Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2007/2253(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A6-0303/2008

Ingediende teksten :

A6-0303/2008

Debatten :

PV 22/09/2008 - 23
CRE 22/09/2008 - 23

Stemmingen :

PV 25/09/2008 - 7.4
CRE 25/09/2008 - 7.4
Stemverklaringen
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P6_TA(2008)0459

Aangenomen teksten
WORD 73k
Donderdag 25 september 2008 - Brussel Definitieve uitgave
Concentratie en pluralisme van de media in de Europese Unie
P6_TA(2008)0459A6-0303/2008

Resolutie van het Europees Parlement van 25 september 2008 over concentratie en pluralisme in de media in de Europese Unie (2007/2253(INI))

Het Europees Parlement ,

–   gelet op artikel 11 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–   gelet op het aan het Verdrag van Amsterdam gehechte Protocol betreffende het publieke-omroepstelsel in de lidstaten(1) (Protocol bij het Verdrag van Amsterdam),

–   gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie getiteld "Pluralisme van de media in de EU-lidstaten" (SEC(2007)0032),

–   gezien Richtlijn 2007/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2007 tot wijziging van Richtlijn 89/552/EEG van de Raad betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake de uitoefening van televisieomroepactiviteiten(2) ,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 20 november 2002 over mediaconcentratie(3) ,

–   gezien de Unesco-conventie van 2005 inzake de bescherming en promotie van de diversiteit van culturele expressies (Unesco-verdrag over culturele diversiteit),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 22 april 2004 over de risico's van schending in de EU en met name in Italië van de vrijheid van meningsuiting en informatie (artikel 11, lid 2, van het Handvest van de grondrechten)(4) ,

–   gezien de mededeling van de Commissie van 2001 betreffende de toepassing van de regels inzake staatssteun op openbare omroepen(5) ,

–   gezien de resolutie van de Raad van 25 januari 1999 betreffende de publieke omroep(6) ,

–   gezien Aanbeveling Rec(2007)3 van 31 januari 2007 van het Comité van ministers van de Raad van Europa aan de lidstaten over de taak van publiekrechtelijke media in de informatiemaatschappij,

–   gezien Aanbeveling Rec1466(2000) van 27 juni 2000 van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa over media-educatie,

–   gezien Aanbeveling Rec(2007)2 van 31 januari 2007 van het Comité van ministers van de Raad van Europa inzake mediapluralisme en inhoudelijke verscheidenheid in de media,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 13 november 2007 over de interoperabiliteit van digitale interactieve televisiediensten(7) ,

–   gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie cultuur en onderwijs en de adviezen van de Commissie economische en monetaire zaken, de Commissie industrie, onderzoek en energie en de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A6-0303/2008),

A.   overwegende dat de Europese Unie heeft bevestigd dat zij zich zal inzetten voor de verdediging en de bevordering van pluriformiteit in de media als essentiële pijler van het recht op informatie en de vrijheid van meningsuiting, zoals vastgelegd in artikel 11 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, hetgeen grondbeginselen blijven voor het behoud van democratie, een pluralistische samenleving en culturele verscheidenheid,

B.   overwegende dat het Europees Parlement reeds herhaaldelijk de wens te kennen heeft gegeven dat de Commissie zowel in de mediasector als in de informatiemaatschappij als zodanig een stabiel wetgevingskader creëert, waarmee wordt ingestaan voor een vergelijkbaar niveau van bescherming van het pluralisme in de lidstaten en de marktdeelnemers in de gelegenheid worden gesteld van de door de interne markt geboden mogelijkheden gebruik te maken,

C.   overwegende dat de idee van mediapluralisme, zoals de Commissie in haar bovengenoemde werkdocument onderstreept, zich niet mag beperken tot het vraagstuk van de concentratie van eigendom in de sector, maar ook aangelegenheden betreffende de dienstverlening van de openbare omroep, de politieke macht, de economische concurrentie, de culturele verscheidenheid, de ontwikkeling van nieuwe technologieën, de transparantie en de arbeidsomstandigheden van journalisten in de Europese Unie omvat,

D.   overwegende dat de openbare omroepen moeten kunnen rekenen op de inkomsten en instrumenten die noodzakelijk zijn om te garanderen dat zij daadwerkelijk onafhankelijk zijn van politieke druk en de krachten van de markt,

