Vennootschapsrecht

Het Europees vennootschapsrecht is gedeeltelijk gecodificeerd in Richtlijn (EU) 2017/1132 aangaande bepaalde aspecten van het vennootschapsrecht, en de lidstaten behouden hun eigen vennootschapswetten, die zij van tijd tot tijd herzien om aan de EU-richtlijnen en verordeningen te voldoen. Om het ondernemingsklimaat in de EU te verbeteren worden voortdurend inspanningen geleverd om een modern en efficiënt rechtskader vast te stellen op het gebied van corporate governance en vennootschapsrecht voor Europese ondernemingen, beleggers en werknemers.

Rechtsgrond

De artikelen 49, 50, de leden 1 en 2, onder g), en 54, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU).

Doelstellingen

Een doeltreffend rechtskader op het gebied van corporate governance zorgt ervoor dat een positief ondernemingsklimaat binnen de interne markt in de hele EU wordt gerecreëerd. Doelstellingen van de harmonisatie van het vennootschapsrecht zijn de bevordering van de vrijheid van vestiging (titel IV, hoofdstuk 2, VWEU) en de verwezenlijking van het in artikel 16 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie neergelegde fundamentele recht, namelijk het recht op vrijheid van ondernemerschap binnen de grenzen van het bepaalde in artikel 17 van het Handvest (recht op eigendom) (4.1.2).

Artikel 49, tweede alinea, VWEU waarborgt het recht op toegang tot werkzaamheden anders dan in loondienst en de uitoefening daarvan, alsmede het recht om een onderneming op te richten en te beheren, meer bijzonder vennootschappen (2.1.4).

Met de EU-wetgeving op dit gebied wordt beoogd de oprichting van ondernemingen overal in de EU mogelijk te maken, waarbij gebruik wordt gemaakt van het recht op vrij verkeer van personen, diensten en kapitaal (2.1.3), de aandeelhouders en andere partijen met een bijzonder belang in de onderneming te beschermen, het concurrentievermogen van ondernemingen te verbeteren en grensoverschrijdende samenwerking tussen ondernemingen te stimuleren (2.1.5).

De interne markt impliceert de oprichting van pan-Europese ondernemingen. Er zijn momenteel zo'n 24 miljoen ondernemingen in de EU[1]; ongeveer 80 % daarvan zijn kapitaalvennootschappen. 98 tot 99 % van de kapitaalvennootschappen zijn kleine en middelgrote ondernemingen, en daarom moeten vennootschappen hun activiteiten in de hele EU volgens een uniform rechtskader kunnen ontplooien.

Wat is er bereikt?

A. Een minimum aan gemeenschappelijke verplichtingen

Er bestaat weliswaar geen gecodificeerd Europees vennootschapsrecht als zodanig, maar de harmonisatie van de nationale regels inzake vennootschapsrecht heeft wel geleid tot een aantal minimumnormen. Zo is er bijvoorbeeld sprake van harmonisatie op het gebied van de bescherming van de belangen van aandeelhouders en hun rechten, voorschriften voor overnamebiedingen met betrekking tot naamloze vennootschappen, openbaarmakingsvereisten, fusies en splitsingen, minimumvoorschriften voor eenpersoonsvennootschappen met beperkte aansprakelijkheid, financiële verslaglegging en boekhouding, eenvoudiger en snellere toegang tot informatie over vennootschappen en bepaalde openbaarmakingsvereisten voor vennootschappen.

