Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2013/2097(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A7-0383/2013

Ingediende teksten :

A7-0383/2013

Debatten :

Stemmingen :

PV 11/12/2013 - 4.26

Aangenomen teksten :

P7_TA(2013)0577

Aangenomen teksten
PDF 141kWORD 73k
Woensdag 11 december 2013 - Straatsburg Definitieve uitgave
Melkproductie in berggebieden, minder begunstigde gebieden en ultraperifere gebieden
P7_TA(2013)0577A7-0383/2013

Resolutie van het Europees Parlement van 11 december 2013 over het behoud van de melkproductie in berggebieden, minder begunstigde gebieden en ultraperifere gebieden na de beëindiging van de melkquotaregeling (2013/2097(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien titel III van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met betrekking tot, met name, de landbouw,

–  gezien artikel 174, derde alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met betrekking tot, met name, de berggebieden, en artikel 349 met betrekking tot de ultraperifere gebieden,

–  gezien Verordening (EG) nr. 247/2006 houdende specifieke maatregelen op landbouwgebied ten behoeve van de ultraperifere gebieden van de Unie(1) ,

–  gezien Verordening (EU) nr. 261/2012(2) tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1234/2007 wat de contractuele betrekkingen in de sector melk en melkproducten betreft,

–  gezien Verordening (EG) nr. 1234/2007(3) ,

–  gezien het Protocol inzake de toepassing van de Alpenovereenkomst van 1991 op het gebied van berglandbouw – Protocol berglandbouw, gepubliceerd op 30 september 2006 in het Publicatieblad van de Europese Unie(4) ,

–  gezien het advies van het Comité van de regio's (NAT-V-028) van 30 mei 2013 over de evolutie van de marktsituatie en de daaruit volgende voorwaarden voor een vlotte, geleidelijke afschaffing van de melkquotaregeling – tweede "zachtelandingsverslag",

–  gezien het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad "Evolutie van de marktsituatie en de daaruit volgende voorwaarden voor een vlotte, geleidelijke afschaffing van de melkquotaregeling – tweede "zachtelandingsverslag" (COM(2012)0741),

–  gezien de studie "Labelling of agricultural and food products of mountain farming", die in opdracht is gegeven door het Directoraat-generaal landbouw en plattelandsontwikkeling (contract nr. AGRI-2011-0460 / JRC-IPTS Nr. 32349-2011-10),

–  gezien de studie van de Commissie "Economic impact of the abolition of the milk quota regime – regional analysis of the milk production in the EU" van februari 2009,

–  gezien de studie van beleidsondersteunende afdeling B (Structuur- en cohesiebeleid) "The future of milk quota: different scenarios" van januari 2008,

–  gezien artikel 48 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (A7-0383/2013),

A.  overwegende dat de beëindiging van de melkquotaregeling gevolgen zal hebben voor de gehele Europese melkmarkt en dat de melkveehouders in berggebieden en ultraperifere gebieden hierdoor bijzonder zullen worden getroffen, omdat in deze gebieden geen gebruik kan worden gemaakt van de door de liberalisering ontstane groeimogelijkheden vanwege de natuurlijke en permanente handicaps in deze regio's;

B.  overwegende dat krachtens artikel 32 van Verordening (EU) nr. 1305/2013, gebieden ten noorden van de 62ste breedtegraad en bepaalde aangrenzende gebieden als berggebieden worden beschouwd, en dat de definitie en de status van de ultraperifere gebieden worden bepaald volgens artikel 349 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie;

C.  overwegende dat de beslissingen van jonge bedrijfsleiders over hun toekomst in deze gebieden afhangen van de grootte van het bedrijf en hun financiële reserves, rekening houdend met het feit dat bedrijven die recent in de quotaregeling hebben geïnvesteerd na de beëindiging hiervan meer moeten doen tegen een tekort aan liquiditeit en zwaarder zullen worden belast;

D.  overwegende dat de locatiespecifieke kostennadelen van de melkproductie in berggebieden en ultraperifere gebieden ernstig zijn en dat na de afschaffing van de melkquotaregeling in het geval van aanvullende voorschriften en met name aanvullende beperkingen van het bodemgebruik het economische en winstgevende werk van boeren moet worden gewaarborgd;

