Europees Parlement
in actie
Blikvangers 1999-2004

 
Het Europees Parlement
Hervorming van de EU
Uitbreiding
Rechten van de burger
Justitie en Binnenlandse Zaken
Externe betrekkingen
Veiligheid en defensie
Mensenrechten
De Balkan
Overeenkomsten
met niet-EU landen
Buitenlandse handel
Ontwikkelingssamenwerking
EU-ACP
Anti-personeelsmijnen
Milieu / Consumenten-
bescherming
Vervoer / Regionaal beleid
Landbouw / Visserij
Economisch
en monetair beleid
Sociaal- en werkgelegenheidsbeleid /
Rechten van de Vrouw
Interne markt / Industrie / Energie / Onderzoek
 

EPP-ED PSE Group ELDR GUE/NGL The Greens| European Free Alliance UEN EDD/PDE


Buitenlands, veiligheids- en defensiebeleid:
langzaam maar zeker

Voorzover de lidstaten de afgelopen 25 jaar al overleg pleegden over internationale politieke aangelegenheden, kwamen zij meestal niet veel verder dan het afleggen van een beleidsverklaring. De ineenstorting van het Sovjetimperium en de destabilisatie van de Balkanlanden en Oost-Europa hadden tot gevolg dat de Unie meer aandacht kreeg voor haar buitenlands, veiligheids- en defensiebeleid. Zij ging daarin echter nog niet zover dat het daadwerkelijk kwam tot concrete vormen van EU-beleid, zoals de grote meerderheid van de bevolking en van de EP-leden dat wenste. Het Parlement heeft altijd een ambitieuzere aanpak voorgestaan, zowel in termen van beleid als van gemeenschappelijke instellingen, die in staat zijn effectief op te treden en daartoe over de nodige beleidsinstrumenten beschikken. De aanslagen van 11 september 2001 hebben de intensiteit en urgentie van dit streven alleen maar versterkt.

Voor de leden van het EP zal de Unie op het internationale toneel pas met één stem kunnen spreken wanneer de lidstaten bereid zijn de politieke wil op te brengen om een heldere strategie uit te stippelen en zich van competente instellingen te voorzien. Gedurende lange tijd bleven de instrumenten van het gemeenschappelijk buitenlands beleid beperkt tot ontwikkelingssamenwerking en economische noodhulp. Door toedoen van het Verdrag van Maastricht, dat in 1993 in werking trad, werd dit instrumentarium in diplomatieke zin uitgebreid met het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB). In tegenstelling tot de politiek voor de diverse economische sectoren, onttrekt dit beleid zich evenwel aan de communautaire logica, in die zin dat het voornamelijk de Raad - d.w.z. de regeringen - is die hierover moet beslissen, meestal met eenparigheid van stemmen. De Commissie en het Parlement worden hierin hoegenaamd niet gekend.

Het Verdrag van Amsterdam, dat in 1999 in werking trad, is een poging om in twee leemten te voorzien: enerzijds verschaft het de Unie de mogelijkheid om bij humanitaire of vredesmissies (de zgn. "Petersberg"-taken) militair te interveniëren in crisisgebieden, en anderzijds tracht de Unie dit beleid een eigen gezicht te geven door de instelling van een Hoge Vertegenwoordiger voor het GBVB. De Hoge Vertegenwoordiger treedt echter altijd op voor rekening van de lidstaten en van de Raad, en het risico is dan ook reëel dat hij in de uitoefening van zijn taken de externe bevoegdheden van de Commissie (ontwikkelingshulp, humanitaire hulp en handelsbeleid) doorkruist. Om te ontsnappen aan de verlammende werking van de unanimiteitsregel, die vaak resulteerde in een minimalistische benadering, zijn bij het Verdrag van Amsterdam ook de begrippen "constructieve onthouding" - waarmee wordt beoogd initiatieven te kunnen ontplooien zonder dat alle lidstaten daaraan actief hoeven mee te werken - en "versterkte samenwerking" - om lidstaten individueel in staat te stellen nauwer met elkaar samen te werken - geïntroduceerd.

In 1999 bouwde de Unie haar militaire capaciteiten verder uit met het besluit van de Europese Raad van Helsinki om de lidstaten tegen 2003 in staat te stellen binnen een termijn van 60 dagen een troepenmacht op de been te brengen en gedurende tenminste een jaar een militaire strijdmacht van maximaal 50.000 à 60.000 manschappen te onderhouden, die in staat is om alle Petersberg-taken uit te voeren.

