Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2013/2058(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A7-0161/2014

Ingediende teksten :

A7-0161/2014

Debatten :

PV 13/03/2014 - 12
CRE 13/03/2014 - 12

Stemmingen :

PV 13/03/2014 - 14.15
CRE 13/03/2014 - 14.15

Aangenomen teksten :

P7_TA(2014)0251

Aangenomen teksten
PDF 128kWORD 48k
Donderdag 13 maart 2014 - Straatsburg Definitieve uitgave
Beleidscoherentie voor ontwikkeling
P7_TA(2014)0251A7-0161/2014

Resolutie van het Europees Parlement van 13 maart 2014 over het EU-rapport 2013 over beleidscoherentie voor ontwikkeling (2013/2058(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien de paragrafen 9 en 35 van de Gemeenschappelijke verklaring van de Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten, in het kader van de Raad, het Europees Parlement en de Commissie betreffende het ontwikkelingsbeleid van de Europese Unie: "De Europese consensus"(1) ,

–  gezien artikel 208 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, waarin wordt bepaald dat de Unie in het beleid dat zij uitvoert en dat gevolgen kan hebben voor de ontwikkelingslanden rekening moet houden met het doel van ontwikkelingssamenwerking,

–  gezien de opeenvolgende conclusies van de Raad, de tweejaarlijkse verslagen van de Commissie en de resoluties van het Europees Parlement met betrekking tot de beleidscoherentie voor ontwikkeling (PCD), en met name zijn resolutie van 25 oktober 2012 over het verslag 2011 van de EU over de coherentie van het ontwikkelingsbeleid(2) ,

–  gezien het werkdocument van de Commissie over het EU-actieplan voor gendergelijkheid en empowerment van vrouwen in het kader van ontwikkelingssamenwerking 2010-2015 (SEC (2010)0265) en de conclusies van de Raad van 14 juni 2010 over de millenniumontwikkelingsdoeleinden waarin het EU‑actieplan in kwestie wordt gesteund,

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie over de coherentie van het ontwikkelingsbeleid in 2013 (SWD(2013)0456),

–  gezien artikel 48 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (A7‑0161/2014),

A.  overwegende dat in het strategisch kader en het actieplan van de EU voor mensenrechten en democratie van de Europese Raad dat in 2012 is aangenomen, wordt bekrachtigd dat de EU de mensenrechten zal bevorderen op alle gebieden van haar externe optreden, zonder uitzondering;

B.  overwegende dat alleen met een op solidariteit gebaseerde Europese visie – waarin de bestrijding van enerzijds de interne armoede en anderzijds de armoede buiten de Europese Unie niet als met elkaar onverenigbare doelstellingen worden beschouwd – de belangenconflicten tussen de verschillende beleidsterreinen van de Unie kunnen worden overwonnen en deze beleidsterreinen met de ontwikkelingsnoden kunnen worden verzoend;

C.  overwegende dat PCD tegenwoordig erkend wordt als een verplichting en wordt beschouwd als een instrument voor alomvattend beleid en een proces dat erop is gericht de vele aspecten van ontwikkeling in alle stadia van de beleidsvorming te integreren;

D.  overwegende dat alle beleidsmaatregelen van de Unie, aangezien zij ook buiten de Unie invloed hebben, zodanig moeten worden ontworpen dat zij voorzien in de behoeften op de lange termijn van de ontwikkelingslanden op het gebied van de bestrijding van de armoede, het waarborgen van sociale bescherming en een redelijk inkomen, en het handhaven van de eerbiediging van de mensenrechten en grondrechten, alsmede van de economische en milieurechten;

E.  overwegende dat PCD gegrond moet zijn op de erkenning van het recht van een land of een regio om op democratische wijze zijn eigen beleid, prioriteiten en strategieën te bepalen teneinde de bestaansmiddelen van zijn of haar bevolking veilig te stellen;

F.  overwegende dat de Unie een ware leidersrol moet aannemen met betrekking tot de bevordering van PCD;

G.  overwegende dat het huidige Europese ontwikkelingskader efficiënte mechanismen ontbeert om onsamenhangendheden als gevolg van het door de Unie gevoerde beleid te voorkomen of op te lossen;

H.  overwegende dat het Europees Parlement weliswaar vooruitgang heeft geboekt ten aanzien van de controle op het beleid dat van grote invloed is op ontwikkeling, maar nog een lange weg heeft af te leggen om optimale samenhang te bewerkstelligen en bepaalde onsamenhangendheden te vermijden, teneinde de institutionele rol die het is toebedeeld ten volle uit te oefenen;

I.  overwegende dat in het ''post 2015"-kader, PCD gebaseerd moet zijn op een optreden dat gericht is op gedeelde, maar verschillende verantwoordelijkheden, en dat een inclusieve politieke dialoog bevordert;

J.  overwegende de ervaring die is opgedaan door de OESO-landen, en met name het werk van de PCD-eenheid binnen haar algemeen secretariaat;

