Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2010/2139(INI)
Stadium plenaire behandeling
Kies een document :

Ingediende teksten :

A7-0111/2011

Debatten :

PV 23/06/2011 - 5
PV 23/06/2011 - 7
CRE 23/06/2011 - 5
CRE 23/06/2011 - 7

Stemmingen :

PV 23/06/2011 - 12.9
Stemverklaringen
Stemverklaringen
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :


Debatten
Donderdag 23 juni 2011 - Brussel Uitgave PB

5. Vijfde cohesieverslag en de strategie voor het cohesiebeleid na 2013 - Uitvoering van de cohesiebeleidsprogramma's 2007-2013 - Europese stedelijke agenda en toekomst van deze agenda in het cohesiebeleid - Doelstelling 3: de toekomstige agenda voor grensoverschrijdende, transnationale en interregionale samenwerking - De synergievoordelen die kunnen worden bereikt door het EFRO en andere structuurfondsen beter op elkaar af te stemmen (debat)
Video van de redevoeringen
PV
MPphoto
 

  De Voorzitter. − Aan de orde is de gecombineerde behandeling van:

– het verslag over het vijfde cohesieverslag van de Commissie en de strategie voor het cohesiebeleid na 2013 (2011/2035(INI)) - Commissie regionale ontwikkeling. Rapporteur: Markus Pieper (A7-0222/2011);

– het verslag over het verslag 2010 over de uitvoering van de cohesiebeleidsprogramma's 2007-2013 (2010/2139(INI)) - Commissie regionale ontwikkeling. Rapporteur: Miroslav Mikolášik (A7-0111/2011);

– het verslag over een Europese stedelijke agenda en de toekomst van deze agenda in het cohesiebeleid (2010/2158(INI)) - Commissie regionale ontwikkeling. Rapporteur: Oldřich Vlasák (A7-0218/2011);

– het verslag over doelstelling 3: een uitdaging voor territoriale samenwerking: de toekomstige agenda voor grensoverschrijdende, transnationale en interregionale samenwerking (2010/2155(INI)) - Commissie regionale ontwikkeling. Rapporteur: Marie-Thérèse Sanchez-Schmid (A7-0110/2011);

– het verslag over de bestaande situatie met betrekking tot het EFRO en andere structuurfondsen en de synergievoordelen die kunnen worden bereikt door deze beter op elkaar af te stemmen (2010/2160(INI)) - Commissie regionale ontwikkeling. Rapporteur: Georgios Stavrakakis (A7-0141/2011).

 
  
MPphoto
 

  Markus Pieper, rapporteur. ?(DE) Mijnheer de Voorzitter, allereerst wil ik aangeven dat ik heel graag twee minuten spreektijd voor mijn afsluitende opmerkingen zou willen hebben. Dames en heren, de Europese Gemeenschap is een solidaire gemeenschap en de EU is de pleitbezorger van de Europese regio's. Het Europees Parlement geeft vandaag een krachtig signaal af aan onze regio's. Wij willen de zwaksten helpen aansluiting te vinden. Wij ondersteunen de grensregio's, zodat Europa verder naar elkaar toe groeit en wij willen het potentieel van alle regio's benutten om de concurrentiepositie van Europa te verbeteren.

Ondanks dat de economische en financiële crisis zich op veel gebieden doet voelen, zal het Europese structuurbeleid doorslaggevende impulsen voor groei en werkgelegenheid blijven geven. Er moet veel worden gedaan na 2013: de uitdaging van de demografische verandering, de verandering in de economische structuur, tekorten in de verkeersverbindingen, het begin van het tijdperk van hernieuwbare energiebronnen, de toename van maatschappelijke tegenstellingen.

De kunst van het structuurbeleid zal zijn de regio's innovatie-impulsen te bieden voor deze uitdagingen en ze in staat te stellen zichzelf te helpen. Tegelijkertijd heeft Europa het regionale potentieel nodig om de Europa 2020-strategie ten uitvoer te kunnen leggen, zodat deze een succes wordt. We hebben voor al deze taken passende financiële middelen nodig. Wij verzetten ons daarom tegen alle pogingen om ons succesvolle structuurbeleid uit te hollen, zij het door renationalisering, door nieuwe klimaat- of werkgelegenheidsfondsen of wat er anders in Brussel wellicht aan centralistische maatregelen gepland wordt. Wij willen het beginsel van multi-level-governance versterken. De verantwoording van de regio's voor de verwezenlijking van Europese doelen biedt meerwaarde op zich.

In het verslag hebben wij een reeks voorstellen gedaan over hoe Europa deze meerwaarde verder kan verhogen. Wij vragen om meer middelen voor het verbeteren van de infrastructuur in onze grensregio's en wij willen ook de trans-Europese netwerken versterken. Wij willen meer investeren in de toekomst van onze steden en onze plattelandsregio's en vragen een betere coördinatie van de programma's. Waarschijnlijk zal een meerderheid van het Parlement ook inzetten op een tussencategorie met hoge steunbedragen voor minder arme regio's. Daartegen wil ik echter waarschuwen. Dan zou phasing-out tot sleeping-out vervallen. Dat mag de Raad niet zomaar laten gebeuren.

Daarom komen we met betere voorstellen voor meer efficiëntie en transparantie. Voor ons is de eis dat aan het verstrekken van gelden krachtigere voorwaarden worden gekoppeld zeer belangrijk. EU-recht moet ten uitvoer worden gelegd voordat er EU-geld beschikbaar wordt gesteld. Dat geldt evenzeer voor openbare aanbestedingen als voor prijsregulering. Wij willen ook een wezenlijk strengere controle op de toewijzing van steungelden. Als wij daarbij de lidstaten waar veel fraude plaatsvindt niet eindelijk regelmatig bij naam noemen, verliezen wij aan geloofwaardigheid.

Wij vragen om meer betrokkenheid van de Commissie bij de controle op steungelden. Commissielid, stel alstublieft bij voorbaat niet te veel vertrouwen in de lidstaten. Houd de accreditatie van nationale toezichtautoriteiten in eigen hand. Het Parlement zal u hierbij ondersteunen.

Ter afsluiting wil ik de Commissie nog op een paar zaken wijzen die niet in het verslag staan. In tegenstelling tot het ontwerpverslag, verzoeken wij nu niet meer om geringere cofinanciering, met de opmerking dat wij echter ook niet om een verhoging verzoeken. In het verslag staat ook niet meer dat wij om samenvoeging van het Fonds voor aanpassing aan de globalisering en het Sociaal Fonds verzoeken. Maar zoals u zult zien, verzoeken wij ook niet om een zelfstandig Fonds voor aanpassing aan de globalisering. Gelieve deze beide voorbeelden te zien als bewijs dat het Parlement in ieder geval veel meer hervormingsbereidheid herbergt dan het verslag doet vermoeden. Want wij moeten ons structuurbeleid hervormen, als we de EU sterk willen houden.

Ter afsluiting nog de opmerking dat ik over het algemeen veel vreugde heb beleefd aan de samenwerking, maar ik mij ook geërgerd heb over de vele blijken van nationaal egoïsme, die helaas in dit verslag moesten worden opgenomen. Ik ben benieuwd wat we daar bij de stemming van zullen merken. Ten slotte nog bedankt voor uw aandacht.

 
  
MPphoto
 

  Miroslav Mikolášik, rapporteur. − (EN) Mijnheer de Voorzitter, om te beginnen wil ik alle betrokken Parlementsleden danken voor hun interessante bijdrage. Ik ben met name de schaduwrapporteurs dankbaar voor hun voortreffelijke samenwerking. Zowel de amendementen als de adviezen bevatten tal van inspirerende en relevante ideeën. Ik heb dan ook mijn best gedaan om een evenwichtige benadering op te stellen waarin zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met de essentie en de variëteit van de gedane voorstellen.

De strategische verslagen vormen een nieuw facet van het cohesiebeleid, dat in de huidige programmeringsperiode 2007-2013 is ingevoerd. Nu het strategisch verslag 2010 is gepresenteerd, kan het Parlement de eerste analyse en evaluatie opmaken van de outputs en resultaten van de uitvoering van het cohesiebeleid. Het Parlement krijgt hiermee tevens de gelegenheid advies uit te brengen over de prioritaire uitgaven van de lidstaten en de aandacht te vestigen op gebieden waar meer inspanningen nodig zijn, inclusief de aanpak van de uitvoering van het cohesiebeleid door de Commissie en de strategische verslagen zelf.

Het strategisch verslag 2010 richt zich voornamelijk op de uitvoering van programma’s tijdens de huidige programmeringsperiode en op de strategische verslagen. Het biedt echter ook waardevol inzicht in de toekomst van het cohesiebeleid.

Ten eerste zijn er volgens de verslagen met betrekking tot de uitvoering van de programma’s projecten ter waarde van 93,4 miljard euro geselecteerd, die 27,1 procent van de beschikbare EU-middelen in de lopende periode vertegenwoordigen. Dat kan redelijk worden geacht tegen de achtergrond van de ernstige verslechtering van de sociaaleconomische situatie in 2008 en 2009 als gevolg van de wereldwijde crisis, maar ook gezien de hervorming die in het beleid is aangebracht voor de periode 2007-2013.

De vooruitgang verschilt echter sterk van land tot land en van thema tot thema: in negen landen lag het geaggregeerde selectiepercentage boven de 40 procent, terwijl het in vier lidstaten beneden de 20 procent lag. Het is duidelijk dat de Europese regio's nog steeds kampen met ernstige ongelijkheden op economisch, sociaal en milieugebied. Anderzijds varieerde de gemiddelde projectselectie nauwelijks voor de drie beoogde doelstellingen: convergentie, regionaal concurrentievermogen en werkgelegenheid en Europese territoriale samenwerking. Hetzelfde geldt voor de categorieën met een Lissabon-earmark. Uit de hogere absorptiegraad van milieuprojecten in programma's in het kader van de doelstelling van Europese territoriale samenwerking blijkt dat grensoverschrijdende, transnationale en interregionale samenwerking een meerwaarde heeft en dus in de toekomst moet worden aangemoedigd. Op bepaalde gebieden moet echter iets extra's worden gedaan, met name om de uitvoeringsprestaties te verbeteren, buitensporige vertragingen te vermijden, meer financiële discipline te waarborgen en sterke synergieën met andere EU-beleidsinstrumenten tot stand te brengen.

Ten tweede wil ik even nader ingaan op de strategische verslagen zelf. Zij zijn een instrument om strategisch na te denken en te debatteren over de thematische dimensie van het cohesiebeleid op basis van concrete feiten die worden aangedragen door de lidstaten. Strategische verslagen voorzien tevens in een evaluatie van het lopende proces. Zij worden opgemaakt tijdens de programmeringsperiode en bieden een overzicht van de vorderingen die de lidstaten hebben gemaakt bij de verwezenlijking van de EU-doelstellingen, alsook een nuttige basis om de uitvoerprestaties te verbeteren. Immers, in de verslagen is sprake van tal van goede praktijken die kunnen bijdragen tot een betere kwaliteit van de verslaglegging en tot meer betrokkenheid van belanghebbenden in de lidstaten, en dus ook tot een efficiëntere uitvoering.

Tot slot wil ik hier nog een van die talloze goede praktijken onder de aandacht brengen, namelijk het gebruik van kernindicatoren door alle lidstaten.

 
  
MPphoto
 

  Oldřich Vlasák, rapporteur. − (CS) Mijnheer de Voorzitter, ik zou met u enkele punten van het verslag, waarvoor ik de rapporteur ben, willen doornemen oftewel het verslag over een Europese stedelijke agenda en de toekomst van deze agenda in het cohesiebeleid.

Dit verslag richt zich op steden en hun rol in het cohesiebeleid. Ik zou echter direct in de inleiding willen benadrukken dat dit niet betekent dat we bij het verdelen van de Europese fondsen het platteland zouden moeten overslaan. Integendeel, de ontwikkeling van grote steden en kleine dorpen op het platteland moet synchroon lopen en hand in hand met elkaar gaan. Ik heb deze thema's terloops aangehaald in mijn amendementen bij het verslag van de heer Siekiersky inzake de toekomst van het gemeenschappelijke landbouwbeleid.

Ik zou in mijn inleiding graag enkele punten willen benadrukken. Ten eerste moeten we er ons bewust van zijn dat steden een belangrijk platform vormen voor de tenuitvoerlegging van de EU 2020-strategie, onder andere vanwege hun enorm belangrijke rol in de economische ontwikkeling van de Europese regio's. Steden moeten daarom een krachtig mandaat krijgen bij het bereiken van de doelstellingen van deze gemeenschappelijk Europese strategie.

Ten tweede zou ik willen benadrukken dat we in een groot aantal steden een basisinfrastructuur moeten ontwikkelen. Volgens mij is het een goed idee om deze situatie op te lossen door niet alleen simpelweg de infrastructuur te vernieuwen, maar deze ook te moderniseren en door middel van informatietechnologie te investeren in de technologische aspecten van de infrastructuur. Pas dan kunnen we er zeker van zijn dat de steden ook echt aanzienlijk gaan groeien en de kwaliteit van leven er werkelijk op vooruit zal gaan. Dergelijke groeibevorderende investeringen zouden, mede vanwege het concentratieprincipe, moeten worden geprioriteerd.

Ten derde zou ik over het thema partnerschap willen spreken. Partnerschap is vaak niet meer dan een leeg begrip. Ik zou het daarom toejuichen als we steden echte steun kunnen bieden en ik roep de Commissie daarom op om de lidstaten de verplichting op te leggen om politieke vertegenwoordigers van de belangrijkste stedelijke gebieden en verenigingen van regionale en lokale overheden bij alle besluitvormingsfasen in het kader van het cohesiebeleid te betrekken. Lokale vertegenwoordigers zouden deel moeten kunnen nemen aan de onderhandelingen over de nationale planningsovereenkomsten voor strategische ontwikkeling.

Ten vierde, en dat is het laatste punt uit het ontwerpverslag waarop ik vandaag wil ingaan, zijn er de financieringsinstrumenten. Er is al veel over het initiatief 'Jessica' gesproken. In de echte wereld gebeurt er echter maar heel weinig. Ik zou het daarom toejuichen als we de Commissie oproepen om de ervaringen met deze instrumenten te evalueren en de regels zo te veranderen dat deze instrumenten met andere instrumenten op de financiële markt kunnen concurreren. Tegelijkertijd zouden we naar mijn mening een appel op de lidstaten moeten doen om het initiatief 'Jessica' niet op het niveau van de regio's of op staatsniveau ten uitvoer te leggen, maar op het niveau van de steden. Alleen op die manier komt Jessica ook echt bij de steden terecht en kan het een langetermijneffect hebben.

 
  
MPphoto
 

  Marie-Thérèse Sanchez-Schmid , rapporteur. – (FR) Mijnheer de Voorzitter, commissaris, geachte collega’s, een debat van prioritair belang over het cohesiebeleid is zeldzaam, en dat van vandaag is buitengewoon belangrijk.

Het regionale beleid heeft in zijn lange geschiedenis talrijke successen geboekt en werd in 2009 de grootste uitgavenpost van de Europese Unie, met 350 miljard euro aan investeringen in onze regio’s tussen 2007 en 2013. Vandaag moet het Parlement zich uitspreken over de toekomst van dit beleid en zijn prioriteiten vaststellen ter voorbereiding op de aanstaande begrotings- en regelgevingsonderhandelingen voor het volgende financieel kader.

Ik heb zelf het voorrecht genoten mijn steentje bij te dragen aan de toekomst van de Europese territoriale samenwerking – doelstelling 3 van het cohesiebeleid – en ik wil de schaduwrapporteur en de Europese Commissie graag bedanken voor hun vruchtbare samenwerking.

