Het Solidariteitsfonds

De Europese Unie kan met het Solidariteitsfonds van de Europese Unie financiële steun verlenen aan een lidstaat, een kandidaat-lidstaat of een regio waar zich een grote natuurramp heeft voorgedaan.

Rechtsgrondslag

Artikel 175, derde alinea, en artikel  212, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), Verordening (EG) nr. 2012/2002 van de Raad van 11 november 2002 tot oprichting van het Solidariteitsfonds van de Europese Unie en Verordening (EU) nr. 661/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2012/2002 van de Raad tot oprichting van het Solidariteitsfonds van de Europese Unie.

Doelstellingen

Het Solidariteitsfonds van de Europese Unie (SFEU) stelt de Unie in staat om op solidaire en doeltreffende wijze een lidstaat of kandidaat-lidstaat te ondersteunen bij zijn inspanningen om het hoofd te bieden aan schade die bij een grote natuurramp is ontstaan. Middels het SFEU, dat niet uit de EU-begroting van de EU wordt gefinancierd, kan jaarlijks tot 500 miljoen EUR (in prijzen van 2011) worden vrijgemaakt om de overheidsuitgaven van de betreffende lidstaten voor noodacties aan te vullen.

Begroting en resultaten

Het Solidariteitsfonds van de Europese Unie is opgericht bij Verordening 2012/2002 van 11 november 2002 naar aanleiding van de zware overstromingen die Midden-Europa troffen tijdens de zomer van 2002. Sindsdien is uit het fonds voor 80 rampen, (waaronder overstromingen, bosbranden, aardbevingen, stormen en droogte) in 24 lidstaten steun toegekend voor een totaal bedrag van meer dan 5 miljard EUR.

A. Werkingssfeer en subsidiabiliteit

Het Solidariteitsfonds van de Europese Unie treedt voornamelijk op bij een grote natuurramp die ernstige gevolgen heeft voor de levensomstandigheden, de natuurlijke omgeving of de economie van een of meer regio's in een lidstaat of een kandidaat-lidstaat. Onder een „grote natuurramp” wordt verstaan een natuurramp die in een lidstaat of kandidaat-lidstaat, tot directe schade leidt van meer dan 3 miljard EUR in prijzen van 2011 of meer dan 0,6% van het bruto nationaal inkomen van de begunstigde staat. „Regionale natuurramp” is ook omschreven en wel als een natuurramp die in een regio op NUTS-niveau 2 tot directe schade leidt van meer dan 1,5% van het bruto binnenlands product (bbp) van die regio. In het geval van ultraperifere gebieden, in de zin van artikel 349 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, is de laatstgenoemde drempel gesteld op 1% van het bbp van die regio.

1. Maatregelen

De steun uit het SFEU wordt verleend in de vorm van een financiële bijdrage, die een aanvulling vormt op de overheidsinspanningen van de begunstigde lidstaat, en is bedoeld om schade te herstellen die in beginsel onverzekerbaar is. De volgende urgente maatregelen komen hiervoor in aanmerking:

  • onmiddellijk herstel van infrastructuur en uitrustingen op het gebied van energie, drinkwatervoorziening, afvalwaterverwijdering, telecommunicatie, vervoer, gezondheidszorg en onderwijs;
  • tijdelijke huisvesting en inzet van hulpdiensten, gericht op de behoeften van de getroffen bevolking;
  • directe consolidering van infrastructurele preventievoorzieningen en de bescherming van het culturele erfgoed;
  • reiniging van de geteisterde gebieden, inclusief natuurgebieden.

2. Indiening van aanvragen

Uiterlijk twaalf weken nadat de eerste schade van de ramp kan worden vastgesteld, dient de getroffen staat een verzoek in bij de Commissie voor steun uit het SFEU. Daartoe moet de staat de totale schade ramen die door de ramp is teweeggebracht en de gevolgen daarvan voor de betrokken bevolking en de economie en het milieu, de kosten van de benodigde maatregelen, en informatie verstrekken over eventuele andere financieringsbronnen en de uitvoering van Uniewetgeving inzake rampenpreventie en -beheersing in verband met de aard van de natuurramp.

3. Uitvoering

De toewijzingsprocedure voor een subsidie, die door een begrotingsprocedure wordt gevolgd, kan meerdere maanden in beslag nemen. Zodra de kredieten zijn toegekend, sluit de Commissie een overeenkomst met het begunstigde land en wordt de subsidie uitbetaald.