Interne samenhang en effectiviteit

Sedert het jaar 2000 stuurt het EP ter wille van de duidelijkheid, de interne samenhang en de effectiviteit aan op samenvoeging van de taken van de Hoge Vertegenwoordiger met die van de Europese commissaris voor externe betrekkingen, en wel in de persoon van een ondervoorzitter van de Commissie. De EP-leden hebben dit idee weten door te drukken op de Conventie over de toekomst van Europa en het is dan ook overgenomen in het ontwerpgrondwetsverdrag. Daar staat evenwel tegenover dat het Parlement volgens de ontwerpgrondwet op dit terrein niet vaker zal worden geraadpleegd dan vroeger het geval was en dat zijn wens om meer besluiten bij gekwalificeerde meerderheid te laten nemen niet is gehonoreerd, tenzij wanneer het een door de Commissie gesteund voorstel van de minister van Buitenlandse Zaken betreft.

In de operationele sfeer voorziet het ontwerpverdrag daarnaast in de oprichting van een Europees Bureau voor bewapening en worden de Petersberg-taken uitgebreid tot ontwapeningsoperaties en terrorismebestrijding. Ook voorziet het ontwerpverdrag in een "solidariteitsclausule" om de lidstaten ertoe aan te zetten elkaar bijstand te verlenen en hun civiele en militaire instrumenten in te zetten in de strijd tegen het terrorisme. Bovendien hebben de EP-leden voorgesteld het Verdrag uit te breiden met een "collectieve defensieclausule" naar het voorbeeld van die van de NAVO, welke van toepassing zou zijn op de lidstaten die zulks wensen, maar dit voorstel heeft het niet gehaald.

Meer invloed op het beleid

Weliswaar zijn het de lidstaten die in laatste instantie beslissen over zaken betreffende buitenlands, veiligheids- of defensiebeleid, maar dat neemt niet weg dat het Parlement over iedere beleidsmaatregel of optreden namens de Unie van tevoren dient te worden geïnformeerd omtrent de inhoudelijke aspecten, de bevoegdheden en de financiële gevolgen die daaraan zijn verbonden. De laatste jaren hebben de EP-leden nauwere betrekkingen aangeknoopt met de Hoge Vertegenwoordiger, de bevoegde commissarissen, de voorzitter van de Unie en de speciale gezanten van de Unie in bepaalde delen van de wereld.

Daarnaast kunnen de leden ook impulsen geven om de publieke discussie en het politieke debat aan te zwengelen. Met hun verslagen, aanbevelingen of vragen aan de EU-instanties kunnen zij een sturende invloed uitoefenen, bijvoorbeeld door de Commissie op te roepen tot het indienen van voorstellen. Bovendien beschikt het Parlement met name ook over budgettaire prerogatieven met betrekking tot GBVB-initiatieven (waarmee voor 2003 circa 50 miljoen euro was gemoeid). Het EP is echter niet bevoegd voor defensiezaken, die rechtstreeks onder de begrotingen van de lidstaten ressorteren.

Het EP verwoordt zijn jaarlijkse politieke prioriteiten in een jaarverslag over het buitenlands, veiligheids- en defensiebeleid. In 2002 spraken de EP-leden hun voldoening uit over de unieke samenwerking die tussen de instellingen tot stand was gekomen na de aanslagen van september 2001 en kwamen zij met het voorstel om het terrorisme bij de wortel aan te pakken door voorrang te geven aan de dialoog met zwakke en instabiele staten. In 2003 zegden zij hun steun toe aan de betrokkenheid van de Unie bij de crisis in Afghanistan, niet alleen op politiek en economisch vlak, maar ook in de militaire sfeer, nl. in het kader van de ISAF (Internationale Strijdmacht voor bijstand aan de veiligheid). Zij spraken er evenwel hun teleurstelling over uit dat de oorlog in Irak de geloofwaardigheid van het GBVB niet ten goede is gekomen doordat de mogelijkheden tot herstel in Irak naar hun opvatting in hoge mate zullen afhangen van de militaire capaciteiten van de Unie en de bereidheid om deze ook daadwerkelijk in te zetten.