E.   overwegende dat de openbare omroepen thans volkomen onterecht en ten koste van de kwaliteit van hun programma's onder druk worden gezet om qua kijk- en luistercijfers de concurrentie aan te gaan met de commerciële zenders, die uiteindelijk niet uit zijn op kwaliteit, maar beogen aan de wensen van een zo groot mogelijk publiek te voldoen,

F.   overwegende dat het Unesco-verdrag over culturele diversiteit onder meer groot belang hecht aan het creëren van omstandigheden die bevorderlijk zijn voor pluralisme van de media,

G.   overwegende dat het zelfde Unesco-verdrag over culturele diversiteit het recht van de verdragsluitende partijen erkent om maatregelen te treffen ter versterking van pluralisme van de media, mede door openbare omroepen,

H.   overwegende dat de belangrijke rol van de openbare audiovisuele media voor het waarborgen van pluralisme wordt erkend in het Unesco-verdrag over culturele diversiteit en in het Protocol bij het Verdrag van Amsterdam, waarin wordt gestipuleerd dat het publiekeomroepstelsel in de lidstaten rechtstreeks verband houdt met de democratische, sociale en culturele behoeften van iedere samenleving en met de noodzaak pluralisme in de media te behouden, terwijl de lidstaten de bevoegdheid hebben om de opdracht van openbare televisieomroepen te bepalen en te voorzien in de financiering van deze omroeporganisaties,

I.   overwegende dat in de reeds aangehaalde mededeling van de Commissie van 2001 de centrale rol die openbare omroeporganisaties bij de bevordering van pluralisme en culturele en taalkundige diversiteit spelen, volledig wordt erkend, en dat de Commissie in deze mededeling benadrukt dat zij bij haar onderzoek van desbetreffende staatssteun criteria zal hanteren zoals het belang van de bevordering van culturele diversiteit en het voorzien in de democratische, sociale en culturele behoeften van iedere samenleving,

J.   overwegende dat in de reeds aangehaalde resolutie van de Raad van 25 januari 1999 wordt herhaald dat het openbare omroepstelsel van essentieel belang is voor pluralisme en verlangt dat de lidstaten de openbare omroep een ruime opdracht geven die een weerspiegeling vormt van zijn rol bij het verspreiden van de voordelen van nieuwe audiovisuele en informatiediensten en nieuwe technologieën onder de burgers,

K.   overwegende dat het Protocol bij het Verdrag van Amsterdam is goedgekeurd om ervoor te zorgen dat de lidstaten de bevoegdheid hebben om hun nationale openbare omroepstelsel te organiseren op een manier die is afgestemd op de democratische en culturele behoeften van hun samenleving, zodat het zoveel mogelijk bijdraagt tot het behoud van de mediapluriformiteit,

L.   overwegende dat bovengenoemde Aanbeveling Rec(2007)3 onderstreept dat het openbare omroepstelsel een specifieke rol speelt als een bron van onpartijdige en onafhankelijke informatie en commentaar en van innovatieve en gevarieerde inhoud die aan hoge ethische en kwaliteitsnormen voldoet, en als een forum voor openbare discussie en als middel voor de bevordering van bredere democratische participatie van de burgers, en overwegende dat deze aanbeveling derhalve verlangt dat de lidstaten de bevoegdheid dienen te behouden om de opdracht van de openbare omroep aan te passen opdat deze zijn functie in een nieuwe mediaomgeving kan vervullen,

M.   overwegende dat mediapluriformiteit alleen kan worden gegarandeerd door een gepast politiek evenwicht van de inhoud van de openbare televisieomroepen,

N.   overwegende dat de ervaring leert dat onbeperkte concentratie van eigendom een bedreiging vormt voor pluriformiteit en culturele diversiteit en overwegende dat mediapluriformiteit niet kan worden gewaarborgd door een systeem dat uitsluitend op vrije mededinging is gebaseerd,

O.   overwegende dat het tweepijlermodel voor particuliere en openbare televisieomroep en audiovisuele mediadiensten in Europa bevorderlijk is gebleken voor de mediapluriformiteit en verder dient te worden ontwikkeld,

P.   overwegende dat concentratie van eigendom ertoe leidt dat beroepsmensen uit de mediawereld in toenemende mate afhankelijk worden van de eigenaren van grote mediaondernemingen,

