Terug naar het Europarl-portaal

Choisissez la langue de votre document :

 Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Aangenomen teksten
Donderdag 30 november 2000 - Brussel Definitieve uitgave
Rol van vrouwen in de vreedzame conflictregeling
A5-0308/2000

Resolutie van het Europees Parlement over de rol van vrouwen in de vreedzame conflictregeling (2000/2025(INI))

Het Europees Parlement,

-  gelet op de Universele Verklaring van de rechten van de mens van de Verenigde Naties van 10 december 1948 en op de verklaring en het actieprogramma die het resultaat waren van de Wereldconferentie over de mensenrechten van 14 tot 25 juni 1993 in Wenen, met name de paragrafen I 28-29 en II 38 over stelselmatige verkrachting, seksuele slavernij en gedwongen zwangerschap tijdens gewapende conflicten,

-  gelet op het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (CEDAW) van 18 december 1979, op de Verklaring van de Verenigde Naties inzake de uitbanning van geweld tegen vrouwen van 20 december 1993 en op het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van het kind van 20 november 1989,

-  gelet op het Verdrag van de Algemene Vergadering tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing van 10 december 1984 en op Verklaring 3318 van de Algemene Vergadering inzake de bescherming van vrouwen en kinderen tijdens noodsituaties en gewapende conflicten van 14 december 1974, met name paragraaf 4 waarin wordt gevraagd om doeltreffende maatregelen tegen vervolging, foltering, geweld en onterende behandeling van vrouwen,

-  gelet op resolutie 1265 van de VN-Veiligheidsraad over de bescherming van burgers tijdens gewapende conflicten van 17 september 1999, met name paragraaf 14 met het verzoek dat VN-personeel dat betrokken is bij de handhaving en versterking van de vrede, een passende opleiding krijgt in mensenrechten, met inbegrip van sekse-specifieke bepalingen,

-  gelet op resolutie 3519 van de Algemene Vergadering van de VN inzake de deelname van vrouwen aan de versterking van de internationale vrede en veiligheid van 15 december 1975 en op Verklaring 37/63 van de Algemene Vergadering van de VN inzake de deelname van vrouwen aan de bevordering van de internationale vrede en samenwerking van 3 december 1982, met name paragraaf 12 over praktische maatregelen met het oog op een sterkere vertegenwoordiging van vrouwen bij vredesinspanningen,

-  gelet op de verklaring en het actieplatform die zijn goedgekeurd op de vierde VN-Vrouwenconferentie van 4 tot 15 september 1995 in Beijing, met name bijzonder zorgpunt E inzake vrouwen en gewapende conflicten, en op het slotdocument van de speciale bijeenkomst Beijing + 5 van de Verenigde Naties van 5 tot 9 juni 2000 over verdere maatregelen en initiatieven ter uitvoering van de verklaring en het actieplatform van Beijing, met name paragraaf 13 over hindernissen voor een gelijkwaardige deelname van vrouwen aan maatregelen ter versterking van de vrede, en paragraaf 124 over een evenwicht tussen de geslachten bij vredeshandhaving en vredesonderhandelingen,

-  gelet op het Internationale Strafhof dat gebaseerd is op het Statuut van Rome van 1998, met name de artikelen 7 en 8, waarin verkrachting, seksuele slavernij, gedwongen bevruchting, gedwongen sterilisatie en elke andere vorm van seksueel geweld worden aangemerkt als misdaden tegen de mensheid en oorlogsmisdaden, ongeacht of zij al dan niet stelselmatig en in internationale of interne conflicten plaatsvinden,

-  gelet op de Verdragen van Genève van 1949 en de aanvullende protocollen van 1977, waarin staat dat vrouwen bescherming genieten tegen verkrachting en elke andere vorm van aanranding,

-  gelet op het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden van 1950, met name de artikelen 3 en 4 die onmenselijke behandeling of bestraffing en foltering alsmede slavernij verbieden,

-  gelet op de resolutie van de Europese Raad van 20 december 1995 over de integratie van genderaspecten in de ontwikkeling, met name paragraaf 19, waarin wordt onderstreept dat bij noodoperaties en crisispreventie een genderperspectief van het allergrootste belang is,

