Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2013/2018(BUD)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A7-0112/2013

Ingediende teksten :

A7-0112/2013

Debatten :

PV 16/04/2013 - 17
CRE 16/04/2013 - 17

Stemmingen :

PV 17/04/2013 - 12.48

Aangenomen teksten :

P7_TA(2013)0173

Aangenomen teksten
PDF 122kWORD 55k
Woensdag 17 april 2013 - Straatsburg Definitieve uitgave
Raming van de inkomsten en uitgaven voor 2014 - Afdeling I - Parlement
P7_TA(2013)0173A7-0112/2013

Resolutie van het Europees Parlement van 17 april 2013 over de raming van de inkomsten en uitgaven van het Europees Parlement voor het begrotingsjaar 2014 (2013/2018(BUD))

Het Europees Parlement ,

–  gezien artikel 314 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(1) , en met name artikel 36,

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer(2) ,

–  gezien zijn resolutie van 6 februari 2013 over de richtsnoeren voor de begrotingsprocedure 2014 – afdelingen I, II, IV, V, VI, VII, VIII, IX en X(3) ,

–  gezien het verslag van de secretaris-generaal aan het Bureau met het oog op de opstelling van het voorontwerp van raming van het Parlement voor het begrotingsjaar 2014,

–  gezien het voorontwerp van raming, opgesteld door het Bureau op 11 maart 2013 overeenkomstig artikel 23, lid 7, en artikel 79, lid 1, van het Reglement van het Parlement,

–  gezien de ontwerpraming, opgesteld door de Begrotingscommissie overeenkomstig artikel 79, lid 2, van het Reglement van het Parlement,

–  gezien artikel 79 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A7-0112/2013),

A.  overwegende dat, indien er voor het eind van dit jaar geen akkoord wordt bereikt over de verordening tot vaststelling van het volgende meerjarig financieel kader (MFK), artikel 312, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie voorziet in de toepassing van de maximumbedragen van het laatste jaar van het huidige MFK, en punt 30 van het huidige Interinstitutioneel Akkoord betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer voorziet in de handhaving van de maxima van 2013, met een aanpassing op grond van een vaste deflator van 2% per jaar, totdat een nieuw MFK is vastgesteld;

B.  overwegende dat de begroting van het Europees Parlement niet enkel administratieve uitgaven omvat, maar eveneens uitgaven voor pensioenen;

C.  overwegende dat, in de context van aanhoudende economische en financiële moeilijkheden, die tot uiting komen in de door vele lidstaten als reactie op de schuldencrisis genomen besparingsmaatregelen, het Parlement op budgettair gebied een beleid moet blijven voeren met een hoge mate van verantwoordelijkheid, toezicht en terughoudendheid; overwegende dat het Parlement tegelijkertijd een evenwicht moet vinden tussen een stringent begrotingsbeleid en structurele besparingen enerzijds, en een gezamenlijk streven naar efficiëntie anderzijds;

D.  overwegende dat bepaalde investeringen de institutionele rol van het Parlement versterken en de duurzaamheid van de begroting op lange termijn verbeteren, en ze bijgevolg ook moeten worden overwogen, ook al is er weinig manoeuvreerruimte;

E.  overwegende dat het bijzonder belangrijk is dat de Begrotingscommissie en het Bureau overeenkomstig de artikelen 23 en 79 van het Reglement gedurende de volledige jaarlijkse begrotingsprocedure nauw blijven samenwerken;

F.  overwegende dat de voorrechten van de plenaire vergadering met betrekking tot de vaststelling van de raming en de definitieve begroting overeenkomstig het Verdrag en het Reglement volledig van kracht blijven;

G.  overwegende dat er op 5 maart en 13 maart 2013 vooroverleg en overleg heeft plaatsgevonden tussen delegaties van het Bureau en de Begrotingscommissie;

Algemeen kader en de begroting als geheel

1.  is tevreden met het feit dat het Bureau en de Begrotingscommissie tijdens de lopende begrotingsprocedure samenwerken, alsook met het akkoord dat tijdens het overleg van 13 maart 2013 is bereikt;

2.  herhaalt dat de secretaris-generaal in zijn verslag aan het Bureau een bedrag voor het voorontwerp van raming voor de begroting 2014 voorstelt van 1 813 144 206 EUR; houdt rekening met de verhoging van 3,58% ten opzichte van de begroting 2013; benadrukt dat deze voorgestelde toename wettelijke verplichtingen omvat, in het bijzonder een verhoging met 2,20% als gevolg van de uitzonderlijke eenmalige kosten voor het betrokken jaar in verband met de verkiezing van een nieuw Parlement en de stap naar een werkelijke onafhankelijke democratische instelling door de toepassing van het statuut van de leden en van hun medewerkers, en een toename met 1,30% die voortvloeit uit andere wettelijke verplichtingen; is ingenomen met de plannen van de gezamenlijke werkgroep van het Bureau en de Begrotingscommissie om mogelijkheden voor structurele hervormingen van de begroting van het Parlement te bestuderen en verwacht dat dit uiterlijk in september 2013 opties zal opleveren voor besparingen op de begroting 2014, zonder de hoge kwaliteit van de wetgeving of de arbeidsomstandigheden aan te tasten;

