Europees Parlement
in actie
Blikvangers 1999-2004

 
Het Europees Parlement
Verkiezingen voor het EP
Organisatie en werking
van het EP
Medebeslissing
en andere procedures
Begrotingsbevoegdheden
Begrotingscontrole
Democratische controle
Statuut van de Leden en van
de Europese politieke partijen
Tijdelijke commissies
en onderzoekscommissies
Overige EU-instellingen
Hervorming van de EU
Uitbreiding
Rechten van de burger
Justitie en Binnenlandse Zaken
Externe betrekkingen
Milieu / Consumenten-
bescherming
Vervoer / Regionaal beleid
Landbouw / Visserij
Economisch
en monetair beleid
Sociaal- en werkgelegenheidsbeleid /
Rechten van de Vrouw
Interne markt / Industrie / Energie / Onderzoek
 

EPP-ED PSE Group ELDR GUE/NGL The Greens| European Free Alliance UEN EDD/PDE


Neen tegen het Statuut voor EP-leden - Ja tegen het Statuut voor Europese partijen

Een aantal kenmerken van het werk van het Europees Parlement zijn nog steeds verrassend "nationaal" in plaats van "Europees". De EP-leden ontvangen niet allemaal eenzelfde salaris, maar krijgen door hun land van herkomst hetzelfde salaris uitbetaald als de leden van het nationale parlement. Zelfs voor de Europese verkiezingen zijn de nationale partijen nog steeds niet vervangen door "Europese" partijen. Pogingen om eenzelfde salaris en gelijke voorwaarden voor alle EP-leden vast te leggen zijn voorlopig op niets uitgelopen, maar stappen om de oprichting van Europese partijen te stimuleren waren succesvoller.

De EP-leden worden geconfronteerd met een hele reeks regels inzake hun positie, salaris en uitgaven, de parlementaire immuniteit voor rechtsvervolging en andere aangelegenheden. In een aantal gevallen is hun eigen nationale wetgeving van toepassing en in andere gevallen de regels van de Europese Unie. Dit geeft aanleiding tot allerlei vreemde situaties. Een Spaans EP-lid ontvangt bijvoorbeeld hetzelfde salaris als een lid van de Cortes terwijl een Duits EP-lid hetzelfde salaris krijgt als een lid van de Bondsdag. De salarissen van de EP-leden worden niet alleen door hun land van herkomst betaald, maar zij vallen ook onder de nationale belastingen. Toch doen de leden allemaal hetzelfde werk, voornamelijk in Brussel en Straatsburg.

In de afgelopen jaren heeft men getracht overeenstemming te bereiken over een "gemeenschappelijk statuut", dus één enkel stel regels, waarmee alle verschillen zouden worden gladgestreken. Dit statuut moet echter niet alleen door het Europees Parlement, maar ook door de nationale regeringen worden goedgekeurd. De EP-leden dachten dat zij dichtbij een oplossing waren, toen het Parlement in juni 2003 overeenstemming bereikte over een ontwerpstatuut na jaren van pogingen om tot een compromis te komen dat aanvaardbaar was voor de regeringen die in de Raad van Ministers bijeenkomen. De Raad had echter bezwaren op drie punten: de pensioengerechtigde leeftijd van EP-leden, de belastingregeling voor hun salarissen en kwesties in verband met de voorrechten en immuniteiten, die volgens de Raad alleen maar konden worden gewijzigd op basis van onderhandelingen tussen de regeringen van de EU.

Het Parlement reageerde door in december 2003 andermaal hierover te stemmen en met een zeer grote meerderheid te besluiten dit twistpunt uit de wereld te helpen. Het Parlement ging in op de de wens van een aantal regeringen die nationale inkomstenbelastingen op de salarissen van de EP-leden wilden heffen, hoewel deze salarissen voortaan uit de EU-begroting zouden worden betaald. Het stemde ermee in dat de salarissen niet alleen onder de Europese belastingen, maar ook onder de nationale belastingen zouden vallen. De enige voorwaarde van de leden was dat er geen dubbele belasting zou worden geheven (een punt waarmee de Raad akkoord ging). Het Parlement besloot de voorrechten en immuniteiten apart te regelen en de lidstaten te verzoeken het desbetreffende protocol van 1965 te herzien. Ten slotte stelden de EP-leden een compromis inzake de pensioengerechtigde leeftijd voor dat het toenmalige Italiaanse voorzitterschap als aanvaardbaar aanmerkte: EP-leden zouden vanaf 63 jaar recht op pensioen hebben (in plaats van de 65 jaar die de Raad wilde of de 60 jaar die het Parlement in juni had voorgesteld).