K.  overwegende dat de coördinatie van het ontwikkelingsbeleid en de steunprogramma's van de lidstaten van de EU een belangrijk onderdeel is van de PCD-agenda; overwegende dat naar schatting tot 800 miljoen EUR per jaar bespaard zou kunnen worden aan transactiekosten, indien de EU en haar lidstaten hun steun zouden concentreren op minder landen en activiteiten;

L.  overwegende dat de doeltreffendheid van het ontwikkelingsbeleid van de EU belemmerd wordt door fragmentering en verdubbeling van het beleid en de programma's van de lidstaten op het gebied van ontwikkelingshulp; overwegende dat een gecoördineerdere benadering voor de hele EU de administratieve lasten zou verlichten en de daarmee verbonden kosten zou verminderen;

M.  overwegende dat in het verslag van het UNFPA (Bevolkingsfonds van de Verenigde Naties) met als titel "ICPD Beyond 2014 Global Report", dat is verschenen op 12 februari 2014, wordt benadrukt dat de bescherming van vrouwen en jongeren die geweld hebben ondergaan tot prioriteit van de internationale ontwikkelingsagenda moet worden gemaakt;

Tenuitvoerlegging van PCD

1.  stelt voor om een arbitragemechanisme in te stellen, dat zal worden toevertrouwd aan de voorzitter van de Europese Commissie, om PCD te waarborgen, en om in geval van tegenstrijdigheden tussen de diverse beleidsterreinen van de Unie, de voorzitter van de Commissie op te dragen zijn politieke verantwoordelijkheid volledig uit te oefenen wat betreft de globale richtsnoeren en een beslissing te nemen op basis van de toezeggingen van de Unie met betrekking tot PCD; is van mening dat nadat de problemen zijn vastgesteld, een hervorming van de procedures voor besluitvorming binnen de diensten van de Commissie en in de samenwerking tussen de diensten, overwogen kan worden;

2.  verzoekt de Europese Unie, de lidstaten en hun partnerinstellingen erop toe te zien dat het nieuwe "post 2015"-kader een doelstelling met betrekking PCB omvat waarmee betrouwbare indicatoren kunnen worden ontwikkeld om de voortgang van de donoren en de partnerlanden te meten, en waarmee het effect van de diverse beleidsterreinen op ontwikkeling kan worden beoordeeld, met name door toepassing van een "PCD-lens" voor essentiële vraagstukken zoals bevolkingsgroei, wereldwijde voedselzekerheid, illegale geldstromen, migratie, klimaat en groene groei;

3.  wijst op de belangrijke rol van de Europese Dienst voor extern optreden bij de verwezenlijking van PCD, en met name de rol van de EU-delegaties bij het toezicht op en het waarnemen en vereenvoudigen van het overleg en de dialoog met belanghebbenden en partnerlanden over de gevolgen van EU-beleid in ontwikkelingslanden; wijst erop dat een bredere discussie met alle betrokken belanghebbenden, zoals ngo's en maatschappelijke organisaties, moet worden gevoerd;

4.  betreurt de status van het door de Commissie gepresenteerde document SWD(2013)0456 – slechts een werkdocument – dat, in tegenstelling tot de in eerste instantie geplande mededeling na het werkdocument van 2011, niet door het college van commissarissen hoeft te worden goedgekeurd, wat paradoxaal is voor een document over een terrein dat zo politiek van aard is als PCD;

5.  vraagt de Commissie zich te blijven inzetten op het gebied van ontwikkeling en de mensenrechten en herinnert haar aan haar rol ten behoeve van de stimulering en coördinatie van het beleid van de Unie; meent dat de Commissie actief een coherente en moderne visie van de menselijke ontwikkeling moet bevorderen om de millenniumdoelstellingen te verwezenlijken en haar aangegane verbintenissen gestand te doen;

6.  vraagt de Commissie opdracht te geven tot regelmatige onafhankelijke beoordelingen achteraf van de gevolgen voor de ontwikkeling van essentieel beleid, zoals is gevraagd door de Raad; onderstreept dat het systeem van effectbeoordelingen van de Commissie moet worden verbeterd door PCD er expliciet in op te nemen en ervoor te zorgen dat ontwikkeling tot vierde centrale element wordt gemaakt in de analyse, naast economische, sociale en milieueffecten;

7.  onderstreept de noodzaak om een echte didactiek te creëren over de manier waarop PCD in de verschillende beleidsterreinen kan worden geïntegreerd, aangezien opleiding het belangrijkste instrument vormt om het bewustzijn van Europese burgers te vergroten in het kader van het "Europees Jaar van de ontwikkeling – 2015"; vraagt de Commissie en de EDEO om werknemers in niet aan ontwikkeling gerelateerde diensten specifiek op te leiden op het gebied van PCB en ontwikkelingseffecten;

8.  bevestigt de noodzaak om een permanente rapporteur voor de ontwikkelingsagenda voor de periode na 2015 te benoemen, die er tevens op moet toezien dat naar behoren rekening wordt gehouden met PCD;