1. De oprichting van een onderneming, kapitaal- en openbaarmakingsvereisten

De Eerste richtlijn van de Raad (68/151/EEG) dateert van 1968 en is veelvuldig gewijzigd (laatst bij Richtlijn 2012/17/EU en Richtlijn (EU) 2017/1132). De richtlijn beoogt ervoor te zorgen dat het publiek gemakkelijker en sneller toegang heeft tot informatie over vennootschappen en transacties en ze heeft onder meer betrekking op de rechtsgeldigheid van de ten name van de vennootschap aangegane verbintenissen en de nietigheid van de vennootschap. De richtlijn is van toepassing op alle naamloze vennootschappen en besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid. Een tweede richtlijn van de Raad (77/91/EEG van 1976, later vervangen dor Richtlijn 2017/1132/EU) heeft uitsluitend betrekking op naamloze vennootschappen; bij de oprichting van een dergelijke vennootschap is een minimumbedrag aan maatschappelijk kapitaal vereist (momenteel 25 000 EUR), dat een waarborg vormt voor de schuldeisers en een tegenwicht vormt voor de beperkte aansprakelijkheid van de vennoten. Voorts worden er vereisten gesteld met betrekking tot de instandhouding en wijziging van het kapitaal en worden er minimumvoorwaarden gesteld aan de inhoud van de statuten van een naamloze vennootschap. De Twaalfde Richtlijn inzake het vennootschapsrecht (2009/102/EG van 16 september 2009) biedt een kader voor eenpersoonsvennootschappen met beperkte aansprakelijkheid, waarvoor geldt dat alle aandelen in het bezit zijn van één enkele vennoot.

2. Bedrijfsactiviteiten in meer dan één land

De Elfde Richtlijn inzake het vennootschapsrecht (89/666/EEG zoals gewijzigd) voert een openbaarmakingsplicht in voor bijkantoren van vennootschappen. De richtlijn heeft betrekking op EU-vennootschappen die een bijkantoor oprichten in een andere lidstaat en op vennootschappen uit derde landen die een bijkantoor oprichten in de EU. Richtlijn 2014/86/EU van de Raad van 8 juli 2014 betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende lidstaten, voert belastingregels in die concurrentieneutraal zijn voor groepen van ondernemingen uit verschillende lidstaten. Er wordt geen dubbele belasting geheven op dividenden die door een dochteronderneming in één lidstaat worden uitgekeerd aan haar moedermaatschappij in een andere lidstaat (zie ook Richtlijn 2008/7/EG van de Raad van 12 februari 2008 betreffende de indirecte belastingen op het bijeenbrengen van kapitaal).

Richtlijn 2004/25/EG betreffende het openbaar overnamebod heeft tot doel minimumrichtsnoeren vast te stellen voor de afwikkeling van openbare overnames van onder het recht van een lidstaat vallende vennootschappen. De richtlijn legt minimumnormen vast voor overnamebiedingen of zeggenschapswijzigingen en beoogt minderheidsaandeelhouders, werknemers en andere belanghebbende partijen te beschermen. Richtlijn 2012/17/EU heeft betrekking op de koppeling van centrale, handels- en vennootschapsregisters (ondernemingsregisters). Zij wijzigde drie vennootschapsrichtlijnen, te weten 89/666/EEG, 2005/56/EG en 2009/101/EG (nu allemaal ingetrokken bij en vervangen door Richtlijn (EU) 2017/1132 van 14 juni 2017). Daarnaast zijn bij Uitvoeringsverordening (EU) 2015/884 van de Commissie technische specificaties en procedures vastgesteld voor het systeem van gekoppelde registers.

3. Herstructurering van vennootschappen (binnenlandse fusies en splitsingen, verplaatsing van de zetel)

Aandeelhouders en derden genieten bij de herstructurering van een vennootschap (fusie en splitsing) dezelfde waarborgen. Richtlijn 2011/35/EU (tot intrekking van de Derde Richtlijn van de Raad (78/855/EEG)) betreffende fusies van naamloze vennootschappen heeft betrekking op de bescherming van aandeelhouders, schuldeisers en werknemers. De Zesde Richtlijn van de Raad (82/891/EEG) betreffende splitsingen van naamloze vennootschappen (gewijzigd bij Richtlijn 2007/63/EG wat betreft de verplichte opstelling van een verslag van een onafhankelijke deskundige bij fusies of splitsingen van naamloze vennootschappen en bij Richtlijn 2009/109/EG, ter vereenvoudiging van de verslaggevings- en documentatieverplichtingen) is nu gecodificeerd door Richtlijn (EU) 2017/1132[2]. De mogelijkheid om ook over de landsgrenzen heen actief te zijn, maakt onderdeel uit van de natuurlijke levenscyclus van ondernemingen. Dit omvat grensoverschrijdende fusies, splitsingen en omzettingen, waarmee kansen worden gecreëerd om te overleven of te groeien door - bijvoorbeeld - nieuwe ondernemingsmogelijkheden aan te boren in een andere lidstaat of zich aan te passen aan veranderende marktomstandigheden. In april 2019 hechtte het Europees Parlement goedkeuring aan amendementen op het voorstel van de Commissie tot wijziging van Richtlijn (EU) 2017/1132 inzake grensoverschrijdende omzettingen, fusies en splitsingen, houdende aanvullende regels voor grensoverschrijdende fusies van in een EU-lidstaat gevestigde naamloze vennootschappen en een verdere vereenvoudiging van deze drie operaties[3]. Voor omzettingen, fusies en splitsingen voorziet de overeengekomen tekst daarnaast in vergelijkbare regels voor werknemersparticipatierechten, en is het de bedoeling te waarborgen dat werknemers passend worden geïnformeerd en geraadpleegd over de verwachte impact ervan. Minderheidsaandeelhouders en aandeelhouders zonder stemrecht worden beter beschermd, en voor schuldeisers van de betrokken ondernemingen zijn ondubbelzinniger en betrouwbaarder beschermingsclausules ingebouwd.