Q.   overwegende dat nieuwe technologieën, en met name de overgang op digitale technologie voor de productie en de verspreiding van audiovisuele inhoud en de intrede van nieuwe communicatie- en informatiediensten op de markt, van grote invloed zijn op de kwantiteit van de aangeboden producten en van de middelen tot verspreiding; overwegende dat een kwantitatieve toename van media en diensten niet automatisch leidt tot diversiteit van de inhoud; overwegende dat nieuwe, gemoderniseerde instrumenten nodig zijn om de mediapluriformiteit en de culturele diversiteit alsmede een snelle en objectieve informatievoorziening aan het publiek te waarborgen,

R.   overwegende dat het huidige regelgevingskader voor telecommunicatie, dat gekenmerkt is door een nauw verband tussen de regelgeving voor infrastructuur en die voor inhoud, de lidstaten geschikte technische instrumenten voor de bescherming van de pluriformiteit van media en inhoud, zoals toegangs- en "must carry"-regels, aan de hand doet,

S.   overwegende dat de eerbiediging van het beginsel van pluriformiteit van informatie en diversiteit van de inhoud evenwel niet automatisch door technologische vernieuwingen wordt gewaarborgd, maar door een actief, samenhangend en oplettend beleid van de kant van nationale en de Europese overheidsinstanties tot stand moet worden gebracht,

T.   overwegende dat met de komst van het internet de toegang tot verschillende informatiebronnen, meningen en opinies enorm is toegenomen, maar dat internet de traditionele media voorlopig nog niet vervangen heeft als bepalend voor de publieke opinievorming,

U.   overwegende dat krantenuitgevers hun aanbod dankzij de technologische ontwikkelingen steeds meer via het internet verspreiden en daarbij in aanzienlijke mate afhankelijk zijn van (on-line) reclame-inkomsten,

V.   overwegende dat de media een instrument van politieke beïnvloeding blijven; overwegende dat er aanzienlijke risico's zijn verbonden aan het vermogen van de media om als waakhond van de democratie op te treden omdat particuliere mediaondernemingen zich veelal in de eerste plaats door winstbejag laten leiden; overwegende dat dit het gevaar met zich meebrengt dat de diversiteit, de kwaliteit van de inhoud en de verscheidenheid van meningsuitingen achteruitgaan en dat om die reden de waarborging van pluralisme in de media niet uitsluitend kan worden overgelaten aan marktmechanismen,

W.   overwegende dat grote mediaondernemingen in sommige lidstaten aanzienlijke en vaak dominante marktposities hebben opgebouwd, en dat de onafhankelijkheid van de media wordt bedreigd door mediagroepen die eigendom zijn van ondernemingen die naar overheidsopdrachten kunnen meedingen,

X.   overwegende dat de bijdrage van multinationale mediaondernemingen in sommige nieuwe lidstaten van cruciaal belang is om het medialandschap nieuw leven in te blazen, maar dat ook bepaalde verbeteringen met betrekking tot de arbeidsomstandigheden en de salariëring nodig zijn,

Y.   overwegende dat de arbeidsomstandigheden en de kwaliteit van het werk van beroepsmensen uit de mediawereld moeten worden verbeterd, en overwegende dat bij ontstentenis van sociale garanties een toenemend aantal journalisten met onzekere arbeidsomstandigheden te maken heeft,

Z.   overwegende dat het mededingingsrecht van de EU in relatief weinig mogelijkheden voorziet om concentratie in de media aan te pakken, omdat de financiële schaal van de op verticale en horizontale concentratie van media-eigendom gerichte activiteiten in de nieuwe lidstaten van de EU nog niet de grens heeft bereikt waarop het mededingingsrecht zijn invloed begint te doen gelden,

AA.   overwegende dat de invoering van te restrictieve regels inzake media-eigendom het gevaar met zich meebrengt dat het concurrentievermogen van Europese ondernemingen op de wereldmarkt wordt verzwakt en dat de invloed van niet-Europese mediagroepen toeneemt,

AB.   overwegende dat de mediaconsument toegang moet hebben tot een breed aanbod van inhoud,

AC.   overwegende dat media-aanbieders ernaar streven inhoud te bieden van de hoogst mogelijke kwaliteit, maar dat de omstandigheden daarvoor niet in alle lidstaten geheel en al toereikend zijn,

AD.   overwegende dat de verspreiding van nieuwe media (breedband internet, satellietkanalen, digitale terrestrische televisie) en de verschillende vormen van media-eigendom op zichzelf niet volstaan om de inhoudelijke pluriformiteit van de media te garanderen,