3.  benadrukt dat de financiële gevolgen van de Europese verkiezingen en de afwisseling van leden en hun medewerkers tijdens de overgang tussen de zittingsperioden van uitzonderlijke aard zijn en onderkent de inspanningen die reeds zijn verricht om op de begroting ruimte te maken voor deze eenmalige kosten; betreurt dat deze bijkomende kosten gedragen moeten worden in één enkel begrotingsjaar en dringt er bij de secretaris-generaal op aan een manier te vinden om deze kosten in de toekomst te spreiden over de volledige zittingsperiode van het Parlement; is evenwel van mening dat er nog inspanningen moeten worden geleverd om nog meer veranderingen, besparingen en structurele hervormingen door te voeren, met inbegrip van de mogelijkheden die het Financieel Reglement biedt, ten einde de toename van de begroting dichter bij de inflatie te houden;

4.  merkt op dat in 2014 alle kosten die samenhangen met de toetreding van Kroatië zullen moeten worden gedragen in de loop van een volledig begrotingsjaar; wijst erop dat de geraamde rechtstreekse kosten 13,6 miljoen EUR kunnen bedragen, met inbegrip van steun voor de integratie van Kroatië in de Unie;

5.  waardeert het feit dat in het voorontwerp van raming alle andere uitgaven verminderd zijn met in totaal 0,15% ten opzichte van de begroting 2013; is ingenomen met het feit dat de verminderingen mogelijk werden gemaakt door structurele besparingen die in het verleden werden geïntroduceerd, de verschillende aard van de parlementaire activiteit in een verkiezingsjaar en, waar mogelijk, de bevriezing van uitgavenposten;

6.  is tevreden met de inspanningen die door het Bureau zijn geleverd om een realistisch voorontwerp van raming op te stellen; waardeert dat de toename in de begroting voor 2014, zoals voorgesteld in het voorontwerp van raming, bijzonder laag is in vergelijking met de overeenkomstige periode in het vorige MFK (2007-2013), waar de toename enkel lager was in de begrotingsjaren 2012 en 2013; merkt op dat de toename voor 2014 veruit de laagste zou zijn (1,38%) indien de bijkomende uitgaven die samenhangen met de verkiezingen van een nieuw Parlement worden weggelaten;

7.  benadrukt dat het totale bedrag van de ontwerpraming, in overeenstemming met de door het Bureau en de Begrotingscommissie tijdens de overlegvergadering van 13 maart 2013 bereikte overeenkomst, 1 808 144 206 EUR bedraagt, wat neerkomt op een nettoverhoging met 3,29% ten opzichte van de begroting 2013, waarvan 2,20% voortvloeit uit de verplichte uitgaven die samenhangen met de verkiezing van een nieuw Parlement, 1,30% uit andere wettelijke verplichtingen en 0,78% uit de toetreding van Kroatië, terwijl de inflatie zorgt voor een toename van ongeveer 1,9%(4) , wat leidt tot een reële verlaging van de begroting van het Parlement met 2,89% ten opzichte van 2013; roept echter op te streven naar verdere besparingen en herschikkingen door middel van structurele hervormingen in het kader van de lezing van het Parlement in het najaar van 2013 en in de loop van de begrotingsprocedure voor 2014 en in de komende jaren; herinnert hierbij aan de maatregelen die volgens de gezamenlijke werkgroep van het Bureau en de Begrotingscommissie verder moeten worden onderzocht om tot aanzienlijke organisatorische besparingen te komen, zoals het toepassingsgebied van de interinstitutionele samenwerking tussen het Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's;

8.  is ingenomen met het tweestappenplan (voor- en najaar 2013) tot vaststelling van de begroting 2014 van het Parlement, zoals overeengekomen door het Bureau en de Begrotingscommissie tijdens de overlegvergadering van 13 maart 2013; steunt de eerste stap, die bestaat uit verlagingen en besparingen in het voorontwerp van raming voor het begrotingsjaar 2014 voor de volgende gebieden en bedragen: „Energieverbruik” (-0,5 miljoen EUR , post 2024), „Publicatieblad” (-1 miljoen EUR , post 3240), „Assistentie aan de leden” (-1 miljoen EUR, artikel 422), „Compensatie van de CO2-emissies van het Europees Parlement” ( -0,25 miljoen EUR, artikel 239), „Inrichting van dienstruimten” (-1,25 miljoen EUR, post 2007) en „Reserve voor onvoorziene uitgaven” (-1 miljoen EUR, hoofdstuk 10 1);