9.  onderstreept de belangrijke rol die het Europees Parlement in het proces voor de bevordering van PCD zou kunnen spelen door hier in de parlementaire agenda's prioriteit aan toe te kennen, door meer vergaderingen tussen commissies en meer interparlementaire vergaderingen over PCD te houden, door de dialoog over PCD met partnerlanden te bevorderen en door uitwisselingen met het maatschappelijk middenveld te stimuleren; herinnert eraan dat gestructureerde jaarlijkse vergaderingen tussen de nationale parlementen van de lidstaten en het Europees Parlement een belangrijk middel zijn om PCD en coördinatie te versterken;

10.  onderstreept de noodzaak om binnen de Unie een onafhankelijk systeem in het leven te roepen voor de inzameling en formele behandeling van klachten van burgers of gemeenschappen die negatieve gevolgen hebben ondervonden van het beleid van de Unie;

11.  benadrukt de noodzaak van PCD om te zorgen voor de actieve deelname van het maatschappelijk middenveld, met inbegrip van vrouwenorganisaties, de versterking van de positie van vrouwen in besluitvormingsprocessen, en de volledige betrokkenheid van genderdeskundigen;

Prioritaire actiegebieden

12.  roept op tot samenhang tussen het beheer van migratiestromen en het ontwikkelingsbeleid van de EU en van de partnerlanden; is van mening dat dit een strategie vereist waarin rekening wordt gehouden met politieke, sociaal-economische en culturele omstandigheden en die tot doel heeft de algehele betrekkingen van de Unie met haar naaste buren nieuw leven in te blazen; beklemtoont bovendien dat het belangrijk is dat in samenwerking met de landen van oorsprong en doorreis gewerkt wordt aan zaken als de sociale en professionele integratie van migranten en burgerschap;

13.  benadrukt dat handel en ontwikkeling niet altijd perfect op elkaar aansluiten; is van mening dat de ontwikkelingslanden stappen moeten zetten voor een selectieve opening van hun markten; onderstreept het belang van de sociale en milieuverantwoordelijkheid van het bedrijfsleven en is van mening dat de sociale en milieuomstandigheden zoals de normen van de IAO bij de liberalisering van de handel niet mogen worden verwaarloosd; herhaalt dat het nodig is in de WTO-overeenkomsten hiernaar te verwijzen om sociale en milieudumping te vermijden;

14.  wijst er in dit opzicht op dat de kosten van opneming van deze normen aanzienlijk lager zijn dan die van de gevolgen op het gebied van sociale bescherming, volksgezondheid en levensverwachting wanneer deze normen niet worden nageleefd;

15.  is verheugd over de erkenning door de EU van het belang van de kleinschalige landbouw bij de bestrijding van honger en vraagt om een systematische beoordeling van de impact van Europees landbouw-, handels- en energiebeleid, waaronder het EU-beleid inzake biobrandstoffen, dat naar verwachting negatieve gevolgen zal hebben voor ontwikkelingslanden;

16.  herhaalt dat meer aandacht moet worden besteed aan de optimalisering van de synergiën tussen het EU-klimaatveranderingsbeleid en de EU-ontwikkelingsdoelstellingen, met name wat betreft de ingezette middelen en instrumenten, en de indirecte voordelen die kunnen worden behaald voor ontwikkeling en/of de aanpassing aan klimaatverandering;

17.  is van mening dat het probleem van de klimaatverandering door middel van structurele hervormingen moet worden aangepakt en vraagt om een systematische risicobeoordeling wat betreft klimaatverandering bij alle aspecten van beleidsplanning en besluitvorming, onder andere op gebieden die verband houden met handel, landbouw en voedselzekerheid; pleit ervoor dat de resultaten van dergelijke beoordelingen worden gebruikt in het kader van het instrument voor ontwikkelingssamenwerking 2014-2020 om duidelijke en samenhangende nationale en regionale strategiedocumenten op te stellen;

18.  erkent dat aandacht is besteed aan bepaalde aspecten van PCD, maar meent dat de EU concrete maatregelen moet nemen om belastingontduiking en belastingparadijzen te bestrijden; roept de Commissie op in het jaarverslag over de tenuitvoerlegging van het grondstoffeninitiatief ook informatie op te nemen over de effecten van nieuwe overeenkomsten, programma's en initiatieven op ontwikkelingslanden die over veel grondstoffen beschikken;

19.  erkent de grote mate van verantwoordelijkheid die de EU op zich heeft genomen om ervoor te zorgen dat bij haar visserijactiviteiten zowel binnen als buiten de EU-wateren dezelfde normen qua ecologische en sociale duurzaamheid en transparantie worden gehanteerd; merkt op dat een dergelijke samenhang, coördinatie binnen de Commissie zelf alsook tussen de Commissie en de regeringen van de afzonderlijke lidstaten vereist;

20.  herinnert met name aan zijn inspanningen ter voorkoming van de financiering van grootschalige energie-infrastructuren die negatieve gevolgen hebben voor maatschappij en milieu;

o
o   o

21.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB C 46 van 24.2.2006, blz. 1.
(2) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0399.

Laatst bijgewerkt op: 5 september 2017Juridische mededeling