De Tiende Richtlijn inzake het vennootschapsrecht (2005/56/EG) betreffende grensoverschrijdende fusies van kapitaalvennootschappen is erop gericht grensoverschrijdende fusies van kapitaalvennootschappen te vergemakkelijken. De verplaatsing van de zetel van een vennootschap van een lidstaat naar een andere lidstaat en de fusie of splitsing van vennootschappen zijn inherente aspecten van de vrijheid van vestiging als vervat in de artikelen 49 en 54 VWEU (arrest van het Hof van Justitie in de zaak Cartesio[4]). Het beginsel van de vrijheid van vestiging staat echter niet toe dat een onderneming haar zetel naar een andere lidstaat verplaatst en toch haar rechtsbevoegdheid behoudt. Daarom heeft het Parlement diverse malen aangedrongen op een voorstel betreffende grensoverschrijdende zetelverplaatsing (Veertiende Richtlijn betreffende het vennootschapsrecht). Voor de kwestie van de grensoverschrijdende verplaatsing van de statutaire zetel is nog geen oplossing gevonden. In zaak C-106/16 Polbud, geeft het Hof van Justitie, in antwoord op een prejudiciële vraag, een nadere omschrijving van de "vrijheid van vestiging" door te stellen dat deze vrijheid ook van toepassing is op de verplaatsing van de statutaire zetel van een naar het recht van een lidstaat opgerichte vennootschap naar het grondgebied van een andere lidstaat met het oog op de omzetting ervan.

4. Waarborgen voor de financiële situatie van vennootschappen

Om ervoor te zorgen dat de in de boekhoudkundige bescheiden verstrekte informatie in alle lidstaten gelijk is, werden de Vierde, Zevende en Achtste Richtlijn (78/660/EEG, 83/349/EEG en 84/253/EEG) vervangen door Richtlijnen 2006/43/EG en 2013/34/EU[5], die bepalen dat de rekeningen van ondernemingen (jaarrekeningen, geconsolideerde jaarrekeningen, toelating van voor de uitvoering van de wettelijke controle van jaarrekeningen verantwoordelijke personen) een getrouw beeld moeten geven van de activa en de passiva, de financiële positie en de winst of het verlies van de onderneming. Richtlijn 2006/43/EG heeft tot doel de betrouwbaarheid van de financiële overzichten van vennootschappen te vergroten door minimumeisen vast te stellen voor de wettelijke controle van jaarrekeningen en geconsolideerde jaarrekeningen. Voorts werd bij Richtlijn 2013/34/EU voor beursgenoteerde bedrijven in de EU de verplichting ingevoerd om in het jaarverslag een verklaring inzake corporate governance op te nemen. Verordening (EG) nr. 1606/2002 betreffende de toepassing van internationale standaarden voor jaarrekeningen harmoniseert de financiële informatie die wordt gepresenteerd door beursgenoteerde vennootschappen om de bescherming voor investeerders te garanderen. Bij Richtlijn 2009/49/EG worden de vereisten inzake financiële verslaglegging voor micro-ondernemingen vereenvoudigd, met als doel hun concurrentievermogen en groeipotentieel te versterken. Verordening (EU) 2015/848 van 20 mei 2015 betreffende insolventieprocedures (krachtens artikel 81 VWEU betreffende justitiële samenwerking in burgerlijke zaken) helpt jurisdictiegeschillen en wetsconflicten op te lossen en waarborgt de erkenning van beslissingen in heel de EU. De verordening behelst geen harmonisatie van het materieel insolventierecht van de lidstaten, maar stelt eenvoudigweg gemeenschappelijke regels op voor de voor het openen van een insolventieprocedure bevoegde rechter, het toepasselijke recht en de erkenning van beslissingen van de rechter. Het hoofddoel is te voorkomen dat goederen of geschillen van de ene lidstaat naar de andere worden overgebracht. In maart 2019 hebben het Parlement en de Raad overeenstemming bereikt over het voorstel van de Commissie voor een richtlijn inzake preventieve herstructureringskaders[6] (of "tweede kans voor ondernemers").Met deze richtlijn wordt beoogd de doeltreffendheid van herstructurerings-, insolventie- en afwikkelingsprocedures te vergroten, en in te spelen op de zorgen van veel investeerders in verband met insolventieregels en het risico van langdurige en/of ingewikkelde insolventieprocedures in het buitenland, hetgeen zij als voornaamste reden noemen om niet in andere landen te investeren.