AE.   overwegende dat de regels inzake inhoudelijke kwaliteit en de bescherming van minderjarigen zowel in de openbare als in de commerciële media moeten worden toegepast,

AF.   overwegende dat mediaondernemingen onontbeerlijk zijn voor pluralisme in de media en voor het behoud van de democratie en zich daarom actiever dienen in te zetten voor praktijken op het gebied van bedrijfsethiek en maatschappelijke verantwoordelijkheid,

AG.   overwegende dat commerciële mediabedrijven, tegen een geringe of geen vergoeding, meer en meer gebruikmaken van door particuliere gebruikers gegenereerde inhoud, met name audiovisuele inhoud, hetgeen problemen van ethische aard opwerpt, evenals problemen met betrekking tot de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, een praktijk waardoor journalisten en andere beroepsmensen uit de mediawereld onder buitensporige concurrentiedruk worden geplaatst,

AH.   overwegende dat weblogs een belangrijke nieuwe bijdrage aan de vrijheid van meningsuiting leveren en een steeds gangbaarder medium vormen voor beroepsmensen uit de mediawereld en privépersonen;

AI.   overwegende dat openbare omroepen een stabiele financiering dienen te krijgen, eerlijk en evenwichtig moeten optreden en over de middelen moeten beschikken om de publieke belangen en maatschappelijke waarden te kunnen bevorderen,

AJ.   overwegende dat onder de lidstaten de interpretaties ten aanzien van wat de opdracht van de openbare media is en hoe deze moet worden gefinancierd, wijd uiteenlopen,

AK.   overwegende dat de openbare media alleen op audiovisueel en niet-lineair vlak een opmerkelijke marktaanwezigheid hebben,

AL.   overwegende dat het Europese audiovisuele model gebaseerd moet blijven op het evenwicht tussen een sterk, onafhankelijk en pluriform openbaar stelsel en een dynamische commerciële mediasector; overwegende dat het behoud van dit model van essentieel belang is voor de vitaliteit en kwaliteit van het scheppingsproces, het pluralisme van de media alsmede de eerbiediging en bevordering van culturele diversiteit,

AM.   overwegende dat de openbare media van de lidstaten soms lijden onder ontoereikende financiering en politieke druk,

AN.   overwegende dat de openbare omroepstelsels de hun door de lidstaten toegewezen taken alleen kunnen vervullen wanneer aan de voorwaarden van langetermijnfinanciering en gegarandeerde onafhankelijkheid is voldaan, wat lang niet in alle lidstaten het geval is,

AO.   overwegende dat in sommige lidstaten de openbare media zowel in de zin van kwaliteit als in de zin van het bereikte publiek een vooraanstaande rol kunnen spelen,

AP.   overwegende dat universele toegang tot pluriforme inhoud van hoge kwaliteit in deze context van technologische veranderingen en toenemende concentratie en in een steeds competitievere en sterker gemondialiseerde omgeving nog crucialer wordt; overwegende dat openbare audiovisuele diensten essentieel zijn voor de democratische meningsvorming, voor het kennis kunnen nemen van de culturele verscheidenheid en voor het waarborgen van pluralisme; overwegende dat deze diensten ter vervulling van hun opdracht gebruik moeten kunnen maken van de nieuwe uitzendplatforms teneinde alle groepen van de samenleving te kunnen bereiken, ongeacht de gebruikte toegangstechnologie;

AQ.   overwegende dat openbare media over een toereikende overheidsfinanciering dienen te beschikken opdat zij kunnen concurreren met commerciële media door culturele inhoud en nieuwsberichten van hoge kwaliteit te bieden,

AR.   overwegende dat de laatste tien jaar nieuwe mediakanalen zijn opgekomen en dat het toenemend aandeel aan reclameopbrengsten dat naar exploitanten van websites gaat, de traditionele media de nodige zorgen baart,

AS.   overwegende dat openbare omroepen en commerciële omroepen, naast nieuwe spelers, een complementaire rol zullen blijven spelen in het nieuwe audiovisuele landschap dat is gekenmerkt door een verscheidenheid aan distributieplatforms,

AT.   overwegende dat de EU geen directe bevoegdheid heeft om de concentratie in de media te reguleren, maar dat haar bevoegdheden op verschillende beleidsgebieden haar in staat stellen een actieve rol te spelen bij het waarborgen en bevorderen van mediapluriformiteit; overwegende dat het mededingingsrecht en de regelgeving inzake staatssteun, audiovisuele media en telecommunicatie alsmede externe (handels)betrekkingen terreinen zijn waarop de EU een actief beleid ter versterking en bevordering van mediapluriformiteit kan en moet voeren,

