Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2012/2289(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A7-0165/2013

Ingediende teksten :

A7-0165/2013

Debatten :

PV 13/06/2013 - 4
CRE 13/06/2013 - 4

Stemmingen :

PV 13/06/2013 - 7.12
CRE 13/06/2013 - 7.12

Aangenomen teksten :

P7_TA(2013)0283

Aangenomen teksten
PDF 347kWORD 45k
Donderdag 13 juni 2013 - Straatsburg Definitieve uitgave
Millenniumontwikkelingsdoelstellingen
P7_TA(2013)0283A7-0165/2013

Resolutie van het Europees Parlement van 13 juni 2013 inzake de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling – vaststelling van het kader voor de periode na 2015 (2012/2289(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien de Millenniumverklaring van de Verenigde Naties van 8 september 2000,

–  gezien de resolutie met de titel "Keeping the promise: United to achieve the Millennium Development Goals", aangenomen door de Algemene Vergadering tijdens de bijeenkomst op hoog niveau van de Algemene Vergadering van de VN over de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling, tijdens de 65e zitting 2010,

–  gezien de in september 1995 in Peking gehouden vierde Wereldvrouwenconferentie, de verklaring van Peking en het in Peking onderschreven actieprogramma (Platform for Action), alsmede de daaropvolgende slotdocumenten die tijdens de speciale VN-vergaderingen Peking +5, Peking +10 en Peking +15 op respectievelijk 9 juni 2000, 11 maart 2005 en 2 maart 2010 zijn aangenomen en verdere acties en initiatieven voor de uitvoering van de verklaring van Peking en het actieprogramma betreffen, waarin de lidstaten beloofd hebben actie te ondernemen voor de bevordering van de gelijkheid tussen mannen en vrouwen op 12 gebieden,

–  gezien het actieprogramma van Istanboel voor de minst ontwikkelde landen voor de jaren 2011-2020,

–  gezien de uitvoering van het actieprogramma van de Internationale Conferentie over bevolking en ontwikkeling (ICPD), dat in 1994 werd vastgesteld in Caïro en waarin wordt erkend dat seksuele en reproductieve gezondheid en rechten van wezenlijk belang zijn voor duurzame ontwikkeling,

–  gezien het in januari 2010 gepubliceerde verslag van het Ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties (UNDP) met de titel "Beyond the Midpoint: Achieving the Millenium Development Goals",

–  gezien het verslag van het UNDP over de menselijke ontwikkeling in 2010 met de titel "The Real Wealth of Nations: Pathways to Human Development",

–  gezien het "Gender Chart 2012" van de VN, waarin de vooruitgang wat betreft de gendergelijkheidsaspecten van de acht millenniumontwikkelingsdoelstellingen worden geëvalueerd,

–  gezien het verslag van het UNDP over de menselijke ontwikkeling in 2011,

–  gezien de slotverklaring die is aangenomen tijdens de VN-conferentie over duurzame ontwikkeling (Rio+20), gehouden in Rio de Janeiro, Brazilië, van 20 t/m 22 juni 2012,

–  gezien het verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (CEDAW) dat in 1979 door de Algemene Vergadering van de VN is aangenomen, waarin wordt vastgesteld wat wordt aangemerkt als discriminatie van vrouwen en een agenda voor nationale actie wordt opgesteld om dergelijke discriminatie een halt toe te roepen,

–  gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens en het wettelijk kader van de mensenrechten,

–  gezien de werkzaamheden van het System Task Team van de VN in het kader van de VN-ontwikkelingsagenda voor de periode na 2015, gezamenlijk geleid door de VN-afdeling economische en sociale zaken (UN DESA) en het UNDP, met steun van alle VN-organisaties en in overleg met belanghebbenden,

–  gezien het VN-verslag van juni 2012 gericht aan de secretaris-generaal van de VN, met de titel "Realizing the future we want for all",

–  gezien de werkzaamheden van het panel op hoog niveau van vooraanstaande personen van de secretaris-generaal van de VN in het kader van de ontwikkelingsagenda voor de periode na 2015 en de uitkomst van de Rio+20-conferentie,

–  gezien de consensus van Monterrey, aangenomen tijdens de internationale conferentie over de financiering van ontwikkeling, die van 18 t/m 22 maart 2002 werd gehouden in Monterrey, Mexico,

–  gezien de verklaring en het actieplan aangenomen op het forum op hoog niveau over de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp gehouden in Busan in december 2011,

–  gezien de Verklaring van Parijs over de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp en de Actieagenda van Accra,

–  gezien de Europese Consensus inzake ontwikkeling(1) en de EU-Gedragscode over complementariteit en arbeidsverdeling in het ontwikkelingsbeleid(2) ,

–  gezien artikel 7 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), waarin opnieuw is vastgelegd dat de EU toeziet op de samenhang tussen haar beleidsmaatregelen en optredens, rekening houdend met het geheel van haar doelstellingen,

–  gezien artikel 208 VWEU dat bepaalt dat de Unie "bij de uitvoering van beleid dat gevolgen kan hebben voor de ontwikkelingslanden rekening [houdt] met de doelstellingen van de ontwikkelingssamenwerking",

–  gezien de mededeling van de Commissie met de titel "Beleidscoherentie voor ontwikkeling" (COM(2005)0134) van 12 april 2005, en de conclusies van de Raad met de titel "Beleidscoherentie voor ontwikkeling" (3166e Raad Buitenlandse Zaken van 14 mei 2012),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 3 maart 2010 met de titel "Een EU-beleidskader voor steun aan ontwikkelingslanden bij de aanpak van voedselzekerheidsproblemen" (COM(2010)0127),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 31 maart 2010 met de titel "Humanitaire voedselhulp" (COM(2010)0126),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 3 oktober 2012 met de titel "De EU-aanpak inzake weerbaarheid: lessen uit de voedselzekerheidscrises" (COM(2012)0586),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 12 maart 2013 met de titel "Betere voeding voor moeders en kinderen in het kader van de buitenlandse hulp: een Europees beleidskader" (COM(2013)0141),

–  gezien het Europees Ontwikkelingsverslag met de titel "Millennium Development Goals at Midpoint: Where do we stand and where do we need to go?" van 19 september 2008,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 27 februari 2013 met de titel "Een waardig leven voor iedereen: armoede uitroeien en de wereld een duurzame toekomst geven" (COM(2013)0092),

–  gezien het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een partnerschapsinstrument voor samenwerking met derde landen (COM(2011)0843, SEC(2011)1475, SEC(2011)1476),

–  gezien het voorstel van de Commissie voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking (COM(2011)0840) van 7 december 2011,

–  gezien de mededeling van de Commissie met de titel "Een begroting voor Europa 2020" (COM(2011)0500) van 29 juni 2011 en het werkdocument van de Commissie met de titel "Een begroting voor Europa 2020: het huidige financieringssysteem, de toekomstige uitdagingen, de resultaten van de raadpleging van belanghebbenden en verschillende opties inzake de belangrijkste horizontale en sectorale kwesties" (SEC(2011)0868) van dezelfde datum,

–  gezien de gezamenlijke mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad met de titel "De rol van Europa in de wereld: een nieuwe aanpak voor de financiering van het externe optreden van de EU" (COM(2011)0865) van 7 december 2011,

–  gezien de mededeling van de Commissie met de titel "Opstelling van het meerjarig financieel kader betreffende de financiering van de EU-samenwerking met de landen van Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan en de landen en gebieden overzee voor de periode 2014-2020" (COM(2011)0837) van 7 december 2011,

–  gezien de conclusies van de Raad over EU-steun voor duurzame verandering in samenlevingen in een overgangssituatie, 3218e Raad Buitenlandse Zaken van 31 januari 2013,

