tot de arbeidsmarkt te geven maar ook de mogelijkheden om er zich te handhaven;

10. wijst erop dat de banden tussen de vrouwenorganisaties van de landen van de Middellandse Zee versterkt moeten worden om het maatschappelijk middenveld verder uit te bouwen met actiever deelname van de vrouw.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

2.12.2008

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

17

0

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Edit Bauer, Ilda Figueiredo, Claire Gibault, Lissy Gröner, Urszula Krupa, Pia Elda Locatelli, Astrid Lulling, Siiri Oviir, Zita Pleštinská, Anni Podimata, Teresa Riera Madurell, Raül Romeva i Rueda, Anne Van Lancker, Corien Wortmann-Kool, Anna Záborská

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Donata Gottardi

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 178, lid 2)

Juan Andrés Naranjo Escobar


UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

2.12.2008

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

36

5

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Bastiaan Belder, Elmar Brok, Colm Burke, Marco Cappato, Philip Claeys, Véronique De Keyser, Michael Gahler, Klaus Hänsch, Jana Hybášková, Anna Ibrisagic, Ioannis Kasoulides, Maria Eleni Koppa, Vytautas Landsbergis, Johannes Lebech, Francisco José Millán Mon, Pasqualina Napoletano, Annemie Neyts-Uyttebroeck, Vural Öger, Alojz Peterle, Tobias Pflüger, Samuli Pohjamo, Bernd Posselt, Raül Romeva i Rueda, Christian Rovsing, Flaviu Călin Rus, José Ignacio Salafranca Sánchez-Neyra, Jacek Saryusz-Wolski, György Schöpflin, Charles Tannock, Inese Vaidere, Geoffrey Van Orden, Ari Vatanen, Marcello Vernola, Andrzej Wielowieyski, Zbigniew Zaleski, Josef Zieleniec

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Laima Liucija Andrikienė, Árpád Duka-Zólyomi, Martí Grau i Segú, Pierre Jonckheer, Alexander Graf Lambsdorff, Erik Meijer

Laatst bijgewerkt op: 19 december 2008Juridische mededeling