E.  overwegende dat ten gevolge van de beëindiging van de melkquotaregeling ook in delen van andere minder begunstigde gebieden concurrentienadelen kunnen ontstaan, waardoor de duurzaamheid van de productie in die gebieden gevaar loopt, gedeeltelijk omdat de bevolkingsdichtheid zo klein is dat inzamelings- en verwerkingsbedrijven zich in meer concurrerende gebieden zouden kunnen vestigen waar met name de kosten voor het ophalen van de melk of het vervoeren van de producten naar de markt lager liggen;

F.  overwegende dat een van de belangrijkste doelstellingen van het nieuwe GLB de instandhouding van de productieve landbouw in berggebieden, minder begunstigde en ultraperifere gebieden is;

G.  overwegende dat de kosten van de productie, de inzameling, het vervoer en het op de markt brengen van melk en melkproducten die buiten het productiegebied worden verkocht, aanmerkelijk hoger liggen dan in gunstiger gelegen gebieden;

H.  overwegende dat de aaneensluiting van producenten kan bevorderen dat de productiekosten dalen en dat de onderhandelingspositie van de veehouders sterker wordt, met name bij de vaststelling van de melkprijzen;

I.  overwegende dat de zuivelproducten op grond van de bestaande kadervoorwaarden vaak niet in de directe nabijheid van de productieplaats kunnen worden verwerkt; overwegende dat rekening moet worden gehouden met de feitelijke infrastructuur en dat specifieke termen, zoals "product uit de bergen" ook moeten worden toegestaan voor producten die binnen een bepaalde straal rond het berggebied worden verwerkt; overwegende dat het van essentieel belang is dat deze maatregel wordt toegepast op alle uit bergmelk vervaardigde producten;

J.  overwegende dat de melkproductie in vele van deze gebieden de voornaamste en meest verbreide sector van landbouwactiviteit is en van cruciaal belang is voor de vervaardiging van hoogwaardige zuivelproducten met door de EU erkende benamingen; overwegende dat het belangrijk is in alle gebieden van de Unie productieapparaten in stand te houden ten einde elk consumptiegebied te kunnen bevoorraden zonder dat exorbitante vervoers- en milieukosten ontstaan;

K.  overwegende dat de melkproductie in veel lidstaten en regio's een van de steunpilaren van de regionale economie is en een aanzienlijk deel van de toegevoegde waarde van de landbouw genereert;

L.  overwegende dat de ontwikkeling en bevordering van hoogwaardige zuivelproducten een manier kan zijn om de hogere melkproductie aan te pakken;

M.  overwegende dat de melkproductie in veel gebieden een activiteit is die vooral wordt uitgeoefend door kleine en middelgrote familiebedrijven;

N.  overwegende dat 59% van het landbouwareaal in berggebieden als blijvend grasland of weideland in verband met de melkveehouderij wordt gebruikt, waarbij doorgaans geen ander agrarisch gebruik mogelijk of zinvol is; overwegende dat 9,5% van de melk in berggebieden wordt geproduceerd; overwegende dat vanwege de orografie en het klimaat het aantal agrarische alternatieven beperkt is, en de landbouwdiversiteit erg gering is;

O.  overwegende dat de melkproductie in bepaalde ultraperifere gebieden onvervangbaar is als een van de belangrijkste drijvende krachten achter de economie, de sociale stabiliteit, de milieukwaliteit en het bodemgebruik; overwegende dat de POSEI-programma's in die gebieden de beste instrumenten zijn om de toegenomen steun voor het behoud van de productieniveaus te verdelen;

P.  overwegende dat de veeteelt in die gebieden niet enkel een economische activiteit is en een manier voor de inwoners van die gebieden om in hun levensonderhoud te voorzien, maar ook een belangrijk onderdeel vormt van hun traditionele cultuur en sociale structuren en nauw samenhangt met de levenswijze en de tradities van de plaatselijke bevolking;

Q.  overwegende dat in berggebieden, in ultraperifere gebieden en in delen van andere minder begunstigde gebieden het opgeven van de veehouderij en de daarmee verbonden zuivelproductie vaak ertoe leidt dat de landbouw helemaal wordt opgegeven, dat goede landbouwgrond wordt verwaarloosd en dat daarna de bevolking wegtrekt en naar stedelijke gebieden migreert;