–  gezien de conclusies van de Raad met de titel "Het effect van het EU-ontwikkelingsbeleid vergroten: een agenda voor verandering", 3166e Raad Buitenlandse Zaken van 14 mei 2012,

–  gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's met de titel "Aan de basis van democratie en duurzame ontwikkeling: het maatschappelijke engagement van Europa in de externe betrekkingen" (COM(2012)0492) van 12 september 2012,

–  gezien de openbare raadplegingen van de Commissie inzake de voorbereiding van een EU-standpunt met betrekking tot een ontwikkelingskader voor de periode na 2015(3) , die van 15 juni 2012 tot 15 september 2012 zijn gehouden en die openstonden voor alle geïnteresseerde belanghebbenden, individuen, (onder andere gouvernementele/niet-gouvernementele, parlementaire, academische, particuliere) organisaties en landen,

–  gezien de mededeling van de Commissie met de titel "EU-twaalfpuntenplan ter ondersteuning van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling" (COM(2010)0159) van 21 april 2010,

–  gezien zijn resolutie van 15 juni 2010 over "de vorderingen bij de verwezenlijking van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling: tussentijdse herziening ter voorbereiding op de VN-bijeenkomst op hoog niveau in september 2010"(4) ,

–  gezien het onderzoek met de titel "Millennium Development Goals and beyond 2015 – a strong EU engagement" van januari 2013,

–  gezien artikel 48 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie ontwikkelingssamenwerking en het advies van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A7-0165/2013),

A.  overwegende dat de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling (MDG's) hebben geleid tot een vergroting van het bewustzijn omtrent de uitbanning van de armoede in de wereld als urgent probleem en prioriteit voor wereldwijde maatregelen dankzij een beperkt aantal concrete en tijdgebonden doelen; overwegende dat er, twee jaar voor de streefdatum van de MDG's, significante vorderingen zijn gemaakt: de doelstelling om extreme armoede met de helft te verminderen is behaald, net zoals de doelstelling om het percentage mensen dat geen betrouwbare toegang heeft tot verbeterde drinkwaterbronnen te halveren, de situatie van meer dan 200 miljoen mensen die in sloppenwijken leven is verbeterd, er zijn nu evenveel meisjes in het basisonderwijs ingeschreven als jongens en er is sprake van een versnelde vooruitgang in het terugdringen van kinder- en moedersterfte; overwegende dat de huidige MDG's evenwel onvoldoende de fundamentele oorzaken van armoede aanpakken, zoals ongelijkheden binnen en tussen landen, sociale uitsluiting, biodiversiteit en bestuur;

B.  overwegende dat de door de Commissie, de Raad en het Parlement ondertekende Europese consensus voor ontwikkeling een acquis communautaire is; herinnerend aan het belang en bereik van dit document, dat de Europese routekaart is geworden op het gebied van ontwikkeling, alsmede het acquis en de richtsnoeren die hieruit voortvloeien;

C.  overwegende dat de MDG’s armoede hebben helpen definiëren als een onvermogen om te voorzien in de noodzakelijke levensbehoeften op het gebied van onderwijs, gezondheidszorg, milieu, voeding, werkgelegenheid, huisvesting en gendergelijkheid;

D.  overwegende dat mondiale uitdagingen blijven bestaan en naar verwachting zullen toenemen – armoede, honger en ondervoeding, een gebrek aan toegang tot hoogwaardige gezondheidszorg voor iedereen, beperkte toegang tot geneesmiddelen, een gebrek aan behoorlijke, veilige sanitaire voorzieningen en hygiëne, een ontoereikend niveau van basis- en middelbaar onderwijs van goede kwaliteit, hoge werkloosheid, met name onder jongeren, een gebrek aan sociale bescherming en naleving van de mensenrechten, ongelijkheden, onder andere tussen mannen en vrouwen, aantasting van het milieu en klimaatverandering – waardoor de noodzaak ontstaat nieuwe ontwikkelingstrajecten te vinden die kunnen leiden tot inclusieve en duurzame ontwikkeling voor iedereen;

E.  overwegende dat bijna een miljard mensen op de wereld ondervoed en meer dan 200 miljoen mensen werkloos zijn; overwegende dat slechts 28% van de wereldbevolking wordt gedekt door alomvattende socialebeschermingsstelsels, hetgeen wijst op een hoog niveau van informeel werk, en overwegende dat naar schatting 1,4 miljard mensen geen toegang tot toereikende energiediensten hebben, waardoor zij tot armoede veroordeeld zijn;

F.  overwegende dat door ondervoeding in ontwikkelingslanden naar schatting 2,6 miljoen kinderen per jaar sterven en het aantal ondervoede mensen als gevolg van de klimaatverandering naar verwachting zal toenemen;

G.  overwegende dat voor 2020 naar schatting 140 miljoen meisjes zullen worden uitgehuwelijkt als het aantal gesloten kinderhuwelijken in de komende jaren constant blijft;

H.  overwegende dat driekwart van de armen in de wereld in middeninkomenslanden leeft en dat volgens de World Development Indicators 2008 van de Wereldbank de ongelijkheden in inkomen en welvaart binnen landen sinds het begin van de jaren ’80 zijn toegenomen, ook in landen met een hoog inkomen; overwegende dat inkomens- en werkonzekerheid ook zijn toegenomen als gevolg van door de globalisering veroorzaakte tendensen gebaseerd op uitbesteding van werk en zwakkere arbeidsbescherming;

I.  overwegende dat naar verwachting in 2015 ruim 600 miljoen mensen nog steeds onverbeterde waterbronnen zal gebruiken met risico's voor de volksgezondheid en een miljard mensen, waaronder 70% vrouwen, zal moeten rondkomen met minder dan 1,25 USD per dag, in met name Afrikaanse landen maar ook in opkomende landen, en dat indien de huidige trends doorzetten, de MDG om het percentage mensen dat leeft zonder elementaire sanitaire voorzieningen te halveren pas in 2049 zal worden gehaald; overwegende dat momenteel bijna 200 miljoen mensen werkloos zijn, waaronder circa 74 miljoen jongeren tussen 15 en 24 jaar, en dat slechts 20% van de wereldbevolking een toereikende socialezekerheidsdekking geniet, terwijl meer dan helft helemaal geen sociale zekerheid kent; overwegende dat dankzij het uitroepen van 2015 tot het Europees jaar van de ontwikkeling, de Europese burger bewust kan worden gemaakt van het belang van de nieuwe MDG's;

J.  overwegende dat de wereldwijde crises op het gebied van voedsel, energie en financiën in de periode 2007-2010, in combinatie met de wereldwijde economische recessie en de klimaatverandering, de kwetsbaarheid van de mondiale voedselvoorzieningssystemen aan het licht hebben gebracht, evenals de tekortkomingen van de financiële en grondstoffenmarkten en van de mechanismen voor mondiaal bestuur;

K.  overwegende dat duurzaamheidsvraagstukken, onder meer de dringende noodzaak de uitstoot van broeikasgassen te verminderen en te komen tot billijkere en duurzamere vormen van beheer en bestuur van de natuurlijk hulpbronnen, boven aan de veranderingsagenda staan;

L.  overwegende dat de VN-Verklaring inzake het recht op ontwikkeling van 1986 bevestigt dat ontwikkeling een fundamenteel mensenrecht is; overwegende dat de verklaring een "op mensenrechten gebaseerde" aanpak tot doel stelt, gekenmerkt door de eerbiediging van alle mensenrechten (economische, sociale, culturele, burgerlijke en politieke) en overwegende dat de verklaring de internationale samenwerking beoogt te versterken;

M.  overwegende dat het behalen van de MDG's voor het verstrijken van de streefdatum grotendeels afhangt van de realisatie van het wereldwijd partnerschap voor ontwikkeling en overwegende dat de EU en haar lidstaten zich aan hun toezeggingen moeten houden en niet mogen toestaan dat de voortgang vanwege de huidige economische en financiële crisis wordt gestaakt;

