Europees Parlement
in actie
Blikvangers 1999-2004

 
Het Europees Parlement
Hervorming van de EU
Uitbreiding
Rechten van de burger
Justitie en Binnenlandse Zaken
Externe betrekkingen
Veiligheid en defensie
Mensenrechten
De Balkan
Overeenkomsten
met niet-EU landen
Buitenlandse handel
Ontwikkelingssamenwerking
EU-ACP
Anti-personeelsmijnen
Milieu / Consumenten-
bescherming
Vervoer / Regionaal beleid
Landbouw / Visserij
Economisch
en monetair beleid
Sociaal- en werkgelegenheidsbeleid /
Rechten van de Vrouw
Interne markt / Industrie / Energie / Onderzoek
 

EPP-ED PSE Group ELDR GUE/NGL The Greens| European Free Alliance UEN EDD/PDE


Totstandbrenging van vrede, stabiliteit en welvaart op de Balkan

De Balkan is een van de grootste mislukkingen en een van de grootste successen van de buitenlandse politiek van de Europese Unie. De EU kon de bloedige oorlog die in 1992 uitbrak niet voorkomen, en toen die eenmaal was begonnen kon zij er geen eind aan maken. Een paar jaar later kwam de EU daarentegen tot veel doeltreffender maatregelen. Toen een beginnende burgeroorlog in Macedonië in 2001 weer tot een ramp op de Balkan dreigde te leiden, greep de EU in en slaagde zij erin om de Albanese en Macedonische etnische groepen met elkaar te verzoenen door te bemiddelen bij de totstandkoming van een nieuwe grondwettelijke regeling voor het land. Ook worden intussen in het door oorlog geschonden Bosnië-Herzegovina en Kosovo nog steeds grote inspanningen gedaan om stabiliteit, welvaart en rechtsstaat tot stand te brengen.

In 1995, aan het einde van de oorlog die Joegoslavië vernietigde, stuurde de internationale gemeenschap een door de NAVO geleide vredesmacht (IFOR, later omgedoopt tot SFOR) naar Bosnië-Herzegovina - het meest omstreden en bevochten gedeelte van regio. Het VN-Bureau van de Hoge Vertegenwoordiger werd ook ingesteld, een soort gouverneur met verstrekkende bevoegdheden voor het toezicht op en de tenuitvoerlegging van de vredesregeling voor Bosnië-Herzegovina. De rol van de EU bleef voornamelijk beperkt tot de verlening van humanitaire steun.

Een meer doeltreffende inzet van de EU-steun

In het kader van haar jaarlijkse beoordeling van de uitgaven van de EU-begroting, moest het Europees Parlement ook kijken naar de manier waarop deze steun werd beheerd. Bij verschillende gelegenheden wees het EP er met klem op dat de hulpverlening te traag was en dat er sprake was van te weinig transparantie en toezicht. Deze kritiek begon vruchten af te werpen na de militaire interventie van de NAVO in Kosovo in 1999. Met het oog op de wederopbouw van deze verwoeste regio, die na de terugtrekking van Servië onder VN-bestuur was komen te staan, werd besloten dat de steun ter plaatse en niet vanuit het verre Brussel zou worden beheerd en gecontroleerd. Het Parlement stond erop dat het operationele centrum van het Bureau voor Wederopbouw van de EU in Priština zou komen en een verregaande mate van autonomie zou hebben. Het resultaat was dat de steun veel sneller en doeltreffender werd verleend. Toen Servië in de winter van 2000 dan ook werd geconfronteerd met een nijpend tekort aan stookolie, kon de EU tijdig voor leveringen zorgen.

Het Bureau voor Wederopbouw - dat intussen ook operationele centra heeft geopend in Belgrado, Skopje and Podgoriča - is aan zowel het Parlement als de Raad verantwoording schuldig. Daarom kon het EP ingrijpen, wanneer het zag dat er dingen verkeerd gingen. Toen de onvrede onder de Albanezen in Macedonië toenam, omdat tijdens vijandigheden in het begin van 2001 door het Macedonische leger vernielde huizen te langzaam werden herbouwd, zorgde het Parlement ervoor dat daaraan de hoogste prioriteit werd toegekend. Ook drong het Parlement erop aan dat van het beschikbare geld voldoende zou worden gebruikt voor het opruimen van mijnen.

