Terug naar het Europarl-portaal

Choisissez la langue de votre document :

 Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Aangenomen teksten
Donderdag 14 december 2000 - Straatsburg Definitieve uitgave
Belasting op vliegtuigbrandstof
A5-0334/2000

Resolutie van het Europees Parlement over de mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de regio's "Belasting op vliegtuigbrandstof” (COM(2000) 110 - C5-0207/2000 - 2000/2114(COS) )

Het Europees Parlement,

-  gezien de mededeling van de Commissie (COM(2000) 110 - C5-0207/2000 ),

-  gezien de mededeling van de Commissie "Luchtvervoer en het milieu - Werken aan duurzame ontwikkeling”(COM(1999) 640 ),

-  gezien het voorstel voor een richtlijn van de Raad tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten (COM(1997) 30 )(1) en zijn advies van 9 februari 1999 dienaangaande(2) ,

-  gezien het verslag van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement overeenkomstig artikel 8, lid 6, van Richtlijn 92/81/EEG van de Raad over de situatie met betrekking tot vrijstellingen en tariefverlagingen van de accijns uit specifieke beleidsoverwegingen zoals vastgesteld in artikel 8, lid 4, van Richtlijn 92/81/EEG en over de verplichte vrijstelling voor minerale oliën die worden gebruikt als brandstof voor andere luchtvaart dan de particuliere plezierluchtvaart en de vrijstellingen en verlagingen die mogen worden toegepast voor minerale oliën die worden gebruikt als brandstof voor de binnenvaart, met uitzondering van de particuliere pleziervaart, zoals vastgesteld in de artikelen 8, lid 1, onder b), en 8, lid 2, onder b), van dezelfde richtlijn (COM(1996) 549 ), en gezien zijn advies van 13 juni 1997 dienaangaande(3) ,

-  gelet op artikel 47, lid 1, van zijn Reglement,

-  gezien het verslag van de Economische en Monetaire commissie en de adviezen van de Commissie regionaal beleid, vervoer en toerisme en de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en consumentenbeleid (A5-0334/2000 ),

A.  overwegende dat het luchtverkeer naar verwachting de komende jaren aanzienlijk zal blijven toenemen,

B.  overwegende dat zo spoedig mogelijk adequate maatregelen moeten worden gevonden om de negatieve gevolgen van deze toename voor het milieu te beperken,

C.  overwegende dat bij deze maatregelen de milieubescherming moet worden bevorderd en tegelijkertijd de eerlijke mededinging en de goede werking van de interne markt moeten worden geëerbiedigd,

D.  overwegende dat invoering van een belasting op vliegtuigbrandstof in dit stadium vanwege juridische restricties alleen mogelijk is voor intra-communautaire vluchten van luchtvaartmaatschappijen uit de Gemeenschap, hetgeen echter het milieu ten goede zou komen en zou leiden tot een netto-verlaging van de uitstoot van kooldioxide,

E.  overwegende dat wanneer de luchtvaartsector zich onbeperkt zou mogen uitbreiden de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen die in het kader van het protocol van Kyoto in de komende jaren door andere industrieën moet worden bereikt grotendeels teniet zou worden gedaan door een toename van de CO2-uitstoot in de luchtvaart,

F.  overwegende dat het luchtvervoer vergeleken met andere vervoersvormen een voorkeursbehandeling geniet, bijvoorbeeld ten aanzien van accijnzen en BTW, en dat deze positieve discriminatie dient te worden beëindigd ten behoeve van de samenhang van het belastingstelsel alsook uit milieu-overwegingen,

1.  is ingenomen met de mededeling van de Commissie en het onderzoek waarop deze is gebaseerd en ziet haar als een waardevolle bijdrage tot de aanpak van de milieuproblemen die verband houden met het luchtvervoer;

2.  is evenwel van mening dat de Commissie een groter deel van haar mededeling had moeten wijden aan een analyse van de milieu-effecten van een belasting op vliegtuigbrandstof;

3.  is verontrust over het toenemende aandeel dat de luchtvaart heeft in de uitstoot van broeikasgassen in de gehele wereld; acht het van het grootste belang dat er maatregelen worden genomen ter beperking van de door de luchtvaart veroorzaakte emissies;

4.  onderstreept dat het gebruik van economische instrumenten in dit verband van cruciaal belang is voor het stimuleren van vooruitgang in de richting van een schoner luchtruim, zowel in de lidstaten en de kandidaat-lidstaten als in de rest van de wereld; beschouwt dit als een effectievere methode dan traditionele wetgeving;

5.  is van oordeel dat de huidige situatie, waarin de luchtvaart overal ter wereld geen belasting op brandstof behoeft te betalen, neerkomt op ongelijke behandeling in vergelijking met andere vervoersvormen en derhalve niet in overeenstemming is met de doelstelling van gelijke kansen voor alle vervoersvormen;