-  gelet op de verklaring en de agenda voor actie van het millenniumforum van de Verenigde Naties over de versterking van de Verenigde Naties voor de 21e eeuw van 26 mei 2000, met name paragraaf 11 van deel B over scholing in genderkwesties voor al het met vredeshandhaving belaste personeel,

-  onder verwijzing naar zijn resolutie van 2 maart 2000(1) over vrouwen in de besluitvorming, met name overweging I en paragraaf 14 over de deelname van vrouwen aan de handhaving en versterking van de vrede en conflictpreventie,

-  onder verwijzing naar zijn resolutie van 13 april 1984(2) over toepassing van het Verdrag van Genève met betrekking tot de vluchtelingenstatus, met name de paragrafen 1 en 2 over toekenning van de vluchtelingenstatus aan vrouwen die geconfronteerd worden met een wrede of onmenselijke behandeling omdat zij geacht worden zich niet te hebben gehouden aan de sociale mores van de samenleving waarin zij leven,

-  onder verwijzing naar zijn resolutie van 17 december 1992(3) over de verkrachting van vrouwen in het voormalige Joegoslavië, met name paragraaf 2 waarin wordt gevraagd verkrachting als oorlogsmisdaad en misdaad tegen de menselijkheid te erkennen,

-  onder verwijzing naar zijn resolutie van 11 maart 1993(4) over de verkrachting van vrouwen in het voormalige Joegoslavië, met name paragraaf 14 waarin wordt gevraagd om behoorlijke medische zorg voor vrouwelijke slachtoffers van verkrachting, in het bijzonder voorzieningen voor zwangerschapsbeëindiging wanneer de vrouw dit wenst,

-  gezien de slotdocumenten van zijn openbare hoorzitting van 26-27 juni 1995 over sekse-specifieke schendingen van de mensenrechten en van zijn openbare hoorzitting van 18 februari 1993 over verkrachting als oorlogsmisdaad in Bosnië, waarin met name wordt erkend dat de vluchtelingenstatus het leven van vrouwen ingrijpend verandert, terwijl in het tweede document wordt verzocht om financiële vergoeding voor de slachtoffers van verkrachting in gewapende conflicten,

-  gelet op artikel 163 van zijn Reglement,

-  gezien het verslag van de Commissie rechten van de vrouw en gelijke kansen (A5-0308/2000 ),

A.  overwegende dat in het Verdrag van Genève seksuele gewelddaden niet worden aangemerkt als "ernstige inbreuk” of als een bijzondere vorm van foltering, waardoor het onduidelijk blijft of seksueel geweld altijd wordt beschouwd als een oorlogsmisdaad,

B.  overwegende dat vrouwen in bepaalde situaties kracht en flexibiliteit ontwikkelen, dat zij wantoestanden herkennen en bereid zijn voor hun gezinnen en de samenleving initiatieven te ontplooien en aldus positieve veranderingen te bewerkstelligen,

C.  overwegende dat Verklaring 3318 van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties over de bescherming van vrouwen en kinderen in noodsituaties en gewapende conflicten in technisch opzicht vaag is en dat seksueel geweld en de specifieke behoeften van vrouwelijke vluchtelingen onvermeld blijven,

D.  overwegende dat vier van de vijf vluchtelingen in de wereld vrouwen en kinderen zijn en dat momenteel 90% van de oorlogsslachtoffers weerloze burgers, met name vrouwen en kinderen, zijn,

E.  overwegende dat is aangetoond dat verkrachting en seksueel geweld op zeer grote schaal voorkomen in vluchtelingenkampen in bijvoorbeeld Kenia en Tanzania,

F.  overwegende dat verkrachting altijd al als oorlogswapen is gebruikt, het meest recent in het voormalige Joegoslavië, Soedan, Liberia, Oeganda, Peru, Sri Lanka, Cambodja, Somalië, Rwanda, Bangladesj en in andere conflicten,

G.  overwegende dat een hele reeks studies hebben aangetoond dat de mobilisatie van mannelijke soldaten - zowel oorlogvoerende soldaten als vredeshandhavers - de toename van prostitutie rond militaire basissen en legerkampen in de hand werkt en vervolgens leidt tot toenemende kinderprostitutie en de verspreiding van seksueel overdraagbare ziektes,