5. De grensoverschrijdende uitoefening van rechten van aandeelhouders

Richtlijn 2007/36/EG (gewijzigd bij Richtlijn 2014/59/EU en Richtlijn (EU) 2017/828) betreffende de uitoefening van bepaalde rechten van aandeelhouders in beursgenoteerde vennootschappen heft de belangrijkste belemmeringen op voor grensoverschrijdend stemmen in beursgenoteerde vennootschappen die hun statutaire zetel in een lidstaat hebben, door bijzondere vereisten in te voeren voor de uitoefening van bepaalde aandeelhoudersrechten in de algemene vergadering. De richtlijn stelt ook enkele rechten vast voor aandeelhouders van beursgenoteerde bedrijven, waaronder het recht op tijdige toegang tot relevante informatie over algemene vergaderingen en gemakkelijker stemmen bij volmacht. Richtlijn (EU) 2017/828 moedigt de betrokkenheid van aandeelhouders aan en bevat voorschriften voor de identificatie van aandeelhouders, de doorgifte van informatie, het faciliteren van de uitoefening van aandeelhoudersrechten, transparantie voor institutionele beleggers, vermogensbeheerders en volmachtadviseurs, de bezoldiging van bestuurders en transacties met verbonden partijen.

B. EU-Rechtspersonen

De regels inzake Europese rechtspersonen zijn in de hele EU van toepassing. Zij bestaan naast de nationale wetgeving.

1. De Europese vennootschap (SE)

Na een lange periode van impasse – 30 jaar onderhandelingen – heeft de Raad de beide instrumenten aangenomen die vereist zijn voor de oprichting van de Europese vennootschap, te weten Verordening (EG) nr. 2157/2001 betreffende het statuut van de Europese vennootschap en Richtlijn 2001/86/EG tot aanvulling van het statuut van de Europese vennootschap met betrekking tot de rol van de werknemers. Krachtens deze verordening kunnen op het grondgebied van de Unie vennootschappen worden opgericht in de vorm van een naamloze vennootschap, aangeduid met de Latijnse benaming Societas Europaea (SE). Vennootschappen uit ten minste twee lidstaten die een SE wensen op te richten, beschikken over verschillende mogelijkheden: fusie, holding, oprichting van een dochtervennootschap of de omvorming tot een SE. De SE moet de rechtsvorm krijgen van een vennootschap met een in aandelen verdeeld kapitaal. Om te garanderen dat dergelijke vennootschappen een redelijke omvang hebben, dient het geplaatste kapitaal ten minste 120 000 EUR te bedragen.

Richtlijn 2001/86/EG beoogt ervoor te zorgen dat de oprichting van een SE niet gepaard gaat met intrekking of inperking van bestaande praktijken aangaande de rol van de werknemers in de vennootschappen die aan de oprichting van die SE deelnemen.

2. De Europese coöperatieve vennootschap (SCE)

Verordening (EG) nr. 1435/2003 betreffende het statuut voor een Europese Coöperatieve Vennootschap (SCE) voorziet in één enkel wettelijk statuut voor de SCE. Op grond van de verordening kan door personen die in verschillende lidstaten woonachtig zijn of door juridische lichamen die onder het recht van verschillende lidstaten ressorteren een coöperatie worden opgericht. Met een minimumkapitaal van 30 000 EUR kunnen deze nieuwe SCE's in de hele interne markt met één rechtspersoonlijkheid, stelsel van regels en structuur opereren.