N.  overwegende dat artikel 208 VWEU vaststelt dat het terugdringen en het op de lange termijn uitbannen van de armoede het hoofddoel van het ontwikkelingsbeleid van de EU is;

O.  overwegende dat 50 jaar donorgestuurd ontwikkelingsbeleid heeft geleid tot een buitensporige verslaafdheid en afhankelijkheid(5) ;

P.  overwegende dat de VN nauw en op inclusieve wijze samenwerkt met alle belanghebbenden om voort te bouwen op het momentum dat is gecreëerd door de MGD's en verder te gaan met een ambitieuze ontwikkelingsagenda voor de periode na 2015, die gebaseerd moet zijn op betere steun, betere coördinatie en naleving van de beginselen inzake beleidscoherentie;

Q.  overwegende dat de toezegging van de EU om de beleidscoherentie voor ontwikkeling (PCD) te waarborgen, in overeenstemming met de conclusies van de Europese Raad van 2005, is herbevestigd in de conclusies van 14 mei 2012(6) ;

R.  overwegende dat de EU, als ’s werelds grootste donor, vastbesloten is om de MDG’s op tijd te verwezenlijken en zeer nauw betrokken is bij de onderhandelingen over de ontwikkelingsagenda voor de periode na 2015;

S.  overwegende dat het Europees Parlement bijzonder belang hecht aan dit proces en van oordeel is dat de EU moet optreden als drijvende kracht achter het kader voor de periode na 2015;

T.  overwegende dat een aanzienlijk aantal kwetsbare of door conflicten getroffen staten nog geen enkele MDG hebben behaald(7) ;

U.  overwegende dat een gebrek aan vrede, veiligheid, democratie, eerbiediging van de mensenrechten en politieke stabiliteit, in combinatie met corruptie en schendingen van de mensenrechten, verhindert dat arme landen hun ontwikkelingspotentieel verwezenlijken;

V.  overwegende dat 75% van de armen in de wereld in middeninkomenslanden (MIC's) leeft, ondanks de groei van deze landen, en dat de specifieke situatie in de MIC's dan ook niet over het hoofd mag worden gezien bij de herziening van de MDG's, waarbij rekening wordt gehouden met het differentiatiebeginsel dat is overeengekomen in de nieuwe ontwikkelingsagenda;

I.Millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling en nieuwe uitdagingen

1.  bevestigt dat de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling die in 2000 zijn vastgesteld tot de vele in de middeninkomenslanden en ontwikkelingslanden behaalde successen behoren, en dat deze resultaten correct moeten worden geanalyseerd met het oog op het toekomstige kader, zodat algemenere en duurzamere resultaten worden geboekt;

2.  onderstreept dat het mondiale landschap in de afgelopen tien jaar sterk is veranderd, net zoals de aard van de armoede, en dat de groeiende kloof en ongelijkheid tussen en binnen landen belangrijke thema's zijn geworden in het kader van de uitbanning van de armoede;

3.  merkt op dat hoewel enkele ontwikkelingslanden donor zijn geworden, deze nog steeds met hoge en stijgende niveaus van ongelijkheid worden geconfronteerd die vergelijkbaar zijn met die in andere ontwikkelingslanden; merkt op dat onder andere klimaatverandering, voedselonzekerheid, migratie, werkloosheid, demografische verandering, corruptie, beperkte middelen, niet-duurzame groei, financiële en economische crises en schendingen van de mensenrechten complexe en onderling samenhangende uitdagingen vormen;

4.  herinnert eraan dat de aantasting van het milieu het bereiken van de MDG’s, waaronder de doelstelling van het uitbannen van extreme armoede en honger, in gevaar brengt; wijst er in het bijzonder op dat blijvende ongelijkheden en onenigheid over schaarse hulpbronnen tot de voornaamste factoren behoren die conflicten, honger, onveiligheid en geweld in de hand werken, die op hun beurt de menselijke ontwikkeling en pogingen om tot een duurzame ontwikkeling te komen belemmeren; dringt aan op een meer holistische aanpak die recht doet aan de resultaten en follow-up van de Rio+20-conferentie over duurzame ontwikkeling;

5.  herinnert eraan dat er samenhang moet bestaan tussen de beleidsmaatregelen van de EU op handelsgebied en op ontwikkelingsgebied, met name wat betreft de ultraperifere gebieden;

6.  verzoekt de EU met klem om tijdens de besprekingen over het kader voor de periode na 2015 tot en met de VN-top de leiding te nemen en krachtig met één stem te spreken, en een gemeenschappelijk, doeltreffend en ambitieus standpunt vast te stellen met betrekking tot de beginselen en doelstellingen die deel moeten uitmaken van het nieuwe ontwikkelingskader voor de periode na 2015; merkt op dat er één alomvattend en geïntegreerd kader met duidelijk benchmarks moet zijn dat de voornaamste ontwikkelings- en duurzaamheidskwesties omvat en dat dit kader tegelijkertijd universeel en mondiaal van aard moet zijn, welvaart, mensenrechten en welzijn voor iedereen moet bevorderen, moet leiden tot directe en actieve betrokkenheid van alle landen bij het opzetten en uitvoeren ervan en rekening moet houden met de rol en de verantwoordelijkheden van de rijkere landen - die verdergaan dan de financiering - bij het welslagen ervan;

7.  wijst erop dat het wereldwijd partnerschap voor ontwikkeling moet worden aangepast aan de gewijzigde context en nauw moet aanknopen bij de nieuwe dimensies van de agenda voor de periode na 2015; beklemtoont dat een herzien en versterkt wereldwijd partnerschap voor ontwikkeling essentieel is voor de uitvoering van de agenda voor de periode na 2015 en voor het bestaan van doeltreffende verantwoordingsmechanismen op alle niveaus;

8.  is van oordeel dat deze uniforme benadering vraagt om een deugdelijke coördinatie tussen de EU en de lidstaten voorafgaand aan de presentatie ervan op de herfsttop in New York en om sterke zichtbaarheid tijdens het onderhandelingsproces onder leiding van Europese commissaris voor Ontwikkeling; verzoekt de EU, wereldwijd de belangrijkste donor, om haar rol als belangrijkste speler voor de agenda voor de periode na 2015 ten volle te vervullen;

9.  dringt erop aan dat de doelstellingen van het ontwikkelingskader voor de periode na 2015 zowel de MDG’s als de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling (SDG’s) omvatten en welvaart en welzijn voor iedereen bevorderen, met inbegrip van achtergestelde bevolkingsgroepen, zoals vrouwen, kinderen, ouderen en mensen met een handicap; benadrukt dat er sprake moet zijn van echte flexibiliteit bij het naar vermogen vaststellen van nationale doelstellingen met directe en actieve betrokkenheid van ontwikkelingslanden en ontwikkelingspartners, in het bijzonder het maatschappelijk middenveld; wijst erop dat de rijke landen sterke toezeggingen moeten doen, wat betreft zowel hun eigen ontwikkeling als hun beleid dat invloed heeft op andere landen;

10.   benadrukt dat het gebrek aan vorderingen met de MDG's die betrekking hebben op de positie van vrouwen, niet alleen veroorzaakt wordt door financiële of technische obstakels, maar met name te wijten is aan een gebrek aan politieke wil;

   II. Uitbanning van armoede

11.  dringt erop aan dat de uitbanning van de armoede, het hoofddoel van de ontwikkelingssamenwerking van de EU, en de verwezenlijking van duurzame ontwikkeling op sociaal en milieugebied in de wereld tot de noodzakelijke mondiale prioriteiten voor de ontwikkelingsagenda voor de periode na 2015 worden gemaakt;

