Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2011/2312(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A7-0421/2012

Ingediende teksten :

A7-0421/2012

Debatten :

PV 14/01/2013 - 22
CRE 14/01/2013 - 22

Stemmingen :

PV 15/01/2013 - 9.2

Aangenomen teksten :

P7_TA(2013)0002

Aangenomen teksten
PDF 152kWORD 36k
Dinsdag 15 januari 2013 - Straatsburg Definitieve uitgave
De rol van ruimtelijke ordening in het kader van het cohesiebeleid
P7_TA(2013)0002A7-0421/2012

Resolutie van het Europees Parlement van 15 januari 2013 over de optimalisering van de rol van ruimtelijke ordening in het kader van het cohesiebeleid (2011/2312(INI))

Het Europees Parlement ,

–  gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name titel XVIII daarvan,

–  gezien Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad van 11 juli 2006 houdende algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1260/1999(1) ,

–  gezien Besluit 2006/702/EG van de Raad van 6 oktober 2006 betreffende communautaire strategische richtsnoeren inzake cohesie(2) ,

–  gezien zijn resolutie van 5 juli 2011 over het vijfde cohesieverslag van de Commissie en de strategie voor het cohesiebeleid na 2013(3) ,

–  gezien zijn resolutie van 23 juni 2011 over de bestaande situatie en de synergievoordelen die kunnen worden bereikt door het EFRO en de andere structuurfondsen beter op elkaar af te stemmen(4) ,

–  gezien zijn resolutie van 8 juni 2011 over investeren in de toekomst: een nieuw meerjarig financieel kader (MFK) voor een concurrerend, duurzaam en integratiegericht Europa(5) ,

–  gezien zijn resolutie van 23 juni 2011 over de Europese stedelijke agenda en de toekomst hiervan binnen het cohesiebeleid(6) ,

–  onder verwijzing naar zijn resolutie van 23 juni 2011 over doelstelling 3: een uitdaging voor territoriale samenwerking – de toekomstige agenda voor grensoverschrijdende, transnationale en interregionale samenwerking(7) ,

–  gezien zijn resolutie van 7 oktober 2010 over het cohesie- en regionaal beleid van de EU na 2013(8) ,

–  gezien zijn resolutie van 20 mei 2010 over de bijdrage van het cohesiebeleid aan de verwezenlijking van de Lissabon- en EU 2020-doelstellingen(9) ,

–  gezien zijn resolutie van 20 mei 2010 over de totstandbrenging van synergieën tussen voor onderzoek en innovatie bestemde fondsen in Verordening (EG) nr. 1080/2006 betreffende het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling en het zevende kaderprogramma voor onderzoek en ontwikkeling in steden en regio's alsmede in de lidstaten en de Unie(10) ,

–  gezien de door het Europees Parlement gepubliceerde studie getiteld „Cohesion policy after 2013: a critical assessment of the legislative proposals”,

–  gezien de conclusies van het Poolse voorzitterschap over de territoriale dimensie van EU-beleid en het toekomstig Cohesiebeleid van 24-25 november 2011(11) ,

–  gezien het voorstel van 6 oktober 2011 voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, die onder het gemeenschappelijk strategisch kader vallen, en tot vaststelling van algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 (COM(2011)0615),

–  gezien het voorstel van 6 oktober 2011 voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende specifieke bepalingen met betrekking tot het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling en de doelstelling „Investeren in groei en werkgelegenheid”, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1080/2006 (COM(2011)0614),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 9 november 2010 getiteld „Conclusies van het vijfde verslag over de economische, sociale en territoriale samenhang: de toekomst van het cohesiebeleid” (COM(2010)0642),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 19 oktober 2010 getiteld „The EU Budget Review” (COM(2010)0700) en de technische bijlagen daarbij (SEC(2010)7000),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 6 oktober 2010 getiteld „Bijdrage van het regionaal beleid aan de slimme groei in het kader van de Europa 2020-strategie” (COM(2010)0553),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 31 maart 2010 getiteld „Cohesiebeleid: strategisch verslag over de tenuitvoerlegging van de programma's 2007-2013” (COM(2010)0110),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 3 maart 2010 getiteld „Europa 2020: een strategie voor slimme, duurzame en op integratie gerichte groei” (COM(2010)2020),