Richtlijn 2003/72/EG vult dit statuut aan met betrekking tot de rol van de werknemers in de SCE om ervoor te zorgen dat de oprichting van een SCE niet gepaard gaat met intrekking of inperking van bestaande praktijken aangaande de rol van de werknemers in de ondernemingen die aan de oprichting van de SCE deelnemen.

3. Het Europees economisch samenwerkingsverband (EESV)

Bij Verordening (EEG) nr. 2137/85 van de Raad wordt het Europees economisch samenwerkingsverband (EESV) ingesteld. Het EESV, dat een eigen rechtsbevoegdheid heeft, biedt vennootschappen in één lidstaat de mogelijkheid met vennootschappen of natuurlijke personen uit andere lidstaten samen te werken met een bepaald doel voor ogen (bijvoorbeeld om de economische werkzaamheid van zijn leden te vergemakkelijken of te ontwikkelen, maar niet om zelf winst te maken), waarbij de winst onder de leden wordt verdeeld. Een EESV kan geen openbaar beroep doen op de kapitaalmarkt.

4. De besloten eenpersoonsvennootschap met beperkte aansprakelijkheid (SUP)

Op 10 april 2014 heeft de Commissie een voorstel ingediend (COM(2014) 0212) voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake besloten eenpersoonsvennootschappen met beperkte aansprakelijkheid (Societas Unius Personae). Het doel van dit voorstel is het vereenvoudigen van de grensoverschrijdende oprichting van besloten eenpersoonsvennootschappen met beperkte aansprakelijkheid in de EU.

De rol van het Europees Parlement

Het Parlement is er altijd in geslaagd wetgeving te wijzigen, bijvoorbeeld door zich op te werpen als pleitbezorger voor de medezeggenschap van werknemers in ondernemingen, of door werk te maken van de uitwerking van verschillende vormen van Europese vennootschappen, om het grensoverschrijdend zakendoen te stimuleren. Het Parlement heeft de Commissie in februari 2007 gevraagd een voorstel voor te leggen betreffende de Europese besloten vennootschap om tegemoet te komen aan de behoeften van kleine en middelgrote ondernemingen en voorbereidingen te treffen voor een herziening van het statuut van de Europese vennootschap met het oog op een vereenvoudiging van de bepalingen betreffende de oprichting van dergelijke vennootschappen. Na de intrekking van twee verordeningsvoorstellen inzake de Europese vereniging en onderlinge verzekeringsmaatschappij, heeft het Parlement de Commissie verzocht deze voorstellen nieuw leven in te blazen. Voorts heeft het Parlement ertoe opgeroepen een passend wettelijk kader tot stand te brengen voor stichtingen en verenigingen. Op 8 februari 2012 heeft de Commissie een voorstel ingediend voor een verordening van de Raad betreffende het statuut van de Europese stichting, "Fundatio Europaea" (FE). Deze nieuwe rechtsvorm moet het voor organisaties gemakkelijker maken om zich in te zetten voor doelen van algemeen belang in de hele EU.

In zijn resolutie van 14 juni 2012 over de toekomst van het Europees vennootschapsrecht stelde het Parlement zich op het standpunt dat EU-vennootschapsvormen die de bestaande vennootschapsvormen uit hoofde van nationale regelgeving aanvullen, een aanzienlijk potentieel hebben en verder ontwikkeld en bevorderd moeten worden. Met het oog op de specifieke behoeften van kleine en middelgrote ondernemingen drong het Parlement er bij de Commissie op aan om verdere inspanningen te leveren om het statuut van de Europese besloten vennootschap (EBV) goed te keuren. Naar aanleiding van de desbetreffende mededeling van de Commissie heeft het Parlement in februari 2013 een resolutie over een vernieuwde EU-strategie ter bevordering van maatschappelijk verantwoord ondernemen aangenomen. De resolutie van 14 maart 2013 van het Parlement over het Statuut van de Europese onderlinge maatschappij bevatte aanbevelingen aan de Commissie betreffende dit statuut. Tot slot heeft het Parlement diverse malen aangedrongen op een richtlijn inzake grensoverschrijdende zetelverplaatsing, in verschillende resoluties en mondelinge vragen waarin het Parlement het gebrek aan gemeenschappelijke regels betreurt, omdat daardoor de mobiliteit van vennootschappen en dus de vrijheid van vestiging wordt ondermijnd[7]. Op 25 april 2018 stelde de Commissie ten slotte nieuwe regels voor inzake het vennootschapsrecht, teneinde de omzettingen, fusies en splitsingen van vennootschappen binnen de interne markt te faciliteren (tot wijziging van Richtlijn (EU) 2017/1132 met betrekking tot grensoverschrijdende omzettingen, fusies en splitsingen)[8]. Het voorstel werd op 18 april 2019 door het Parlement goedgekeurd en het is nu wachten op de bekendmaking van de richtlijn.