AU.   overwegende dat er een groeiend aantal conflicten over de vrijheid van meningsuiting is,

AV.   overwegende dat media-educatie in de informatiemaatschappij een essentieel instrument is om burgers in staat te stellen een geïnformeerde en actieve bijdrage tot de democratie te leveren,

AW.   overwegende dat in het licht van het toegenomen aanbod (vooral dankzij internet), het interpreteren en inschatten van de waarde van de informatie steeds belangrijker wordt,

AX.   overwegende dat de bevordering van de mediageletterdheid onder de burgers van de Europese Unie veel sterker moet worden gesteund,

AY.   overwegende dat de Europese media thans op een gemondialiseerde markt opereren, wat betekent dat vergaande beperkingen met betrekking tot eigendomsstructuren sterk afbreuk zullen doen aan hun vermogen om met ondernemingen uit derde landen te concurreren die niet aan dergelijke beperkingen onderhevig zijn; overwegende dat het derhalve noodzakelijk is om een evenwicht te vinden tussen de consequente toepassing van eerlijke mededingingsregels en de instelling van pluralistische beschermingsmechanismen enerzijds en de waarborging van voldoende speelruimte voor ondernemingen om op de internationale markt te kunnen concurreren anderzijds,

AZ.   overwegende dat wij in een maatschappij leven waarin wij permanent met informatie, rechtstreekse communicatie en ongefilterde boodschappen worden overstelpt, terwijl de selectie van informatie bijzondere vaardigheden vereist,

BA.   overwegende dat maatregelen ter bestendiging en bevordering van pluralisme in de media een fundamentele rol moeten spelen in de externe betrekkingen van de EU (op handelsgebied en op andere terreinen), met name in de context van het Europese nabuurschapsbeleid, de uitbreidingsstrategie en bilaterale partnerschapsovereenkomsten,

1.   dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan om de pluriformiteit van de media te waarborgen, om te zorgen dat alle EU-burgers in alle lidstaten toegang hebben tot vrije en gediversifieerde media, en om waar nodig aanbevelingen voor verbeteringen te doen;

2.   is ervan overtuigd dat een pluriform mediasysteem een basisvereiste is voor het voortbestaan van het democratische, Europese sociaal model;

3.   stelt vast dat het Europese medialandschap onderhevig is aan een voortschrijdende convergentie, dit zowel wat de media als wat de markten betreft;

4.   benadrukt dat de concentratie van eigendom van het mediastelsel aanleiding geeft tot het ontstaan van een omgeving die de monopolisering van de reclamemarkt bevordert, belemmeringen doet ontstaan voor de doorbraak van nieuwe marktspelers en leidt tot een uniformisering van de media-inhoud;

5.   constateert dat winstgerichtheid steeds bepalender wordt voor de ontwikkeling van het mediastelsel en dat maatschappelijke, politieke en economische processen en de waarden die worden uitgedrukt in gedragscodes voor journalisten daardoor onvoldoende gewaarborgd worden; is daarom van mening dat mededingingswetten en mediawetgeving met elkaar verbonden moeten worden, om toegang, mededinging en kwaliteit te waarborgen en om te vermijden dat belangenconflicten ontstaan tussen de concentratie van media-eigendom en politieke macht, wat immers nadelige gevolgen zou hebben voor de vrije mededinging, gelijke mededingingsvoorwaarden en pluralisme;

6.   herinnert de lidstaten eraan dat bij besluiten van de nationale regelgevende instanties altijd moet worden gezocht naar een balans tussen de hen opgelegde taken en de vrijheid van meningsuiting, voor de bescherming waarvan de rechtbanken in laatste instantie verantwoordelijk zijn;

7.   verzoekt de Commissie zich ertoe te verbinden een stabiel wetgevingskader te bevorderen, dat een hoog niveau van bescherming van het pluralisme in alle lidstaten biedt;

8.   verlangt daarom dat het evenwicht tussen openbare en commerciële zenders - in die lidstaten waar openbare zenders bestaan - en de onderlinge verbinding van mededingings- en mediawetgeving gegarandeerd wordt, om de pluriformiteit van de media te bevorderen;