9.  stelt voor de mogelijkheid te onderzoeken om het artikel „Pensioenen” (artikel 103) en de overbruggingstoelagen voor leden uit het submaximum van de administratieve uitgaven te halen tijdens de begrotingsprocedure 2014;

10.  houdt rekening met de oorspronkelijke conclusies van de gezamenlijke werkgroep voor de begroting van het Parlement van de Begrotingscommissie en het Bureau, namelijk dat structurele en organisatorische hervormingen nagestreefd moeten worden die tot doel hebben te komen tot een grotere efficiëntie zonder het hoge niveau van wetgeven en de kwaliteit van de werkomstandigheden in gevaar te brengen; wijst in dit verband op het feit dat het verstrekken van onafhankelijk wetenschappelijk advies en het vermogen om toezicht uit te oefenen moeten worden verbeterd om de werkzaamheden van het Parlement te versterken als instelling met wetgevende en democratische toezichtsbevoegdheden; is ingenomen met het feit dat de gezamenlijke werkgroep zoekt naar verdere mogelijke besparingen en verhogingen van de efficiëntie, en verwacht dat de werkgroep zijn eerste bevindingen tijdig zal presenteren zodat het Parlement de lezing over zijn begroting 2014 goed kan voorbereiden overeenkomstig het tweestappenplan dat tijdens de overlegvergadering is afgesproken;

11.  wijst op de aanzienlijke besparingen die zouden kunnen worden gerealiseerd als het Europees Parlement één zetel had; herinnert aan zijn resolutie van 23 oktober 2012 met het oog op het bereiken van een positief resultaat van de goedkeuringsprocedure van het MFK 2014-2020(5) , waarin het Parlement er bij de begrotingsautoriteit op aandrong deze kwestie ter sprake te brengen in het kader van de onderhandelingen over het volgende MFK voor de periode 2014-2020;

Specifieke kwesties

12.  herhaalt dat wordt geschat dat structurele hervormingen, zoals hervormingen van het reisbeleid en -beheer, minder en kortere dienstreizen, meer gebruik van videoconferenties en de reorganisatie van de vertaal- en tolkendiensten, die soms reeds sinds 2011 van kracht zijn, een jaarlijkse besparing van ongeveer 29 miljoen EUR mogelijk maken;

13.  is ingenomen met de voorgestelde verlagingen ten opzichte van de begroting 2013 op het gebied van kosten voor vertaling (-56%) en vertolking (-23%), erfpacht (-60%), web TV (-38%) en de inrichting van dienstruimten (-31%), en vraagt om gedetailleerde informatie om de haalbaarheid van die voorgestelde verlagingen aan te tonen; herhaalt dat de voorgestelde bezuinigingen op vertaling en vertolking het beginsel van meertaligheid niet in gevaar mogen brengen en dringt aan op het waarborgen van gelijke toegang van de leden tot de nodige taalkundige diensten en op het handhaven van passende arbeidsomstandigheden voor de betreffende diensten;

14.  merkt op dat reeds rekening wordt gehouden met een aanzienlijke verlaging van de uitgaven voor de tv-uitzendingen van het Parlement (Europarl TV); vraagt om een gedetailleerde analyse van de consumentenbasis voor deze dienst om het werkelijke nut ervan te verifiëren; verzoekt het Parlement partnerschappen met nationale omroepnetwerken op te zetten en zo de kosten te delen;

15.  is ingenomen met de plannen betreffende de voorlichtingscampagne waarmee de belangrijkste aspecten van de werkzaamheden van het Parlement worden belicht in het kader van de huidige zittingsperiode en in samenhang met de Europese verkiezingen, als onderdeel van het algemene informatie- en communicatiebeleid; vraagt bijkomende details over geplande uitgaven in verband met de verkiezingen;

16.  merkt op dat het proces van internalisering van de veiligheidsdiensten als onderdeel van het nieuwe algemene veiligheidsconcept zal worden voortgezet; is ingenomen met het feit dat de aanwerving van de bijkomende arbeidscontractanten begrotingsneutraal zal zijn, aangezien dit gepaard zal gaan met een vermindering van de kredieten voor het uitbesteden van veiligheidsdiensten;