–  gezien het document getiteld „An agenda for a reformed cohesion policy – A place-based approach to meeting European Union challenges and expectations” (Agenda voor een herzien cohesiebeleid – Territoriale aanpak van problemen en verwachtingen van de Europese Unie), een onafhankelijk verslag opgesteld door Fabrizio Barca op verzoek van Danuta Hübner, commissaris voor regionaal beleid, april 2009,

–  gezien artikel 48 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie regionale ontwikkeling en het advies van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A7-0421/2012),

A.  overwegende dat met het cohesiebeleid beoogd wordt de verschillen tussen de regio's in de EU te verkleinen door middel van het versterken van de economische, sociale en territoriale cohesie, en verder overwegende dat het cohesiebeleid een rol heeft gespeeld bij het bevorderen van de Europese integratie middels sociaaleconomische ontwikkeling;

B.  overwegende dat de verordening met algemene bepalingen gemeenschappelijke regels bevat die van toepassing zijn op de vijf Europese financieringsprogramma's (Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO), Europees Sociaal Fonds (ESF), Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (EOGFL) en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij (EFMZV), die bedoeld zijn voor het ten uitvoer leggen van maatregelen van het cohesie-, het plattelands- en het visserijbeleid;

C.  overwegende dat het gemeenschappelijk strategisch kader gericht is op mechanismen voor het tot stand brengen van meer coördinatie tussen de fondsen die onder de verordening met algemene bepalingen vallen (EFRO, ESF, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij) en van een betere integratie van deze fondsen in andere terreinen van EU-beleid;

D.  overwegende dat de territoriale dimensie een sectoroverschrijdend aspect van het cohesiebeleid is en de Europese regio's in staat stelt gebruik te maken van individueel territoriaal potentieel voor het realiseren van de doelstellingen van het cohesiebeleid;

E.  overwegende dat territoriale cohesie nu in het Verdrag van Lissabon wordt erkend als een van de hoofddoelstellingen van de EU;

Algemeen: versterken van de territoriale doelstelling

1.  erkent dat een vereenvoudigd meerlagig bestuurssysteem belangrijk is voor het besluitvormingsproces op het gebied van het cohesiebeleid, waarbij in elk stadium op Europees, nationaal, regionaal en plaatselijk niveau moet worden samengewerkt bij de planning, ontwikkeling en tenuitvoerlegging van de Europese financieringsprogramma's; verzoekt de Commissie dit tot uitdrukking te laten komen in de ontwikkeling van duidelijke en goed afgebakende partnerschapscontracten;

2.  wijst op het belang van de Europese gedragscode voor de lidstaten, de regio's en de plaatselijke autoriteiten bij het voorbereiden, ten uitvoer leggen en monitoren van financieringsprogramma's; erkent dat, ten einde tot een dergelijke samenwerking te komen, het belangrijk is ervoor te zorgen dat beslissingen worden genomen op het niveau dat het dichtst bij de burger ligt;

3.  onderstreept dat, ondanks de aanzienlijke vooruitgang die geboekt is op het terrein van de convergentie in de EU, er nog altijd verschillen (bijv. bij toegankelijkheid) bestaan tussen EU-regio's, en dat deze groter blijven worden; wijst erop dat het budget voor het cohesiebeleid in de periode na 2013 ten minste op het huidige niveau moet worden gehandhaafd, teneinde te waarborgen dat steun de gebieden die behoefte aan economische en sociale regeneratie hebben in alle regio's van de EU blijft bereiken;

4.  is verheugd dat de Commissie in haar voorstel kiest voor een cohesiebeleid dat resulteert in meetbare resultaten, ten einde de duurzaamheid van investeringen te vergroten en de doeltreffendheid van financieringsprogramma's te waarborgen; benadrukt dat het resultaatgerichte stelsel eveneens flexibel moet zijn op nationaal, regionaal en plaatselijk niveau, en gericht moet zijn op vereenvoudiging, programmeringsprioriteiten en partnerschappen, opdat de resultaatgerichte stelsels regiospecifiek zijn;

5.  onderschrijft de doelstelling van de Commissie om middels de verordening met algemene bepalingen tot een reducering van de administratieve rompslomp te komen; onderstreept in dit verband dat van meet af aan duidelijkheid moet bestaan over regels, controles en subsidiabiliteit, en dat vereenvoudiging van de administratieve procedures mogelijk is middels een geïntegreerde benadering van de terbeschikkingstelling van de financiële middelen;