R.  overwegende dat de landbouw in deze gebieden in het bijzonder bijdraagt tot het behoud en onderhoud van het cultuurlandschap en de soortenrijkdom en tot de beperking van natuurgevaren, en dat de landbouw de basis vormt voor een succesvolle regionale ontwikkeling zonder welke andere bedrijfstakken, vooral het toerisme, niet tot ontwikkeling kunnen komen; overwegende dat het opgeven van de landbouw in die gebieden ook zeer nadelig dreigt uit te pakken voor de andere bedrijfstakken;

S.  overwegende dat de melkproductie in veel achtergestelde gebieden de economische en sociale cohesie waarborgt en deze niet door de beëindiging van de quota op het spel mag worden gezet; overwegende dat de zorg voor het rurale landschap, de toeristenindustrie, lokale cycli (productie-verwerking-marketing), arbeidsplaatsen en kansen voor jongeren moeten worden gehandhaafd en bevorderd;

T.  overwegende dat de afschaffing van de melkquota de productiegebieden op Europees niveau aan concurrentie onderwerpen; overwegende dat productdifferentiatie van cruciaal belang is om de markttoegang voor de berggebieden en de melk- of zuivelproducerende ultraperifere gebieden te behouden;

1.  constateert dat de rechtstreekse betalingen in het kader van de eerste pijler van het landbouwbeleid in vele lidstaten, zelfs met inachtneming van de huidige hervorming van het GLB, op historische referentiebedragen gebaseerd zijn en dat daardoor het grasland en bijgevolg de melkproductie in deze gebieden sterk kunnen worden benadeeld; verzoekt derhalve lidstaten die in een dergelijke situatie verkeren, om in het kader van de nationale omzetting van de landbouwhervorming een snelle overgang naar een model te waarborgen waarmee de benadeelde positie van die gebieden wordt gecorrigeerd;

2.  merkt op dat de melk uit de EU-27 voor circa 10 procent uit berggebieden komt, maar dat dit in Oostenrijk, Slovenië en Finland tweederde van de melkproductie vertegenwoordigt, dat hierbij driekwart van hun producenten betrokken is, en dat de overeenkomstige percentages in 10 of meer andere landen ook zeer hoog zijn; constateert tevens dat in de meeste van deze vochtige berggebieden, alsook in ultraperifere gebieden, grasland vooral voor het grazen door melkvee wordt gebruikt, waardoor deze gebieden toegankelijk en bewoond blijven, hetgeen aan het toerisme, de soortenrijkdom en het milieu ten goede komt;

3.  is van oordeel dat blijvend grasland en weideland, die in deze gebieden meestal alleen kunnen worden gebruikt voor het houden van runderen, schapen en geiten, bij de berekening van de rechtstreekse betalingen in het kader van de eerste pijler nooit als minderwaardig aan de andere landbouwarealen mogen worden behandeld;

4.  acht het onontbeerlijk dat in deze gebieden een aan graasdieren gekoppelde premie in het kader van de eerste pijler van het GLB, en in de ultraperifere gebieden in het kader van het POSEI, wordt gepland ten behoeve van boerderijen die over een graas- en voederareaal voor het eigen vee beschikken; verwerpt nieuwe eisen ten aanzien van de voeding van herkauwers die kunnen leiden tot het ineenstorten van de bestaande landbouwpraktijk;

5.  benadrukt de belangrijke rol van gekoppelde betalingen binnen het kader van de eerste pijler van het landbouwbeleid; wijst erop dat de lidstaten op deze gebieden aanvullende mogelijkheden dienen te krijgen om betalingen te koppelen, zij het nationaal gefinancierd, zij het vanuit de EU, zoals was overeengekomen in het kader van de huidige GLB‑hervorming;

6.  onderstreept dat bij de verdere ontwikkeling van het GLB passende aandacht moet worden besteed aan de kleine bedrijven in deze gebieden, vanwege hun structureel grotere behoefte aan menselijke arbeid en de hogere kosten die zij moeten maken bij de aanschaf van productiemiddelen, en aangezien zij van bijzonder belang zijn voor het behoud van de werkgelegenheid en de ontwikkeling van het platteland;