9.   is ervan overtuigd dat openbare instanties als hoofddoelstelling zouden moeten hebben voorwaarden te creëren die een hoog kwaliteitsniveau van de media garanderen (openbare media inbegrepen), en de mediadiversiteit en de volledige onafhankelijkheid van journalisten te waarborgen;

10.   verlangt maatregelen om de concurrentiepositie van de Europese mediaconcerns te verbeteren en daarmee een belangrijke bijdrage te leveren aan economische groei, die eveneens moet worden aangemoedigd door het bewustzijn en de kennis van de burger inzake economische en financiële onderwerpen aan te scherpen;

11.   benadrukt de toenemende invloed in de EU, en vooral in de nieuwe lidstaten, van media-investeerders uit derde landen;

12.   verlangt dat de mededingingswetgeving consequent wordt toegepast, zowel op EU- als op nationaal niveau, om de concurrentie te verscherpen en nieuwe mededingers toegang te verlenen tot de markt;

13.   is van mening dat de EU-mededingingswetgeving heeft bijgedragen tot het beperken van de mediaconcentratie; benadrukt echter het belang van een onafhankelijke controle op de media door de lidstaten en dringt er in dat verband op aan dat de nationale regelgeving met betrekking tot de media doeltreffend, duidelijk, transparant en van hoge kwaliteit is;

14.   juicht het voornemen van de Commissie toe concrete indicatoren te ontwikkelen om de pluriformiteit van de media te beoordelen;

15.   verlangt dat er afgezien van de pluriformiteit van de media nog andere indicatoren worden vastgelegd die kunnen worden gebruikt als criteria om de media te analyseren, met inbegrip van de positie van de mediasystemen op het gebied van democratie, rechtstaat, mensen- en minderhedenrechten en beroepsgedragscodes voor journalisten;

16.   is van mening dat de regelgeving voor mediaconcentratie niet enkel de eigendom en productie van media-inhoud mag omvatten, maar ook betrekking moet hebben op (elektronische) kanalen en mechanismen voor de toegang tot en de verspreiding van media-inhoud op het internet, zoals zoekmachines.

17.   onderstreept de noodzaak om te waarborgen dat personen met een handicap toegang hebben tot informatie;

18.   erkent dat zelfregulering een belangrijke rol speelt bij het waarborgen van mediapluriformiteit; is verheugd over bestaande initiatieven van de mediasector op dit gebied;

19.   moedigt de opstelling aan van een handvest voor persvrijheid dat erop is gericht de vrijheid van meningsuiting en mediapluriformiteit te waarborgen;

20.   roept ertoe op de persvrijheid te eerbiedigen en in de berichtgeving door de media de ethische gedragscode consequent na te leven;

21.   benadrukt het belang om toezichts- en uitvoeringssystemen voor mediapluriformiteit in te stellen op basis van betrouwbare en onpartijdige indicatoren;

22.   beklemtoont dat de autoriteiten van de EU en de lidstaten aan de hand van passende en gerichte wettelijke en maatschappelijke garanties moeten zorgen voor journalistieke en redactionele onafhankelijkheid, en wijst derhalve op het belang van de opstelling en uniforme toepassing in de lidstaten en alle markten waar in de EU gevestigde mediabedrijven opereren van gedragscodes voor uitgevers om te voorkomen dat eigenaars, aandeelhouders of externe instanties zoals regeringen zich met de inhoud van nieuwsberichten bemoeien;

23.   verzoekt de lidstaten om met behulp van gepaste middelen te zorgen voor een juist evenwicht tussen politiek en sociaal bewustzijn, met name in de context van nieuwsuitzendingen en actualiteitenprogramma's;

24.   verwelkomt de dynamiek en de diversiteit die het nieuwe medialandschap heeft gekregen als gevolg van de nieuwe media en bepleit een verantwoord gebruik van alle nieuwe technologieën, zoals mobiele tv, als platform voor commerciële, openbare en publieke (burger- en gemeenschaps-) media;

25.   moedigt een open gedachtewisseling aan over alle onderwerpen met betrekking tot de status van weblogs;

26.   steunt de bescherming van auteursrechten in online-media en pleit ervoor dat derden bij overgenomen verklaringen een bronvermelding moeten plaatsen;

27.   beveelt aan dat mediageletterdheid wordt opgenomen in Europese basisvaardigheden en ondersteunt de ontwikkeling van het Europese kerncurriculum voor mediageletterdheid, aangezien zij van cruciaal belang is voor het overbruggen van enigerlei digitale kloof;