Eerste militaire operaties

In 2003 heeft de Unie haar eerste drie militaire operaties in crisisgebieden gelanceerd en haar verantwoordelijkheid aldus concreet gestalte gegeven. Op 1 januari 2003 heeft een 500 man sterke politiële missie van de EU de VN-missie in Bosnië-Herzegovina afgelost voor een periode van drie jaar, waarin zij zich vooral zal bezighouden met de opleiding van plaatselijk politiepersoneel. In maart 2003 heeft de Unie ter aflossing van de NAVO haar eerste militaire operatie opgezet in de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, waar zij een troepenmacht van 350 man (operatie "Concordia") heeft gestationeerd om te trachten de voor de noodzakelijke institutionele hervormingen vereiste vredesvoorwaarden te creëren. Daarna heeft zij nog een politiële missie (operatie "Proxima" met 200 manschappen) ondernomen, en tenslotte heeft zij met operatie "Artemis" de eerste onafhankelijke militaire operatie van de Unie opgezet in het Ituri-gebied in Kongo. Een en ander toont aan dat Europa geheel en al bereid is voor humanitaire doeleinden Europese troepen in te zetten, ook buiten het Europese continent.

"Nee" tegen de oorlog in Irak

In een in mei 2002 uitgebracht verslag waarschuwde het EP de internationale gemeenschap tegen voortzetting van het nucleaire bewapeningsprogramma door het Iraakse regime. Het EP was van mening dat Irak in staat zou zijn om zich binnen vijf jaar van kernwapens te voorzien indien de sancties tegen het land zouden worden opgeheven. De EP-leden pleitten dan ook voor het behoud van het wapenembargo, maar drongen tegelijkertijd aan op opheffing van de overige sancties. Zij waren voorstander van een multilaterale politieke oplossing onder VN-vlag. Het EP was gekant tegen ieder militair optreden dat niet zou worden geschraagd door VN-resoluties, en riep de Iraakse autoriteiten op zich aan de inspecties van de UNMOVIC (Commissie van de Verenigde Naties voor monitoring, verificatie en inspectie) te onderwerpen, terwijl het ook de ernstige en herhaalde schendingen van de mensenrechten in Irak veroordeelde.

Enkele weken na het uitbreken van de oorlog nam het EP op 30 januari 2003 een resolutie aan over Irak (met 287 stemmen vóór en 209 tegen, bij 26 onthoudingen). De leden waren van mening dat de door de VN-inspecteurs geconstateerde schendingen van resolutie 1441 geen militair optreden rechtvaardigden. Zij verzetten zich tegen iedere vorm van unilateraal militair optreden en waren van oordeel dat een preventieve aanval indruiste tegen het internationale recht. Toen de oorlog eenmaal op gang was gekomen, bleven de leden niet gespaard van de meningsverschillen die de Europese regeringen tegen elkaar opzetten, en slaagden zij er niet in een nieuw gemeenschappelijk standpunt tegen de oorlog goed te keuren. Wél bereikten zij brede overeenstemming over een verslag inzake de wederopbouw van het land.

Midden-Oosten: tal van initiatieven

In oktober 2003 heeft het EP, terwijl het geweld in het Midden-Oosten ononderbroken doorging, een verslag aangenomen waarin zowel de Israëlische regering als de Palestijnse Autoriteit worden opgeroepen de door het Kwartet (Verenigde Staten, Rusland, EU en VN) opgestelde "routekaart" onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen. Het EP is voorstander van een oplossing waarbij twee staten soeverein naast elkaar bestaan en de veiligheid voor elkeen gegarandeerd is. Daarnaast veroordelen de EP-leden in krachtige termen het Palestijnse terrorisme en roepen zij de Palestijnse autoriteit op de openbare orde te herstellen en tastbare en concrete stappen te ondernemen om terroristische organisaties te ontmantelen. De Israëlische regering wordt verzocht haar strijdkrachten uit de Palestijnse gebieden terug te trekken, een einde te maken aan de gerichte liquidaties en aan het nederzettingenbeleid en de bouw van de "veiligheidsmuur" stop te zetten.

In april 2002 nam het EP een aanbeveling aan de Raad aan, waarin deze wordt verzocht de associatieovereenkomst tussen de Unie en Israël op te schorten (269 stemmen vóór en 208 tegen, bij 22 onthoudingen) vanwege de door de Israëlische regering gevoerde militaire escalatiepolitiek. De Raad van Ministers heeft daaraan echter geen gevolg willen geven.