Wat is territoriale samenwerking? Welk doel dient ze? Welke belangen staan er op het spel? Hoeveel gewicht kennen we eraan toe binnen het regionaal beleid? Dat zijn de vragen die we moeten beantwoorden.

Momenteel wonen 196 miljoen Europese burgers in grensgebieden. Via de ongelijkheden waarmee ze te maken hebben, illustreren deze regio’s hoeveel moeite onze lidstaten hebben om in te spelen op de uitdagingen van open grenzen, de voltooiing van de Europese interne markt en de mondialisering.

Europa valt uiteen in 27 lidstaten en 271 regio’s. Dientengevolge is het Europese grondgebied opgedeeld door talloze administratieve grenzen die verschillende politieke en juridische systemen vertegenwoordigen. Om met de woorden van een Franse socioloog te spreken: de grens is een politiek object dat afstand schept waar sprake is van nabijheid. De Europese Unie daarentegen wil nabijheid scheppen waar de geschiedenis afstand, inbegrip en soms haat tot stand had gebracht.

De preambule van het Verdrag van Rome uit 1957 dient feitelijk als leidraad voor onze werkzaamheden als Europese volksvertegenwoordigers. De Europese Unie is gericht op het tot stand brengen van een steeds hechter verbond tussen de volkeren. Zonder grenzen te verwijderen of hun rechtmatigheid in twijfel te trekken, tracht doelstelling 3, met 8,5 miljard euro, de nadelige invloed van grenzen op het dagelijks leven van onze burgers te beperken, teneinde deze scheidslijnen om te vormen tot bindende elementen.

Daarom staat Europese territoriale samenwerking symbool voor Europese integratie en geeft ze een buitengewoon krachtige impuls aan concurrentievermogen.

Welke toekomst willen we haar geven?

Dit verslag bevat concrete en pragmatische voorstellen, die gebaseerd zijn op de behoeften in het veld, van de talrijke belanghebbenden die we hebben ontmoet en op de verwachtingen van burgers.

Allereerst een expliciete verwijzing naar de toegevoegde waarde van Europese territoriale samenwerking en op de potentiële stimulans die ze kan bieden voor concurrentievermogen. Een voorstel om de begroting ervan te verhogen tot zeven procent van de totale begroting voor cohesiebeleid. Behoud van de globale structuur en van het accent op de grensoverschrijdende component teneinde in te spelen op de lokale behoeften van grensgemeenschappen. Toekenning van fondsen per samenwerkingsprogramma, op basis van geharmoniseerde criteria, teneinde sommige lidstaten ervan te weerhouden financiële opbrengsten te berekenen. Een strategischere programmering van de fondsen, in samenhang met een geterritorialiseerde Europa 2020-strategie.

Stimuleringsmaatregelen opdat de regionale operationele programma’s bijdragen aan grote grensoverschrijdende of transnationale projecten, zoals de trans-Europese vervoersnetwerken. Een betere coördinatie tussen de transnationale component en de macroregionale strategieën, vereenvoudigde tenuitvoerlegging door een aparte verordening aan te nemen. Beter gebruik van de Europese groeperingen voor territoriale samenwerking, die het enige puur communautaire instrument voor meerlagig bestuur vormen. En tot slot vergroting van de zichtbaarheid en toegankelijkheid van territoriale samenwerking voor lokale overheden en voor burgers.

Tot slot zou ik zeggen dat territoriale samenwerking een van de puur Europese beleidsterreinen met een grote toegevoegde waarde is. Ze is de eenvoudigste, kortste en goedkoopste manier om te komen tot dynamische en concrete Europese integratie.

Commissaris, dames en heren, wij hebben de plicht om de meest Europees getinte doelstelling van het cohesiebeleid te versterken.

 
  
MPphoto
 

  Georgios Stavrakakis, rapporteur. (EL) Mijnheer de Voorzitter, de belangrijkste veronderstelling die in dit verslag wordt ontvouwd is dat versterking van de synergie tussen het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling en de andere cohesiebeleidsmiddelen enorm zal bijdragen aan een grotere doelmatigheid en de toegevoegde waarde van het cohesiebeleid. Tegelijkertijd wordt gevraagd om meer synergie met de ontwikkelingsacties van het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling en het Europees Visserijfonds. Meer synergie betekent in de praktijk dat de activiteiten die worden gefinancierd met verschillende cohesiebeleidsmiddelen worden voorbereid, gepland en geïmplementeerd in het kader van een geïntegreerd gemeenschappelijk plan, zodat elke actie de positieve resultaten van andere acties benut en aanvult.

De ervaring in de uitvoering van cohesiebeleidsprogramma's toont inmiddels duidelijk aan dat de succesvolle afloop van de meeste ontwikkelingsacties van regionale ontwikkeling voornamelijk afhangt van de uitvoering van aanvullende initiatieven. Infrastructurele verbeteringen leiden bijvoorbeeld niet automatisch tot meer groei als ze niet gepaard gaan met investeringen in onderwijs, ondernemingszin en innovatie. Wij geloven daarom dat effectieve coördinatie zal bijdragen tot daadwerkelijke winst op het vlak van doelmatigheid en verbetering van goed financieel beheer.

De voornaamste eis die in dit verslag wordt geformuleerd om dit doel te bereiken is het instellen van gemeenschappelijke regels inzake beheer en tenuitvoerlegging binnen het algemene kader van het cohesiebeleid en met het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling en het Europees Visserijfonds. Afgezien van de voordelen die dit zal opleveren door kostenbesparing en het benutten van complementariteit, zal dit zowel het gebruik van fondsen door begunstigden als het beheer van fondsen door nationale overheden eenvoudiger maken. Tenslotte zal de harmonisering van de regels op alle planningsniveaus door middel van de daarmee bereikte vereenvoudiging de deelname van kleinere partijen aan cohesieprogramma's vergemakkelijken en de benutting van de beschikbare middelen verbeteren.

In het kader van het verslag verwelkomen wij eveneens het initiatief van de Commissie om een enkel strategisch kader (single strategic framework) in te voeren dat meerder fondsen zal omvatten. Wat wij als Commissie regionale ontwikkeling evenwel vragen is dat dit enkele strategische kader en de coördinatie zich niet beperken tot de voorbereidingsfase en politieke planning, maar worden uitgebreid om alle fasen van beleidsvorming te omvatten: planning, tenuitvoerlegging en uitbetalingen, controle en evaluatie.

Ik wil eveneens uitdrukking geven aan mijn tevredenheid over het feit dat de voornaamste boodschappen van mijn verslag zijn overgenomen in zowel de uiterst belangrijke resolutie van het Europees Parlement over het toekomstige financiële perspectief van de Europese Unie als in het verslag over de toekomst van het cohesiebeleid.

Tot slot wil ik erop wijzen – zoals ik in het begin heb benadrukt – dat het fundamentele beginsel van mijn verslag is dat een grotere synergie tussen de fondsen de doelmatigheid van het cohesiebeleid nog verder zal verbeteren. In dit kader wil ik uitdrukking geven aan mijn grote ongerustheid over het feit dat zich de laatste tijd een tendens heeft voorgedaan om cohesiebeleid over de verschillende begrotingsonderdelen op te splitsen. Het is duidelijk dat wij tegen elk voorstel van dien aard zijn omdat hierdoor de basis van het cohesiebeleid zelf rechtstreeks wordt ondermijnd, met name het partnerschap en de geïntegreerde benadering van regionale ontwikkeling.

 
  
MPphoto
 

  Johannes Hahn, lid van de Commissie. (DE) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, bezoekers van het Europees Parlement, cohesiebeleid is een centrale pijler van het Europese integratieproject en in zijn totaliteit is het een van de meest geslaagde beleidsvormen van de afgelopen decennia. We zijn er in deze periode daadwerkelijk in geslaagd om de welvaartsverschillen tussen de regio's in Europa te minimaliseren. Dat zal tijdens de volgende periode ook blijken uit de veranderingen in de categorisering.

Ik moet nogmaals benadrukken dat het regionale beleid tegelijkertijd het centrale en duurzame investeringsbeleid voor alle Europese regio's is geworden. Als we van Europa 2020 een succes willen maken en als we de strategie die nu alleen op papier staat, willen omzetten in concrete activiteiten, initiatieven en projecten, is het precies deze gemoderniseerde, geavanceerde vorm van regionaal beleid die in alle regio's geïmplementeerd moet worden, teneinde de nodige resultaten in onze steden, gemeenten, bedrijven, onderzoekscentra en scholen te behalen.

Ik wil het Europees Parlement bedanken en in het bijzonder de rapporteurs, de heer Pieper, de heer Mikolášik, de heer Vlasák, mevrouw Sanchez-Schmid en de heer Stavrakakis, voor hun uitstekende verslagen die ons zullen helpen om vooruitgang te boeken met ons werk. De grote verscheidenheid aan discussies, die niet alleen in de commissie, maar ook bij een aantal andere gelegenheden zijn gevoerd, heeft laten zien dat dit het geval is. Ik ga ervan uit dat we veel van deze substantiële en zeer constructieve bijdragen zullen terugvinden in de vormgeving van het toekomstige regionale beleid. Het Parlement en de Commissie hebben hun neuzen dezelfde kant op staan als het gaat om de belangrijkste aspecten van de toekomstige ontwikkeling van het regionale beleid en ik wil u daarvoor bedanken. Ik wil er heel open over zijn dat we tijdens de discussie over de overgangsregio's uit het oog zijn verloren dat we op dit terrein zoveel gemeenschappelijk hebben, inclusief de gemeenschappelijke prioriteiten en zeer substantiële voorstellen voor veranderingen voor de toekomstige koers van het beleid, waardoor het zelfs nog geslaagder, duurzamer en zichtbaarder en begrijpelijker en tastbaarder voor de burgers van Europa zal worden. We streven allebei naar het smeden van sterke banden tussen het regionale beleid en de Europa 2020-strategie en naar het gezamenlijk instellen van de noodzakelijke voorwaarden, zodat we kunnen helpen om moeilijkheden bij de tenuitvoerlegging van het beleid te overwinnen. We streven er ook allebei naar dat ons beleid sterk resultaatgericht is. Dit zal ons uiteindelijk in staat stellen om uit te vinden wat dit beleid tegen het einde van de periode zou kunnen bereiken als de financiële middelen in alle afzonderlijke regio's doelgericht worden toegepast en dus wat het zou kunnen bijdragen aan de centrale doelstellingen van Europa 2020.

Als het kan, wil ik graag over ieder verslag kort iets zeggen. Ten eerste het verslag van de heer Pieper. Ik wil graag onderstrepen wat hij heeft gezegd over de bereidheid tot het invoeren van hervormingen en over de overeenstemming op veel terreinen. Het is belangrijk dat we ons bekennen tot innovatie, tot duurzaamheid, tot energie-efficiëntie en tot de mogelijkheden van slimme groene technologie voor de Europese economie en voor het veiligstellen van arbeidsplaatsen in een mondiale concurrentie. Hier is over gediscussieerd in dit Parlement en ik zou het Parlement willen bedanken voor zijn substantiële ondersteuning van de voorgestelde instelling van een zogenaamde overgangsregio in de volgende periode. We hebben veel over dit onderwerp gediscussieerd. Het is afdoende behandeld en ik hoef er hier nu niet gedetailleerd op in te gaan. Ik wil echter graag nogmaals benadrukken dat het er ons altijd om ging om een voorstel te doen teneinde de gedeelten van regio's die niet meer tot de allerarmsten behoren maar die zich nog steeds ver onder het gemiddelde niveau bevinden, te helpen bij het inhaalproces. Desondanks begrijp ik de bezorgdheid en twijfels die sommige mensen hebben geuit. Ik ben bereid, en ik zal zelfs een actieve houding in dezen aannemen, om samen met u tegen het einde van de volgende periode te bekijken welke mogelijkheden al beschikbaar zijn voor een voorlopige evaluatie, teneinde vast te stellen in hoeverre de doelstellingen van de afzonderlijke regio's zijn gehaald, te beoordelen of het niet halen van doelstellingen te wijten is aan interne of externe factoren en vast te stellen welke conclusies we dan kunnen trekken uit de toekenning van middelen in de daaropvolgende periode. Dit zijn gevoelige en noodzakelijke ontwikkelingen die voor politieke acceptatie in de toekomst zullen zorgen en ook voor de acceptatie van de burgers voor deze vorm van Europees beleid.

Ik zou de heer Mikolášik willen bedanken voor de duidelijke steunbetuiging in zijn verslag voor het behalen van resultaten en voor de expliciete verwijzingen naar het belang en de toekomstige ontwikkeling van de strategische verslagen, de invloed van deze verslagen en de manier waarop ze kunnen worden gebruikt.

De heer Vlasák, die zich altijd heel sterk heeft gemaakt voor de belangen van de steden, en het hele team wil ik ook hartelijk bedanken. Onze steden vormen een centraal aspect van onze Europese hoofddoelstellingen, hoewel we het platteland niet mogen vergeten. Ik word nooit moe te benadrukken dat als wij de energie-efficiëntie willen verbeteren, we in de steden moeten beginnen. Als we de CO2-emissies willen terugdringen, moeten we in de steden beginnen. De strijd tegen armoede is een strijd voor het verbeteren van de achterstandswijken die we in alle grote Europese steden vinden. Er zijn dus veel redenen waarom we in de steden moeten beginnen en, zoals ik al zei, mogen we het platteland daarbij niet vergeten. Er is echter, en dit gaat de heer Stavrakakis aan, ook behoefte aan verbeterde samenwerking met de andere fondsen op dit terrein, in het bijzonder met het fonds voor plattelandsontwikkeling. Het zal nodig zijn ervoor te zorgen dat de coördinatie met het kaderprogramma voor onderzoek, in het bijzonder met betrekking tot innovatie, effectief, solide en transparant is. Dit is omdat het belangrijkste beslissingscriterium op het gebied van onderzoek uitmuntendheid is, wat niet gedetermineerd is op basis van geografie. Dit blijkt duidelijk uit het feit dat ruim 30 procent van het onderzoeksgeld naar tien Europese regio's gaat die deze concentratie hebben. Daarom is het belangrijk. In de huidige periode beginnen we met het investeren van geld uit het structuurfonds in onderzoeksinfrastructuur in heel Europa waar de aard van de projecten dit rechtvaardigt, en we zullen onze uitgaven in de volgende periode vergroten. Hierdoor zal het mogelijk worden om geleidelijk een bredere basis van onderzoeksactiviteiten in heel Europa te creëren. In principe zijn kleine en middelgrote ondernemingen ook verantwoordelijk voor innovaties, bijvoorbeeld in productontwikkeling en in administratie, service en marketing, het bestaat dus uit een aantal verschillende lagen. We hebben deze brede basis nodig, omdat het de kleine en middelgrote ondernemingen in Europa zijn die uiteindelijk arbeidsplaatsen creëren en ze op lange termijn veiligstellen.

Ik zou ook mevrouw Sanchez-Schmid willen bedanken voor haar bijdrage. We hebben al verschillende keren over territoriale samenwerking gediscussieerd. Dit is een terrein dat in al zijn verscheidenheid en complexiteit een van de meest Europese is van al onze beleidsvormen. Het stelt ons in staat om de grenzen af te breken die de burgers niet eens als grenzen zouden moeten zien, en echt vooruitgang te boeken met het proces van Europese eenwording en integratie. De nieuwe aanpak, bijvoorbeeld op het gebied van macroregionale strategieën, laat de mogelijkheid van regio-overschrijdende samenwerking zien.

Nogmaals hartelijk dank voor uw bijdragen. Ik kijk uit naar de discussie. Ik kan u verzekeren dat veel van de overwegingen en ideeën terug te vinden zullen zijn in het voorstel inzake de rechtsgrondslag die we nodig hebben voor de volgende steunperiode en die we in september van dit jaar zullen presenteren. Ook hartelijk dank voor uw blijvende steun aan het Europese regionale beleid en de ontwikkeling daarvan.