28.   houdt eraan vast dat media-educatie erop moet zijn gericht de burgers de middelen te verschaffen om het steeds groter wordende volume aan informatie waarmee zij worden overstelpt, kritisch te interpreteren en te gebruiken, conform de reeds aangehaalde Aanbeveling Rec1466(2000); is van oordeel dat dit leerproces de burgers in staat zal stellen boodschappen te formuleren en de media te selecteren die het best geschikt zijn voor het overbrengen daarvan, zodat ze hun recht op informatievrijheid en meningsuiting ten volle kunnen uitoefenen;

29.   roept de Commissie op om in haar Europese aanpak van mediageletterdheid voldoende aandacht te besteden aan vaardigheden om inhoud op kritische wijze te beoordelen en hierover optimale werkmethoden uit te wisselen;

30.   verzoekt de Commissie en de lidstaten hun steun te verlenen aan een objectief kader voor de afgifte van vergunningen op het gebied van kabel- en satelliettelevisie en analoge en digitale uitzending, op basis van transparante en eerlijke criteria, teneinde tot een stelsel van pluriforme concurrentie te komen en misbruik van monopolie- of machtsposities door bedrijven te voorkomen;

31.   herinnert de Commissie eraan haar bij diverse gelegenheden te hebben verzocht met een richtlijn te komen ter waarborging van het pluralisme en ter bevordering en bescherming van de culturele verscheidenheid, zoals gedefinieerd in het Unesco-verdrag inzake culturele diversiteit, alsook alle mediabedrijven de toegang te garanderen tot de technische uitrusting die het hen mogelijk maakt om alle burgers te bereiken;

32.   verzoekt de lidstaten steun te verlenen aan openbare omroepen van een hoog kwaliteitsniveau, die een tegenwicht kunnen bieden voor de programma's van de commerciële zenders en die, zonder noodzakelijkerwijs te hoeven concurreren om kijk- en luistercijfers en reclameopbrengsten, in het Europees medialandschap een prominente plaats kunnen innemen als hoekstenen voor het behoud van het pluralisme in de media, de democratische dialoog en de toegang van alle burgers tot kwalitatief hoogwaardige programma's;

33.   verzoekt de Commissie en de lidstaten om nauwere samenwerking tussen de Europese regelgevende instanties te bevorderen en formele en informele discussies en gedachtewisselingen tussen regelgevende instanties in de omroepsector te intensiveren;

34.   pleit ervoor dat de openbare omroepen in de lidstaten, in voorkomend geval, het multiculturele karakter van de regio's weerspiegelen;

35.   bepleit dat het eigendom van alle media moeten worden bekendgemaakt, teneinde voor meer transparantie te zorgen met betrekking tot de doelstellingen en de achtergrond van de omroep of uitgever;

36.   moedigt de lidstaten aan om ervoor te zorgen dat de toepassing van de mededingingswetgeving op de media en op de internet- en de communicatietechnologiesector mediapluriformiteit mogelijk maakt en bevordert; roept de Commissie op bij de toepassing van de EU-mededingingsregels rekening te houden met de impact op het mediapluralisme;

37.   beveelt aan dat er dusdanige regels ten aanzien van staatssteun worden ontwikkeld en ingevoerd dat de openbare en publieke (burger- en gemeenschaps-) media wel hun functie kunnen blijven vervullen in een voortdurend veranderende omgeving en dat wordt gewaarborgd dat de openbare media de hun door de lidstaten toevertrouwde taken op transparante wijze vervullen en daarover verantwoording afleggen, waarbij misbruik van overheidsfinanciering om redenen van politiek of economisch eigenbelang wordt vermeden;

38.   verzoekt de Commissie bij haar beslissing over de noodzaak van een herziening van de reeds aangehaalde mededeling van 2001 naar behoren rekening te houden met het Unesco-verdrag inzake culturele diversiteit en bovengenoemde Aanbeveling Rec(2007)3; verzoekt de Commissie, indien zij tot een herziening van de bestaande richtsnoeren besluit, alle voorgestelde maatregelen of verhelderingen te beoordelen op hun effect voor de mediapluriformiteit en ervoor te zorgen dat deze de bevoegdheden van de lidstaten onverlet laten;