12.  beklemtoont dat ongelijkheid de economische ontwikkeling en de armoedebestrijding belemmert; wijst er in het bijzonder op dat hoge niveaus van ongelijkheid het opzetten van brede, op herverdeling gebaseerde en fiscaal houdbare socialezekerheidsstelsels die zijn gestoeld op de beginselen van sociale solidariteit, bemoeilijken, en tegelijkertijd kunnen leiden tot een toename van de criminaliteit of gewelddadige conflicten, met name in multi-etnische samenlevingen; is van oordeel dat de structurele oorzaken van armoede moeten worden aangepakt om echte veranderingen in de maatschappij mogelijk te maken;

13.  erkent dat de vraagstukken ontwikkeling en armoedebestrijding verweven zijn met de uitdagingen op het gebied van vrede en veiligheid, het milieu, mensenrechten, gendergelijkheid, democratie en goed bestuur; pleit dan ook voor een vernieuwde aanpak van de uitbanning van de armoede waarin rekening wordt gehouden met het belang van inclusieve economische ontwikkeling en groei, herverdeling van de rijkdom door middel van begrotingsmiddelen, waardig werk, doeltreffende beroepsopleiding, milieuduurzaamheid, mensenrechten en goed bestuur;

14.  pleit voor een verankering van de agenda voor de periode na de MDG’s in de Verklaring inzake het recht op ontwikkeling van 1986, die niet alleen bevestigt dat ontwikkeling een fundamenteel mensenrecht is, maar eveneens ontwikkeling als een proces benadert;

15.  pleit ervoor dat gelijke behandeling van mannen en vrouwen een standaardonderdeel wordt van een op groei gerichte benadering om een einde te maken aan armoede en dat gendergelijkheid wordt opgenomen in alle EU-programma’s, -beleidslijnen en -strategieën en in het gehele kader voor de periode na 2015;

16.  beklemtoont dat inclusiviteit een dynamisch begrip is dat verder gaat dan een strategie die de armen begunstigt en inhoudt dat het aandachtsveld wordt verruimd naar kwetsbare bevolkingsgroepen met zeer onzekere middelen van bestaan, hetgeen ervoor pleit de ontwikkelingsstrategie in het macro-economische kader te verankeren; is van oordeel dat het voor het toezicht op de inclusiviteit en de duurzaamheid van de ontwikkelingsvooruitgang en op de mate waarin rekening wordt gehouden met de behoeften van de minstbedeelde en kwetsbaarste groepen, van cruciaal belang is dat er kwalitatieve indicatoren worden vastgesteld;

17.  verzoekt in dit verband om een bredere definitie van armoede dan een die alleen is gebaseerd op het bruto binnenlands product (BBP); beklemtoont dat mondiale en nationale gemiddelden veel van de armen van de wereld uitsluiten;

Gezondheidszorg, voeding, onderwijs en sociale bescherming

18.  erkent dat voor de bestrijding van ondervoeding bij moeders en kinderen ontwikkelingsstrategieën op lange termijn nodig zijn, waarbij de nadruk ligt op sectoren die de ondervoeding beïnvloeden, zoals gezondheid, onderwijs, water en sanitaire voorzieningen, alsmede de landbouw;

19.  wijst erop dat het feit dat het welzijn van mensen van vele factoren afhankelijk is, volledig moet worden erkend; herinnert er in dit verband aan dat gezondheidszorg, voeding, sociale bescherming, gendergelijkheid en onderwijs aanzienlijk bijdragen aan de uitbanning van armoede en aan inclusieve economische ontwikkeling;

20.  benadrukt dat de genderkloof allereerst in het onderwijs moet worden gedicht, om de gemiddelde kwaliteit van het menselijk kapitaal te verhogen, en in de tweede plaats in de gezondheidszorg, om betere vooruitgang te maken bij het verbeteren van de gezondheid van moeders en het verminderen van de kindersterfte;

21.  vraagt de EU het recht op de hoogst haalbare gezondheidsnorm krachtig te verdedigen, met inbegrip van de seksuele en reproductieve gezondheid en de daaraan verbonden rechten en de integratie van hiv/aids, onder meer door het aanbieden van vrijwillige gezinsplanning, veilige abortus en voorbehoedsmiddelen;

22.  benadrukt dat het MDG-kader voor de periode na 2015 een specifieke doelstelling betreffende de uitbanning van alle vormen van geweld tegen vrouwen omvat;

23.  benadrukt dat gezondheidszorg voor iedereen - waarbij de nadruk zowel op behandelingen als op preventie ligt -, geschikte en voedzame levensmiddelen voor iedereen en goed onderwijs voor iedereen en op alle niveaus met het oog op tewerkstelling, moeten worden beschouwd als belangrijke doelstellingen van de agenda voor de periode na 2015;

24.  dringt erop aan dat het kader voor de periode na 2015 allereerst doelstellingen omvat op het gebied van de toegankelijkheid en betaalbaarheid van goede gezondheidszorg waarbij de nadruk ligt op gezondheidsbevordering, preventie en geneesmethoden met inbegrip van de seksuele en reproductieve gezondheid en de daaraan verbonden rechten en hiv/aids als belangrijke onderdelen, evenals concrete maatregelen met het oog op de invoering van elementaire stelsels voor gezondheidszorg die alle mensen toegang bieden tot preventie, behandeling, zorg en ondersteuning, met inbegrip van de meest gemarginaliseerde en kwetsbare groepen, zoals minderheden, gevangenen, migranten, personen zonder geldige verblijfsvergunning, sekswerkers en drugsgebruikers;

25.  dringt aan op wereldwijde versnelde maatregelen om de moedersterfte, sterfte onder pasgeborenen en kindersterfte terug te dringen en wijst eens te meer op het wezenlijke belang van universele toegang tot reproductievegezondheidszorg;

26.   dringt aan op voortzetting van de steun voor onderzoek naar effectievere en duurzame preventie- en behandelingsprogramma's, waaronder het onderzoek en ontwikkeling met betrekking tot effectieve vormen van medische ingrepen, zoals vaccins, geneesmiddelen en diagnosetechnieken;

27.   benadrukt dat vrouwen, aangezien ze verantwoordelijk zijn voor 80% van de landbouw in Afrika, een cruciale rol spelen op het vlak van voeding en voedselzekerheid, terwijl ze nog steeds weinig of geen toegang hebben tot de eigendom van het land dat zij bebouwen; onderstreept dat de uitbanning van honger daarom afhangt van de steun aan kleine boeren, zodat zij voldoende voedsel voor zichzelf en hun gezin kunnen produceren; herinnert eraan dat de meerderheid van de kleine boeren vrouw is; dringt aan op een in alle elementen van de programmering inzake voedselzekerheid geïntegreerde gendergevoelige benadering; onderstreept de noodzaak om ondervoeding door middel van wetenschappelijk gefundeerde maatregelen te voorkomen en te behandelen, waarbij prioriteit wordt gegeven aan zwangere vrouwen en jonge kinderen;

28.   onderstreept de noodzaak om ter versterking van de gezondheidsstelsels gezondheidsprogramma's te ontwikkelen en uit te voeren, gezien het feit dat de wereldwijde economische crisis de vooruitgang op het gebied van de bestrijding van hiv/aids, tuberculose, malaria en verwaarloosde tropische ziekten ondermijnd heeft;

29.   benadrukt het belang van de doelstelling met betrekking tot de verbetering van de zwangerschapszorg om de sterfte onder moeders terug te dringen en seksuele en reproductieve gezondheid en gezinsplanning voor iedereen bereikbaar te maken; benadrukt het belang van voorlichting over en bewustzijn van seksuele en reproductieve gezondheid als een onontbeerlijk deel van de agenda voor de gezondheid van vrouwen;

30.   benadrukt dat bijzondere aandacht dient te worden besteed aan de opleiding van zowel mannen als vrouwen inzake genderkwesties vanaf een vroeg schoolstadium, zodat attitudes en maatschappelijke stereotypes geleidelijk veranderen en gendergelijkheid overal ter wereld een basisbeginsel wordt;

