Terug naar het Europarl-portaal

Choisissez la langue de votre document :

 Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Aangenomen teksten
PDF 103k
Donderdag 17 januari 2002 - Straatsburg Definitieve uitgave
Geïntegreerd productenbeleid
P5_TA(2002)0014A5-0419/2001

Resolutie van het Europees Parlement inzake het Groenboek van de Commissie over het geïntegreerd productenbeleid (COM(2001) 68 – C5-0259/2001 – 2001/2117(COS))

Het Europees Parlement ,

–  gezien het Groenboek van de Commissie (COM(2001) 68 – C5-0259/2001),

–  gezien het Witboek van de Commissie van 5 december 1993 "Groei, concurrentie en werkgelegenheid - Wegen en uitdagingen naar de 21e eeuw" (COM(1993) 700),

–  gelet op artikel 47, lid 1 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en consumentenbeleid en het advies van de Commissie industrie, externe handel, onderzoek en energie (A5-0419/2001),

A.  van mening dat een geïntegreerd productbeleid dat de duurzame ontwikkeling onderbouwt, niet alleen in economisch opzicht efficiënt maar in de eerste plaats vanuit milieuoogpunt effectief moet zijn en tevens moet bijdragen aan het maatschappelijk welzijn binnen en buiten de EU,

B.  overwegende dat er dringend iets gedaan moet worden om de niet-duurzame trends halt te roepen zoals het uitputten van natuurlijke hulpbronnen, klimaatverandering, verspreide emissies van gevaarlijke stoffen en de toename van de hoeveelheden afval, met name gevaarlijk afval;

C.  overwegende dat GPB een nuttig extra-instrument voor de wetgeving kan zijn;

D.  overwegende dat de consument zijn keuzevrijheid niet alleen benut omwille van de kwaliteit van de producten, maar ook vanwege zijn koopkracht;

E.  van mening dat rekening moet worden gehouden met het enge verband tussen het zesde communautair actieprogramma op milieugebied 2001-2010, het witboek voor een strategie voor een toekomstig chemischestoffenbeleid en de strategie van de Europese Unie in verband met een geïntegreerd productbeleid,

F.  overwegende dat de programma's en financiering van onderzoek en technologische ontwikkeling bij moeten dragen aan de concrete toepassing van het geïntegreerd productenbeleid;

G.  overwegende dat tevens rekening moet worden gehouden met de positie van de verschillende lidstaten bij het ontwerpen van een geïntegreerd productbeleid dat voor alle landen aanvaardbaar is,

H.  overwegende dat een geïntegreerd productbeleid gebaseerd moet zijn op de verantwoordelijkheid van elke betrokkene: producenten voor design, productie, marketing en levenseinde van het product; consumenten voor de aanschaf en het gebruik van het product en hoe het product wordt afgedankt, afhankelijk van de beschikbare faciliteiten,

I.  overwegende dat de verantwoordelijkheid van de individuele producent essentieel is voor het ontwikkelen van een milieuvriendelijk productdesign,

1.  acht het voorstel van de Commissie interessant maar onbevredigend en is van mening dat een algemener en beter doordacht beleidsvoorstel wenselijk is, in het kader waarvan op duidelijker wijze naar behoren rekening wordt gehouden met iedere schakel in de productieketens, bij voorbeeld grondstoffen, energieverbruik, verpakking en vervoer; het zou, om uit te kunnen gaan van meer nauwkeurige en gecoördineerde grondslagen, eveneens wenselijk zijn geweest dat er een diepgaander onderzoek was ingesteld naar de gevolgen die milieumaatregelen in het kader van andere beleidsvormen met zich meebrengen voor de Europese productiesector; het zou alle betrokkenen in de toekomst veel onnodig werk besparen indien de Commissie nauwkeuriger documenten opstelt als uitgangspunt voor de werkzaamheden van het Parlement;

2.  benadrukt hoe nodig het is de toekenning en controle op een toekomstig Europees milieulabel beter te definiëren;