Het was vooral aan het Parlement te danken dat er überhaupt voldoende geld beschikbaar was voor de wederopbouw. Toen in 1999 de EU-begroting voor het volgende jaar werd vastgesteld, moest het EP een felle strijd met de Raad voeren om er voor te zorgen dat de € 500 miljoen die door de Wereldbank en andere internationale organisaties nodig werd geacht voor de wederopbouw van Kosovo, uiteindelijk ook in de begroting werd opgenomen. De Raad, die er oorspronkelijk mee had ingestemd dat € 500 miljoen nodig was, probeerde terug te komen op zijn aanvankelijke toezegging en probeerde vervolgens zelfs een deel van het geld te onttrekken aan ontwikkelingssamenwerking. Uiteindelijk slaagde het Parlement erin om € 200 miljoen vrij te maken uit een budgettaire reserve voor dringende en onvoorziene budgettaire behoeften.

Aanknopen van nauwere betrekkingen

Ook op andere manieren heeft het Europees Parlement ertoe bijgedragen dat er betrekkingen met de Balkan werden aangeknoopt. Het stabilisatie- en associatieproces, dat officieel in november 2000 van start ging, biedt de landen van de westelijke Balkan het vooruitzicht van een toekomstig EU-lidmaatschap. Het biedt de Europese Unie de mogelijkheid om met elk land samen te werken om het te helpen zich aan te passen aan de democratische en economische normen van de EU. Het Parlement heeft aan de Balkan-landen die bij het stabilisatie- en associatieproces betrokken willen worden, belangrijke voorwaarden opgelegd - zoals volledige samenwerking met het Internationaal Strafhof voor het voormalige Joegoslavië in Den Haag, garanties met betrekking tot het recht van vluchtelingen om naar hun eigen land terug te keren en een volledige inzet voor de bestrijding van corruptie en georganiseerde misdaad. In het kader van dit proces zijn stabilisatie- en associatieovereenkomsten gesloten met Macedonië en Kroatië. Kroatië heeft in februari 2003 officieel een aanvraag voor het EU-lidmaatschap ingediend.

Een meer informele methode om de ontwikkelingen op de Balkan te beïnvloeden, die zeer succesvol is gebleken, is het “parlementaire netwerk voor Zuidoost-Europa”. Via dit netwerk hebben leden van het EP regelmatig ontmoetingen met leden van parlementen uit de Balkan-landen, waarbij het gaat om betrekkelijk kleine en overzichtelijke groepen; zij worden aangemoedigd en begeleid op het pad naar parlementaire democratie en democratisch bestuur. Het netwerk bestaat uit delegaties van het Europees Parlement en de parlementen van Albanië, Bosnië-Herzegovina, Bulgarije, Kroatië, de Federale Republiek Joegoslavië, de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië (FYROM), Montenegro en Roemenië.



  
Rapporteurs:
  
Europees Bureau voor Wederopbouw – oprichting en werking: Joost Lagendijk (Greens/EFA, NL)
Europees Bureau voor Wederopbouw: Bosnië-Herzegovina, Kroatië, Federale Republiek Joegoslavië, FYROM: Doris Pack (EPP-ED, D)
Zuidoost-Europa: stabiliteitspact, stabilisatie- en associatieovereenkomsten: Joost Lagendijk (Greens/EFA, NL)
Zuidoost-Europa: stabilisatie- en associatieproces – eerste jaarverslag: Joost Lagendijk (Greens/EFA, NL)
Zuidoost-Europa: stabilisatie- en associatieproces – tweede jaarverslag: Joost Lagendijk (Greens/EFA, NL)
Begroting 2000 (Afdeling III – Europese Commissie): Jean-Louis Bourlanges (EPP-ED, F)
Bureau voor Wederopbouw
Stabilisatie- en associatieproces
  
Overzicht wetgevingsprocedure:
  
Europees Bureau voor Wederopbouw: oprichting en werking
Europees Bureau voor Wederopbouw: Bosnië-Herzegovina, Kroatië, Federale Republiek Joegoslavië, FYROM
Zuidoost-Europa: stabiliteitspact, stabilisatie- en associatieovereenkomsten
Zuidoost-Europa: stabilisatie- en associatieproces – eerste jaarverslag
Zuidoost-Europa: stabilisatie- en associatieproces – tweede jaarverslag
Begroting 2000 (Afdeling III – Europese Commissie)
  
Publicatieblad – definitieve besluiten:
  
Europees Bureau voor Wederopbouw: oprichting en werking
Europees Bureau voor Wederopbouw: Bosnië-Herzegovina, Kroatië, Federale Republiek Joegoslavië, FYROM
Zuidoost-Europa: stabiliteitspact, stabilisatie- en associatieovereenkomsten (door Parlement aangenomen tekst)
Zuidoost-Europa: stabilisatie- en associatieproces – eerste jaarverslag (door Parlement aangenomen tekst)
Zuidoost-Europa: stabilisatie- en associatieproces – tweede jaarverslag (door Parlement aangenomen tekst)
Begroting 2000 (Afdeling III – Europese Commissie)

 

 

 
  Publishing deadline: 2 April 2004