31.   dringt erop aan dat de door de EU verstrekte humanitaire hulp die bijdraagt aan de verwezenlijking van de MDG's niet onderhevig moet zijn aan de door de Verenigde Staten of andere donoren opgelegde beperkingen op humanitaire hulp, met name door te zorgen voor toegang tot abortus voor vrouwen en meisjes die het slachtoffer zijn van verkrachting in gewapende conflicten;

32.  erkent dat kansen op waardig werk arme huishoudens de mogelijkheid bieden zich aan de armoede te ontworstelen en individuen en gezinnen bij uitstek in staat stellen om hun gevoel van eigenwaarde te versterken, hun gemeenschapsgevoel te vergroten en een productieve bijdrage te leveren; pleit ervoor dat volledige en productieve werkgelegenheid en waardig werk tot een centrale doelstelling van de ontwikkelingsagenda voor de periode na 2015 worden gemaakt en pleit ervoor dat deze doelstelling wordt gesteund door de invoering van degelijke nationale socialebeschermingsniveaus om de armoede te verminderen en de weerbaarheid te vergroten;

33.  benadrukt dat gezondheidsvoorlichting en -opleiding belangrijke elementen voor een betere volksgezondheid zijn;

34.  dringt erop aan dat bijzondere aandacht wordt geschonken aan het bestrijden van niet-overdraagbare ziekten, zoals kanker;

35.  pleit ervoor dat het MDG-kader voor de periode na 2015 de zelfredzaamheid van vrouwen en de gendergelijkheid bevordert door de genderkloof op alle niveaus van het onderwijs te dichten, middels specifieke doelstellingen, waaronder algemene toegang tot en de voltooiing van goed onderwijs (lager, middelbaar en hoger) en beroepsonderwijs met een beleidskader dat gericht is op het scheppen van jeugdvriendelijke banen, de uitbanning van analfabetisme onder vrouwen, evenals toegang tot uitgebreide seksuele voorlichting, op school en daarbuiten;

   III. Goed bestuur

36.  benadrukt dat het kader voor duurzame ontwikkeling voor de periode na 2015, naleving van het beginsel van democratisch bestuur en de mensenrechten vereist, evenals doeltreffende, transparante en controleerbare instellingen en partners op alle niveaus en een mondig en stelselmatig bij het democratisch proces betrokken maatschappelijk middenveld; benadrukt dat het kader moet uitgaan van de sleutelbegrippen participatiedemocratie en effectief burgerschap door de volledige en betere uitoefening van burgerlijke en politieke rechten;

37.  verzoekt de EU haar ervaring en expertise met de ontwikkelingslanden te delen door toegang te bieden tot relevante kennis op het gebied van duurzame ontwikkeling en met name de ervaringen die de lidstaten met overgangsprocessen hebben, te delen;

38.  is van oordeel dat de lopende onderhandelingen en het lopende debat zodanig moeten worden georganiseerd dat deze leiden tot een duidelijk streven naar democratisch bestuur in het nieuwe ontwikkelingskader;

39.  onderstreept dat de klimaatverandering, de recente voedselprijzencrisis en de wereldwijde financiële crisis in verband kunnen worden gebracht met het gebrek aan behoorlijk mondiaal bestuur; benadrukt derhalve dat mondiaal bestuur een belangrijk onderdeel moet vormen van de ontwikkelingsagenda voor de periode na 2015;

40.  betreurt het gebrek aan samenhang tussen instellingen voor mondiaal bestuur, in het bijzonder wat betreft multilaterale handel, financiën en milieustructuren; is van oordeel dat, nu landen bij gebrek aan mondiaal bestuur regionale oplossingen zijn gaan nastreven om te voorzien in regiospecifieke ontwikkelingsbehoeften, dergelijke regelingen moeten worden gecoördineerd om versnipperd beleid dat niet goed aansluit op multilaterale regelingen en internationale normen, te voorkomen; is meer in het algemeen van mening dat maatregelen op mondiaal niveau noodzakelijk zijn ter aanvulling van de nationale inspanningen;

41.  merkt op dat, hoewel de opzet van het MDG-kader het mogelijk heeft gemaakt concrete, tijdgebonden doelstellingen vast te stellen die kunnen worden bewaakt met statistisch onderbouwde indicatoren, de betrokkenen deze doelstellingen nog onvoldoende eigen hebben gemaakt; waarschuwt in dit verband voor het opleggen van een standaardaanpak en is van mening dat mondiale doelstellingen moeten worden toegesneden op en aangepast aan de context en de uitgangssituatie in de verschillende landen en regio’s;

42.  merkt op dat autoriteiten op alle niveaus een cruciale rol spelen bij de uitvoering van een agenda voor duurzame ontwikkeling door hun deelname aan beleidsdebatten, het omzetten van toezeggingen in wetgeving, het ter verantwoording roepen van overheden voor hun sociaal, milieu- en justitieel beleid en door voort te bouwen op het beginsel van eigen inbreng;

43.  spoort de internationale gemeenschap aan zich in het bijzonder te richten op de totstandbrenging van een gunstig participatieklimaat dat organisaties uit het maatschappelijk middenveld, de particuliere sector, liefdadigheidsinstellingen en andere onafhankelijke ontwikkelingspartners, evenals nationale parlementen en plaatselijke autoriteiten op lokaal, nationaal en regionaal niveau in staat stelt hun verantwoordelijkheden te nemen bij het opstellen van beleid en het houden van toezicht op de uitvoering ervan, en zo effectief bij te dragen aan het kader voor de periode na 2015;

44.  dringt er verder op aan dat jongeren, in het bijzonder meisjes en jonge vrouwen, in staat worden gesteld een vooraanstaande rol te spelen in het kader voor de periode na 2015, en wijst er op dat participatie van jongeren in het bestuur brede voordelen kan hebben, en onder andere democratische besluitvormingsstructuren en -processen kan bevorderen en het welzijn van jongeren en hun gemeenschappen kan verbeteren;

Op mensenrechten gebaseerde aanpak

45.  wenst dat beginselen op het gebied van de mensenrechten ten grondslag komen te liggen aan het kader voor de periode na 2015, dat met name problemen moet aanpakken op het gebied van ongelijkheid, schadelijke traditionele praktijken, discriminatie, gendergerelateerd geweld, participatie en empowerment van gemarginaliseerde en achtergestelde leden van de samenleving, met bijzondere aandacht voor de rechten van jongeren, vrouwen, migranten, mensen met hiv, mensen die vanwege hun kaste worden gediscrimineerd, homo-, bi- en transseksuelen en mensen met een handicap;

46.  pleit in dit verband voor een aparte doelstelling om de aanhoudende ongelijkheden waar vrouwen en meisjes mee te maken hebben aan te pakken, en tegelijkertijd de noodzakelijke politieke bereidheid, middelen en eigen inbreng te bevorderen om duurzame en doeltreffende maatregelen tot stand te brengen;

47.  benadrukt dat de ontwikkelingsagenda van de VN voor de periode na 2015 moet uitgaan van een op de mensenrechten gebaseerde aanpak, waarvan ook sociale en economische rechten deel uitmaken, evenals burgerlijke en politieke rechten die verband houden met vrede en veiligheid, alsook het recht op ontwikkeling;

48.  pleit voor de vaststelling van een overkoepelende gelijkheidsdoelstelling;