3.  gaat ervan uit dat de Commissie geen witboek inzake geïntegreerd productenbeleid indient alvorens nauwkeurig de standpunten van het Parlement omtrent het groenboek te hebben bestudeerd;

4.  betreurt het dat er geen duidelijke doelstellingen met tijdschema's zijn voor GPB en al evenmin methodes en indicatoren om de vorderingen van het GPB te boekstaven; verzoekt de Commissie deze te ontwikkelen als randvoorwaarde voor het welslagen van het GPB;

5.  wil dat het GPB gericht is op een aanzienlijke vermindering van de totale belasting van het milieu door de hoeveelheid en het risico van in omloop zijnde producten aan de hand van duidelijke tijdschema's;

6.  beklemtoont dat het GPB de bestaande wetsinstrumenten moet aanvullen en nooit mag dienen ter vervanging of afzwakking van EG-wetgeving;

7.  verzoekt de Commissie om verdere wetgeving voor te stellen, gebaseerd op het principe dat de producent verantwoordelijk is, naar aanleiding van de implementatie van dit principe in de richtlijnen voor levenseinde voertuigen en afval van elektr(on)ische apparaten;

8.  verzoekt de Commissie om een kritische evaluatie van de successen en mislukkingen van de Nieuwe aanpak-wetgeving om te zien of deze wetgeving spoort met de doelen van het GPB;

9.  verzoekt de Commissie zo snel mogelijk te beginnen met geschikte modelprojecten;

10.  is van mening dat het, gezien het ingewikkelde karakter van het proces waar de producent van belang is, de consument en de overheid er bij te betrekken en rekening te houden met de gevolgen voor andere economische sectoren zoals onderwijs of maatschappelijk terrein; het geïntegreerd productenbeleid moet vooral bijdragen aan het inzetten van arbeid waarvan de kennis kan integreren en interageren met duurzame ontwikkeling mede door deelname van de werknemers aan kennis en intelligente arbeid;

11.  benadrukt hoe nodig het is de diensten op te nemen op het toepassingsveld van het geïntegreerd beleid om nadelige gevolgen voor het milieu terug te dringen; betreurt dat nog onvoldoende aandacht is besteed aan de groeiende dienstverleningssector en beveelt een gelijksoortige aanpak aan voor de milieugevolgen van diensten (met name vervoer en toerisme);

12.  verzoekt de Commissie de huidige consumptiepatronen te bestuderen en mogelijkheden te zoeken om dematerialisatie te bevorderen en daarbij te benadrukken welke rol diensten kunnen spelen ter vervanging van producten;

13.  legt de nadruk op het belang om de participatieniveaus duidelijk te structureren alsook de samenwerkingsvormen tussen de verschillende betrokken groepen; stelt vast dat bij de normering (CEN en ISO) meer rekening moet worden gehouden met milieuaspecten en steunt de bevordering van het EHD-project (Environmental Help Desk) op Europees niveau; benadrukt dat de integratie van milieuzorgen in de Europese standaardisering een belangrijke factor is bij een geïntegreerd productenbeleid; dringt er bij de Commissie met klem op aan ervoor te zorgen dat alle betrokken partijen naar behoren vertegenwoordigd zijn bij het standaardiseringsproces, o.a. vertegenwoordigers van milieu- en consumentenorganisaties; spoort de Commissie aan om zo snel mogelijk met een voorstel te komen voor een herziening van de Nieuwe aanpak ter wille van een reële integratie van de zorg om het milieu in de standaardisering, waarin wordt verduidelijkt welke aard van besluiten in het kader van het milieubeleid via standaardisering moeten worden genomen en welke besluiten die in transparante democratische processen moeten worden genomen aan de wetgever moeten worden overgelaten,