6.  onderstreept dat bij de ontwikkeling en de toepassing van het cohesiebeleid moet worden gezorgd voor een billijk evenwicht tussen de nodige controles op de besteding van financiering en de doeltreffendheid daarvan;

7.  geeft aan dat plaatselijke en regionale doelstellingen met de nodige flexibiliteit moeten worden vastgesteld, met participatie van regionale belanghebbenden in alle stadia, teneinde te waarborgen dat de Europese financieringsprogramma's de sociaaleconomische verschillen daadwerkelijk kunnen aanpakken;

8.  onderstreept dat flexibiliteit ook moet inhouden dat projecten tegelijkertijd steun kunnen krijgen met financiële middelen van verschillende fondsen die onder de verordening met algemene bepalingen vallen, en dat deze grotere flexibiliteit de tenuitvoerlegging van projecten ten goede zou komen en het aanvullende en sectoroverschrijdende karakter van de Europese financiering zou vergroten;

9.  benadrukt dat de doelstelling van territoriale cohesie onlosmakelijk verbonden blijft met de uitdagingen op het gebied van economische en sociale cohesie en erkent dat cohesiebeleid een grote bijdrage kan leveren aan de verwezenlijking van de Europa 2020-doelstellingen, met name op de gebieden werkgelegenheid, onderwijs en armoedebestrijding, middels het in Europa's groeistrategie introduceren van een territoriale dimensie;

10.  is van mening dat voor de verwezenlijking van de Europa 2020-doelstellingen ook gekeken moet worden naar andere financieringsprogramma's (bijv. Horizon 2020), eventueel in combinatie met cohesiefondsfinanciering;

11.  erkent de toenemende aandacht voor steden en stedelijke gebieden als motor van economische groei;

12.  benadrukt het belang van de versterking van bestaande koppelingen tussen stedelijke gebieden en het platteland, en van bevordering van nieuwe; onderstreept dat hiervoor een sterke focus op meerdere niveaus en samenwerking tussen betrokken partijen op het platteland en in steden nodig is, en dat door middel van het bevorderen van partnerschappen en netwerken specifieke omstandigheden moeten worden gecreëerd die plattelandsgebieden in staat stellen deel te nemen aan geïntegreerde activiteiten van een gegeven functionele geografische eenheid;

13.  benadrukt de noodzaak om programma's voor territoriale samenwerking effectiever te doen aansluiten op territoriale strategieën, en onderstreept de rol die de Europese groepering voor territoriale samenwerking (EGTS) hierbij kan spelen;

14.  onderstreept dat, vanwege de verschillen in grootte, hulpbronnen en sociaal-economische aspecten tussen steden en stedelijke gebieden in de EU, de afbakening van deze gebieden op lidstaatniveau gebeurt;

15.  onderstreept dat territoriale cohesie ook cohesie binnen de gebieden zelf inhoudt, d.w.z. dat ervoor wordt gezorgd dat het gehele gebied een economische bijdrage levert en niet uitsluitend de grote steden, en benadrukt dat de bijdragen die kleine en middelgrote steden in plattelandsgebieden aan de ontwikkeling van die gebieden kunnen leveren aanzienlijk zijn en niet moeten worden onderschat;

16.  onderstreept dat het horizontale, multisectorale karakter van territoriale cohesie alleen tot tastbare resultaten op regionaal niveau kan leiden en alleen in benutting van het individuele potentieel van regio's zal resulteren indien duidelijk afgebakende partnerschapscontracten worden gebruikt; benadrukt dat dit alleen realiseerbaar is middels de betrokkenheid van regionale en plaatselijke actoren, opdat alle partijen kunnen bijdragen aan de voorbereiding en uitvoering van programma's; onderstreept dat dit met name belangrijk is bij de ondersteuning van gebieden die te kampen hebben met verschillende handicaps, zoals grensoverschrijdende, berg-, insulaire en ultraperifere gebieden;

Grotere integratie van de Europese Fondsen in de periode 2014-2020

17.  stemt in met voorstellen voor een verordening met algemene bepalingen die leidt tot een betere coördinatie en integratie van de financieringsprogramma's teneinde de financiële middelen een grotere impact te laten hebben, en met het feit dat het cohesiebeleid in het kader voor de periode 2014-2020 een grotere territoriale dimensie krijgt;