 
  
MPphoto
 

  Derek Vaughan, rapporteur voor advies van de Commissie begrotingscontrole. – (EN) Mijnheer de Voorzitter, een sterk en naar behoren gefinancierd cohesiebeleid is van vitaal belang om te waarborgen dat de Europese Unie kan bijdragen aan de totstandbrenging van werkgelegenheid en groei, met name wanneer de lidstaten hun uitgaven terugdringen.

Structuurfondsen maken het verschil op plaatsen zoals Wales, en als wij willen dat ze dat blijven doen, moeten wij ervoor zorgen dat het cohesiebeleid naar behoren gefinancierd wordt en doelgericht is, dat het geld op passende wijze wordt besteed en dat het systeem vereenvoudigd wordt. Uiteraard zijn de laatste twee punten voor de Commissie begrotingscontrole bijzonder belangrijk. Wij willen het leven eenvoudiger en simpeler maken, niet alleen voor de lidstaten maar ook voor de aanvragers. Wij moeten garanderen dat de middelen op passende wijze worden besteed en tegelijkertijd ook waarborgen dat de fondsen gemakkelijk toegankelijk zijn, met name voor kleine organisaties.

Tot slot nog een laatste opmerking. Als wij voornemens zijn om meer aandacht te besteden aan stedelijke gebieden en steden en de mogelijkheid overwegen om een nieuw structuurfonds en een prestatiereserve in te stellen dan moeten wij waarborgen dat die initiatieven geen risico of nadeel inhouden voor de arme regio’s van de Europese Unie.

 
  
  

VOORZITTER: ROBERTA ANGELILLI
Ondervoorzitter

 
  
MPphoto
 

  Veronica Lope Fontagné, rapporteur voor advies van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken. – (ES) Mevrouw de Voorzitter, om te beginnen wil ik graag de aandacht vestigen op de belangrijke bijdrage die het cohesiebeleid heeft geleverd aan economische groei en aan de integratie van de burgers en de regio's van de Europese Unie.

Om die reden is het van essentieel belang dat het Parlement zich uitspreekt over het beleid dat gevoerd moet worden na 2013, en het zou onterecht zijn om voorbij te gaan aan het werk dat Markus Pieper heeft verricht in zijn uitgebreide verslag.

Binnen het cohesiebeleid was het Europees Sociaal Fonds een belangrijk instrument om de lidstaten te helpen hun beleid aan te passen aan de Europa 2020-strategie en de financiële crisis te bestrijden, en dat zal ook in de toekomst zo zijn.

Het Fonds moet vooral gericht zijn op het creëren van werkgelegenheid, door het bevorderen van een leven lang leren en door steun te bieden aan laagopgeleide arbeiders, aan degenen die zich buiten de arbeidsmarkt bevinden, evenals aan de meest kwetsbare groepen, aan degenen die te lijden hebben van discriminatie, en, uiteraard, aan de kleine en middelgrote ondernemingen, ofwel het mkb.

Het Fonds zou ook gericht moeten zijn op het bevorderen van sociale inclusie en van het terugdringen van de armoede.

Om deze doelen te kunnen bereiken is het noodzakelijk dat het Sociaal Fonds, als onderdeel van de Structuurfondsen, kan rekenen op voldoende financiële middelen en dat de administratieve en procedurele lasten zo veel mogelijk worden verlicht en tot een minimum beperkt blijven.

 
  
MPphoto
 

  Antigoni Papadopoulou, rapporteur voor advies van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken. − (EN) Mevrouw de Voorzitter, de wereldwijde economische recessie heeft het economische landschap in de Europese Unie ingrijpend gewijzigd: de werkloosheid is toegenomen, de economische groei is teruggevallen en het ondernemingsklimaat is verslechterd.

Het cohesiebeleid moet een effectief instrument zijn om enerzijds een antwoord te bieden op de sociaaleconomische uitdagingen ten gevolge van de financiële crisis en anderzijds de verschillen tussen de ontwikkelingsniveaus van de Europese regio’s weg te werken.

Bij de evaluatie van de uitvoering van de cohesiebeleidsprogramma's voor 2007-2013 die mede gefinancierd zijn uit de structuurfondsen moet rekening worden gehouden met de impact van de in het kader van het cohesiebeleid geselecteerde projecten op het herstel van de Europese economie, en met name op het scheppen van nieuwe banen, het verminderen van sociaaleconomische ongelijkheden, het bevorderen van sociale integratie en het verbeteren van het menselijk kapitaal.

Net nu de maatschappelijke verschillen door de economische en financiële crisis nog worden verscherpt, ontvangen de lidstaten helaas minder middelen uit de structuurfondsen. Daarom moet de Commissie de effectiviteit en de zichtbaarheid van het Europees Sociaal Fonds bij de burger verbeteren en in samenwerking met de lidstaten sterke synergieën creëren tussen de structuurfondsen en relevant Europees beleid, en synergieën bevorderen die voorzien in de veranderende behoeften van de huidige arbeidsmarkt.

 
  
MPphoto
 

  Anna Rosbach, rapporteur voor advies van de Commissie vervoer en toerisme.(DA) Mevrouw de Voorzitter, als we het over de steden van de toekomst hebben, weten we dat de behoefte aan een grotere mobiliteit zal groeien. Vervoer wordt een nog belangrijker onderdeel van het leven van burgers. Velen zullen naar verder weg gelegen plattelandsgebieden verhuizen en forenzen naar hun werkplek in de buurt van de stad. Maar om vervuiling, files en langdurig reizen te voorkomen, moeten we nieuwe oplossingen vinden, zoals gratis "park-and-ride"-voorzieningen gecombineerd met flexibele maandabonnementen voor bijvoorbeeld fietsen, motoren, carpooling, metro’s, elektrische bussen, ondergrondse spoorverbindingen enzovoort. Zonder flexibele vervoersmogelijkheden zullen de steden kapotgaan. Daarom zijn er snel nieuwe ideeën nodig. Zelfs de auto-industrie weet dat we snel moeten denken, anders zijn bedrijven buiten Europa ons voor. Ze bereiden zich voor op een toekomst met slimmere auto’s en gemengde vervoersvormen. Dat moeten wij als politici ook doen.

Dit is ook allemaal prima, maar ik begrijp niet helemaal waarom er EU-fondsen nodig zijn voor deze initiatieven, aangezien het in het belang van de regio’s zelf is om aantrekkelijk te zijn voor burgers. Ik ben van mening, dat we in deze tijden van crisis eindelijk eens moeten ophouden om als verwende pubers om meer geld te vragen.

 
  
MPphoto
 

  Tadeusz Cymański, rapporteur voor advies van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid. (PL) Mevrouw de Voorzitter, de Europa 2020-strategie moet bijdragen aan de economische groei op een manier die ook sociale uitsluiting tegengaat. Het cohesiebeleid moet als een van de hoofdinstrumenten van de Europa 2020-strategie in de komende periode in grotere mate bijdragen aan de beperking van armoede in onze lidstaten. De activiteiten van het Europees Sociaal Fonds moeten zich meer concentreren op de groep mensen die steun nodig hebben om een baan te vinden en in de maatschappij te integreren.

Dit moet worden ondersteund door de oprichting van moderne zorg- en onderwijsinstellingen voor kinderen en door hoge kwaliteit van opleidingen voor werkzoekenden. Dit zijn specifieke voorbeelden van maatregelen die helpen om werk en gezin te combineren. Precies deze activiteiten moeten door de structuurfondsen worden gesteund, en deze maatregelen zullen leiden tot een beperking van armoede bij mensen die in het bijzonder aan het risico van armoede zijn blootgesteld.

In de volgende financieringsperiode is het ook belangrijk om de oprichting en tenuitvoerlegging van structurele programma's in het bijzonder te richten op de mensen en om de procedures voor het gebruik van de fondsen te vereenvoudigen. De talrijke controles en audits leiden ertoe dat formele kwesties in verband met de tenuitvoerlegging van programma's de grootste prioriteit zijn geworden en een belemmering vormen voor een efficiënte en doeltreffende benutting van de hulpmiddelen.

 
  
MPphoto
 

  Jaromír Kohlíček, rapporteur voor advies van de Commissie vervoer en toerisme. − (CS) Mevrouw de Voorzitter, het INTERREG III-programma voor grensoverschrijdende interregionale samenwerking is een compleet ontwikkelingsinstrument. De flexibiliteit die artikel 21 van de verordening van het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling biedt om financiële middelen vrij te maken voor uitgaven die niet onder de werkingssfeer van het programma vallen, is naar mijn mening een belangrijk element.

Ik geloof dat een stabilisatie van de regels aan de ene kant en deze flexibiliteit aan de andere kant de uitvoering van het programma zal vereenvoudigen. De Europese groeperingen voor territoriale samenwerking (EGTS) kunnen als juridische entiteiten een belangrijke rol spelen. Ik geloof dat hun statuut binnenkort zal worden afgerond en dat zal hun status aanzienlijk verbeteren. Dit kan tevens leiden tot een grotere betrokkenheid van particuliere organisaties, eventueel van gesubsidieerde organisaties, en daarmee tot een effectiever gebruik van middelen. De Confederale Fractie Europees Unitair Links/Noords Groen Links steunt dit verbeterde programma voor territoriale samenwerking.

 
  
MPphoto
 

  Erminia Mazzoni, namens de PPE-Fractie.(IT) Mevrouw de Voorzitter, dames en heren, met de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon is het cohesiebeleid uitgebreid met een territoriale dimensie. Deze ontwikkeling verhoogt nog meer de urgentie om een mechanisme van werkelijke deelname te bevorderen. Om die betrokkenheid werkzaam en efficiënt te maken, is het van essentieel belang beter gebruik te maken van de instrumenten waarover we beschikken.

Het verslag van de heer Vlasák, die ik zou willen bedanken, over de Europese stedelijke agenda en de toekomst van deze agenda in het cohesiebeleid weerspiegelt een zeer evenwichtige visie op de stedelijke dimensie binnen het cohesiebeleid, die rekening houdt met alle standpunten die gedurende het debat in de Commissie regionale ontwikkeling zijn geuit.

Ongeveer 73 procent van de Europese bevolking leeft in stedelijke gebieden. Zij genereren 80 procent van het bbp en verbruiken tot wel 70 procent van de energie op Europees niveau. Hun ontwikkeling is direct verbonden met gebieden als werkgelegenheid, sociale inclusie, milieubescherming en het behalen van de doelstellingen van het cohesiebeleid in het algemeen. Het argument dat de heer Vlasák naar voren brengt met betrekking tot dit centrale onderwerp, namelijk het geven van een nieuwe impuls aan het stedenbeleid als platform voor de ontwikkeling van de EU 2020-strategie, is volledig aanvaardbaar, hoewel we de plattelandsgebieden en periurbane gebieden niet mogen vergeten.

Er zijn twee prioriteiten die ik bij de commissaris onder de aandacht zou willen brengen, namelijk de bevordering en versterking van het multi-level governance-systeem, en de synergie tussen de verschillende fondsen, oftewel een geïntegreerde visie en benadering van financiering.

Ten opzichte van het vorige overzicht hebben wij in ons overzicht en in het daaruit voortvloeiende debat laten zien dat regionale en lokale overheden en het maatschappelijk middenveld onvoldoende deelnemen aan de opstelling, uitvoering en ontwikkeling van de regionale planning, dus aan het inzetten van de instrumenten van het cohesiebeleid. Aan de andere kant hebben we duidelijk gemaakt wat de moeilijkheden zijn als de financiering niet flexibel is. Daarom hebben we de Commissie gevraagd, en vragen we haar opnieuw, meer flexibiliteit te overwegen bij de financiering, en in het bijzonder een sterkere integratie tussen het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling en het Cohesiefonds.

 
  
MPphoto
 

  Constanze Angela Krehl, namens de S&D-Fractie. – (DE) Mevrouw de Voorzitter, het cohesiebeleid is een succesvol Europees beleid waar iedereen gebruik van maakt, met inbegrip van regio’s die nog niet zo goed ontwikkeld zijn en regio’s die reeds een sterke economie hebben. Dit blijkt uit tal van studies. Het belangrijkste is echter dat de Europese burger de voordelen hiervan uit eerste hand kan ervaren. Dit is waarom wij in de toekomst cohesiebeleid nodig hebben in alle regio’s van de Europese Unie. Dat neemt niet weg dat wij de plicht hebben om te zorgen dat dit reeds goede beleid nog beter wordt. Dat is precies wat het Europees Parlement beoogt te bereiken met het verslag van de heer Pieper.

Modern cohesiebeleid betekent dat wij nieuwe uitdagingen moeten aangaan, een hedendaagse infrastructuur moeten opzetten, klimaatverandering moeten bestrijden, moeten werken aan energiezekerheid en -efficiëntie, onderzoek en ontwikkeling moeten bevorderen, steun moeten geven aan kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s) en banen moeten creëren. Uiteraard moeten wij ook zorgen dat de financiering doelmatig wordt gebruikt. Daarom is de boodschap ook dat cohesiebeleid transparanter en meer resultaatgericht moet zijn, met minder administratieve rompslomp. Tevens moet de coördinatie tussen de diverse fondsen en programma’s worden verbeterd, zoals de heer Stavrakakis al eerder zei. Een heel belangrijk punt is dat het partnerschapsbeginsel naar een nieuw en verbeterd niveau moet worden getild. Wij zullen hierbij iedereen moeten betrekken, met inbegrip van de regio’s, lokale gebieden, beide zijden van de industrie en grote niet-gouvernementele organisaties.

De nieuwe tussencategorie blijft controversieel. Wij zijn van oordeel dat de tussencategorie regio’s zal helpen die meer steun nodig hebben dan de klassieke Doelstelling-2-regio’s. De financiering daarvan gaat niet ten koste van andere regio’s. Integendeel, het resultaat is niet een allegaartje van subsidies. De vele procedures voor "in- en uitfasering" zullen worden gestandaardiseerd en ik geloof dat dit iets is waar wij echt behoefte aan hebben in de Europese Unie. Iedereen die denkt dat wij een permanente subsidiecategorie introduceren, onderschat het Europees Parlement. De afgelopen jaren hebben wij vaak genoeg laten zien dat wij kunnen zorgen dat initiatieven binnen de gemeenschap worden geïntroduceerd wanneer dat nodig is. Wij hebben er ook gezamenlijk voor gezorgd dat deze weer stop worden gezet zodra de doelstellingen zijn bereikt. Wij zijn competent genoeg om aan het einde van een subsidieperiode te beoordelen of de resultaten goed zijn en in hoeverre een programma moet worden aangepast. Daarom roep ik mijn mede-Parlementsleden op bij de stemming deze nieuwe tussencategorie te steunen.

 
  
MPphoto
 

  Ramona Nicole Mănescu, namens de ALDE-Fractie.(RO) Mevrouw de Voorzitter, de rapporteurs hebben voortreffelijk werk geleverd. Ik feliciteer hen dan ook van harte. Het verheugt mij dat commissaris Hahn hier vandaag tijdens het debat over de toekomst van het cohesiebeleid aanwezig is.

Europa heeft een sterk en goed onderbouwd regionaal beleid nodig dat in de toekomst gericht moet zijn op elk van de Europese regio’s en op die manier zal leiden tot economische groei, innovatie en concurrentiekracht. Met het oog op de volgende programmeringsperiode houdt de tenuitvoerlegging van één enkele strategische benadering in combinatie met een geheel van gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen voor het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds mijns inziens een meerwaarde in.

Ook territoriale samenwerking is van essentieel belang om garanties te bieden voor het welslagen van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie. Daarom juist lijkt het mij belangrijk de toegang te vergemakkelijken voor potentiële partners uit de particuliere sector, die daadwerkelijk de kans moeten krijgen om als volwaardige partners deel te nemen aan territoriale samenwerkingsprojecten.