14.  herinnert eraan dat de overheid bij het gebruik van haar bevoegdheden duidelijk haar rol moet specificeren door minimumeisen te stellen aan milieu-indicatoren, duidelijke doelstellingen en tijdschema's. Vrijwillige afspraken moeten alleen als sturend instrument worden gebruikt wanneer de doelstellingen door de wetgever in een transparant democratisch proces worden vastgelegd, waarbij de participatie van het publiek is gewaarborgd en wanneer zij gepaard gaan met passend toezicht en wanneer de staat sancties kan opleggen. Het GPB en andere vrijwillige afspraken mogen bestaande en toekomstige wetgeving niet vervangen, alleen maar aanvullen;

15.  benadrukt dat een geïntegreerd productbeleid fundamenteel van een multidimensionale en globale levenscyclus moet uitgaan;

16.  is van mening dat dwang i.v.m. de noodzaak van een milieuvriendelijkere productiewijze rekening moet houden met de specifieke kenmerken van het MKB, ambachtelijke bedrijven en traditionele productiemethodes;

17.  is van mening dat, wil men de kosten van de maatregelen terugdringen en het midden- en kleinbedrijf niet buitensluiten, er milieu-indicatoren moeten worden vastgesteld gebaseerd op basis van een vereenvoudigde analyse van de levenscyclus van de producten; wijste erop dat het van belang is dat nauwkeurige en gemeenschappelijke parameters worden bepaald voor deze analyse van de levenscyclus. Deze indicatoren moeten representatief en consistent zijn, een weerspiegeling van de prioritaire milieuimpact en de belangrijkste milieuaspecten van elk productengamma; zij moeten langs wegen van consensus worden vastgesteld (bijvoorbeeld productenpanels) door samen te werken met de verschillende betrokken groeperingen zodat de meest relevante worden uitgekozen en de belangrijkste bemiddelingsmethodologieën. Toch mag men niet vergeten om de zoveel tijd deze indicatoren zonodig bij te stellen ter wille van de actualisering; de LCA-methode is moeilijk toe te passen vooral waar het gaat om middelen, tijdsduur en afleesbaarheid van de resultaten. Deze moeilijkheden worden alleen maar groter wanneer het om kleine en middelgrote bedrijven gaat en wanneer er structurele verschillen bestaan tussen het ene land en het andere (bijv. een andere energiemix);

18.  benadrukt hoezeer het nodig is bedrijven aan te moedigen om actief eenvoudige milieuindicatoren te ontwikkelen die gemakkelijk kunnen worden gebruikt bij internationale productienetwerken en ketens;

19.  benadrukt dat op grond van een levenscyclusanalyse en van krachtige indicatoren een kader kan worden vastgesteld dat de bedrijven, door integratie van milieuaspecten in hun strategisch denken, hun productdesign en hun productie, zelfstandig invullen; wijst erop dat het opnemen van de eigen verantwoordelijkheid en innovatievermogen belangrijke bouwstenen zijn om tot een geïntegreerd productbeleid te komen;

20.  bepleit dat de prijzen een zo getrouw mogelijke weergave moeten zijn van de milieukosten en dat eco-design-producten moeten worden gepromoot. Dit kan gebeuren door gebruik te maken van prijsmechanismen en goedkeuring van maatregelen om externe kosten te interioriseren;

21.  verzoekt de Commissie die subsidies te verminderen en/of af te schaffen die strijdig zijn met de opzet van het GPB;

22.  is van mening dat integratie van alle milieukosten bij de prijsstelling voor producten er niet toe mag leiden dat consumenten met een kleine beurs buiten worden gesloten; daarom moet men, op straffe van uitsluiting, de juiste stimuleringsinstrumenten en maatregelen uit de kast halen zowel naar ondernemingen als naar particulieren toe, zoals financiële steun (voor standaardisering en aanpassing van productieprocessen) of belastingprikkels (een laag BTW-tarief);

  23. stelt de Commissie voor te bezien of het mogelijk is de GPB-doelstellingen na te steven op OESO- en WTO-niveau; beveelt intensieve samenwerking aan tussen DG milieu en DG handel over het WTO-vraagstuk; verzoekt de Commissie de gevolgen van wereldwijde aanbodketens voor het IPP, de rol van IPP in ontwikkelingslanden en de compatibiliteit met de regels van de WTO te analyseren en voorstellen in te dienen voor herzieningen van de WTO-regels, indien nodig;