H.  overwegende dat gewapende groeperingen in conflicten over de gehele wereld - bijvoorbeeld in Liberia, Sierra Leone en Soedan - jonge meisjes en vrouwen gevangen hebben genomen en tot seksuele slavernij hebben gedwongen,

I.  overwegende dat vrouwen die tijdens de oorlog zijn verkracht, door hun plaatselijke gemeenschap vaak worden gestigmatiseerd en vaak geen gezondheidszorg of psychologische begeleiding ontvangen,

J.  overwegende dat meerdere VN-soldaten uit lidstaten van de Europese Unie wegens seksuele gewelddaden zijn ontslagen uit missies van de Verenigde Naties in Somalië en Mozambique,

K.  overwegende dat slechts vier lidstaten van de Europese Unie - België, Frankrijk, Italië en Luxemburg - het Statuut van Rome hebben geratificeerd, terwijl 60 landen nodig zijn om het Internationale Strafhof te sanctioneren,

L.  overwegende dat ten gevolge van gewapende conflicten, de instorting van sociaal-economische stelsels en de toenemende armoede, vrouwenhandel een groeiend fenomeen in conflictgebieden is,

M.  overwegende dat vredesinitiatieven van vrouwen vaak over de strijdende partijen heen worden genomen - zoals inhet Midden-Oosten, Cyprus en Noord-Ierland - en vaak worden ondernomen met zeer grote risico's in gebieden waar zware conflicten woeden , zoals in Soedan, Libanon en Rusland,

N.  overwegende dat vrouwen vaak worden gemarginaliseerd of uitgesloten van onderhandelingen en diplomatiek overleg met het oog op de beëindiging van gewapende conflicten, zoals bijvoorbeeld het geval was in de vredesgesprekken in Boeroendi, Tadzjikistan en het meest recent in Kosovo,

O.  overwegende dat de rechten, prioriteiten en belangen van vrouwen in formele vredesonderhandelingen veelvuldig worden genegeerd,

P.  overwegende dat volwaardige deelname van vrouwen aan de besluitvorming, het voorkomen en oplossen van conflicten en alle vredesinitiatieven in het algemeen van vitaal belang is; dat hun deelname aan vredesmissies tot de jaren negentig getalsmatig weinig voorstelde, maar dat de stijging van het aantal vrouwen dat heeft deelgenomen aan burgerlijke, militaire en politiële aspecten van vredeshandhavingoperaties heeft geleid tot betere betrekkingen met de plaatselijke gemeenschappen, hetgeen van essentieel belang is voor de totstandbrenging van een duurzame vrede,

Q.  overwegende dat de aandacht van de donors tijdens de demobilisering van de strijdkrachten en strijdende groeperingen over het algemeen gericht is op de mannen, waardoor de vrouwen vaak worden uitgesloten van hulp- en ontwikkelingsprogramma's in het kader van de wederopbouw,

R.  overwegende dat de behoeften van meisjessoldaten - die vaak zijn verkracht, als seksslavinnen zijn gebruikt, ongewenst zwanger zijn geraakt of geslachtsziekten en/of AIDS hebben - over het algemeen niet in aanmerking worden genomen in demobiliseringsinitiatieven,

S.  overwegende dat het voor een duurzame vrede in veel opzichten bepalend is dat de plaatselijke bevolking betrokken is bij en zeggenschap heeft over het vredesproces - dat alleen legitiem kan zijn als vrouwen er op voet van gelijkheid bij betrokken zijn - en dat de rol van de internationale gemeenschap bij de ondersteuning van maatschappelijke netwerken die plaatselijke, nationale en internationale initiatieven met elkaar verbinden, van cruciaal belang is voor het vredesproces,

I. Bescherming van bevolkingsgroepen in oorlogstijd

1.  veroordeelt stelselmatige verkrachting, gedwongen bevruchting, seksuele slavernij en alle andere vormen van geweld op grond van geslacht tijdens gewapende conflicten;

2.  veroordeelt het seksuele wangedrag van soldaten die betrokken waren bij vredesoperaties;

3.  veroordeelt het inzetten van kindsoldaten van beide geslachten;