Bovendien mogen wij niet uit het oog verliezen dat zowel de nationale regeringen als de Europese Commissie een essentiële rol spelen bij de opstelling en de effectieve tenuitvoerlegging van het Europees beleid op nationaal, regionaal en lokaal niveau.

Met betrekking tot het regionaal beleid na 2013 onderschrijf ik het voorstel om tussencategorieën in te voeren, zodat regio’s met een bbp tussen 75 procent en 90 procent van het EU-gemiddelde daadwerkelijk steun ontvangen, op voorwaarde dat naar passende oplossingen wordt gezocht.

Tot slot wil ik benadrukken dat het regionale aspect de plaats moet krijgen die het verdient in zowel de herziene begroting als het toekomstige financieel kader. Daarom verwacht ik van de Commissie dat zij met een passend voorstel zal komen waarin in elk geval rekening wordt gehouden met de standpunten van de Commissie regionale ontwikkeling en het Europees Parlement.

 
  
MPphoto
 

  Philip Bradbourn, namens de ECR-Fractie.(EN) Mevrouw de Voorzitter, mijns inziens dragen de verslagen die hier vandaag in de plenaire vergadering worden behandeld geen afdoende oplossing aan voor de fundamentele problemen waarmee het huidige systeem van de structuurfondsen kampt.

In het zog van de financiële crisis en gelet op de huidige noodzaak om de begrotingstekorten overal in Europa terug te dringen moet het Parlement erkennen dat het cohesiebudget niet langer mag worden opgetrokken zonder dat eerst een evaluatie wordt uitgevoerd. Dit is geen business as usual. Wij moeten ervoor zorgen dat paal en perk wordt gesteld aan de onaanvaardbare foutenmarge die op het gebied van de uitgaven door de Europese Rekenkamer aan het licht is gebracht.

In lijn hiermee zij erop gewezen dat macroregionale instanties geen oplossing bieden voor het waarborgen van efficiëntere regionale uitgaven. Zij zijn van uitermate twijfelachtige waarde en ondermijnen de lidstaten, die volgens mij het hoofdinstrument moeten blijven voor het beheer van uitgaven op cohesiegebied. Zij zullen overigens geenszins bijdragen aan de verwezenlijking van ons streven naar een beperkter en doelgerichter cohesiebeleid waarmee de achtergestelde regio’s echt gebaat zijn.

Deze verslagen gaan helemaal in de verkeerde richting. Daarom zal ik tegenstemmen.

 
  
MPphoto
 

  Elisabeth Schroedter, namens de Verts/ALE-Fractie. – (DE) Mevrouw de Voorzitter, mijnheer Hahn, dames en heren, ik zal de vorige spreker moeten tegenspreken. De centrale boodschap aan de Commissie van het verslag van de heer Pieper is dat het Europese cohesiebeleid zijn eigen meerwaarde voor Europa heeft. Het is het instrument waarmee de EU tot in de kern bijeen wordt gehouden. Dit is maar al te duidelijk voor burgers van alle regio’s in Europa, met name de zeer achtergestelde regio’s en de crisisregio’s. Door zijn gedecentraliseerde en participatieve structuur kan het cohesiebeleid een belangrijke bijdrage leveren aan een koolstofarm, innovatief en sociaal Europa, dat efficiënt gebruikmaakt van zijn hulpbronnen. In tegenstelling tot de persoonlijke mening van de rapporteur geloof ik dat de instrumenten van het cohesiebeleid, tezamen met intelligente investeringen, eveneens kunnen bijdragen aan de strijd tegen de klimaatverandering en de armoede.

Daarom zijn wij teleurgesteld dat deze twee aspecten buiten beschouwing zijn gelaten in het verslag, al heeft de rapporteur het wel geprobeerd en doet hij dat nog steeds. Ik zou tegen de Commissie willen zeggen dat een aanzienlijke meerderheid van dit Parlement deze twee aspecten ondersteunt. Anders dan de rapporteur, ben ik van mening – en ik zeg dit als Duitser – dat in het licht van de dramatische problemen in sommige regio’s het voorstel van de Commissie inzake een tussencategorie zal resulteren in een evenwichtige en transparante structuur voor het toekomstige cohesiebeleid.

Het is idioot om te denken dat er op dit vlak kan worden bezuinigd. Ook voor Duitsland is het belangrijk dat de Europese Unie zich op een harmonieuze manier ontwikkelt, aangezien dit ook voor Duitsland voordelen biedt. Dit is waarom de Fractie De Groenen/Vrije Europese Alliantie voor de tussencategorie stemt.

(Spreker verklaart zich bereid een "blauwe kaart"-vraag krachtens artikel 149, lid 8 van het Reglement te beantwoorden)

 
  
MPphoto
 

  Miloslav Ransdorf (GUE/NGL). - (CS) (spreker spreekt aanvankelijk zonder microfoon) ... het eens met het idee uit het verslag-Guellec uit de voorgaande periode dat het cohesiebeleid in zijn huidige vorm er niet toe bijdraagt dat regio's nader tot elkaar komen, maar dat het slechts staten nader tot elkaar brengt, en dat het er de oorzaak van is dat de meest dynamische regio's in de Europese Unie hun dynamiek geleidelijk aan verliezen?

 
  
MPphoto
 

  Elisabeth Schroedter (Verts/ALE).(DE) Die vraag moet ik ontkennend beantwoorden. Wij hebben er juist alles aan gedaan om te zorgen dat in alle verslagen de aandacht uitgaat naar de regio’s. Het verslag van de heer Pieper is in het bijzonder gericht op versterking van hun positie. Dat is op dit moment van uitzonderlijk belang voor ons. Het is duidelijk dat de belangrijkste spelers voor het toekomstig cohesiebeleid de regio’s en niet de lidstaten zijn.

 
  
MPphoto
 

  Elie Hoarau , namens de GUE/NGL-Fractie. – (FR) Mevrouw de Voorzitter, tot de meest kansarme regio’s van de Europese Unie behoren de ultraperifere regio’s die behalve hun achterstand tal van permanente handicaps hebben, zoals hun afgelegen en insulaire karakter, kleinere markten, kwetsbaarheid voor de grillen van het klimaat.

Het vijfde cohesieverslag bevestigt gelukkig dat deze regio’s in aanmerking komen voor een specifieke voorkeursbehandeling, overeenkomstig artikel 349 van het Verdrag van Lissabon. Het verslag verzoekt tevens de na 2013 aan hen toegekende kredieten minstens op het niveau van de huidige programmeringsperiode te handhaven.

Wat betreft de totstandbrenging van een tussencategorie voor regio’s waarvan het bbp tussen 75 en 90 procent van het gemiddelde Europese bbp ligt, daar ben ik het mee eens, maar op een dubbele voorwaarde; ten eerste dat de begrotingsmiddelen van doelstelling 1 voor de convergentieregio’s niet worden verlaagd – en ik zou zelfs willen dat ze verhoogd worden – door de besparingen die worden gerealiseerd als gevolg van het feit dat sommige regio’s niet langer onder doelstelling 1 vallen. Deze besparingen moeten ten goede komen aan de nieuwe intermediaire regio’s, maar ook aan de andere regio’s. En de tweede voorwaarde is dat deze totstandbrenging voor de betreffende regio’s net zo positief moet uitpakken als de uitfasering.

Het cohesiebeleid is een beleid van solidariteit en herverdeling om regio’s in staat te stellen hun achterstand in te lopen. Het kan niet de plaats innemen van een andere strategie, zoals bijvoorbeeld Europa 2020, die haar eigen financiering moet hebben, los van de cohesiemiddelen, ook al moeten deze twee beleidslijnen uiteraard gecoördineerd en geharmoniseerd worden. Zo is onze fractie het er niet mee eens dat het Europees Sociaal Fonds wordt losgekoppeld van het cohesiebeleid.

 
  
MPphoto
 

  John Bufton, namens de EFD-Fractie.(EN) Mevrouw de Voorzitter, West Wales & The Valleys moet opnieuw voor regionale steun in aanmerking komen ondanks de afname van de gemiddelde bruto toegevoegde waarde in de Europese Unie en de daaraan gerelateerde vraag of het cohesiebeleid wel effect sorteert.

Naar mijn oordeel is een aanzienlijk bedrag besteed aan de ontwikkeling van de overheidssector, ofschoon de wijdverbreide nationale bezuinigingen overal in het Verenigd Koninkrijk deze tendens hebben ondermijnd. Van 2008 tot 2009 zijn correcties ten bedrage van ongeveer 12 miljoen GBP aangebracht op de programma’s in Wales en de Commissie heeft 35 procent van de middelen voor diezelfde periode terugverdiend in de vorm van boeten. Dat geld wordt niet op effectieve wijze besteed als het in de brandkast in Brussel blijft liggen. Ik heb de indruk dat de voorstellen om het cohesiebeleid steeds meer te beperken en te streven naar een resultaatgerichte aanpak het correctieniveau alleen maar zullen doen toenemen.

Regionale steun is geen geschenk van Brussel maar een magere vergoeding voor de miljarden die het Verenigd Koninkrijk betaalt. Tijdens de openbare raadplegingen over het vijfde verslag betreffende het cohesiebeleid was sprake van een algemeen verlangen om af te stappen van het beleid dat door Brussel wordt opgelegd. Ik ben benieuwd of de commissaris aan die zorgpunten gehoor heeft gegeven.

Dit geld is geen weggevertje van Brussel. Het betreft slechts een klein percentage van het geld dat uit de zakken van de belastingbetaler wordt gehaald en door de Commissie wordt besteed aan wat zij wil. En wie niet vermeldt dat hij dit of dat van de Europese Unie heeft gekregen, riskeert een boete. Dat is cynische propaganda.

 
  
MPphoto
 

  Franz Obermayr (NI).(DE) Mevrouw de Voorzitter, cohesiebeleid kan in de toekomst alleen succesvol zijn als wij nu bepaalde problemen onder ogen zien. Ten eerste, wat gebeurt er met lidstaten die voortdurend de voorwaarden van het stabiliteits- en groeipact schenden? In dergelijke gevallen kunnen de structuurfondsen nooit het gewenste effect sorteren. In dat geval verdampt het geld alleen maar en verwordt de EU tot een transferunie, die tegelijk een bodemloze put is. Iedereen die regionale subsidies ontvangt, moet zich aan de regels houden.

Ten tweede moeten de structuurfondsen niet worden gecentraliseerd en ondergebracht bij de Commissie. Hierdoor wordt de administratieve last alleen maar groter, niet kleiner. Het enige resultaat zal zijn dat er weer nieuwe dure, gedecentraliseerde agentschappen worden opgericht.

Ten derde moeten wij doelmatiger gebruikmaken van de structuurfondsen. Er moeten heldere doelstellingen zijn, er moet vaker worden geëvalueerd en de ontvangers zelf zullen meer verantwoordelijkheid moeten nemen. Aan het beginsel van cofinanciering zal stevig vast moeten worden gehouden.

Ten vierde geldt dat boven op alle bezwaren ten aanzien van cultuur, samenleving, religie en buitenlands beleid, de toetreding van Turkije ook een enorme belasting zal vormen voor het Cohesiefonds. Laten wij realistisch zijn: de begroting zou worden opgeblazen. Dit is simpelweg een feit en niet zo maar iets wat mensen zeggen. Turkije ontvangt al jaren miljarden euro’s aan structuurgelden. Hier zullen wij eens kritisch naar moeten kijken.

Samengevat zou ik in de toekomst willen zien dat regionale subsidies ook daar belanden waar ze nodig zijn, anders gezegd, bij innovatieve projecten met heldere resultaten, bij kleine en middelgrote ondernemingen en, belangrijker nog, bij de burgers in de regio’s en de steden.

 
  
MPphoto
 

  Nuno Teixeira (PPE). - (PT) Mevrouw de Voorzitter, allereerst enkele woorden van waardering voor het werk van de rapporteur, de heer Stavrakakis, die er uitstekend in geslaagd is de synergievoordelen in kaart te brengen die kunnen worden bereikt door de verschillende structuurfondsen beter op elkaar af te stemmen. Zijn verslag past ook binnen dit gezamenlijke debat over het cohesiebeleid, dat van groot belang is en niet alleen vanwege het onderwerp zelf, maar ook vanwege de timing van dit debat.

Momenteel staan we namelijk op het punt kennis te nemen van het voorstel van de Commissie inzake zowel de nieuwe financiële perspectieven als het toekomstig cohesiebeleid, post-2013. Het cohesiebeleid is een fundamenteel instrument van de Europese Unie. Het betreft horizontaal beleid dat gericht is op het verminderen van verschillen in ontwikkeling tussen de regio's, door middel van de daarvoor bedoelde structuurfondsen, waaruit projecten en programma’s in de lidstaten gefinancierd worden. Uit ervaring blijkt dat er zich problemen voordoen wat betreft de efficiëntie en de resultaten hiervan, als gevolg van de versnippering en de complexiteit van dit beleid. Daarom vormt de opstelling van een enkel strategisch kader voor Europees cohesiebeleid, met een geïntegreerde en resultaatgerichte aanpak, het uitgangspunt om meer en betere synergieën tussen de verschillende instrumenten tot stand te brengen en de efficiëntie daarvan te verbeteren. Dit is ook van groot belang voor een betere afstemming tussen de verschillende sectorale beleidsterreinen en voor een efficiënter gebruik van de middelen.

We moeten deze uitdaging van de crisis aangrijpen als een kans om nieuwe alternatieven te vinden. Al deze verslagen die we hier vandaag bespreken, zullen ons ongetwijfeld voor grote uitdagingen stellen en we weten dat er een stevige begroting nodig is om aan deze uitdagingen het hoofd te kunnen bieden, maar we moeten wel een helder onderscheid maken tussen begrotingskwesties en beleidsdoelstellingen. Die beleidsdoelstellingen zijn bekend, en we kunnen de regio’s alleen maar een toekomst bieden als we voor die doelstellingen gaan staan. En daarom moeten we ervoor zorgen dat de begroting in dienst staat van de toekomst van de regio’s en de burgers, in plaats van de regio’s en de burgers in dienst van de begroting.

 
  
MPphoto
 

  Pervenche Berès (S&D).(FR) Mevrouw de Voorzitter, ik ben blij met dit debat, enkele dagen voor de eindberaadslaging door het college van commissarissen over de volgende financiële vooruitzichten en de herziening van de regeling voor de structuurfondsen, waaronder het Europees Sociaal Fonds.

De structuurfondsen behoren tot de voornaamste instrumenten voor de tenuitvoerlegging van een economisch en sociaal beleid van de Unie. Nu de communautaire begroting zoals we allemaal weten onder druk staat en nationale begrotingen worden teruggeschroefd, is het van cruciaal belang deze structuurfondsen op intelligente en doeltreffende wijze aan te wenden.

De herziening van de regeling voor de structuurfondsen is de gelegenheid om erop toe te zien dat dit instrument wordt benut ten behoeve van de strategie van de Unie, maar uiteraard ook binnen deze strategie van de Unie, met name de doelstellingen werkgelegenheid en sociale integratie. Dit vereist een toekenning van middelen op grond van andere indicatoren dan enkel het bbp en een hoger percentage toewijzingen aan het Europees Sociaal Fonds.

Mevrouw de Voorzitter, ten aanzien van het verslag-Pieper wilde ik kort iets zeggen over paragraaf 55 inzake het Fonds voor aanpassing aan de globalisering, waarvan ik de inhoud betwist en dat geen plaats in ons debat verdient. Dit fonds biedt steun aan werknemers die lijden onder de gevolgen van de globalisering en de crisis. Het onderhavige punt valt onder de bevoegdheid van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en wordt aan u voorgelegd op initiatief van de Commissie regionale ontwikkeling; het zou moeten kunnen worden verworpen tijdens de aparte stemming die later vandaag zal plaatsvinden. Ik reken op de intelligentie en efficiëntie van mijn collega’s.