18.  benadrukt dat een sterkere en meer geïntegreerde territoriale aanpak van de Europese financiering, met een adequate opbouw van capaciteit en de betrokkenheid van sociale partners en het maatschappelijk middenveld op plaatselijk en regionaal niveau, zowel in steden, als op het platteland, een positieve manier vormt om te waarborgen dat middelen worden ingezet om de sociaal-economische uitdagingen op lange termijn in Europa aan te gaan;

19.  onderstreept dat een betere harmonisatie tussen het cohesiebeleid en andere beleidsterreinen, zoals aangegeven in de verordening met algemene bepalingen, inhoudt dat de Europese regio's zich economisch zullen kunnen blijven ontwikkelen door gebruik te maken van hun individuele sterke punten;

20.  verwijst naar het voorbeeld van het Wales European Funding Office (WEFO) en het voornemen van deze instantie om de voor Wales beschikbare financiële middelen bijeen te brengen in één enkel „portal” waar informatie kan worden verkregen over alle fondsen die onder de verordening met algemene bepalingen vallen; onderstreept dat het „portal” van WEFO ook een gemeenschappelijk platform zou kunnen zijn voor aanvragen, betalingen, monitoring en evaluatie van alle onder de verordening vallende fondsen; geeft aan dat middels deze benadering de potentiële synergie-effecten en de mogelijkheden voor integratie van de financieringsstromen sneller in kaart kunnen worden gebracht en het proces van het aanvragen van Europese financiële steun kan worden vereenvoudigd;

21.  onderstreept dat, omdat de onder de verordening vallende fondsen en andere financieringsprogramma's (bijv. Horizon 2020, LIFE+) gemeenschappelijke kenmerken hebben, de doeltreffendheid van de Europese financiering gebaat kan zijn bij het op elkaar afstemmen van deze fondsen;

Mechanismen voor de integratie van de Europese Fondsen

22.  is verheugd over het feit dat in de voorstellen voor een regelgevend kader de nadruk wordt gelegd op plaatselijke en geïntegreerde ontwikkeling middels „vanuit de gemeenschap geleide plaatselijke ontwikkeling”, „gemeenschappelijke actieplannen” en „geïntegreerde territoriale investeringen”;

23.  onderstreept dat op basis van de voorstellen van de Commissie alle investeringen moeten aansluiten bij de plaatselijke behoeften en er geen sprake mag zijn van overlapping met andere projecten;

24.  dringt erop aan te kiezen voor een volledig geïntegreerde benadering met aanverwante instrumenten voor tenuitvoerlegging („vanuit de gemeenschap geleide plaatselijke ontwikkeling”, „geïntegreerde territoriale investeringen” en „gemeenschappelijke actieplannen”), op basis waarvan plaatselijke partnerschappen voor verschillende combinaties van deze instrumenten kunnen kiezen, rekening houdend met hun specifieke behoeften, en de toepassing van flexibelere regelingen voor het bijeenbrengen van middelen in overweging te nemen, waarbij rekening wordt gehouden met de specifieke behoeften van de lidstaten en de regio's;

25.  benadrukt de noodzaak om de uitvoering van het voorgestelde instrument zo eenvoudig mogelijk te houden om te voorkomen dat de administratieve lasten van plaatselijke autoriteiten toenemen en doelstellingen op het gebied van vereenvoudiging te kunnen verwezenlijken;

26.  is van mening dat institutionele capaciteit op verschillende interventieniveaus een belangrijk element is om het welslagen van de toepassing van de territoriale aanpak te verzekeren;

27.  verwijst naar het voorbeeld van subdelegering aan gemeenteraden in Nederland, waarbij delen van financieringsprogramma's (bijv. EFRO) van de regionale autoriteit worden gedelegeerd naar plaatselijke autoriteiten, en acties worden geïmplementeerd op plaatselijk niveau om in te spelen op plaatselijke behoeften; onderstreept dat het bij plaatselijke autoriteiten neerleggen van de beheersverantwoordelijkheid grotere kansen biedt op het realiseren van de beste, op de plaatselijke behoeften toegesneden combinatie van middelen; onderstreept dat dit de implementatie van „geïntegreerde territoriale investeringen” op plaatselijk of op lager niveau ten goede kan komen, aangezien de beheersstructuren op plaatselijk niveau reeds voorhanden zijn;