4.  verzoekt de lidstaten al het nodige te doen voor een zodanige wijziging van artikel 147 van het Vierde Protocol van Genève dat verkrachting, gedwongen bevruchting en seksuele slavernij, gedwongen sterilisatie en andere vormen van seksueel geweld worden aangemerkt als ernstige schendingen van de Conventies van Genève;

5.  verzoekt de lidstaten het Statuut van Rome te ratificeren ter sanctionering van het Internationale Strafhof, dat verkrachting, gedwongen bevruchting, gedwongen sterilisatie, seksuele slavernij en elke andere vorm van seksueel geweld formeel erkent als misdaden tegen de mensheid en oorlogsmisdaden, en dus ook als een vorm van foltering en een ernstige oorlogsmisdaad, ongeacht of zij al dan niet stelselmatig plaatsvinden;

6.  verzoekt de lidstaten in de Commissie status van vrouwen van de Verenigde Naties actie te ondernemen en te pleiten voor actualisering van de formulering van de Verklaring inzake de bescherming van vrouwen en kinderen in noodsituaties en tijdens gewapende conflicten, om er ook seksueel geweld en de specifieke behoeften van vrouwelijke vluchtelingen in op te nemen;

7.  verzoekt de lidstaten bij de Verenigde Naties actie te ondernemen om ervoor te zorgen dat er een bijzondere rapporteur inzake vrouwen tijdens gewapende conflicten wordt aangesteld;

8.  verzoekt de Commissie en de lidstaten het genderaspect mee te nemen in vredes- en veiligheidsinitiatieven en daartoe:

   (a)
scholing inzake de genderaspecten van conflictbijlegging en vredeswerk te verstrekken aan personeel dat op het hoofdkwartier en in veldkantoren betrokken is bij conflictbeleid,
   (b)
in de veldkantoren gebruik te maken van ter plekke aanwezige deskundigheid op gendergebied,
   (c)
onderzoek te stimuleren naar de ontwikkeling van geweld op grond van geslacht tijdens en na gewapende conflicten;
   (d)
in een vroeg stadium van de opleiding van militairen in een gendertraining te voorzien opdat respect voor vrouwen vanzelfsprekend wordt en er een vrouwvriendelijke mentaliteit in het leger gaat heersen;
   (e)
ervoor te zorgen dat acties gericht tegen vrouwenhandel in conflictgebieden deel uitmaken van dergelijke initiatieven;

9.  verzoekt de Commissie en de lidstaten bij de planning van vluchtelingenkampen onder hun financieel gezag rekening te houden met de genderproblematiek en daartoe:

   (a)
te waarborgen dat alle door hun gefinancierde initiatieven in overeenstemming zijn met de internationale afspraken en voorschriften met betrekking tot vrouwelijke vluchtelingen, zoals de richtsnoeren van de UNHCR inzake de bescherming van vrouwelijke vluchtelingen en inzake de preventie van en de omgang met seksueel geweld tegen vluchtelingen,
   (b)
vluchtelingen en intern ontheemde vrouwen en kinderen te beschermen tegen mogelijk seksueel misbruik door van bij de installatie in de kampen preventiemaatregelen te nemen,
   (c)
het recht van vrouwelijke vluchtelingen op zelfbeschikking te garanderen, door passende economische mogelijkheden te creëren en voor gelijke vertegenwoordiging te zorgen in vluchtelingencomités en andere besluitvormingsorganen in de vluchtelingenkampen;
   (d)
te zorgen voor veilige omstandigheden voor de terugkeer van vrouwen en meisjes naar hun streek van herkomst;

10.  verzoekt de Commissie en de lidstaten voldoende financiële middelen beschikbaar te stellen opdat slachtoffers van verkrachting en aanranding in gebieden met een gewapend conflict psychologisch begeleid kunnen worden, de keuze kunnen genieten om de zwangerschap te beëindigen of discreet te bevallen en opdat getuigen van deze wandaden beschermd kunnen worden;

11.  verzoekt de Commissie een bepaald percentage van het vluchtelingenbudget van 216 miljoen euro te reserveren voor de scholing van ambtenaren in opvangcentra, politiefunctionarissen en medisch personeel in het omgaan met de bijzondere behoeften van vrouwelijke vluchtelingen;

12.  verzoekt de lidstaten in hun vluchtelingenbeleid een genderperspectief op te nemen en daartoe:

   (a)
onder bepaalde voorwaarden de status van tijdelijke vluchteling toe te kennen aan vrouwen die tijdens een gewapend conflict, bezetting en/of overgangsperiode zijn verkracht of aan andere vormen van seksueel geweld zijn onderworpen,
   (b)
verkrachtingsslachtoffers een traumabehandeling te geven en praktische hulp te verlenen, zoals gevraagd in paragraaf 14 van zijn bovengenoemde resolutie van 11 maart 1993 over de verkrachting van vrouwen in het voormalige Joegoslavië,
   (c)
te waarborgen dat de detentie-inrichtingen/opvangcentra voor vluchtelingen aparte voorzieningen hebben voor niet-verwante mannen en vrouwen, parallel met de benoeming van personeel op de vrouwenafdeling dat een gendertraining heeft gehad;

II. Internationale inspanningen om gewapende conflicten te voorkomen en op te lossen

13.  verzoekt de lidstaten te bevorderen dat vrouwen op alle niveaus op voet van gelijkheid deelnemen aan diplomatieke initiatieven gericht op conflictbijlegging en wederopbouw, en daartoe:

   (a)
meer vrouwen aan te werven in de diplomatieke diensten van de lidstaten,
   (b)
de vrouwen in de diplomatieke dienst van de lidstaten cursussen onderhandelen, begeleiden en bemiddelen te geven en een lijst van gekwalificeerde vrouwen op te stellen voor vredes- en veiligheidstaken,
   (c)
meer vrouwen op internationale diplomatieke posten, met name hoge functies te benoemen (bijzondere vertegenwoordigers van de VN, vredescommissies, onderzoeksmissies, enz),
   (d)
het vrouwenaandeel in de delegaties naar nationale, regionale en internationale bijeenkomsten inzake vrede en veiligheid alsmede bij formele vredesonderhandelingen te vergroten,
   (e)
van internationale diplomatieke vredesteams te verlangen dat zij stelselmatig overleg plegen met lokale vredesgroepen van vrouwen en andere vrouwenorganisaties, om zo te garanderen dat hun problemen en prioriteiten in het officiële vredesproces aan bod komen;

14.  verzoekt de Raad en de lidstaten te bevorderen dat het genderaspect wordt meegenomen in de vredes- en veiligheidsoperaties alsmede de wederopbouwmaatregelen waaraan zij deelnemen, en daartoe:

   (a)
bij de planning en uitvoering van externe interventies automatisch een genderanalyse uit te voeren. In het bijzonder moet worden nagegaan in hoeverre de maatschappelijke, economische en politieke marginalisering van vrouwen als gevolg van het conflict toeneemt, en welke mogelijkheden de gewijzigde situatie biedt om de positie van vrouwen te verbeteren,
   (b)
ervoor te zorgen dat al het militaire personeel - zowel mannen als vrouwen - in het bijzonder wanneer het gaat om het versterken, handhaven en afdwingen van vrede, een gedegen genderscholing krijgen,
   (c)
een vredesmacht te laten begeleiden door magistraten en mensenrechtenwaarnemers, om te waarborgen dat het volkenrecht wordt nageleefd;

15.  onderstreept dat de huidige conflicten een groter gebruik van niet-militair crisisbeheer vereisen, hetgeen inhoudt dat van vredeshandhavers nieuwe niet-militaire vaardigheden worden verlangd, waardoor er betere kansen voor vrouwen ontstaan, en verzoekt de lidstaten en de Raad:

   (a)
alle posten die te maken hebben met verzoening, het handhaven, afdwingen en versterken van de vrede alsmede conflictpreventie, met inbegrip van onderzoeks- en waarnemersmissies waaraan de lidstaten deelnemen, met vrouwen te bezetten,
   (b)
ervoor te zorgen dat vrouwen die deelnemen aan vredesoperaties, onderworpen zijn aan de voorschriften van de Verenigde Naties en internationale mensenrechtenbeginselen en niet aan discriminerende plaatselijke beperkingen,
   (c)
het gebruik van geheel uit vrouwen bestaande onderzoeks- en bijstandsteams te bevorderen om te reageren op seksueel geweld en andere situaties wanneer de culturele context hierom vraagt;