 
  
MPphoto
 

  Riikka Manner (ALDE). (FI) Mevrouw de Voorzitter, mijnheer de commissaris, om te beginnen wil ik de rapporteurs complimenteren met hun uitstekende en belangrijke verslagen over het cohesiebeleid. Het is goed dat we hier nu samen over debatteren.

In deze verslagen wordt op uitstekende wijze het belang aangetoond van het regionaal beleid als iets wat heel Europa opbouwt en eenheid schept. Het regionaal beleid is beslist een succesverhaal waarmee de verschillen tussen de lidstaten zijn verkleind en stabiliteit in heel Europa is gecreëerd.

De uitdagingen voor de toekomst veranderen voortdurend en het regionaal beleid moet zich aan deze veranderingen kunnen aanpassen, zoals hier uit de debatten is gebleken. We moeten de problemen die zich in de loop der jaren bij het gebruik van het cohesiefonds hebben voorgedaan erkennen en het regionaal beleid moet in de komende periode aanzienlijk doeltreffender worden uitgevoerd en resultaatgerichter zijn. Zoals gezegd, moet ook de administratieve last in de komende periode kleiner worden. Op die manier zullen we zeker beter in staat zijn om de uitdagingen aan te gaan waar ook het cohesiebeleid mee te maken heeft.

Wat de Europa 2020-strategie betreft moeten we beseffen dat het cohesiebeleid een van de belangrijkste en meest concrete instrumenten is waarmee die strategie kan worden uitgevoerd. Het is daarom van wezenlijk belang dat het Parlement ook in dit verslag een krachtig standpunt inneemt ten gunste van de huidige begrotingsniveaus. Anderzijds is het belangrijk dat in het verslag ook rekening wordt gehouden met specifieke uitdagingen. Een voorbeeld daarvan zijn de dunbevolkte regio’s, die ook in de komende periode hun eigen specifieke steun krachtens artikel 71 nodig hebben.

In verband met deze verslagen is vandaag veel gesproken over een categorie van overgangsregio’s. Wat dit betreft wil ik de commissaris echter het volgende vragen: lost de creatie van een nieuwe structuur altijd het probleem zelf op of kunnen we dergelijke uitdagingen ook in dit geval aangaan door het bestaande phasing in, phasing out-systeem verder te ontwikkelen?

 
  
MPphoto
 

  Tomasz Piotr Poręba (ECR). - (PL) Mevrouw de Voorzitter, het cohesiebeleid moet na 2013 ongetwijfeld zijn huidige functie blijven vervullen om gelijke ontwikkelingskansen voor de regio’s te creëren, armoede te bestrijden en de ontwikkeling van Europa te stimuleren. Daarom moet het niveau van de financiering in de nieuwe begroting duidelijk hoger liggen om de ontwikkeling van Europa, de ontwikkeling van de regio’s en de duurzame ontwikkeling van de Europese Unie gewoonweg te versnellen.

Het is erg verontrustend dat er in de plannen van de Commissie doelen opduiken die lichtjes afwijken van de doelen uit de huidige financiële vooruitzichten. Ik denk hier aan de doelen die zijn toegespitst op de bestrijding van de klimaatveranderingen en op innovatie. Natuurlijk zijn dit belangrijke zaken, maar de nieuwe lidstaten, zoals Polen, hebben nog steeds middelen nodig voor de ontwikkeling van hun infrastructuur. Zonder infrastructuur zal het echt moeilijk zijn om het ontwikkelingsniveau van de Europese Unie te halen.

En een laatste kwestie: ik denk dat we in de komende begrotingsprogramma’s na 2013 sterke nadruk op de regio van de Karpaten moeten leggen. Dit is een van de armste en dichtstbevolkte regio's van de Europese Unie. Ik denk dat een groter engagement van de Europese Unie in deze regio niet alleen voordelig is voor de Unie, maar ook zal helpen om het ontwikkelingsniveau te verhogen van die landen uit de regio van de Karpaten, die meer en intensievere steun van de Europese Unie nodig hebben.

 
  
MPphoto
 

  Karima Delli (Verts/ALE).(FR) Mevrouw de Voorzitter, het cohesiebeleid moet garant staan voor een harmonieuze en vooral billijke ontwikkeling van alle regio’s. Daarom scharen wij ons achter de totstandbrenging van een nieuwe tussencategorie van regio’s bij de toewijzing van middelen, evenals de toepassing van nieuwe indicatoren voor ontwikkeling, sociale rechtvaardigheid, welzijn en het milieu. Wij vinden het jammer dat dit niet terug te vinden is in het verslag-Pieper.

Omwille van billijkheid moet het cohesiebeleid ook subregionale ontwikkelingsverschillen aanpakken om weer inhoud te geven aan het woord ‘cohesie’, dat wil zeggen deze solidariteit die de toegevoegde waarde van de Europese Unie vormt. Hiertoe moet ze het accent leggen op ongelijkheden, met name binnen de stedelijke gebieden, die bijzonder zwaar worden getroffen door de nieuwe uitdagingen – voor mens en milieu – en dat is een enorm karwei.

Het aantrekkelijker en milieuvriendelijker maken van deze achtergestelde gebieden vereist dat het vertrouwen onder hun inwoners wordt hersteld. Dit zal tevens een nieuwe, duurzame stad in de hand werken, die voor elk wat wils biedt, een model dat tegemoetkomt aan de ecologische, energetische en sociaaldemografische uitdagingen, maar dat de leefomgeving en het welzijn van zijn inwoners centraal stelt.

Ik wil afsluiten met een duidelijke boodschap: na 2013 moet het cohesiebeleid over de broodnodige en stabiele middelen beschikken om te kunnen bestaan.

 
  
MPphoto
 

  Cornelia Ernst (GUE/NGL).(DE) Mevrouw de Voorzitter, dames en heren, wat betreft de tussencategorie, had ik mij aanvankelijk zeker ook andere oplossingen kunnen voorstellen, mijnheer Pieper, bijvoorbeeld een overgangsregeling voor regio’s die tot nu toe de hoogste subsidies hebben ontvangen en dat na 2013 niet meer zullen doen. Uit het debat is echter naar voren gekomen dat wij naar andere regio’s zullen moeten kijken, met name die regio’s die hard door de crisis getroffen zijn. En dan hebben wij het over 51 regio’s. Als er zo veel regio’s in last zijn, dan zou het nalatig zijn om geen tussencategorie in te stellen. Dit is de enige manier waarop wij een betrouwbaar kader kunnen scheppen om verantwoorde subsidies te bieden aan al die regio’s die anders zelf voor hun ontwikkelingsachterstand moeten opdraaien.

In overige opzichten bevat het verslag van de heer Pieper een hoop plussen en minnen. Zo zijn wij kritisch over het feit dat het geen duidelijke toezeggingen bevat voor een gedecideerde bestrijding van de armoede. Ook vinden wij bepaalde formuleringen in het verslag, waarin het cohesiebeleid wordt onderworpen aan voorwaarden die de lidstaten dwingen hervormingen door te voeren, onduidelijk en voor verkeerde uitleg vatbaar. Het spreekt voor zich dat cohesiebeleid een instrument moet blijven voor sociaal evenwicht en solidariteit, en wel tussen alle regio’s.

 
  
MPphoto
 

  Juozas Imbrasas (EFD). (LT) Mevrouw de Voorzitter, vandaag debatteren we over een van de belangrijkste aspecten van het communautair beleid, dat het welzijn van onze burgers en het mededingingsvermogen en de groei van de hele Europese Unie waarborgt. Voorheen omvatte het cohesiebeleid enkele beslissende factoren door te zorgen voor meer integratie en groei van de armere regio's van de Europese Unie en door de economische en sociale verschillen aanzienlijk te verkleinen.

Vandaag hebben we de Europa 2020-strategie, waarin een nog grotere rol is weggelegd voor het structuurbeleid en het cohesiebeleid om uit de crisis te komen en bij te dragen aan het welzijn van onze burgers. Het is duidelijk dat we veel problemen moeten oplossen met betrekking tot de mondialisering, de demografische verandering en het behoud van middelen. Om dit te bereiken moeten we echter de mogelijkheden van alle regio’s van de Europese Unie erkennen, zonder uitzondering.

Ik ben van mening dat het toekomstig regionaal beleid verbonden moet zijn aan fundamentele Europese doelen op het gebied van innovatie en onderzoek alsmede uitdagingen op het gebied van milieu en energie en natuurlijk moet bijdragen aan het creëren van Europese meerwaarde, maar alleen met follow-ups die zo transparant en doeltreffend mogelijk zijn.

 
  
MPphoto
 

  Lambert van Nistelrooij (PPE). - Voorzitter, commissaris Hahn, beste collega's, cohesie is vast verankerd in het Europese beleid en het Verdrag, en nog beter vastgelegd met de territoriale dimensie in het Verdrag van Lissabon. Ik ben heel blij dat de Europese Commissie in haar vijfde cohesieverslag de integrale benadering voor de toekomst goed heeft neergelegd. We behouden solidariteit, maar koppelen juist de nieuwe doelstellingen van EU 2020 middels die instrumenten die zo werkbaar zijn gebleken: decentrale aanpak, partnerschap, koppeling van programma's op diverse niveaus, meerlagig bestuur. Dan kijken we naar die nieuwe uitdagingen. Dat is op zich uitstekend. Het is ook heel goed dat deze verslagen hier nu liggen. Alle bouwstenen met een extra accent ook op de grensoverschrijdende samenwerking - doelstelling 3 - worden volledig ondersteund.

Er is eigenlijk één punt dat steeds in het debat is blijven hangen. Wij als PPE hebben in onze stemlijst een open vote, het recht om vrijelijk te stemmen, opgenomen ten aanzien van de tussencategorie en ik wil u graag aangeven waarom. Eigenlijk omdat het voorstel dat nog van de Europese Commissie moet komen nog zo veel kanten uit kan. Daarnet zei de commissaris: ik wil praten over specifieke, zeg maar opdrachten, aan dat type van regio's. Prima om erover te praten, want we hebben er nog niet over gepraat. We weten nog niet om welke regio's het gaat. We weten niet waar het uit betaald wordt. We weten niet hoe de medecofinancieringspercentages zijn. Dat zijn allemaal zaken die wel degelijk die uitkomst nog kunnen beïnvloeden. Dus mijn idee is: laten we eerst dat voorstel van de Europese Commissie nog eens afwachten - dat komt, denk ik, vrij snel - en dan kunnen we echt weten waarover we praten. De benadering van overgangsmechanismen en instrumenten staat niet ter discussie. Dat hadden we al. Riikka Manner zei het ook, wij hebben facing out, facing in, we kunnen integraal beleid voeren ten aanzien van EU 2020. Dat zullen we doen. Dus voorlopig even het recht om vrijelijk te stemmen in de PPE.

 
  
MPphoto
 

  Karin Kadenbach (S&D).(DE) Mevrouw de Voorzitter, mijnheer Hahn, dames en heren, het belang van regionaal beleid is vandaag wel onderstreept. Ons cohesie- en consolidatiebeleid moet alle regio’s van Europa omvatten. En als ik regio’s zeg, dan bedoel ik ook de mensen die in die regio’s leven. Dat is een heel belangrijk punt. Tijdens een aantal van onze delegaties naar de regio’s hebben wij kunnen zien hoe waardevol Europese financiering voor de ontwikkeling van een regio kan zijn, om sociale cohesie te bereiken, maar ook ten behoeve van vrouwenbeleid en gendergelijkheid. Ik kan de Europese Unie alleen maar aanmoedigen in de toekomst meer van dit soort programma’s te bieden, die zeer positief door de mensen worden ontvangen en die juist gericht zijn op deze doelstellingen, precies zoals wij tijdens het onderzoeksproces naar de uitvoering hebben vastgesteld. Wij hebben in de Europese regio’s mensen nodig die vanuit persoonlijke betrokkenheid en verantwoordelijkheid handelen. Wij zitten nu in een fase waarin wij zijn gaan praten over tussenregio’s. Dit is van groot belang omdat Europa heeft bijgedragen aan de banen die in deze regio’s zijn gecreëerd. Mijn opvatting van groei is dat het primair duurzame groei is die zorgt voor sociale gerechtigheid. Cohesiebeleid vormt het kloppend hart van het Europese beleid.

 
  
MPphoto
 

  Adam Bielan (ECR). - (PL) Mevrouw de Voorzitter, er bestaat geen twijfel dat het cohesiebeleid bijdraagt aan een verbetering van de sociaaleconomische omgeving en de ontwikkeling stimuleert, in het bijzonder van die regio’s die steun krijgen. Laten we echter niet vergeten dat de brede waaier aan investeringen ook voordelen met zich meebrengt voor de rijkere lidstaten. Volgens bepaalde schattingen zou de totale winst voor de lidstaten van de zogenaamde oude Unie, die voorvloeit uit de tenuitvoerlegging van het cohesiebeleid in mijn land, in Polen, tot 2015 zelfs 38 miljard euro bedragen. Ik reken erop dat het feit dat de beslissende fase van het debat over de toekomst van het cohesiebeleid in de periode valt waarin Polen, mijn land, het voorzitterschap bekleedt, ertoe zal bijdragen dat voorstellen om dit beleid aanzienlijk te beperken, niet zullen worden uitgevoerd.

Spijtig genoeg heeft mijn regio Mazowsze wegens de sterke economische positie van de hoofdstad van het land, Warschau, de grens van 75 procent van het Europese bbp overschreden. Daardoor dreigen we de steun te verliezen. Er bevinden zich nog 35 andere Europese regio's in deze situatie. Ik wil oproepen om hun voorstel goed te keuren om een categorie van tussenliggende regio's te creëren, die het terugtrekken van deze steun kan vertragen. Als we de economische situatie van Mazowsze analyseren zonder de stad Warschau in aanmerking te nemen, dan zien we dat het bruto binnenlands product van een aanzienlijk deel van deze regio nog ver onder het vooropgestelde niveau van 75 procent ligt, en dat de regio zelfs op het niveau van de armste regio's van de Europese Unie staat. Dit bevestigt dat verdere financiering noodzakelijk is.

 
  
MPphoto
 

  François Alfonsi (Verts/ALE).(FR) Mevrouw de Voorzitter, commissaris, het cohesiebeleid is de ziel van het beleid van de Europese Unie, degene die uiting geeft aan het begrip solidariteit tussen haar leden, en zonder hetwelk van een echte Unie geen sprake zou zijn.

In de afgelopen dertig jaar zijn met het beleid uitstekende resultaten geboekt. Het bepaalt de prioriteit voor de toekomst. Ten eerste, geen vermindering van de begrotingstoezeggingen voor het cohesiebeleid. De heer Hahn moet zich kunnen baseren op dezelfde begrotingsbedragen als in het verleden om zijn programmering 2014-2020 samen te stellen.

Ten tweede we hebben een vernieuwd raamwerk voor dit beleid nodig, dat aangepast is aan nieuwe situaties en nieuwe belangen. De totstandbrenging van intermediaire regio’s is hiervoor cruciaal. Ze moeten in aanmerking komen voor gerichtere en beter gefinancierde steun, zodat elke regio zich op het Europese gemiddelde kan handhaven, ongeacht haar structurele handicap, ongeacht haar in het verleden opgelopen achterstand, en ongeacht haar blootstelling aan huidige of toekomstige crises.

Met deze beoogde intermediaire regio’s streven we een langetermijndoelstelling van territoriaal evenwicht na, om te voorkomen dat er een te grote kloof ontstaat tussen volledig verzadigde, ontwikkelde regio’s en afgelegen regio’s met een achterstandspositie, die in het Europa van morgen zelfs ontvolkt dreigen te raken.

