Europees Parlement
in actie
Blikvangers 1999-2004

 
Het Europees Parlement
Hervorming van de EU
Uitbreiding
Rechten van de burger
Justitie en Binnenlandse Zaken
Externe betrekkingen
Milieu / Consumenten-
bescherming
Vervoer / Regionaal beleid
Landbouw / Visserij
Economisch
en monetair beleid
Strategie van Lissabon
Financiële diensten
Democratische controle
over de ECB
Grensoverschrijdende betalingen
Sociaal- en werkgelegenheidsbeleid /
Rechten van de Vrouw
Interne markt / Industrie / Energie / Onderzoek
 

EPP-ED PSE Group ELDR GUE/NGL The Greens| European Free Alliance UEN EDD/PDE

> ELDR on the Lisbon Strategy


De strategie van Lissabon: een meer concurrerend Europa, met meer en betere banen

Op de Top van Lissabon in maart 2000 bereikten de regeringsleiders van de EU overeenstemming over een nieuwe strategische doelstelling voor de Europese Unie: voor 2010 moest het de meest concurrerende economie van de wereld worden. Sindsdien heeft het Europees Parlement zijn goedkeuring gehecht aan een scala van wetgeving op economisch gebied, die voornamelijk tot doel heeft om de markten voor verschillende goederen en diensten open te stellen. Het Europees Parlement heeft over het algemeen geprobeerd om de liberalisatie een meer gematigd karakter te geven met maatregelen ter bescherming van consumenten, werknemers, milieu en basisoverheidsdiensten.

De regeringsleiders stelden op de Top van Lissabon voor de Unie uitdrukkelijk een doel, nl. "de meest concurrerende en dynamische kenniseconomie van de wereld te worden die in staat is tot duurzame economische groei met meer en betere banen en een hechtere sociale samenhang ". Voor wat later de strategie van Lissabon kwam te heten, waren maatregelen nodig op verschillende gebieden: interne markt, informatiemaatschappij, onderzoek, onderwijs, structurele economische hervormingen, een stabiele munteenheid en een macro-economische beleidsmix ter bevordering van groei en duurzame overheidsfinanciën. De meeste van deze terreinen staan onderling met elkaar in verband: duurzame overheidsfinanciën zijn bevorderlijk voor de groei en daarom ook voor het scheppen van werkgelegenheid, terwijl minder werkloosheid betekent dat de kosten van de sociale zekerheid lager worden, wat weer bevorderlijk is voor de overheidsfinanciën.

Toen het Parlement voor het eerst over de doelstellingen van Lissabon debatteerde, waren de leden aanvankelijk verdeeld over het liberalisatievraagstuk. Van vele kanten werd erop aangedrongen meer nadruk te leggen op het scheppen van werkgelegenheid, milieuvraagstukken en de behoeften van de armere bevolkingsgroepen. Anderen voerden aan dat groei op zich al zou resulteren in meer werkgelegenheid en drongen daarom aan op structurele hervormingen, omdat zij van oordeel waren dat teveel bescherming van de werknemers contraproductief zou kunnen zijn. Uiteindelijk koos het Parlement voor een middenweg, en wijzigde het de wetgevingsvoorstellen van de Europese Commissie om de verschillende belangen met elkaar in evenwicht te brengen.

Veel van de in Lissabon overeengekomen maatregelen hadden niet zozeer een wetgevend, maar veel meer een intergouvernementeel karakter, op basis van onderlinge coördinatie en benchmarking tussen de lidstaten, met de Commissie en het Europees Parlement als toeschouwers. Voor andere maatregelen was echter wel communautaire wetgeving nodig, waarbij het Parlement als medewetgever een belangrijke rol speelde.

Scheppen van werkgelegenheid

Het scheppen van werkgelegenheid was een belangrijke doelstelling van Lissabon; verwacht werd dat daarvoor met name zou worden gezorgd door de economische groei die het gevolg zou zijn van een groter concurrentievermogen, structurele hervormingen en minder bureaucratie. De Europese regeringen werden geacht beste praktijken te bevorderen en onderling knowhow over het scheppen van werkgelegenheid uit te wisselen. Wat dit betreft werd geen belangrijke wetgeving gepland.