Het zag ernaar uit dat vijfentwintig jaar na de eerste rechtstreekse verkiezingen van het Europees Parlement voor alle leden eindelijk dezelfde regels zouden gelden. Doch onverwachts maakten een aantal ministers tijdens de vergadering van Raad van 26 januari 2004 die het ontwerpstatuut zou moeten goedkeuren, op het laatste moment bezwaar tegen de hoogte van het voor de leden voorgestelde salaris. Dit was vastgesteld op de helft van het salaris van de rechters van het Europese Hof van Justitie en hiertegen had tot op dat moment niemand bezwaar gemaakt. Het hele statuut werd daarom terzijde gelegd en nu moet een nieuw Parlement alle moed bij elkaar rapen en het opnieuw gaan proberen.

Een statuut voor de politieke partijen

Het Statuut inzake de rechtspositie en financiering van Europese politieke partijen kwam er beter van af. Momenteel worden de EP-leden gekozen als vertegenwoordigers van nationale politieke partijen, hoewel zij na hun aankomst in Brussel over het algemeen via een van de "fracties" opereren die standpunten over het hele politieke spectrum vertegenwoordigen waardoor de nationale partijen nader tot elkaar komen. Buiten het Europees Parlement hebben een aantal grote partijen lang geleden Europese federaties opgericht, die echter bij lange na niet de samenhang en publieke impact van politieke partijen hadden. In de loop der jaren zijn er echter een aantal partijen op Europees niveau opgericht, zoals de PPE (christen-democraten/centrumrechts), de Partij van de Europese sociaal-democraten, de ELDR (liberalen), de Vrije Europese Alliantie (voornamelijk partijen met een regionale agenda) en de Groenen, terwijl andere partijen momenteel in oprichting zijn.

Van een prominentere positie van de Europese politieke partijen worden voordelen verwacht, met name bij het tegengaan van de tendens om de Europese verkiezingen uit te vechten over nationale en niet over Europese kwesties. In het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschappen wordt immers het volgende geconstateerd: "Europese politieke partijen zijn een belangrijke factor voor integratie binnen de Unie. Zij dragen bij tot de vorming van een Europees bewustzijn en tot de uiting van de politieke wil van de burgers van de Unie." Ondanks het belang dat hiermee aan Europese partijen wordt toegekend, vergde het veel tijd - weliswaar niet zo lang als in het geval van het statuut van de EP-leden - om tot overeenstemming tussen de nationale regeringen onderling, en tussen het Parlement en de nationale regeringen te komen over de regels voor de erkenning van Europese partijen die zal uitmonden in de financiële ondersteuning van deze partijen uit de EU-begroting.

De regeling inzake de "Europese politieke partijen" wordt in juli 2004, na de Europese verkiezingen, van kracht. Hierin is vastgelegd dat een Europese partij met het oog op erkenning en dus het verkrijgen van financiële middelen van de EU in ten minste een vierde van de lidstaten door leden van het Europees Parlement of in de nationale of regionale parlementen moet zijn vertegenwoordigd, hetzij tijdens de laatste Europese verkiezingen in ten minste een vierde van de lidstaten drie procent van de stemmen moet hebben behaald. Een Europese partij moet tevens de beginselen van de EU eerbiedigen, dat wil zeggen vrijheid, democratie, eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, en de rechtsstaat.

In de begroting van de EU zal jaarlijks 8,4 miljoen euro voor de financiële ondersteuning van de Europese politieke partijen worden uitgetrokken. Hiervan wordt 15% gelijkelijk over de partijen verdeeld, terwijl de rest evenredig over het aantal in het Europees Parlement gekozen leden wordt verdeeld. Om voor financiële ondersteuning uit de begroting in aanmerking te komen moet een Europese politieke partij elk jaar bij het Europees Parlement een aanvraag indienen. Aldus ontvangen middelen mogen alleen worden gebruikt voor uitgaven die rechstreeks verband houden met de doelstellingen zoals die in haar politieke programma zijn uiteengezet en mogen niet worden gebruikt voor de directe of indirecte financiering van nationale politieke partijen.

Een Europese partij moet tevens jaarlijks haar inkomsten en uitgaven bekend maken en een opgave van andere financieringsbronnen doen door een lijst van donateurs en individuele donaties van meer dan 500 euro over te leggen. Een partij mag geen anonieme donaties aanvaarden noch donaties van juridische eenheden waarin de staat meer dan 50% van het kapitaal in handen heeft noch donaties van meer dan 12.000 euro per jaar van personen of organisaties.



 

 

 
  Publishing deadline: 2 April 2004