Ten derde is de grote verdienste van het initiatiefverslag van mevrouw Sanchez-Schmid dat het aantoont hoezeer doelstelling 3 een grote toegevoegde waarde op Europees niveau zal genereren. In het nieuwe cohesiebeleid moet doelstelling 3 aanzienlijk versterkt worden, voortbouwend op de dynamiek van de macroregio’s – waarvoor het verslag van mevrouw Sanchez-Schmid pleit.

 
  
MPphoto
 

  Danuta Maria Hübner (PPE).(EN) Mevrouw de Voorzitter, de laatste jaren hebben de lidstaten, de Commissie en het Europees Parlement zich samen gebogen over de vraag hoe het cohesiebeleid van de Europese Unie doeltreffender kan worden gemaakt en de resultaten en de kwaliteit van de acties kunnen worden verbeterd.

Wij zijn tot de conclusie gekomen dat het invoeren van weldoordachte voorwaarden en stimulansen in het beleid een doeltreffend instrument kan zijn. Ik ben ervan overtuigd dat wij thans klaar zijn om in het beleidskader voorwaarden onder te brengen die de rentabiliteit van de investeringen kunnen verhogen.

De voorwaarden en verplichtingen moeten gericht zijn op de band tussen de beleidsinterventies en de vooruitgang op het gebied van institutionele, administratieve en structurele doeltreffendheid. In de context van de aanstaande onderhandelingen moeten wij voorzien in een passend regelgevingskader waarmee succesfactoren voor een effectieve bevordering van de groei via het cohesiebeleid worden vastgesteld.

Ik verwacht dat deze voorafgaande voorwaarden ten volle in het programmeringsproces zullen worden geïntegreerd. En ik verwacht ook dat zij rechtstreeks gekoppeld zullen worden aan het beleid en aan de doeltreffendheid van het programma, dat hun aantal beperkt zal zijn, dat zij zullen worden afgestemd op de specifieke context en dat zij de afgesproken criteria zullen eerbiedigen.

Wij moeten er tevens op toezien dat de koppeling aan voorwaarden geen extra lasten meebrengt, maar deze eerder verlicht, en dat zij geen vertraging veroorzaakt in de uitvoering van het beleid, de programma’s of de projecten.

 
  
MPphoto
 

  Andrea Cozzolino (S&D).(IT) Mevrouw de Voorzitter, dames en heren, de structuur van het cohesiebeleid waar we vandaag over debatteren is zeer verdienstelijk.

Er zijn drie punten waar ik enkele opmerkingen over zou willen maken. Allereerst beschouw ik het cohesiebeleid als een van de fundamentele middelen om onevenwichtigheden binnen de lidstaten en tussen de lidstaten te verkleinen. Het is dus ook een van de cruciale beleidsgebieden voor het bestrijden van de langdurige economische en financiële crisis waar we sinds enkele jaren mee te maken hebben.

Ten tweede denk ik dat het idee om nieuwe regio’s en nieuwe burgers bij het cohesiebeleid te betrekken prijzenswaardig is. Het zou echter goed zijn over deze zaken te debatteren als we duidelijker voor de geest hebben wat de kosten zijn van dit nieuwe beleid, welke effecten het zal hebben op het algemene cohesiebeleid en hoe we de middelen gaan verdelen in de context van de herziening van de financiële vooruitzichten van nu tot 2020.

Tot besluit denk ik dat de centrale rol van het stedelijk beleid in de context van het cohesiebeleid van doorslaggevend belang is. Het is belangrijk dat we in die richting vooruitgang hebben geboekt met het verslag-Vlasák, waar ik geheel achter sta, en ik denk dat dit verslag ons beter in staat stelt het juridische kader van het stedenbeleid vorm te geven en instrumenten te introduceren zoals gemeentelijke uitvoeringsplannen als uitvoeringsplannen die het cohesiebeleid een nieuwe kwaliteit kunnen geven.

 
  
MPphoto
 

  Michail Tremopoulos (Verts/ALE). - (EL) Mevrouw de Voorzitter, het doel van dit verslag is om na te gaan in hoeverre de lidstaten de Europese wetgeving in het nationale recht hebben opgenomen. Wat wij willen is een eerste werkelijke analyse van de cohesiebeleidsprogramma's voor de periode 2007-2013.

Ik richt mij op transparantie, waarover ik een rapport heb opgesteld. De rapporteur zelf, de heer Mikolášik, is bij het toewijzen der financiële middelen ingegaan op de kwestie transparantie als basisvoorwaarde voor het bereiken der algemene doelstellingen van het cohesiebeleid. Hoe is het echter mogelijk om een totaalbeeld te hebben op EU-niveau wanneer slechts negentien landen de fundamentele indicatoren hebben aangeleverd die voor een vergelijking nodig zijn? Terwijl we de Commissie vragen om de consistentie en de kwaliteit van de verkregen informatie te verbeteren, heerst er gebrek aan transparantie en beschikbare gegevens.

We moeten een heel duidelijke boodschap uitzenden. Het kan niet zo zijn dat het totaal aan subsidies voor geselecteerde projecten overeenkomt met gemiddeld 27 procent van alle beschikbare middelen; het kan niet zo zijn dat negen landen meer dan 40 procent krijgen en vier landen minder dan 20 procent. Wij kunnen geen cohesiebeleid van twee of drie snelheden hebben. De vereiste informatie moet daarom worden verspreid en gebruikt.

 
  
MPphoto
 

  Jan Olbrycht (PPE). - (PL) Mevrouw de Voorzitter, commissaris, het cohesiebeleid is het meest transparante Europese beleid, waardoor successen duidelijk en snel zichtbaar zijn, maar waardoor we ook snel tegenslagen en moeilijkheden zien, die het resultaat zijn van de zwakheid van de Brusselse instellingen enerzijds en vaak ook van de zwakke instellingen van de lidstaten anderzijds. Daarom is het gemakkelijk om conclusies te trekken en met allerlei externe factoren, zoals bijvoorbeeld de crisis, de beperking van dit beleid ten behoeve van andere Europese beleidsprogramma’s te rechtvaardigen, maar dit is duidelijk fout.

We moeten er ons bewust van zijn dat als we aannemen dat het cohesiebeleid enkel een beleid is voor de armsten, dat het dan ook langzaam moet worden afgebouwd, dat wil zeggen dat het langzaam moet verdwijnen van de lijst van Europese beleidsprogramma’s. Maar het is toch niet dit soort beleid dat we vandaag bespreken? Dit beleid is een beleid om ongelijkheid te verminderen, ongelijkheid die er altijd zal zijn, en nieuwe soorten ongelijkheid waarvan we ons vandaag nog niet bewust zijn. Bovendien is dit een beleid dat investeringen en ontwikkeling bevordert. Daarom is dit een beleid waarvoor acties moeten worden ondernomen, die in het Verdrag van Lissabon zijn vastgelegd, maar waarvoor ook een nieuwe vorm aan deze acties moet worden gegeven.

Gelet op het bovenstaande stem ik in met de beslissing van de Europese Commissie om de interne structuur van dit beleid te hervormen en aan te passen aan de nieuwe omstandigheden. Ik stem ook in met de nieuwe oplossingen die de Europese Commissie heeft voorgesteld, onder andere het voorstel om zogenaamde tussenliggende regio’s te creëren. Ik denk dat het werk aan deze nieuwe structuur de doeltreffendheid zal verhogen en zal toelaten om dit beleid ten uitvoer te leggen op een manier die tegemoetkomt aan de uitdagingen die ons momenteel te wachten staan.

 
  
MPphoto
 

  Vasilica Viorica Dăncilă (S&D).(RO) Mevrouw de Voorzitter, grensoverschrijdende samenwerking in een Europa zonder grenzen is bevorderlijk voor de lokale en regionale overheden omdat deze factor een belangrijke rol speelt bij de verdere ontwikkeling van de Europese interne markt. Grensoverschrijdende gebieden vertonen bovendien een belangrijk kenmerk, namelijk het bestaan van gemeenschappelijke multiculturele tradities en etnische diversiteit. Dat zijn aspecten die doorgaans een solide basis vormen voor interacties tussen zowel individuen als gemeenschappen op tal van terreinen.

Wij zijn ons ervan bewust dat grensoverschrijdende gebieden vaak gekenmerkt worden door een hoger dan gemiddeld werkloosheidsniveau, al verschilt dit cijfer sterk van regio tot regio. Ook de verborgen werkloosheid ligt er doorgaans hoger, omdat maar weinig mensen die zonder werk zitten zich inschrijven.

Daarom ben ik van mening dat een geïntegreerde aanpak van de arbeidsmarkt in grensoverschrijdende gebieden kan leiden tot het vinden van oplossingen voor de structurele problemen en kan bijdragen tot een betere onderlinge afstemming van vraag en aanbod. Dat vergt een efficiëntere tenuitvoerlegging van doelstelling 3, zoals ook de rapporteur bepleit.

 
  
MPphoto
 

  Iosif Matula (PPE).(RO) Mevrouw de Voorzitter, het cohesiebeleid is een doeltreffend instrument om de enorme uitdagingen aan te gaan waarmee de Europese regio’s thans worden geconfronteerd, zoals globalisering, klimaatverandering en demografische trends. Ofschoon op Europees niveau aanzienlijke vooruitgang is geboekt bij het streven naar een evenwichtige regionale ontwikkeling is er nog werk aan de winkel. Om de bestaande ongelijkheden weg te werken moeten wij voor alle regio’s van de Europese Unie een ambitieus cohesiebeleid toepassen.

Ik ben van oordeel dat de convergentiesteun voor minder ontwikkelde regio’s in de volgende programmeringsperiode een prioritaire plaats moet blijven innemen, zodat de toegang tot de instrumenten van het cohesiebeleid gewaarborgd is. Dat zal ons in de gelegenheid stellen om de bepalingen van het Verdrag van Lissabon toe te passen. Immers, in het kader van doelstelling 1 (convergentie) moeten voldoende middelen worden uitgetrokken voor de landen die de grootste behoefte hebben aan steun, afhankelijk van de ernst van hun ontwikkelingsproblemen.

De Europese Unie zal slechts in staat zijn om wereldwijd met haar rivalen te concurreren als zij het ontwikkelingspotentieel van zowel steden als plattelandsgebieden en hun intrinsieke potentieel ten volle benut in het kader van haar cohesiebeleid en daarmee een voldoende flexibel antwoord biedt op de uitdagingen en moeilijkheden die genoemd worden in de Europa 2020-strategie.

Gelet hierop maken innovatie, onderwijs en opleiding, energie, milieu, werkgelegenheid, mededinging, beroepskwalificatie en armoedebestrijding integraal deel uit van het cohesie- en structuurbeleid, en dat moet ook zo blijven. Het nieuwe cohesiebeleid moet duidelijk resultaatgericht zijn en het moet specifieke informatie verschaffen over de noodzakelijke hervormingen. Tezelfdertijd moet worden gestreefd naar een vermindering van de bureaucratische lasten en een vereenvoudiging van het middelenbeheer.

Ik kom uit een land dat vooral tijdens de periode 2013-2020 sterk afhankelijk zal zijn van de manier waarop de uniforme ontwikkeling van de Unie plaatsvindt. Praktisch gezien moeten de middelen die Roemenië tussen nu en de komende tien jaar zal ontvangen, worden opgevat als een langetermijninvestering die noodzakelijk is voor de evenwichtige ontwikkeling van de gehele Europese Unie.

Ik feliciteer mijn collega, de heer Pieper, en de andere rapporteurs met dit voortreffelijke verslag.

 
  
  

VOORZITTER: LIBOR ROUČEK
Ondervoorzitter

 
  
MPphoto
 

  Mojca Kleva (S&D). - (SL) Mijnheer de Voorzitter, in tijden van financiële en economische crisis is cohesiebeleid het beproefde en belangrijkste instrument om de economische en maatschappelijke verschillen tussen regio's in de Europese Unie te verkleinen. Het is een van onze fundamentele beleidsvormen waarvan de positieve effecten werkelijk overal zichtbaar zijn; in alle uithoeken van de Europese Unie, in alle lidstaten en in vrijwel iedere stedelijke of lokale gemeenschap binnen de EU.

Dit is een beleid waarmee structurele hervormingen en vooruitgang te realiseren zijn. Het biedt bovendien een oplossing voor de huidige zware economische situatie, en wel zonder kosten. Ook het slagen van de Europa 2020-strategie zal grotendeels afhangen van het slagen van het EU-cohesiebeleid. Het is daarom van zeer groot belang dat deze fondsen gedurende de komende zevenjarige periode een prioriteit blijven voor de Europese begroting.

Aangezien het belangrijkste probleem, namelijk de integratie van hetgeen algemeen bekendstaat als de nieuwe tussencategorie van regio's, in dat opzicht nog steeds niet is opgelost, wil ik een oproep doen aan de commissaris en de Europese Commissie als geheel om ons zo spoedig mogelijk opheldering te verschaffen omtrent alle details die nog onduidelijk zijn over de totstandbrenging van deze categorie van regio's, met name de financiële aspecten en effecten, aangezien dit probleem de toekomstige ontwikkeling van regio's in de hele Europese Unie betreft.

 
  
MPphoto
 

  Alain Cadec (PPE).(FR) Mijnheer de Voorzitter, geachte collega’s, door het verslag Garriga Polledo aan te nemen heeft het Parlement verzocht om een meerjarig financieel kader voor 2014 dat opgewassen is tegen de begrotingsuitdagingen die ons te wachten staan. Met het oog hierop moet het regionaal beleid ten minste dezelfde financiële middelen behouden als in de huidige periode. Dat is een prioriteit.

Alle Europese regio’s moeten toegang blijven houden tot de structuurfondsen. We moeten er uiteraard in de eerste plaats voor zorgen dat de meest onderontwikkelde regio’s hun achterstand inlopen via doelstelling 1.

Uit billijkheidsoverwegingen moeten we ook passende steun bieden aan regio’s die niet in aanmerking komen voor doelstelling 1, maar die desondanks te maken hebben met structurele moeilijkheden. Ik ben dan ook blij dat de Europese Commissie de oprichting van een tussencategorie heeft voorgesteld voor regio’s waarvan het bbp per hoofd van de bevolking tussen 75 en 90 procent van het Europese gemiddelde ligt. Ik wil deze gelegenheid aangrijpen om commissaris Hahn te bedanken voor dit werk.

Dankzij dit nieuwe systeem zal beter rekening kunnen worden gehouden met de specifieke eigenschappen van talloze regio’s die noch arm noch rijk zijn. Deze tussencategorie zal eveneens billijker zijn, omdat ze een soortgelijke steun biedt aan regio’s die een vergelijkbaar ontwikkelingsniveau hebben. Ik wil de regio’s die in aanmerking zouden zijn gekomen voor het uitfaseringsmechanisme echter geruststellen: er is geen sprake van dat ze aan hun lot worden overgelaten. Ze zullen volledig in aanmerking komen voor de tussencategorie en er waarschijnlijk zelfs de voornaamste begunstigden van zijn.

Tot slot wil ik er graag op wijzen dat de totstandbrenging van deze nieuwe categorie met een gelijkblijvende begroting zal plaatsvinden, dankzij de verwachte besparingen doordat meerdere regio’s niet meer onder doelstelling 1 vallen. Er is ook geen sprake van dat we de steun aan de onder doelstellingen 1, 2 en 3 vallende regio’s zullen verlagen.

Als we deze tussencategorie echter niet tot stand brengen, zal de begroting van het cohesiebeleid zeker worden verlaagd. Mét de tussencategorie houden we deze begroting op peil. Ik denk dat niemand hier een verlaging van deze begroting wenst. Ik wil van deze gelegenheid gebruik maken om de rapporteur, de heer Pieper, te bedanken voor zijn werk.