7.  wijst erop dat de beëindiging van de melkquotaregeling in berggebieden en ultraperifere gebieden in het licht van de bijzondere omstandigheden apart moet worden beoordeeld om gerichte maatregelen ter ondersteuning en ter behoud van de productie op te stellen;

8.  is van oordeel dat, gezien de onvervangbare aard van de melkproductie in sommige ultraperifere gebieden, de Commissie en de lidstaten in deze gebieden de POSEI‑programma's moeten aanwenden om de steun voor rechtstreekse betalingen en marktmaatregelen te intensiveren, en de programma's voor plattelandsontwikkeling moeten gebruiken om de steun in het kader van de tweede pijler van het GLB te versterken;

9.  verlangt dat extra maatregelen worden ontwikkeld in het kader van de ontwikkeling van het gemeenschappelijk strategisch kader, met een grote betrokkenheid van programma's inzake regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds; is van oordeel dat het gemeenschappelijk strategisch kader tot doel moet hebben regionale ontwikkelingsconcepten en programma's voor het behoud van structuren te bevorderen die de nadruk leggen op het behoud van de landbouw en het versterken van de stroomopwaartse en stroomafwaartse waardenketen;

10.  verzoekt de lidstaten en de regio's om in het kader van de plattelandsontwikkeling, indien van toepassing, een speciaal programma voor de melkproductie in deze gebieden op te stellen;

11.  benadrukt in dit opzicht de noodzaak van het begeleiden van de uitbouw of de opzet van projecten die een toegevoegde waarde hebben, die zorgen voor differentiatie van de aan de gebieden verbonden producten en die nieuwe strategieën voor waardetoevoeging in de berggebieden en in de ultraperifere gebieden meebrengen; verzoekt de Commissie een transversaal mechanisme voor te stellen voor begeleiding van de opzet, de stimulering en de collectieve investeringen ten aanzien van deze projecten;

12.  verzoekt de lidstaten de afdekking van grasland tegen te gaan en in wetgeving op het gebied van ruimtelijke ordening rekening te houden met dit aspect;

13.  onderstreept dat de maatregelen in het kader van de tweede pijler, zoals compenserende vergoedingen, landbouwmilieupremies, individuele of collectieve investeringssteun voor de productie, verwerking – en niet te vergeten, in het geval van de ultraperifere gebieden (die onder de POSEI-regeling vallen), de mogelijkheid om producten als essentieel te doen aanmerken voor verwerking van regionale landbouwproducten, in het bijzonder zuivelproducten, die zijn begrepen in de specifieke voorzieningsregeling, met het oog op behoud van concurrentievermogen –, verkoop, steun voor de vestiging van jonge landbouwers, steun voor kwaliteit, diversificatie, innovatie en samenwerking (waaronder met lokale gemeenschappen) van groot belang zijn voor een duurzame melkproductie in deze gebieden; dringt derhalve erop aan dat aan de lidstaten en de regio's het rechtskader, het financieringsniveau en de nodige speelruimte worden gegund voor de toekenning van toereikende en sterk gedifferentieerde compenserende vergoedingen, en voor de bevordering van milieuvriendelijke, duurzame en organische landbouwvormen; dringt bovendien erop aan dat de hogere investeringskosten voor de melkproductie, die ontstaan door de bijzondere aard van de berggebieden en de ultraperifere gebieden, door het afgelegen karakter van deze regio's, de sterke versnippering van de percelen en door het gebrek aan geografische continuïteit van de eilanden, in het kader van de tweede pijler van het GLB naar behoren worden gecompenseerd;

14.  dringt voorts aan op het aanbieden van gerichte investeringssteun voor levensvatbare melkveehouderijbedrijven, bijvoorbeeld in verband met afschrijvingen en rente voor stallen en techniek, om de productiekosten te beperken en het concurrentievermogen van de bedrijven te versterken;

15.  verzoekt de lidstaten om projecten, zoals bijvoorbeeld coöperaties voor het economisch zinvol gebruik van machines en gebouwen, in het kader van maatregelen onder de tweede pijler speciaal te steunen;

16.  verzoekt de Commissie om opnieuw een samenhangend programma uit te werken voor de ontwikkeling van het platteland en de melkveehouderij in berggebieden, in ultraperifere gebieden, in minder begunstigde gebieden waar melk wordt geproduceerd, en in lidstaten waar de meeste melk door zeer kleine bedrijven wordt geproduceerd;