39.   beveelt de Commissie aan om – indien zij dit nodig acht – het proces van de herziening van de reeds aangehaalde mededeling van 2001 aan te grijpen om het openbare omroepstelsel als belangrijke garant van de mediapluriformiteit in de EU te versterken;

40.   is van oordeel dat het noodzakelijk is dat openbare audiovisuele media naast de traditionele programma's nieuwe informatiediensten en media ontwikkelen en met ieder digitaal netwerk en platform kunnen interageren, opdat zij in staat zijn hun taak in het tijdperk van digitale technologie te vervullen;

41.   is verheugd dat in sommige lidstaten bepalingen worden toegepast volgens welke kabeltelevisie-exploitanten openbare zenders moeten opnemen in hun aanbod en een deel van het digitale spectrum moeten toewijzen aan openbare omroepen;

42.   dringt bij de Commissie aan op een brede uitleg van de opdracht van openbare omroepen, volgens een dynamische en toekomstgerichte interpretatie van het Protocol bij het Vedrag van Amsterdam, met name wat betreft een niet aan beperkingen onderhevige deelname van het openbare omroepstelsel aan technologische ontwikkelingen en daaruit voortvloeiende vormen van productie en presentatie van inhoud (in de vorm van zowel lineaire als niet-lineaire diensten); meent dat hiertoe tevens een adequate financiering behoort van nieuwe diensten die deel uitmaken van de opdracht van de openbare omroepen;

43.   herhaalt dat bij de regulering van het gebruik van het digitale spectrum rekening moet worden gehouden met doelstellingen van algemeen belang, zoals mediapluriformiteit, en dat daarvoor niet een uitsluitend marktgerichte regeling kan worden ingevoerd; meent bovendien dat de lidstaten verantwoordelijk moeten blijven voor beslissingen over de toewijzing van frequenties, teneinde te kunnen voorzien in de specifieke behoeften van hun samenleving, met name wat betreft de waarborging en bevordering van mediapluriformiteit;

44.   beveelt aan om bij de herziening van het telecom-pakket vast te houden aan "must carry"-regels en deze waar nodig uit te breiden;

45.   is het eens met de reeds aangehaalde Aanbeveling Rec(2007)2 dat eerlijke toegang voor aanbieders van inhoud tot elektronische communicatienetwerken moet worden gewaarborgd;

46.   verwijst naar zijn reeds aangehaalde resolutie van 13 november 2007, aangezien interoperabiliteit van fundamenteel belang is voor het mediapluralisme;

47.   pleit voor een evenwichtige aanpak bij de toewijzing van het digitaal dividend teneinde alle marktdeelnemers gelijke toegang te garanderen en aldus mediapluralisme te waarborgen;

48.   is bezorgd over de machtspositie van enkele grote on-linespelers, die een belemmering vormt voor nieuwkomers op de markt en bijgevolg afbreuk doet aan creativiteit en ondernemerschap in deze sector;

49.   dringt aan op meer transparantie ten aanzien van persoonlijke gegevens en informatie van gebruikers die door internetzoekmachines, e-mailproviders en sociale netwerksites worden bijgehouden;

50.   is van oordeel dat regelgeving op EU-niveau de toegankelijkheid van elektronische programmagidsen en soortgelijke overzichts- en navigatiefaciliteiten voldoende garandeert, doch dat aanvullend optreden met betrekking tot de wijze van presentatie van de informatie over beschikbare programma's in overweging kan worden genomen, zodat diensten van algemeen belang gemakkelijk toegankelijk zijn; verzoekt de Commissie om via raadplegingprocedures na te gaan of minimale richtsnoeren dan wel sectorspecifieke regelgeving nodig zijn om het mediapluralisme te waarborgen;

51.   dringt erop aan dat het evenwicht tussen openbare en commerciële zenders alsook de coherente toepassing van het mededingingsrecht en de mediawetgeving worden gewaarborgd, teneinde het pluralisme in de media te versterken;

52.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB C 340 van 10.11.1997, blz. 109.
(2) PB L 332 van 18.12.2007, blz. 27.
(3) PB C 25 E van 29.1.2004, blz. 205.
(4) PB C 104 E van 30.4.2004, blz. 1026.
(5) PB C 320 van 15.11.2001, blz. 5.
(6) PB C 30 van 5.2.1999, blz. 1.
(7) Aangenomen teksten, P6_TA(2007)0497

Laatst bijgewerkt op: 3 juni 2009Juridische mededeling