Vanuit de gemeenschap geleide plaatselijke ontwikkeling

28.  steunt de voorstellen van de Commissie met betrekking tot „vanuit de gemeenschap geleide plaatselijke ontwikkeling” en beschouwt dit concept als een belangrijk onderdeel van de verordening met algemene bepalingen, dat zich zal richten op het tot stand brengen van synergie-effecten tussen alle fondsen die onder de verordening met algemene bepalingen vallen;

29.  is van mening dat dit instrument een prima middel is voor het bevorderen van participatie van onderaf van een dwarsdoorsnede van plaatselijke actoren met het oog op het verwezenlijken van duurzame territoriale doelstellingen; is in dit verband een voorstander van meer maatregelen voor opbouw van administratieve capaciteit op regionaal en plaatselijk niveau ter bevordering van de deelname van zowel de plaatselijke, als de regionale autoriteiten, en van de sociale partners;

30.  erkent het succes van het Leader-programma als een belangrijk instrument voor de uitvoering van het beleid voor plattelandsontwikkeling en is van mening dat door middel van „vanuit de gemeenschap geleide plaatselijke ontwikkeling” dit mechanisme een belangrijke rol kan spelen bij het oplossen van plaatselijke en regionale problemen; steunt ook het inzetten van het concept „vanuit de gemeenschap geleide plaatselijke ontwikkeling” voor stadsontwikkeling;

31.  verzoekt de Commissie haar voorstellen met betrekking tot „vanuit de gemeenschap geleide plaatselijke ontwikkeling” in de tenuitvoerleggingsfase te verduidelijken, teneinde alle potentiële deelnemers in staat te stellen inzicht te verwerven in het meest voor de hand liggende doel, het toepassingsgebied en het effect van dit concept; ziet uit naar de publicatie van een leidraad voor „vanuit de gemeenschap geleide plaatselijke ontwikkeling” bestemd voor beheersautoriteiten;

32.  erkent dat sinds 2007 vooruitgang is geboekt bij de samenwerking tussen plaatselijke visserijactiegroepen en plaatselijke Leader-actiegroepen en ziet deze samenwerking als een voorbeeld van de wijze waarop in het geval van „vanuit de gemeenschap geleide plaatselijke ontwikkeling” in de toekomst financiële middelen van verschillende onder de verordening met algemene bepalingen vallen fondsen zouden kunnen worden gecombineerd; wijst op het voorbeeld van elf plaatselijke partnerschappen in Denemarken, die voor de financiering, de tenuitvoerlegging en het beheer van projecten gebruik maken van zowel het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Leader), als het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij (doelstelling 4);

33.  is van oordeel dat nauwkeurig gekeken moet worden naar het geïntegreerde gebruik van financiële middelen van meerdere fondsen, zoals van het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, voor „vanuit de gemeenschap geleide plaatselijke ontwikkeling” in de toekomstige programmeringsperiode als een manier om synergie-effecten tussen alle onder de verordening met algemene bepalingen vallende fondsen tot stand te brengen;

Gezamenlijke actieplannen

34.  steunt de voorstellen in de verordening met algemene bepalingen betreffende de introductie van gezamenlijke actieplannen aan de hand waarvan groepen projecten financiering kunnen ontvangen met middelen van meer dan één operationeel programma;

35.  beschouwt gezamenlijke actieplannen als een goed middel om te komen tot resultaatgericht beheer, dat één van de overkoepelende doelstellingen van het cohesiebeleid voor de periode na 2013 is;

36.  onderstreept dat het belangrijk is dat deze instrumenten parallel met „vanuit de gemeenschap geleide ontwikkeling” tot stand worden gebracht, teneinde ervoor te zorgen dat dit concept („vanuit de gemeenschap geleide ontwikkeling”) méér wordt dan alleen een strategisch instrument voor de ontwikkeling van plaatselijke capaciteit of een op zichzelf staand investeringsdoel als zodanig, maar juist gaat bijdragen aan onder andere de bevordering van sociale inclusie en de bestrijding van armoede;

37.  dringt aan op verduidelijking van het toepassingsgebied en integratie van gezamenlijke actieplannen, en op beantwoording van de vraag of zij gebruikt zullen worden voor de tenuitvoerlegging van hele programma's of alleen delen van programma's;