De hervorming in 2014 heeft het mogelijk gemaakt voor lidstaten om de betaling van voorschotten aan te vragen. Het is de Commissie die besluit, indien er voldoende middelen zijn, tot toekenning van het voorschot. Het voorschot mag niet meer bedragen dan 10% van de verwachte financiële bijdrage uit het SFEU en bedraagt maximaal 30 miljoen EUR.

De begunstigde staat is verantwoordelijk voor de uitvoering van de financiële bijdrage en voor de financiële controle daarvan (de Commissie kan echter controles ter plaatse uitvoeren van de door het SFEU gefinancierde acties). Urgente maatregelen die vanaf de eerste dag van de ramp worden genomen, kunnen met terugwerkende kracht worden gefinancierd.

Dubbele financiering van maatregelen is niet mogelijk en de begunstigde staat draagt er zorg voor dat door het SFEU gefinancierde kosten niet worden vergoed via andere financiële instrumenten van de Unie (in het bijzonder die in het kader van het cohesie-, landbouw- of visserijbeleid).

4. Gebruik van de financiële bijdrage

De financiële bijdrage moet binnen een termijn van achttien maanden na de toekenningsdatum worden gebruikt. De begunstigde staat dient het gedeelte dat niet is uitgegeven, terug te betalen. Zes maanden na afloop van de termijn van achttien maanden dient het land een verslag over de uitvoering in bij de Commissie. Dit document vermeldt welke uitgaven zijn gedaan die voor het Solidariteitsfonds van de Europese Unie in aanmerking kwamen, alsmede iedere andere bron waaruit financiering is ontvangen, met inbegrip van de verzekeringsuitkeringen en de van derden ontvangen schadevergoedingen.

5. Jaarverslag en controle door de Rekenkamer

De Europese Commissie stelt een jaarverslag op over de activiteiten van het SFEU. Uit het meest recente jaarverslag van 2016 blijkt dat in de loop van dat jaar zes aanvragen zijn ingediend: Griekenland (aardbeving van Lefkada); Verenigd Koninkrijk (overstromingen); Duitsland (overstromingen in Niederbayern); Cyprus (droogte en branden); Portugal (branden op Madeira); en Italië (aardbevingen). Alle genoemde aanvragen kregen het groene licht van de Commissie: voor de aardbeving in Griekenland en de overstromingen in Duitsland is het SFEU in 2016 gemobiliseerd, voor de andere vier aanvragen zijn de besluiten begin 2017 genomen. Volgens dit jaarverslag zijn vier eerdere procedures voor de inschakeling van het Solidariteitsfonds in 2016 gesloten.

Een speciaal verslag van de Europese Rekenkamer uit 2012 heeft betrekking op de aardbeving in L'Aquila, in de Abruzzen (Italië). De zwaarste natuurramp waarvoor het Solidariteitsfonds sinds zijn oprichting is aangesproken, was de aardbeving in de Abruzzen (Italië) in 2009. De verleende steun bedroeg meer dan 500 miljoen EUR. In het verslag werd geconstateerd dat, met uitzondering van één bijzonder ingewikkeld project (CASE), alle gefinancierde projecten voldeden aan de verordening.

B. De hervorming van het SFEU in 2014

In 2005 had de Commissie voorgesteld de reikwijdte van het fonds te vergroten en de drempels voor steunverlening te verlagen, maar een meerderheid van de lidstaten heeft deze voorstellen tegengehouden. Om de impasse te doorbreken heeft de Commissie in haar mededeling over de toekomst van het Solidariteitsfonds van de Europese Unie van 6 oktober 2011 voorstellen gedaan om de werking van het fonds te verbeteren, maar dit heeft niet tot een hernieuwde discussie geleid. Op 25 juli 2013 heeft de Commissie een nieuw wetgevingsvoorstel gepresenteerd waarover vervolgens binnen de gewone wetgevingsprocedure is onderhandeld en dat geleid heeft tot de inwerkingtreding van de gewijzigde Verordening (EU) nr. 661/2014 van 15 mei 2014. De nieuwe regels betreffende de uitvoering van het SFEU bevatten de volgende elementen:

  • procedures die sneller tot betaling leiden, de invoering van voorschotten en een langere termijn voor begunstigde landen om de ter beschikking staande financiële bijdragen te gebruiken (verlengd van twaalf tot achttien maanden);
  • duidelijker omschreven toepassingsgebied en subsidiabiliteitscriteria;
  • meer nadruk op preventie en beheersing van de gevolgen van natuurrampen.