24.  dringt er bij de overheid op aan de ontwikkeling van milieutechnisch meer correcte producten te faciliteren door het stimuleren van onderzoek op dit terrein en verspreiding van de resultaten ervan; is van mening dat dergelijk onderzoek ook gericht moet zijn op de ontwikkeling van de detailketen in de richting van het verkopen van een dienst in plaats van het bezit van een product;

25.  is van mening dat de toepassing van de maatregelen geleidelijk gestalte moet krijgen door beetje bij beetje het aantal productencategorieën uit te breiden. Alle maatregelen moeten het voor de producent gemakkelijker maken de milieueffecten te herkennen van de door hem op de markt gebrachte producten door de mogelijkheden van milieutechnische verbetering van deze producten;

26.  dringt erop aan dat het concept geïntegreerd productbeleid voor afzonderlijke sectoren en eventueel voor afzonderlijke producten wordt ontwikkeld, zodat dit concept ook echt in de praktijk kan worden omgezet;

27.  is verheugd dat er in de lidstaten voor afzonderlijke producten een begin wordt gemaakt met een werkbaar geïntegreerd productbeleid op grond van levenscyclusanalyse; acht het noodzakelijk dat deze ervaringen in een toekomstig witboek en in de toekomstige regelgeving worden opgenomen;

28.  benadrukt dat de lidstaten hun ervaringen inzake geïntegreerd productbeleid of deelgebieden ervan voor geheel de EU toegankelijk moeten maken en dat deze activiteiten in een netwerk moeten worden opgenomen en moeten worden geïntensiveerd;

29.  wijst erop dat een geïntegreerd productbeleid gebaseerd moet zijn op communicatie en samenwerking tussen de verschillende betrokken onderdelen: Het is van belang zoals de opleiding van productontwikkelaars, procesontwikkelaars alsook voorlichting aan de consument dat de doelgroepen duidelijk worden gedefinieerd zodat de communicatiewerktuigen adequaat kunnen worden ingezet; wijst er verder op dat deze communicatie productgebonden moet zijn en op de specifieke eisen van het product in kwestie moet zijn afgestemd;

30.  acht het noodzakelijk een educatiestrategie te ontwikkelen met een geleidelijk karakter voor de lange termijn en gericht op de uiteindelijke consument. Slechts een aanvullende informatie naar de burger toe kan dit doel helpen bereiken de maatregelen adequaat de onrust bij de consument wegnemen door bekendheid met de milieukwaliteiten van de door hem gekochte producten; een uitgebreider gebruik van milieuetikettering aan te moedigen; bijgevolg moeten de producenten/dienstverleners op gepaste wijze aan de consument elementaire informatie over de totale levenscyclus van hun product/dienst verstrekken;

31.  stelt vast dat dankzij meer interactie tussen consumenten, consumentenorganisaties, handel en producenten, de consumentenrechten worden versterkt en de consumenten over meer controleerbare en transparante informatie beschikken;

32.  benadrukt dat bij de omzetting van het geïntegreerd productbeleid het bestaande Gemeenschapsrecht moet worden gebruikt, en dat enkel voor regelgevingslacunes nieuwe instrumenten mogen worden ingesteld;

33.  acht het noodzakelijk dat producten op grond van hun milieueffecten verschillend worden belast en dat dit in een Europees vastgesteld kader gebeurt;

34.  wijst op de noodzaak milieucriteria in te voeren bij overheidsopdrachten;

35.  dringt aan op een adequate combinatie van de in het Groenboek voorgestelde instrumenten om doublures te voorkomen en de conflictstof weg te nemen die zich kan ophopen, wanneer de maatregelen tegelijk worden ingevoerd;

36.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

Laatst bijgewerkt op: 5 juli 2004Juridische mededeling