17.  is van mening dat de gezamenlijke werkgroep voor de begroting van het Parlement van de Begrotingscommissie en het Bureau op basis van zijn in 2012 gestarte werkzaamheden een belangrijke rol kan blijven spelen in dit hervormingsproces door mogelijke manieren te identificeren om structureel te besparen en door na te denken over ideeën om nog meer te besparen en de efficiëntie te verbeteren en deze ideeën aan de Begrotingscommissie voor te leggen; is voorstander van de voortzetting van zijn werkzaamheden door middel van een grondige evaluatie van mogelijke verbeteringen van de efficiëntie, synergieën en besparingen die ruimte kunnen vrijmaken voor investeringen in de ontwikkeling van de instelling in 2014 en daarna;

18.  vraagt een verslag over de besparingen die bij de uitvoering van de begroting 2013 zijn verwezenlijkt overeenkomstig het verzoek om besparingen in zijn resolutie van 23 oktober 2012 over het standpunt van de Raad over het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013 - alle afdelingen(6) ; verwacht dat dit verslag tijdig wordt voorgelegd aan de Begrotingscommissie om er rekening mee te houden in het kader van de begrotingsprocedure voor 2014;

19.  benadrukt het feit dat institutionele terughoudendheid ervoor heeft gezorgd dat de begroting van het Parlement in reële termen is verlaagd, rekening houdend met de relevante inflatieniveaus; herinnert eraan dat het feit dat de dienstreisvergoedingen van het personeel sinds 2007 niet geïndexeerd zijn en dat alle vergoedingen van de leden tot het einde van de huidige zittingsperiode op het niveau van 2011 zijn bevroren, zichtbare tekenen van terughoudendheid zijn; is daarnaast ingenomen met het plan om alle vergoedingen van de leden tot eind 2014 te bevriezen; vraagt dat er een routekaart voor de tenuitvoerlegging van het herziene Statuut aan de Begrotingscommissie wordt voorgelegd nadat het is aangenomen;

20.  herinnert aan de structurele besparingen op alle met reizen verband houdende begrotingslijnen in 2013; benadrukt dat de leden, wat reisregelingen betreft, niet kunnen worden gediscrimineerd op basis van hun land van oorsprong;

21.  is van mening dat investeringen op lange termijn, zoals de bouwprojecten van het Parlement, in het huidige klimaat van bezuinigingen behoedzaam en transparant moeten worden behandeld; dringt aan op een strikt kostenbeheer en een strikte planning van en controle op projecten; herhaalt zijn standpunt dat er behoefte is aan een transparant besluitvormingsproces voor het gebouwenbeleid, op basis van vroegtijdige informatie; herinnert aan het verzoek van het Parlement in zijn resolutie van 16 februari 2012 over de richtsnoeren voor de begrotingsprocedure 2013(7) om elke zes maanden precieze informatie over de vooruitgang met de projecten op het gebied van gebouwen en de financiële gevolgen hiervan te verstrekken, alsmede aan het standpunt van het Parlement dat tijdens de lopende zittingsperiode geen bijkomende, ongeplande bouwprojecten mogen worden ondernomen;

22.  beseft dat het KAD-project een grote onderneming is voor het Parlement en wijst erop dat dit project tot doel heeft de administratieve diensten van het Parlement in Luxemburg efficiënter te organiseren en aldus tot synergie te komen; erkent de inspanningen die zijn geleverd om te communiceren met de Begrotingscommissie over de stand van zaken met betrekking tot het KAD-gebouw en verzoekt deze communicatie voort te zetten voor de gehele duur van het project; merkt op dat de omvang van het project is gewijzigd en ingekrompen na verzoeken hiertoe van de Begrotingscommissie en is bijgevolg ingenomen met het feit dat na de tweede aanbestedingsprocedure het KAD-project onder het vooraf bepaalde financiële totaalbedrag zal blijven, of het in ieder geval niet zal overschrijden; wijst erop dat door de bouw van het KAD-gebouw de totale betalingen per jaar in de toekomst lager zullen uitvallen dan de uitgaven voor de huur van vergelijkbare gebouwen;

23.  neemt kennis van het feit dat de opening van het Huis van de Europese geschiedenis gepland is voor 2015; waardeert de geactualiseerde informatie over de stand van zaken van het project afkomstig van de secretaris-generaal en het Bureau; benadrukt zijn standpunt dat de definitieve kosten de in het business plan vastgestelde bedragen niet mogen overstijgen; verwacht bijgewerkte informatie over de mogelijke medefinancieringsovereenkomst met de Commissie;

o
o   o

24.  neemt de raming voor het begrotingsjaar 2014 aan;

25.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie en de raming te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 298 van 26.10.2012, blz.. 1.
(2) PB C 139 van 14.6.2006, blz. 1.
(3) Aangenomen teksten van deze datum, P7_TA(2013)0048.
(4) Eurostat schat de inflatie voor de Unie voor 2013 in op 1,9%.
(5) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0360.
(6) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0359.
(7) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0050.

Laatst bijgewerkt op: 25 juni 2013Juridische mededeling