| Alles in digitale vorm, teksten, muziek en films, is dankzij de nieuwe media steeds en overal beschikbaar en met weinig moeite en zonder beperkingen te kopiëren. In de informatiemaatschappij kan de consument altijd en overal toegang tot data krijgen en dat scheelt nogal tijd. Een breed scala van informatie staat hem daarbij ten dienste. Wetenschappelijke teksten hoeft hij niet meer in de bibliotheek op te zoeken, maar kan hij op het internet raadplegen. Iedereen kan zijn eigen muziek-CD's branden en nog veel meer.
De nieuwe techniek biedt nieuwe kansen. Maar al die ongedachte creatieve mogelijkheden die zich voor anderen openen, mogen niet ten koste gaan van de redelijke beloning voor auteurs, producenten en acteurs. Hetzelfde geldt voor de kunsthandel: ook hier is het volgens de EU-wetgever niet meer dan billijk wanneer de kunstenaar niet alleen bij eerste verkoop van zijn werk maar ook bij doorverkoop een aandeel ontvangt van de opbrengst. Twee nieuwe EU-kaderwetten geven de schepper van een werk ook op langere termijn de zekerheid van inkomsten uit zijn arbeid, waardoor creativiteit ook in de toekomst wordt beloond.
De auteur mag niet de dupe worden
De EU wil de informatiemaatschappij stimuleren. Zij wil innovatieve producten en diensten stimuleren en daarvoor tevens een passende beloning waarborgen met de richtlijn voor harmonisering van het auteursrecht. Bovendien wil de Unie bescherming bieden tegen illegale praktijken als bv. piraterij; daartoe heeft zij gemeenschappelijke regels voor de EU-landen uitgewerkt op de verveelvuldiging, weergave en verspreiding van werken. Met de richtlijn wordt het EU-auteursrecht aan de technische vooruitgang aangepast en tevens uitvoering gegeven aan internationale verplichtingen die voortvloeien uit een tweetal verdragen in het kader van de Wereldorganisatie voor de intellectuele eigendom (WIPO).
De auteursrechtrichtlijn beschermt componisten en auteurs van boeken of films en, voor vastleggingen van hun werken, tevens de musici en acteurs of de producenten van geluidsdragers, films of uitzendproducties. Sinds 22 december 2002 moet de nationale wetgeving van de lidstaten met deze regeling van de EU in overeenstemming zijn.
De schepper van intellectuele eigendom moet volgens de richtlijn zeggenschap houden over de verveelvuldiging daarvan. Maar de richtlijn voorziet ook in een reeks uitzonderingen in het belang van het publiek. De lidstaten van de EU kunnen zelf beslissen of zij deze strikt geformuleerde uitzonderingen ook toepassen. Zo kunnen de lidstaten bv. toestaan dat de consument kopieën maakt voor privé-gebruik. Ook kunnen zij uitzonderingen maken voor wetenschap en onderwijs, voor bibliotheken of archieven, voor de berichtgeving of voor bepaalde groepen personen - bv. mensen met een handicap.
De leden van het Europees Parlement hebben willen voorkomen dat die bijzondere regelingen in het belang van het publiek, hoe legitiem ook, het recht van de auteur zouden uithollen. Zij hebben ervoor gezorgd dat ook bij sommige uitzonderingen de auteur een passende vergoeding voor het gebruik van zijn werk krijgt. Voorts hebben de leden van het Parlement bij de lidstaten in de Raad weten te bereiken dat de naam van de auteur bij aanhaling van zijn werk moet worden genoemd, "tenzij dit niet mogelijk blijkt". De Raad was voorstander van een zwakkere formulering. Ook hebben de parlementsleden bereikt dat de richtlijn binnen anderhalf jaar moet worden omgezet in plaats van twee jaar zoals de Raad had verlangd.
In de beeldende kunst moet ook brood te verdienen zijn
Van gebrekkige auteursrechtelijke bescherming en verstoring van de concurrentie was volgens de EU-wetgevers ook sprake in de beeldende kunsten: tot dusver is de positie van de beeldend kunstenaar in vele landen van de Unie nadelig in vergelijking met die van andere kunstenaars. De componist krijgt geld voor iedere uitvoering van zijn werk voor de radio, maar voor de kunstschilder geldt maar al te vaak dat de eenmalige verkoop van zijn werk ook maar één maal inkomsten oplevert. Weliswaar schrijft de Berner Conventie voor dat de schepper van een kunstwerk ook bij doorverkoop een aandeel ontvangt, maar die Conventie is niet bindend. Daarom is het volgrecht in sommige EU-landen niet bekend en in andere wel, maar dan volgens steeds weer andere regels.
In de toekomst moeten beeldende kunstenaars ook bij doorverkoop van hun werken een aandeel in de opbrengst houden, volgens uniforme EU-regels. De volgrechtrichtlijn moet uiterlijk 1 januari 2006 zijn omgezet; zij beperkt zich vooral tot contemporaine kunst, want de aanspraak op vergoeding eindigt 70 jaar na de dood van de auteur. Ook geldt het volgrecht slechts wanneer het werk door een professionele kunsthandelaar wordt doorverkocht. Naargelang de koopsom hoger is neemt de vergoeding af van vier tot een kwart procent. De lidstaten kunnen uitzonderingen treffen voor gevallen waarin het volgrecht niet hoeft te worden toegepast.
Ofschoon de parlementsleden en de ministerraad het over de doelstellingen eens waren, bleef op twee punten onenigheid bestaan: ten eerste de minimale verkoopsom, waarboven het volgrecht begint te gelden. De Raad had deze op 4.000 euro vastgesteld, en wilde dus minder kunstwerken onder deze regeling doen vallen dan de parlementsleden, die 1.000 euro voorstelden. Ten tweede de omzettings- en overgangstermijnen. De Raad wilde de lidstaten meer tijd geven dan het Parlement. Tenslotte kwam er een compromis: het volgrecht geldt nu voor alle werken die ten minste 3.000 euro kosten, waarbij de lidstaten een lager bedrag kunnen vaststellen. De Raad heeft bepaald dat een kunstenaar voor iedere latere doorverkoop maximaal 12.500 euro kan ontvangen. De termijn voor omzetting beloopt 4 jaar - het Parlement had 2 en de Raad 5 jaar verlangd.
Trefwoord
Wereldorganisatie voor de intellectuele eigendom (WIPO): de WIPO is een afzonderlijke organisatie van de Verenigde Naties die tot doel heeft de bescherming van industriële rechten en het auteursrecht te bevorderen. Bij de in 1967 opgerichte organisatie zijn ongeveer 180 staten aangesloten. De zetel bevindt zich in Genève. De oorsprong van de WIPO gaat terug tot de jaren '80 van de 19de eeuw, de overeenkomst van Parijs tot bescherming van de industriële eigendom (1983) en de Berner-Conventie voor de bescherming van werken van letterkunde en kunst (1886). Artikel 14 ter van de Berner-Conventie, die laatstelijk in 1971 in Parijs werd herzien, handelt speciaal over het volgrecht.
|