49.  spoort de EU aan ontwikkelingslanden te ondersteunen bij het opbouwen van politieke wil en het opvoeren van hun inspanningen voor de ratificatie en tenuitvoerlegging van rechtsinstrumenten met betrekking tot de mensenrechten gericht op het verbieden van discriminatie of wettelijke, beleids- en regeltechnische obstakels en sanctiebepalingen op basis van leeftijd, gender, ras, etniciteit, kaste, cultuur, godsdienst, overtuiging, echtelijke staat, invaliditeit, hiv-status, nationaliteit, migratiesituatie, taalvaardigheden, seksuele gerichtheid, genderidentiteit of andere factoren en status; spoort de EU eveneens aan ontwikkelingslanden te ondersteunen bij het opbouwen van passende socialebeschermingsniveaus;

50.   dringt erop aan dat alle landen het VN-Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen ratificeren om de gelijkheid van vrouwen en mannen te bevorderen;

Vrede, veiligheid en ontwikkeling

51.  benadrukt dat gewapende conflicten en post-conflictsituaties behoren tot de belangrijkste obstakels voor ontwikkeling en voor de vermindering van armoede, en de democratie in gevaar brengen; benadrukt tevens dat vrede en veiligheid, en ontwikkeling en mensenrechten met elkaar verband houden en elkaar versterken; moedigt de Unie dan ook aan om alle relevante instrumenten te gebruiken, zoals de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en de instrumenten beschikbaar in het kader van de overeenkomst van Cotonou, om conflicten beter te kunnen voorkomen;

52.  vraagt in dit verband om capaciteitsopbouw prioriteit te geven in door conflicten getroffen en fragiele staten; is van oordeel dat doeltreffende internationale partnerschappen, methoden voor kennisuitwisseling en capaciteitsontwikkeling gebaseerd op de ervaring met overgangsprocessen van EU-lidstaten, voortbouwend op het model van de nieuwe afspraken voor optreden in fragiele staten dat tijdens het vierde forum op hoog niveau over de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp in Busan is gelanceerd, noodzakelijk zijn voor het stabiliseren en ontwikkelen van deze staten;

53.  vraagt de EU haar nauwe betrokkenheid bij fragiele staten te handhaven door geïntegreerde antwoorden te bieden in het kader van ontwikkelingsbeleid, humanitaire hulp te verstrekken en bij te dragen aan de vermindering van risico's op rampen, conflictpreventie en staatsvorming;

54.  is van oordeel dat het kader voor de periode na 2015 recht moet doen aan de in Busan overeengekomen doelstellingen inzake vredesopbouw en staatsvorming;

55.  benadrukt dat de preventie van geweld en discriminatie, met name seksueel geweld tegen vrouwen en meisjes, dient te worden opgenomen in het kader voor de periode na 2015 en dat alomvattende beschermingsstelsels die voor iedereen toegankelijk zijn in het leven moeten worden geroepen of moeten worden versterkt;

   IV. Duurzaamheid

56.  verzoekt de EU op inclusieve en transparante wijze bij te dragen aan het versterken van de samenhang tussen de SDG's op sociaal en milieugebied en de ontwikkelingsdoelen voor de periode na 2015;

57.  benadrukt dat het eindresultaat een enkele ontwikkelingsagenda' moet zijn, waarmee doublures van inspanningen en middelen worden vermeden; onderstreept dat, aangezien milieu- en ontwikkelingsvraagstukken op mondiaal niveau doorgaans afzonderlijk worden behandeld, de EU nieuwe manieren moet zoeken om de kloof tussen deze nauw met elkaar verbonden onderwerpen, ook op institutioneel vlak, te overbruggen;

58.  beklemtoont dat duurzaamheid een belangrijke uitdaging is, waarbij het uitblijven van een oplossing alle aspecten van de menselijke ontwikkeling in gevaar brengt; erkent in het bijzonder de verbondenheid van vraagstukken inzake voedsel, duurzame en betrouwbare toegang tot energie, water, duurzaam landgebruik, efficiënt gebruik van natuurlijke hulpbronnen, de bescherming van mariene en andere ecosystemen en biodiversiteit, ontbossing en de beperking van en aanpassing aan klimaatverandering, rampenrisicovermindering, duurzame productie en consumptie, sociale integratie en waardig werk in het armoedebestrijdingskader;

59.  merkt op dat universele toegang tot veilig drinkwater en sanitaire voorzieningen, als een horizontale elementaire vorm van sociale dienstverlening om alle doelstellingen te verwezenlijken, evenals tot moderne, betrouwbare, betaalbare, klimaatvriendelijke en duurzame energiediensten, een belangrijke drijvende kracht is achter armoedebestrijding en inclusieve duurzame groei;

60.  onderstreept dat voor de verwezenlijking van energiezekerheid behoefte is aan strategieën gericht op de diversificatie van bronnen, waaronder zonne-energie, de bescherming van ecosystemen en natuurlijke hulpbronnen, de vermindering van risico's op rampen, het integrale beheer van watervoorraden en de verbetering van markten, infrastructuur en regelgeving;

61.  pleit tevens voor concrete maatregelen ter bevordering en ontwikkeling van gezonde mariene ecosystemen, duurzame visserij en duurzame aquacultuur, die een belangrijke rol kunnen spelen op het gebied van voedselzekerheid, voeding en duurzame landbouw;

62.  wijst erop dat het differentiatiebeginsel dat is vastgelegd in de nieuwe ontwikkelingsagenda terdege in de praktijk moet worden gebracht; dringt erop aan dat de opkomende landen hun verantwoordelijkheid nemen bij de herverdeling van de inkomsten onder hun burgers via de staatsbegroting om de armoedekloof te dichten;

   V. Naar een EU-standpunt inzake het ontwikkelingskader voor de periode na 2015

Financiering van de MDG's voor de periode na 2015

63.  herinnert aan de gedane toezegging om voor 2015 0,7% van het bruto nationaal inkomen toe te wijzen aan officiële ontwikkelingshulp (ODA); benadrukt dat dit niveau moet worden gehandhaafd in een toekomstig kader en verzoekt de lidstaten dit te regelen via bindende wetgeving en meerjarige begrotingsschema’s goed te keuren om de doelstelling te bereiken;

64.  benadrukt dat het belangrijk is dat de EU-begroting is opgewassen tegen de uitdagingen waarmee zij wordt geconfronteerd, in het bijzonder in tijden van crisis, vooral voor de financiering van ontwikkeling; pleit in dit opzicht, mede om ervoor te zorgen dat de EU-begroting niet langer wordt gegijzeld door de hoogte van de betalingskredieten alleen, voor het scheppen van eigen middelen, bijvoorbeeld door middel van een belasting op financiële transacties, waarvan een deel moet worden toegewezen aan rubriek IV van de EU-begroting;

65.  benadrukt dat de middelen die worden uitgetrokken voor de bestrijding van de klimaatverandering en de aanpassing aan de gevolgen ervan een echte aanvulling moeten vormen op de bestaande toezeggingen; vraagt de EU derhalve voor te stellen dat andere financieringsbronnen dan officiële ontwikkelingshulp beschikbaar worden gemaakt voor de klimaatfinanciering, zodat tijdens discussies over de periode na 2015 de rol van respectievelijk officiële ontwikkelingshulp en de financiering voor aanpassing bij de duurzame uitbanning van armoede kunnen worden verduidelijkt;

66.  verzoekt de Commissie besprekingen met alle belanghebbenden over financieringsmechanismen te stimuleren teneinde te voldoen aan de financiële behoeften in een ontwikkelingslandschap in de periode na 2015;

67.  herinnert eraan dat tijdens het forum voor ontwikkelingssamenwerking van de VN van 2012 nadrukkelijk werd gewezen op de behoefte aan een betere coördinatie tussen verschillende steunmechanismen en donoren, in plaats van onderlinge wedijver; vraagt de EU te ijveren voor een agenda voor doeltreffende ontwikkelingshulp aangezien de EU en de lidstaten een gezamenlijke verantwoordelijkheid dragen om de fragmentatie van de ontwikkelingshulp tegen te gaan;