38.  erkent dat gezamenlijke actieplannen een zeer doeltreffende vorm van ondersteuning kunnen bieden voor het verwezenlijking van een evenwichtige integratie van jongeren op de arbeidsmarkt; merkt evenwel op dat extreem lange besluitvormingsprocessen en gecompliceerde administratieve procedures dienen te worden voorkomen;

Geïntegreerde territoriale investeringen

39.  is verheugd met de voorstellen betreffende „geïntegreerde territoriale investeringen”, die inhouden dat steden financiële middelen van meer dan één prioritaire doelstelling kunnen krijgen voor de geïntegreerde tenuitvoerlegging van op hun specifieke behoeften toegesneden operationele programma's;

40.  dringt aan op een verdere verduidelijking van het toepassingsgebied van dit concept en van het potentieel ervan om, indien het aansluit bij de plaatselijke behoeften, te worden gebruikt in niet-stedelijke en voorstedelijke gebieden, met gebruik van alle onder de verordening met algemene bepalingen vallende fondsen;; benadrukt dat er moet worden gezorgd voor samenhang tussen de geïntegreerde territoriale investeringen en de strategieën voor duurzame ontwikkeling op regionaal niveau, teneinde de economische en sociale cohesie te verbeteren, niet alleen tussen de regio's, maar ook tussen stedelijke en niet-stedelijke gebieden binnen de regio's;

41.  verwijst naar het voorbeeld van een model voor „geïntegreerde territoriale investeringen” in de regio Manchester waarbij sprake is van integratie van financiering uit een zo groot mogelijk aantal relevante bronnen met het oog op vergroting van het rendement van de investeringen; geeft aan dat dit model nog volop in ontwikkeling is en in potentie gebruikt kan worden ter ondersteuning van een strategie die deze stadsregio een groot aantal sociaaleconomische voordelen beoogt op te leveren; onderstreept dat dit voorstel voor „geïntegreerde territoriale investeringen” betrekking heeft op integratie van EFRO-prioriteiten met ESF-maatregelen en dat er, gezien de grotere focus van het EFRO op kleine- en middelgrote ondernemingen en innovatie, in de toekomst mogelijkerwijs verbanden kunnen worden gelegd met projecten in het kader van Horizon 2020;

Financiële instrumenten

42.  is verheugd over de voorstellen van de Commissie betreffende een ruimer gebruik en uitbreiding van het toepassingsgebied van financiële instrumenten door middel van eenvoudiger en duidelijker regels voor een grotere doeltreffendheid van de vijf fondsen die onder de verordening met algemene bepalingen vallen;

43.  onderstreept het potentieel van financiële instrumenten, met inbegrip van microkredieten, om alternatieve financieringsbronnen aan te boren voor een breed scala aan actoren, ter aanvulling van traditionele financieringsmethoden; benadrukt dat in het toekomstige financieringskader financiële instrumenten als hefboom voor private financiering moeten kunnen dienen en de nodige flexibiliteit moeten hebben opdat lidstaten en regio's de doelsectoren en uitvoeringsmethoden op hun specifieke behoeften kunnen afstemmen;

44.  onderstreept dat financiële instrumenten als mechanismen die de weg vrij maken voor samenwerking tussen ondernemingen, publiekrechtelijke organisaties en onderwijsinstellingen ook bevorderd zouden moeten worden als een middel voor het ontwikkelen van een geïntegreerde benadering van financiering;

Integratie van de middelen van de verordening met algemene bepalingen in andere beleidsmaatregelen en instrumenten van de EU

45.  is verheugd over de voorstellen in het gemeenschappelijk strategisch kader voor partnerschapsovereenkomsten waarin wordt omschreven hoe fondsen van de verordening met algemene bepalingen en andere financieringsprogramma's, zoals het EU-kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (voorheen zevende KP, nu Horizon 2020), LIFE+ en de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen, op elkaar kunnen worden afgestemd;

46.  onderkent dat financieringsprogramma's zoals Horizon 2020 met name gericht zijn op kennis, terwijl de structuurfondsen tot nu toe succesvol zijn geweest op het vlak van de „capaciteitsopbouw” door financiering ter beschikking te stellen voor het opstarten van ondernemingen en organisaties die vervolgens partners werden in projecten in het kader van het zevende KP of projecten van het programma voor concurrentievermogen en innovatie;