6.  wijst op de conclusie van de Commissie dat het, voornamelijk om economische redenen, voor de Gemeenschap als geheel niet onmiddellijk haalbaar is een belasting op vliegtuigbrandstof in te voeren die uitsluitend is gericht op intra-communautaire vluchten van luchtvaartmaatschappijen uit de Gemeenschap;

7.  stemt in met de interpretatie van de onderzoeksresultaten door de Commissie, waarbij wordt gesteld dat een speciale belasting in de Gemeenschap het milieu ten goede komt en leidt tot een netto-verlaging van de uitstoot van kooldioxide;

8.  is van mening dat ten aanzien van het vraagstuk van vermindering van de uitstoot van broeikasgassen ook relatief bescheiden maatregelen nooit als onbeduidend kunnen worden beschouwd, zeker niet in een snel groeiende sector, hetgeen de reden is waarom in de mededeling van de Commissie wordt gesteld dat de Raad overeenstemming zou moeten bereiken over gemeenschappelijke accijnzen op vliegtuigbrandstof in de Unie;

9.  is ingenomen met de aanbeveling van de Commissie om lidstaten toe te staan belasting te heffen op vliegtuigbrandstof voor binnenlandse vluchten of, via bilaterale overeenkomsten, voor intra-communautaire vluchten, hetgeen verenigbaar is met de resultaten van het onderzoek; benadrukt dat de lidstaten met de opbrengsten van een dergelijke maatregel andere belastingen kunnen verlagen, met name die op arbeid, zoals aanbevolen in artikel 1 van het voorstel van de Commissie voor een belasting op energieproducten;

10.  wijst erop dat accijnsheffing op vliegtuigbrandstof uitstekend aansluit bij het beginsel van "groene” belastingen;

11.  wijst erop dat maatregelen in deze sector de concurrentiepositie van de Europese luchtvaartmaatschappijen tegenover luchtvaartmaatschappijen uit derde landen niet te zeer in gevaar mogen brengen;

12.  dringt erop aan dat onverwijld maatregelen worden genomen om de milieu-effecten van de luchtvaart te beperken en om eerlijker concurrentievoorwaarden te scheppen door de luchtvaart aan dezelfde doelstelling van een broeikasgasvermindering met 5% te onderwerpen als andere sectoren in het kader van het Verdrag van Kyoto; dringt voorts aan op de invoering van een milieuheffing op vluchten naar en van EU-luchthavens;

13.  benadrukt dat de nadelige sociaal-economische gevolgen van een accijns op vliegtuigbrandstof moeten worden geminimaliseerd; verzoekt de Raad derhalve voorbereidingen te treffen voor nieuwe onderhandelingen over de bilaterale overeenkomsten inzake de behandeling van vliegtuigbrandstof en te onderzoeken hoe het vervoer, zowel binnen de Europese Unie als van en naar derde landen, binnen de werkingssfeer van een dergelijk belastingregime kan worden gebracht; verzoekt de Raad voorts zich actief in te zetten om op de 33-ste algemene vergadering van de ICAO in 2001 een compromis te bereiken over de behandeling van vliegtuigbrandstof;

14.  verzoekt het Voorzitterschap en de Commissie het Parlement volledig op de hoogte te houden van deze 33-ste algemene vergadering; verzoekt het Voorzitterschap en de Commissie vóór de conferentie aan te geven wat de inbreng van de EU zal zijn en na afloop verslag aan het Parlement uit te brengen van de werkzaamheden van de conferentie en de resultaten ervan, met name ten aanzien van de accijns op vliegtuigbrandstoffen;

15.  verzoekt de Commissie te komen met een mededeling met voorstellen voor maatregelen binnen de EU indien op deze 33-ste algemene vergadering van volgend jaar geen bevredigende maatregelen worden genomen;

16.  verzoekt de Commissie aan te dringen op heronderhandelingen over het Verdrag van Chicago van 1944 en de bilaterale luchtvaartovereenkomsten (ASA's) waarin de belastingvrijstelling voor brandstof die wordt geleverd op het grondgebied van de overeenkomstsluitende partijen is vastgelegd;

17.  is van mening dat ook dringend andere maatregelen moeten worden overwogen om de CO2-uitstoot van het luchtvervoer te verminderen, zoals programma's voor het verhandelen van emissierechten, vrijwillige overeenkomsten in de luchtvaartsector, onderzoeks- en ontwikkelingsprogramma's voor de technologische verbetering van motoren en brandstoffen, gedifferentieerde milieuheffingen, de opstelling van milieucontracten en een betere luchtverkeersleiding, met duidelijke doelstellingen en controleprocedures en met sancties om eerlijke concurrentie op de interne markt te waarborgen;

18.  verzoekt de Commissie een onderzoek in te stellen om deze alternatieve oplossingen te analyseren;

19.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB C 139 van 6.5.1997, blz. 14.
(2) PB C 150 van 28.5.1999, blz. 82.
(3) PB C 200 van 30.6.1997, blz. 249.

Laatst bijgewerkt op: 2 juni 2004Juridische mededeling