In april 2014 presenteerde de Commissie een voorstel voor een richtlijn inzake besloten eenpersoonsvennootschappen met beperkte aansprakelijkheid, om de oprichting van ondernemingen met één aandeelhouder in de hele EU te vergemakkelijken (dit voorstel werd op 7 maart 2015 door de Commissie ingetrokken).

In de resolutie van het Parlement van 13 juni 2017 over de tenuitvoerlegging van grensoverschrijdende fusies en splitsingen, werd de aandacht gevestigd op de rechten van minderheidsaandeelhouders en de regels inzake de bescherming van schuldeisers, alsook op de langdurige en complexe procedures die moeten worden doorlopen in het geval van grensoverschrijdende splitsingen.

Het Parlement heeft ook een aantal verzoekschriften ontvangen over de digitalisering van het vennootschapsrecht van de EU en grensoverschrijdende transacties. Meestal vraagt de Commissie verzoekschriften de Commissie om inlichtingen, dan wel om haar mening over wat in het verzoekschrift aan de orde wordt gesteld (4.1.5).

In zijn resolutie van mei 2017 over het actieplan inzake e-overheid heeft het Parlement de Commissie gevraagd om na te denken over nog andere manieren ter bevordering van digitale oplossingen voor formaliteiten gedurende de gehele levenscyclus van een bedrijf, en heeft het onderstreept hoe belangrijk de onderlinge koppeling van bedrijfsregisters is voor de interne markt[9].

In april 2019 heeft het Parlement goedkeuring gehecht aan het voorstel van de Commissie houdende wijziging van Richtlijn (EU) 2017/1132 voor wat betreft het gebruik van digitale instrumenten en processen in het ondernemingsrecht, hetgeen erop gericht is de oprichting van ondernemingen via elektronische middelen te vergemakkelijken en onlineverrichtingen gedurende de hele levenscyclus van ondernemingen te bevorderen. Uit cijfers van de Commissie blijkt dat op dit moment in slechts 17 lidstaten een volledig pakket onlineregistratieprocedures voor ondernemingen bestaat, hoewel registratie online in de regel twee keer zo snel is en tot drie keer zo goedkoop als de traditionele, papieren formats.

 

[2]Richtlijn (EU) 2017/1132 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 aangaande bepaalde aspecten van het vennootschapsrecht, PB L 169 van 30.6.2017, blz. 46.
[3]Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 18 april 2019 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn (EU) 2017/1132 met betrekking tot grensoverschrijdende omzettingen, fusies en splitsingen, Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0429.
[4]Arrest van 16 december 2008, Cartesio, Zaak C-210/06, EU:C:2008:723, punt 111-113 (HvJ).
[5]PB L 157 van 9.6.2006, blz. 87; PB L 182 van 29.6.2013, blz. 19.
[7]Zie bijvoorbeeld de resolutie van het Parlement van 25 oktober 2007 over de Europese besloten vennootschap en de "Veertiende richtlijn vennootschapsrecht" inzake verplaatsing van de maatschappelijke zetel (PB C 263 E van 16.10.2008, blz. 671), en de resolutie van het Parlement van 13 juni 2017 over grensoverschrijdende fusies en splitsingen (PB C 331 van 18.9.2018, blz. 25).
[9]Resolutie van het Europees Parlement van 16 mei 2017 over het EU-actieplan inzake e-overheid 2016-2020, PB C 307 van 30.8.2018, blz. 2.

Udo Bux