16.  onderstreept dat verzoening in diepgewortelde conflicten een ongekende mogelijkheid biedt om een kader te scheppen voor een democratische, op het gelijkheidsbeginsel berustende samenleving, en verzoekt de Commissie en de lidstaten met het oog daarop te bevorderen dat bij de invulling van vredesakkoorden een grondwettelijke bescherming van de gelijke behandeling van vrouwen wordt ingebouwd;

III. Deelname van de plaatselijke bevolking aan de preventie en bijlegging van gewapende conflicten

17.  wijst erop dat, historisch gezien, vrouwen doorgaans met het geweldloze worden geassocieerd, terwijl hun leven en hun waardenstelsels verstrengeld zijn met de bescherming van het leven, dialoog, verzoening, onderhandelen en het vreedzaam oplossen van geschillen; dat dit waarden zijn die een alternatief kunnen vormen voor de huidige geweldcultuur en een nieuwe cultuur kunnen inluiden - een cultuur van vrede, meer dialoog op alle niveaus, rechtvaardige verdeling van de middelen en eerbied voor alle verschillen inzake geslacht, religie en politieke overtuiging;

18.  onderstreept dat het van belang is dat de plaatselijke bevolking actief betrokken wordt bij het vredes- en verzoeningsproces; en verzoekt de lidstaten en de Commissie:

   (a)
de oprichting en bestendiging te ondersteunen van non-gouvernementele organisaties, met inbegrip van vrouwenorganisaties, die zich bezighouden met conflictpreventie, vredestichting en wederopbouw na een conflict;
   (b)
te ijveren om vrouwenorganisaties voor geweldloze conflictbijlegging te sensibiliseren;

19.  verzoekt de lidstaten en de Commissie stelselmatig te bevorderen dat vrouwen deelnemen aan het officiële proces van conflictbijlegging, en daartoe:

   (a)
aan te moedigen dat conflictpartijen vrouwen opnemen in hun onderhandelingsteams,
   (b)
ervoor te zorgen dat ongelijkheden tussen mannen en vrouwen en de consequenties daarvan systematisch op elk onderhandelingsgebied worden besproken,
   (c)
ervoor te zorgen dat het vredesproces stevig verankerd is, door de conflictpartijen te verzoeken om vertegenwoordigers van de burgerbevolking in hun onderhandelingsteams op te nemen;
   (d)
steun te verlenen voor bewustmakingscampagnes en debatten over de inhoud van de vredesonderhandelingen;

20.  verzoekt de Commissie en de lidstaten ervoor zorg te dragen dat vrouwen, die veelal het kwetsbaarst zijn en vaak een cruciale rol spelen bij de wederopbouw van hun samenleving, niet worden gemarginaliseerd door onjuiste initiatieven voor de periode van demobilisering en wederopbouw, en daartoe:

   (a)
in regio's die een conflict hebben doorgemaakt, een maatschappelijke discussie te stimuleren over misstanden op grond van geslacht, om herhaling van gewelddaden te voorkomen,
   (b)
ervoor te zorgen dat zowel vrouwen als mannen profiteren van initiatieven voor de wederopbouw, en met name dat voormalige vrouwelijke strijders niet worden uitgesloten van of worden benadeeld door demobiliseringsprogramma's,
   (c)
een bepaald percentage van de gelden voor demobilisering en wederopbouw te reserveren voor de politieke en economische emancipatie van vrouwen,
   (d)
binnen de demobiliseringsinitiatieven bijzondere aandacht te besteden aan de specifieke rehabilitatiebehoeften van meisjessoldaten;

21.  verzoekt de Commissie en de Raad het Parlement jaarlijks in te lichten over de stappen, programma's en initiatieven die naar aanleiding van deze resolutie zijn genomen;

22.  verzoekt de Raad, de Commissie en de secretaris-generaal van de VN in alle rapporten over vredes- en veiligheidsinitiatieven een hoofdstuk over het genderaspect op te nemen;

o
o   o

23.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de secretaris-generaal van de VN.

(1) Punt 7 van de aangenomen teksten.
(2) PB C 127 van 14.5.1984, blz. 137.
(3) PB C 21 van 25.1.1993, blz. 158.
(4) PB C 115 van 26.4.1993, blz. 149.

Laatst bijgewerkt op: 1 juni 2004Juridische mededeling