De algehele doelstelling was de verhoging van de arbeidsparticipatie tot 70% van de bevolking voor 2010, met een tussentijdse doelstelling van 67% voor 2005, doelstellingen die nu moeilijk haalbaar lijken. Toch zijn er sinds 1999 meer dan 6 miljoen banen bijgekomen en de arbeidsparticipatie steeg van 62,5% in 1999 tot 64,3% in 2002. De langdurige werkloosheid daalde van 4% in 1999 tot 3% in 2002. Het Parlement heeft er in verschillende resoluties op gewezen dat meer inspanningen nodig zijn, vooral om te bevorderen dat werk en gezin beter met elkaar kunnen worden gecombineerd en dat op die manier vrouwen worden aangemoedigd om de arbeidsmarkt op te gaan. Een subdoelstelling die in Lissabon werd vastgesteld was een verhoging van het percentage werkende vrouwen van 51% in 1999 (in vergelijking met 61% mannen) tot 60% in 2010. Vrouwen doen het feitelijk op de arbeidsmarkt beter. Hetzelfde kan echter niet worden gezegd van oudere werknemers (in de leeftijd van 55 tot 64). De doelstelling voor wat betreft de arbeidsparticipatie voor deze groep van de bevolking werd voor 2010 vastgesteld op 50%, maar in 2002 was slechts 40,1% actief op de arbeidsmarkt.

Interne markt

Een volledige en volledig functionerende Europese interne markt was een belangrijk element van de strategie van Lissabon. Opheffing van belemmeringen voor mededinging en het bieden van mogelijkheden voor bedrijven uit andere lidstaten om tegen gelijke voorwaarden toegang te krijgen tot nationale markten, werden beschouwd als zijnde van cruciaal belang voor de economische groei. Gedurende de afgelopen vijf jaar heeft het Parlement wetgeving aangenomen voor de openstelling van verschillende markten: de elektriciteitsmarkt en de distributie van aardgas zullen in 2007 volledig zijn geliberaliseerd; in de sector postdiensten zal geleidelijk sprake zijn van meer mededinging, maar dan wel met garanties betreffende een universele dienstverlening voor post met een gering gewicht; verder zal het vervoer van vracht per spoor met ingang van 2006 worden geliberaliseerd. Gedurende deze zittingsperiode van het Parlement is ook de regelgeving voor overheidsopdrachten aangepast om de concurrentie te vergroten, en verwacht wordt dat als gevolg daarvan de kosten van openbare werken en contracten voor leveringen zullen dalen. Er is vooruitgang geboekt in de richting van een uniform beheer van het luchtruim in Europa, waardoor de reistijd zou moeten worden verminderd. Voorstellen om ook de havendiensten open te stellen voor mededinging, werden door het Parlement echter verworpen, omdat men bezorgd was over de veiligheid en de werkgelegenheid.

Financiële diensten

Efficiënte en transparante financiële markten zijn bevorderlijk voor de groei, omdat de kapitaalstromen dan beter worden gestuurd. In Lissabon werd aangedrongen op een verdergaande integratie van de nationale financiële markten van de EU en sindsdien heeft het Parlement zijn goedkeuring gehecht aan een pakket van wetgevingsteksten over onderwerpen als het ene paspoort voor instellingen die obligaties en aandelen uitgeven, bevordering van de concurrentie tussen banken en effectenbeurzen bij de uitvoering van aandelentransacties, gemeenschappelijke voorschriften ter bestrijding van handel met voorkennis en marktmanipulatie, de opheffing van belemmeringen voor beleggingen in pensioenfondsen, openstelling van de markt voor verzekeringsbemiddeling, bescherming van houders van minderheidsbelangen bij overnames en transparantiebepalingen voor beursgenoteerde ondernemingen.

Een bedrijfsvriendelijk klimaat

Een vriendelijker klimaat voor het bedrijfsleven, met name voor kleine en middelgrote ondernemingen (KMO) was een ander element van de strategie van Lissabon. Het was de bedoeling dat lidstaten beste praktijken zouden uitwisselen en zouden proberen om bureaucratie uit te bannen en de kosten van het oprichten van nieuwe bedrijven te drukken. Wat dit betreft heeft het Parlement een beperkte rol gespeeld. Het EP heeft er echter wel op aangedrongen om KMO's te helpen en om in de desbetreffende wetgeving rekening te houden met hun behoeften, bijvoorbeeld door het voor hen gemakkelijker te maken om mee te dingen naar opdrachten van overheidsautoriteiten en toegang te krijgen tot onderzoekkredieten van de EU. Er is overeenstemming bereikt over EU-wetgeving in het kader waarvan intellectuele-eigendomsrechten gemakkelijker kunnen worden gehandhaafd. Ook wordt gewerkt aan wetgeving betreffende de octrooieerbaarheid van in computers toegepaste uitvindingen, waarmee creativiteit en innovatie moeten worden bevorderd door het bieden van meer rechtszekerheid voor bedrijven die investeren in nieuwe toepassingen.