C. Vereenvoudigingsmaatregelen in de omnibusverordening

De complexe omnibusverordening (Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van 18 juli 2018, die tegelijkertijd het herziene Financieel Reglement en wijzigingen van meerdere verordeningen bevat) voorziet in vereenvoudigde beschikbaarstelling (ontwerpen van gewijzigde begroting), overschrijvingsprocedures en automatische overdracht van vastleggingskredieten voor het Solidariteitsfonds van de Europese Unie.

Rol van het Europees Parlement

In zijn resolutie van 15 januari 2013 over het Solidariteitsfonds van de Europese Unie: implementatie en toepassing[1], onderstreepte het Parlement het belang van het SFEU als het voornaamste instrument waarmee de Europese Unie kan inspelen op een ernstige ramp. Tegelijkertijd uitte het kritiek op het feit dat het onaanvaardbaar veel tijd kost om steun te verlenen aan een getroffen regio of lidstaat, en drong het erop aan deze duur te verminderen door de betrokken procedures te vereenvoudigen en de uitbetaling van voorschotten mogelijk te maken. Deze zaken zijn meegenomen in het nieuwe wetgevingsvoorstel van juli 2013. In het voorstel van de Commissie waren ook andere suggesties van het Parlement opgenomen, zoals de meer nauwkeurige omschrijving van het begrip rampen, en van de reikwijdte van steun, teneinde de scepsis in veel lidstaten weg te nemen, die zich tegen een hervorming van dit EU-instrument verzetten.

Zowel het Parlement als de Raad hebben op basis van het voornoemde voorstel van de Commissie van juli 2013 hun respectieve standpunten ingenomen, op basis waarvan interinstitutionele onderhandelingen hebben plaatsgevonden in februari 2014. Na drie bijeenkomsten in eerste lezing werd een compromis bereikt. De nieuwe regeling is in juni 2014 in werking getreden.

De onderhandelingspositie van het Parlement omvatte forse steun aan de regeling voor de betaling van voorschotten. Deze nieuwe bepaling werd aanvankelijk geschrapt door de Raad, maar maakt nu deel uit van het gesloten compromis (met de drempel zoals voorzien in het voorstel van de Commissie, te weten 10% tot een bovengrens van 30 miljoen EUR).

Wat betreft de drempel voor de subsidiabiliteit van regionale rampen, is in de definitieve overeenkomst het percentage van 1,5% van het regionale bbp gehandhaafd, zoals voorzien in het voorstel van de Commissie. Het Parlement is er echter in geslaagd een lagere drempel van 1% van het bbp te waarborgen voor de ultraperifere gebieden van de Europese Unie. Andere resultaten behelzen de verlenging van de aan een lidstaat gestelde termijn voor het indienen van aanvragen tot twaalf weken (het voorstel van de Commissie en de Raad was tien weken), de invoering van een uiterste termijn van zes weken voor de Commissie om aanvragen te beantwoorden, en de verlenging tot achttien maanden van de periode gedurende welke bijdragen uit het fonds kunnen worden gebruikt (het voorstel van de Commissie en de Raad was twaalf maanden).

Technische ondersteuning komt in principe niet in aanmerking voor steun, maar in het standpunt van het Parlement is een afwijking van deze bepaling voorgesteld die is opgenomen in het compromis: de kosten van technische ondersteuning die rechtstreeks verband houden met het voorbereiden en uitvoeren van projecten komen in aanmerking voor financiering.

In zijn resolutie van 1 december 2016 over het Solidariteitsfonds van de Europese Unie: een beoordeling[2], onderstreept het Parlement het belang van de hervorming van 2014, waarmee de impasse in de Raad kon worden doorbroken en waarmee uiteindelijk tegemoet is gekomen aan de herhaalde vraag van het Parlement om het reactievermogen en de doeltreffendheid van de hulpverlening te verbeteren, teneinde een snelle en transparante reactie te garanderen ten behoeve van de door natuurrampen getroffen mensen.

Het Parlement was ingenomen met de nieuwe bepalingen die door de Commissie in het bovengenoemde „omnibusvoorstel” waren voorgesteld en steunde, in zijn hoedanigheid van medewetgever volgens de gewone wetgevingsprocedure, de wijzigingen die tot vereenvoudiging en vergemakkelijking van de beschikbaarstelling van middelen leiden.

 

[1]PB L 440 van 30.12.2015, blz. 13.
[2]PB L 224 van 27.6.2018, blz. 140.

Marek Kołodziejski