Innovatieve financieringsmechanismen

68.  verzoekt de Commissie om in samenwerking met andere donoren op mondiaal niveau te blijven werken aan andere innovatieve financieringsmechanismen voor ontwikkeling aangezien deze en nieuwe partnerschappen een cruciale rol zullen spelen in een nieuw ontwikkelingslandschap, ter aanvulling van andere bronnen en compromissen op het gebied van de financiering voor duurzame ontwikkeling; verzoekt nogmaals de EU-lidstaten die hebben toegezegd de belasting op financiële transacties in te voeren, een deel van deze middelen te gebruiken voor duurzame ontwikkeling en de bestrijding van klimaatverandering;

69.  merkt op dat de EU een geïntegreerde en complementaire aanpak van financiering, onder meer door middel van publiek-private partnerschappen, moet bevorderen;

70.  vraagt de EU sociale, ethische en milieuvriendelijke overheidsopdrachten op internationaal niveau aan te moedigen als instrument voor het verwezenlijken van het kader voor de periode na 2015;

71.  verzoekt de EU de mechanismen voor het combineren van leningen en subsidies terdege te evalueren – in het bijzonder met betrekking tot ontwikkeling en financiële additionaliteit, transparantie en verantwoordelijkheid, lokale eigen inbreng en schuldenrisico - voordat de mix van leningen en subsidies verder wordt ontwikkeld om financiële middelen voor ontwikkeling te stimuleren en microkrediet te bevorderen; verzoekt de Commissie om richtsnoeren en nauwkeurige criteria bekend te maken die gebaseerd zijn op geharmoniseerde strategieën ter vermindering van armoede en een duidelijke invloed op duurzame ontwikkeling hebben na invoering van de nieuwe regelingen;

Verhogen van de binnenlandse ontvangsten door middel van doeltreffende belastingheffing en het bestrijden van corruptie

72.  herhaalt het verzoek om de bestrijding van corruptie, het witwassen van geld, belastingparadijzen, illegale kapitaalbewegingen en schadelijke belastingstructuren als topprioriteit op de EU-agenda bij internationale financierings- en ontwikkelingsinstellingen te plaatsen, om ontwikkelingslanden in staat te stellen hun binnenlandse inkomsten te verhogen;

73.  wijst erop dat op korte termijn meer binnenlandse middelen moeten worden vrijgemaakt en verzoekt de EU en de internationale gemeenschap dan ook hun steun aan ontwikkelingslanden te verhogen bij het vaststellen van een doeltreffend fiscaal beleid en een duurzame belastinggrondslag en het versterken van de capaciteit, vaardigheden en kwalificaties van hun overheden voor de aanpak van illegale geldstromen, belastingontwijking, belastingontduiking en fraude en voor een betere inning van de belastingen;

74.  herinnert eraan dat de kwaliteit van de financiële verslaglegging van wezenlijk belang is voor een doeltreffende bestrijding van belastingontduiking; onderstreept dan ook het belang van volledige transparantie van de bedrijfsrapportering van de winst en de betaalde belastingen, in het bijzonder - maar niet uitsluitend - door bedrijven die betrokken zijn bij de exploitatie van natuurlijke hulpbronnen; verzoekt de Commissie te ijveren voor de opname in de International Financial Reporting Standard (internationale standaard voor financiële verslaglegging) van de International Accounting Standards Board van de vereiste dat alle multinationale ondernemingen hun opbrengsten en betaalde belastingen per land rapporteren; wijst er nogmaals op dat een dergelijke vereiste aansluit bij de noodzaak van een grotere sociale verantwoordelijkheid van multinationale ondernemingen;

Toezichtmechanismen en indicatoren

75.  wijst op de dringende behoefte om te komen tot een passende mix van kwantitatieve en kwalitatieve maatstaven voor ontwikkeling;

76.  merkt op dat een nieuwe reeks van indicatoren naast het BBP nodig is om welvaart en ontwikkeling te bereiken en nieuwe problemen op sociaal en milieugebied op te lossen, en indicatoren zoals de index van de menselijke ontwikkeling, de armoederatio per hoofd van de bevolking, de armoedekloofindex en de Gini-coëfficiënt voor inkomens moet omvatten;

77.  merkt op dat duidelijke en meetbare indicatoren, met inbegrip van prestaties en resultaten, cruciaal zijn voor het toezicht houden op en de verslaglegging over de gemaakte vorderingen ten aanzien van onder meer de uitbanning van de armoede en de economische en sociale ontwikkeling en dat deze onder andere betrekking dienen te hebben op gendergelijkheid, werkgelegenheid, sociale bescherming (bijvoorbeeld toegang tot gezondheidszorg en pensioenen, bescherming tegen de risico's van werkloosheid en bescherming tegen inkomensverlies door vrouwen, kinderen en ouderen), invaliditeit, migratie en minderheidsstatussen;

78.  vraagt de EU referentiegegevens, indicatoren en doelstellingen te ontwikkelen voor het meten van de impact van de beleidscoherentie voor ontwikkeling (PCD);

Particuliere sector

79.  benadrukt dat de UN Guiding Principles on Business and Human Rights dringend moeten worden toegepast; roept in dit verband alle landen op een echt regelgevend kader voor het bedrijfsleven vast te stellen, gericht op de bevordering van volledige en productieve werkgelegenheid en waardig werk, de eerbiediging van de mensenrechten, waaronder de ILO-normen, transparantie en sociale en milieunormen;

80.  is van oordeel dat de steun aan de particuliere sector er in de eerste plaats op gericht moet zijn de bevolking van de ontwikkelingslanden uit de armoede te halen en bij te dragen aan de versterking van de particuliere sector in de ontwikkelingslanden, om onevenwichtige ontwikkeling en groei te voorkomen;

81.  spoort in de EU gevestigde ondernemingen met productiefaciliteiten in de ontwikkelingslanden aan hun verplichtingen na te komen met betrekking tot de eerbiediging van mensenrechten en vrijheden, sociale en milieunormen, gendergelijkheid, fundamentele arbeidsnormen, internationale overeenkomsten en de betaling van belastingen op een transparante manier;

82.  wijst op het belang van het beschermen van particulier eigendom om het investeringsklimaat te verbeteren en de rechtsstaat te versterken;

83.  benadrukt dat hoewel de particuliere sector een cruciale rol speelt in de economie, het de hoofdverantwoordelijkheid van de staat is om goede basisdiensten te leveren aan zijn burgers en daardoor bij te dragen aan de bestrijding van de armoede;

84.  benadrukt dat actoren uit de openbare en particuliere sectoren nieuwe manieren moeten vinden om hun belangen, capaciteiten en inspanningen te verenigen voor het verwezenlijken van de agenda voor de periode na 2015;

85.  onderstreept dat economische groei en ontwikkeling duurzaam en inclusief moeten zijn en moeten bijdragen aan het versterken van de productiecapaciteit, het scheppen van waardige banen en sociale inclusie voor iedereen, om ontwikkelingslanden in staat te stellen hun economieën te veranderen; vraagt om de vaststelling van nationale socialebeschermingsniveaus in ontwikkelingslanden en de afschaffing van alle vormen van kinderarbeid;

86.  wijst erop dat Fair Trade een handelspartnerschap is, gebaseerd op dialoog, transparantie en respect, met als doel de internationale handel rechtvaardiger te maken(8) ; is van mening dat Fair Trade een voorbeeld is van een geslaagd partnerschap, waarbij een groot aantal belanghebbenden overal ter wereld en in verschillende stadia van de toeleveringsketens betrokken zijn, dat ervoor zorgt dat achtergestelde producenten toegang hebben tot de markt, duurzame middelen van bestaan garandeert, arbeidsnormen respecteert, kinderarbeid geleidelijk afschaft en ecologisch verantwoorde landbouw en productiepraktijken aanmoedigt;