Informatiemaatschappij

Een andere pijler van de strategie van Lissabon was de ontwikkeling van de informatiemaatschappij, waarmee een bijdrage zou moeten worden geleverd aan de totstandkoming van een kenniseconomie en het creëren van werkgelegenheid op terreinen met een groot groeipotentieel. Het zittende Parlement heeft zijn goedkeuring gehecht aan belangrijke wetgeving die tot doel heeft om de concurrentie in de telecommunicatiesector te vergroten en het gebruik van Internet uit te breiden. De huidige situatie is al behoorlijk gunstig; de productiviteit in de Europese telecommunicatiesector is volgens studies van de Commissie ongeveer 15% hoger dan in de VS. Een volledig geïntegreerde en geliberaliseerde telecommunicatiemarkt moet echter leiden tot nog lagere kosten en lagere prijzen voor de gebruikers, zowel voor particulieren als bedrijven, en daardoor ook tot een verlaging van de kosten van de toegang tot Internet. En verder is wetgeving aangenomen om het gebruik van Internet uit te breiden door een .EU-topniveaudomein in te voeren, het probleem van spam aan te pakken en het winkelen via Internet gemakkelijker te maken.

Beleidsmix

Een ander vraagstuk van algemene aard is de "macro-economische beleidsmix", d.w.z. het vinden van een zo goed mogelijk evenwicht tussen de verschillende economische beleidsinstrumenten ter verwezenlijking van groei. Het Europees Parlement heeft de onafhankelijkheid van de Europese Centrale Bank en de doelstelling van prijsstabiliteit als basis voor duurzame groei ondersteund. Het EP stond echter kritisch tegenover het budgettaire gedeelte van de beleidsmix, omdat er op EU-niveau geen sprake is van begrotingsbeleid, en het stabiliteits- en groeipact, het pakket van regelgeving betreffende de overheidsuitgaven, door de EU-regeringen niet naar de letter is nageleefd. Het gemiddelde jaarlijkse tekort van de EU-overheden was in 2003 2,7%, ten dele als gevolg van de zwakke economie. De gemiddelde overheidsschuld is ook aan het stijgen, en ligt nu op 64,1% van het BBP. Volgens het Parlement is de daling van de groei van het BBP het gevolg van structurele hervormingen in de meeste lidstaten. Het Europees Parlement heeft zich ook bezorgd getoond over het feit dat de overheidsuitgaven niet meer zijn gericht op productieve investeringen, zoals in Lissabon was overeengekomen, en de belastingdruk op arbeid niet voldoende is verlicht.

Het Parlement heeft het stabiliteits- en groeipact altijd gesteund en voorgesteld een systeem van vroegtijdige waarschuwing in te voeren, wanneer landen in perioden van krachtige groei geen begrotingsoverschotten realiseren, en niet alleen wanneer tekorten in perioden van tragere groei toenemen. Toepassing van een "gouden regel", op grond waarvan bepaalde soorten investeringen niet worden meegerekend bij de berekening van begrotingstekorten, leidde tot verdeeldheid in het EP; onlangs werd met de kleinst mogelijke meerderheid besloten een dergelijke regel niet te steunen.

Onderzoek en onderwijs

Onderwijs en onderzoek hebben een belangrijke invloed op groei en werkgelegenheid. De EU-leiders markten in Lissabon op dat het voor de kenniseconomie cruciaal is "te investeren in mensen en een actieve en dynamische welvaartsstaat te ontwikkelen". Dit betekent dat de lidstaten moeten streven naar een groei van de investeringen in menselijke hulpbronnen per hoofd van de bevolking en meer prioriteit moeten toekennen aan permanente scholing, omdat de kansen op de arbeidsmarkt worden vergroot, wanneer men meer vaardigheden heeft. Over het geheel genomen is hierover echter geen EU-wetgeving aangenomen. Er was alleen een benchmarking-project - en de resultaten waren pover. De EU investeert 1,1% van het BBP in hoger onderwijs, in vergelijking met 3% in de VS. Het verschil zit hem vooral in een tekort aan privé-kapitaal, omdat de investeringen van de overheid ongeveer even hoog zijn. Het percentage volwassenen met een afgesloten hogere opleiding neemt toe, maar het verschil met Amerika blijft. En het percentage jongeren dat zonder diploma de school verlaat (18,1% in 2003) ligt nog steeds ver boven de doelstelling voor 2010 van 10%.