17.  wijst erop dat, gezien de bijzonder moeilijke verkeerstechnische situatie en de meestal kleine hoeveelheden melk per bedrijf, de ophaalkosten voor melk en de transportkosten van de eindproducten in berggebieden en ultraperifere gebieden zeer hoog zijn en dat dit tot aanzienlijke standplaats- en concurrentienadelen leidt; dringt aan op steun aan verwerkingsbedrijven, met name aan coöperatieve bedrijven, om de hogere ophaal- en productiekosten, met inbegrip van de productiemiddelen, en de hogere transportkosten van eindproducten tegenover die van beter gelegen bedrijven te compenseren;

18.  benadrukt dat er een hulpmiddel voor markttoezicht (melkobservatiepunt) bij de melkproductie nodig is om de gegevens en informatie over de productie en de voorziening te verzamelen en verspreiden, vroegtijdig te waarschuwen bij gevaar voor evenwichtstoornis op de markt, mede gelet op de diversiteit van zuivelproducten, en vooruitschouwende kortetermijnanalyses uit te voeren op het punt van prijsvolatiliteit, met het oog op de precieze afstemming van de melkvolumes aan de marktvraag;

19.  wijst erop dat in berggebieden, ultraperifere gebieden en andere minder begunstigde gebieden de verwerking en verkoop op de boerderij of op weiden aan kleine en zeer kleine bedrijven de gelegenheid bieden een hogere toegevoegde waarde te verwezenlijken, en dat dit bovendien bijdraagt tot de toeristische ontwikkeling van berggebieden; onderstreept dat dergelijke initiatieven in het kader van de tweede pijler van het GLB moeten worden ondersteund;

20.  onderstreept dat de grote afstand tussen de ultraperifere gebieden en de consumentenmarkten bedrijven ertoe noopt goederen op meer dan één plek op te slaan, gezien de manier waarop de moderne logistieke sector georganiseerd is; spoort de Europese Commissie derhalve ertoe aan om in het kader van de regelgeving inzake investeringen in deze gebieden te overwegen om eveneens subsidies te verlenen voor deze opslaginfrastructuur buiten het grondgebied van de ultraperifere gebieden;

21.  merkt op dat alpenweiden en berghutten en de melkproducerende delen van ultraperifere gebieden bijzondere aandacht nodig hebben wat betreft investeringen en maatregelen gericht op het onderhoud en/of het in ere herstellen van de omstandigheden die nodig zijn voor de teelt, de verwerking en de verkoop van de aldaar vervaardigde producten;

22.  wijst erop dat er maatregelen dienen te worden ingevoerd om het op ambachtelijke wijze vervaardigen van typische producten toe te staan;

23.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan in wetgeving erop te letten dat bureaucratische voorschriften, eisen op het gebied van hygiëne, etikettering en informatie evenredig zijn, opdat de kleine producenten en verwerkers hieraan kunnen voldoen;

24.  wijst erop dat kleine bedrijven in berggebieden en minder begunstigde gebieden, zoals melk- of zuivelproducerende ultraperifere gebieden, moeten worden aangespoord om producentenorganisaties op te zetten die hun onderhandelingspositie verbeteren, aangezien het voor kleinschalige bedrijven in deze gebieden belangrijk is om meer regionale en plaatselijke markten te behouden en te ontwikkelen;

25.  benadrukt dat de regels inzake hygiëne en afzet moeten kunnen worden afgesteld op de omvang van de markten en de vereisten ervan, en dat de normen op het gebied van hygiëne derhalve passend en toepasbaar moeten zijn voor de landbouwers en melkverwerkende bedrijven in berggebieden, minder begunstigde gebieden en ultraperifere gebieden;

26.  wijst erop dat het op een doeltreffende melkproductie gerichte fokken in kleine bedrijven buitengewoon duur is; dringt er derhalve op aan het fokken te bevorderen, opdat de melkveehouderijen in deze gebieden toch zelf kwalitatief hoogwaardige dieren kunnen fokken;