Beleidscoherentie voor ontwikkeling (PCD) en coördinatie tussen donoren

87.  verzoekt de EU ervoor te zorgen dat PCD stevig is ingebed in het kader voor de periode na 2015 en bijzondere aandacht te blijven besteden aan de volgende prioritaire gebieden: handel en financiën, gezondheid en onderwijs, klimaatverandering, natuurlijke hulpbronnen, landbouw, visserij, gezondheidszorg, voedsel en voedselzekerheid, migratie, energie, vredes- en veiligheidsbeleid en mensenrechten;

88.  merkt op dat handel van groot belang kan zijn voor het verminderen van de armoede, en tevens leidt tot meer rechtvaardigheid en transparantie, en duurzame menselijke ontwikkeling en economische groei bevordert; vraagt de EU met klem om er in dit verband op toe te zien dat haar handelsbeleid goed aansluit op haar ontwikkelingsdoelstellingen;

89.  is van oordeel dat dankzij de MDG’s de aandacht voor ontwikkelingshulp is vergroot, maar dat de nadruk niet uitsluitend op hulp moet liggen; is van mening dat een nieuwe benadering noodzakelijk is die ook mondiaal bestuur omvat, met bijzondere aandacht voor beleidscoherentie voor ontwikkeling en mondiale collectieve voorzieningen;

90.  is van oordeel dat in een ontwikkelingsagenda voor de periode na 2015 essentiële mondiale collectieve voorzieningen moeten worden vastgesteld, moet worden bepaald hoe deze worden gefinancierd en moet wordt aangegeven welke mondiale instellingen verantwoordelijk kunnen worden gehouden voor de levering ervan;

91.  is van oordeel dat het uitgangspunt van PCD meer moet behelzen dan het niet berokkenen van schade, zowel in Europa als daarbuiten, en gericht moet zijn op een meer geïntegreerde benadering waarbij de internationale handel, het milieu en het internationaal financieel systeem worden beschouwd als onderdelen van mondiaal overheidsbeleid dat bijdraagt aan mondiale ontwikkelingsdoelstellingen; steunt in dit verband de oprichting van een mondiale economische raad in het kader van de Verenigde Naties;

92.  merkt op dat PCD alleen echte en doeltreffende resultaten kan behalen door middel van een gezamenlijke inspanning en de actieve betrokkenheid van ontwikkelde en ontwikkelingslanden, opkomende economieën en internationale organisaties;

93.  benadrukt dat het toekomstige kader voor ontwikkeling een verwijzing dient te bevatten naar hulp en het concept van de "doeltreffendheid van de ontwikkeling"; is in het bijzonder van mening dat de omschakeling van een agenda voor de "doeltreffendheid van de ontwikkelingshulp" naar een agenda voor de "doeltreffendheid van de ontwikkeling" veronderstelt dat ontwikkelingshulp, hulp bij het verstrekken van mondiale collectieve voorzieningen en aanpassing aan bestaande structuren voor mondiaal bestuur worden gecombineerd om beter te kunnen reageren op mondiale uitdagingen;

94.  spoort de EU aan als een drijvende kracht op te treden en op inclusieve en transparante wijze te zorgen voor complementariteit en taakverdeling binnen het ontwikkelingsproces, onder meer door het gebruik van gezamenlijke programmering te intensiveren;

Uitvoerige richtsnoeren voor een ontwikkelingskader voor de periode na 2015

95.  is ingenomen met de ambitieuze en boeiende mededeling van de Commissie van 27 februari 2013 met de titel "Een waardig leven voor iedereen";

96.  benadrukt dat rekening dient te worden gehouden met de volgende uitgangspunten bij het vaststellen van een samenhangend EU-standpunt met het oog op de onderhandelingen over een nieuw ontwikkelingskader:

   a. de ontwikkelingsagenda voor de periode na 2015 dient rekening te houden met de nieuwe mondiale, regionale, nationale en lokale realiteiten en uitdagingen;
   b. bij het bepalen van de toekomstige agenda moet men zich laten leiden door de volledige participatie en eigen inbreng van de ontwikkelingslanden en de middeninkomenslanden, terwijl de nieuwe verantwoordelijkheden en de gegenereerde lasten gelijkelijk en billijk tussen alle landen moeten worden gedeeld;
   c. de toekomstige agenda moet ambitieus, universeel, mondiaal van aard, breed en flexibel zijn, met doelstellingen die afgestemd zijn op elk land en die eenvoudig, bondig, actiegericht en eenvoudig over te brengen zijn en aansluiten op de lokale, nationale en regionale context, en moet een beperkt aantal concrete en meetbare doelstellingen omvatten;
   d. het is van wezenlijk belang om de beginselen van wederzijdse verantwoordelijkheid, verantwoording, transparantie, democratie, mensenrechten, eigen inbreng, goed bestuur, rechtsstatelijkheid, vrede en veiligheid, gelijkheid en rechtvaardigheid en gendergelijkheid te eerbiedigen en ervoor te zorgen dat deze worden opgenomen in de toekomstige agenda;
   e. de verwezenlijking van de toekomstige doelstellingen hangt af van het vermogen van alle ontwikkelingslanden om hun verantwoordelijkheid voor het welzijn van hun burgers te vervullen, de meest kwetsbare personen te bevrijden van armoede, ongelijkheid tegen te gaan en tegelijkertijd de mensenrechtenbeginselen te eerbiedigen;
   f. bijzondere aandacht moet worden besteed aan het versneld bereiken van gendergelijkheid en versterken van de zelfredzaamheid van meisjes en vrouwen in alle geledingen van de maatschappij;
   g. het nieuwe kader moet de economische, sociale en ecologische dimensie van duurzame ontwikkeling verenigen;
  h. het is noodzakelijk om alle mogelijke financiële middelen en innovatieve financieringsmechanismen voor ontwikkeling te mobiliseren, waarbij bijzondere aandacht wordt besteed aan:
   i) de bestrijding van corruptie, belastingparadijzen, belastingontduiking en -ontwijking en van illegale kapitaalbewegingen;
   ii) de verantwoordelijkheden van opkomende economieën in het kader van de ontwikkelingsagenda en de bevordering van zuid-zuid- en trilaterale samenwerking;
   iii) de verbetering van toezichtmechanismen;
   iv) officiële ontwikkelingshulp;
   v) PCD;
   i. er moet voor worden gezorgd dat het nieuwe kader ook andere partners dan de nationale overheden omvat om een gunstig klimaat tot stand te brengen dat daadwerkelijke, op democratie gebaseerde eigen inbreng bevordert en het maatschappelijk middenveld ondersteunt;
   j. PCD zal absoluut cruciaal zijn voor het welslagen van een toekomstig kader vanwege de veranderende aard van de armoede en de impact van binnenlands beleid in de mondiale context;
   k. duidelijke verantwoordingsmechanismen zijn noodzakelijk om ervoor te zorgen dat landen hun toezeggingen nakomen en de problemen op het gebied van armoede en duurzaamheid aanpakken waarop het kader voor de periode na 2015 betrekking zal hebben;<BR>o<BR>o o

97.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten en de secretaris-generaal van de Verenigde Naties.

(1) PB C 46 van 24.2.2006, blz. 1.
(2) Conclusies van de Raad 9558/07 van 15.5.2007.
(3) http://ec.europa.eu/europeaid/what/millenium-development-goals/index_en.htm
(4) PB C 236 E van 12.8.2011, blz. 48.
(5) http://www.ecdpm-talkingpoints.org/african-consultations-post2015-development-agenda
(6) Document 9317/12.
(7) OESO et al., 2011, "Conflict, fragility and armed violence are major factors preventing the achievement of the MDGs".
(8) Zie de definitie in het Charter of Fair Trade Principles van de World Fair Trade Organisation.

Laatst bijgewerkt op: 16 november 2015Juridische mededeling