 
  
MPphoto
 

  Sergio Gaetano Cofferati, rapporteur voor advies van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken. (IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, de economische cohesie, evenals de sociale en de territoriale cohesie, zijn altijd de fundamentele beginselen geweest voor de vormgeving van het hele EU-beleid, al sinds de oprichting van de Unie.

Het is daarom van groot belang dat deze doelstellingen worden benadrukt, zoals is gedaan in de teksten die we nu bespreken, en het is goed dat de structuurfondsen onder de loep worden genomen en worden herzien om ze efficiënter te maken bij het bereiken van de resultaten waar ze voor bedoeld zijn. Een van de resultaten die volgens mij fundamenteel is, is het Europees Sociaal Fonds, en wel om een heel eenvoudige reden: we bevinden ons in een acute fase van de economische en sociale crisis die nog niet ten einde is en die zware gevolgen heeft op werk en werkgelegenheid.

Het is van zeer groot belang dat Europa enerzijds zijn sociaal model hoog houdt en anderzijds onderstreept dat werk een onbetwistbare sociale waarde heeft en dat werkgelegenheid een van de voornaamste referentiepunten is in het gebruik van middelen die de economische ontwikkeling beschikbaar moet maken. Dus om die reden moet het Sociaal Fonds worden versterkt, zijn onafhankelijkheid worden gehandhaafd en de beschikbare middelen worden uitgebreid. Kennis is het centrale aandachtspunt en de motor van elk concurrentiemodel. Dat alles is niet mogelijk zonder een flinke toename van de kwaliteit van werk. Daarom is het Europees Sociaal Fonds vandaag net zo waardevol is als het altijd al is geweest en misschien nog wel waardevoller.

 
  
MPphoto
 

  José Manuel Fernandes, rapporteur voor advies van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid. (PT) Mijnheer de Voorzitter, de Europese Unie heeft meer dan ooit een cohesiebeleid nodig dat echte convergentie bevordert en groei en werkgelegenheid stimuleert, en daarnaast bijdraagt aan de milieudoelstellingen.

Gezien de huidige financiële situatie en de huidige uitvoeringsgraad van de programma’s, moet de Commissie er alles aan doen om eenvoud en flexibiliteit te bevorderen ten aanzien van de regels voor uitvoering van de programma’s, en moet zij toestaan dat er, binnen de geldende regelgeving, opnieuw onderhandeld wordt over de cofinancieringspercentages als lidstaten dit nodig hebben en daar om vragen.

Het cohesiebeleid moet resultaatgericht zijn, met heldere en meetbare doelen en resultaatindicatoren. Verder moet het cohesiebeleid de transparantie bevorderen. Om hiervoor te zorgen en dit te bewaken, moet naar mijn mening de informatie over de goedkeuring en uitvoering van projecten toegankelijk worden gemaakt in real-time, met zo gedetailleerd mogelijke informatie naar territoriale en statistische eenheden, zodat alle burgers hier kennis van kunnen nemen.

 
  
MPphoto
 

  Jan Kozłowski (PPE). - (PL) Mijnheer de Voorzitter, om te beginnen wil ik de rapporteurs feliciteren met hun uitmuntende werk. Zoals de rapporteurs hebben benadrukt, heeft het cohesiebeleid, ook tijdens de crisisperiode, zijn waarde bewezen als ontwikkelingsbeleid dat investeringen ondersteunt en rechtstreekse en onrechtstreekse voordelen voor alle regio's met zich meebrengt. Voor elke euro die in mijn land, in Polen wordt geïnvesteerd, gaat bijvoorbeeld bijna de helft, 46 cent, terug naar de vijftien lidstaten van de oude Unie.

Het cohesiebeleid moet ten minste zijn huidige betekenis behouden, en ook de huidige financiële steun, omdat ontwikkeling en investeringen verder moeten worden ondersteund en de doelstellingen van de Europa 2020-strategie verwezenlijkt moeten kunnen worden. Er is echter een verbetering van de integratie van de fondsen en een volledige synergie tussen de fondsen noodzakelijk. In het kader van de bedreigingen in verband met werkloosheid bij jonge mensen en demografische veranderingen is het van belang dat het potentieel van het Europees Sociaal Fonds (ESF) volledig wordt benut, en hiervoor is het noodzakelijk dat er voorwaarden worden gecreëerd om het ESF beter te coördineren met andere instrumenten op regionaal en lokaal niveau.

 
  
MPphoto
 

  Mará Irigoyen Pérez (S&D). (ES) Mijnheer de Voorzitter, commissaris, dames en heren, door de huidige economische en financiële crisis die wij doormaken wordt de noodzaak benadrukt van een regionaal beleid, dat de beste manier is om verschillen in ontwikkeling tussen regio's en lidstaten te verkleinen. Tegelijkertijd kunnen wij op die manier het imago van Europa herstellen, dat burgers sinds kort alleen nog maar in verband brengen met strenge ombuigingsprogramma's en bezuinigingen.

In het toekomstig cohesiebeleid, de steunpilaar van de solidariteit van het Europese project en van sociale rechtvaardigheid, moeten de volgende prioriteiten in acht worden genomen: ten eerste, het versterken van de sociale cohesie en het integreren in het beleid van de uitdagingen die voortkomen uit de Europa 2020-strategie; ten tweede, rekening houden met de behoeften en geografische kenmerken van de regio's, vooral van de meest kansarme; ten derde, het handhaven van een geleidelijke aanpak bij het verwerven van financiële middelen, om te voorkomen dat de regio's de doelstelling van convergentie loslaten en zodat plotselinge veranderingen in de ontvangst van hulp vermeden worden; en ten vierde, het bevorderen van een billijk systeem.

Ten slotte, dames en heren, de overheden passen op dit moment een streng fiscaal aanpassingsbeleid toe. EU-steun is daarom noodzakelijk. Ik hoop dat de Raad hier nota van neemt.

 
  
MPphoto
 

  Kristiina Ojuland (ALDE).(EN) Mijnheer de Voorzitter, het Directoraat-generaal ontwikkeling en samenwerking is verantwoordelijk voor het beheer van de grensoverschrijdende samenwerkingsprogramma’s van het Europees nabuurschaps- en partnerschapsinstrument (ENPI). Dat heeft tot een absurde situatie geleid voor wat betreft de grensoverschrijdende samenwerking met Rusland, aangezien het hier gaat om een land dat geen doelland is van het ENPI en ook geen ontwikkelingssteun van de Europese Unie ontvangt.

Ik ben het met de rapporteur eens dat de verantwoordelijkheid voor het ENPI integraal moet worden overgedragen aan het Directoraat-generaal regionale ontwikkeling en dat grensoverschrijdende samenwerkingsprogramma’s ten uitvoer moeten worden gelegd in een kader dat vergelijkbaar is met dat van de Interreg-programma’s. Ongeacht de externe dimensie mogen grensoverschrijdende samenwerkingsprogramma’s niet worden uitgevoerd overeenkomstig de bepalingen voor ontwikkelingssteun. Vanwege hun aard vallen zij onder de Europese regelgeving inzake territoriale samenwerking.

 
  
MPphoto
 

  Elżbieta Katarzyna Łukacijewska (PPE). - (PL) Mijnheer de Voorzitter, het cohesiebeleid is het beste instrument om voor de Europese regio's gelijke ontwikkelingskansen te creëren en hun economische groei te stimuleren.

Om de doelstellingen van het cohesiebeleid te bereiken, is het belangrijk om de beschikbare middelen niet alleen maximaal maar ook doeltreffend te benutten, de bureaucratie te beperken en een goede synergie tussen de fondsen te creëren. Het is erg belangrijk dat het Europees Sociaal Fonds doeltreffend wordt benut om werklozen weer aan de slag te helpen en niet enkel te herscholen, iets wat vaak het geval is. Ook steun voor innovatie, onderzoek en ontwikkeling zijn belangrijk, want hiermee kan de concurrentiekracht van ondernemingen en regio's worden vergroot.

Een van de belangrijkste doelen van het cohesiebeleid is Europese grensoverschrijdende samenwerking. Daarom is het belangrijk dat samenwerking in grensgebieden harmonieus wordt uitgevoerd en bevorderd, niet alleen in interne grensgebieden maar in het bijzonder aan de buitengrenzen van de Europese Unie.

Tot slot wil ik opmerken dat macroregio's heel doeltreffend zijn en hier wil ik de commissaris verzoeken om naar het voorbeeld van andere strategieën ook een strategie voor de Karpaten uit te werken, een van de grootste regio's van de Europese Unie, met enorme natuurlijke rijkdommen.

 
  
MPphoto
 

  Patrice Tirolien (S&D).(FR) Mijnheer de Voorzitter, geachte collega’s, ik wil benadrukken dat het Parlement zich hier uitspreekt voor de totstandbrenging van een tussencategorie van regio’s, en ik wijs er nog maar eens op dat dit geenszins een extra belasting zal vormen voor de Gemeenschapsbegroting – in tegenstelling tot wat sommigen beweren. Wat wij hier voorstellen is een revolutie in het concept overgangssteun met een gelijkblijvende begroting. Ons streven is te komen tot een billijker systeem ten gunste van regio’s die met grote moeilijkheden kampen. Met deze overgangszone tussen 75 en 90 procent van het Europese bbp leggen we ons echt vast op een geconsolideerd cohesiebeleid voor de komende jaren.

Ik ben overigens blij dat uit onze resolutie wederom blijkt dat het Parlement aan de zijde van de ultraperifere regio’s staat. Laatstgenoemden hebben te maken met specifieke en permanente handicaps die deze solidariteit rechtvaardigen, zodat ze doeltreffend een link kunnen leggen tussen de Unie en de wereld.

 
  
MPphoto
 

  Anneli Jäätteenmäki (ALDE). (FI) Mijnheer de Voorzitter, het regionaal beleid en het cohesiebeleid zijn nodig om de verschillen in ontwikkeling weg te nemen. Ze zijn heel belangrijk voor het welzijn van de mensen en het concurrentievermogen van Europa. Het communautaire regionaal beleid moet vooral meerwaarde creëren en voor nieuwe ondernemingen en werk voor de mensen zorgen.

We moeten ons afvragen of het verstandig is om alle huidige regionale steun via Brussel te recyclen of dat het geld doeltreffender kan worden gebruikt door het direct aan de regio´s in de lidstaten te geven. Het regionaal beleid van de Europese Unie heeft te kampen met bureaucratie en fraude. Er is veel bureaucratie in de Europese Unie en haar lidstaten en dit leidt tot een situatie waarin veel oude en nieuwe innovatieve ondernemingen geen geld of steun aanvragen, omdat er voor die aanvraag een of twee mensen in dienst moeten worden genomen en dat te veel tijd kost. We moeten ons afvragen of het Europees innovatiebeleid wel een toekomst heeft als het regionaal beleid het niet ondersteunt.

 
  
MPphoto
 

  Maria do Céu Patrão Neves (PPE). - (PT) Mijnheer de Voorzitter, het cohesiebeleid is een van de centrale beleidsterreinen van de Europese Unie, waarin het ideaal van het Europees project het sterkst tot uiting komt. Het is dan ook terecht dat alle aspecten die hier vandaag aan de orde komen, grondig besproken worden en dat er zoveel rapporteurs bij betrokken zijn, die ik hier allemaal feliciteer.

Ik wil benadrukken dat er voldoende middelen moeten worden uitgetrokken voor dit beleid, en dat er meer flexibiliteit en meer controle nodig is, zodat de Europese fondsen daadwerkelijk kunnen worden ingezet voor duurzame ontwikkelingsprojecten. Het is in dat kader van belang dat regio’s die Doelstelling 1 reeds hebben afgerond, een tussenfase kunnen doorlopen, waarin de ontwikkelingen worden geconsolideerd die zij al hebben doorgevoerd, en niet plotseling aan hun lot worden overgelaten, omdat daarmee de voortgang die ze geboekt hebben in gevaar komt.

 
  
MPphoto
 

  Csaba Sándor Tabajdi (S&D). - (HU) Wij debatteren nu over een thema dat van wezenlijk belang is voor de nieuwe lidstaten, waaronder Hongarije. Er zijn alarmerende berichten dat sommige besluitvormers van de Commissie de begroting van het cohesiebeleid vanaf 2014 drastisch willen verlagen. Dit zou een zelfdestructieve stap zijn. In dit geval kunnen niet alleen de arme regio's hun achterstand niet inhalen, maar komt ook de Europa 2020-strategie in gevaar. Het voorstel om een tijdelijke steuncategorie in het leven te roepen is zeer gewenst en maatschappelijk rechtvaardig. Het is echter onaanvaardbaar dat de cohesiesteun aan macro-economische voorwaarden wordt verbonden, aangezien de regio's gestraft zouden worden wegens een regeringsbeleid waarop ze geen invloed kunnen uitoefenen. En ten slotte is het werkingsmechanisme van het cohesiebeleid succesvol en fundamenteel gezond, de transparantie moet worden verbeterd en de bureaucratie verminderd.

 
  
MPphoto
 

  Sabine Verheyen (PPE).(DE) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, het belang van interregionale samenwerking zal in de toekomst alleen maar toenemen. Grensoverschrijdende samenwerking en macroregionale samenwerking zijn van onmetelijk belang voor de verwezenlijking van de Europa 2020-doelstellingen in een Europa dat steeds meer samenhang vertoont. Grensregio’s hebben nog altijd te stellen met specifieke problemen. Grensoverschrijdende concepten en projecten op vlakken als infrastructuur, samenwerking tussen bedrijven, samenwerking op het vlak van onderzoek, de ontwikkeling van de arbeidsmarkt en opleiding, zijn de stuwende kracht achter grote delen van de Europese Unie.

Wij hebben behoefte aan duidelijke, eenvoudige structuren voor interregionale projecten. Verschillende nationale vereisten voor de projectpartners maken de samenwerking en de uitvoering van specifieke, duurzame projecten vaak lastig. De oproep die de heer Pieper doet in zijn verslag tot uitbreiding van het aandeel interregionale samenwerking, Doelstelling 3, naar 7 procent is een belangrijke stap voorwaarts en heeft mijn volledige steun.

 
  
MPphoto
 

  Luís Paulo Alves (S&D). - (PT) Mijnheer de Voorzitter, het cohesiebeleid is van centraal belang voor de toekomst van het Europees project. Voor het functioneren van de gemeenschappelijke ruimte, met een interne markt en een Europese munt, is een zekere mate van convergentie nodig tussen de lidstaten en de regio’s. De bestaande grote verschillen op het gebied van concurrentievermogen en ontwikkeling hebben steeds onvermijdelijk tot de verzwakking van de Europese ruimte en tot de crisis in de eurozone geleid. Deze noodzaak van convergentie vereist absoluut een stevige begroting voor het cohesiebeleid, die niet aangetast mag worden om ander beleid te financieren. Als de Europese Unie meer wil kunnen doen, moet ze meer hebben, en dit kan gerealiseerd worden door een ruimere begroting, en niet door de cohesiebegroting te verlagen, ook niet een klein beetje.

Daarom wil ik u vragen, commissaris, of de instelling van een infrastructuurfonds en het nieuwe innovatiebeleid – in samenhang met cohesie en regionale ontwikkeling, hetgeen ik ondersteun – niet een Trojaans paard in de cohesiebegroting zal blijken te zijn indien de middelen voor de EU-begroting niet verruimd worden.

 
  
MPphoto
 

  Czesław Adam Siekierski (PPE). - (PL) Mijnheer de Voorzitter, het cohesiebeleid speelt een belangrijke rol in de ontwikkeling van de regio's. Deze regio’s brengen stedelijke gebieden en plattelandsgebieden bij elkaar en maken er een geheel van. Het is een feit dat stedelijke gebieden een belangrijke invloed hebben op de versnelling van de regionale ontwikkeling. Bij deze opdracht moeten ze zeker worden gesteund. We mogen echter de evenwichtige ontwikkeling van stedelijke gebieden en plattelandsgebieden niet uit het oog verliezen.