47.  benadrukt dat de bestaande synergieën tussen fondsen van de verordening met algemene bepalingen en Horizon 2020 erop wijzen dat beide financieringsbronnen mogelijkerwijs kunnen worden gebruikt terwijl gewerkt wordt aan aanvullende thematische doelstellingen;

Werkgelegenheid en sociale zaken

48.  benadrukt dat sociaal en werkgelegenheidsbeleid een belangrijke rol speelt bij de totstandbrenging van een duurzame en sociaal evenwichtige ruimtelijke ordening en veel kan bijdragen aan de beperking van regionale ongelijkheden en de verbetering van het welzijn van alle burgers door gelijke kansen te verschaffen aan iedereen;

49.  benadrukt dat strijd tegen armoede ook de bestrijding van uitsluiting omvat en dat plattelandsgebieden met een lage bevolkingsdichtheid of een vergrijzende bevolking moeten optreden tegen de ontoereikende zorgvoorzieningen, wat enigszins gecompenseerd kan worden door de verbetering van de toegang tot breedbandtechnologie en de bevordering van telegeneeskunde;

50.  is van mening dat de territoriale aanpak een doeltreffend mechanisme dient te zijn om kmo's te helpen nieuwe duurzame banen te scheppen en om programma's voor beroepsopleidingen op te starten of uit te werken; is van mening dat ondernemersactiviteiten die gericht zijn op groei en werkgelegenheid en het aanboren van potentieel ook over de administratieve grenzen heen kunnen worden ontplooid, en verzoekt de lidstaten de bestaande voorwaarden voor nieuwe ondernemers te verbeteren zodat hun grote potentieel voor het scheppen van nieuwe duurzame banen beter kan worden benut;

51.  onderstreept dat er sterke synergieën tot stand moeten worden gebracht tussen het cohesiebeleid en ander EU-beleid teneinde de doeltreffendheid van het cohesiebeleid bij de aanpak van de huidige uitdagingen op het vlak van werkgelegenheid en sociale zaken te waarborgen;

52.  wijst erop dat territoriale samenwerking en macroregionale strategieën nuttige instrumenten kunnen zijn om regionale ongelijkheden vast te stellen en op te heffen, bijvoorbeeld bij de toegang tot onderwijs en werkgelegenheid, en om convergentie tussen Europese regio's te bevorderen;

53.  is van mening dat de vrijwillige mobiliteit van werknemers en net afgestudeerden in de EU een oplossing kan vormen voor regionale en plaatselijke tekorten op de arbeidsmarkt, en moedigt de lidstaten en de regio's aan doeltreffender gebruik te maken van deze mobiliteit teneinde de territoriale ontwikkeling en samenhang te bevorderen;

54.  vindt het essentieel om de maatregelen die door het ESF ondersteund worden, op verschillende beleidsniveaus te coördineren teneinde een doeltreffende territoriale aanpak mogelijk te maken; acht het vooral noodzakelijk om de onderwijsdiensten en -voorzieningen af te stemmen op de behoeften van de plaatselijke arbeidsmarkt;

55.  vindt het cruciaal om de uitwisseling van beproefde praktijken tussen de lidstaten te bevorderen in het kader van zinvolle en doeltreffende langetermijnplanning van territoriale ontwikkeling, en door degelijke en duurzame werkgelegenheid te bevorderen ter voorkoming en bestrijding van armoede en werkloosheid;

o
o   o

56.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 210 van 31.7.2006, blz. 25.
(2) PB L 291 van 21.10.2006, blz. 11.
(3) Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0316.
(4) PB C 390E van 18.12.2012, blz. 27.
(5) PB C 380E van 11.12.2012, blz. 89.
(6) PB C 390E van 18.12.2012, blz. 10.
(7) PB C 390E van 18.12.2012, blz. 18.
(8) PB C 371E van 20.12.2011, blz. 39.
(9) PB C 161 E van 31.5.2011, blz. 120.
(10) PB C 161E van 31.5.2011, blz. 104.
(11) Conclusies van het Poolse voorzitterschap over de territoriale dimensie van EU-beleid en de toekomst van het Cohesiebeleid getiteld „Towards an integrated, territorially differentiated and institutionally smart response to EU challenges”, 24-25 november 2011, Poznań.

Laatst bijgewerkt op: 7 september 2018Juridische mededeling