In februari 2003 is vervolgens naar aanleiding van een door 170 leden ondertekend verzoek een werkgroep opgericht om een onderzoek in te stellen naar het gebruik van de door de Unie aan de Palestijnse Autoriteit verleende bijstand, waarvan sommigen vreesden dat deze voor andere doeleinden werd misbruikt en zelfs werd ingezet voor de financiering van terroristische netwerken. De oprichting van deze werkgroep paste in het kader van de bevoegdheid van het EP om toezicht te houden op de transparantie van de EU-boekhouding, ook al heeft deze werkgroep niet dezelfde onderzoeksbevoegdheden als een officiële enquêtecommissie. Op 31 maart 2004 werden door de werkgroep twee verslagen (een "meerderheidsverslag" en een "minderheidsstandpunt") aangenomen, hetgeen te maken had met de uiteenlopende interpretaties die aan de verzamelde informatie werd gegeven. De beide verslagen resulteerden echter wél in een gelijkluidende conclusie, namelijk dat, mocht de Unie in de toekomst besluiten opnieuw rechtstreekse budgettaire bijstand te verlenen aan de Palestijnse Autoriteit, daaraan duidelijke voorwaarden moesten worden verbonden en dat deze aan strengere controles moest worden onderworpen. De genoemde verslagen zullen door drie terzake bevoegde commissies (begroting, begrotingscontrole, buitenlandse zaken) worden behandeld.



  
Rapporteurs:
  
Gemeenschappelijk Europees veiligheids- en defensiebeleid na Keulen en Helsinki: Catherine Lalumière (PES, F)
Gedragscode voor de wapenexport (1ste jaarverslag): Gary Titley (PES, UK)
Gedragscode voor de wapenexport (2de jaarverslag): Gary Titley (PES, UK)
Gedragscode voor de wapenexport (3de jaarverslag): Gary Titley (PES, UK)
Gedragscode voor de wapenexport (4de jaarverslag): Karl von Wogau (EPP-ED, D)
De situatie in Irak elf jaar na de Golfoorlog:: Baroness Nicholson of Winterbourne (ELDR, UK)
De vooruitgang die is geboekt bij de uitvoering van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid: Elmar Brok (EPP-ED, D)
De nieuwe Europese veiligheids- en defensiestructuur - prioriteiten en lacunes: Philippe Morillon (EPP-ED, F)
Voornaamste aspecten en fundamentele keuzen van het GBVB, financiële gevolgen voor de EG-begroting: Elmar Brok (EPP-ED, D)
Defensiematerieel: EU-beleid, industriële en marktvraagstukken: Luís Queiró (UEN, P)
  
Stand van de wetgevingsprocedure
  
Gemeenschappelijk Europees veiligheids- en defensiebeleid na Keulen en Helsinki
Gedragscode voor de wapenexport (1ste jaarverslag)
Gedragscode voor de wapenexport (2de jaarverslag)
Gedragscode voor de wapenexport (3de jaarverslag)
Gedragscode voor de wapenexport (4de jaarverslag)
De situatie in Irak elf jaar na de Golfoorlog
De vooruitgang die is geboekt bij de uitvoering van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid
De nieuwe Europese veiligheids- en defensiestructuur - prioriteiten en lacunes
Voornaamste aspecten en fundamentele keuzen van het GBVB, financiële gevolgen voor de EG-begroting
Defensiematerieel: EU-beleid, industriële en marktvraagstukken
  
Publicatieblad - Definitieve besluiten
  
Gemeenschappelijk Europees veiligheids- en defensiebeleid na Keulen en Helsinki - door het Parlement aangenomen tekst
Gedragscode voor de wapenexport (1ste jaarverslag) - door het Parlement aangenomen tekst
Gedragscode voor de wapenexport (2de jaarverslag) - door het Parlement aangenomen tekst
Gedragscode voor de wapenexport (3de jaarverslag) - door het Parlement aangenomen tekst
Gedragscode voor de wapenexport (4de jaarverslag) - door het Parlement aangenomen tekst
De situatie in Irak elf jaar na de Golfoorlog - door het Parlement aangenomen tekst
De vooruitgang die is geboekt bij de uitvoering van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid - door het Parlement aangenomen tekst
De nieuwe Europese veiligheids- en defensiestructuur - prioriteiten en lacunes - door het Parlement aangenomen tekst
Voornaamste aspecten en fundamentele keuzen van het GBVB, financiële gevolgen voor de EG-begroting - door het Parlement aangenomen tekst
Defensiematerieel: EU-beleid, industriële en marktvraagstukken - door het Parlement aangenomen tekst

 

 

 
  Publishing deadline: 2 April 2004