Ik wil opmerken dat het cohesiebeleid niet goed zichtbaar is in plattelandsgebieden, ondanks alle verklaringen die hierover zijn afgelegd. In het kader van het cohesiebeleid moeten middelen voor plattelandsontwikkeling worden toegekend, omdat de tweede pijler van het gemeenschappelijk landbouwbeleid zijn activiteiten verschuift naar zogenaamde groenvoorziening, ecologisering, milieubeleid en ontwikkeling van de landbouw en de verwerkingsindustrie. Er zijn echter geen middelen voor de ontwikkeling van ondernemerschap en technische en sociale infrastructuur in plattelandsgebieden, en dat moet de taak van het cohesiebeleid zijn. De aanleg van technische infrastructuur vormt de basis voor ontwikkeling en we mogen de ontwikkeling van ondernemerschap, sociale infrastructuur en wetenschappelijke onderzoeksinfrastructuur niet uit het oog verliezen, die in belangrijke mate bijdragen aan moderne, intelligente en innoverende ontwikkeling.

 
  
MPphoto
 

  Victor Boştinaru (S&D).(RO) Mijnheer de Voorzitter, het debat dat wij hier vandaag houden, is het beste bewijs dat het komende financieel kader een solide en goed gefinancierd cohesiebeleid moet omvatten.

Geïnspireerd door de voortreffelijke toespraak van mevrouw Hübner, de voorzitter van onze commissie, en door het opmerkelijke verslag van de heer Theurer over de lering die wij moeten trekken uit de absorptiecapaciteit zou ik graag van de commissaris vernemen hoe Roemenië, het land met de laagste absorptiecapaciteit van de Unie, zich er vanuit het Europese perspectief van de komende financieringscyclus toe kan verbinden een zogenaamde administratieve hervorming door te voeren die losstaat van de regionale hervorming, zonder dat er een effectbeoordeling is uitgevoerd, zelfs zonder overleg te plegen met het directoraat-generaal Regionaal Beleid, dat via de pers kennis heeft genomen van dit project, en zonder dat de politieke actoren, de lokale actoren en het maatschappelijk middenveld zijn geraadpleegd, waardoor de stabiliteit en voorspelbaarheid van het gehele project op de helling komen te staan.

 
  
MPphoto
 

  Monika Hohlmeier (PPE).(DE) Mijnheer de Voorzitter, ik zou graag twee punten willen noemen met betrekking tot het cohesiebeleid en het regionaal beleid. Het eerste betreft de discussie rond de zogenaamde tussencategorie, die zeer langs nationale lijnen wordt gevoerd. Ik geloof dat het cruciaal is dat wij de volgende punten ten aanzien van deze discussie goed in het oog houden: regionaal beleid en economisch ontwikkelingsbeleid moeten een systeem van stimulansen bieden, zodat de desbetreffende regio’s zich kunnen ontwikkelen. Als het systeem zodanig wordt opgezet dat er een afhankelijkheid van voortdurende subsidies ontstaat, zonder dat de regio’s zich inspannen om de desbetreffende middelen te verkrijgen, dan geloof ik dat een dergelijke tussencategorie uitloopt op een regelrechte ramp, aangezien het altijd een twistappel zal zijn en geen grondgedachte heeft. Ik geloof echter wel dat het zinvol is voor Doelstelling 1-regio’s die hun Doelstelling 1-status verliezen, om toch bepaalde steun te blijven ontvangen. Ook geloof ik dat het zinvol is dat een regio die in financiële en economische moeilijkheden verkeert, om specifieke redenen eveneens steun kan ontvangen. Wat wij echter niet willen is een continue subsidiementaliteit; wij moeten daarentegen hulp en steun bieden aan alle regio’s die het nodig hebben.

 
  
MPphoto
 

  Petru Constantin Luhan (PPE).(RO) Mijnheer de Voorzitter, het lijdt geen twijfel dat het cohesiebeleid van fundamenteel belang is voor de ontwikkeling van de Europese Unie. Volgens mij ligt de structuur van het cohesiebeleid ten grondslag aan het Europese concurrentievermogen. Ik ben tevens van mening dat de regio’s steun moeten blijven ontvangen om de doelstelling van economische en sociale cohesie te kunnen verwezenlijken. Het is belangrijk dat de nodige financiële middelen worden vrijgemaakt en dat daarbij in de eerste plaats rekening wordt gehouden met het regionale bbp.

Wij moeten waarborgen dat de gewone burger toegang heeft tot infrastructuurvoorzieningen op maatschappelijk vlak en op het gebied van onderwijs, gezondheidszorg en vervoer. Dat zal ons in de gelegenheid stellen om het streven naar economische ontwikkeling te koppelen aan een hoge levenskwaliteit, zodat onze burgers zich thuis voelen in Europa.

Geachte collega’s, kleine en middelgrote ondernemingen zijn essentieel om het economische concurrentievermogen te versterken. Zij moeten dan ook worden aangemoedigd door de regelgeving voor toegang tot steun te versoepelen en te bevorderen.

Daarom ben ik van oordeel dat gelijke toegang tot de infrastructuur en hoogwaardige diensten alsook de ondersteuning van kleine en middelgrote ondernemingen essentiële basiselementen moeten zijn van de structuur van het regionale ontwikkelingsbeleid. Dat is de weg die wij moeten bewandelen om het Europees concurrentievermogen wereldwijd te consolideren.

 
  
MPphoto
 

  Rosa Estaràs Ferragut (PPE).(ES) Mijnheer de Voorzitter, het cohesiebeleid heeft ongetwijfeld bijgedragen aan de toegenomen productiviteit in alle gebieden van de Europese Unie en aan het uit de weg ruimen van regionale verschillen, en er is geen twijfel dat dit beleid van essentieel belang is gebleken voor alle burgers en dat het helpt – en dat zal blijven doen – de economische en financiële crisis te bestrijden waaronder Europa lijdt. Dat is waarom het vijfde cohesieverslag zo gelegen komt.

Er zijn drie kernideeën. Het eerste is dat het bruto nationaal product (bnp) door de nationale en regionale overheden aangevuld zou moeten worden met andere indicatoren. Het tweede idee is dat er een tussenliggende categorie zou moeten zijn zodat alle gebieden die niet onder de convergentiedoelstelling vallen en die er niet in slagen de doelstelling voor het concurrentievermogen te bereiken, een gelijke behandeling kunnen krijgen als zich vergelijkbare situaties voordoen en zodat deze regio's nooit een plotselinge verandering hoeven te ondergaan. Het derde idee is de versterking van Doelstelling 3.

Ik zou twee verzoeken willen doen. Het criterium van een maximale afstand van 150 kilometer zou teniet gedaan moeten worden, zodat vele gebieden, zoals de Balearen, toegang kunnen krijgen tot grensoverschrijdende samenwerkingsverbanden. Mijn tweede punt is dat het verslag stelt dat de werktalen van de EU het Frans, Engels en Duits zijn. Dat is niet zo. De werktalen zijn de 23 talen van de EU, en dat is wat ons rijk en divers maakt.

 
  
MPphoto
 

  Nadezhda Neynsky (PPE).(BG) Mijnheer de Voorzitter, ik wil de rapporteurs feliciteren met het werk dat zij voor de voorbereiding van dit bijzonder belangrijke onderwerp hebben verricht.

Als Bulgaarse politica volg ik met bijzondere interesse de ontwikkelingen ten aanzien van de tussencategorie van begunstigde regio's, die in het nieuwe financieel kader 2013-2020 in het leven zal worden geroepen.

Zoals vandaag tijdens het debat eveneens herhaaldelijk is benadrukt, moet er mijns inziens verder over deze kwestie worden gesproken, aangezien er momenteel een randvoorwaarde wordt opgesteld voor nieuwe indelingen en uitzonderingen met betrekking tot de behandeling van afzonderlijke regio's, die niet in overeenstemming is met het Europees solidariteitsbeginsel. De tussencategorie is in strijd met het beginsel van convergentie van Europese regio's waarvan de ontwikkeling achterblijft bij het gemiddelde in de Europese Unie. Het is niet geheel duidelijk op basis waarvan zelfs de limieten van 75 procent en 90 procent zijn vastgesteld of waarom er bijvoorbeeld geen categorie is gecreëerd voor bijzonder onderontwikkelde regio's.

Ik stem op basis van het voorstel van de rapporteur in paragraaf 34, onder voorbehoud van vermelding van regio's die onder deze limieten vallen. Ik stem tevens voor amendement 5 voor heldere, strikte criteria die volgens ons van cruciaal belang zijn om problemen te voorkomen bij de tenuitvoerlegging van het nieuwe kader.

 
  
MPphoto
 

  Johannes Hahn, lid van de Commissie.(DE) Mijnheer de Voorzitter, geachte leden, om te beginnen zou ik mijn dank willen uitspreken voor de toewijding die u hebt laten zien in dit uitgebreide debat met zijn vele bijdragen. Hieruit blijkt wel het belang om de kwesties ten aanzien van regionaal beleid en cohesiebeleid in detail in dit Parlement te bespreken. Ik zou met iets willen beginnen dat van specifiek belang voor mij is. Voor het Parlement was het in de zin van timing zeer belangrijk – en daarnaast was het ook iets dat ik zelf zeer verwelkomde – dat het Parlement gelegenheid kreeg om voorafgaand aan de publicatie van onze ontwerpregelgeving een gedetailleerd meerledig advies uit te brengen, en dat dit advies dan ook tot uitdrukking zou komen in de desbetreffende regelgeving. Om die reden zou ik u ook willen vragen om uw begrip dat ik u op dit moment nog geen uitgebreide schriftelijke voorstellen kan bieden, aangezien deze in het bijzonder gebaseerd zullen zijn op de hier gepresenteerde verslagen.

Het is van groot belang dat wij meer nadruk leggen op de kwaliteit van het werk met de regio’s, met name als wij kijken naar sommige landen die nu echt structurele problemen hebben. In dit opzicht is het niet alleen nodig dat wij ons buigen over de verdeling van de middelen en de vaststelling van doelstellingen, maar ook dat wij bijdragen aan de omschrijving van programma’s voor het vaststellen van doelstellingen en dat wij assisteren bij de vorming van clusters van afzonderlijke regio’s en delen van regio’s teneinde duurzame economische groei te genereren.

Op het gevaar af dat ik herhaal wat sommige sprekers al eerder hebben genoemd, wil ik erop wijzen dat ons voorstel een afzonderlijk hoofdstuk zal bevatten over bestuur op verschillende niveaus, teneinde uit te dragen, en in ieder geval ook een oproep daartoe te doen, dat alle belanghebbenden aan het ontwerp van praktijkgerichte programma’s in de regio’s moeten bijdragen. Hier zou ik ook allen met een verantwoordelijke functie in de regio’s willen oproepen ervoor te zorgen dat de plaatselijke besturen erbij betrokken worden. Dit is omdat ik, zoals velen onder u, klachten heb gehoord van de regio’s dat de nationale overheden er niet bij betrokken worden, terwijl plaatselijke overheden juist betreuren dat het regionale niveau hen er te weinig bij betrekt.

Met betrekking tot het idee van eigen inbreng, dat al meerdere keren is genoemd: het is zeker nodig dat u allemaal een bijdrage levert. Vereenvoudiging is een veelgebruikt, om niet zeggen een té veel gebruikt, woord dat voor eenieder van ons een uitdaging vormt. Vereenvoudiging mag echter niet simpelweg betekenen dat de controles worden versoepeld. Wij moeten de passende middelen aanwenden om ons beleid te vereenvoudigen. Mijn hoop is dan ook gevestigd op de werkzaamheden van de heer Barnier op het vlak van overheidsopdrachten, waarbij het proces vereenvoudigd wordt door de procedures verder te standaardiseren, de foutmarges terug te brengen en aldus een zinnige bijdrage te leveren aan de vereenvoudiging. Ook wij moeten daarin een rol spelen en verdere voorstellen doen ten aanzien van forfaitaire bedragen enzovoort. Ook op dit vlak is het belangrijk dat de lidstaten ons voorbeeld volgen.

Een van de sprekers stelde voor om het Europees Structuurfonds af te splitsen van de familie van structuurfondsen, maar wij hebben geen plannen in die richting. Veel van wat er moet gebeuren op het platteland, zal ook vallen onder het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling, dat niet alleen bedoeld is om boeren te ondersteunen, maar ook om plattelandsgebieden te ondersteunen. Zoals wij weten, zijn er in die sector meerdere spelers en deelnemers. Ook hier is het zaak om tot een betere coördinatie van de diverse fondsen te komen, hetgeen een algehele doelstelling is voor het gemeenschappelijk strategisch kader.

Conditionaliteit helpt ons om de kwaliteit van ons werk te verbeteren. Er is vandaag al veel gezegd over de overgangsregio’s, waarvaan het meeste juist en van belang was. Het punt is dat wij de ontwikkeling moeten steunen in al die regio’s die nog niet voldoen aan het Europees gemiddelde. Dit is feitelijk de kwintessens van het regionaal beleid. De kern van de zaak is kort gezegd het volgende: bijdragen aan groei in kwalitatieve en kwantitatieve zin en zorgen dat de Europa 2020-doelstellingen worden verwezenlijkt, bijvoorbeeld op het vlak van energie, klimaatverandering, innovatie, onderzoek, onderwijs en opleiding, werkgelegenheid en armoedebestrijding. Ik zou iedereen willen bedanken voor het engagement dat in dit debat is getoond, en tevens voor de enorme steun van dit Parlement voor ons beleid.

 
  
MPphoto
 

  Miroslav Mikolášik, rapporteur. (EN) Mijnheer de Voorzitter, de uitvoering van de programma’s is een continu en dynamisch proces dat beïnvloed kan worden door het vaststellen van frequente tekortkomingen in het gehele proces en van terreinen die aan hervorming toe zijn.

In dit verband dragen de strategische verslagen als nieuw instrument bij tot meer verantwoordingsplicht bij het vaststellen van beleidsdoelstellingen en blijkt dat het cohesiebeleid betrekking moet blijven hebben op alle Europese regio's en alle maatschappelijke uitdagingen teneinde een slimme, duurzame en inclusieve groei tot stand te brengen in de gehele Europese Unie.

Het cohesiebeleid stoelt op goed bestuur op Europees, nationaal, regionaal en plaatselijk niveau. Een vlotte samenwerking tussen de verschillende bestuurslagen is meer dan wenselijk. Hetzelfde geldt voor de vereenvoudiging van het gehele proces. De middelen mogen uiteraard niet onbenut blijven ten gevolge van overdadige bureaucratie of lastige regels en procedures. Er is een naar behoren gefinancierd cohesiebeleid nodig dat dichter bij de Europese burgers staat en op alle Europese regio's en maatschappelijke uitdagingen betrekking blijft hebben: het moet zowel de minst bedeelden helpen bij hun inhaalslag als slimme, duurzame en inclusieve groei opleveren.

Het strategisch verslag 2010 vormt een sterke stimulans om de huidige uitvoering van de cohesiebeleidsprogramma’s te verbeteren. Bovendien moedigt het de lidstaten aan om vertragingen bij het investeren van de EU-middelen te corrigeren en efficiëntere actieplannen te ontwikkelen om de overeengekomen resultaten te behalen. Ik hoop dan ook dat wij deze boodschap zullen afgeven aan de lidstaten en de Commissie met de uitkomst van de stemming over het strategisch verslag 2010 die hier vandaag plaatsvindt.

 
Laatst bijgewerkt op: 8 november 2011Juridische mededeling