27.  is van mening dat de vereniging van zuivelproducenten in producentenorganisaties moet worden ondersteund om alle bedrijven in deze gebieden een eigen markttoegang te verschaffen en om partnerschappen op te zetten ter bevordering van het agrotoerisme;

28.  onderstreept dat, in navolging van de GMO voor groente en fruit, aan de producentenorganisaties de mogelijkheid moet worden geboden om door de EU gefinancierde operationele programma's op te zetten; wijst erop dat producentenorganisaties in dit verband de mogelijkheid moeten krijgen om de toegang tot nieuwe markten, marktontwikkeling, kwaliteitscontrole, productvernieuwing en reclame te bevorderen, vooral voor de nieuw in het leven geroepen aanduiding "product uit de bergen" of andere facultatieve kwaliteitsaanduidingen die kunnen worden goedgekeurd, alsmede beschermde oorsprongsaanduidingen en andere kwaliteitsmerken, en om opleidings- en crisismaatregelen te ondersteunen;

29.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om grasland en melkproductie in de berggebieden, ultraperifere gebieden en andere minder begunstigde gebieden in gemeenschappelijke onderzoeksprogramma's op te nemen en hieraan in het kader van gemeenschappelijke onderzoeksprojecten bijzondere aandacht te besteden door innovatieve oplossingen voor deze gebieden te stimuleren en om daarbij rekening te houden met de uitdagingen op het gebied van productiviteit en klimaatverandering; is van oordeel dat met dit onderzoek ook moet worden getracht gezondheidsvoordelen voor de consument vast te stellen;

30.  verzoekt de Commissie om de ontwikkeling van de melkproductie in deze gebieden nauwgezet te volgen, en de economische gevolgen van de beëindiging van de melkquotaregeling voor de melkveehouderijen in deze gebieden te beoordelen; verzoekt de Commissie om tegen 2017 bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in te dienen waarin deze kwestie wordt behandeld, vergezeld van een wetgevingsvoorstel, indien de melkproductie in deze gebieden aanzienlijk is gedaald;

31.  verzoekt de Commissie om, in samenwerking met producenten, producentenverenigingen en marktorganisaties, programma's te ontwikkelen ter verzachting van de schok van de te verwachten snelle daling van de melkprijzen, bijvoorbeeld volgens het model van fondsenwerving;

32.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om de doeltreffendheid van het schoolmelkprogramma van de Unie te verbeteren en vooral de actoren de mogelijkheid te geven in de aanbestedingen uitdrukkelijk naar melk uit berggebieden met de aanduiding "product uit de bergen" te vragen; verzoekt de lidstaten voorts om korte toeleveringsketens te gebruiken voor het schoolmelkprogramma om de plaatselijke melkproductie te stimuleren en de van het vervoer afkomstige koolstofemissies te beperken;

33.  verzoekt de Commissie om bij het opstellen en uitvoeren van wetgeving inzake de vermelding "product uit de bergen" rekening te houden met de specifieke eigenschappen van producten met een beschermde oorsprongsbenaming waarop reeds voorschriften betreffende de herkomst van toepassing zijn, en met name om flexibele regels voor de berggebieden te overwegen, die juist vanwege bepaalde nadelige omstandigheden, onder meer in verband met problemen bij het produceren van voedergewassen, mogelijk kunnen worden uitgesloten van de regelingen die zijn vastgesteld in Verordening (EU) nr. 1151/2012, hetgeen in strijd is met de doelstellingen van de verordening;

34.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om de opneming van verlaten weiland in de productiecyclus, waarbij de opbrengst van grasland en het rationeel gebruik ervan worden bevorderd en vergroot;

35.  vestigt de aandacht op het belang van maatregelen om jonge landbouwers te helpen om zich te vestigen in berggebieden en ultraperifere gebieden, rekening houdend met het feit dat de bevolking in zulke gebieden sneller vergrijst;

36.  verzoekt de lidstaten om het nodige kader te creëren om producenten en verwerkers in berggebieden en achtergestelde gebieden toegang te verlenen tot opleidingen en leningen;

37.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 42 van 14.2.2006, blz. 1.
(2) PB L 94 van 30.3.2012, blz. 38.
(3) PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.
(4). PB L 271 van 30.9.2006, blz. 63.

Laatst bijgewerkt op: 18 december 2018Juridische mededeling