Het Parlement stemde in met de door de lidstaten overeengekomen doelstelling om 3% van het BBP te besteden aan onderzoek en ontwikkeling, maar het EP had niet de bevoegdheid om deze doelstelling op te leggen. In de praktijk is weinig bereikt: onderzoek vertegenwoordigt in de EU slechts 1,9% van het BBP, tegen 2,9% in de VS en 3% in Japan.

Wel heeft de EU een gezamenlijk onderzoekprogramma, waar iets minder dan 4% van de communautaire begroting naar toe gaat. Het Parlement levert een bijdrage bij de vaststelling van de omvang van de kredieten voor dit meerjarenprogramma en heeft altijd geprobeerd om het bedrag van de beschikbare kredieten te verhogen. Ook beslist het EP wat de belangrijkste onderzoekterreinen van het programma moeten zijn. Het EP heeft pogingen ondersteund om de mobiliteit van onderzoekers en studenten te bevorderen via het Erasmus Mundus-programma, en hebben wetgeving verbeterd betreffende de erkenning van beroepskwalificaties in de gehele EU, waardoor het voor beroepsbeoefenaren gemakkelijker moet worden om in een andere lidstaat te werken. Pogingen tot invoering van een Gemeenschapsoctrooi, dat het onderzoek moet bevorderen door vereenvoudiging van de octrooiprocedures, zijn voorlopig op niets uitgelopen.

Conclusie

Over het algemeen blijft de arbeidsproductiviteit per hoofd van de bevolking achter bij die in de VS, hoewel dit voor een groot deel het gevolg is van het feit dat men in Europa kiest voor meer vrije tijd en langere vakanties. Uitgedrukt in productiviteit per uur is het verschil tussen de EU en de VS geringer, de afgelopen jaren minder dan 5%. Maar een belangrijk punt van zorg is dat de productiviteit langzamer stijgt dan in de VS, waardoor het verschil groter wordt. Volgens de Commissie komt dit doordat minder gebruik wordt gemaakt van nieuwe technologieën en er sprake is van ontoereikende investeringen. Het EP heeft zich ook bezorgd getoond over een verontrustende ontwikkeling met betrekking tot de investeringen in het algemeen: de particuliere investeringen zijn in 2002 gedaald tot 17,2% van het BBP, terwijl ze in 2000 nog op 18,3% lagen. De overheidsinvesteringen uitgedrukt in een percentage van het BBP (2,4% in 2003) zijn ook aan het dalen (dit was in de jaren '70 3,8%) en liggen nu veel lager dan in de VS (3,3% in 2003).

In een recente resolutie heeft het Parlement kritiek uitgeoefend op de trage tenuitvoerlegging van de strategie van Lissabon en er bij de lidstaten op aangedrongen om "te werken aan een gecoördineerde strategie voor structurele hervormingen". Het EP drong er ook op aan "met spoed particuliere investeringen in te zetten voor O&O", en een sterke basis voor publiek onderzoek te creëren met koppelingen met de industrie. Volgens het Parlement is Lissabon nog steeds de weg vooruit.



  
Rapporteurs:
  
Plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten: Stefano Zappala' (EPP-ED, I)
Intellectuele-eigendomsrechten: Janelly Fourtou (EPP-ED, F)
Octrooieerbaarheid van in computers geïmplementeerde uitvindingen: Arlene McCarthy (PES, UK)
Erkenning van beroepskwalificaties: Stefano Zappala' (EPP-ED, I)
Openbare financiën in de Economische en Monetaire Unie 2003: Roberto Felice Bigliardo (UEN, I)
Globale richtsnoeren voor het economisch beleid: Christa Randzio-Plath (PES, D)
  
Overzicht wetgevingsprocedure:
  
Plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten
Intellectuele-eigendomsrechten
Octrooieerbaarheid van in computers geïmplementeerde uitvindingen
Erkenning van beroepskwalificaties
Openbare financiën in de Economische en Monetaire Unie 2003
Globale richtsnoeren voor het economisch beleid
  
Publicatieblad - definitieve besluiten:
  
Plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten - door het Parlement aangenomen tekst
Intellectuele-eigendomsrechten - door het Parlement aangenomen tekst
Octrooieerbaarheid van in computers geïmplementeerde uitvindingen - door het Parlement aangenomen tekst
Erkenning van beroepskwalificaties - door het Parlement aangenomen tekst
Openbare financiën in de Economische en Monetaire Unie 2003 - door het Parlement aangenomen tekst
Globale richtsnoeren voor het economisch beleid - door het Parlement aangenomen tekst

 

 

 
  Publishing deadline: 2 April 2004